{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In deze APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld. Dit laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Artikel 4:14 schort de termijn niet op, het is alleen een 'beleefdheidsvoorschrift' om te laten weten dat de termijn niet gehaald wordt. Het is dus geen besluit en tegen de mededeling van de verlenging kan dan ook geen bezwaar of beroep worden ingesteld. Wél kan een aanvrager bezwaar maken dan wel beroep indienen tegen het uitblijven van een tijdige beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor evenementen en seksinrichtingen zijn gezien de complexiteit van de aanvragen de termijnen op 12 weken vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van lid 3 is niet vastgesteld, omdat grote evenementen alvorens vergunningverlening regionaal besproken moeten worden. Ook speelt hier het feit dat veel evenementen vaak ruim van te voren worden aangevraagd om zeker te zijn dat de locatie beschikbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-3-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Daarom wordt een termijn van vier weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen vier weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van vier weken te verlengen tot maximaal twaalfweken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-4-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1 ORDE EN VEILIGHEID OP OPENBARE PLAATSEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In lid 1 is een verbod opgenomen tegen deelneming aan samenscholingen. Onder \"samenscholing\" verstaat Van Dale: \"het groepsgewijze bij elkaar komen van mensen die een dreigende houding aannemen of kwade bedoelingen hebben\". Het begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 Wetboek van Strafrecht (WvSr): \"Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.\" Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende) ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de APV bevat het geven van een bevel in een concreet geval. Ook in het proces-verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 juncto het desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de politiebevelen ex artikel 2:1APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties (WOM) die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de WOM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke bevoegdheden Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. Deze twee artikelen zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen verder te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-9-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatoptredens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt alle straatoptredens waarbij muziek en/of zang ten gehore wordt gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, aan of boven de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een groot aantal voorwerpen, dat in de openbare ruimte worden geplaatst veroorzaken geen overlast of dragen zelfs bij aan de leefbaarheid. Daarom is bij de wijziging van dit artikel gekozen om een algemene regel op te nemen in plaats van het voorheen bestaande vergunningstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college ook de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrippen bruikbaarheid van de weg en het veilig gebruik van de weg zijn niet makkelijk te duiden. Bij het plaatsen van voorwerpen op de weg kan er al heel snel sprake zijn van een belemmering. In beleidsregels kan aangegeven worden wat de kaders hiervan zijn. In lid 2 is wel al een specifieke uitleg gegeven. Hierbij moet er wel op gelet worden dat hier staat wat in ieder geval onder een belemmering moet worden verstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Maken, veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het hebben van een uitweg tussen \"eigen terrein\" en de straat is een vergunning nodig.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-14-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span><span class=\"lf-art-t\">Winkelwagentjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-15-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-23-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het ijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Havendienst keurt of het ijs betrouwbaar is voor het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-24-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving (evenementen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten. Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening. Snuffelmarkten zijn specifiek geregeld in artikel 5:22 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. e. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de WOM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreekt voor zichzelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9 (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Herdenkingsplechtigheid Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Braderie Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet . Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in de zin van artikel 5:22, van de model-APV. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Optochten Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso’s enz., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de WOM van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feest, muziek Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is. Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en op meerdere onderdelen niet behoren tot de normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende diskjockey of een optreden van een bekende band, andere organisatie dan exploitant, andere sluitingstijden, ander publiek) zijn vergunningplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaats vindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de APV geven het college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder c Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan. Er is voor gekozen dat het tussen 23.00 uur en 08.00 uur en op zondag tot 13.00 uur stil moet zijn. Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder d Als het evenement plaats vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 150 cm aangehouden. Het gaat vooral om het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc. Locaties waar barbecues of straatfeesten kunnen worden gehouden, zijn: parken, plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d. en in de eigen straat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder f Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of straatfeest is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In artikel 2:24 is een klein evenement daarom gedefinieerd, in dit derde lid is een opsomming gemaakt van evenementen die onder ‘klein’ worden verstaan. Lid 3 sub b: onder de hoofdwegen vallen ook busroutes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Klein evenement Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of straatfeest is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het tweede lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Het blijft verboden om zonder melding zo’n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder deze melding de barbecue en/of straatfeest wordt georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder c Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan. Er is voor gekozen dat het tussen 23.00 uur en 08.00 en daarnaast op zondag tot 13.00 uur stil moet zijn. Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder d Deze bevoegdheid kan overigens krachtens artikel 168 van de Gemeentewet gemandateerd worden aan de burgemeester. Als het evenement plaats vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 150 cm aangehouden. Het gaat vooral om het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc. Locaties waar barbecues/straatfeesten kunnen worden gehouden, zijn: , trottoir, rijbaan, plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d. in de eigen straat. Bij het gebruiken van de rijbaan moet het gewone verkeer doorgang kunnen vinden in de wijk. Hulpdiensten moeten door de straat waar het feest plaatsvindt kunnen rijden. De straat kan wel eventueel afgezet worden met hekken, maar deze moeten zeer snel te verplaatsen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder e Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers geen hinder van ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder g Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid: Lex silencio positivo Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-27-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel staan de begripsomschrijvingen die naast de algemene begripsomschrijvingen uit hoofdstuk 1, specifiek voor deze afdeling gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingsuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is het huidige beleid ten aanzien van de sluitingstijden van horecabedrijven opgenomen. In de bij de aanwijzingsbesluiten opgenomen notitie Sluitingstijden is aangegeven ten behoeve van welke straten en delen van de gemeente een ontheffing kan worden verleend. De ontheffing voor de donderdagnacht is in 2005 separaat opgenomen om de gevolgen van deze verruiming te kunnen blijven volgen. Ook in het belang van de controle door de politie in deze nacht is het van belang om te weten welke bedrijven over een dergelijke ontheffing beschikken. Bedrijven die gevestigd zijn in een rustige woonwijk buiten het centrum komen in principe niet in aanmerking voor een ontheffing. Dit om de nachtrust in deze wijken zo min mogelijk te verstoren. Over het algemeen kan gesteld worden dat de ontheffing wel zal worden verleend voor bedrijven die gevestigd zijn in de binnenstad en langs de grote toe- en afvoerwegen in de stad. Voor horecabedrijven die als gevolg van onduidelijkheid in beleid in het verleden ten onrechte een ontheffing hebben ontvangen geldt sinds de laatste wijziging van de Drank- en Horecaverordening van 3 juli 1992 de volgende overgangsregeling: Voor de toenmalige exploitanten blijft de ontheffing sluitingstijden behouden. Indien de onderneming in andere handen overgaat kan aan de nieuwe eigenaar nog voor een periode van drie jaar na overname een ontheffing sluitingstijd worden verleend. Na deze drie jaar is dat niet meer mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29a-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29a</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is het in 1990 vastgestelde beleid ten aanzien van de nachtgelegenheden opgenomen. De in het derde lid genoemde criteria zijn opgenomen in de notitie \"Wachtlijst Nachtgelegenheden\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingsuur; algehele sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van dit artikel kan de burgemeester overgaan tot sluiting van een inrichting of wijziging van de sluitingsuren (eerder dicht of langer open). Dit artikel kan onder meer worden gehanteerd bij ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de inrichting, bij overtredingen van de Drank- en Horecaregelgeving (bijv. overtreding sluitingstijden), en bij het plegen van strafbare feiten in of rondom de inrichting (bijv. heling, geweldsdelicten, drugshandel). In een situatie die hierin niet is opgenomen, kan de burgemeester natuurlijk altijd nog overgaan tot sluiting in het belang van de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Uiteraard zal van dit artikel alleen dan gebruik worden gemaakt indien alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. Voor de uitvoering van dit artikel is het Horeca-sanctiebeleid van kracht. Dit beleid voorziet in een snelle \"lik op stuk\" aanpak van incidenten. Dit artikel staat los van de voorschriften uit de Wet milieubeheer, welke betrekking hebben op gevaar, schade en/of hinder veroorzaakt door de inrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30a-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid in gesloten inrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Waar artikel 2:30, lid 4 zich richt tot de exploitant van een gesloten inrichting, richt dit artikel zich tot de bezoekers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31a-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31a</span><span class=\"lf-art-t\">Drank buiten een inrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de personen aan wie drank wordt verstrekt niet per se hoeven te zitten, moeten deze wél gebruik maken van, en zich dus tijdens het nuttigen van de drank, bevinden op het terras.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Drankverstrekking op de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32a-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32a</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden terras</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn de openingstijden van het terras opgenomen. Tot de laatste wijziging van de Dranken Horecaverordening in 1992 was het zo dat het terras gedurende de tijden dat het horecabedrijf voor het publiek geopend mocht zijn, ook geëxploiteerd mocht worden. De laatste jaren blijkt steeds meer dat van de exploitatie van het terras in de nachtelijke uren veel overlast wordt ondervonden. Ervan uitgegaan dat over het algemeen de nachtrust omstreeks 01.00 uur aanvangt, is bepaald dat men tot 00.30 uur dranken mag verstrekken aan het op het terras aanwezige publiek. Om 01.00 uur dient het terras echter door het aanwezige publiek ontruimd te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32b-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32b</span><span class=\"lf-art-t\">Locatie terras</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt gesteld dat het terras zich alleen in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting mag bevinden. Ingevolge het tweede lid kan een uitzondering hierop worden gemaakt voor het wandeldomein in de binnenstad en andere vergelijkbare nader door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen plaatsen, zoals bijvoorbeeld de dorpskern van Spaarndam. Deze straten worden na 11.00 uur afgesloten voor het verkeer met uitzondering van voetgangers. Als voorwaarde zal wel worden gesteld dat het noodverkeer te allen tijde moet kunnen passeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de burgemeester wordt als regel gehanteerd bij de beoordeling van de terrasaanvragen dat in het zogeheten autoluwe gebied, waar slechts beperkt autoverkeer mogelijk is zoals bijvoorbeeld alleen trouwauto's, of bevoorrading tot 11.00 uur, minstens 75 centimeter (breedte rolstoel, kinderwagen) en elders in de stads minstens 150 centimeter voetgangersruimte vrij moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het vierde lid kan de burgemeester nadere welstandseisen stellen aan terrassen. Bijvoorbeeld t.a.v. de afscheidingen, de stoelen, tafels