{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een losstaande zuil kan incidenteel worden toegestaan. Hierbij geldt een maximale breedte van 1,2 meter en een maximale hoogte van 3,6 meter, tenzij in het kader van een beeldkwaliteitplan andere afmetingen zijn voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame dient zoveel mogelijk in de nabijheid van de (hoofd)entree gesitueerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame mag het uiterlijk aanzien van het pand en het straat- en stadsbeeld niet schaden of verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclames op ruiten worden getoetst aan de reclamerichtlijnen, tenzij deze bestaan uit folies die volledig kleurloos en lichtdoorlatend zijn, met het uiterlijk van gezandstraald glas, die aan de binnenkant van de ruit zijn aangebracht, eenvoudig van vormgeving en met een maximum oppervlak van 10% van het glas. Een dergelijke uiting is zeer ondergeschikt en zal niet als reclame worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Handelsreclame bij detailhandel, horeca, kantoren en dienstverlening buiten bedrijventerreinen Per pand mag slechts één reclame-uiting worden aangebracht, vlak tegen de gevel of een uithangbord, banier of lichtreclame die loodrecht op de gevel staat. Hoekpercelen kunnen aan beide gevels reclame voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oppervlak van de handelsreclame tegen de gevel mag maximaal 60% van de gevelbreedte bedragen, met een maximum van 3 meter en een maximale hoogte van 0,4 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oppervlak van handelsreclame welke haaks op de gevel is geplaatst mag niet meer bedragen dan 0,8 m2 en mag niet bevestigd worden aan erkers of balkons.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een handelsreclame vlak tegen de gevel mag met een bijbehorende reclame haaks op de gevel worden gecombineerd, mits deze qua afmeting en situering ondergeschikt is. Deze bijbehorende reclame mag maximaal 50 x 50 cm groot zijn, maximaal 10 cm dik en op een afstand van maximaal 10 cm van de gevel worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van vlaggen met reclame is beperkt tot één per pand met een maximale omvang van uitgelegd 150 x 75 cm. Deze komt in de plaats van de mogelijkheid van een vaste reclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame mag niet knipperen of bewegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame mag niet worden aangebracht aan woningen boven detailhandel, horeca of dienstverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame dient zoveel mogelijk in de nabijheid van de entree gesitueerd teworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame mag het uiterlijk aanzien van het pand en het straat- en stadsbeeld niet schaden of verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een extra reclame op zonweringen en niet vaste luifels is alleen toegestaan indien het zicht ontnomen wordt op de vaste gevelreclame. Deze extra reclame moet voldoen aan de eisen die aan handelsreclame wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reclames op ruiten worden getoetst aan de reclamerichtlijnen, tenzij deze bestaan uit folies die volledig kleurloos en lichtdoorlatend zijn, met het uiterlijk van gezandstraald glas, die aan de binnenkant van de ruit zijn aangebracht, eenvoudig van vormgeving en met een maximum oppervlak van 10% van het glas. Een dergelijke uiting is zeer ondergeschikt en zal niet als reclame worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Handelsreclame op Brandevoort Het reclamebeleid in Brandevoort is zeer terughoudend. Waar reclame nodig is dient de mogelijkheid daartoe in het architectonische ontwerp teworden meegenomen. Voor de Veste in Brandevoort is het ‘Signing Plan Brandevoort’ opgesteld (mei 2007). Hierin zijn regels opgenomen m.b.t. reclame. Het Signing Plan Brandevoort is een uitwerking van het beeldkwaliteitplan voor Brandevoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het reclamebeleid voor heel Helmond moeten voor de Veste in Brandevoort de regels uit het Signing Plan Brandevoort gehanteerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandsadvies op maat Zoals eerder uitgelegd, geldt bij beoordeling van aanvragen om een reclamevergunning of omgevingsvergunning een verplichte welstandstoets. Indien een dergelijke aanvraag niet rechtstreeks passend is in de bovenstaande richtlijnen, die ambtelijk getoetstworden, is een welstandsadvies op maat nodig. In dergelijke gevallen zal de welstandscommissie de aanvraag beoordelen aan de hand van de bovenstaande reclamerichtlijnen, beeldkwaliteitplannen en gebiedsspecifieke criteria voor zover van toepassing. In beginsel zijn de bovenstaande reclamerichtlijnen leidend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts in de volgende uitzonderingsgevallen is afwijken van deze richtlijnen denkbaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een deskundig en onderbouwd verzoek, waarin aannemelijk gemaakt kan worden dat afwijking van deze bepalingen een gelijkwaardige of betere oplossing biedt voor wat betreft de vormgeving en plaatsing van de reclame in relatie tot de architectuur van het bouwwerk waarop deze wordt aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer handelsreclame een integraal onderdeel van het architectonische ontwerp uitmaakt, zal deze handelsreclame niet op zichzelf maar in samenhang met de architectuur worden beoordeeld. Hierbij wordt ondermeer gelet op vormgeving, materiaaltoepassing, lichtintensiteit, kleurstelling, lay-out, typografie en de wijze van bevestiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na de vaststelling van deze bepalingen in de directe omgeving vergunning is verleend voor reclames die op vergelijkbare wijze afweken van deze bepaling. Wanneer een beroep wordt gedaan op deze ‘precedentwerking’ zal de commissie dat in haar beoordeling betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Suggesties voor aanvragers Wanneer bij een gevelreclame gebruik wordt gemaakt van losse letters i.p.v. reclamebakken of borden zullen deze zich in de regel gemakkelijker naar de architectuur van het gebouw voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van felle kleuren wordt afgeraden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op ruiten geplakte reclames zijn ongewenst. Deze kunnen beter los van de ruit worden geplaatst. Daarbij dient het zicht naar de achtergelegen ruimte zoveel mogelijk in stand teworden gehouden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>BEGRIPPENLIJST Aanbouwen Een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat qua afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aangekapt Met kap bevestigd aan dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achterkant De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdak Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemmen In overeenstemming brengen met.</p>\n<p class=\"lf-p\">Antennedrager Antennemast of andere constructie, bedoeld voor de bevestiging van een antenne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Antenne-installatie Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archetype Oorspronkelijk, originele vorm van een bepaalde bouwstijl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asymmetrisch dak Zadeldak met twee ongelijke dakvlakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asymmetrische kap Zadeldak waarbij het dakvlak aan één zijde doorloopt tot aan de gevel van de daaronder gelegen bouwlaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Authentiek Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Band Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwingstype Een zone met bebouwing die door zijn verschijningsvorm en/ of situering binnen een bepaald kader valt (zoals aangegeven op de kaart) waarvoor veelal specifieke welstandscriteria zijn opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschot Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfsbebouwing Gebouwen ten behoeve van bedrijven, zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden Handhaven, bewaren, in stand houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belendende Naastgelegen, (direct) grenzend aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijgebouw Een vrijstaand gebouw dat qua afmetingen en in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blinde wand, muur of gevel Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boeiboord Opstaande kantvan een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boerderij Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Borstwering Lage dichte muur tot borsthoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwblok Eén geheel van geschakelde bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwhoogte De grootste hoogte ten opzichte van het aansluitend terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwlaag Op één horizontaal niveau gelegen reeks ruimten in een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwperceel Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk Elke bouwconstructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenbouw Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bungalow Meestal vrijstaande woning, waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Carport Open afdak om de auto onder testallen, meestal bij of grenzend aan een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Classicisme Stroming in de bouwkunst, bouwstijl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Complex Element binnen een bebouwingstype wat bij aanpassingen gezien de samenhang in zijn totaliteit moet worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Compositie Ordening van verschillende onderdelen van een bouwwerk of situering van een gebouw ten opzichte van de omringende bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conformeren Zich voegen naar, gelijkvorming maken, aanpassen aan, afstemmen op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Context Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Continuïteit Ononderbroken samenhang, doorlopend verband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Contrasteren Een tegenstelling vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dak Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, bestaande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakafdekking Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dakbedekking is aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakenlandschap Het aanzicht van een geheel aan daken en dakvormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakhelling De hoek tussen het dak en de aanliggende vloer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakkapel Ondergeschikte uitbouw op een hellend dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daknok Hoogste punt van een schuin dak. Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakopbouw Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakraam Raam in een hellend dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daktrim Afwerking van de bovenzijde van een dakrand ten behoeve van waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakvlak Een vlak van het dak / de kap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakvoet Laagste punt van een schuin dak; het snijpunt van de daklijn en de onderliggende gevellijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Damwandprofiel Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detail Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Detaillering Uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diversiteit Verscheidenheid, afwisseling, variatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drager en invulling De drager is de constructie van een gebouw, waaraan de invulling is toegevoegd om te beschermen tegen weer en wind (heeft vooral betrekking op gebouwen uit de jaren vijftig en zestig, waarbij het verschil tussen drager en invulling werdgebruikt om de woning in een groot gebouw of rij huizen te onderscheiden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ensemble Architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere panden binnen een bebouwingstype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Erf Al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorerf: gedeelte van het erf dat aan de voorzijde van het gebouw is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtererf: gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijerf: gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste verdieping Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Erker Ondergeschikte toevoeging van één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in glas, metselwerk en/of hout Expressiviteit Sterk sprekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Flat Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Galerij Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gepotdekseld Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevel Buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel) (Gevel)geleding Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelmakelaar Decoratieve bekroning van een geveltop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goot Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goothoogte Verticaal vanaf de bovenkant goot, boeiboord, druiplijn of daarmee gelijk testellen constructiedeel tot aan de gemiddelde hoogte van het aan dat bouwwerk aansluitende, afgewerkte bouwperceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gootklos Zie klossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gootlijn Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondgebonden woning Woning waarbij de begane grond en ingang zich op het maaiveld bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Harmonie Overeenstemming, bevredigende samenvoeging dat een aangenaam geheel vormt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoekaanbouw Grondgebonden toevoeging, meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoek- en kilkeper Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdgebouw Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogbouw Bebouwing van meer dan vier bouwlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Horizontaliteit Het domineren van horizontale lijnen in de gevel van de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Identiteit Eigen karakter, individueel kenmerk van een bouwwerk of bouwstijl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Imago Stereotiepe mening bij het grote publiek omtrent iets, algemeen gevormd beeld (van de bebouwing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidenteel Slechts één of enkele malen voorkomend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individualiteit Het geheel aan eigenschappen en hoedanigheden die een bouwwerk onderscheiden of kenmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individueel gebouw Zelfstandig, op zichzelf staand gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Industriebebouwing Bebouwing met een industriële bestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Installatie Set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kap Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Karakter Kenmerkende vorm en uiterlijk (van de bebouwing), typering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kavel Grondstuk, kadastrale eenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Keper Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kern Veelal kleinschalig stedelijk gebied, zoals een centrum van een dorp of stad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klossen Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw, zoals dakgoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kop In het algemeen gebruikt om de smalle kantvan een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld van een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lak Afwerklaag van schilderwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landschappelijke waarde De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aard- oppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landmark Een bouwwerk dat kenmerkend is in het aangezicht van een stad of dorp en structurerend werkt binnen het bebouwde gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Langskap Kap waarbij de