{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Alimentatie die de belanghebbende ontvangt voor kinderen van 18 jaar of ouder, geldt niet als inkomen van belanghebbende. Deze kinderen behoren namelijk niet meer tot het gezin van de belanghebbende. Inkomstenkorting blijft dan achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de woonlasten van de klant betaald worden door de (ex-)partner, dan wordt de uitkering verlaagd met de betreffende woonlasten. Er is sprake van alimentatie in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5Niet-rechthebbende echtgenoot Voor een klant die een partner heeft zonder recht op bijstand, gelden speciale regels. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om een partner die gedetineerd is of een partner zonder geldige verblijfstitel. In deze situaties gelden de volgende regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als maar één van de partners recht heeft op bijstand, ontvangt de klant 50% van de van toepassing zijnde gehuwdennorm;</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het inkomen van de niet-rechthebbende partner wordt pas rekening gehouden, als de som van het bijstandsbedrag van de rechthebbende plus het inkomen van de niet-rechthebbende, meer bedraagt dan de norm voor gehuwden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het deel van het inkomen dat uitstijgt boven de gehuwdennorm wordt verrekend met de bijstandsuitkering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als partners tijdelijk gescheiden leven, wordt het inkomen van de partner die ergens anders woont op de volgende manier betrokken bij de bijstandverlening: als dit inkomen hoger is dan de bijstandsnorm die voor hem zou gelden als hij zelf recht had op algemene bijstand wordt het meerinkomen als inkomen gezien;</p>\n<p class=\"lf-p\">De toets op het gezamenlijke vermogen blijft onverkort van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6Vermogen De Participatiewet verstaat onder vermogen: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt, of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen is de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering; geld dat een klant ontvangt in een periode waarin hij algemene bijstand krijgt, voor zover dit geld geen echte looninkomsten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vermogensgrenzen rondom de collectieve ziektekostenverzekering en tegemoetkoming zorgkosten verwijzen we naar de beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.1Vermogensvrijlating Voor alle bijstandsgerechtigden geldt een vrijlating voor een deel van het vermogen. Ook geldt een vrijlating voor vermogen in een eigen woning, woonschip of woonwagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.2Bezittingen Onder bezittingen verstaat de Participatiewet: al het aanwezige geld (contanten, spaargeld, obligaties, vorderingen enz.) en alle aanwezige roerende en onroerende zaken, zoals een caravan of boot. Het gaat daarbij om de feitelijk aanwezige bezittingen, en om bezittingen waarover de klant redelijkerwijs kan beschikken, dat zijn bezittingen die de klant met enige moeite te gelde kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.3Schulden Een schuld kan in mindering op het vermogen worden gebracht, als: de schuld in voldoende mate aannemelijk is; er daadwerkelijk een verplichting is tot terugbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo telt bijvoorbeeld een WSF-schuld of schuld aan familie niet mee omdat de terugbetaling niet vaststaat. Als de klant langere tijd een minimuminkomen heeft, wordt de studieschuld namelijk kwijtgescholden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.4Wel of geen vermogen Bezittingen die naar aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn en noodzakelijke spullen zijn geen vermogen. Voor het bepalen van de noodzaak worden de omstandigheden van de klant en het gezin beoordeeld. Het belang van deze bezittingen voor de klant of zijn gezin kan daarbij een rol spelen; bijvoorbeeld ouderen, gezinnen met jonge kinderen, enz. Voorzieningen in verband met invaliditeit maken bijvoorbeeld een (duurdere) auto noodzakelijk voor het invalidenvervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft bewust geen opsomming gegeven van goederen die algemeen gebruikelijk of noodzakelijk zijn. Per geval zal dit moeten worden beoordeeld. Voor de waarde van een auto heeft het College richtlijnen vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Auto, motor en vermogen Tot een totaalbedrag van € 2500,- wordt het bezit van een al dan niet antieke auto of motor als algemeen gebruikelijk beschouwd en wordt dit bezit voor de bepaling van het vermogen niet meegerekend; indien de waarde hoger dan € 2500,- is, wordt alleen de waarde boven het bedrag van €2500,- tot het vermogen gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van de waarde van een auto wordt uitgegaan van de ANWB-koerslijst/ onderdeel verkoop tussen particulieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van de waarde van een motor wordt uitgegaan van de website van motor occasion.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van een antieke auto of motor (oldtimer) wordt bepaald aan de hand van een op te vragen taxatierapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een auto of motor door de leeftijd niet (meer) in de koerslijst of website staat opgenomen, blijft deze bij de vermogensbepaling buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bezit van een auto om medische of sociale redenen noodzakelijk is, wordt de waarde voor de vaststelling van het vermogen buiten beschouwing gelaten, voor zover dat vanuit het perspectief van bijstandsverlening verantwoord is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aandelen en obligaties Als aandelen of obligaties in waarde stijgen tijdens de bijstandsperiode, heeft de klant koerswinst. Koerswinst wordt als vermogenstoename gezien. Aandelen en obligaties kan de klant namelijk te gelde maken. Voor lease-aandelen geldt dit niet zonder meer. Een lease-contract heeft een vaste looptijd en een klant kan dit meestal niet tussentijds beëindigden. Een klant met aandelen- of obligaties moet jaarlijks een opgave van de waarden overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afkoopwaarde van koopsompolis, levensverzekering De afkoopwaarde van financiële producten die niet zijn opgebouwd tijdens de bijstandsperiode, valt onder middelen waarover klant redelijkerwijs kan beschikken. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende financiële producten: kapitaalverzekering; koopsompolis; levensverzekering; lijfrente; uitvaartverzekering Dat de afkoopwaarde lager is dan de inleg is niet relevant. De klant hoeft deze middelen niet te gelde te maken als de verkoopprijs niet leidt tot overschrijding van de vrijlatingsgrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering: afkoopwaarde particulier ouderdomspensioen (derde pijler) Een particuliere pensioenopbouw als oudedagsvoorziening kan onder bepaalde voorwaarden worden vrijgelaten en hoeft niet te worden afgekocht. Het gaat om lijfrentevoorzieningen, zoals lijfrenteverzekeringen, lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten. Een dergelijke pensioenvoorziening wordt vrijgelaten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot een bedrag van € 250.000 (het meerdere dient eerst te gelde te worden gemaakt);</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer deze voorziening tenminste vijf jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag is getroffen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in elk van deze vijf jaar tenminste enige inleg heeft plaatsgevonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de inleg gedurende de toetsingsperiode van vijf jaar niet meer heeft bedraagt dan €6000 per jaar. Het deel dat in één of meer van de jaren boven € 6000 komt valt buiten de vrijlating en kan niet worden toegerekend aan een jaar waarbinnen de inleg lager was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middelen waarvan niet vaststaat dat ze als pensioenopbouw zijn bedoeld, zoals een levensverzekering of een spaarrekening, vallen buiten de vrijlating en worden wel in aanmerking genomen, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van duur, inleg en omvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroep vrijlating Deze vrijlating geldt voor alle klanten, zowel voor (ex-)zelfstandigen als personen die als werknemer een dergelijke opbouw hebben gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spaargeld opgebouwd in bijstandsperiode Geld dat tijdens de bijstandsperiode is gespaard, wordt niet als vermogen gezien. Het tijdens de bijstandsperiode gespaarde bedrag blijft bij voortzetting van de algemene bijstand dus volledig buiten de beoordeling van de hoogte van het vermogen; ook als het boven de vrijlatingsgrens uitkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spaargeld van kinderen Vermogen van kinderen die deel uitmaken van het gezin hoort ook bij het vermogen van de ouder(s). Het komt voor dat op naam van een kind een spaarrekening met een zogenaamde BEM-clausule is geopend. De BEM-clausule houdt in dat gedurende de minderjarigheid van het kind de hoofdsom wordt geblokkeerd en alleen de rente kan worden opgenomen. De ouder(s) hebben een machtiging van de kantonrechter nodig om over dit spaargeld te beschikken. Het College kan een bijstandsgerechtigde ouder verplichten een dergelijke machtiging aan te vragen. Daarbij betrekt het College alle omstandigheden van het geval, zoals achtergrond en doel van het spaargeld en de omvang daarvan. Het is niet zeker dat de kantonrechter een machtiging afgeeft. Dat is een eigen afweging en beslissing van de