{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">19.2.1.Aan te melden schulden in faillissement 19.2.In een faillissement vallen de belastingschulden voor zover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring dan wel materieel zijn ontstaan na de faillietverklaring, maar voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag tenzij het tegendeel blijkt. Belastingschulden ontstaan vanaf de datum van het faillissement die niet voortvloeien uit een al bestaande rechtsverhouding van voor de faillietverklaring, zijn niet verifieerbaar en moeten eventueel als boedelschulden worden aangemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.De ontvanger splitst de belastingaanslag naar tijdsevenredigheid of tijdstip en doet twee aparte vorderingen: één voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld; één voor het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.Voorlopige aanslagen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet kan de ontvanger niet eerder aanmelden dan nadat de termijnen die aan die aanslagen verbonden zijn, zijn vervallen. De ontvanger splitst de voorlopige aanslagen naar tijdsevenredigheid of tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.2.Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement 19.2.Belastingschulden die materieel zijn ontstaan gedurende de periode van een surseance van betaling die aan het faillissement voorafgaat, kunnen op grond van artikel 249 FW worden beschouwd als boedelschulden in het faillissement.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.Het bepaalde in artikel 19.2.1 van de leidraad is op deze schulden en de belastingaanslagen die hierop betrekking hebben op soortgelijke wijze van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.3.Opkomen in faillissement 19.2.Van de bevoegdheid om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen maakt de ontvanger geen gebruik, tenzij bijzondere omstandigheden met het oog op het belang van de invordering daartoe noodzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.In alle gevallen waarin de ontvanger in het faillissement opkomt, vermeldt hij in de vordering dat hij aanspraak maakt op eventuele voorrang. Als de curator tijdens het faillissement materieel ontstane belastingschulden die als boedelschuld kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet voldoet, dan wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing, wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de ontvanger zich rechtstreeks verhalen op de boedel.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen 19.3.1.Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen 19.3.Bij de beoordeling van de vraag of een vordering wordt gedaan met betrekking tot een periodieke uitkering, is doorslaggevend het feit dat de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Als het invordering van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te proberen alvorens de derde via de vordering te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.2.Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen 19.3.Als de ontvanger het dwangbevel per post heeft betekend en de invordering vervolgt door een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) of door een andere vordering op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden, is hij verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.De ontvanger doet de vooraankondiging niet eerder dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop hij het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post heeft bezorgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.De ontvanger doet de betreffende vordering niet eerder dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege als de ontvanger de vordering doet bij een werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.3.Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen 19.3.Als een vordering wordt gedaan voor periodieke uitkeringen die niet vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid, van de wet (en waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze uitkeringen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de periodieke uitkering de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland woont of vast verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.19.3.3a 19.3.Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.4.Informatieverstrekking voor vaststelling beslagvrije voet 19.3.Om de beslagvrije voet tot het juiste bedrag vast te kunnen stellen, vraagt de ontvanger bij de belastingschuldige informatie op, waaronder begrepen gegevens van de eventuele partner. Dit gebeurt in de vooraankondiging van de loonvordering. De ontvanger vermeldt daarin de toepasselijke beslagvrije voet die hij heeft berekend op basis van de hem ter beschikking staande gegevens. Zolang de belastingschuldige geen informatie verstrekt, past de ontvanger deze beslagvrije voet toe. Als de belastingschuldige na toepassing van de loonvordering alsnog de gevraagde informatie verstrekt, wijzigt de ontvanger de beslagvrije voet vanaf de eerst volgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. Het laatste geldt niet als de belastingschuldige kan aantonen dat het ontbreken van informatie niet aan hem te wijten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.Als de ontvanger een loonvordering doet ten laste van een belastingschuldige waarvan geen woon- of verblijfadres bekend is, stelt hij de beslagvrije voet vast op nihil. De ontvanger kan dan immers niet bepalen of de belastingschuldige in Nederland woont. Zodra de ontvanger bekend wordt met het feit dat de belastingschuldige in Nederland woont of een vaste verblijfplaats heeft, stelt de ontvanger alsnog de juiste beslagvrije voet vast en past deze toe vanaf de eerst volgende inhouding, dus zonder terugwerkende kracht. Het laatste geldt niet als de belastingschuldige kan aantonen dat het ontbreken van het adresgegeven niet aan hem te wijten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.In situaties waarin de ontvanger de beslagvrije voet heeft vastgesteld zonder vooraf informatie over inkomsten en uitgaven op te vragen bij de belastingschuldige, herstelt de ontvanger de beslagvrije voet als door de belastingschuldige wordt aangetoond dat deze te laag is vastgesteld. Als de belastingschuldige kan aantonen dat de beslagvrije voet al op een eerder moment op een te laag bedrag was vastgesteld, gebeurt dit met terugwerkende kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.5.Belastingschuldige woont in buitenland en beslag periodieke uitkering 19.3.Als de belastingschuldige in het buitenland woont, stelt de ontvanger overeenkomstig artikel 475e RV de beslagvrije voet vast op nihil. Na de vooraankondiging van de loonvordering kan de belastingschuldige door middel van het aanleveren van informatie aannemelijk maken dat hij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend periodieke inkomsten uit Nederland geniet. Als de belastingschuldige kan aantonen dat hij buiten deze periodieke inkomsten onvoldoende middelen van bestaan heeft, stelt de ontvanger op basis van de verstrekte informatie de beslagvrije voet vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.In dat geval past de ontvanger op de beslagvrije voet het percentage toe dat in artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bijlage bij die regeling is opgenomen voor het woonland van de belastingschuldige. Eventuele periodieke inkomsten die de belastingschuldige uit zijn woonland geniet, komen in mindering op de beslagvrije voet, nadat het in de vorige volzin bedoelde percentage is toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.Als de belastingschuldige in het buitenland woont, kan hij uit Nederland een periodieke uitkering genieten die in het woonland belast is op grond van een overeenkomst inzake voorkoming van dubbele belasting. In dat geval wordt op verzoek van de belastingschuldige het beslag op de periodieke uitkering beperkt met de belasting die in het woonland over die uitkering verschuldigd is. De belastingschuldige moet bij zijn verzoek gegevens overleggen waaruit deze belasting blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.6.Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet 19.3.Verhaal op (periodieke) inkomsten die een belastingschuldige geniet vanwege de Staat, gebeurt door aan de betreffende autoriteit verrekening te vragen volgens artikel 117 van de Ambtenarenwet en subsidiair door een vordering te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.7.Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm 19.3.Periodieke uitkeringen kunnen lager zijn dan de bijstandsnorm omdat de betrokkene in natura geniet wat een bijstandsgerechtigde uit de bijstandsnorm geacht wordt te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.In een dergelijk geval vermindert de ontvanger de beslagvrije voet met het bedrag dat aan deze genietingen in natura kan worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.8.Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf 19.3.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.4.Beslagvrije voet en overheidsvordering Als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij vanwege de toepassing van de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, een lager bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, maakt de ontvanger de overheidsvordering op verzoek van de belastingschuldige in zoverre ongedaan met inachtneming van hetgeen hierna volgt. Bij het verzoek verstrekt de belastingschuldige naast de gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet een overzicht van de banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden, waarover de belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongedaanmaking blijft beperkt tot de laatste overheidsvordering voorafgaand aan het verzoek van de belastingschuldige. Als sprake is van een belastingschuldige als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet, berekent de ontvanger de beslagvrije voet met inachtneming van het bepaalde in artikel 19, eerste lid, laatste volzin van de wet. Het bepaalde in artikel 19.1.7 van deze leidraad is hierbij van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de ontvanger tot teruggaaf overgaat, gaat hij na of de belastingschuldige op het moment dat de overheidsvordering is gedaan, beschikte over banktegoeden, waaronder begrepen spaartegoeden. Als het totaal van de banktegoeden waarover de belastingschuldige onmiddellijk na de overheidsvordering kon beschikken groter is dan de voor hem geldende beslagvrije voet, vermindert de ontvanger de teruggaaf met het meerdere.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel20</span><span class=\"lf-art-t\">Lijfsdwang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorrecht rijksbelastingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel22</span><span class=\"lf-art-t\">Bodemrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel22van de wet gaat over het bodemrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 22 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de werkingssfeer van het bodemrecht; bodemrecht en bestuurlijke boeten; overbetekening bodembeslag; de volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement; de volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement; bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar; bodemrecht en voorrang; verzet en beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.1.Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht Derden die de eigendom pretenderen van inbeslaggenomen roerende of onroerende zaken, kunnen hun rechten op die zaken - op de voet van de artikelen 456 respectievelijk 538 en volgende Rv - geldend maken. Op grond van artikel 435 Rv kunnen derden zich ook tegen het beslag verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onafhankelijk hiervan kunnen derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op roerende zaken waarop voor een belastingschuld beslag is gelegd, hun bezwaren tegen de beslaglegging van die zaken in de administratieve sfeer door middel van een beroepschrift voorleggen aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met derden worden hier niet alleen bedoeld degenen die zich op een eigendomsrecht beroepen, maar ook degenen die een beperkt recht op de zaak menen te hebben. Een tijdig ingediend beroepschrift op de voet van artikel 22, eerste lid, van de wet schort de executie van rechtswege op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 22, derde lid, van de wet ontneemt derden de mogelijkheid van verzet in rechte tegen de inbeslagneming van de in dat artikel bedoelde zaken en genoemde belastingaanslagen. Dit noemt men het bodemrecht van de fiscus. Dit voorrecht kan de ontvanger van de gemeente niet toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.2.Bodemrecht en bestuurlijke boeten Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.3.Overbetekening bodembeslag Als de ontvanger bekend is met de omstandigheid dat zaken mogelijk in eigendom toebehoren aan een derde, dan is hij op grond van artikel 435, derde lid, Rv verplicht bij beslaglegging op die zaken, dit beslag binnen acht dagen na de beslaglegging aan die derde te doen betekenen door de belastingdeurwaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze overbetekening moet de derde schriftelijk worden gemeld dat hij de mogelijkheid heeft een beroepschrift tegen de inbeslagneming te richten aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger gaat onmiddellijk tot betekening aan de derde over als hij op enig later tijdstip - maar vóór de geplande verkoopdatum - kennis krijgt van het feit dat de in beslag genomen zaken mogelijk eigendom zijn van die derde. Als tussen het moment van de betekening aan de derde en de vastgestelde verkoopdatum minder dan acht dagen liggen, gaat de ontvanger over tot het vaststellen van een nieuwe verkoopdatum.