noklijn parallel aan de weg ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Latei Draagbalk boven gevelopening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lessenaarsdak Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichtkoepel Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijst Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel, kroonlijst, gootlijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lineair Rechtlijnig, langgerekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lint(bebouwing) Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lint Langgerekte weg met daarlangs bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Luifel Afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaiveld Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om bouwvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mansardedak Dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor een geknikte vorm ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Markant In het oog vallend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Markies Opvouwbaar zonnescherm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Massa Volume van een gebouw of bouwdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Metselverband Het zichtbare patroon van metselwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middenstijl Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monument Aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Muurdam Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurlijke waarde De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Negge Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nok Horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondergeschikt Voert niet de boventoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderbouw Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een huis met meerdere verdiepingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontsluiting De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oorspronkelijk Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oorspronkelijke gevel Gevel behorend tot de oudste gevels van een gebouw, gevel van een gebouw in zijn oorspronkelijke staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar groen Parken, plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. Een weiland, bos of water kan in dit verband niet worden aangemerkt als openbaar groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Orthogonaal Rechthoekig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriëntatie De hoofdrichting van een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ornament Versiersel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overkapping Bekapping, overdekking, overspanning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overstek Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paneel Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Penant Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pilaster Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatmateriaal Bouwmateriaal, ten behoeve van gevelbekleding, dat in plaatvorm geleverd wordt, zoals hout (triplex, multiplex), kunststof (trespa) of staal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plint Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Profiel Omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Profilering Aangebrachte vorm en maatvoering van profiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projectmatig Gezamenlijke en gelijktijdige ontwikkeling en bouw van een aantal bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Portiek Gemeenschappelijk trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raamdorpel Horizontaal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raamhout Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/post.</p>\n<p class=\"lf-p\">Referentiekader Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Renovatie Vernieuwing (van een gebouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">Respecteren Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijenwoningen Geschakelde eengezinswoningen in een rij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ritmiek Regelmatige herhaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rollaag Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen; horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rooilijn Lijn die in het bestemmingsplan of de bouwverordening aangeeft waarachter gebouwd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenhang De omstandigheid dat of de wijze waarop verschillende zaken met elkaar in verband staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schilddak Dak met vier hellende vlakken bestaande uit twee grote en twee kleine vlakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slagenlandschap Een landschap met langgerekte ontginningslinten met haaks daarop een stelsel van smalle kavels gescheiden door afwateringssloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Situering Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sober Niet overvloedig, eenvoudig, zonder opsmuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Solitair Op zichzelf staand, uitzondering op de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speklaag Lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stempel (stedenbouwkundig) Een bebouwingscluster welke meerdere keren binnen een bepaald gebied voorkomt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Stijl Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Straatbeeld Beeld dat een straat oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Structuur Rangschikking van elementen (stedenbouwkundige structuur: rangschikking van bouwwerken, wegen, waterlopen, e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tactiel Met de tastzin verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tent-, punt- of piramidedak Dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Textuur De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Traditioneel Gebouwd volgens oude gewoonten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tympaan Driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbouw Een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouwd door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat qua afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdieping Bouwlaag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergroven Grof of grover maken (minder gedetailleerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verticaliteit Het domineren van verticale lijnen in de gevel van de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volant Strook stof als afronding en versiering van zonnescherm of markies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorgevellijn Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorgevelrooilijn Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, dan wel de gemeentelijke bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorkant De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Windveer Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand; worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woning Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wolfdak/wolfeinden Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zadeldak Dak met een symmetrisch profiel dat bestaat uit twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samenkomen Zijgevellijn Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijkant De zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL 2 LOKETCRITERIA INHOUD 1 Inleiding Algemeen ‘Loketcriteria’ Toepassingen en gebruik loketcriteria Uitgangspunten Precedentwerking 2 Loketcriteria Algemeen Bijbehorende bouwwerken Kozijn- en gevelwijzigingen Dakkapellen Erf- en perceelafscheidingen 1 Inleiding 1.1 Algemeen Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Tegelijkertijd is het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Artikel 2 in bijlage II bij dit Besluit geeft feitelijk voortzetting aan de categorie bouw- vergunningvrije bouwwerken uit het vervallen Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is verdwenen. Er bestaan alleen nog omgevingsvergunningplichtige activiteiten en categorieën van activiteiten die omgevingsvergunningvrij zijn. Artikel 3 in bijlage II bij het Bor introduceert een nieuw type vergunningvrije bouwwerken, die alleen omgevingsvergunningvrij zijn voor de activiteit bouwen. Artikel 5 in bijlage II bij het Bor stelt een aantal ‘algemene voorwaarden’ voor omgevingsvergunningvrijheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zowel artikel 2 als artikel 3 in bijlage II bij het Bor wordt een nieuwe bijzondere soort van omgevingsvergunningvrijheid beschreven. Voor vier categorieën van gevallen is het al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn afhankelijk van het gemeentelijk welstandsbeleid. Het gaat om de volgende categorieën van gevallen: bepaalde bijbehorende bouwwerken 1 Dit is een verzamelbegrip voor uitbreidingen van het hoofd- gebouw, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, overkappingen en andere bouwwerken met een dak. In tegenstelling tot het Bblb is niet vereist dat het een ‘bestaand’ hoofdgebouw betreft. Wel moet het bijbehorend bouwwerk functioneel verbonden zijn met het hoofdgebouw. in het achtererfgebied op een afstand van minder dan 1.00 m van het openbaar toegankelijk gebied (artikel 2); dakramen, daklichten, lichtstraten of gelijksoortige daglichtvoorzieningen in het voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, waarbij de constructie maximaal 0.60 m buiten het dakvlak uitsteekt (artikel 2); erf- of perceelsafscheidingen met een hoogte tussen 1.00 en 2.00 m op een afstand van minder dan 1.00 m van het openbaar toegankelijk gebied (artikel 2); dakkapellen aan de voorzijde of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak (artikel 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanzelfsprekend zijn deze categorieën van gevallen omgevingsvergunningvrij in welstandsvrije gebieden (let op: voor dakkapellen in het voordakvlak, mits in overeenstemming met het bestemmingsplan!). In Helmond komen geen welstandsvrije gebieden voor. In gebieden die aan welstandstoezicht onderhevig zijn, zijn deze categorieën van gevallen in beginsel niet omgevingsvergunningvrij. Een gemeente kan echter besluiten om één of meerdere van deze categorieën van gevallen als welstandsvrij aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Helmond onderschrijft het belang van sturing op de uiterlijke kwaliteit van deze categorieën van gevallen in gebieden waar sprake is van welstandstoezicht en heeft besloten dat voor deze categorieën van gevallen een welstandstoets benodigd is. Het gevolg hiervan is dat voor deze categorieën van gevallen een omgevingsvergunning is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 ‘loketcriteria’ Onder de wetgeving tot 1 oktober 2010 was het verplicht om in de welstandsnota sneltoetscriteria op te nemen voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Het betrof criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken, zoals aan- en uitbouwen, bijgebouwen enoverkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen en erfafscheidingen. De gemeente Helmond noemde dit ‘loketcriteria’. Met het vervallen van deze categorie bouwwerken en het vervallen van de mogelijkheid van ambtelijke afhandeling van de welstandstoets in 2010 verviel ook de verplichting om in een welstandsnota loketcriteria op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Helmond heeft er in 2010 voor gekozen om onder de Wabo voor bepaalde categorieën kleine, veel voorkomende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken de ‘loketcriteria’ te behouden. Dit vergrootte enerzijds de duidelijkheid richting de burger en de uitstraling van een objectieve toetsing. Anderzijds hielp het de welstandscommissie om adviesaanvragen voor deze kleine, veel voorkomende bouwwerken snel en consequent af te handelen. Daarnaast maakte het ambtelijke voorbereiding van deze afhandeling mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Helmond heeft er in 2010 voor gekozen de term ‘loketcriteria’ niet meer tegebruiken, aangezien de burger deze term associeert met ‘hoeft niet naar de welstandscommissie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In plaats daarvan werd voortaan de term ‘algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken’ gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duidelijkheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een bouwplan voldoet aan de algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken mag de aanvrager rekenen op een positief advies van de welstandscommissie. Niet voldoen van een bouwplan aan de algemene criteria voor kleine, veel voorkomende bouwwerken betekent niet automatisch een negatief welstandsadvies; de welstandscommissie toetst het plan dan aan de gebiedscriteria of (indien van toepassing) aan de algemene welstandscriteria, hetgeen alsnog een positief advies kan opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de wetswijziging met betrekking tot de ‘kan-bepaling’ van kracht is, ‘kan’ de gemeenteraad er voor kiezen om de welstandstoetsing geheel of gedeeltelijk buiten de nu nog verplichte welstandscommissie om te laten plaatsvinden. De gemeente Helmond heeft besloten om onder andere de welstandstoets met betrekking tot kleine, veel voorkomende bouwwerken in gebieden met een specifiek welstandsniveau ambtelijk te laten uitvoeren. Om die reden wordt voortaan weer de term ‘loketcriteria’ gebruikt. In gebieden met een minimum welstandsniveau hebben de loketcriteria de status van aanbeveling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ambtelijke toetsing leidt tot een positief welstandsadvies, dan wordt het bouwplan niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Voldoet het bouwplan niet of is er sprake van twijfel, dan wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld. In hoofdstuk 2 zijn de loketcriteria voor kleine, veel voorkomende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken geformuleerd, die gehanteerd worden bij de welstandstoetsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 toepassIngen en gebruik loketcrIterIa De loketcriteria kunnen gebruikt worden voor: preventieve toetsing van (voor de activiteit bouwen) omgevingsvergunningplichtige bouwwerken; repressieve toetsing van (voor de activiteit bouwen) omgevingsvergunningvrije bouwwerken; vrijwillige toetsing van (voor de activiteit bouwen) omgevingsvergunningvrije bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Preventieve welstandstoetsing Als sprake is van een klein, veel voorkomend, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtig bouwwerk, kan het bouwplan aan de hand van de loketcriteria getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. Wanneer een bouwplan voldoet aan de loketcriteria mag de aanvrager rekenen op een positief advies van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een bouwplan niet voldoet aan de loketcriteria of wanneer sprake is van een bijzondere situatie, waarbij twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van deze criteria, toetst de welstandscommissie het plan aan de gebiedscriteria of (indien van toepassing) aan de algemene welstandscriteria, hetgeen alsnog een positief advies kan opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een bijzondere situatie is in elk geval altijd sprake bij bouwen in door het rijk aangewezen beschermde stads- of dorpsgezichten en bij bouwen bij, op of aan door het rijk, de provincie of de gemeente aangewezen beschermde monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Repressieve welstandstoetsing Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kunnen burgemeester enwethouders degene die tot het opheffen van die strijdige situatie bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen (behoudens in welstandsvrije gebieden en bij welstandsvrije objecten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand, indien sprake is van excessen. Dat wil zeggen ingeval van buitensporigheden in het uiterlijk, die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Vaak heeft dit betrekking op ernstige verpaupering of verval van bouwwerken, het afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden, armoedig materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De excessenregeling geldt ook voor omgevingsvergunningvrije bouwwerken. Omgevingsvergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de loketcriteria, zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij afwijkingen daarvan zullen burgemeester en wethouders desgevraagd beoordelen of het bouwwerk in ernstige mate met die criteria in strijd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwillige welstandstoetsing Om te voorkomen dat men achteraf wordt geconfronteerd met redelijke eisen van welstand, kan een initiatiefnemer van een te bouwen omgevingsvergunningvrij bouwwerk het plan daarvoor uit eigen beweging (‘vrijwillig’) laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De loketcriteria kunnen in een dergelijk geval dan ook dienen als adviserend kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het schilderen of keimen van de oorspronkelijke, uit schoon metselwerk opgetrokken gevels, is nadrukkelijk ongewenst wanneer hierdoor de bestaande samenhang in het ensemble of straatbeeld wordt verstoord. Gezien het ingrijpende karakter dat zo’n gevelwijziging op het ensemble of het straatbeeld kan hebben, is het mogelijk dat deze als exces zal worden aangemerkt. Het is daarom aan te raden bij het schilderen of keimen van bestaande gevels van schoon metselwerk, vooraf advies te vragen aan de welstandscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonnepanelen in brandevoort en dierdonk Kenmerkend voor Brandevoort en Dierdonk is de bijzonder zorgvuldige vormgeving op het gebied van stedenbouw, architectuur en openbare ruimte. Voor de ontwikkeling en instandhouding daarvan zijn beeldkwaliteitplannen een belangrijk hulpmiddel. Bouwplannen worden hier aan getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing van zonnepanelen in of op een dakvlak is in de regel vergunningvrij. Dit houdt in dat toetsing vooraf niet is vereist. In het kader van de excessenregeling bestaat echter wel de mogelijkheid dat correctief wordt opgetreden tegen de oprichting van vergunningvrije bouwwerken of verbouwingen die in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dit kan ook van toepassing zijn op plaatsing van vergunningvrije zonnepanelen in Brandevoort en Dierdonk indien dit leidt tot het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is daarom aan te raden bij het plaatsen van zonnepanelen vooraf advies te vragen aan de welstandscommissie. Indien de welstandscommissie ‘positief adviseert’ kan worden uitgesloten dat het betreffende bouwwerk of de verbouwing naderhand als exces wordt aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid teverschaffen welke welstandscriteria hierbij een rol spelen, is het navolgende toetsingskader uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij plaatsing van zonnepanelen in Brandevoort en Dierdonk zijn de volgende aspecten van invloed: materiaal en kleur afmetingen situering 1. Materiaal en kleur De vorm en kleur van zonnepanelen wijken sterk af van de oranje of donkergrijze keramische OVH-pannen die in Brandevoort wordt toegepast en de antracietkleurige dakpannen die in Dierdonk worden toegepast. Met name het contrast met oranje pannen is bijzonder groot. In zonnepanelen wordt veelal mono- of polykristalijn silicium toegepast dat voor het kenmerkende beeld van een blauwachtige ofwel zwarte kristalstructuur in een metaalkleurig raster zorgt. Het oppervlak is vlak, glanzend en spiegelend. De kleur van de randafwerking verschilt (zwart of metaalkleur). Bij blauwgesmoorde pannen is toepassing van zwarte panelen en dito randafwerking minder storend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bestaande situaties worden de panelen vaak direct boven het pannendak geplaatst. Opname in de pannenkap verdient de voorkeur, vanwege het geringere hoogteverschil.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Afmetingen Zonnecollectoren op een bestaand dak worden opgebouwd uit een reeks gelijkvormige modules van ca 1x1,5 meter. Zijn de afmetingen van een zonnecollector ondergeschikt ten opzichte van het dakvlak, dan zal het storende effect beperkt blijven. Er is een parallel te trekken met dakramen en dakkapellen. Voor al deze toevoegingen in het dakvlak geldt dat zij ondergeschikt dienen te zijn. Als zonnepanelen in een dakvlak worden gecombineerd met dakkapellen en/of dakramen zal eerder een ongewenst of onaanvaardbaar beeld ontstaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Situering Collectoren aan de achterzijde van woningen die vanaf de straat of de openbare ruimte niet zichtbaar zijn, kunnen het straatbeeld niet nadelig beïnvloeden. Wel moet er voor gezorgd worden dat de architectuur niet tezeer wordt aangetast. Toch zal hier in de regel meer mogelijk zijn dan aan de voorzijde. Aan de voorzijde is de architectuur meer afgewogen en representatief; bovendien is het straatbeeld in het geding.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verder is het belangrijk de panelen op een evenwichtige wijze in het dakvlak te situeren. De criteria die hier van toepassing zijn, komen globaal overeen met de randvoorwaarden voor de plaatsing van dakkapellen en dakramen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaak rechthoekige vorm van een zadeldak leent zich beter voor plaatsing van zonnepanelen dan een schilddak. Het is belangrijk voldoende afstand tot de hoek- of kilkepers te bewaren. Voor zonnecollectoren is een eenvoudige rechthoekige vorm het uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel twee-onder-één-kap woningen zijn als eenheid ontworpen. In die gevallen moet het gebouw als geheel bij de beoordeling betrokken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bouwblokken of ensembles die als architectonische eenheid zijn vormgegeven verdient het nadrukkelijk aanbeveling voor samenhang in de plaatsing van zonnepanelen te kiezen. Zo kan een ondergeschikte situering worden bereikt en de samenhang worden gerespecteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van bovenstaande overwegingen zullen bij de beoordeling van zonnepanelen de volgende criteria worden gehanteerd: alleen zwarte zonnepanelen en dito randprofielen; de panelen bij voorkeur in de kap opnemen in plaats van boven de bestaande pannen situeren; plaatsing in/op een pannenkap in Dierdonk aan de achterzijde beperkt mogelijk; aan de voorzijde alleen indien ondergeschikt en goed gepositioneerd; plaatsing in/op een blauwgesmoorde pannenkap in Brandevoort aan de achterzijde beperkt mogelijk; aan de voorzijde alleen indien ondergeschikt en goed gepositioneerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsing in/op een oranjerode pannenkap in Brandevoort aan de achterzijde alleen indien ondergeschikt; aan de voorzijde niet mogelijk; de collector heeft een eenvoudige rechthoekige vorm; beoordelen per geval: situering, afmetingen, evenwichtige plaatsing, relatie overige dakobjecten, relatie kapvorm (zadel- of schilddak), relateren aan de eenheid van gebouw, bouwblok of ensemble.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Uitgangspunten Bij het opstellen van de loketcriteria zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Relatie met het bestemmingsplan De welstandstoetsing dient alleen betrekking te hebben op het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Vaste jurisprudentie is dat indien een bouwwerk in overeenstemming is met het bestemmingsplan, dit bouwwerk uit oogpunt van welstand niet meer kan worden afgewezen op basis van plaatsing en maatvoering zoals in het bestemmingsplan is vastgelegd. Bestemmingsplanregels gaan dus voor op de welstandscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een en ander is vastgelegd in artikel 12, lid 3 van de Woningwet 2002. Dit houdt in dat welstandscriteria in beginsel geen eisen kunnen stellen aan zaken die al geregeld zijn in het bestemmingsplan of in het Bouwbesluit. Welkunnen de welstandscriteria een aanvullende werking hebben op het geregelde in het bestemmingsplan of in het Bouwbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de in deze nota opgenomen loketcriteria is ervan uitgegaan dat het bestemmingsplan maatgevend is. Dat wil niet zeggen dat ergeen loketcriteria over plaatsing en maatvoering zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze hebben dan echter betrekking op de visuele kwalitatieve hoedanigheid van het bouwwerk. Bij het bestemmingsplan ligt het primaat voor wat betreft functie, plaatsing en maatvoeringen van kleine bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor- achterkantbenadering De voor-achterkantbenadering (geïntroduceerd in het Bblb) houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant en aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek ligt het bouwen aan de voorkant in het algemeen gevoeliger dan het bouwen aan de achterkant. De voor-achterkantbenadering is onder de Wabo / in het Bor gehandhaafd. Dit is vertaald in de begrippen ‘voorerfgebied’ en ‘achtererfgebied’, begrippen die in de praktijk al vaak gebruikt zijn, maar die nu gedefinieerd zijn in Bor, Bijlage 2, artikel 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het achtererfgebied omvat het erf aan de achterkant en de niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1.00 m van de voorkant van het hoofdgebouw. Het voorerfgebied is al het erf dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied. Onder erf wordt verstaan het al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bor verstaat onder openbaar toegankelijk gebied: ‘weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parkeren, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer’. ‘Objectieve’ loketcriteria De intentie van de wijziging van de Woningwet in 2002 is dat gemeenten een toetsbaarder, objectiever en transparanter welstandsbeleid formuleren en uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent enerzijds dat er een grote duidelijkheid moet zijn over het welstandstoezicht, en anderzijds dat de criteria een bepaalde eenduidigheid moeten hebben, met andere woorden ‘objectief’ toetsbaar moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoeft niet te betekenen dat de loketcriteria altijd 100% meetbaar, dus absoluut van aard, zijn. Absolute criteria leveren slechts één mogelijk resultaat op, terwijl objectieve loketcriteria ook relatief van aard kunnen zijn, dus naar verhouding meer mogelijke oplossingen bieden in relatie tot omgeving, tijdsbeeld en/of gewenste ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat veel van deze factoren locatieafhankelijk zijn, is het opstellen van absoluut meetbare criteria niet eenvoudig. Absoluut meetbare criteria met betrekking tot materiaal, kleur en detailleringen kunnen bijvoorbeeld alleen per gebied of bouwstijl geformuleerd worden. Waar door de omgevingsafhankelijke factoren absoluut meetbare criteria niet mogelijk zijn, worden relatieve criteria gebruikt. Daarbij wordt veelal verwezen naar vergelijkbare kenmerken van het hoofdgebouw, belendende bebouwing of bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Helderheid en herkenbaarheid van gebouwen Een gebouw heeft vaak een herkenbare hoofdvorm of is opgebouwd uit meerdere in samenhang ontworpen delen. Elk deel is meestal zelf ook weer zorgvuldig opgebouwd uit massa’s en vlakken en die zijn vervolgens ook zelf weer in samenhang met de rest ontworpen. Bij de toetsing van plannen wordt gekeken of deze samenhang en zorgvuldigheid in het plan aanwezig zijn dan wel gerespecteerd worden. In de loketcriteria is dit thema als uitgangspunt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de loketcriteria is in het algemeen uitgegaan van een standaardplan voor het betreffende type bouwwerk. Alle uitzonderingen daarop verdienen extra aandacht enworden dus door de welstandscommissie beoordeeld op redelijke eisen van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek ensemble Het is mogelijk dat een bepaald gebied een uitzonderlijke positie inneemt binnen het bebouwingstype, doordat het een hogere beeldbepalende waarde heeft dan gebruikelijk is binnen dit bebouwingstype. Een specifiek ensemble speelt een grote rol in de beleving en/of uitstraling van de kern. Bebouwing zonder een beschermde status kan als specifiek ensemble aangemerkt worden als de verschijningsvorm zó specifiek is dat deze een bijzondere behandeling verlangt binnen het welstandsbeleid. Voorbeelden hiervan zijn specifieke architectonische clusters van bebouwing en gebieden met een beeldkwaliteitplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Helmond komen de volgende specifieke ensembles voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Groene Loper Dierdonk Brandevoort De Akkers Houtse Akker Centrum-Helmond Groot Schooten Suytkade 1.5 precedentwerking In veel gevallen wordt door de aanvrager verwezen naar eerder uitgevoerde en dus vaak goedgekeurde bouwwerken. Een dergelijk bouwwerk kan als precedent werken voor overige bouwplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit levert voornamelijk bij uitgevoerde bouwwerken die achteraf niet voldoen aan redelijke eisen van welstand, problemen op. Hierdoor wordt de ongewenste willekeur van de welstandscommissie alleen maar versterkt. Door een gebiedsgericht beleid te voeren kan de gemeente voor een groot deel beargumenteerd de verwijzingen naar eerder uitgevoerde bouwwerken ter zijde leggen. Enkel verwijzingen door bouwaanvragers naar eerder uitgevoerde bouwwerken in de omgeving van het geplande bouwwerk kunnen vervolgens nog eventueel een rol spelen. Dit sluit echter niet alle precedentwerking uit. Ook in de directe omgeving zijn namelijk vaak voorbeelden aan te dragen die niet voldoen aan redelijke eisen van welstand. Het op deze manier volledig uitsluiten van precedentwerking van ‘slechte’ voorbeelden is dan ook een illusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers zullen altijd met voorbeelden aankomen. Om hierin te sturen kunnen in het gebiedsgericht of objectgericht welstandsbeleid beleidsrichtingen worden opgenomen. Daarbij zijn drie beleidskeuzes aan te geven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande situatie is maatgevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw beleid is maatgevend (uitsterfregeling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgelegde trendsetter is maatgevend. ad 1 bestaande situatie is maatgevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de vaststelling dat de bestaande situatie maatgevend is, kiest de gemeente ervoor dat eerder toegestane bouwwerken bepalend zijn voor welstandstoetsing. Een bouwplan voldoet dan in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als deze identiek is aan: een in het betreffende bouwblok of in de betreffende straat eerder gerealiseerd exemplaar; een door de welstandscommissie of welstandsambtenaar goedgekeurd exemplaar, of; een door burgemeester en wethouders gedoogd of via handhaving niet ‘aangepakt’ exemplaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo zullen bijvoorbeeld dakkapellen aan de voorkant die reeds gebouwd zijn, bepalend zijn voor nieuwe bouwaanvragen. Dit heeft tot gevolg dat reeds gebouwde bouwwerken die niet voldoen aan redelijke eisen van welstand, ook bepalend zijn. ad 2 nieuw beleid is maatgevend (uitsterfregeling).