enz. Deze bepaling over inrichtingseisen is niet in hoofdstuk 4 opgenomen maar op deze plaats, in de paragraaf over terrassen, om de overzichtelijkheid zoveel mogelijk te waarborgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32c-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32c</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering terrasvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn de weigeringsgronden voor een terrasvergunning opgenomen. Dit betreffen gronden die reeds jarenlang gehanteerd worden bij het weigeren van vergunningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32d-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32d</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgiftebuffet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een ondernemer ten behoeve van de exploitatie van het terras een uitgiftebuffet wil plaatsen, zal het college van burgemeester en wethouders per aanvraag bezien of er inderdaad zwaarwegende belangen zijn die het verlenen van een ontheffing rechtvaardigen. In principe zal het plaatsen van een uitgiftebuffet op een terras dat zich direct voor de inrichting bevindt niet worden toegestaan. Het plaatsen van een uitgiftebuffet mag niet betekenen dat er een verzelfstandiging van het terras plaatsvindt en wel zodanig dat de relatie met de inrichting nagenoeg teniet wordt gedaan. Het uitgiftebuffet wordt uitsluitend gezien als een hulpinstrument en er zal ook niet worden toegestaan dat er bijvoorbeeld een tappunt voor bier in geïnstalleerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ontheffing zal door het college van burgemeester en wethouders ook voorwaarden gesteld worden ten aanzien van afmetingen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iets anders is de tijdelijke ontheffing op grond van artikel 35 Drank- en Horecawet. Deze maakt het mogelijk bij bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard (grote evenementen) een buitentap met terrasje te plaatsen. Deze ontheffing moet apart worden aangevraagd en valt buiten het normale terrassenbeleid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Verlofbedrijven</h3>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:33 t/m 2:33b Met de tweedeling van het begrip leidinggevende in artikel 2:27 is een parallel getrokken naar de Drank- en Horecawet. Op dit moment is het zo dat degene aan wie een verlof is verleend, niet daadwerkelijk in het bedrijf aanwezig hoeft te zijn. Dit levert in de praktijk problemen op ten aanzien van toezicht in het bedrijf; als de ondernemer er niet is, wie is dan verantwoordelijk voor de exploitatie? Dit in tegenstelling tot die bedrijven die in het bezit zijn van een vergunning ingevolge de wet. Ook hier hoeft de ondernemer niet daadwerkelijk aanwezig te zijn doch dient de leidinggevende, die vermeld wordt op de vergunning, aanwezig te zijn indien het bedrijf voor het publiek is geopend met een maximum van 40 uur per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dit te ondervangen is in 1992 de verloftoezichthouder geïntroduceerd. Dit kan dezelfde persoon zijn als de verlofhouder, maar het kan ook een persoon zijn die daartoe is aangesteld. Deze verloftoezichthouder dient, net zoals de leidinggevende in een cafébedrijf, in de zaak aanwezig te zijn gedurende die uren dat deze voor publiek is geopend, zodat een voortdurend toezicht gewaarborgd is. Uiteraard met een maximum van 40 uur per week. In de artikelen 2:33 t/m 2:33c zijn de voorwaarden opgenomen waaraan men dient te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om nu teveel verwarring met allerlei benamingen en hoedanigheden te vermijden, wordt het begrip verloftoezichthouder veranderd in leidinggevende, wat het eigenlijk ook is. In artikel 2:27 is aangegeven wat er bij alcohol schenkende bedrijven en wat er bij verlofbedrijven onder beheerder wordt verstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33c-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33c</span><span class=\"lf-art-t\">Inrichtingseisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tot de wijziging van de Drank- en Horecaverordening in 1992 hoefde een pand waarin een verlofbedrijf is of wordt gevestigd niet te voldoen aan het Besluit Inrichtingseisen Drank- en Horecawet. In dit besluit is geregeld dat de inrichting dient te voldoen aan een aantal eisen, zoals oppervlakte, aanwezigheid toiletten, ventilatie, hoogte, kunstlicht-voorziening, aansluiting waterleiding en elektriciteitsnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de opstelling van de verordening van vóór 1992, kende men ook nog niet de grote variëteit aan horeca-inrichtingen die wij tegenwoordig kennen. Men ging er toen van uit dat alleen snackbars uitsluitend alcoholvrije dranken zouden verstrekken. In de loop der jaren zijn hier de coffeeshops, uitgebreide snackbars met zitgelegenheid, lunchrooms e.d. bijgekomen. Echter, deze hoefden dus tot juli 1992 niet te voldoen aan de inrichtingseisen. Zo waren er dus verlofbedrijven met een uitgebreide zitgelegenheid zonder toiletten, omdat deze niet vereist zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om hieraan een einde te maken is het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet bij de wijziging van de verordening in 1992 eveneens van toepassing verklaard op de verlofbedrijven. De burgemeester kan ingevolge artikel 2:33d geheel of gedeeltelijk ontheffing van deze eis verlenen indien het gaat om een inrichting met minder dan acht zitplaatsen of indien er sprake is van een bijzonder geval en gewichtige belangen daartoe aanleiding geven. Ook kan de burgemeester nadere voorwaarden verbinden aan de ontheffing. Zo kan ontheffing worden verleend van de minimale oppervlakte-eis van 15 m² (artikel 5 van het Besluit) bij kleine voorruimten, bijvoorbeeld van automatieken en frituurzaken. Aan de verlening van een ontheffing van artikel 6 van het Besluit (niet voldoen aan de vereiste hoogte) kan de voorwaarde worden verbonden van overcapaciteit van mechanische ventilatie. Ontheffing van artikel 11 (gescheiden toiletten) kan gedeeltelijk worden verleend indien de inrichting minder dan acht zitplaatsen heeft. Indien in de inrichting alleen sprake is van uitgifte, kan volledige ontheffing van artikel 11 worden verleend. Hiermee wordt gedoeld op inrichtingen waarbij bezoekers nauwelijks in de zaak komen, zoals bijvoorbeeld een automatiek of uitgiftebuffet vlak aan de straat met alleen een kleine wachtruimte voor de klanten. Hier zijn geen zitplaatsen en hoeven er dus geen toiletten te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip ‘uitgifte’ moet niet worden verward met ‘bediening’. Er zijn genoeg bedrijven die geen bediening hebben, maar wel zitplaatsen voor het publiek. In dat geval kan geen ontheffing van het toilettenvereiste worden verkregen. In het tweede lid wordt bepaald dat kleine wijzigingen aan het pand, waarbij de inrichtingseisen niet worden aangetast, kunnen worden doorgevoerd zonder dat een hele nieuwe vergunning hoeft te worden aangevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33h-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33h</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn de weigeringsgronden limitatief opgenomen. In het bepaalde onder d. komt tot uiting dat de vergunning wordt geweigerd wanneer gevreesd moet worden dat de woon- en leefsituatie door de vestiging van een verlofbedrijf ontoelaatbaar wordt aangetast. Daarbij wordt rekening