kantonrechter. Als de kantonrechter geen machtiging afgeeft, dan moet de gemeente het vermogen van het kind buiten beschouwing laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.5Vaststelling van het vermogen Deze paragraaf gaat over: het vaststellen van een vermogen het vrij te laten vermogen bij aanvang van de bijstand het vermogen tijdens de bijstandsperiode Vermogensvaststelling bij aanvang Bijstand verlenen is alleen mogelijk als het vermogen van de klant lager is dan de vermogensvrijlating. De hoogte van de vermogensvrijlating is geregeld in de Artikel 34 van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College wijst de aanvraag voor algemene bijstand af als het vermogen hoger is. Gaat het om bijzondere bijstand, dan is het vermogen boven deze grenzen draagkracht. Er wordt dan beoordeeld of de draagkracht hoger zijn dan de kosten. Is dat het geval dan wordt de aanvraag afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van het vermogen bij aanvang van de bijstandsverlening houdt Het College rekening met de aanwezige schulden en een bedrag voor levensonderhoud (maandnorm inclusief vakantietoeslag) voor de eerste maand na aanvang. In de toekenningsbeschikking geeft het College aan op welk bedrag het vermogen is vastgesteld. Dit kan ook een negatief bedrag zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermogenstoename tijdens bijstandsperiode Het is belangrijk dat het beginvermogen juist is vastgesteld. De beginstand bepaalt namelijk welk vermogen de klant tijdens de bijstandsperiode nog kan ontvangen, voordat de bijstand wordt beëindigd. Als de klant tijdens de bijstandsperiode nieuw vermogen ontvangt, telt het College dit nieuwe vermogen erbij op. Dat kan ertoe leiden dat de bijstand beëindigd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het vermogen bij de start van de bijstand op een negatief bedrag is vastgesteld, dan blijft de vermogensruimte conform artikel 34 van de Participatiewet. Als de klant nieuw vermogen ontvangt dat hoger is dan deze vermogensruimte, wordt de bijstand in principe beëindigd. De bijstandsnorm wordt eenmaal vrijgelaten op de lopende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schulden, die tijdens de bijstandsperiode worden gemaakt, tellen niet mee bij deze berekeningen. Daardoor kan het zijn, dat na de ontvangst van een erfenis of loterij het vermogen toch negatief is. Dan nog moet de bijstand worden beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling vermogen bij normwijziging Bij een normwijziging is er sprake van voortzetting van de bijstand. Door de wijziging in de gezinssituatie dient het vermogen opnieuw te worden vastgesteld. Wanneer bij de oorspronkelijke vermogensvaststelling rekening is gehouden met het vermogensbestanddeel van het ten laste komende kind, moet bij de vermogensvaststelling van de ouder niet langer rekening worden gehouden met het vermogensbestanddeel van het kind. Als er voorafgaande aan de normwijziging een vermogensoverheveling heeft plaatsgevonden van de ouder naar het kind met als kennelijk doel om het recht op bijstand (langer) te waarborgen, dan kan er sprake zijn tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Dat is afhankelijk van het bestedingsdoel en de hoogte van het bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7Eigen woning en krediethypotheek Een eigenaar van een woning of woonboot kan bijstand krijgen als hij of zijn gezin zelf in dat huis woont. Voorwaarde is wel dat de eigenaar de woning niet ‘redelijkerwijs’ kan verkopen of een (extra) hypothecaire lening op de woning kan afsluiten bij een bank of verzekeraar. Het College beoordeelt per geval of dat aan de orde is. Belangrijke punten zijn: waarde van de woning; hoogte hypothecaire lening(en); gezinssamenstelling; leeftijd en achtergrond klant; woningmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever gaat ervan uit dat verkoop of een (extra) hypothecaire lening redelijkerwijs niet gevraagd kan worden, als de overwaarde van de woning niet hoger is dan € 50.100,-. In dat geval wordt de bijstand ‘om niet’ verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de overwaarde wel hoger is, dan wordt per geval beoordeeld of de verkoop of een (extra) hypothecaire lening redelijkerwijs van de klant gevraagd kan worden. Als dat niet zo is, kan de klant bijstand ontvangen. De bijstand heeft de vorm van een geldlening als naar verwachting, gerekend over een jaar vanaf de ingangsdatum, de bijstand meer bedraagt dan het netto minimumloon over een maand. Blijft de bijstand naar verwachting daaronder, dan wordt de bijstand ‘om niet’ verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe wordt de waarde vastgesteld?</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde wordt in principe vastgesteld op het bedrag dat de woning in de meest recente WOZ-beschikking van de gemeente heeft bepaald. Als de klant van mening is dat de waarde lager is, kan hij altijd de woning door een taxateur laten taxeren. De kosten zijn dan voor de klant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe verloopt de bijstandverlening?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bijstand als geldlening wordt verstrekt, dan leent de klant als het ware de bijstand van het College.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krediethypotheek Voor de bijstand die als geldlening wordt verstrekt, vestigt het College een (krediet)hypotheek. Dat betekent dat de woning belast wordt met een nieuwe hypotheek. Dat gebeurt om zekerheid te krijgen als onderpand voor het terugbetalen van de lening. Als de maximale geldlening een laag bedrag is, dan kan het College daarvan afzien, gelet op de hoogte van de kosten in verhouding tot de maximale geldlening. Per geval bepaalt het College of er krediethypotheek wordt gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College verwacht van de klant dat hij meewerkt aan de vestiging van de krediethypotheek. Als de klant dat niet doet, dan schendt hij de medewerkingsverplichting en kan de aanvraag worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten krediethypotheek Het vestigen van een krediethypotheek brengt de nodige kosten met zich mee. Deze kosten komen voor rekening van de klant. Het gaat om facturen voor de taxatie van de woning, notaris, e.a. directe kosten. Als de klant daarvoor niet de middelen heeft, kan het College bijzondere bijstand verlenen voor deze kosten. Als na taxatie blijkt dat een krediethypotheek niet mogelijk is vanwege het ontbreken van voldoende ruimte, dan verstrekt het College de bijstand om niet. Als er wel ruimte is, verstrekt het College de bijstand als lening en wordt dit bedrag bij de maximale geldlening (hoofdsom) opgeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugbetaling De looptijd van de geldlening is maximaal tien jaar en de aflossing is maandelijks 1/120e deel van de geldlening. Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven, stelt het College het maandbedrag van de aflossing op een lager of hoger bedrag vast. De hoogte van het inkomen en de noodzakelijke uitgaven hoeven namelijk niet constant te zijn. Zolang de klant een inkomen rond de bijstandsnorm heeft, hoeft de klant de geldlening niet terug te betalen. Als de klant een hoger inkomen krijgt, kan dit wel het geval zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de woning verkocht wordt, zal de lening aan het College worden terugbetaald uit de opbrengst van de verkoop. Is die opbrengst te laag, dan blijft er een schuld over. Het College bepaalt dan per geval hoe die schuld afgelost wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8Wettelijke basis De beleidsvoorschriften van dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet. Meer concreet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Thema Artikelen Middelen - definitie 31 lid 1 Participatiewet Middelen – vrijgelaten middelen 31 lid 2 Participatiewet Inkomen - definitie 32 lid 1 Participatiewet Inkomen – niet-rechthebbende echtgenoot 32 lid 3 en 4 Participatiewet Inkomen – bijzondere vormen 33 Participatiewet Vermogen - definitie 34 lid 1 Participatiewet Vermogen - vermogensgrens 34 lid 3 Participatiewet Vermogen – geen vermogen 34 lid 2 Participatiewet Vermogen - vermogensvaststelling 34 lid 1 Participatiewet Vermogen – vermogenswijziging tijden bijstand 34 lid 4 Participatiewet Eigen woning 50 Participatiewet Eigen woning – vermogensvrijlating 34 lid 2 Participatiewet Eigen woning - krediethypotheek 48 lid 3 Participatiewet Hoofdstuk5Verplichtingen De Participatiewet heeft een aantal verplichtingen verbonden aan het recht op bijstand. Tegenover een aantal rechten staat een aantal verplichtingen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende zes soorten verplichtingen die genoemd worden in de Participatiewet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen over werk en tegenprestatie Medewerkingsverplichting Inlichtingenverplichting Identificatieverplichting Verplichtingen in verband met de Wet Taaleis Participatiewet Andere verplichtingen Inhoudsopgave 5.1 Verplichtingen over werk en tegenprestatie 5.1.1 Algemeen geaccepteerde arbeid 5.1.2 Ontheffing van sollicitatieplicht 5.1.3 Arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders 5.1.4 Tegenprestatie 5.2 Medewerkingsverplichting 5.3 Inlichtingenverplichting 5.4 Identificatieverplichting 5.5 Verplichtingen in verband met taaleis Participatiewet 5.5.1 Taalniveau 1F/A2 5.5.2 Aantoonplicht kennis van de Nederlandse taal 5.5.3 Inspanningsverplichting taaleis 5.5.4 Maatregelen als een klant zich verwijtbaar niet voldoende inspant 5.6 Andere verplichtingen 5.7 Wettelijke basis 5.1Verplichtingen over werk en tegenprestatie Uitgangspunt Op grond van de Participatiewet hebben klanten met een bijstandsuitkering