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.4.Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.5.Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.6.Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.7.Bodemrecht en voorrang Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.Verzet en beroep 22.8.1.Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag 22.8.Als uit een verzetschrift ex artikel 435, derde lid, Rv blijkt dat de derde geen eigenaar is van de zaken genoemd in dat verzetschrift, of voor de ontvanger anderszins duidelijk is dat de derde geen eigenaar is van de betreffende zaken, dan vindt executie van die zaken in beginsel doorgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.2.Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag 22.8.Als de derde een schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv heeft gedaan, heft de ontvanger het beslag op als zonder meer duidelijk is dat het zaken betreft waarop de ontvanger geen verhaal kan nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.In de overige gevallen zendt de ontvanger de schriftelijke mededeling door naar het college. Als ook het college geen aanleiding ziet aan het verzet tegemoet te komen, dan stuurt de ontvanger de stukken door naar een advocaat met het verzoek een procedure aan te spannen om een executoriale titel tegen de derde te verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.3.Opschorting verkoop na verzet in rechte tegen bodembeslag 22.8.Een verzet op de voet van artikel 456 Rv tegen de verkoop van roerende zaken schort de voortgang van de executie niet van rechtswege op.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.Niettemin schort de ontvanger de invordering in het algemeen op en neemt hij geen onherroepelijke maatregelen, tenzij naar het oordeel van de ontvanger het opschorten van de invordering de belangen van de gemeente schaadt.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.4.Beroepschrift ex artikel 22 van de wet 22.8.Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Een beroepschrift kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven of vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.Als toch een beroepschrift wordt ingediend, dan zal het college dit beroepschrift niet in behandeling nemen omdat het beslag niet meer ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.5.Beroepschriftprocedure ex artikel 22 van de wet 22.8.Onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de wet geldt voor de beroepsfase dat als uit een beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, de ontvanger de indiener verzoekt om het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan de motiveringsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.6.Taak van de ontvanger met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 22.8.Een beroepschrift dat te laat is ingediend - maar dat betrekking heeft op een beslag dat nog steeds ligt - zal het college niet ontvankelijk verklaren, tenzij hij van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.Een beroepschrift dat in verband met te late indiening niet-ontvankelijk is verklaard, zal het college ambtshalve in behandeling nemen. De ontvanger schort in het algemeen eveneens de verkoop op - ongeacht de eventuele wettelijke noodzaak daartoe - als een tijdig ingediend beroepschrift niet op alle inbeslaggenomen zaken betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.Als de belanghebbende zich met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, dan wijst de ontvanger de belanghebbende op de mogelijkheid een beroepschrift tot het college te richten. Als de ontvanger in dit stadium met de belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de ontvanger een beslag niet opheft dan na overleg met het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.7.Beslissing college op het beroepschrift tegen een bodembeslag 22.8.Het college motiveert de beslissing ook als sprake is van een te laat ingediend beroepschrift. Het college zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. De ontvanger draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. Voor de betekening van de beslissing van het college worden geen kosten in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij door het college rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en zo nodig aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van het college betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.Als het gewenst is dat de zaken - in afwachting van de beslissing op het beroepschrift - spoedig worden verkocht, dan kan de ontvanger na overleg met het college erin toestemmen dat de verkoop door de derde gebeurt mits de opbrengst - die in de plaats van de zaken treedt - in afwachting van de beslissing bij de ontvanger wordt gedeponeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.8.Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag 22.8.De situatie kan zich voordoen dat de ontvanger uit het ingediende bezwaarschrift niet kan opmaken of is beoogd administratief beroep in te stellen op grond van artikel 22 eerste lid, van de wet dan wel verzet aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid, Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.Als dat het geval is, nodigt de ontvanger de derde uit zich daarover binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.9.Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag 22.8.Als de derde zowel een beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet indient als een schriftelijke mededeling doet als bedoeld in artikel 435, derde lid, Rv, dan zendt de ontvanger eerst het beroepschrift ter behandeling aan het college, voordat hij het verzet ex artikel 435, derde lid, Rv behandelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.10.Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet 22.8.Bij de beslissing van het college op een beroepschrift dat is 22.8.ingediend tegen de inbeslagneming van bodemzaken voor 22.8.belastingaanslagen als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet, wordt 22.8.het eigendomsrecht van een derde ontzien in die gevallen waarin sprake is 22.8.van eigendom van de derde.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.11.Beëindiging operationele lease-overeenkomst 22.8.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">22.8.12.Executie en bodemrecht 22.8.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel22bisMededeling Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel22aen artikel 23 Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel23a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel24</span><span class=\"lf-art-t\">Verrekening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel24van de wet regelt de verrekening door de ontvanger van in te vorderen en uit te betalen bedragen. Bij de verrekening mag de ontvanger geen gebruik maken van de algemene verrekeningsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Tijdens faillissement, surseance en wettelijke schuldsanering geldt artikel 24 van de wet niet; dan zijn de artikelen 53 tot en met 56, 234, 235 en 307 van de FW van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 24 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: wanneer verrekening; betwiste schuld en verrekening; reikwijdte van de verrekening; bekendmaking verrekening; instemmingsregeling bij cessie en verpanding.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.1.Wanneer verrekening De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al dan niet tot verrekening wordt overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de belastingschuldige de ontvanger verzoekt een bepaalde belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag met een bepaalde openstaande aanslag of andere vordering te verrekenen, dan willigt de ontvanger dit verzoek altijd in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan nog voordat de teruggaaf is geformaliseerd of het uit te betalen bedrag is vastgesteld. In dat geval schort de ontvanger de invordering echter niet zonder meer op. Zo nodig kan de belastingschuldige om uitstel van betaling in verband met de te verwachten teruggaaf respectievelijk het te verwachten uit te betalen bedrag verzoeken (zie artikel 25.3 van deze leidraad).</p>\n<p class=\"lf-p\">24.1.1.Verrekening voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en beslagvrije voet Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.2.Betwiste schuld en verrekening In het algemeen gaat de ontvanger niet tot verrekening over met een te betalen bedrag dat de belastingschuldige betwist en waarvoor de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend op grond van artikel 25.2 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan wel verrekenen als de financiële situatie van de belastingschuldige zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.3.Reikwijdte van de verrekening Ondanks het feit dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen niet automatisch verrekend met aanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit laat onverlet dat de ontvanger bevoegd is om in gevallen zoals omschreven in artikel 19, tweede lid, van de wet binnen de betalingstermijn te verrekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een belastingaanslag waarvan een betalingstermijn van een termijnbetaling is verstreken, kan de ontvanger alleen verrekenen voor zover de termijn is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop maakt de ontvanger een uitzondering als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet. Dan is verrekening mogelijk met alle termijnen van de voorlopige aanslag vanaf het moment dat zich één van de genoemde situaties voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering aan de ontvanger is opgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.4.Bekendmaking verrekening Verrekening van een uit te betalen bedrag door de ontvanger gebeurt bij beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekendgemaakt door toezending of uitreiking van een kennisgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.5.Verrekening en fiscale eenheid vennootschapsbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.Instemmingsregeling bij cessie en verpanding 24.6.1.Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding 24.6.In artikel 24, vierde lid, van de wet is een instemmingsregeling opgenomen die verrekening uitsluit als de ontvanger instemt met cessie (artikel 3:94 BW) of stille verpanding (artikel 3:239 BW) van een uit te betalen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.Als de ontvanger niet heeft ingestemd, kan hij tot verrekening met openstaande schulden overgaan ook al is de cessie of verpanding aan hem meegedeeld. De ontvanger verrekent het uit te betalen bedrag met de belastingschulden die openstaan op het moment van formalisering van het uit te betalen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.Bij openbare verpanding van een uit te betalen bedrag geldt geen instemmingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.2.Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen 24.6.Cessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk mits dit bedrag voldoende bepaald is omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.Stille verpanding is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen van de belastingaanslag of de teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is op zijn vroegst het geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de teruggaaf betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.3.Instemming of weigering met een cessie of verpanding 24.6.De weigering van een instemming met de cessie of verpanding heeft betrekking op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet gedeeltelijk verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen bedrag in gedeelten te cederen of te verpanden. De ontvanger moet dan bij iedere cessie of verpanding afzonderlijk beoordelen of hij daarmee instemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de cessie of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden verrekend. De weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze aanslag wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen bij een belastingschuldige die bekend staat als een notoir slechte betaler.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in een belastingaanslag. De ontvanger is verplicht met een cessie of verpanding in te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de derde - in dit geval de pandhouder of cessionaris - bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de mogelijkheid wordt gewezen bij het college beroep in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.4.Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb 24.6.Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet geldt met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, dat de ontvanger de indiener verzoekt het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.5.Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpanding 24.6.De beschikking van het college op het beroepschrift wordt bekend gemaakt door toezending of uitreiking van de beschikking aan zowel de belastingschuldige als de derde, in dit geval de pandhouder of cessionaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.6.Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding 24.6.De belastingschuldige kan zich tot de voorzieningenrechter wenden met het verzoek de ontvanger te verbieden de instemming te weigeren. Totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, gaat de ontvanger niet tot verrekening over.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.Als de rechter het verzoek afwijst, dan verrekent de ontvanger niet eerder dan nadat veertien dagen zijn verstreken na de dag van de uitspraak, tenzij tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.Als de rechter het verzoek ook in hoger beroep afwijst, verrekent de ontvanger niet eerder dan nadat de uitspraak in hoger beroep onherroepelijk vaststaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel25</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstel van betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger - onder door hem te stellen voorwaarden - uitstel van betaling verlenen aan de belastingschuldige voor (een gedeelte van) een opgelegde belastingaanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan de ontvanger ook ambtshalve uitstel van betaling verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan een verleend uitstel van betaling bij beschikking tussentijds beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 25 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid; uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag; uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag; uitstel in verband met betalingsproblemen; betalingsregeling voor particulieren; betalingsregeling voor ondernemers; administratief beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.Algemene uitgangspunten uitstelbeleid 25.1.1.Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstel 25.1.Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.2.Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling 25.1.Bij toewijzing van het verzoek vermeldt de ontvanger de voorwaarden waaronder hij uitstel van betaling verleent in de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.3.Redenen afwijzing verzoek om uitstel 25.1.Een verzoek om uitstel van betaling wordt in ieder geval afgewezen als: de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is; onjuiste gegevens worden verstrekt; de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de ontvanger daartoe gestelde termijn zijn verstrekt. Als de verstrekte gegevens onvolledig zijn, stelt de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen twee weken te verstrekken; de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.1, 25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad); de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te betalen; de berekende betalingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden; de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger onaanvaardbare termijn uitstrekt; de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling volgens de ontvanger geen uitkomst zal bieden; sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden betaald. voor zover de aanslag betrekking heeft op: leges niet zijnde bouwleges en parkeerbelastingen; voor zover het een bezwaar betreft dat direct of indirect gericht is tegen een onherroepelijk vaststaande WOZ-beschikking; indien de belastingschuldige reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen; indien ter zake van de aanslag reeds een beslagopdracht naar de belastingdeurwaarder is uitgegaan dan wel door de belastingdeurwaarder reeds beslag is gelegd; in geval van een vordering op grond van artikel 19 van de wet; het in bezwaar betwiste bedrag minder dan € 50,-- bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te laten brengen voordat hij het verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden worden genoemd; er kan niet worden volstaan met het noemen van de voornaamste afwijzingsgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.4.Redenen beëindigen uitstel 25.1.Het uitstel wordt in ieder geval beëindigd als: niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is verleend; tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens zijn verstrekt; de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen; de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de ontvanger onjuist is het uitstel te continueren; de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is; zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 10 van de wet en de ontvanger van mening is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt; belastingschuldige in staat van faillissement wordt verklaard, hem surseance van betaling wordt verleend of hij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn 25.1.Als de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn niet nakomt, kan de ontvanger alvorens hij de regeling beëindigt, de belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen tien dagen de achterstand te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.6.Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel 25.1.Als de ontvanger uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip en dit tijdstip is verstreken, dan is daardoor het uitstel van rechtswege vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.Als het verzoek om uitstel van betaling schriftelijk is ingediend, stelt de ontvanger de belastingschuldige van het vervallen van het verleende uitstel schriftelijk op de hoogte onder opgaaf van reden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.7.Geen invordering tijdens verleend uitstel 25.1.Tenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de ontvanger voor een belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling heeft verleend, geen invorderingsmaatregelen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.8.Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd 25.1.Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uitstel beëindigt, of als het college afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien dagen niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad. Verder geldt deze termijn niet als een executieverkoop wordt opgeschort en in verband daarmee uitstel van betaling is verleend in samenhang met een prolongatieovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.9.Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag 25.1.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.10.Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten 25.1.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.11.Uitstel voor een bestuurlijke boete 25.1.De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.De ontvanger verleent ook uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en de bedragen van die belastingaanslag en die van de boetebeschikking op één aanslagbiljet zijn vermeld. De ontvanger verleent dit uitstel niet als uit het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zich niet richt tegen de bestuurlijke boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.Aan het uitstel kan de ontvanger voorwaarden verbinden die ertoe strekken de belangen van de gemeente veilig te stellen. De ontvanger verleent het uitstel tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.12.Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen 25.1.Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.13.Zekerheid bij uitstel 25.1.De ontvanger kan bij het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde stellen dat de belastingschuldige of een derde zekerheid stelt. Bij het stellen van zekerheid gaat de voorkeur uit naar zekerheden die op eenvoudige wijze kunnen worden gesteld, bewaakt en uitgewonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar vanwege de aard van deze zekerheid. De ontvanger aanvaardt een bezitloze verpanding van voorraden slechts als aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden betaald en andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.14.Tijdstip indiening verzoek om uitstel 25.1.De ontvanger neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de invordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden executoriale verkoop heeft plaatsgevonden, of als publicatie daarvan niet meer is te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om uitstel mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt uiteraard niet de termijn van tien dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag aanvangen of voortzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.De ontvanger willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als de belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.15.Verzoekschriften aan andere instellingen 25.1.De ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de gemeentelijke ombudsman.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de ontvanger toch invorderingsmaatregelen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag 25.2.1.Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag 25.2.De belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag door middel van een bezwaarschrift kenbaar maken. Een in verband daarmee gevraagd uitstel van betaling kan de ontvanger verlenen tot het moment waarop de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift doet. Onder een bezwaarschrift wordt ook begrepen een door de belastingschuldige ingediend (hoger) beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid heeft uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige bestreden deel van de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.2.Bezwaarschrift geldt als verzoek om uitstel; beroepschrift niet 25.2.Voor het bestreden bedrag van een aanslag moet de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift en een ingesteld beroep of beroep in cassatie tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen bij de ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Als de belastingschuldige bij de ontvanger een verzoek om uitstel indient in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift, dan licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt dit verzoek ook aangemerkt als een pro-formabezwaarschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.2.a.Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift 25.2.Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de ontvanger in verband met een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag dan moet hij in het verzoek het bestreden bedrag van de aanslag en de berekening van dat bedrag vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.2.b.Nadere gegevens 25.2.De ontvanger kan aan de belastingschuldige nadere gegevens vragen ter bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag. De ontvanger geeft de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand vanaf de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. De invordering wordt voor die termijn geschorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Hetgeen in dit artikel is vermeld is van overeenkomstige toepassing op een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling opgenomen in het bezwaarschrift zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Ook is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing op een door de belastingschuldige bij de ontvanger ingediend verzoek om uitstel in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift. In dit laatste geval licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt het verzoek tevens aangemerkt als een pro forma bezwaarschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Als sprake is van een verzoek om uitstel in verband met een ingediend beroepschrift, dient tevens een kopie van het beroepschrift te worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.3.De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling 25.2.In het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling in verband met een bezwaarschrift toe als aan de in de artikelen 25.2.2, 25.2.2.A en 25.2.2.B gestelde eisen is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.4.Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure 25.2.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.5.Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar 25.2.Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In beginsel vraagt de ontvanger alleen zekerheid, als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn daartoe aanleiding geven. Bij zijn beslissing houdt de ontvanger ook rekening met het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.6.Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld 25.2.Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet onherroepelijk vaststaat, treft de ontvanger voor de betwiste belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Als echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de gemeente of de belangen van de belastingschuldige door het achterwege laten van onherroepelijke invorderingsmaatregelen worden geschaad, dan kan de ontvanger die maatregelen wel treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Het leggen van beslag dat feitelijk dienst doet als een bewaringsmaatregel geldt niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Voor een belastingschuldige die in het buitenland woont, past de ontvanger op de hiervoor bedoelde betalingscapaciteit het percentage toe dat in artikel 1 van de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bijlage bij die regeling is opgenomen voor het woonland van de belastingschuldige. Eventuele periodieke inkomsten die de belastingschuldige uit zijn woonland geniet, telt de ontvanger op bij de aldus berekende betalingscapaciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.7.Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar 25.2.Als de ontvanger uitstel heeft verleend, blijft verrekening van het bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of andere uit te betalen bedragen achterwege, in afwachting van de uitspraak op het bezwaarschrift, tenzij anders is bepaald in deze leidraad onder artikel 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Ook kan hiervan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldige zodanig is - bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van diens onderneming in relatie tot de hoogte van de (bestreden) belastingschuld - dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en verder niet voldoende zekerheid is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de belastingschuldige in bij de bekendmaking van de beschikking omtrent zijn beweegredenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.7a.Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel 25.2.Als de ontvanger bij het verlenen van uitstel geen nadere voorwaarden heeft gesteld, kan hij uiterlijk binnen 4 maanden vanaf de datum dat het uitstel is verleend voor het ingediende bezwaarschrift schriftelijk aan de belastingschuldige nadere voorwaarden stellen. Hierbij kijkt de ontvanger of de looptijd voor het afdoen van het bezwaarschrift in relatie tot de hoogte van het bestreden bedrag van de aanslag daartoe aanleiding geeft. Voor de beoordeling of hij zekerheid verlangt voor de bestreden belastingschuld, past de ontvanger de in artikel 25.2.5 van deze leidraad opgenomen voorwaarden toe. Indien de belastingschuldige tijdig voldoet aan deze voorwaarden, continueert de ontvanger het uitstel. De ontvanger trekt het uitstel in als de belastingschuldige niet aan deze voorwaarden voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.8.Geen uitstel voor het niet bestreden bedrag 25.2.Als sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een belastingaanslag, dan verleent de ontvanger uitstel onder de opschortende voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per omgaande dan wel tijdig wordt betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Als niet per omgaande dan wel niet tijdig wordt betaald, wordt de invordering zonder nadere aankondiging voor de gehele belastingaanslag aangevangen dan wel voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar neemt de ontvanger pas in behandeling als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.9.Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag 25.2.De ontvanger trekt het uitstel van betaling in, als dit is verleend in verband met bezwaar voor het volledige bedrag van de belastingaanslag en later blijkt dat het bezwaar slechts betrekking heeft op een gedeelte van dat bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.De ontvanger deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar pas in behandeling neemt, als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag tijdig is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 25.3.1.Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen 25.3.Als binnen afzienbare tijd een door de ontvanger uit te betalen bedrag wordt verwacht, kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen tot het moment waarop hij dit uit te betalen bedrag kan verrekenen met de belastingaanslag waarvoor uitstel wordt gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf als: het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt verwacht is afgelopen; en de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend; en over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingplichtige geen verschil van mening bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.2.Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel 25.3.Bij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen bedrag zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd, verleent de ontvanger uitstel om de verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog zijn verzoek (nader) te motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.De ontvanger verleent dit uitstel voor ten hoogste één maand na de dagtekening van de uitstelbeschikking. De ontvanger kan voor een langere periode uitstel verlenen als hij dit redelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.Als na het verstrijken van de gestelde termijn het verzoek niet (nader) is gemotiveerd, is het uitstel vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.3.Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag 25.3.De ontvanger beslist - onder door hem te stellen voorwaarden - in het algemeen positief op een volledig gemotiveerd verzoek om uitstel van betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het te verrekenen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te verrekenen bedrag moet de belastingschuldige tijdig betalen. De ontvanger kan echter een betalingsregeling toestaan als daartoe aanleiding bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.4.Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 25.3.Uit te betalen bedragen waarop het uitstel geen betrekking heeft, verrekent de ontvanger met de openstaande belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.Als volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct gevaar loopt als gevolg van een eventuele verrekening van teruggaven en niet hoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld, dan kan hij deze teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.Uitstel in verband met betalingsproblemen 25.4.1.Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen 25.4.Als de belastingschuldige de belasting - geheel of gedeeltelijk - niet binnen de wettelijke betalingstermijnen kan voldoen, kan de ontvanger aan de belastingschuldige op diens verzoek een betalingsregeling toestaan. De ontvanger kan daarbij voorwaarden stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de omstandigheden van dat moment een rol. Als de belastingschuldige in het verleden bijvoorbeeld niet heeft gereserveerd voor redelijkerwijs voorzienbare schulden of nalatig is geweest bij het doen van aangiften of betalingen, kan dit een rol spelen bij het toestaan en verlengen van een betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een betalingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.De ontvanger kan een betalingsregeling weigeren als de betalingsproblemen zijn terug te voeren op structurele problemen of activiteiten die geen perspectief bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.2.Uitstel en motorrijtuigenbelasting 25.4.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.3.Verrekening tijdens een betalingsregeling 25.4.Tijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar aanleiding toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van bepaalde teruggaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.4.Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance 25.4.Faillissementsschulden en belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, moet de ontvanger op de gebruikelijke wijze bij de curator dan wel de bewindvoerder aanmelden. Voor deze schulden treft de ontvanger geen betalingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.Zo lang onzeker is of alle boedelschulden uit de boedel kunnen worden voldaan kan de ontvanger voor de betaling daarvan uitstel verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.De ontvanger kan tijdens een surseance van betaling op verzoek van de bewindvoerder uitstel van betaling verlenen voor de belastingschuld die voor de aanvang van de surseance materieel verschuldigd is geworden. De ontvanger stelt daarbij de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende verplichtingen stipt nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.De ontvanger kan ook tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder de gebruikelijke voorwaarden uitstel van betaling verlenen voor belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.Als voor belastingaanslagen zekerheid is gesteld, wint de ontvanger deze uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de bewindvoerder over de wijziging in de hoogte van de belastingschuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.Betalingsregeling voor particulieren 25.5.1.Duur betalingsregeling particulieren 25.5.De ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste twaalf maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de belastingschuldige een langere termijn gunnen dan twaalf maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.Indien uit het verzoek om uitstel blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Artikel 26.1.2 is in deze situatie niet van toepassing indien en voorzover de belastingschuldige gebruik maakt van het daartoe ingestelde verzoekformulier voor uitstel van betaling en hij dit formulier volledig invult.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.2.Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren 25.5.De ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het verlenen van een betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen - tijdig worden nagekomen. De ontvanger kan echter op verzoek van de belastingschuldige toestaan dat nieuwe belastingaanslagen, waarvan het ontstaan of onbetaald laten niet aan de belastingschuldige kan worden toegerekend, in een bestaande betalingsregeling worden opgenomen. Voorwaarde is dat de belastingschuldige zijn gehele betalingscapaciteit al heeft ingezet in het kader van de bestaande betalingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen zekerheid eisen als de aard en de omvang van de schuld in relatie tot de uitsteltermijn en de bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor het eisen van zekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.3.Kort uitstel particulieren 25.5.Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder nader onderzoek een betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 1.000,-- . Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend; vervallen Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente;</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor een hernieuwd bevel van betaling is betekend door de belastingdeurwaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.4.Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren 25.5.In andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad, gaat de ontvanger aan de hand van de daartoe door de verzoeker verstrekte gegevens over tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de vermogenspositie. De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze leidraad is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.Voor de berekening van de betalingscapaciteit vraagt de ontvanger zo nodig nadere gegevens bij de verzoeker op. Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger uit van de begrippen en normen die gelden bij het kwijtscheldingsbeleid, behalve voor zover daarvan in de artikelen 25.5.6 tot en met 25.5.9 van deze leidraad wordt afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.Ook met betrekking tot het vermogen gaat de ontvanger uit van het vermogensbegrip zoals dat geldt in de kwijtscheldingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.5.Vermogen en betalingsregeling particulieren 25.5.De aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het verzoek staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt met name indien het vermogen zonder bezwaar liquide is te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.Het vermogen dat onder het kwijtscheldingsbeleid voor particulieren is vrijgesteld, staat een betalingsregeling echter niet in de weg. Onder vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de belastingschuldige en diens echtgenoot, verminderd met de schulden die een hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.6.Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren 25.5.Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als gedurende de looptijd van de betalingsregeling. De betalingscapaciteit van de belastingschuldige die door de ontvanger wordt berekend, bepaalt in belangrijke mate het bedrag dat de belastingschuldige (periodiek) op de achterstallige schuld moet aflossen. De betalingscapaciteit geeft ook aan in hoeverre een betalingsregeling zinvol is.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.Bij de berekening van de betalingscapaciteit gaat de ontvanger met betrekking tot de huur- en hypotheekverplichtingen voor de woning waarin de belastingschuldige feitelijk verblijft uit van de werkelijke uitgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.De betalingscapaciteit bestaat uit het netto besteedbaar inkomen na aftrek van het normbedrag voor levensonderhoud. Voor de betalingsregeling eist de ontvanger 80% van de betalingscapaciteit op.