</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot de bestaande situatie kan de gemeente ook kiezen om het nieuwe beleid als richtinggevend vast te stellen. Eerder toegestane bouwwerken zullen niet verwijderd worden, maar langzamerhand verdwijnen (uitsterven) doordat het nieuwe beleid bepalend is. Het door bouwaanvragers verwijzen naar deze eerder toegestane exemplaren gaat niet meer op, omdat de gemeente een duidelijk beleidsstandpunt heeft bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe beleid ten aanzien van bouwplannen dient in dit geval wel duidelijk te worden vertaald in welstandscriteria, waaraan consequent getoetst dient te worden. Indien er desondanks wordt afgeweken van de opgenomen welstandscriteria, dan dient het welstandsadvies van een goede argumentatie te zijn voorzien. Een dergelijke afwijking zal bovendien vervolgens worden beschouwd als een nieuwe uitzondering/mogelijkheid. Bij deze beleidskeuze, is het gevaar aanwezig dat er nieuwe precedentvoorbeelden ontstaan. ad 3 Vastgelegde trendsetter is maatgevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tussenoplossing bestaat in de introductie van zogenaamde trendsetters. Eerder door de gemeente geselecteerde voorbeelden zijn dan richtinggevend voor de gewenste ontwikkelingen. Bij een bouwaanvraag dienen deze trendsetters als voorbeeld, waarnaar verwezen kan worden. Een trendsetter kan afwijken van de nieuwe welstandscriteria als (min of meer) geaccepteerde uitzonderingen. Deze oplossing vraagt om een goed beheer van eerder goedgekeurde bouwplannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe trendsetters ontstaan meestal als een bouwplan afwijkt van de welstandscriteria, maar door de welstandscommissie niettemin als acceptabel wordt goedgekeurd. Tijdens de jaarlijkse evaluatie van het welstandsbeleid kunnen dergelijke bouwplannen als trendsetter worden vastgelegd. Het gevaar is echter wel aanwezig, dat er te snel en teveel trendsetters worden vastgesteld, waardoor nog steeds een bepaalde willekeur kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Helmond is nieuw beleid maatgevend, tenzij anders is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1 algemeen In dit hoofdstuk worden loketcriteria gegeven voor de volgende kleine, veel voorkomende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken: bijbehorende bouwwerken; kozijn- en gevelwijzigingen; dakkapellen; erf- en perceelafscheidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwplan voor een bouwwerk als hiervoor genoemd voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand als: het bouwwerk voldoet aan de door de gemeente vastgestelde loketcriteria, of; het bouwwerk bij vervanging qua plaatsing en vormgeving identiek is aan het oorspronkelijke bouwwerk, mits de vervanging geen gevolg is van repressief welstandstoezicht, of; het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving identiek is aan een in het betreffende bouwblok of straat eerder (afgelopen 3 jaar) als zodanig door de welstandscommissie goedgekeurd exemplaar (bij gelijkvormige kapvorm/woningtype), of; het bouwwerk qua plaatsing en vormgeving voldoet aan een door een architect vooraf ontworpen en door de gemeente geaccepteerde optionele toevoeging of wijziging voor een woningbouwproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ervoor een bepaald bouwwerk geen loketcriteria zijn opgenomen, zal het bouwplan door de welstandsambtenaar of welstandscommissie getoetst worden aan redelijke eisen van welstand. De welstandsambtenaar of welstandscommissie zal het bouwplan dan beoordelen op basis van de gebiedsgerichte en/of de algemene welstandscriteria zoals opgenomen in de welstandsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat een bouwplan in strijd is met de loketcriteria, maar wel een waardevolle en/of kwalitatieve toevoeging vormt voor het hoofdgebouw of de omgeving. Daarnaast kan het voorkomen dat juist het hoofdgebouw of de omgeving zich niet leent voor het voorgestelde bouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dit soort situaties tevoorkomen is een vangnet gebruikt door het toevoegen van de regel: ‘Deze criteria gelden, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie en er gerede twijfel mag bestaan over de toepasbaarheid van de genoemde criteria’. Bij het gebruik van dit vangnet dient deugdelijk gemotiveerd teworden, waarom er een uitzondering wordt gemaakt op de opgestelde criteria. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierna genoemde afstanden worden loodrecht en maten buitenwerks (buitenzijde bouwwerk) gemeten, tenzij anders is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 bijbehorende bouwwerken omschrijving en uitgangspunten ‘Bijbehorende bouwwerken’ is een nieuw verzamelbegrip voor uitbreidingen van het hoofdgebouw: aan- en uitbouwen en bijgebouwen, overkappingen en andere bouwwerken met een dak. In tegenstelling tot onder het Bblb is het voor omgevingsvergunningvrijheid niet vereist dat het uit te breiden hoofdgebouw een ‘bestaand’ hoofdgebouw is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoofdgebouw hoeft in dat verband ook geen woning of woongebouw meer te zijn, zoals voor veel categorieën van bouwvergunningvrije bouwwerken gold. Wel moet een bijbehorend bouwwerk functioneel verbonden zijn met het hoofdgebouw. loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige aan- en uitbouwen in het voorerf-gebied bij woningen (m.u.v. erkers in Dierdonk) Algemeen Er is geen sprake van een specifiek ensemble of een beschermd monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aan- of uitbouw is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsingen aantal Afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot het voorerf minimaal 3.00 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aan- of uitbouw aan de voorgevel mag niet buiten de zijgevel uitsteken, geen hoekaanbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstand van de aan- of uitbouw aan zijgevel tot zijerfgrens minimaal 2.00 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen andere aan- of uitbouw aan de betreffende gevel aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Aan de zijgevel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte: niet hoger dan eerste bouwlaag van het hoofdgebouw en minimaal 1.00 m onder de gootlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Breedte: maximaal 75% van de breedte van de oorspronkelijke zijgevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diepte: maximaal 3.00 mgemeten vanaf oorspronkelijke zijgevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de voorgevel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte: niet hoger dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw en minimaal 1.00 m onder de gootlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Breedte: maximaal 50% van de breedte van de oorspronkelijke voorgevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diepte: maximaal 1.00 mgemeten vanaf oorspronkelijke voorgevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormgeving Vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plat afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw. Bij erkers betekent dat, dat de erker in het gat past van het oorspronkelijke gevelelement, zowel qua breedte als qua hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen enkozijnen van hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen koppeling met entreeluifel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan- of uitbouw bestaat uit minimaal 20% en maximaal 75% openingen/glasvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld gemetselde muur op erfgrens (muurdam) of met behulp van scheidende penant. loketcriteria voor erkers in het voorerfgebied bij woningen in dierdonk (altijd omgevingsvergunningplichtig) In Dierdonk bestaat behoefte aan duidelijkheid omtrent wat mogelijk of wenselijk is op het gebied van vormgeving en beeldkwaliteit. De welstandscommissie heeft hiertoe voor een tweetal erkervormen een aantal richtlijnen opgesteld. Hieronder worden deze beschreven. toetsingskader ‘horizontale’ erker bij asymmetrische tweekapper in Dierdonk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdat de oorspronkelijke ontwerpkwaliteit zo goed mogelijk gehandhaafd kan worden, heeft de welstandscommissie voor de realisatie van een erker ter vervanging van een bestaand ‘horizontaal’ kozijn, de volgende uitgangspunten geformuleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp voor een erker dient aan te sluiten bij de (architectonische) karakteristiek van Dierdonk zowel qua vormgeving, maatvoering, positionering, detaillering, materialisatie en kleurgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asymmetrie in het gevelbeeld is karakteristiek voor vele twee aan twee geschakelde woningen; hiermee wordt het beeld van een grote vrijstaande villa gecreëerd. Dit principe is medebepalend voor de vormgeving en plaatsing van een erker of dakkapel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het erkerontwerp dient zich te baseren op het onderscheid dat gemaakt wordt tussen horizontale en verticale kozijnelementen in het oorspronkelijke gevelbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt aan de voorzijde op de begane grond een kozijn met een overwegend horizontale vormgeving vervangen, dan dient in de vormgeving van de erker die daarvoor in de plaats komt eveneens het horizontale aspect benadrukt teworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randvoorwaarden voor een erker waarin de horizontale vormgeving wordt benadrukt: maximale breedte buitenwerks: het bestaande kozijn vermeerderd met 30 cm; minimale breedte: de breedte van het oorspronkelijke kozijn; symmetrisch gepositioneerd t.o.v. de oorspronkelijke gevelopening; de kozijnhoogte van de erker is gelijk aan de hoogte van het oorspronkelijke kozijn; de bovenkant van het erkerkozijn ligt op dezelfde hoogte als het oorspronkelijke kozijn; de erkerdiepte is buitenwerks gemeten maximaal 1.00 m m.u.v. het dakover-stek; de dikte van het dakoverstek is 25 cm; het luifeloverstek is rondom gelijk: 25 cm; toepassing van een gemetselde borstwering overeenkomstig het metselwerk onder het bestaande kozijn met een gelijke hoogte; de kozijn- en raamindeling is vrij, mits horizontaal gericht. toetsingskader ‘verticale’ erker bij asymmetrische tweekapper in Dierdonk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opdat de oorspronkelijke ontwerpkwaliteit zo goed mogelijk gehandhaafd kan worden, heeft de welstandscommissie voor de realisatie van een erker ter vervanging van een bestaand ‘verticaal’ kozijn, de volgende uitgangspunten geformuleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp voor een erker dient aan te sluiten bij de (architectonische) karakteristiek van Dierdonk zowel qua vormgeving, maatvoering, positionering, detaillering, materialisatie en kleurgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asymmetrie in het gevelbeeld is karakteristiek voor vele twee aan twee geschakelde woningen; hiermee wordt het beeld van een grote vrijstaande villa gecreëerd. Dit principe is medebepalend voor de vormgeving en plaatsing van een erker of dakkapel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het erkerontwerp dient zich te baseren op het onderscheid dat gemaakt wordt tussen horizontale en verticale kozijnelementen in het oorspronkelijke gevelbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt aan de voorzijde op de begane grond een kozijn met een overwegend horizontale vormgeving vervangen, dan dient in de vormgeving van de erker die daarvoor in de plaats komt eveneens het horizontale aspect benadrukt te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randvoorwaarden voor een erker waarin de verticale vormgeving wordt benadrukt: maximale breedte buitenwerks: 2,90 m; minimale breedte buitenwerks: de breedte van het oorspronkelijke kozijn (ca. 2.30 m); symmetrisch gepositioneerd t.o.v. de oorspronkelijke gevelopening; de erkerhoogte buitenwerks is gelijk aan de bovenkant van de bestaande latei boven het kozijn; de erkerdiepte is buitenwerks gemeten maximaal 1.00 m; de kozijnstijlen lopen zichtbaar door tot de bovenkant van de erker; bij de dakrand kunnen panelen worden toegepast die terugliggen t.o.v. de voorkant van de doorlopende stijlen; de kozijn- en raamindeling is vrij, mits verticaal gericht. loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige bijgebouwen en overkappingen in het voorerfgebied bij woningen Algemeen Er is geen sprake van een specifiek ensemble of een beschermd monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen secundaire overkapping (bijvoorbeeld een overkapping aan een reeds bestaande aan-, uitbouw of bijgebouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsingen aantal Geen overkapping of vrijstaand bijgebouw op het voorerf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstand tot voorerf minimaal 3.00 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstand tot erfgrens minimaal 0.50 m (achter erfafscheiding), tenzij het vrijstaand bijgebouw voor wat betreft materialisering is geïntegreerd in de erfafscheiding (bijvoorbeeld beiden metselwerk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstand tot gevels van het hoofdgebouw minimaal 2.00 m voor bijgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet meer dan twee overkappingen en/of vrijstaande bijgebouwen op het gehele erf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Hoogte: maximaal 3.00 mgemeten vanaf het aansluitend terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oppervlakte: maximaal 10 m2 per overkapping / vrijstaand bijgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormgeving Vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overkapping met maximaal aan twee zijden tegen gevels hoofdgebouw en minimaal aan twee zijden open.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plat afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal en kleur Materiaal en kleur gevels, kozijnen en profielen gelijk aan het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen golfplaten, betonplaten of damwandprofielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij integratie met erfafscheiding materiaal en kleurgebruik gelijk aan erfafscheiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevels vrijstaand bijgebouw bestaan uit maximaal 75% gevelopeningen/glasvlak. loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen in het achtererfgebied bij woningen De categorie van bijbehorende bouwwerken, die zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (dus zonder preventieve welstandstoets) in het achtererfgebied bij woningen gerealiseerd mogen worden, is in het Bor zeer ruim (er is sprake van een forse verruiming ten opzichte van de bouwvergunningvrije mogelijkheden in het Bblb). Daardoor zullen naar verwachting geen gevallen van kleine, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied bij woningen, aan te wijzen zijn die zijn aan te merken als veel voorkomend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom zijn voor deze categorie (die eerder was opgesplitst in ‘aan- en uitbouwen’ en ‘overkappingen en vrijstaande bijgebouwen’) geen loketcriteria in de welstandsnota opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Kozijn- en gevelwijzigingen loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige kozijn- en gevelwijzigingen Algemeen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Er is geen sprake van een specifiek ensemble of een beschermd monument.</div>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Oorspronkelijke maatvoering kozijnen en ramen behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diepte van negge gelijk aan bestaande situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormgeving Gevelwijziging blijft in overeenstemming met de architectuur en/of het tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een individuele wijziging leidt niet tot een wijziging van de oorspronkelijke geleding en indeling van de gehele gevel, m.a.w. verticale of horizontale indeling van de gevel handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenhang en ritmiek van de straatwand worden niet verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele roedeverdeling alleen met authentieke roedes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelopeningen niet geblindeerd met panelen of schilderwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik overeenkomstig de reeds aanwezige materialen en kleuren van het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen opvallend en/of contrasterend kleurgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 dakkapellen loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige dakkapellen op het voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijdakvlak van een woning (m.u.v. Dierdonk) Algemeen Er is geen sprake van een specifiek ensemble (met als uitzondering dakkapellen in Dierdonk: zie hierna onder ‘loketcriteria voor dakkapellen in Dierdonk’) of een beschermd monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de afwezigheid van dakkapellen kenmerkend is voor het straatbeeld of bouwblok, is toevoeging van dakkapellen in principe niet passend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsingen aantal Geen dakkapellen op een dakvlak van minder dan 30 graden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een zadeldak met wolfseind: geen dakkapellen op het wolfseind toegestaan (A).