een aantal verplichtingen. Het gaat om de verplichting om naar vermogen werk te zoeken, te aanvaarden en te behouden, en gebruik te maken van door het College aangeboden voorzieningen. Ook moet de klant meewerken aan gesprekken en onderzoeken met het oog op werk. Deze verplichtingen worden ‘arbeidsverplichtingen’ genoemd. De consulent werk van Het College zal deze arbeidsverplichtingen met de klant bespreken en concreet maken. De klant kan van één of meer verplichtingen tijdelijk ontheffing krijgen als daar een dringende reden voor is. Er dient sprake te zijn van omstandigheden van medische en / of sociale aard waardoor niet van de persoon kan worden gevraagd dat deze aan de arbeidsverplichtingen voldoet. Er dient sprake te zijn van een individuele beoordeling waarbij sprake is van de expertise van onafhankelijk deskundigen. Voor mensen die blijvend en volledig arbeidsongeschiktheid zijn, gelden de arbeidsverplichtingen niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de arbeidsverplichting valt bijvoorbeeld de verplichting om: te solliciteren; in te schrijven bij uitzendbureaus; gebruik te maken van een scholingstraject; mee te werken aan een onderzoek naar arbeidsmogelijkheden; mee te werken aan het opstellen van een plan van aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De (algemene) verplichtingen om werk te zoeken en gebruik te maken van de hulp van het College worden opgenomen in een beschikking. De verplichtingen worden zo concreet mogelijk gemaakt, zodat duidelijk is voor de klant wat het College van hem verwacht. Arbeidsverplichtingen die worden geconcretiseerd, worden ook in een beschikking opgenomen. Denk bijvoorbeeld aan de verplichting om ingeschreven te staan bij een aantal uitzendbureaus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de klant de arbeidsverplichtingen niet wil nakomen wordt de bijstandsuitkering verlaagd. Meer informatie over het verlagen van de bijstand vindt u in hoofdstuk 6 ‘Bestuurlijke sancties’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke arbeidsverplichtingen De wetgever heeft in artikel 18 Participatiewet een aantal specifieke verplichtingen opgesomd die betrekking hebben op het zoeken naar werk. De wetgever heeft daaraan toegevoegd, dat de bijstandsuitkering wordt verlaagd met 100% voor de duur van een maand, als de klant deze verplichtingen niet nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheden van de klant worden altijd bij de invulling van deze verplichtingen betrokken. Het College bepaalt dan, hoe deze verplichtingen precies kunnen worden toegepast op de situatie van de klant. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een klant vaak solliciteert, maar altijd alleen binnen een straal van drie kilometer van zijn huis, en daar geen werk vindt. Deze klant wordt niet direct geconfronteerd met verlaging van de bijstand, maar heeft wel iets uit te leggen. De klant moet ook verder weg gaan solliciteren. Een klant die ontslag neemt vanwege de reisduur van twee uur per dag, komt in aanmerking voor een verlaging van de bijstand. Het is wel mogelijk dat er dringende redenen zijn die maken dat het ontslag toch niet verwijtbaar is. Per geval moet het College dit onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.1Algemeen geaccepteerde arbeid Welk werk moet de klant gaan zoeken? Het gaat om algemeen geaccepteerde arbeid. Dat is alle legale arbeid. Het gaat om het werk op zich en niet om de vraag of de klant het werk acceptabel vindt. Een uitzondering vormt prostitutie (niet algemeen geaccepteerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">De klant kan zich bij het zoeken naar werk niet beperken tot het vakgebied waarin hij doorgeleerd heeft of waarin hij werkervaring heeft. Hij moet solliciteren naar alle arbeid die hij zou kunnen verrichten. De klant moet zich dus breed opstellen bij het zoeken naar werk. Dit moet blijken uit zijn sollicitatiegedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.2Ontheffing van sollicitatieplicht Het College heeft de bevoegdheid om ontheffing te verlenen van de verplichting om werk te aanvaarden, verkrijgen en behouden (en van de verplichte tegenprestatie). De verplichting geldt dan tijdelijk niet. Het College verleent ontheffingen voor de duur van maximaal een jaar, ook als een medische keuring heeft uitgewezen dat een klant gedurende een langere periode niet is te belasten met arbeid. Dit omdat het College iedere klant minimaal eens per jaar wil spreken om te bezien of in de situatie van de klant veranderingen zijn opgetreden. Slechts in uitzonderlijke situaties kan een ontheffing van langer dan een jaar worden gegeven. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn, als een klant niet ver van de pensioengerechtigde leeftijd zit, allerlei fysieke klachten heeft en de verwachting is, dat geen herstel meer zal plaatsvinden, maar niet is vastgesteld dat de klant ‘blijvend en volledig arbeidsongeschikt’ is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algehele ontheffing van de verplichtingen Voor mensen die blijvend en volledig arbeidsongeschiktheid zijn (als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), zijn de arbeidsverplichtingen en de plicht om mee te werken aan een opgedragen tegenprestatie niet van toepassing. Wanneer dit eenmaal is vastgesteld, vindt een herbeoordeling niet jaarlijks plaats, maar bijvoorbeeld driejaarlijks (tenzij er een concrete aanleiding is voor een eerdere herbeoordeling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkte belastbaarheid Als iemand slechts een beperkt aantal uren per week kan werken, wordt de sollicitatieplicht opgelegd voor het aantal dagdelen dat de klant belast kan worden. Als er een beperking geldt in het aantal dagdelen dat iemand beschikbaar is voor re-integratie wordt dit uitgedrukt in een verminderde beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dringende redenen voor tijdelijke ontheffing Er kunnen in de situatie van de klant dringende redenen voor een ontheffing van de sollicitatieplicht zijn. Bijvoorbeeld: klant is op medische gronden voorlopig niet in staat om te werken; klant is volledig in beslag genomen door sociale omstandigheden; klant wordt volledig in beslag genomen door een re-integratietraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er aanwijzingen zijn dat er sprake is van ‘dringende redenen’, is het College verplicht om dit verder te onderzoeken. Het kan daarvoor nodig zijn om een advies van een deskundige aan te vragen, bijvoorbeeld een medisch advies, om inzicht te krijgen in het klachtenpatroon van de klant en de gevolgen voor werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.3Arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders Alleenstaande ouder met kind tot vijf jaar Een alleenstaande ouder met de zorg voor één of meer ten laste komende kinderen tot vijf jaar, kan worden ontheven van de verplichting om werk te aanvaarden of daarnaar te zoeken (sollicitatieplicht). De alleenstaande ouder moet zelf om ontheffing vragen. De ontheffing wordt in principe verleend. Als ontheffing wordt verleend, dan is de alleenstaande ouder wel verplicht om: mee te werken aan een door het College aangeboden voorziening gericht op werk, bijvoorbeeld een opleiding of scholing; mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden voor werk; mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan richting werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen ontheffing Ontheffing wordt niet verleend als de alleenstaande ouder zijn baan opzegt om voor de kinderen te zorgen. In dat geval is sprake van verwijtbare werkloosheid waarvoor de uitkering kan worden verlaagd. Ook wordt geen ontheffing verleend als uit houding en gedrag blijkt dat de alleenstaande ouder niet wil voldoen aan de verplichting om gebruik te maken van door het College aangeboden voorzieningen die de kans op werk vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenmalige ontheffing en opschorting De ontheffing is eenmalig en duurt maximaal 5 jaar. Binnen die periode kan opschorting van de ontheffing worden verleend. De periode hoeft dus niet een aaneengesloten periode te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: bijstand wordt verleend aan een alleenstaande ouder met kind van twee jaar. Ouder vraagt om ontheffing. Die kan worden verleend totdat het kind vijf jaar wordt. Dan is drie jaar van de ontheffing gebruik gemaakt. Op dat moment wordt de ontheffing van rechtswege opgeschort en de alleenstaande ouder krijgt de verplichtingen opgelegd om werk te zoeken en te aanvaarden. Als er een tweede kind wordt geboren, kan de ouder vragen om ontheffing van de arbeidsplicht voor de resterende periode van twee jaar. Dit betekent dat als dat tweede kind twee jaar wordt, de ouder op dat moment opnieuw de verplichting wordt opgelegd om werk te zoeken en te aanvaarden. Dan is ook de volledige ontheffingsperiode van vijf jaar benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereiding op werk Tegenover de ontheffing van de actieve sollicitatieplicht staat de verplichting van de alleenstaande ouder om zich voor te bereiden op werk. In de meeste gevallen is scholing daarvoor een geschikt middel, maar invulling door vrijwilligerswerk is ook mogelijk. De scholing moet zijn afgestemd op de mogelijkheden van de ouder, maar met name gericht op het verkrijgen van een startkwalificatie. Het moet uiteindelijk leiden tot werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het initiatief ligt bij de alleenstaande ouder om na te denken over acties die hij wil ondernemen om na de periode van vijf jaar (of zoveel eerder) een goede kans te maken op de arbeidsmarkt. De afspraken met de klant worden vastgelegd in een plan. Het plan moet elke 12 maanden worden geëvalueerd en zo nodig worden bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleenstaande ouder met kind tot twaalf jaar Naast de specifieke ontheffing van de alleenstaande ouder met een ten laste komend kind tot vijf jaar, geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste komend kind tot twaalf jaar nog een bijzondere regeling: de verplichting om werk te zoeken en te aanvaarden geldt pas na zorgvuldige afweging van de volgende factoren: is er passende kinderopvang? is er sprake van voldoende scholing? en wat is de belastbaarheid van de alleenstaande ouder?