gehouden met het karakter van de straat, het winkelniveau en de wijk waarin het bedrijf is gelegen. Onder e. is de weigeringsgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van strijd met het geldende bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband dient gewezen te worden op de mogelijkheid van vrijstelling of ontheffing, alsook de mogelijkheid van een anticipatieprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50, achtste lid van de Woningwet. Deze mogelijkheden beperkt de burgemeester niet in de weigeringsmogelijkheden, maar het lijkt wel een zaak van behoorlijk bestuur om, voordat tot weigering van verlof wordt overgegaan, de mogelijkheden van vrijstelling, ontheffing of anticipatie in overweging worden te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze bepaling wordt handelen op grond van een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan beschouwd als handelen in overeenstemming met het bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van dit lid is de koppeling van het vereiste verlof met het planologische regime. Vereist is dus niet dat de lokatie waar het verlofbedrijf wordt gevestigd, is aangewezen als horecavestiging in het bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan, maar dat het bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan de vestiging niet mag uitsluiten. Op deze wijze wordt voorkomen dat op basis van deze verordening een verlof wordt verleend terwijl later op grond van strijd met het bestemmingsplan of stadsvernieuwingsplan tegen de vestiging moet worden opgetreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33j-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33j</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken van het verlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de algemene gronden voor intrekking van een vergunning als geformuleerd in artikel 1:8 gelden voor een verlof ook de extra gronden zoals die in dit artikel zijn opgenomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 9 TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN NACHTVERBLIJF</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-35-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:35</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-36-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-38-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:38</span><span class=\"lf-art-t\">Verschaffing gegevens nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te verstrekken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-39-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid De vergunningsplicht geldt voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 10A SPEELAUTOMATENHALLEN</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40a-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40a</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de herziening van de Wet op de kansspelen per 1 juni 2000 is een onderscheid aangebracht tussen hoog- en laagdrempelige inrichtingen. De definities die zijn opgenomen in artikel 30 van de Wet, zijn hier ter verduidelijking opgenomen in artikel 2:40.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40b-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40b</span><span class=\"lf-art-t\">Speelautomatenhallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de openbare orde en veiligheid en de doelmatigheid van de controle door de politie is het toegestane aantal speelautomatenhallen vastgesteld op drie. In deze hallen mogen maximaal 44 speelautomaten worden geplaatst (met een maximum aan 44 speelplaatsen): kansspelautomaten, behendigheidsautomaten en, mits voldaan aan de in het kansspelbeleid vastgestelde eisen, twee meerspeler-automaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40d-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40d</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de gegevens die een aanvrager op grond van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de kansspelen en het Speelautomatenbesluit 2000 al moet verstrekken, worden hier nog een aantal aanvullende gegevens gevraagd. De soort bescheiden die dienen te worden overgelegd, wisselt per situatie. De onder c genoemde verklaring kan een huurcontract zijn waaruit de beschikkingsbevoegdheid blijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40e-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40e</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door middel van het verbinden van voorschriften en beperkingen aan de vergunning wordt aangegeven welke situatie er na het verlenen van de vergunning gewenst is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40f-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40f</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering vergunning speelautomatenhallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het vereiste onder sub b dient om een speelautomatenhal duidelijk vanaf de weg voor een ieder herkenbaar te maken. Tevens dient dit om te voorkomen dat er in een achteraf lokaal van een gebouw een speelautomatenhal wordt geëxploiteerd en deze automatenhal mede of uitsluitend via een ander bedrijf bereikbaar zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bepaalde onder d wordt rekening gehouden met het karakter van een winkelstraat. Een speelautomatenhal past qua karakter niet in een winkelstraat met een exclusief karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sub f is de weigeringsgrond opgenomen dat er geen sprake mag zijn van strijd met het geldende bestemmingsplan. In dit verband dient gewezen te worden op de mogelijkheid van vrijstelling of ontheffing die het bestemmingsplan nogal eens biedt, alsook de mogelijkheid van een anticipatieprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50 lid 8 van de Woningwet. Deze mogelijkheden beperken de burgemeester niet in de mogelijkheid de weigeringsgronden toe te passen. Het is wel een zaak van behoorlijk bestuur dat, voordat tot weigering wordt overgegaan, de mogelijkheden van ontheffing en vrijstelling in overweging worden genomen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt handelen op grond van een vrijstelling van het geldende bestemmingsplan beschouwd als handelen in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van dit lid is de koppeling van de vereiste vergunning met het planologisch regime. Vereist is dus niet dat de locatie waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangewezen als speelautomatenhal in het bestemmingsplan, maar dat het bestemmingsplan de vestiging niet uitsluit. Zo wordt voorkomen dat op basis van de verordening een vergunning verleend moet worden en dat later, wegens strijd met het bestemmingsplan, tegen vestiging moet worden opgetreden. Voor de overige uitvoering van dit artikel is het vastgestelde kansspelbeleid van kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40g-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40g</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn de intrekkingsgronden van de vergunning opgesomd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40h-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40h</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvragen nieuwe vergunning bij nieuwe beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een beheerder zijn hoedanigheid verliest, hetzij door overlijden, hetzij door vertrek, dan hoeft de ondernemer de bedrijfsuitvoering niet te staken indien hij binnen de aangegeven termijn een nieuwe vergunning heeft aangevraagd. Het vervallen van de vergunning van rechtswege betekent dat de belanghebbende hiertegen geen bezwaar of beroep kan aantekenen aangezien van een beschikking geen sprake is. De ondernemer zal echter van het vervallen van zijn vergunning in kennis worden gesteld. Voor het gestelde termijn van 6 maanden kan aansluiting worden gezocht bij artikel 33 van de Drank- en Horecawet, waar voor een soortgelijke situatie een termijn van zes maanden wordt gesteld na het verlies van de bedoelde hoedanigheid. (zonder dat er handelingen zijn verricht).