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een zadeldak met een kap van meer dan 4.00 m hoog (verticaal gemeten): dakkapel uitsluitend toegestaan in het onderste deel van het dakvlak (B).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een schild-, tent- of piramidedak: bij de situering van de dakkapel dienen de hoekkepers te worden gerespecteerd en dient er minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (C).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een mansardekap: dakkapel uitsluitend toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. De bovenaansluiting met het dakvlak dient op de knik van het dakvlak plaats te vinden (D).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een individueel hoofdgebouw gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding voorgevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 1.00 m dakvlak boven, onder en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven- en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet meer dan één dakkapel per woning op het betreffende dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Hoogte maximaal 50% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.35 mgemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim.</p>\n<p class=\"lf-p\">Breedte in totaal maximaal 30% van de breedte van het dakvlak met een maxi-mum van 2.00 mgemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormgeving Plat afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen enkozijnen van hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkte toepassing van dichte panelen in het voorvlak, eventueel alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijwanden dakkapel in donkere kleur of dezelfde kleur als bestaande dakkapellen aan de voorzijde van het bouwblok. loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige dakkapellen op het achterdakvlak of niet naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijdakvlak van een woning (m.u.v. Dierdonk) Algemeen Er is geen sprake van een specifiek ensemble (met als uitzondering dakkapellen in Dierdonk: zie hierna onder ‘loketcriteria voor dakkapellen in Dierdonk’) of een beschermd monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakkapel is gelijkvormig aan eerder geplaatste dakkapellen op het betreffende dakvlak van het bouwblok.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsingen aantal Geen dakkapellen op een dakvlak van minder dan 30 graden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een zadeldak met wolfseind: geen dakkapellen op het wolfseind toegestaan (A).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een zadeldak met een kap van meer dan 4.00 m (verticaal gemeten): dakkapel uitsluitend toegestaan in het onderste deel van het dakvlak (B).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een schild-, tent- of piramidedak: bij de situering van de dakkapel dienen de hoekkepers teworden gerespecteerd en dient er minimaal een meter dakvlak vrij te blijven, gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (C).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een mansardekap: dakkapel uitsluitend toegestaan in het onderste deel van het dakvlak. De bovenaansluiting met het dakvlak dient op de knik van het dakvlak plaats te vinden (D).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn, dus niet boven elkaar gerangschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij individuele woning/pand gecentreerd in het dakvlak of gelijk aan geleding achtergevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal 0.50 m dakvlak boven, onder en aan weerszijden van de dakkapel, afstand tot boven en onderkant dak verticaal gemeten, afstand tot zijkant gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meerdere dakkapellen/dakramen een tussenruimte van minimaal 1.00 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet meer dan twee dakkapellen per woning op het betreffende dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Plat afgedekte dakkapellen: hoogte maximaal 60% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak met een maximum van 1.75 m gemeten vanaf voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim; breedte in totaal maximaal 60% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3.50 m gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangekapte dakkapellen: afstand tussen de voet van de dakkapel en de gootlijn van de dakkapel maximaal 90 cm, totale hoogte maximaal 60% van de in het verticale vlak geprojecteerde hoogte van het dakvlak; breedte in totaal maximaal 60% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3.50 m gemeten tussen midden woningscheidende bouwmuren of eindgevels gemeten aan de bovenzijde van de dakkapel (bij kilkepers gemeten aan de onderzijde/dakvoet van de dakkapel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormgeving Plat afgedekt of, bij een dakhelling groter dan 45° desgewenst een aangekapte dakkapel met een minimale dakhelling van 25°.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevelgeleding gelijk aan de gevelgeleding van hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indeling en profielen van kozijnen gelijk aan die van de gevelramen en kozijnen van hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen overmaat aan detailleringen, dus bescheiden overstek, boeiboord en ornamenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal en kleur Materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen gelijk aan gevels, kozijnen en profielen hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal- en kleurgebruik van kap bij aangekapte dakkapel gelijk aan kap hoofdgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorvlak grotendeels gevuld met glas, beperkte toepassing van dichte panelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijwanden dakkapel in donkere kleur of afgewerkt in kleur van het dakvlak. loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige dakkapellen in Dierdonk In Dierdonk bestaat behoefte aan duidelijkheid omtrent wat mogelijk of wenselijk is op het gebied van vormgeving en beeldkwaliteit. De welstandscommissie heeft hiertoe voor dakkapellen een aantal richtlijnen opgesteld. Hierna worden deze beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toetsingskader is er op gericht de oorspronkelijke ontwerpkwaliteit zo goed mogelijk te handhaven. Dit heeft voor de realisatie van een dakkapel in Dierdonk geresulteerd in de volgende loketcriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp voor een dakkapel dient aan te sluiten bij de (architectonische) karakteristiek van Dierdonk zowel qua vormgeving, maatvoering, positionering, detaillering, materialisatie en kleurgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de woningen waar in het oorspronkelijke ontwerp niet is voorzien in de bouw van een dakkapel, kan alleen onder strikte voorwaarden alsnog een dakkapel worden toegevoegd. Daarbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen het voordakvlak, al dan niet naar het openbaar gebied gericht zijdakvlak en het achterdakvlak, zoals gedefinieerd in het Bor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achterdakvlak of niet naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijdakvlak. Voor zover de dakkapel niet vergunningvrij kan worden geplaatst zal deze worden getoetst aan de volgende aspecten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De positie van de dakkapel in het dakvlak (afstand tot dakvoet, dakrand en nok) dient overeenkomstig bestaande dakkapellen van hetzelfde woningtype te worden gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De breedte van de dakkapel gelijk houden aan bestaande dakkapellen van hetzelfde woningtype (maximaal de helft van de breedte van de woning bij een zadeldak; bij een schilddak maximaal de helft van het dakvlak ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de dakkapel (maximaal 1.50 m) gelijk houden aan bestaande dakkapellen in hetzelfde woningtype.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kozijnindeling gelijk houden aan bestaande dakkapellen in hetzelfde woningtype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakoverstek: 25 cm of gelijk houden aan de oorspronkelijke maat van het overstek bij hetzelfde woningtype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de dakrand: 25 cm of gelijk houden aan de oorspronkelijke maat van de dakrand bij hetzelfde woningtype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dakkapellen op meerdere niveaus in ééndakvlak zijn niet passend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gericht zijdakvlak. Hier gelden dezelfde eisen als aan de achterzijde, aangevuld met de volgende randvoorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstaande woningen Bij vrijstaande woningen is plaatsing van een dakkapel aan de voorzijde alleen mogelijk indien geen sprake is van verstoring van de bestaande architectuur en gevelcompositie. Vormgeving, plaatsing, materialisatie, detaillering en kleurgebruik dienen afgestemd te worden op bestaande dakkapellen van hetzelfde woningtype. twee-onder-één-kap-woningen Asymmetrie in het gevelbeeld is karakteristiek voor vele twee aan twee geschakelde woningen; hiermee wordt het beeld van een grote vrijstaande villa gecreëerd. Dit principe is medebepalend voor de vormgeving en plaatsing van een dakkapel of erker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft het blokje een samengestelde kap (langs- en dwarskap), dan zal toevoeging van een dakkapel aan de voorzijde in de regel ten koste gaan van de architectonische expressie van de samengestelde kap, wat niet aanvaardbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor blokjes met een langskap geldt dat beide woningen van een dakkapel kunnen worden voorzien, mits afgestemd op bestaande dakkapellen van hetzelfde woningtype. rijtjeswoningen Voor rijtjeswoningen met een langskap (zadeldak) geldt in principe dat elke woning in aanmerking komt voor plaatsing van een dakkapel onder dezelfde voorwaarden als genoemd voor de achterzijde van de woning (zie 3) 2.5 erf- en perceelafscheidingen loketcriteria voor omgevingsvergunningplichtige erf- en perceelafscheidingen Algemeen Er is geen sprake van een specifiek ensemble of een beschermd monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering Hoogte maximaal 1.80 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal en kleur Volledig te begroeien gazen hekwerken met een stalen ondersteuning ‘in gedekte kleuren’, als drager voor beplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen toepassing van beton, kunststof, staal, golfplaat, damwandprofielen, rietmatten of vlechtschermen bij gesloten erf- of perceelsafscheidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL 3 BEBOUWINGSTYPEN INHOUD Inleiding Overzicht bebouwingstypen INLEIDING 1.1 ALGEMEEN In dit hoofdstuk worden de gebiedsgerichte welstandscriteria genoemd die worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Helmond. Deze criteria zijn gebaseerd op het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie wordt aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het opstellen van de gebiedsgerichte welstandscriteria is een gebiedsindeling gemaakt, gebaseerd op de waarneembare verschijningsvorm van de bebouwing. De gebiedsindeling heeft plaatsgevonden naar aanleiding van verschillende bebouwingstypen die in Helmond zijn te onderscheiden. De indeling in bebouwingstypen is gebaseerd op de indeling die Welstandszorg Noord-Brabant heeft gemaakt. Binnen een bebouwingstype kunnen daarnaast verschillende stedenbouwkundige en/of architectonische deeltypen voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per bebouwingstype zijn welstandscriteria opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit boekje wordt per bebouwingstype een beschrijving gegeven, die uitmondt in een gebiedsgericht beoordelingskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze thematische beschrijvingen komen telkens de volgende onderdelen aan bod:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beschrijving van de kenmerken van het type, waarbij aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, de stedenbouwkundige of landschappelijke omgeving, de typering van de bebouwing op zich, het materiaal- en kleurgebruik en de detaillering. Daarnaast vindt een beschrijving plaats van de verschillende stedenbouwkundige en/of architectonische deeltypen binnen het bebouwingstype en de kenmerken per deeltype.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waardering per bebouwingstype. De geformuleerde bebouwingstypen zijn één-voor-één gewaardeerd waaruit zal blijken waarop het gekozen basiswelstandsniveau gebaseerd is. Als basis voor de keuze voor het basiswelstandsniveau zijn per bebouwingstype specifieke kwaliteiten en kenmerken benoemd (zie paragraaf 3.3 van het algemene deel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij is zoveel mogelijk aangegeven waar, bij welke ontwikkelingen, rekening mee dient te worden gehouden, zodat deze kenmerken en kwaliteiten behouden blijven of versterkt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De welstandscriteria, onderverdeeld in criteria betreffende de ligging van het bouwwerk in de omgeving, het gebouw op zich en het materiaal, de detaillering en kleur (voor zover sprake is van een gebied of perceel met een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 TOETSING In het geval dat er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk in een gebied of op een perceel met een specifiek welstandsniveau toetst de welstandscommissie, met uitzondering van kleine, veel voorkomende bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval dat er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk in een gebied of op een perceel met een minimum welstandsniveau, dan wordt ambtelijk getoetst. Er wordt getoetst aan minimale welstandscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ambtelijke toetsing leidt tot een positief welstandsadvies, dan wordt het bouwplan niet voorgelegd aan de welstandscommissie. Voldoet het bouwplan niet of is er sprake van twijfel, dan wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Ook bij beroeps- en bezwaarzaken, meningsverschillen en op verzoek van aanvragers zal de welstandscommissie worden ingeschakeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 BEBOUWINGSTYPERINGEN Door de Federatie Welstand is landelijk een onderscheid gemaakt in een 5-tal gebiedshoofdgroepen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Historisch gegroeide woongebieden (H).</p>\n<p class=\"lf-p\">Planmatig ontworpen woongebieden (W).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijvengebieden (B).</p>\n<p class=\"lf-p\">Groene gebieden (g).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebieden met bijzondere bebouwingstypen (T).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gebiedshoofdgroepen zijn onderverdeeld in een aantal bebouwingstypen en zijn in Helmond als volgt gedefinieerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Historische gegroeide woongebieden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Historische dorpsgebieden (organisch gegroeid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Historische bebouwingslinten (open, perceelsgewijze bebouwing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Historische stedelijke bebouwing (gesloten, perceelsgewijze bebouwing).