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afweging kan ertoe leiden, dat de ontheffing van de alleenstaande ouder voor een kind tot vijf jaar, wordt voortgezet zodra dat kind vijf jaar oud is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1.4Tegenprestatie De gemeente Lochem heeft bij de invulling van de tegenprestatie gekozen voor een tegenprestatie die in principe wordt verricht op basis van eigen voorkeur. Dat wil zeggen: bijstandsgerechtigden mogen in de eerste plaats zelf aangeven op welke manier zij ‘meedoen’ aan de samenleving. Dat kan bijvoorbeeld met vrijwilligerswerk of mantelzorg zijn. Dit uitgangspunt is neergelegd in de Verzamelverordening Werk en Inkomen 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegenprestatie wordt in principe alleen opgelegd aan personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, waarbij re-integratie naar werk nog niet aan de orde is. Bij de beoordeling van de aanvraag om bijstand bespreekt het College met de klant hoe hij aan de tegenprestatie vorm kan geven. De tegenprestatie wordt in principe alleen opgelegd als klanten zelf geen keuze maken voor een vorm van maatschappelijke participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt moeten zich in principe richten op het verkrijgen van werk. Van hen wordt in principe niet verwacht dat zij een tegenprestatie verrichten. Dit kan anders worden, als bijvoorbeeld de kansen op werk in de loop van de tijd afnemen of als er sprake is van bijzondere omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2Medewerkingsverplichting De klant is verplicht aan het College alle medewerking te geven die nodig is om het recht op bijstand vast te stellen of die nodig is voor de uitvoering van de Participatiewet. Onder de medewerkingsplicht vallen bijvoorbeeld: meewerken aan een huisbezoek door medewerkers van Het College (zie hoofdstuk 7 ‘Uitvoeringszaken’); toegang geven tot een kluis met inhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medewerkingsplicht heeft een nauwe relatie met de inlichtingenplicht. Als de klant niet de medewerking verleent die nodig is, kan vaak het recht op bijstand niet worden vastgesteld en moet de aanvraag worden afgewezen of de lopende uitkering worden beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3Inlichtingenverplichting De klant is verplicht het College inlichtingen te verstrekken. Dit geldt voor iedere klant, ongeacht zijn persoonlijke situatie of de aard van de uitkering. De klant moet uit eigen beweging en op verzoek zo snel mogelijk alle informatie geven waarvan hij redelijkerwijs moet kunnen begrijpen dat die van belang is voor de arbeidsinschakeling en voor de uitkering. Als de klant twijfelt of de informatie belangrijk is, is hij verplicht om contact op te nemen met het College om duidelijkheid te krijgen. Het College bepaalt welke informatie van belang is en welke niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen De ‘Wet eenmalige gegevensuitvraag’ bepaalt, dat een aantal persoonsgegevens van klanten met andere organisaties dan het College gedeeld mogen worden. Deze gegevens worden in principe niet meer opgevraagd bij de klant. Het gaat bijvoorbeeld om de inschrijving als werkzoekende bij het UWV, gegevens van de Sociale Verzekeringsbank (kinderbijslag, Anw en Aow), gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer en uitkeringsgegevens van andere gemeenten (Participatiewet, IOAW, IOAZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende gegevens uit BRP mogen in ieder geval niet meer worden opgevraagd bij de klant: een adreswijziging; het sluiten of eindigen van een huwelijk of geregistreerd partnerschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College haalt deze gegevens rechtstreeks uit het BRP. Als de medewerker van het College twijfelt over de juistheid van deze gegevens, kan om aanvullende gegevens of bewijsstukken worden gevraagd of kan een onderzoek naar de juistheid worden ingesteld. Dan kan bijvoorbeeld een huisbezoek worden afgelegd om de leefsituatie te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen niet nakomen inlichtingenplicht Als de inlichtingenplicht niet wordt nagekomen, dan is dit meestal een reden om de bijstand te verlagen of te beëindigen en vaak ook om de bijstand terug te vorderen. Ook levert schending van de inlichtingenplicht vaak een grond op voor het opleggen van een boete. Zie hoofdstuk 6 ‘Bestuurlijke sancties’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4Identificatieverplichting Om het recht op bijstand te kunnen vaststellen moet de identiteit van de aanvrager vaststaan. Het College stelt de identiteit van de aanvrager vast aan de hand van een geldig legitimatiebewijs. Onder een geldig legitimatiebewijs wordt hier verstaan: Een geldig paspoort, een geldige Nederlandse identiteitskaart of een geldig vreemdelingendocument. Een rijbewijs is geen geldig legitimatiebewijs, omdat daarin de nationaliteit niet is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij latere contacten wordt de identiteit vastgesteld aan de hand van een geldig paspoort, Nederlandse identiteitskaart of vreemdelingendocument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlopen legitimatiebewijs Uitgangspunt is dat een aanvrager zich identificeert aan de hand van een geldig legitimatiebewijs. Komt een aanvrager met een verlopen document, dan wordt de (aan)vraag in behandeling genomen en wordt de klant in de gelegenheid gesteld alsnog zo snel mogelijk een geldig legitimatiebewijs te overleggen. Het recht op bijstand kan immers pas vastgesteld worden als de identiteit van de aanvrager is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5Verplichtingen in verband met taaleis Participatiewet Per 1 januari 2016 is de Participatiewet gewijzigd door de invoering van de Wet taaleis Participatiewet. Artikel 18b is aan de Participatiewet toegevoegd. De taaleis houdt kortweg in dat beheersing van het Nederlands een verplicht onderdeel is van iemands re-integratie. Het vergroot de kansen op de arbeidsmarkt als iemand de Nederlandse taal goed beheerst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroep De taaleis geldt voor iedereen aan wie het College algemene bijstand verstrekt én die verplicht zijn om werk te zoeken. De taaleis geldt niet voor mensen met een IOAW/IOAZ-uitkering en voor mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Voor mensen ouder dan 65 jaar geldt de taaleis ook niet. Voor hun eventuele jongere partners geldt de taaleis wel. De taaleis geldt zowel voor mensen voor wie het Nederlands de tweede taal is als voor mensen voor wie het Nederlands de moedertaal is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat houdt de taaleis in?</p>\n<p class=\"lf-p\">Taalniveau: een niveau voor de beheersing van het Nederlands (1F/A2), dat noodzakelijk wordt geacht om werk te vinden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantoonplicht: mensen moeten aantonen dat zij voldoende Nederlands beheersen door onderwijs dat ze hebben gevolgd of door een toets af te leggen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inspanningsverplichting: wie niet het vereiste taalniveau heeft, moet zijn best doen om dat alsnog te halen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Sanctieregime: er is een sanctieregime als de klant de inspanningsverplichting niet nakomt en dat te verwijten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een toelichting op deze onderdelen volgt in de paragrafen hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.1Taalniveau 1F/A2 Het vereiste taalniveau 1F is ongeveer vergelijkbaar met het niveau Nederlands bij het einde van de basisschool. Iemand die dit niveau niet heeft wordt ook wel laaggeletterd genoemd. Niveau 1F komt in grote lijnen overeen met taalniveau A2. Dat is het niveau dat bij het inburgeringsexamen moet worden gehaald. Het taalniveau kan worden getoetst via het Taalhuis of Toptaal. Het niveau 1F/A2 omvat de volgende vaardigheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreekvaardigheid: het kunnen voeren van eenvoudige gesprekken over vertrouwde, dagelijkse onderwerpen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Luistervaardigheid: luisteren naar eenvoudige teksten over alledaagse concrete onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gespreksvaardigheid: in eenvoudige bewoordingen een beschrijving geven, informatie geven, verslag doen, uitleg en instructie geven in dagelijkse situaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Schrijf- en leesvaardigheid: eenvoudige teksten lezen en schrijven over alledaagse onderwerpen die aansluiten bij de leefwereld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.2Aantoonplicht kennis van de Nederlandse taal Volgens de wet taaleis moet iedereen die een algemene bijstandsuitkering aanvraagt of al ontvangt met schriftelijke documenten aantonen dat hij/zij acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd of het Nederlands ten minste op niveau 1F/A2 beheerst. Kan hij/zij dat niet dan moet hij/zij meewerken aan een toets om zo het taalniveau te bepalen. De manieren waarop iemand kan aantonen dat hij voldoet aan de taaleis zijn