</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 10B TOEZICHT OP GROW-, HEAD-, EN SMARTSHOPS</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40i-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40i</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het motief van openbare orde en de bescherming van het woon- en leefklimaat is het wenselijk om de exploitatie van head-, smart- en growshops te reguleren door de invoering van een vergunningstelsel in de APV. De categorie inrichtingen is beperkt tot die inrichtingen die in hoofdzaak of als belangrijke nevenactiviteit producten verkopen die omschreven kunnen worden als hallucinerende middelen of die dienst (kunnen) doen voor het gebruik of de productie van cannabis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze inrichtingen zijn: grow-, smart- en headshop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een growshop verkoopt producten die bestemd zijn voor het kweken van wiet. Het gaat om producten die kunnen bijdragen aan een zo optimaal mogelijke kweekomgeving zodat, op een gemakkelijke en snelle manier, wiet van goede kwaliteit gekweekt kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Headshops zijn winkels die hulpmiddelen verkopen die benodigd zijn voor het roken van softdrugs zoals waterpijpen en vloeipapier; ook groothandels die hulpmiddelen verkopen voor het roken van softdrugs zijn vergunningplichtig en vallen onder reikwijdte van dit artikel. Een gedeelte van deze winkels verkoopt tevens kleding en aanverwante accessoires.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smartshops zijn winkels die genotsmiddelen verkopen met psychotrope werking; ook groothandels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zijn producten op natuurlijke basis van kruiden en planten. Bepaalde producten zouden naar zeggen van de eigenaren/medewerkers traditionele harddrugs kunnen vervangen. Een gedeelte van deze winkels verkoopt soms net als sommige headshops kleding en accessoires.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40k-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40k</span><span class=\"lf-art-t\">Gedragseisen leidinggevende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om criminaliteit in grow-, smart- en headshops tegen te gaan dienen leidinggevenden van deze inrichtingen te voldoen aan een aantal zedelijkheidseisen. Daarom is het van belang dat bij de besluitvorming over een vergunningaanvraag voor grow-, smart- en headshops rekening wordt gehouden met de antecedenten van de leidinggevenden. In artikel 2:40j wordt zoveel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden dezelfde eisen gesteld als in artikel 8 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag wordt in ieder geval uitgegaan van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Indien een leidinggevende niet voldoet aan deze eisen is sprake van slecht levensgedrag. Deze zedelijkheidseisen worden ook gesteld aan leidinggevenden gesteld in de horeca-, coffeeshop- en prostitutiebranche. Met het oog op het gelijkheidsbeginsel worden deze eisen ook gesteld aan leidinggevenden aan de grow-, smart- en headshops.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40l-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40l</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de behandeling van een aanvraag om een growshopvergunning is een aantal specifieke gegevens vereist, welke in dit artikel is opgenomen. Bij de toepassing van het derde lid geldt als uitgangspunt, dat de in de tijd eerst ingediende aanvraag in behandeling wordt genomen. Tweede en opvolgende aanvragen voor één winkel worden niet in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40m-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40m</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De behandeltermijn is gesteld op twaalf weken in verband met het BIBOB-onderzoek, wat veel tijd inbeslag neemt en een belangrijke oorzaak is voor termijnoverschrijding. De BIBOB-vragenlijst en de daarin gevraagde documenten vormen een vast onderdeel van de vergunningaanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40n-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40n</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn een aantal gronden opgenomen die de burgemeester de mogelijkheid geeft om vergunningen te weigeren. In het eerste lid is bepaald dat de burgemeester gehouden is de vergunning te weigeren indien leidinggevenden van grow-, smart- en headshops niet voldoen aan de gedragseisen voor leidinggevenden. In het tweede lid is bepaald dat een vergunning dient te worden geweigerd indien de exploitatie van een grow-, head- of smartshop in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een leefmilieuverordening. In het derde lid komt tot uiting dat de vergunning kan worden geweigerd wanneer gevreesd moet worden dat de openbare orde en/of het woon- en leefsituatie door de vestiging van een grow-, smart- of headshop wordt aangetast. Voor de beoordeling of zich een dergelijke omstandigheid voordoet zijn in het vierde lid een aantal criteria opgenomen (overigens niet limitatief).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40o-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40o</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de gegevens die in de vergunning moeten worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40p-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40p</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid leidinggevende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat het verbod een winkel geopend te houden als er geen op de vergunning vermelde leidinggevende in de winkel aanwezig is. Deze eis is opgenomen omdat van verantwoorde bedrijfsuitoefening geen sprake kan zijn als niet ten minste één van de leidinggevenden aanwezig is, die de verantwoordelijkheid daarvoor draagt. Het inzetten van een zogenaamde ‘ stroman’ wordt daarmee voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40q-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40q</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Buiten de algemene intrekkingsgronden zoals vermeld in artikel 5 geldt voor deze vergunningssoort nog een aantal specifieke intrekkingsgronden. Deze zijn in dit artikel limitatief opgesomd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40t-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40t</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting van inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan de sluiting bevelen van een inrichting voor een bepaalde tijd maar ook voor onbepaalde tijd. Dit artikel kan onder meer worden gehanteerd bij overtreding van de vergunningvoorwaarden en indien de inrichting wordt geëxploiteerd zonder vergunning. Dit artikel kan eveneens gebruikt worden bij aantasting van de