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.7.Berekening betalingscapaciteit: bijzondere uitgaven 25.5.De ontvanger kan - afhankelijk van de concrete situatie van de belastingschuldige en zijn gezin - bepaalde aanvaardbare uitgaven op de berekende betalingscapaciteit in mindering brengen. Het moet dan gaan om uitgaven die samenhangen met de maatschappelijke positie van de belastingschuldige, en die naar het oordeel van de ontvanger niet in redelijkheid kunnen worden betaald uit het normbedrag voor levensonderhoud en 80% van de betalingscapaciteit (de uitvoeringstolerantie).</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.8.Berekening betalingscapaciteit: aflossingsverplichtingen aan derden 25.5.In het algemeen blijven bij de berekening van de betalingscapaciteit de aflossingsverplichtingen aan derden buiten beschouwing. De ontvanger kan een uitzondering maken voor aflossingen op schulden waarvan het niet-betalen tot ongewenste effecten kan leiden, of waaraan een preferentie is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.9.Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten 25.5.Bij de berekening van de betalingscapaciteit houdt de ontvanger slechts rekening met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt dan wel zou moeten plaatsvinden in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.10.Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor 25.5.Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een betalingsregeling voorstelt waarbij de schuld binnen twaalf maanden wordt afbetaald en deze regeling afwijkt van hetgeen de ontvanger heeft berekend, dan hoeft een niet al te grote afwijking niet te leiden tot afwijzing van het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld voor de ontvanger niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling wel ingewilligd kan worden, dan deelt de ontvanger onder afwijzing van het verzoek de belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.11.Betalingsregeling langer dan twaalf maanden 25.5.Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij regelingen tot en met twaalf maanden, is van overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan twaalf maanden duurt. Hierbij moet in acht worden genomen dat de belastingschuldige zijn van de kwijtscheldingsnormen afwijkende uitgaven - waaronder ook de huur of de hypotheeklasten - in de eerste twaalf maanden van de betalingsregeling zodanig moet verminderen, dat na de twaalfde maand zoveel mogelijk de volledige betalingscapaciteit die aan het kwijtscheldingsbeleid is ontleend, kan worden benut om de schuld te voldoen. De ontvanger sluit met de betalingsregeling hier op aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.Betalingsregeling voor ondernemers 25.6.1.Duur betalingsregeling ondernemers 25.6.Een betalingsregeling moet een zo kort mogelijke periode beslaan. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de liquiditeits- en de vermogenspositie van de onderneming en het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden niet te boven gaan, gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de belastingaanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.2.Voorwaarden betalingsregeling ondernemers 25.6.Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen - bijhoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.Bovendien stelt de ontvanger de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld (zie artikel 25.1.13 van deze leidraad). De hoogte van de zekerheid moet gelijk zijn aan de schuld waarvoor uitstel wordt verzocht. De ontvanger kan zekerheid stellen door het leggen van beslag (on)roerende zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.2a.Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers 25.6.In bijzondere omstandigheden kan de ontvanger desgevraagd uitstel voor een langere periode verlenen of zonder dat voor het volledige bedrag zekerheid is gesteld. Daartoe moet de ondernemer aan de hand van een door een derde deskundige opgestelde verklaring (zie artikel 25.6.2B) het voor de ontvanger aannemelijk maken dat: het gaat om werkelijk bestaande betalingsproblemen; die betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn; die betalingsproblemen voor een bepaald tijdstip zullen worden opgelost; en dat er sprake is van een levensvatbare onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.De ontvanger kan bij het verlenen van dit uitstel nadere voorwaarden stellen. Om bij onvoorziene tegenslagen de mogelijke verliezen voor de gemeente te beperken, wordt zoveel als mogelijk door de ontvanger zekerheid verlangd. De zekerheid kan ook omvatten een beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.2b.Verklaring van een deskundige 25.6.De verklaring van een derde deskundige bevat een beoordeling van de aard van de betalingsproblemen, gaat in op de aannemelijkheid van de bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming, de haalbaarheid van het in de toekomst inlopen van de betalingsachterstand en geeft blijk van de waarneming van de aan dat oordeel ten grondslag liggende feiten en omstandigheden door de deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.Aan de derde deskundige worden geen formele eisen gesteld. Het kan bijvoorbeeld gaan om een externe consultant, een externe financier, een brancheorganisatie of de (huis)accountant. De ontvanger kan aan de verklaring van de derde deskundige ook eisen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.2c.Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen als al kort uitstel is verleend 25.6.De ontvanger verleent in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel is gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.6.2D is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of is beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.2d.Kort uitstel van betaling voor ondernemers 25.6.Ondernemers kunnen zonder nader onderzoek of schriftelijk of telefonisch verzoek kort uitstel van betaling krijgen. Dit uitstel bedraagt maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.De voorwaarden die de ontvanger stelt aan dit uitstel zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 1.000,--. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er staan ten name van de belastingschuldige geen belastingaanslagen open waarvoor dwangbevelen zijn betekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er staat geen vergrijpboete open.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere aanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend. niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen sprake van een aangifteverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.3.Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers 25.6.Voor ex-ondernemers is het uitstelbeleid van toepassing zoals dat geldt voor particulieren, ook als de belastingschuld betrekking heeft op de ondernemingsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6.4.Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie 25.6.Als het de ontvanger bekend is dat van overheidszijde een onderzoek wordt ingesteld naar de mogelijkheid van subsidie- of steunverlening om de schuld te voldoen of een sanering mogelijk te maken, dan verleent de ontvanger uitstel van betaling als hij de verwachting heeft dat het verzoek door de (potentiële) subsidiënt zal worden gehonoreerd. De belastingschuldige moet dan wel aan de lopende verplichtingen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.Administratief beroep 25.7.1.Toetsing uitstelbeschikking door het college 25.7.Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst of een verleend uitstel beëindigt, kan de belastingschuldige daartegen administratief beroep instellen bij het college. De belastingschuldige moet het beroepschrift indienen bij de ontvanger die de beschikking heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel is toegewezen. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden geschaad, kan hij ondanks de behandeling van het beroep wel invorderingsmaatregelen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.2.Beroepsfase uitstel 25.7.Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.3.Beslissing college op beroepschrift bij uitstel 25.7.In alle gevallen waarin het college het beroep gegrond oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen, hetzij door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.4.Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel 25.7.De belastingschuldige kan beroep instellen bij het college tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger uitstel van betaling had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.5.Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de ontvanger 25.7.Als de belastingschuldige bij de ontvanger bezwaar maakt tegen de beslissing op het verzoek om uitstel of voor dezelfde belastingschuld een herhaald verzoek om uitstel indient, dan merkt de ontvanger dit aan als een beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.Als de ontvanger op dat moment aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen, geeft hij echter een nieuwe beschikking. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep gaan bij het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel25a</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstel van betaling exitheffingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">25a.1.Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel26</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding van belastingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27</span><span class=\"lf-art-t\">Verjaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op afdeling 4.4.3 (artikelen 4:104 tot en met 4:111) Awb regelt artikel 27 van de wet enkele specifieke (aanvullende) zaken met betrekking tot verjaring:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat stuiting van de verjaring door de ontvanger mogelijk is door het zenden van een schriftelijke mededeling waarin het recht op betaling ondubbelzinnig wordt voorbehouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>als de belastingschuldige heeft opgehouden te bestaan (oftewel: de onderneming bestaat niet meer) en er is iemand aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld, dan treedt de aansprakelijkgestelde in de plaats van de belastingschuldige (oftewel: in dat geval kan ook de aansprakelijkheids-schuld zelfstandig worden gestuit of verlengd).</div>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op afdeling 4.4.3 van de Awb en artikel 27 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: versnelde invordering en verjaring; aansprakelijkgestelden en verjaring; stuiting van de verjaring; schorsing van de verjaring; afstand van verjaring; rente en kosten en verjaring; verjaring van belastingteruggaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.1.Versnelde invordering en verjaring Als de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van de wet begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat de belastingaanslagen onmiddellijk en tot het volle bedrag invorderbaar werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor de verjaring geen belang meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.2.Aansprakelijkgestelden en verjaring Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag terzake waarvan aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.3.Stuiting van de verjaring Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in over het doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden betekend. Als de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling stuit door een schriftelijke mededeling, maakt hij die schriftelijke mededeling bekend aan de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.4.Schorsing van de verjaring Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.5.Afstand van verjaring Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De ontvanger beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als zonder meer duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk bedoelt afstand van de verjaring te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.6.Rente en kosten en verjaring De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de belastingaanslag verbonden. Als voor een belastingaanslag de verjaring is ingetreden, laat de ontvanger dus ook voor de rente en kosten invordering en verrekening achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.7.Na verjaring geen civiele invordering Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de mogelijkheid om in te vorderen door middel van een dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.8.Verjaring van belastingteruggaven Voor de verjaring van belastingteruggaven geldt eenzelfde verjaringstermijn als voor belastingschulden. Na verjaring ontstaat een natuurlijke verbintenis. De ontvanger zal een beroep op de verjaring doen, tenzij hij gerede twijfel heeft of de belastingaanslag aan de belastingschuldige is bekendgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27a</span><span class=\"lf-art-t\">Betalingskorting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28</span><span class=\"lf-art-t\">Invorderingsrente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel28van de wet regelt het in rekening brengen en vergoeden van invorderingsrente.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 28 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: correctie berekende invorderingsrente; vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente; verzuim van de gemeente en invorderingsrente; rente- of schadevergoeding; kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk; verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.1.Cheque buitenland en invorderingsrente Vervallen per 1 januari 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.2.Correctie berekende invorderingsrente De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag waaraan een nieuwe dagtekening wordt toegekend die leidt tot een ander aanvangstijdstip voor de renteberekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.3.Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente Als de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente in rekening brengt, kan er slechts in uitzonderlijke situaties aanleiding bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan van mening zijn dat het niet tijdig voldoen van de belastingschuld niet kan worden verweten aan de belastingschuldige en bovendien dat de invordering van rente onredelijk en onbillijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift de verschuldigde rente verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.4.Verzuim van de gemeente en invorderingsrente Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.5.Rente- of schadevergoeding Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.6.Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De ontvanger doet ook geen toezegging dat de rente niet zal worden ingevorderd. Dit laat onverlet dat de ontvanger kwijtschelding verleent of rente buiten invordering laat, als hij de hoofdsom kwijtscheldt of buiten invordering laat op grond van het bepaalde in artikel 26 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.8.Drempelbedrag Rentebedragen van € 23,-- of minder worden bij een slotbetaling op een belastingaanslag niet in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel28a,b en c Er zijn in deze leidraad op artikel 28 a, b en c van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in deze leidraad op artikel 29 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30</span><span class=\"lf-art-t\">Beschikking betalingskorting en invorderingsrente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel30van de wet bepaalt dat de ontvanger het bedrag van de betalingskorting en de invorderingsrente vaststelt bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Op deze beschikking is hoofdstuk V van de AWR van toepassing. De gemeentelijke ontvanger kan geen betalingskorting verlenen van belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: beschikking terug te nemen betalingskorting; verzoek tot vermindering rente is bezwaar; betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie; teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling; geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.1.Beschikking terugnemen betalingskorting Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.2.Verzoek tot vermindering rente is bezwaar Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.3.Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken 2005, met dien verstande dat de ontvanger in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de regeling betalingskorting dan wel invorderingsrente relevant zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.4.Teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling Het beleid omtrent teruggenomen betalingskorting is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel van betaling wordt verzocht is het beleid van artikel 25 van deze leidraad en artikel 34 van de regeling van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.5.Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel31en artikel 31a Let op!</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een regeling vaststellen waarbij de ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de wet (de Uitvoeringsregeling invorderingswet 1990) niet, dan wel gedeeltelijk van toepassing is verklaard. De gemeente heeft de bevoegdheid zelfstandig regels te stellen voor de, bij de berekening van de invorderingsrente, toe te passen afrondingen en voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente die een bepaald bedrag niet te boven gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder zijn in deze leidraad op de artikelen 31 en artikel 31a van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel32van de wet bepaalt dat naast de aansprakelijkheidsbepalingen die in hoofdstuk VI van de wet zijn opgenomen, de ontvanger ook een beroep kan doen op aansprakelijkheidsbepalingen in andere wettelijke regelingen. De ontvanger kan dus ook een beroep doen op aansprakelijkheidsbepalingen uit bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Koophandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: keuze aansprakelijkheid; gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">32.1.Keuze aansprakelijkheid In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat, wordt in beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijke in de gelegenheid is zich te disculperen.</p>\n<p class=\"lf-p\">32.2.Gemeenschapsschulden De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een gemeenschapsschuld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33</span><span class=\"lf-art-t\">Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel33van de wet bevat hoofdelijke aansprakelijkheidsregels die gelden voor de invordering van alle (rijks)belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regels dienen ertoe om, als op het in dit artikel genoemde lichaam geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor de nog verschuldigde belasting aan te spreken, die in een nauwe betrekking staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en invloed (hadden) kunnen uitoefenen op het betalen van de belastingschulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger; feitelijke vestiging; lichaam dat is ontbonden; vereffenaar; bestuurder; gewezen bestuurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.1.Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn dezelfde als bij de heffing van de diverse belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.2.Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid Het begrip 'gevestigd' in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.3.Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet doelt, kan - behalve op grond van de verschillende formele ontbindingsbepalingen - onder omstandigheden ook worden afgeleid uit handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende ontbinding - bedoeld in de vorige volzin - geacht zich te hebben voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg' maken van het lichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.4.Vereffenaar bij aansprakelijkheid Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet, maar ook degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een uitdrukkelijke lastgeving sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur in dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.5.Bestuurder bij aansprakelijkheid Voor de toepassing van artikel 33, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt als bestuurder niet alleen degene aangemerkt die als zodanig in het Handelsregister staat ingeschreven. Ook wordt als bestuurder aangemerkt degene die zich feitelijk als bestuurder heeft gedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.6.Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode materieel is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.7 Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordigers van dit lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover zij bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen te wijten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld, waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de nodige voorzieningen heeft getrokken om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan een plotselinge betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere gebeurtenis, bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke miscalculatie of door het faillissement van een belangrijke debiteur. Bij dit laatste geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf uitoefent op een te zwakke financiële basis zich niet gemakkelijk op niet-verwijtbaarheid zal kunnen beroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel34tot en met 47 Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel48</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel48van de wet regelt niet de aansprakelijkheid van de erfgenaam, maar geeft aan dat de erfgenaam - als rechtsopvolger van de erflater - niet voor alle belastingaanslagen voor het volle bedrag zal worden aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 48 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: beneficiaire aanvaarding; invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.1.Beneficiaire aanvaarding Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien verstande dat de ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging van zijn rechten (zie echter ook artikel 14.1.3 van deze leidraad).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.2.Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan € 23,-- moet worden ingevorderd achterwege, tenzij het de hoofdsom van de aanslag betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden buiten invordering te laten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel49</span><span class=\"lf-art-t\">Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel49van de wet regelt de formele bepalingen voor aansprakelijkstellingen. Het geeft aan op welke wijze een materiële aansprakelijkheid wordt omgezet in een formele aansprakelijkstelling. De bepalingen gelden niet alleen voor de in de wet opgenomen aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook voor de aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking, en wel afzonderlijk voor een ieder die aansprakelijk wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete; aansprakelijkstelling voor invorderingsrente; de aansprakelijkstelling - in gebreke zijn; informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid; informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden; eerst uitwinning belastingschuldige; volgorde van aansprakelijkstellen; bezwaar en uitstel van betaling; overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.1.Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete De ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de beschikking voor de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld bekendmaakt. De ontvanger moet dan in de beschikking de gronden vermelden waarop de aansprakelijkstelling voor de boete berust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, waarop het voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete berust, te betwisten of de ontvanger is van oordeel dat de betwisting van de aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de hoogte stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op de voet van artikel 49, eerste lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.2.Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet worden gebracht, dan wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag geen rente in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.2a.Vooraankondiging aansprakelijkstelling Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.3.De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn 49.3.1.Wanneer in gebreke 49.3.De belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn belastingschuld niet heeft plaatsgevonden binnen de betalingstermijn die voor de belastingaanslag geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.3.2.In gebreke zijn en versnelde invordering 49.3.De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de belastingaanslag op grond van artikel 10 van de wet terstond invorderbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.3.3.In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’ 49.3.Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft gestuurd waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen de belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de desbetreffende belastingschuld niettemin aansprakelijk worden gesteld, mits die mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.4.Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.5.Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de wet moet de ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt, behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Hieronder worden verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken moeten desgevraagd ook andere gegevens worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk gestelde - vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel artikel 49, zesde lid, van de wet betrekking heeft op de gegevens over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking hebben als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.6.Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning van de vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde, tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4, laatste volzin, van de leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.7.Volgorde van aansprakelijkstellen Als de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer dan één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de ontvanger verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van verschillende aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.8.Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling 49.8.1.Bezwaar en uitstel van betaling 49.8.Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling wordt tevens aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.8.Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.9.Overgangsrecht 49.9.1.Bij civiele procedure geen invordering of verrekening 49.9.Tijdens de civiele procedure volgend op een betwisting op grond van het tot 1 december 2002 geldende recht vinden geen invorderingsmaatregelen plaats. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kunnen wel conservatoire maatregelen worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.9.Eveneens vindt tijdens de civiele procedure geen verrekening plaats van uit te betalen bedragen ten name van de aansprakelijkgestelde met een aansprakelijkheidsschuld. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kan conservatoir beslag worden gelegd op het uit te betalen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.9.2.Wijziging eis 49.9.De ontvanger wijzigt zijn eis als in de fiscale procedure die de belastingschuldige voert een onherroepelijke uitspraak is gedaan met betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag die leidt tot aanpassing van het bedrag van de aansprakelijkheidsschuld, en artikel 50, zesde lid, van de wet (oud) van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel51</span><span class=\"lf-art-t\">Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet is niet van toepassing op een aansprakelijkgestelde. Wel heeft de ontvanger de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen op grond van artikel 51 van de wet met toepassing van de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 51 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">51.1.Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar Als er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijkgestelde verzoekt om uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de beschikking, dan verleent de ontvanger alleen uitstel van betaling als er zekerheid wordt gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel52</span><span class=\"lf-art-t\">Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 52, eerste lid, van de wet heeft de aansprakelijkgestelde een betalingstermijn van zes weken na dagtekening van de beschikking van de aansprakelijkstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft plaatsgevonden en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is ingediend, is het in de beschikking vermelde bedrag invorderbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 52 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over vermindering van de belastingaanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">52.1.Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit uit de vermindering en deelt dat mee aan de aansprakelijkgestelde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel53</span><span class=\"lf-art-t\">Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger heeft op grond van het bepaalde in artikel 53 recht om ook de regels voor de verrekening (artikel 24 van de wet met uitzondering van het derde lid) toe te passen voor een aansprakelijkgestelde. Dit leidt ertoe dat een openstaande aansprakelijkheidsschuld kan worden verrekend met een aan de aansprakelijkgestelde uit te betalen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aansprakelijkgestelde niet in staat is - anders dan met buitengewoon bezwaar - de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk is gesteld geheel of gedeeltelijk te voldoen, dan kan aan hem op verzoek ontslag van betalingsverplichting worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld; ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">53.1.Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">53.2.Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid De ontvanger verleent geen ontslag van betalingsverplichting als sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de aansprakelijk gestelde. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de regeling. De vraag of sprake is van verwijtbaarheid beoordeelt de ontvanger op basis van gedragingen van de aansprakelijk gestelde. Dit betekend dat als de aansprakelijkstelling van een bestuurder is gebaseerd op artikel 36, vierde lid, van de wet, het enkele feit dat het lichaam niet op de juiste wijze heeft gemeld niet in de weg hoeft te staan aan ontslag van betalingsverplichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel54</span><span class=\"lf-art-t\">Mededeling aan de aansprakelijkgestelde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel54van de wet regelt de uitbetaling van een teruggaaf aan de aansprakelijkgestelde die het gevolg is van een vermindering van de belastingaanslag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het aanhouden van de betaling van een teruggaaf bij aansprakelijkstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">54.1.Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf - als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet - aan gedurende vier weken na de dagtekening van de schriftelijke mededeling aan de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze periode kan de belastingschuldige - als de derde zich al voor de aansprakelijkheidsschuld op hem heeft verhaald - derdenbeslag leggen onder de ontvanger op het bedrag van de teruggaaf. In de derdenbeslagprocedure zal worden uitgemaakt aan wie de ontvanger het bedrag van de teruggaaf moet betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel55tot en met 57 Er zijn in deze leidraad op de artikelen 55 tot en met 57 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel58</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel58van de wet regelt de verplichting voor de belastingschuldige en de aansprakelijkgestelde tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen en het ter beschikking stellen van gegevensdragers die voor de invordering van de 'eigen' belastingschulden van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder regelt artikel 58 van de wet de identificatieverplichting tegenover de ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen' belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 58 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure; gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.1.Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure Het is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen instellen, nadat de rechter de ontvanger in de gelegenheid heeft gesteld bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde stellingen, indien en voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om dat bewijs te kunnen leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.2.Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.3.Invorderingsonderzoek tijdens faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel59</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 59 van de wet niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel59legt aan degene die de boekhouding of gegevens van de belastingschuldige of aansprakelijkgestelde (bij)houdt de verplichting op de gevraagde gegevens aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst te verstrekken. Het artikel kan op grond van artikel 246a van de Gemeentewet bij algemene maatregel van bestuur geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard voor gemeentelijke belastingen. In de betreffende algemene maatregel van bestuur, het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing (Stb. 1995, 346) is ten aanzien van de invordering geen bepaling opgenomen die overeenkomt met artikel 59. In artikel 7 van het Besluit gegevensverstrekking is alleen bepaald dat de rijksbelastingdienst desgevraagd gegevens en inlichtingen moet verstrekken over de inkomens- en vermogenspositie van de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belasting heeft gedaan op de voet van artikel 26 van de wet. Bij de beoordeling van een ingediend kwijtscheldingsverzoek kunnen de opgegeven inkomens- en vermogensgegevens worden geverifieerd bij de rijksbelastingdienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel60</span><span class=\"lf-art-t\">Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel60van de wet regelt de formele bepalingen voor de informatieverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 60 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van informatie; de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.1.Redelijke termijn voor verstrekken van informatie De ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de gegevensdragers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.2.Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt, herhaalt de ontvanger zijn verzoek en vordert hij op basis van artikel 60, eerste lid, van de wet correcte en concrete gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde eisen, beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint of de strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de belastingschuldige die niet voldoet aan de verplichting van artikel 60, tweede lid, van de wet, kan de ontvanger een verzuimboete als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet opleggen Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats. In uitzonderingssituaties kan de ontvanger toestaan dat de gegevens mondeling worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering zorgt de ontvanger voor een vastlegging van het gesprek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel61</span><span class=\"lf-art-t\">Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel61van de wet bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en 60 van de wet opgenomen verplichtingen dat niemand zich op geheimhouding kan beroepen, zelfs niet als die geheimhoudingsverplichting bij wettelijk voorschrift zou zijn opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 61 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">61.1.Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens De ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie van de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële gegevens gescheiden. Als het onvermijdelijk is dat de ontvanger privacygegevens onder ogen krijgt, vormt dit geen grond om de verstrekking van gegevens of de beschikbaarstelling van gegevensdragers te weigeren. De ontvanger is op grond van artikel 67, eerste lid, van de wet gehouden tot geheimhouding van die gegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel62</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverplichtingen van de administratieplichtige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 249 van de Gemeentewet is artikel 62 van de wet niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel62van de wet legt aan derden de verplichting op om gegevens en inlichtingen die voor de invordering van belang kunnen zijn te verstrekken aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst. In artikel 246a van de Gemeentewet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld om de artikelen 59 en 62 van de Invorderingswet 1990 geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren of een overeenkomstige bepaling vast te stellen. In de betreffende algemene maatregel van bestuur, het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing is ten aanzien van de invordering geen bepaling opgenomen die overeenkomt met artikel 62. In een aantal gevallen kunnen gemeenten echter toch gebruik maken van inlichtingen van derden. Het kan daarbij gaan om de volgende gevallen: -Verschaffing inlichtingen door de rijksbelastingdienst. De Staatssecretaris van Financiën heeft in onderdeel 2.1.1.3 van het Voorschrift informatieverstrekking 1993 bepaald dat aan gemeenten desgevraagd informatie wordt verstrekt voorzover die zijn belast met de uitvoering van de belastingwet of invordering op basis van de Invorderingswet 1990. Op grond van dit voorschrift kunnen aan de rijksbelastingdienst ten aanzien van een derde bijvoorbeeld gegevens over werkgevers of uitkerende instanties worden gevraagd indien een beslag op loon of uitkering wordt overwogen. Opgemerkt wordt dat het voorschrift geen wettelijke verplichting aan de rijksbelastingdienst oplegt tot het verstrekken van inlichtingen. -Inlichtingenplicht derden op grond van artikel 475g Rv.