beperkt tot de hieronder genoemde documenten. Kan iemand geen van die documenten overleggen dan moet hij/zij een taaltoets doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijstellend bewijs Wie bewijzen van het volgen van onderwijs of een diploma inburgering kan overleggen, is vrijgesteld van de wettelijke taaleisregels. De wetgever neemt aan dat die persoon het gestelde taalniveau heeft. In het overzicht hieronder staan documenten die in ieder geval aantonen dat men aan de taaleis voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op: Bij het beoordelen van nieuwe bijstandsaanvragen neemt het College ook een (lichte) taaltoets af. De (lichte) taaltoets wordt gedaan door Toptaal. Als de klant voor die toets slaagt, geldt de uitdraai met handtekening van de betreffende consulent werk en coaching als een vrijstellend bewijs. Dat geldt ook voor taaltoetsen die bij mensen met een bijstandsuitkering zijn afgenomen in het kader van het Handhavingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Documenten Diploma VMBO Alle leerwegen. Dit zijn de Theoretische leerweg (TL), de kaderberoepsgerichte leerweg (KB), de Basisberoepsgerichte leerweg (BB) en de Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) Diploma MBO2 of hoger Zowel de Beroeps Opleidende Leerweg (BBL) als de Beroeps Opleidende Leerweg ( BOL) Overgangsrapport van MBO3 of MBO4 met een voldoende voor Nederlands Diploma MAVO, HAVO of VWO (Athenaeum, gymnasium) Overgangsrapport MAVO, HAVO of VWO met een voldoende voor Nederlands Diploma’s van vóór 1968 MULO, MMS en HBS, ook overgangsrapporten met een voldoende voor Nederlands Propedeuse van WO of HBO, kandidaats WO, afgestudeerd HBO of WO Elk bewijs van het volgen van Nederlandstalig HBO of wetenschappelijk onderwijs Deelcertificaat Eindexamen Nederlands bij het VAVO VMBO, MBO,MAVO, HAVO of VWO-niveau Wie geen diploma heeft maar acht jaar Nederlandstalig onderwijs volgde, voldoet ook aan de taaleis. Bewijzen hiervan kunnen bestaan uit rapporten van en/of bewijzen van inschrijving bij een school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wie een inburgeringsdiploma/certificaat kan overleggen voldoet aan de taaleis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Documenten Inburgeringsexamen Voor oudkomers en voor nieuwkomers (A1/A2 of alles boven A2) Staatsexamen I of II Geslaagd voor alle 4 de vaardigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taaltoets Van mensen die geen vrijstellend bewijs kunnen overleggen moet het taalniveau worden getoetst. Dit moet binnen 8 weken nadat de bijstandsuitkering is aangevraagd. Dat is een termijn van orde; overschrijding van die termijn heeft geen gevolgen voor het recht op bijstand. Wel is het belangrijk dat de aanvrager wordt geïnformeerd als de termijn overschreden wordt. De taaltoets wordt afgenomen via het zgn. ‘Taalhuis’ door een erkend deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastlegging uitkomst in een beschikking De uitkomsten van het onderzoek worden vastgelegd in een beschikking. Daarin staat of de bijstandsgerechtigde aan de taaleisen voldoet en zo nee, dat hij moet gaan werken aan verbetering van zijn taalvaardigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.3Inspanningsverplichting taaleis Als iemand nog niet taalniveau 1F/A2 heeft, is het belangrijk dat hij/zij – zo snel mogelijk- werkt aan het verbeteren van zijn taalvaardigheid. Het Taalhuis adviseert daarbij. De klant moet verklaren dat hij/zij bereid is om binnen een maand een start te maken om zijn/haar Nederlands te verbeteren. Hij/zij is daarvoor zelf verantwoordelijk en moet ook kunnen aantonen dat hij/zij zich voldoende inspant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijke taalactiviteiten zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelnemen aan een re-integratietraject / re-integratievoorziening van Het College;</p>\n<p class=\"lf-p\">Oriënteren op cursusaanbod;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelnemen aan een taalcursus;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoeken van een taalbuddy (iemand in de eigen omgeving met wie je kunt oefenen en die feedback en tips geeft, een taalcoach, taalmaatje);</p>\n<p class=\"lf-p\">Werken met een taalbuddy, al dan niet in combinatie met digitale lesprogramma’s of leren in de bibliotheek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bijstandsgerechtigde kan zeker ook op eigen initiatief activiteiten ondernemen om zijn of haar taalniveau te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastleggen van afspraken Afspraken die het College met de klant maakt over taalactiviteiten worden zoveel mogelijk samen met de klant opgesteld. Deze afspraken zijn onderdeel van het plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is dat de klant kan aantonen dat hij de gemaakte afspraken nakomt. Het College stelt daarom een nieuwe datum vast, waarop de taalontwikkeling wordt beoordeeld. Het College maakt daarbij ook duidelijk hoe de voortgang wordt beoordeeld. Bij deze afspraken gaat het nadrukkelijk om een inspanningsplicht van de bijstandsgerechtigde. De klant moet zijn best doen, maar is niet verplicht om binnen een bepaalde termijn het taalniveau 1F/A2 te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overmacht Als er sprake is van overmacht is het mogelijk om geen concrete vervolgafspraken te maken. Denk aan medische of sociale omstandigheden waar iemand sterk door in beslag wordt genomen. Of aan een zeer beperkte leerbaarheid door een verstandelijke handicap. Ook als de arbeidsverplichting op grond van de Participatiewet niet van toepassing is vanwege duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid wordt afgezien van vervolgafspraken. Ook dit wordt vastgelegd in een beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.4Maatregelen als een klant zich verwijtbaar niet voldoende inspant Het College stemt de taalactiviteiten van de klant af op zijn inspanningen gericht op re-integratie en participatie. De taalactiviteiten maken een onderdeel uit van die re-integratie en participatie. Van de klant wordt verwacht dat hij daaraan medewerking verleent. Is een klant uitgenodigd voor een taaltoets, maar komt hij daar niet voor opdagen, dan wordt de uitkering in principe met 30% verlaagd voor de duur van een maand. Laat de klant te weinig vooruitgang zien bij de taalontwikkeling, dan is er volgens de wet aanleiding om de bijstand te verlagen met de volgende percentages:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlaging met 20% van de bijstand gedurende de eerste zes maanden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlaging van 40% van de bijstand gedurende de volgende zes maanden;</p>\n<p class=\"lf-p\">En daarna een verlaging van 100% van de bijstand gedurende onbepaalde tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van deze verlaging kan de klant altijd de verlaging stoppen door: een vrijstellend bewijs te leveren (= een bewijs dat aantoont dat iemand over het wettelijk gestelde taalniveau voldoet); met goed gevolg de taaltoets af te leggen, of bereidheid te tonen om weer te starten met afgesproken taalactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wanneer iemand door overmacht of om een andere reden zich niet meer kan of hoeft in te zetten voor verbetering van zijn taalvaardigheid, is dit aanleiding om de maatregel te stoppen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregel moet altijd worden afgestemd op de omstandigheden van de klant en zijn/haar mogelijkheden om middelen te verwerven, als er naar oordeel van Het College, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6Andere verplichtingen Het College kan de klant ook: verplichtingen opleggen die verband houden met aard en doel van de bijstand. Bijvoorbeeld: de verplichting bijzondere bijstand te besteden aan het doel waarvoor de bijstand is gegeven; verplichtingen opleggen die erop gericht zijn om de bijstand te verminderen of te beëindigen. Bijvoorbeeld: de verplichting om goedkopere woonruimte te zoeken als bijzondere bijstand voor hoge woonkosten wordt gegeven; verplichten om op advies van een arts een noodzakelijke medische behandeling te ondergaan. Bijvoorbeeld: klant verplichten om deel te nemen aan een afkickprogramma; verplichten alimentatie voor kinderen te eisen bij een onderhoudsplichtige; verplichten mee te werken aan doorbetaling van vaste lasten of inkomensbeheer. Bijvoorbeeld: de vaste lasten voor de klant vanuit de uitkering doorbetalen na een schuldsanering, om te voorkomen dat opnieuw schulden ontstaan; verplichten mee te werken aan het vestigen van pandrecht of krediethypotheek. Bijvoorbeeld: als de klant een eigen huis heeft, maar geen inkomsten, kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening. Om er zeker van te zijn dat aflossing van die lening plaatsvindt, kan de klant worden verplicht om mee te werken aan de vestiging van (krediet)hypotheek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte is de klant ook verplicht zich niet te misdragen in het contact met personen of instanties die belast zijn met de uitvoering van de wet tijdens het verrichten van hun werk. Dat kan gaan om gedrag tegenover medewerkers en bestuursleden van het College, maar ook tegenover medewerkers van andere organisaties die worden ingeschakeld door het College. Denk bijvoorbeeld aan artsen die een medische beoordeling uitvoeren, medewerkers van bedrijven die scholing verzorgen of de klant helpen bij de re-integratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van zeer ernstige misdragingen dan kan dat tot een forse verlaging van de uitkering leiden. Zie verder hoofdstuk 6 ‘Bestuurlijke sancties’.