</p>\n<p class=\"lf-p\">Planmatig ontworpen woongebieden: (gesloten) historische (woon)bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkachtige (woon)bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tuindorpen en tuinwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Traditionele strokenbebouwing. geïndustrialiseerde (woon)bebouwing Woonerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thematische inbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thematische uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele woonbebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijvengebieden Bedrijfsbebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kantoorbebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groene gebieden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Parken, groengebieden en sportcomplexen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boerenerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere bebouwingstypen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instituten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op zichzelf staande bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonwagenlocaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna zijn de verschillende bebouwingstypen beschreven. In de beschrijvingen van de bebouwingstypen wordt ingegaan op de kenmerken van het bebouwingstype en, indien aanwezig, de te onderscheiden deeltypen op de aspecten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing en omgeving, waarbij de situering en de verschijningsvorm van het bouwwerk in relatie met de omgeving van het bouwwerk centraal staan; bebouwing op zich, waarbij het bouwwerk centraal staat; materiaal, detaillering en kleur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit volgen gemeenschappelijke welstandscriteria die gelden voor alle bebouwing binnen dat type enwelstandscriteria voor de ensembles binnen het type. Het gehele overzicht van de aanwezige bebouwingstypen, geïllustreerd met kenmerkende foto's, is als apart rapport opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">H1 HISTORISCHE DORPSGEBIEDEN KENMERKEN Bebouwing en omgeving Veel dorpen zijn ontstaan als agrarische nederzettingen. Iedere regio heeft zijn eigen typen zoals brinkdorpen, de gestrekte langstraatdorpen en wegdorpen bij jonge ontginningen. Daarnaast zijn er ook dorpen met een andere ontstaansgeschiedenis zoals marktplaatsen, strategische vestigingen of nederzettingen met een meer industriële oorsprong.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oude dorpsgebieden kenmerken zich door relatief open en kleinschalige bebouwing met daarbinnen een zekere variatie. Binnen deze gebieden zijn vaak nog onbebouwde percelen in gebruik als weiland of moestuin. Op enkele plaatsen en met name langs kruisingen van belangrijke wegen komt verdichting voor. Er komen veelal verschillende functies voor in de historische dorpsgebieden zoals wonen, detailhandel en verschillende ambachten. De historische dorpsgebieden vormen een waardevol gebied voor de huidige gemeenten. De historische dorpsgebieden vormen de historische context van veel objecten van cultuurhistorische waarde. Tevens vormen ze belangrijke schakels binnen het netwerk van wegenen ondersteunen ze de ruimtelijke oriëntatie binnen de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De bebouwing in de historische dorpsgebieden is zeer divers van vorm en karakter. In sommige gevallen komen nog molens, kerken en boerderijen voor. De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing bestaat overwegend uit één of twee lagen met een kap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken in baksteen, het dak is bedekt met riet of pannen. De detaillering van de bebouwing is zeer divers, ornamenten (aparte rollagen, metseltechnieken, luiken e.d.) komen voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is overwegend gebruik gemaakt van sobere, rustige en donkere kleuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING Het totaalbeeld van de bebouwing in relatie tot de omgeving, maar ook de bebouwing op zich is historisch gezien van onschatbare waarde voor het aflezen van de ontstaansgeschiedenis van het dorp of de stad. Naast dit over-all beeld zijn ook de individuele panden cultuurhistorisch van grote waarde en dient er derhalve ook op detailniveau zorgvuldig met nieuwe ontwikkelingen worden omgesprongen. Weliswaar is de bebouwing vaak zeer divers van aard, maar doordat het beeld organisch is gegroeid, vallen dissonanten onmiddellijk als storend element op in het totaalgezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De historische (dorps)gebieden zijn uit cultuurhistorisch, architectonisch en stedebouwkundig oogpunt van belang. Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA Bebouwing en omgeving De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende historische bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvoeging van bouwmassa´s is ongewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande bouwmassa is leidend bij verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">H2 HISTORISCHE BEBOUWINGSLINTEN KENMERKEN Bebouwing en omgeving Historische bebouwingslinten zijn de eerste bebouwingsconcentraties langs historische ver bindingswegen. Rond een aantal van deze linten hebben zich de huidige dorpen en steden ontwik keld. Meestal is het lint langs een belangrijke route ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing is perceelsgewijs tot stand gekomen waardoor een wisselend straatbeeld is ontstaan. De rooilijn is dikwijls individueel bepaald en hierdoor verspringend. De bebouwingsstructuur is open, met veel doorzichten naar het achterliggende gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De openbare ruimte, de straat en de begeleidende bomen enerzijdsen anderzijds de voortuinen of de aanstrating en stoep zijn, bepalend in het straatbeeld en zorgen voor de samenhang. Hierdoor vormen de perceelsgewijze, individuele invullingen één straatwand terwijl ze onderling veel van elkaar verschillen. De kavels hebben vaak diepe achtertuinen en kleine of geen voortuinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningen, kleine ambachtelijke werkplaatsen, winkels, horeca en boerderijen zijn de diverse functies die je aantreft in de lintbebouwing. soms heeft een functieverandering plaatsgevonden. Als dit heeft plaatsgevonden met behoud van de oorspronkelijke bebouwingsmassa wordt dit niet als storend ervaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De bebouwing in de historische bebouwingslinten is zeer divers van karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing bestaat overwegend uit één tot twee lagen met langskap. Soms is er sprake van intensievere bebouwing richting het centrum. Dit zijn smallere percelen en de woningen bestaan hier uit een dwarskap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerkend is de brede en lange massa waarbij horizontaliteit bepalend is voor de opbouw van de gevel. De raamopeningen zijn echter verticaal opgebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken uit baksteen, soms gestukadoord, het dak is bedekt met riet of pannen. De detaillering van de bebouwing is afhankelijk van de ontstaansperiode Men treft diverse ornamenten, detailleringen in het metselwerk (strek- en rollagen) en diverse gevelbeëindigingen aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerkend is het contrast tussen de kleur van het metselwerk en die van de kozijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING Evenals bij H1 zijn de cultuurhistorische, architectonische, en stedebouwkundige aspecten als zeer waardevol aan te merken. Aanvullend kan gesteld worden dat met name bij de linten de relatie met het buitengebied karakteristiek is. Deze relatie komt tot stand door de vele doorzichten in het lint door de individuele panden. Deze doorzichten dienen behouden te blijven, evenals de eerder genoemde aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De noodzaak tot welstandstoetsing op detailniveau wordt versterkt doordat de details van de individuele panden juist een beeld geven van de ontstaansperiode en daarmee de ontstaansgeschiedenis van het lint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA Bebouwing en omgeving De huidige mate van open- en geslotenheid is leidend voor veranderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De situering en oriëntatie van de bebouwing mogen de continuïteit van de samenstellende ruimtevormende elementen van de openbare ruimte van het lint, de wegen de bomen, niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De diversiteit in gevelwanden staat in relatie met de karakteristiek en de ontstaansperiode (van de bebouwing) van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De individualiteit van de bebouwing staat centraal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestaande bouwmassa is leidend bij veranderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvoeging van bouwmassa’s is ongewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">H3 HISTORISCHE STEDELIJKE BEBOUWING KENMERKEN Bebouwing en omgeving In vergelijking met de historische bebouwingslinten kent de historische stedelijke bebouwing een veel hogere dichtheid. smallere kavels, hogere bebouwing (vaak meer dan twee lagen), een gesloten straatwand en een relatief grote bebouwings- en perceelsdiepte – met af en toe een eigen voorruimte aan de straat bepalen het beeld. Van oudsher volgen de hoofdstraten de historische, kronkelige routes. De rooilijn, waarin de voorgevels zijn gebouwd vertoont kleine verspringingen. De gevelwanden bepalen hier duidelijk het straatbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de grote intensiteit van bebouwing ontstaat als het ware een dakenlandschap. De smalle, diepe bebouwing wordt met dwarskappen afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beëindigingen van de gevels worden over het algemeen gevormd door fraai gedetailleerde gootlijsten, waarboven dakschilden met hier en daar een dakkapel. Ook topgevels komen, zij het minder frequent, voor. Op de bredere percelen wordt de bebouwing wordt achter de – eveneens uitgewerkte – gootlijst middels een samenstel van langs- en dwarskappen afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De historische stedelijke bebouwing bestaat uit twee of meer lagen met kap. Kenmerkend is het veel voorkomend hoogteverschil tussen de begane grond laag en de overige verdiepingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verschil is in zijn oorsprong teverklaren vanuit een typische plattegrond- en doorsnedenopbouw, die het mogelijk maakte de hogere werkruimte aan de straatzijde (lichttoetreding) vanuit een insteekverdieping te kunnen overzien. De functie van winkels en werkruimten op de begane grond met daarboven gelegen woningen leidt in de gevels tot een verschil in voorkomen van de eerste laag (etalages) ten opzichte van de verdiepingen (ramen). Van oudsher ontstond, mede vanuit bouwtechnische noodzaak, een duidelijke architectonische relatie tussen begane grond en verdiepingen in de gevels. Raamopeningen zijn duidelijk verticaal gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straatwand vertoont een grote samenhang, veroorzaakt door parcellering, gevelbehandeling, materialisering, detaillering en kleurstelling. De rijk gedetailleerde gevelbeëindiging speelt daarbij een belangrijke rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als in de bebouwingslinten is de bebouwing perceelsgewijs ontstaan, waardoor er veel onderlinge verschillen tussen de panden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Het materiaal- en kleurgebruik is divers en verschilt per pand. Over het algemeen worden gevels samengesteld uit baksteen dan wel in een lichte kleur gestukadoord. Mede hierdoor blijven de afzonderlijke panden in de gesloten bebouwingswand herkenbaar. De individuele gevels hebben een harmonische opbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal gevallen is de begane grondlaag op nogal brute wijze, ter wille van de winkelfunctie, gewijzigd, waardoor sprake is van disharmonie in de gevels, veroorzaakt door een duidelijke architectonische scheiding naar de bovenliggende verdiepingen. De oorspronkelijke gevelornamenten en detailleringen zijn in veel gevallen bewaard gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING Doordat bij de historische bebouwing een veel hogere dichtheid is gerealiseerd is de relatie met het de omgeving klein. De wand die gevormd wordt door afzonderlijke (en afzonderlijk te herkennen) veelal aaneengesloten panden biedt een brede variatie aan bouwstijlen, met name in de daktuinen/ hoven. Hierdoor ontstaat een aantrekkelijk stedelijk silhouet; een eenheid in verscheidenheid. Daar waar de plint, die van oudsher vaak als werkruimte werd gebruikt, gewijzigd is ten behoeve van een winkelfunctie is in veel gevallen een disharmonie ontstaan. De welstandstoetsing dient hier dan ook in het gevolg minutieus te gebeuren om het historische, karakteristieke beeld te behouden dan wel te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA Bebouwing en omgeving Veranderingen aan het gevelbeeld mogen de straatwand als geheel niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De verhoudingen in de gevelopbouw mogen niet verstoord worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schaal van de gevelindeling dient speciale aandacht te krijgen. De oorspronkelijke parcellering moet herkenbaar blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke kapsituatie moet leesbaar blijven bij verandering aan de bouwmassa.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingrepen op begane grondniveau mogen de harmonie van de individuele gevel als geheel niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Het materiaal- en kleurgebruik mag de bestaande harmonie van de gehele gevelwand niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen in materiaal- en kleurgebruik van de individuele bebouwing dient in relatie te staan met de gevelwand als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke ornamenten en detailleringen in de gevel dienen herkenbaar en zinvol te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">W1 (GESLOTEN) HISTORISCHE (WOON)BEBOUWING KENMERKEN Bebouwing en omgeving Aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw zijn in de meer stedelijke gebieden uitbreidingswijken gebouwd in een compacte, dikwijls rijk gedetailleerde woonbebouwing. Dit gebeurde in (gesloten) historische (woon)bebouwing waarbij de hoekoplossingen vaak bijzonder zijn uitgewerkt. Het gesloten bouwblok wordt omsloten door straten met een formele, stedelijke inrichting (rijbaan en trottoir) en een symmetrisch profiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerkend aan het straatbeeld is de verticale geleding van de over het algemeen hoge gevelwand, dit komt extra tot uitdrukking bij een verspringingen in de straatgevelwand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De bebouwing bestaat uit twee of meer lagen. De woningen over het een (flauwe) langskappen of topgevels. soms treffen we boven- en benedenwoningen aan waardoor de woningdichtheid in deze gebieden relatief hoog is. De straatgevels zijn gesloten en hebben relatief kleine, verticaal gerichte gevelopeningen waardoor een vlakke straatwand ontstaat. Entreepartijen, balkons, verspringingen in de gevel e.d. vallen hierdoor extra op en voegen zich naar het verticale karakter van de gevel. De bebouwing is met zorg ontworpen en vormt in totaliteit de vlakke straatwand, waarbij de architectuur van de individuele woning ondergeschikt is aan die van het totale straatgevelbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzonder bij de relatief strakke gevelwand zijn de hoekoplossingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het gesloten bouwblok vormen zijn zij vaak prominent in het straatbeeld aanwezig en vormen in veel gevallen een afsluiting van het blok.