openbare orde, aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting en bij het plegen van strafbare feiten in of rondom de inrichting, tenzij artikel 13b van de Opiumwet hierop van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40u-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40u</span><span class=\"lf-art-t\">Toegang ambtenaren van politie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten einde het toezicht door ambtenaren van politie te waarborgen wordt in dit artikel de leidinggevende van de inrichting de verplichting opgelegd er voor te zorgen dat politieambtenaren onbelemmerd de inrichting (ook de keuken en andere voor het publiek niet-toegankelijke ruimten behoren tot de inrichting) kunnen betreden tijdens openingsuren. Indien echter het vermoeden bestaat dat gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn er toch bezoekers aanwezig zijn, dient de leidinggevende evenzeer er voor te zorgen dat de politieambtenaar zijn inrichting kan betreden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor foto- en filmopnames moet een ontheffing worden aangevraagd aangezien de impact van dergelijke opnames groot kan zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47-270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-49-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedrag bij of in gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span><span class=\"lf-art-t\">Neerzetten van fietsen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-57-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-58-277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-59-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-60-279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span><span class=\"lf-art-t\">Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-62-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:62</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopend vee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-64-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:64</span><span class=\"lf-art-t\">Bijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijen kunnen tot wel 3 km van de kast uitvliegen en op die afstand overlast veroorzaken. Overlast van bijen is daardoor moeilijker terug te leiden tot de uiteindelijke bron, de bijenhouder. Door de kennisgeving kan een registratie worden bijgehouden om eventuele overlast makkelijker op te lossen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-65-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-66-283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:66</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling “handelaar”</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Handelaar Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, KB 06-01-1992).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-67-284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-68-285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a Ten eerste Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede en derde Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de registratie van de handelaren actueel houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten vierde Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister inzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68, onder d, voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder d en f, WvSr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 13 VUURWERK</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-71-286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:71</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Definitie consumentenvuurwerk Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Fop- en schertsvuurwerk Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1 van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel 2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen 2:72 en 2:73 van de APV zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het Vuurwerkbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73-287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 14 DRUGSOVERLAST</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-74-288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74</span><span class=\"lf-art-t\">Drugshandel op straat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening met de Opiumwet Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 15 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEEN EN CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-75a-289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:75a</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijfsontzeggingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid van artikel 2:75a creëert een bevoegdheid voor de burgemeester om gebieden aan te wijzen waar verblijfsontzeggingen kunnen worden opgelegd aan personen die de openbare orde verstoren. Voorwaarde voor de aanwijzing van een gebied is de mate van ordeverstoringen die in dat gebied plaatsvinden. Alleen bij ernstige ordeproblemen kan van het artikel gebruik worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ordeproblemen kunnen een min of meer structureel karakter hebben. Het artikel sluit echter niet uit, dat daarvan gebruik gemaakt wordt bij incidentele ordeverstoringen. In het laatste geval ligt het echter in de rede dat de gebiedsaanwijzing tijdelijk van aard is. Een verblijfsontzegging is een bestuurlijke maatregel en geen (strafrechtelijke) sanctie. De algemene motivering voor de hantering van dit instrument is, dat in gebieden waarin de handhaving van de openbare orde onder druk staat het gerechtvaardigd is personen die daarop een inbreuk plegen tijdelijk uit het gebied te verwijderen. De maatregel is dus een instrument ter handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verblijfsontzegging dient een termijn te worden opgenomen. Het zou de bewegingsvrijheid van burgers te zeer beperken, indien een verblijfsontzegging voor onbepaalde tijd wordt opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ernst van de inbreuk op de openbare orde zal van invloed zijn op de lengte van de termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat bij het oplegging van een verblijfsontzegging rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van het desbetreffende individu. Zo kan aan personen die in het aangewezen gebied wonen of werken kan geen verblijfsontzegging worden opgelegd. Het begrip \"werken\" is ruim. Bij de toepassing daarvan dient aangesloten te worden bij het normale spraakgebruik. Er dient sprake te zijn van het in dienstverband verrichten van regelmatige en reguliere arbeid. Vrijwilligerswerk kan hieronder vallen mits aangetoond wordt, dat een vaste relatie met de werkgever tot het verrichten van arbeid op vastgestelde tijden bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid verbiedt overtreding van de verblijfsontzegging. Op overtreding staat een strafrechtelijke sanctie. Dit kan artikel 184 Wetboek van Strafrecht zijn. Indien niet aan de delictsomschrijving van dit artikel wordt voldaan is strafbaarstelling op grond van de APV mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76-290\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: vervoermiddelen te onderzoeken; een ieders kleding te onderzoeken; te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan; zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy); subsidiariteit en proportionaliteit; breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid en veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77-291\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen omkleed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Awb voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het cameratoezicht Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenbaarheid In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden gesteld van de precieze opnametijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete van € 4.500.