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7Wettelijke basis De beleidsvoorschriften van dit onderdeel zijn gebaseerd op de Participatiewet. Meer concreet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Thema Artikelen Arbeidsverplichtingen algemeen: opleggen en afstemmen 9 leden 1 en 3 Participatiewet Arbeidsverplichtingen: ontheffing 9 leden 2, 4 en 5 Participatiewet Arbeidsverplichtingen: alleenstaande ouders 9 leden 4 en 7 Participatiewet en 9a Participatiewet Verplichting tot tegenprestatie 9 lid 1 onderdeel c Participatiewet Medewerkingsverplichting 17 lid 2 Participatiewet Identificatieverplichting 17 leden 3 en 4 Participatiewet Inlichtingenverplichting 17 lid 1 Participatiewet Verplichtingen uit wet taaleis 18b Participatiewet Zeer ernstige misdragingen 9 lid 6 Participatiewet Verplichting meewerken aan doorbetaling vanuit uitkering 57 Participatiewet Verplichting meewerken aan vestiging van pandrecht of krediethypotheek 48 lid 3 Participatiewet Verplichting alimentatie te eisen voor kinderen 56 Participatiewet Andere verplichtingen 55 Participatiewet Verlaging bijstand 18 Participatiewet en hoofdstuk 4 Verzamelverordening Hoofdstuk6Bestuurlijke sancties De klant die een uitkering ontvangt heeft rechten, maar ook plichten. Deze plichten zijn vastgelegd in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Als de klant deze plichten niet of onvoldoende nakomt, kan het College een maatregel toepassen (de uitkering tijdelijk verlagen) of een bestuurlijke boete opleggen. Een maatregel of boete wordt een bestuurlijke sanctie genoemd. Dit hoofdstuk gaat over bestuurlijke sancties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudsopgave 6.1 Soorten bestuurlijke sancties 6.2 Maatregel 6.2.1 Wat is er gebeurd?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2 In welk opzicht is de klant tekortgeschoten?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.3 Is er sprake van opnieuw verwijtbaar gedrag?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.4 Wat is de mening van de klant?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.5 Wat worden de hoogte, duur en ingangsdatum van de maatregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.6 Wat moet er in het besluit worden opgenomen?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.7 Hoe kan de maatregel worden herzien?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Boete 6.3.1 Aangifte of boete 6.3.2 Grondslagen bestuurlijke boete 6.3.3 Belangrijke aspecten bij opleggen van de bestuurlijke boete 6.3.4 Hoogte van de boete 6.3.4.1 Benadelingsbedrag 6.3.4.2 Recidive 6.3.4.3 Mate van verwijtbaarheid 6.3.4.4 Draagkracht 6.3.4.5 Dringende redenen 6.3.4.6 Maximale boete 6.3.5 Beslissing over de boete 6.4 Wettelijke basis 6.1Soorten bestuurlijke sancties Er zijn twee verschillende soorten bestuurlijke sancties die het College kan toepassen: een maatregel: voor het niet naleven van arbeidsverplichtingen, voor ernstige misdragingen en voor verwijtbaar gedrag waardoor bijstandverlening nodig is. een boete: voor het niet naleven van de inlichtingenverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor beide sancties geldt dat deze niet zonder een zorgvuldig onderzoek kunnen worden opgelegd. In par. 6.2 wordt de maatregel behandeld en in par. 6.3 wordt ingegaan op de boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Maatregel Onder maatregel wordt verstaan: het toepassen van een verlaging van de uitkering. Uitgangspunt is dat een maatregel duidelijk voelbaar is wanneer de klant arbeidsverplichtingen niet is nagekomen of in andere opzichten is tekortgeschoten in zijn verplichtingen. Het doel van een maatregel is gedragsverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels over maatregelen zijn niet alleen in de Participatiewet, IOAW en IOAZ te vinden, maar ook in de Verzamelverordening Werk en Inkomen 2021 van de gemeente Lochem (Hierna: Verzamelverordening). Het opleggen van een maatregel is in principe verplicht als de verwijtbare gedraging zich heeft voorgedaan. Dat is anders, als het gedrag de klant niet te verwijten is. Dan kan van een maatregel worden afgezien. Dat is ook zo in geval van dringende persoonlijke omstandigheden (zie ook par. 6.2.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Participatiewet en de Verzamelverordening geven een opsomming van allerlei onwenselijke gedragingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijk regime Verzamelverordening In de Verzamelverordening worden 2 categorieën (groepen) maatregelen genoemd, namelijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatregel van 30% gedurende 1 maand. Dit is een maatregel van de ‘eerste categorie’. Dit geldt voor de volgende gedragingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende inzet tonen om betaald werk te verkrijgen, voor zover dit niet voortvloeit uit gedrag als bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet (zie hieronder);</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende meewerken aan het afleggen van een taaltoets, bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen gebruik willen maken van een voorziening, gericht op toeleiding naar werk, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende verrichten van een opgedragen tegenprestatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende nakomen van andere arbeidsverplichtingen dan de arbeidsverplichtingen die in de Verzamelverordening en in de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ zijn genoemd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet nakomen van een opgelegde verplichting om een noodzakelijke medische behandeling te ondergaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet nakomen van verplichtingen die zijn gericht op vermindering van de bijstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, wat heeft geleid tot een financiële benadeling van het College tot € 4.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatregel van 100% gedurende 1 maand. Dit is een maatregel van de ‘tweede categorie’ en geldt voor de volgende gedragingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende gebruik maken van een door het College aangeboden voorziening (alleen voor de IOAW);</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om betaald werk te krijgen (alleen voor de IOAW);</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet aanvaarden of het door eigen toedoen verliezen van betaald werk (alleen voor de IOAW);</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeer ernstige misdragingen tegenover personen of instanties die met de uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ belast zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende nakomen van verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, wat heeft geleid tot een financiële benadeling van Het College van € 4.000,- of hoger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijk regime Participatiewet In de Participatiewet zijn ook gedragingen opgesomd die aanleiding geven voor een maatregel. Die gedragingen zijn te vinden in artikel 18 lid 4. Deze maatregelen worden ‘geüniformeerde maatregelen’ genoemd, omdat ze voor alle bijstandsgerechtigden in Nederland gelden. De maatregel bedraagt dan 100% voor de duur van een maand. Het gaat om de volgende gedragingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet aanvaarden of behouden van betaald werk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet ingeschreven staan bij een of meerdere uitzendbureaus;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet naar vermogen betaald werk zoeken in een andere gemeente dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet bereid zijn om 3 uur per dag te reizen voor werk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet bereid zijn om te verhuizen, als er geen andere mogelijkheid is om betaald werk te krijgen of te behouden, en de klant daardoor een arbeidsovereenkomst kan krijgen van tenminste een jaar en een netto beloning van minimaal de toepasselijke bijstandsnorm;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor werk;</p>\n<p class=\"lf-p\">Belemmeren van betaald werk door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet gebruik maken van door het College aangeboden voorzieningen, gericht op het verkrijgen van werk én mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden voor werk. Daaronder valt ook: de klant die niet verschijnt op een uitnodiging om op een bepaald moment op een bepaalde plaats te komen, met het oog op toeleiding naar werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College moet onderzoeken of er aanleiding is om een maatregel op te leggen, als de klant tekortschiet in zijn verplichtingen. De volgende aspecten zijn dan van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is er gebeurd? (zie par. 6.2.1) In welk opzicht is de klant tekortgeschoten? (6.2.2) Is er sprake van opnieuw verwijtbaar gedrag? (6.2.3) Wat is de zienswijze van de klant? (6.2.4) Wat worden de hoogte, duur en ingangsdatum van de maatregel? (6.2.5) Wat moet er in het besluit worden opgenomen? (6.2.6) Hoe kan de maatregel worden herzien? (6.2.7) 6.2.1Wat is er gebeurd?</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst moet het College duidelijkheid krijgen over wat er precies is gebeurd. Vaak is er informatie van de klant nodig en moet er bij de klant doorgevraagd worden naar de feiten en de omstandigheden. Soms is het nodig om daarvoor anderen te spreken, bijv. een werkgever, zodat duidelijkheid ontstaat over de feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verjaring Voor het opleggen van een maatregel geldt, dat het College met de nodige snelheid een besluit moet nemen. Daarom is in de Verzamelverordening bepaald, dat er geen maatregel meer wordt opgelegd, als het verwijtbare gedrag van de klant al langer dan 12 maanden bekend is bij het College.