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur De architectuur van dit zorgvuldig ontworpen en uitgevoerd bebouwingstype komt vooral tot uitdrukking in de kenmerkende detaillering in samenhang met het kleur- en materiaalgebruik. De bebouwing is veelal opgetrokken uit een donkere baksteen met lichte kozijnen. Veel gevels hebben nog oorspronkelijke ornamenten zoals gietijzeren balkons en gevelversieringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een kap, is deze afgedekt met pannen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deeltype 1: (gesloten) historische (woon)bebouwing eind 19e eeuw Eind 19e eeuw ontstonden de eerste uitbreidingwijken naast het historisch centrum. Dit gebeurde over het algemeen in (gesloten) historische (woon) bebouwing in navolging op de historische stedelijke bebouwing. Hoewel veelal met een aantal woningen tegelijk gebouwd, was de individuele parcellering nadrukkelijk herkenbaar. Kenmerkend aan de bebouwing binnen dit deeltype is de fraaie detaillering. Art Nouveau of Jugendstil was de toegepaste stijlvorm. Er werd gebruik gemaakt van smeedijzeren balkons enerfafscheidingen wat het statige karakter van het geheel ondersteunt. Het straatbeeld wordt bepaald door de strakke gevelwand waarin de hoektorentjes, erkers en entreepartijen de gevel verfraaien en soms een bijzondere functie binnen de woning aanduiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deeltype 2: (gesloten) historische (woon)bebouwing jaren ’30 De latere uitbreidingen kwamen meer projectmatig tot stand in complete, als één geheel ontworpen bouwblokken. Er is sprake van meer samenhang en rust in het straatbeeld, waarbij de parcellering minder nadrukkelijk in de straatwand tot uitdrukking komt. De stedenbouwkundige structuur heeft een ruimere opzet waardoor weer plaats is voor voortuinen en groene erfafscheidingen. De bouwblokken uit deze periode kenmerken zich door het in het oog springend ambachtelijke metsel- en timmerwerk. Nauwkeurig gedetailleerd werden deze woningen in baksteen uitgevoerd. De kap maakt meer deel uit van het straatbeeld dan in het eerste deeltype waardoor de straat een minder stedelijke sfeer krijgt. De individuele woning (of een aantal woningen tezamen) profileert zich in het straatbeeld door verschillen in gevelopbouw, maar vooral door verspringingen, het dakoverstek en toevoegingen aan de straatgevel. Dikwijls worden horizontale ramen toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat dit bebouwingstype zeer zorgvuldig en met veel aandacht voor detail is ontworpen. In de stedelijke structuur neemt dit bebouwingstype veelal een prominente positie in. Het is van groot algemeen belang de karakteristiek en de authenticiteit van dit bebouwingstype te waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA Bebouwing en omgeving Voor het straatbeeld is de bestaande geleding van de gevel uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen in het gevelbeeld mogen de straatwand als geheel niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich Bij aanpassingen dient de huidige geleding van de gevel herkenbaar te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur De bestaande kleurstelling, donkere gevels met lichte (witte) kozijnen, is uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke ornamenten en de zorgvuldige, ambachtelijke detaillering dienen herkenbaar en zinvol te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria deeltype 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingrepen aan de gevel mogen de harmonie van de individuele gevelwand niet verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welstandscriteria deeltype 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">De oorspronkelijke kwaliteit (ambachtelijk metsel- en timmerwerk, dakoverstek, plasticiteit in de gevelwand) is leidend bij aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De individuele woningen dienen herkenbaar te blijven in het straatbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">W2 PARKACHTIGE (WOON)BEBOUWING KENMERKEN Bebouwingen omgeving Met parkachtige (woon)bebouwing worden ruim opgezette woonwijken met veel groen bedoeld. De brede groene lanen door de wijk met opgaand groen en de maat van de bouwmassa’s en het groen zijn zeer kenmerkend voor deze gebieden. Vaak zijn de parkachtige (woon)bebouwing zeer divers betreffende de woningtypologie. Vaak is er ook een grote diversiteit in de grootte van de kavels. De traditionele parkachtige (woon)bebouwing zijn ontstaan tussen 1860 en 1940. De woningen hebben over het algemeen een eigen gezicht waarbij veel aandacht is besteed aan de architectonische kwaliteit en uitstraling. Ook na 1945 zijn er woningen gesitueerd in een parkachtige setting. Veelal bestaan deze naoorlogse parkachtige (woon) bebouwing uit vrijstaande woningen en bungalows. De architectuur is vaak ingetogen van stijl en minder expressief dan in de oude villaparken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaak zijn in dit thema groepen woningen te herkennen die in architectuur sterke overeenkomsten vertonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De woningen hebben over het algemeen een ruime voortuin. De grens tussen privé en openbaar wordt vaak gemarkeerd met een heg of een hek. De erven hebben een groen karakter, vaak met gro- tere bomen waardoor de woningen niet altijd vanaf de straat volledig zichtbaar zijn. Niet alle woningen zijn georiënteerd naar de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De monumentale villa’s en herenhuizen uit de periode 1860–1940 hebben vaak een complexe hoofdmassa met incidenteel een serre of erker aan de straatzijde. Deze woningen hebben vaak hoge verdiepingshoogten en een statig individueel karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen die gebouwd zijn na 1945 hebben een meer ingetogen karakter en lagere verdiepingshoogten dan de oudere villa’s. De woningen zijn eenvoudig van vorm. Ook deze woningen hebben een individueel karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur De bebouwing heeft meestal gevels van bakstenen met kozijnen en betimmering van hout. Sommige gevels zijn afgewerkt met een stuclaag. Het kleurgebruik is overwegend zorgvuldig gekozen. Vaak is er sprake van schilderwerk in twee kleuren die zorgvuldig op elkaar afgestemd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De villa’s en herenhuizen uit de periode 1860–1940 zijn rijk bedeeld met details. De naoorlogse woningen zijn soberder van karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING In deze ruim opgezette, overwegend groene wijken wordt het beeld bepaald door brede groene lanen waaraan woningen met een sterk individueel karakter op een grote diversiteit aan kavels. Niet alle woningen hebben een oriëntatie naar de straatzijde en vaak hebben ze een ruime voortuin, waardoor ze niet altijd volledig zichtbaar zijn vanaf de straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De massaopbouw, situering op de kavel, de eventuele kapvorm etc. kunnen in het bestemmingsplan worden geregeld. Eisen aan de vormgeving van de gebouwen op zich kunnen zeer beperkt zijn. Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving; bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden; de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden, er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik, er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren; er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">W3 TUINDORPEN EN TUINWIJKEN KENMERKEN Bebouwing en omgeving De tuinstadgedachte is ontstaan aan het begin van de negentiende eeuw en was een reactie op de overbevolking en‘grote stedelijkheid’ van destijds. Het idee dat hieraan ten grondslag ligt, is de bevrijding van het industrieproletariaat uit de ongezonde woonomstandigheden. Als alternatief voor de stenige, overvolle stad werden woonwijken gebouwd waarin de menselijke maat en de individuele woning weer een grote rol spelen. In Nederland was vooral het gedachtegoed van architect Granpré Molière bepalend voor de tuinwijkgedachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerkend is dat ze oorspronkelijk als samenhangend geheel zijn ontworpen met specifieke architectonische en stedenbouwkundige kenmerken. Het accent binnen de wijken ligt vooral op de straatruimte zelf. De straatgevels vormen een intieme, kleinschalige openbare ruimte. De woningen zijn nagenoeg allemaal georiënteerd op de straat, bovenwoningen werden gemeden. Elke woning heeft zijn eigen tuintje. De tuin vormt een belangrijke schakel in de oorspronkelijke tuinwijkgedachte. uitgangspunt was een menswaardige huisvesting voor iedereen waarbij de verbondenheid met de natuur belangrijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overgang van de privé-ruimte naar de openbare ruimte is zeer zorgvuldig vormgegeven. Zeer kenmerkend op grote schaal is de uniformiteit van de stedenbouwkundige indeling en architectuur van de wijken en op een lager schaalniveau het oog voor detail en individualiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dorpen treft men de tuinwijk vaak aan in kleine clusters aan straten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de samenhang binnen de wijken en de groeninrichting van de straten, pleintjes en voortuinen is een aangenaam en vriendelijk omgevingsbeeld ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de loop van de jaren ’30 is binnen deze wijken meer plaats gekomen voor parkeerplaatsen en veilige speelplaatsen, ten koste van het groen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De massavorm is bepalend voor de straat en het straatbeeld. De grote daken spelen hierin een grote rol. De gevel en het dakvlak hebben een horizontaal karakter wat voornamelijk tot uitdrukking komt in een doorlopend dak, de lage, liggende dakkapellen en de doorlopende goot met overstek. De dakkapellen zitten vaak onder in het dakvlak en zijn daarin opgenomen als losse elementen waardoor het vlak als geheel niet onderbroken wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijgebouwen zijn in het oorspronkelijk plan veelal achter de hoofdmassa gesitueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur De architectuur is overwegend ingetogen en sober van opzet met een verfijning in de kleurtoepassing en detaillering. De huizen zijn opgetrokken uit baksteen, soms gestukadoord in lichte kleuren en hebben een pannendak, meestal een langskap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing is met zorg ontworpen en heeft kenmerkende details en ornamenten in de gevelen het dak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevels zijn versierd met ornamenten en zijn voorzien van houten kozijnen, rechthoekig van vorm, verticaal gericht en regelmatig onderverdeeld met stijlen en roeden. Opvallend en kenmerkend zijn de dakoverstekken, de brede goten, erkers en entreepartijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING Op grote schaal is de uniformiteit van stedebouwkundige indeling en architectuur, terwijl op een lager schaalniveau juist veel oog is voor detail en individualiteit. Kenmerkend voor dit type is dat de kwaliteit bepaald wordt vanuit alle aspecten: stedebouwkundige samenhang, architectuur en oog voor detail.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tuinwijken en -dorpen zijn zeer zorgvuldig ontworpen en vertonen een grote samenhang. De omgevingskwaliteit is hoog, er is sprake van een intieme sfeer met menselijke maat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De noodzaak tot welstandstoetsing op detailniveau wordt versterkt doordat de details van de individuele panden juist een beeld geven van de ontstaansperiode en daarmee de ontstaansgeschiedenis van het lint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA Bebouwing en omgeving De architectuur en de openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. Deze samenhang dient behouden te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het straatbeeld is de massavorm van de bebouwing uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen dienen gericht te zijn op de straatruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgvuldig vormgegeven overgangen privé Openbaar zijn zeer kenmerkend en dienen behouden te blijven. Met name in de voorgebieden is verdichting of verstening ongewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De huidige massavorm is uitgangspunt. Hierin spelen de grote daken een belangrijke rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevelopeningen dienen verticaal gericht te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakvlakken dienen als een geheel herkenbaar te blijven. Dakkapellen worden onder in het dakvlak, maar wel los van de goot, geplaatst. Liggende dakkapellen kunnen passen in het architectuurbeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbouwen aan de voorzijde dienen ondergeschikt te zijn aan de gevel als geheel en te passen in de architectonische identiteit van het complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Het kleurgebruik dient sober en ingetogen te zijn en passend bij de oorspronkelijke architectuur. Afwijkend, niet oorspronkelijk kleurgebruik is mogelijk, mits passend binnen de karakteristieken van het gehele complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanpassingen aan bestaande bouwwerken is het bestaande kleur- en materiaalgebruik uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">KENMERKEN Bebouwing en omgeving In 1901 werd de Woningwet vastgesteld. Als gevolg hiervan werd de woningbouw niet alleen genormaliseerd, maar trad er ook een schaalvergroting in het ontwerpproces op. In de jaren dertig nam de bouwproductie toe om de groeiende woningnood op te vangen. De industrialisatie in de bouw kwam op en de eerste geprefabriceerde bouwonderdelen deden hun intrede. De standaardisatie ging meer en meer de architectuur en de maat van de woningen bepalen. Met name na de Tweede Wereldoorlog wordt deze bouwstijl gebruikt om de dan ontstane woningnood op te vangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de jaren ’50 en ’60 zijn op deze wijze veel uitbreidingswijken gerealiseerd met een eenvoudig patroon van rechte straten met een symmetrisch straatprofiel. Deze wijken zijn optimaal op de autobereikbaarheid ontworpen met voetpaden (trottoirs) langs de straten. De straten zijn opgebouwd uit rijen woningen van drie woningen of meer die afgewisseld worden met geschakelde en vrijstaande woningen Deze woongebieden hebben een overzichtelijk, rustig en relatief groen karakter. De wijken zijn in hun oorspronkelijke opzet architectonisch enstedenbouwkundige met zorg ontworpen. Soms is sprake van een stempeling van het stratenpatroon van de buurt. Erfafscheidingen van de voor- en eventueel zijtuin zijn eenvoudig en laag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich Binnen de wijken komt voornamelijk laagbouw voor, maar ook gestapelde bouw komt op kleine schaal voor. De grondgebonden woningen zijn opgebouwd uit één of twee lagen met (langs)kap. Sporadisch komen binnen de wijken gestapelde woningen voor die opgebouwd zijn uit drie of vier lagen en plat afgedekt dan wel met een flauw hellende langskap. Alle woonbebouwing is op de openbare ruimte georiënteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De architectuur binnen dit bebouwingstype kenmerkt zich door ambachtelijk metselwerk en relatief kleine, verticaal gerichte gevelopeningen in het metselwerk. De rust in het bebouwingsbeeld ontstaat door eenvoudige hoofdmassa’s en de eenheid in kapvorm. In de meeste gevallen is sprake van langskappen. De balans in het blok zit hem dan ook in de ritmiek van de gevels ondersteund door de schoorstenen op het dak. De indeling van de woningen is duidelijk afleesbaar in de gevel. De gelijkvormige koppen van de bebouwingsstroken geven de zijstraten een karakteristiek beeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Typerend aan de architectuur is de verticale gevelopbouw en de horizontale massaopbouw. Dit laatste komt vooral tot uitdrukking wanneer de woningen geschakeld of in rijen gebouwd zijn. De herhaling van gelijkvormige koppen van bouw- blokken geven een karakteristiek beeld naar de zijstraten. Aanbouwen aan achtergevels voegen zich simpel binnen de hoofdkarakteristiek van het bebouwingstype. De toevoeging van dakkapellen/dakopbouwen is afhankelijk van de dakhelling en de nokhoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De architectuur en uitstraling van de verschillende woningen binnen één blok zijn nagenoeg gelijk. Verstoringen van het bebouwingsbeeld doen zich met name voor bij hoekwoningen, omdat aanbouwen, bijgebouwen en schuttingen in de zijtuinen vaak op gespannen voet staan met de stedenbouwkundige karakteristiek van de woonwijk. Er is sprake van een gesloten, blinde zijgevel omdat vaak de bebouwing direct aansluit op het trottoir.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur De samenhang in het straatbeeld ontstaat onder meer door een eenvoudig materiaal- en kleurgebruik. Het ambachtelijk metselwerk (jaren ’50) en dakpannen zijn hierbij de meest gebruikte materialen. Gebruik van de eerste prefab elementen (jaren ’60) is al zichtbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING Evenals bij H1 zijn de cultuurhistorische, architectonische, en stedebouwkundige aspecten als zeer waardevol aan te merken. Aanvullend kan gesteld worden dat met name bij de linten de relatie met het buitengebied karakteristiek is. Deze relatie komt tot stand door de vele doorzichten in het lint door de individuele panden. Deze doorzichten dienen behouden te blijven, evenals de eerder genoemde aspecten. De noodzaak tot welstandstoetsing op detailniveau wordt versterkt doordat de details van de individuele panden juist een beeld geven van de ontstaansperiode en daarmee de ontstaansgeschiedenis van het lint.