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c lid 1 Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de WOM vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting Verordenende bevoegdheid van gemeenten Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV. De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet, maar - voor zover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op artikel 151a Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Prostitutie en prostituee(onder a en b) Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling” uit de definitie in het Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk “ander” en “vergoeding”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Seksinrichting (onder c) Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening. Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities. “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen, seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten - met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo’n optreden moet echter worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Escortbedrijf (onder d) Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sekswinkel (onder e) De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4, eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. Indien dat in aanvulling daarop (in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving) raadzaam wordt geacht, kan worden overwogen de exploitatie van sekswinkels te verbieden in aangewezen gebieden of delen van de gemeente en daartoe artikel 3:10 op te nemen. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3:10 kan onderdeel e in artikel 3:1 achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2 “Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke” te luiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met “het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de uitvoering van verordeningen voor deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht” (derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte” opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE, SEKSWINKELS EN DERGELIJKE</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4-294\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Seksinrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Er is hier voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren door middel van een vergunningstelsel. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van een of meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de Awb). Indiening en inontvangstneming van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de ingevolge artikel 1:4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie. De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Uitzondering van de lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen). Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5-295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5</span><span class=\"lf-art-t\">Gedragseisen exploitant en beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van) prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag. In artikel 3:5. wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6-296\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Deze bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag. De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip “seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal worden verleend. Zo’n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4 en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, van de Awb. Van het voor die categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in een concreet geval (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-297\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere” sluitingstijdenregime is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat: voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3:6 gestelde; of van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8-298\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend, moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling, geweldsdelicten en dergelijke.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-9-299\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatprostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop - politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar ook aan andere aldaar aanwezige personen. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke verblijfsontzegging in het vierde lid worden gegrepen. Een verblijfsontzegging behelst een verbod om zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voor in de aanzegging genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-10-300\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:10</span><span class=\"lf-art-t\">Sekswinkels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan voorafgaand toezicht te onderwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-11-301\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:11</span><span class=\"lf-art-t\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een verbod, maar slechts voor het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook betrekking hebben op erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de voorstellingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3 BESLISTERMIJN: WEIGERINGSGRONDEN E.A.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-12-302\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:12</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Daarom is een langere beslissingstermijn dan de in artikel 1:2 genoemde wenselijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-13-303\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:13</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b: bestemmingsplan Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3, zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, aanhef: openbare orde als weigeringsgrond (artikel 1:8) De weigeringsgrond “ openbare orde” is hier niet apart genoemd, omdat deze al is vermeld bij de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. Als specifieke toelichting bij artikel 3:13 hier het volgende. De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum te binden. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare orde ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een maximumbeleid en een concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in combinatie toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder d: Veiligheid personen of goederen Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet: is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de inrichting zelf; en biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voor het gaat om het gebruik van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of -veiligheid Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en motorvoertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid onder f: gezondheid Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4 BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-14-304\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:14</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet worden kennisgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-15-305\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:15</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging beheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de exploitant zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de exploitatie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-306\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties. De collectieve ontheffing is geen vrijbrief om onevenredige overlast te veroorzaken. De politie heeft altijd de bevoegdheid om alsnog op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Volgens artikel 3.148 eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 3.148, tweede lid, onder a, van het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Het sluitingsuur van de inrichting is bepalend voor de eindtijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2a-307\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2a</span><span class=\"lf-art-t\">Activiteiten van maatschappelijk belang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor activiteiten van maatschappelijk belang zijn ook collectieve festiviteiten aan te wijzen, ook als hierbij slechts 1 inrichting betrokken is. Te denken valt aan inrichtingen waarbij zoveel sportevenementen als ( inter)nationale wedstrijden georganiseerd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-308\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeelsfeest Tweede en derde lid Voor sportinrichtingen is het aantal incidentele festiviteiten verruimd naar 12, zodat er ruimte is om buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik te maken van hun geluidinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Het sluitingsuur van de inrichting is bepalend voor de eindtijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5-309\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de verscheidenheid aan inrichtingen, de vele oude en gehorige panden in de stad zal deze normering lang niet altijd gehaald kunnen worden. Bij grote overlast is een ontheffing onder voorwaarden mogelijk, waarbij voorwaarden gesteld kunnen worden aan onder andere de geluidsniveaus, tijdsperiode, tijdsduur etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde geluidsniveaus in het tweede lid onder tabel e zijn niet van toepassing op; het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen; het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6-310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een draaiorgel; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. overige handelingen waardoor gelui ontstat.ast In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geluidshinder tijdens evenementen wordt meegenomen in de evenementenvergunning.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-7-311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Straatvegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de gemeenteraad op basis van artikel 149 van de Gemeentewet bevoegd tot het treffen van regelen die andere belangen dan verkeersbelangen beogen te dienen, tenzij deze regels ondanks het afwijkende motief zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen dat het stelsel van de Wegenverkeerswet 1994 wordt doorkruist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9a</span><span class=\"lf-art-t\">Verspreiden van reclamemateriaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met reclame wordt hier bedoeld: ‘handelsreclame’. Er kan een vergunning vereist zijn op grond van artikel 151, namelijk bij uitstallingen op de weg. Hierbij kan men denken aan het gebruiken van een vaste locatie bij het uitdelen van reclamemateriaal, zoals een kraam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens evenementen waarvoor een vergunning op grond van artikel 28 nodig is, geldt artikel 118 niet. Er wordt immers al bij de vergunningverlening voor het evenement gekeken naar de overlast en de openbare orde en de vergunninghouder dient het terrein na het evenement schoon op te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor materialen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard. Hierbij kan gedacht worden aan verkiezingspamfletten of kranten. Het verbod geldt niet voor het verspreiden van materiaal voor niet-commerciële doeleinden of voor het houden van enquêtes.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15-314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van administratieve lasten is de reclamevergunning geheel verdwenen en vervangen door een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:15 is niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wabo Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de Wabo van toepassing. Omdat een zodanig stelsel in de model-APV geschrapt is, is daarvoor geen regeling opgenomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-17-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1 PARKEEREXCESSEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Begrip “parkeerexces”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat dit begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een voortschrijdende ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip “parkeerexces” bezwaarlijk een voldoende concrete definitie te geven. Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus: wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling), en wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen; alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definities van “voertuig” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts betrekking hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-1-316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van “weg” in artikel 1:1 van deze verordening is ook op deze afdeling van toepassing. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid, en 5:9 hebben derhalve slechts op “echte” parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden daarom als voertuig beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2-317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder a Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-3-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem. Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-4-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-5-320\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder a Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats is geregeld in artikel 4:15 van deze APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Deze bepaling verschaft het gemeentebestuur mogelijkheden om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft, dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van een “parkeerexces”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid zouden vallen, toch voor maximaal 3 dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven verboden een ontheffing te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik dienen te worden gemaakt: voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk worden geparkeerd;</p></div>", "next": 239735}