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2In welk opzicht is de klant tekortgeschoten?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gedraging van de klant vaststaat moet het College beoordelen welke gedraging de klant precies te verwijten is. Het vraagt soms enig onderzoek naar de situatie van de klant om te bepalen in welke categorie de maatregel valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop Soms kan het verwijtbare gedrag worden ondergebracht in verschillende categorieën. Als dat het geval is, wordt de hoogste maatregelcategorie genomen. Het kan ook zijn, dat er sprake is van meerdere gedragingen, die ieder voor zich als een afzonderlijke verwijtbare gedraging aangemerkt kunnen worden. In dat geval wordt voor beide gedragingen afzonderlijk een maatregel opgelegd. In principe gelijktijdig, maar als dat niet mogelijk is of een onevenredig effect heeft, na elkaar. Wel moet daarbij worden bedacht, wat het effect is van het opleggen van meerdere maatregelen. Onder omstandigheden kan dat betekenen dat de maatregelen worden gematigd, als sprake is van dringende redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.3Is er sprake van opnieuw verwijtbaar gedrag?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een klant binnen 12 maanden na het nemen van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd zich opnieuw verwijtbaar gedraagt, dan wordt een maatregel opgelegd volgens het stelsel van recidive. In geval van herhaling (recidive) van verwijtbaar gedrag gelden de volgende regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste maatregel is 30% van de bijstandsnorm: in geval van een herhaalde verwijtbare gedraging binnen 12 maanden, vindt een verlaging met 30% gedurende 2 maanden plaats; in geval van een tweede herhaling van verwijtbaar gedrag binnen dezelfde 12 maanden, vindt een verlaging met 30% gedurende 4 maanden plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste maatregel is 100% van de bijstandsnorm: in geval van een herhaalde verwijtbare gedraging binnen 12 maanden, vindt een verlaging met 100% gedurende 2 maand plaats; in geval van een tweede herhaling van verwijtbaar gedrag binnen dezelfde 12 maanden, vindt een verlaging met 100% gedurende 3 maanden plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij herhaling van verwijtbaar gedrag wordt de maatregel dus langer. Voorwaarde voor het verlengen van de maatregel is, dat het gaat om gedrag met hetzelfde karakter, waarvoor hetzelfde of een hoger percentage geldt. De maatregel kan dus niet worden verlengd, als het eerste gedrag het niet voldoen aan de arbeidsverplichtingen betreft, en het tweede gedrag het niet benutten van een voorziening. De maatregel kan ook niet worden verlengd, als voor de eerste gedraging een maatregel van 100% geldt en voor de tweede maatregel een standaardpercentage van 30%.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.4Wat is de mening van de klant?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College stelt de klant in de gelegenheid om zijn mening te geven over het voornemen om een maatregel op te leggen, voordat een maatregel wordt opgelegd. Dit wordt ook wel het ‘horen’ genoemd. Het horen kan in de vorm van een gesprek op kantoor, maar kan ook schriftelijk of telefonisch. De klant kan zelf een keus maken. Uit het horen kunnen omstandigheden naar voren komen waardoor de klant toch geen verwijt gemaakt kan worden voor de gedragingen. Ook kan uit de omstandigheden blijken dat de klant onredelijk zwaar wordt getroffen als een maatregel wordt opgelegd. In dat geval kan de maatregel worden verlaagd of kan het College besluiten af te zien van de maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een klant niet reageert op de uitnodiging voor de hoorgelegenheid, dan neemt het College een besluit zonder de klant te horen. De klant is niet verplicht zich te laten horen. Hij wordt dus niet gesanctioneerd omdat hij geen gebruik maakt van het recht om zijn zienswijze te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.5Wat worden de hoogte, duur en ingangsdatum van de maatregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de maatregel Na de beoordeling van de gedraging volgt het bepalen van de hoogte van de maatregel. Er zijn twee maatregelcategorieën: 30% en 100%. Dat zijn percentages van de toepasselijke bijstandsnorm voor de klant. Deze standaardpercentages vormen het uitgangspunt voor het vaststellen van de hoogte van de maatregel. Vervolgens moet worden beoordeeld of er aanleiding is om de maatregel te verlagen. Dat wordt ‘matiging’ genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Matiging Matiging is aan de orde in twee gevallen: in hoeverre is het gedrag de klant te verwijten? Als het gedrag niet verwijtbaar is kan geen maatregel worden opgelegd. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen, als de klant niet heeft kunnen solliciteren als gevolg van een ziekenhuisopname. Het is ook denkbaar dat de klant wel enig verwijt te maken is, maar dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Dat kan aan de orde zijn als het College steken heeft laten vallen in de voorlichting en de benadering van de klant. Dat kan een reden zijn om de maatregel bijvoorbeeld te halveren; zijn er bijzondere omstandigheden die een dringende reden vormen om de maatregel te verlagen? Als de klant door het verlagen van de uitkering onredelijk zwaar wordt getroffen, kan de maatregel worden verlaagd of kan er volledig worden afgezien van het opleggen van een maatregel. De klant wordt onredelijk zwaar getroffen als het effect van de verlaging te ingrijpende gevolgen heeft. Het kan zijn dat door het verlagen van de uitkering een schuldensituatie uit de hand loopt. Dat kan een reden zijn om de maatregel te matigen. Dat zal niet snel het geval zijn. De klant heeft namelijk vaak de mogelijkheid om de maatregel van tafel te krijgen door gedragsverandering (zie par. 6.2.7. Inkeerregeling).</p>\n<p class=\"lf-p\">100%-maatregelen Als het gaat om een 100%-maatregel en er zijn dringende redenen, dan is de eerste stap om na te gaan of deze dringende redenen worden weggenomen, als de maatregel over drie maanden wordt uitgesmeerd. Als dat geen uitkomst biedt, dan pas wordt de maatregel verlaagd of wordt eventueel afgezien van de maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzwaring De Verzamelverordening maakt het niet mogelijk een hogere maatregel op te leggen dan in de verordening staat. Het maatregelpercentage van 30% kan dus niet verhoogd worden tot 60%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duur van de maatregel De maatregel wordt in principe opgelegd voor de duur van een kalendermaand. Als de uitkering tijdens de kalendermaand wordt beëindigd, blijft de maatregel beperkt tot het deel van de maand waarover de klant nog uitkering ontvangt. Herleeft de uitkering binnen 12 maanden na beëindiging van de uitkering, dan kan het niet opgelegde deel van de maatregel alsnog worden opgelegd. Dat is echter geen automatisme. Het College moet dan een nieuw maatregelbesluit nemen. Daarbij moeten alle afwegingen worden gemaakt die voor een normale maatregel gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingangsdatum maatregel De maatregel gaat in op de eerste dag van de maand waarin het maatregelbesluit wordt verstuurd. Als dat niet (meer) mogelijk is, dan wordt de ingangsdatum de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het besluit is verstuurd. De verlaging van de uitkering vanwege een maatregel kan alleen plaatsvinden op een betaling in de toekomst, dus in de maand volgend op de maand waarin het besluit wordt verzonden. De klant moet het besluit dus hebben voordat de maatregel wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.6Wat moet er in het besluit worden opgenomen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opleggen van een maatregel wordt neergelegd in een besluit. Daarin wordt het volgende vastgelegd: welk gedrag er is geconstateerd; in welke maatregelcategorie dat gedrag valt; wat de hoogte is van de maatregel; wat de duur en ingangsdatum is van de maatregel; indien van toepassing: waarom geheel of gedeeltelijk is afgezien van het opleggen van een maatregel; welke mogelijkheden er zijn om de maatregel te herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.7Hoe kan de maatregel worden herzien?</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkeerregeling Het kan zijn dat de klant zijn gedrag verbetert nadat een maatregel is opgelegd. Zodra dit aantoonbaar het geval is, kan de klant een beroep doen op de zgn. ‘inkeerregeling’. De klant kan dan binnen een maand na verzending van het maatregelbesluit een beroep doen op herziening van de maatregel omdat hij zijn gedrag heeft verbeterd. Als er sprake is van recidive, dan wordt die termijn gesteld op de duur van de maatregel (zie par. 6.2.3). De inkeerregeling geldt alleen voor maatregelen die betrekking hebben op het niet nakomen van arbeidsverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedragsverbetering van de klant moet ondubbelzinnig blijken uit zijn houding en gedragingen. Het is onvoldoende dat de klant alleen ‘beterschap’ belooft of goede bedoelingen heeft. Het moet duidelijk zijn dat de klant volledig aan zijn verplichtingen is gaan voldoen. Dan kan de maatregel worden ingetrokken. Het verzoek moet schriftelijk worden ingediend of via het mailadres van het College.