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">W4 TRADITIONELE STROKENBEBOUWING WELSTANDSCRITERIA Bebouwing en omgeving Het stedenbouwkundig patroon dient in de toekomst leesbaar te blijven, zowel naar de straatruimte en groenstructuur en de aansluiting daarop, als naar de rangschikking van de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing dient gericht te zijn op de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen mogen het beeld van de bouwblokken, met name de horizontale massaopbouw en de duidelijke ritmiek, niet verstoren, wel versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich Uitgangspunt is de huidige verticale, eenvoudige gevelopbouw van de individuele woningen; het principe van gaten in het metselwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient een afleesbare relatie te zijn tussen de gevelindeling en de achterliggende functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op- en aanbouwen moeten ondergeschikt zijn aan de hoofdbouwmassa, het gevelbeeld en/of het dakvlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maat van de gevelopeningen is leidend voor de maatvoering van aanbouwen aan de voorzijde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Het ambachtelijk gedetailleerd metselwerk, al dan niet met (prefab) ornamenten, dient te worden gehandhaafd Bij aanpassingen is bestaande kleur- en materiaalgebruik uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">W5 GEÏNDUSTRIALISEERDE (WOON)BEBOUWING KENMERKEN Bebouwing en omgeving Dit bebouwingstype kan beschouwd worden als een verdere voortzetting van de industrialisatie in de bouw zoals dit reeds in kleine schaal werd toegepast bij de traditionele strokenverkaveling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de jaren ’60 en ’70 zijn op basis hiervan uitbreidingswijken gerealiseerd die qua verschijningsvorm afwijken van wat tot dan toe gebouwd werd. Ook treffen we experimentele verkavelingvormen aan. Ook wordt gebruik gemaakt van stedenbouwkundige stempels waarbij een bepaalde compositie van gebouwen meerdere keren terugkomt binnen de wijk. Deze stempels zijn vaak opgebouwd uit verschillende soorten woningen. In de opbouw van de gebieden is een duidelijke functiescheiding aangebracht tussen wonen, werken, winkelen, groen en verkeer. In het verkeerssysteem is een hiërarchie aanwezig en naast parkeren aan de straat komt ook meer geconcentreerd parkeren voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De bebouwing binnen dit thema bestaat uit veel verschillende types.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast grondgebonden woningen zijn er gestapelde woningen te vinden. De geïndustrialiseerde bouwmethoden krijgen steeds meer invloed op de architectonische vorm. Tussen de betonnen dragers heeft de gevel een horizontale, eenvoudige opbouw. De genormeerde plattegronden lenen zich uitstekend voor geprefabriceerde bouwsystemen. De aldus genoemde woningscheidende wanden geven aan de buitenzijde ritmiek in de straatgevel. Daartussen worden de puien gemonteerd als voor- en achtergevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevel is horizontaal verdeeld in borstweringen engevelopeningen. Hierdoor zijn de verschillende functies binnen de woning niet altijd afleesbaar in de gevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dakvorm verschilt per blok waarbij de helling en hoogte maatgevend zijn voor de mogelijkheid van een dakkapel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Het kenmerk van de seriematige bouw is het gebruik van prefab-elementen op grote schaal. Tussen de geprefabriceerde woningscheidende dragers is de gevel voornamelijk opgebouwd uit prefab puien. Deze opzet is maatgevend voor de gevelopbouw en zorgt voor een opvallend kleurgebruik. Het ambachtelijke metselwerk is vrijwel helemaal verdwenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING De bebouwing is zeer eenvoudig van opzet en detaillering. De architectonische waarde van dit type is gering. De straatwanden vertonen echter veel samenhang en de omgevingskwaliteit is redelijk hoog. De strakke gevelopbouw vergt daarom veel aandacht bij individuele initiatieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA Bebouwing en omgeving Het stedenbouwkundig patroon dient in de toekomst leesbaar te blijven, zowel naar de verkeers- en groenstructuur en de aansluiting daarop, als naar de rangschikking van de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bebouwing dient gericht te zijn op de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De architectonische identiteit van een complex dient behouden te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ritmiek en compositie van de straatgevel is uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanbouwen aan de straatzijde dient het onderscheid tussen drager en inbouw herkenbaar te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De helling en de hoogte van het dak zijn maatgevend voor het al dan niet kunnen toevoegen van dakkapellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Materiaal en kleurgebruik dienen passend te zijn bij de oorspronkelijke architectuur. Afwijkend, niet oorspronkelijk kleurgebruik is mogelijk, mits passend in het complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanpassingen aan bestaande bouwwerken is het bestaande kleur- en materiaalgebruik uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">W6 WOONERVEN KENMERKEN Bebouwing en omgeving Als reactie op de strakke blokverkaveling ontstaan in de jaren ’70 en ’80 wijken die gebouwd zijn met het gedachtegoed van de Forumbeweging; de woonerven. De menselijke maat en schaal vormt de basis voor deze nieuwe woonwijken. Intimiteit, herbergzaamheid, ruimte voor de kinderen waren de thema’s op basis waarvan nieuwe woongebieden werden ontworpen. Grote gebaren en lange straten werden vervangen door korte, bochtige straten en erven waaraan de woningen zijn gelegen. De erven zijn informeel ingericht en de auto is te gast. Binnen de wijken komen veel verschillende woningsoorten en financieringsklassen voor. Anders dan het geval was in de tot dan toe bestaande wijken is bewust gekozen voor een mix aan woningtypes. De wijken hebben dan ook geen ‘gouden randje’ zoals dat tot die tijd vaak wel het geval was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de woonerven is veel openbaar groen, vaak matig van kwaliteit door de verspreide ligging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woonerven zijn sterk naar binnen gericht, een groot aantal woningen is niet op de straat, maar op de privé-buitenruimte georiënteerd. De overgang van privé naar openbaar, de aansluiting van de bebouwing op de groen- en verkeersstructuur, wordt op verschillende manieren opgelost en speelt een grote rol bij de uiteindelijk betekenis van de bebouwing op de opbouw van de wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het straatbeeld wordt bepaald door aaneen gebouwde en geschakelde woningen waarbij verspringingen in de rooilijn de diversiteit en kleinschaligheid in de openbare ruimte ondersteunen. Daar waar bergingen vóór de huizen geplaatst zijn ontstaat vaak een onoverzichtelijk straatbeeld. De wijken uit deze periode bestaan meestal uit een aantal intern gerichte bebouwingsclusters. De clusters zijn uit een aantal woningen samengesteld die een grote onderlinge samenhang vertonen. Deze samenhang is vooral terug te vinden in de mate van de verwevenheid van de bouwmassa’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich Alhoewel er sprake is van verschillende woningtypen, heeft het beeld, qua architectonische opzet, een grote eenduidigheid. De architectuur is overwegend ingetogen en introvert. De wens om kleinschalig te bouwen en een op de individuele bewoner gerichte woonomgeving te realiseren is vaak zo groot dat de wijk onoverzichtelijk wordt. Meestal ontbreekt het aan visueel-ruimtelijke aanknopingspunten voor de oriëntatie in de wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen zijn kleinschalig en vooral op de achtertuin georiënteerd. Naar de straatzijde is de gevel dikwijls zeer gesloten. Kenmerkend is de situering van keukens en bergingen aan de voorzijde van de woningen. De bebouwing bestaat uit één of meer laag met kap. Deze kap loopt in een aantal gevallen door tot over de bijgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woningen zijn samengesteld uit verschillende massa’s die met elkaar verweven zijn waardoor de hoofdmassa vaak niet duidelijk te herkennen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur De woningen in de woonerven zijn te herkennen aan over het algemeen de donkere materialen; donkere of rode baksteen, pannen en geschilderd hout. Hoofdmassa en bijgebouwen kennen hetzelfde kleur- en materiaalgebruik. De woningen hebben een eenvoudige detaillering.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING Kenmerkend is een kleinschalig en informeel woonmilieu waarbij het onderscheid tussen voor- en achterkanten relatief moeilijk te maken is. De bebouwingsvrijheid die aan de achterzijde is gecreëerd, is medebepalend voor de voorkant van bebouwing. Hier kan volstaan worden met een minimum welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA het bouwwerk mag niet afgesloten worden van zijn omgeving; bij aanpassing van het bouwwerk mogen architectonische bijzonderheden niet ontkend of vernietigd worden; de bestaande stedenbouwkundig-architectonische karakteristiek mag niet duidelijk aangetast worden, er mag geen sprake zijn van armoedig materiaalgebruik, er mag geen sprake zijn van toepassing van felle of contrasterende kleuren; er mag geen sprake zijn ernstige verpaupering of verval van bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">W7 THEMATISCHE INBREIDING KENMERKEN Bebouwing en omgeving Door verlies van de functie zijn stukken grond binnen het bebouwde gebied vrijgekomen, waar nieuwe woongebieden of woongebouwen zijn verrezen. Er is veel aandacht besteed aan de architectonische en stedenbouwkundige uitstraling. De inbreidingen hebben daarom een duidelijke verschijningsvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijkertijd kan geconstateerd worden dat veelal een relatie met de stedenbouwkundige context van de buurt/wijk als geheel ontbreekt. Sinds een tiental jaren is er meer aandacht voor de inpassing van bouwprojecten in het grotere geheel. De inrichting van het openbaar gebied en de woningen zijn als samenhangend geheel ontworpen en vormen één geheel. In de verkavelingopzet is gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De architectuur is expressief en onderscheidend van aard als reactie op de vaak monotone architectuur van de directe omgeving. In het algemeen heeft deze woningbouw een frisse en gevarieerde uitstraling. De inbreidingen zijn te beschouwen als complex met veelal dezelfde woningen. De complexwaarde is hierbij belangrijk. De massa en de architectonische vormgeving zorgen voor een samenhang in de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Het kleur- en materiaalgebruik is complexgebonden en dus niet onder één noemer te brengen. In het algemeen kan gesteld worden dat deze complexen door de keuze van materiaal, detaillering en kleur de eigen identiteit versterken en daarmee onderscheidend zijn ten opzichte van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING De meeste thematische inbreidingen hebben een zeer specifieke, goed afgestemde verschijningsvorm. De samenhang is groot en de beeldkwaliteit hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA Bebouwing en omgeving De architectuur en de directe openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. Deze samenhang dient teworden behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De complexwaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen moeten passen binnen de (stijl) kenmerken, het imago en de expressiviteit van het complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevelopbouw en -indeling en de repetitie van de samenstellende elementen zijn uitgangspunt bij veranderingen, aanpassingen en toevoegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering, kleur Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de complexwaarde; zij dragen wezenlijk bij aan de expressiviteit ervan en zijn uitgangspunt voor aanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">W8 THEMATISCHE UITBREIDING KENMERKEN Bebouwing en omgeving Als reactie op de woonerven uit de jaren ’70 ontstaat in de jaren tachtig een veelvormige post-moderne stedenbouw en architectuur. Klassieke thema’s uit de geschiedenis van de stedenbouw zoals crescents (halfronde cirkels), symmetrie en straalvormig gegroepeerde straten vormen de inspiratie voor de nieuwe uitbreidingswijken. Het creëren van een wervend, hoogwaardig woonmilieu is het uitgangspunt bij de thematische uitbreidingen. In toenemende mate is, in tegenstelling tot de inbreidingswijken, de landschappelijke context de basis voor het stedenbouwkundig plan. Er is veel aandacht besteed aan de architectonische en stedenbouwkundige uitstraling. Door de landschappelijke en stedenbouwkundige context in het plan te verweven worden verschillende woonmilieus onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar gebied en de woningen zijn integraal ontworpen en vormen één geheel. In de verkavelingopzet is gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich Alhoewel er sprake is van verschillende woningBinnen de uitbreidingen zijn verschillende woonmilieus en/of architectuurstijlen te onderscheiden. Er zijn diverse complexen aan de architectonische vorm van bebouwing te herkennen binnen de wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze complexen bestaan uit een wisselend aantal woningen. De complexwaarde is hierbij belangrijk, waarbij de gevelopbouw, dakvorm e.d. zorgen voor samenhang in de bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen heeft deze woningbouw een frisse en gevarieerde uitstraling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering en kleur Er is een grote variatie in architectonische vormgeving te zien. Het materiaal- en kleurgebruik is erg verschillend per complex en en mede daardoor ook de detaillering. Vanwege herkenbaarheid en identiteit speelt de complexwaarde een grote rol; het kleur- en materiaalgebruik en de detaillering wordt hierdoor bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">WAARDERING De bebouwing is zorgvuldig op elkaar afgestemd, de samenhang is groot en de omgevingskwaliteit is hoog. Voor dit bebouwingstype geldt een specifiek welstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">WELSTANDSCRITERIA Bebouwing en omgeving De architectuur en de directe openbare ruimte zijn in samenhang ontworpen. Deze samenhang dient teworden behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwing op zich De complexwaarde is bepalend voor aanpassingen, toevoegingen of (ver)nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veranderingen moeten passen binnen de (stijl) kenmerken, het imago en de expressiviteit van het complex.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevelopbouw en -indeling en de repetitie van de samenstellende elementen zijn uitgangspunt bij veranderingen, aanpassingen en toevoegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materiaal, detaillering, kleur Het bestaande kleur- en materiaalgebruik is bepalend voor de complexwaarde; zij dragen wezenlijk bij aan de expressiviteit ervan en zijn uitgangspunt voor aanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">W9 INDIVIDUELE WOONBEBOUWING KENMERKEN Bebouwing en omgeving Als reactie op de strakke blokverkaveling ontstaan in buurten en gebieden met individuele woningbouw bestaat uit vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen, die onderling een grote variatie vertonen. Er is meestal sprake van woningen van verschillende leeftijd. In de loop der jaren zijn de invloeden van diverse stedenbouwkundige, architectonische en markttechnische stromingen in de wijken ingebracht. De straten en buurten waar individuele woningbouw aanwezig is hebben meestal een groen en dorps karakter. De architectuur heeft overwegend een dorpse uitstraling. Het idee van projectmatige woningbouw komt in dit soort buurten niet voor.</p></div>", "next": 239715}