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62bis\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel62bis</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 62bis is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel62a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in deze leidraad op artikel 62a van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel63en 63a Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63 en 63a van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel63b</span><span class=\"lf-art-t\">In aansluiting op artikel 63b van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">algemene uitgangspunten; betalingsverzuim bij aanslagbelastingen; verplichtingen toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">63b.1. Algemene uitgangspunten Bij het opleggen van bestuurlijke verzuimboeten op grond van hoofdstuk VIIA van de wet zijn, naast de bepalingen van de AWR die in artikelen 63b van de wet worden genoemd, de voorschriften van titel 5.1 en titel 5.4 van de Awb van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zijn de algemene bepalingen van de Beleidsregels bestuurlijke boeten gemeentelijke belastingen van toepassing, voor zover deze een invulling geven aan het geldende wettelijke kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen Voor het opleggen van de boete wordt een systematiek gehanteerd waarbij de boete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zake van een verzuim als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de wet kan de ontvanger een boete opleggen van 5 procent van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting tot het wettelijk maximum van die bepaling. De boete wordt minimaal gesteld op € 50,--. In afwijking hiervan kan de ontvanger in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, eerste lid, van de wet genoemde maximum opleggen, zonder rekening te houden met de genoemde 5 procent. De opgelegde verzuimboete wordt niet verlaagd bij latere wijziging van het bedrag waarover de boete is berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een aanslag in meerdere termijnen betaald mag worden, kunnen er met betrekking tot die aanslag ook meerdere verzuimen als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de wet voorkomen. Als er meerdere dergelijke verzuimen zijn, zijn er even zoveel beboetbare feiten. Bij de bepaling van de hoogte van de boete vanwege een verzuim, houdt de ontvanger alleen rekening met de belasting die betrekking heeft op de desbetreffende betalingstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">63b.3. Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt Ter zake van het verzuim als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet kan de ontvanger een verzuimboete opleggen van 50 procent van het in dat artikel genoemde wettelijk maximum. In afwijking hiervan kan in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, tweede lid, van de wet genoemde maximum worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn verplichting voldoet. Dit kan een ander zijn dan de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 63c en 64 Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63c en 64 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel65</span><span class=\"lf-art-t\">Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het niet of niet correct nakomen van een verplichting tot het verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van gegevensdragers, kan sprake zijn van opzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet wordt de strafmaat voor dit strafbare feit gegeven. De beide straffen die in die leden zijn genoemd, kunnen cumulatief worden toegepast. Artikel 65a van de wet merkt dit strafbare feit aan als een misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van artikel 65 van de wet bevat de zogenaamde 'inkeerregeling':het recht op strafvervolging vervalt als een persoon tijdig tot inkeer komt en alsnog zorgt voor een juiste en volledige verstrekking van informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 65 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte opzetcriterium bij een misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">65.1.Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf De vereiste opzet voor de toepassing van artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet behoeft zich niet uit te strekken tot het feit dat te weinig belasting wordt ingevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel65aen artikel 66 Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en artikel 66 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel67</span><span class=\"lf-art-t\">Geheimhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel67van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen die bij ministeriële regeling (voor de gemeente geldt: bij besluit van het college) zijn aangewezen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan het college op grond van het derde lid ontheffing van de geheimhoudingsplicht verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf; informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">67.1.Bekendmaking aan de belastingschuldige De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens aan degene op wie zij betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Ook het verstrekken van informatie over belastingschulden zelf valt niet onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier mede worden verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of erfgenaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">67.2.Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering De geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de Invorderingswet 1990. Dat laatste moet ruim worden opgevat. Als bekendmaking van belang is voor de invordering van de verschuldigde belasting (aanslag) of een aansprakelijkheidsvordering (beschikking), kan de bekendmaking (aan derden) plaatsvinden zonder dat daarmee de geheimhoudingsplicht wordt geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">67.3.Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67a-100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel67a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in deze leidraad op artikel 67a van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel68tot en met 72 Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68 tot en met 72 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 69 is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel73</span><span class=\"lf-art-t\">Insolventieprocedures</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures opgenomen: de algemene uitgangspunten insolventieprocedures; insolventieprocedure en wettelijke schuldsanering; insolventieprocedure en surseance; insolventieprocedure en faillissement; insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK) of gemeenten; insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten; insolventieprocedures en akkoorden; wettelijk breed moratorium.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.Algemene uitgangspunten insolventieprocedures 73.1.1.Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement 73.1.Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de ontvanger zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder. Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven, geacht worden van dag tot dag te ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.De ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter verificatie aan bij de bewindvoerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen naar artikel 19.2 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.2.Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement 73.1.Aansprakelijkstelling voor belastingaanslagen tijdens zowel het faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.3.Boedelschulden 73.1.De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen over de toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de ontvanger rechtstreeks verhaal zoeken op de boedel.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke schuldsaneringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.Bij de invordering van boedelschulden kan de ontvanger tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling niet het faillissement van de schuldenaar aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze leidraad).</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.4.Proceskostengarantie 73.1.Als de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een bate voor de boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel niet toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de ontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het bedrag dat niet uit de boedel kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.Bij de beoordeling van het verzoek neemt de ontvanger als uitgangspunt dat: de boedel bij de actie van de curator moet zijn gebaat; de ontvanger (een deel van) de in het faillissement ingediende vordering zal kunnen innen.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.Daarnaast stelt de ontvanger de eis dat de schuldeisers - die bij een verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke opbrengst van de procedure - bereid zijn om naar evenredigheid mee garant te staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor boedelschuldeisers. Als een bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling de ontvanger een verzoek om garantstelling doet, treedt de ontvanger in overleg met het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.5.Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator 73.1.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.6.Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP 73.1.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.7.Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar 73.1.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.8.Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP 73.1.Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.9.Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP 73.1.Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP artikel 26.1.9 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.10.Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP 73.1.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.11.Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement 73.1.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.12.Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement 73.1.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering 73.2.1.Kwijtschelding tijdens WSNP 73.2.Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, wordt verwezen naar artikel 26.2.17 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.2.De WSNP is beëindigd met een schone lei.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.Belastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel 356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger bij de bewindvoerder zijn aangemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging (met schone lei) van die regeling, zal de ontvanger in beginsel afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag voorafgaande voorlopige aanslagen/teruggaven dan wel het ontbreken daarvan voldoende op juistheid heeft getoetst; en 73.2.over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig 73.2.contact heeft opgenomen met de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de ontvanger verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.Met betrekking tot belastingteruggaven die betrekking hebben op de periode voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na beëindiging van die regeling, geldt het volgende. Teruggaven (na mogelijke verrekening met openstaande schulden) van minder dan € 500,-- worden uitbetaald aan de belastingschuldige zelf. Indien de belastingteruggave (na mogelijke verrekening met openstaande schulden) € 500,-- of meer bedraagt, zal de ontvanger contact opnemen met de gewezen bewindvoerder om met hem te overleggen of de vereffening moet worden heropend.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger voortzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.3.De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken 73.2.De WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (artikel 358, tweede lid, FW) en de reeds verstrekte schone lei kan worden ingetrokken (artikel 358a, eerste lid, FW). In die situatie kan de ontvanger de invordering hervatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.4.De WSNP is tussentijds beëindigd 73.2.Als een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd in de zin van artikel 350, vijfde lid, FW, blijft omzetting in faillissement achterwege als er geen baten beschikbaar zijn. In die situatie geldt het invorderingsbeleid voor natuurlijke personen bij opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten (artikel 73.4.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">73.3.Insolventieprocedure en surseance 73.3.1.Uitstel en surseance 73.3.Voor uitstel van betaling in relatie tot surseance wordt verwezen naar artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.3.Voor kwijtschelding in relatie tot surseance wordt verwezen naar artikel 26.1.9 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.3.2.Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance 73.3.Deze bepaling is niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.Insolventieprocedure en faillissement 73.4.1.Faillissementsaanvraag: algemeen 73.4.De belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement aanvraagt, moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.Voor een voorlopige aanslag vraagt de ontvanger slechts een faillissement aan als: die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag; of naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen onbetaald zijn gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.2.Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag 73.4.Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, dan wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van die rechtspersoon boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.3.Particulieren en faillissement 73.4.Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft achterwege als wordt verwacht dat de ontvanger de eventuele vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement kan uitwinnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd als particulieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.4.Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag</p></div>", "next": 239648}