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de uitkeringsgerechtigde zijn gedrag heeft verbeterd en verzoekt om toepassing van de inkeerregeling, wordt de maatregel ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3Boete Degene die gebruik maakt van de sociale zekerheid is verplicht aan het uitkeringsorgaan alle informatie te verstrekken die van belang is voor het juist verstrekken van een uitkering. We noemen dat de inlichtingenverplichting. Zie ook hoofdstuk 5 ‘Verplichtingen’. Het niet nakomen van de inlichtingenverplichting wordt in de wet- en regelgeving beschouwd als een overtreding. Het College legt daarom een bestuurlijke boete op, als de klant de inlichtingenplicht niet is nagekomen. Soms moet het College aangifte doen bij het openbaar Ministerie. Dan wordt geen boete opgelegd. Zie par. 6.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.1Wanneer doen we aangifte?</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van financiële benadeling van het College, kan een boete worden opgelegd of aangifte bij het Openbaar Ministerie worden gedaan. Benadeling kan bijvoorbeeld ontstaan door het verzwijgen van inkomsten, vermogen of samenwoning. We noemen dit fraude. Wanneer het fraudebedrag boven de aangiftegrens uitkomt, doet het College aangifte. De aangiftegrens ligt op € 50.000, maar soms kan ook bij een lager fraudebedrag aangifte worden gedaan. Aangifte wordt gedaan door sociaal rechercheurs van het College. Er wordt dan ook een proces-verbaal opgemaakt voor het Openbaar Ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College legt geen boete op zolang het Openbaar Ministerie een aangifte van het strafbare feit onderzoekt. Het strafbare feit is in het algemeen het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Opsporing en vervolging van bijstandsfraude zullen in het algemeen gebaseerd zijn op artikel 225 Wetboek van Strafrecht (WvSr - valsheid in geschrifte), de artikelen 227 a en 227 b WvSr, of 447 c en 447 d WvSr (schending wettelijke inlichtingenplicht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra het Openbaar Ministerie strafvervolging heeft ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is gestart, kan Het college geen boete meer opleggen. Dit is ook het geval als een schikkingsvoorstel van het Openbaar Ministerie wordt geaccepteerd. Daardoor vervalt het recht tot strafvervolging en het opleggen van een boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.2Grondslagen bestuurlijke boete De boete is geregeld in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. Verder schrijft de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de procedure voor. Daarnaast zijn enkele uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van belang. Jurisprudentie is van belang bij het bepalen van de bestuurlijke boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.3Belangrijke aspecten bij opleggen van de bestuurlijke boete De procedure die geldt voor het opleggen van een boete is geregeld in de Awb. Van belang is allereerst, dat een zorgvuldig onderzoek wordt verricht. Voor dat onderzoek zijn bepaalde procedurele stappen belangrijk. Verder gelden er verschillende vormvereisten waar het College rekening mee moet houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdlijnen zijn de volgende procedurele stappen van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststellen overtreding Overdragen aan boetemedewerker Rapporteren overtreding Voornemen tot opleggen boete Zienswijze van de klant Cautie Voorbereiden boete-besluit Besluit boete Deze stappen worden hieronder verder toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststellen overtreding Een boete kan pas worden opgelegd als het College heeft vastgesteld, dat een klant de op hem rustende inlichtingenverplichting op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ niet is nagekomen. Deze constatering kan door iedereen gebeuren die met de uitvoering van deze wetten belast is. Dit zijn o.a. de consulent werk, consulent inkomen en de consulent terugvordering en verhaal..</p>\n<p class=\"lf-p\">Overdragen aan boetemedewerker Het verdere onderzoek naar een mogelijke boete mag niet worden uitgevoerd door diegene die de overtreding heeft vastgesteld. Daarom moet er een overdracht plaatsvinden aan de boeteambtenaar van het team Inkomen. De boeteambtenaar voert het boeteonderzoek uit, maar alleen bij een bedrag hoger dan benoemd in Artikel 10:3, lid 4 AwB welke verwijst naar Art. 5:53, AwB. Hij gaat daarbij uit van de gesignaleerde schending van de inlichtingenverplichting en de rapportage die hij daarover heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapporteren overtreding De constatering van de overtreding moet worden vastgelegd in een ‘boeterapport’. Dit boeterapport mag uitsluitend feiten bevatten, geen meningen, veronderstellingen of aannames.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het boeterapport kent de volgende opbouw: de naam van de overtreder; het wettelijk voorschrift dat is overtreden (de schending van de inlichtingenverplichting); de datum/periode waarop de overtreding heeft plaatsgehad; de informatie die gemeld had moeten worden; de wijze waarop de overtreding is geconstateerd (omschrijving van hoe Het College de schending van de inlichtingenverplichting ontdekt heeft); de dagtekening van het boeterapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit rapport wordt in ieder geval geen melding gemaakt van: de reden van de overtreding; bijzonderheden die bij de beslissing om een boete op te leggen een rol kunnen spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voornemen tot opleggen boete De klant moet schriftelijk worden geïnformeerd over het voornemen van het College om een boete op te leggen. Als bijlage wordt het ‘boeterapport’ (Rapportage onderzoek opleggen boete) meegezonden. Het voornemen is geen besluit. Er is geen bezwaar mogelijk tegen het voornemen tot opleggen boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zienswijze van de klant Bij het informeren van de klant over het voornemen om een boete op te leggen wordt de klant ook in de gelegenheid gesteld om zijn mening (zienswijze) te geven op de door de gemeente geconstateerde overtreding. De klant kan zijn zienswijze geven op de volgende manieren: tijdens een gesprek op kantoor; of schriftelijk (niet via de mail, omdat een handtekening vereist is);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College laat het aan de klant over om te bepalen hoe hij zijn zienswijze wil geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstaan door een tolk bij onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal De Awb en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) schrijven voor dat de gemeente moet zorgen voor een tolk als duidelijk is dat dit nodig is voor de verdediging van de klant tijdens het zienswijzegesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cautie De klant die kennis neemt van het voornemen tot het opleggen van een boete, kan gebruik maken van het zwijgrecht. Er bestaat geen wettelijke verplichting om mee te werken aan een veroordeling. Het College is daarom verplicht om de klant te wijzen op zijn zwijgrecht. Deze mededeling wordt de cautie genoemd. De cautie moet altijd worden gegeven voordat een gesprek over het voornemen tot opleggen van een boete wordt gevoerd. Zonder cautie geen boete. Dat betekent trouwens niet, dat de klant het recht heeft om in een gesprek onjuiste informatie te geven. De informatie die de klant wel verstrekt, moet altijd juist zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zwijgrecht brengt met zich mee dat de klant niets hoeft te verklaren over zijn gedrag of zijn overwegingen die geleid hebben tot de overtreding. Dat staat echter los van de inlichtingenverplichting op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ. Die is onverminderd van toepassing. Dat betekent, dat de klant nog steeds verplicht is om alle informatie te geven die van belang is voor de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereiden boetebesluit Ten slotte worden alle feiten en omstandigheden omtrent de overtreding beoordeeld. Wat van belang is wordt afgewogen om tot een definitief boetebesluit te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4Hoogte van de boete De volgende punten zijn in ieder geval van belang bij het bepalen van de hoogte van de boete: benadelingsbedrag (zie par. 6.3.4.1) recidive (6.3.4.2) mate van verwijtbaarheid (6.3.4.3) draagkracht (6.3.4.4) dringende redenen (6.3.4.5) maximale boete (6.3.4.6) Deze punten worden hieronder kort toegelicht. De uitkomst van deze voorbereidingsfase kan trouwens ook zijn dat er geen boete wordt opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4.1Benadelingsbedrag De boete wordt in de eerste plaats bepaald door het benadelingsbedrag. Dat is het bedrag, dat de klant ten onrechte heeft ontvangen door de schending van de inlichtingenverplichting. Het benadelingsbedrag is gelijk aan de netto vordering die is ontstaan doordat de klant de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de klant de inlichtingenverplichting niet nagekomen zonder dat dat heeft geleid tot een benadelingsbedrag (zgn. nulfraude), dan wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven en legt het College geen boete op. Als het benadelingsbedrag klein is, maximaal € 150,-, kan ook een waarschuwing worden gegeven. Dit is anders als er sprake is van recidive. Zie par. 6.3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4.2Recidive Als de klant voor de tweede keer de inlichtingenverplichting heeft geschonden, dan moet de boete worden verhoogd als binnen vijf jaar nadat een onherroepelijke boete is opgelegd opnieuw een boete wordt opgelegd en bij de tweede boete sprake is van een benadelingsbedrag. In dat geval is er volgens de Participatiewet sprake van recidive en moet de boete verhoogd worden. Bepalend is de datum waarop het eerste en het volgende boetebesluit is genomen. Die periode mag niet langer zijn dan vijf jaar. Als de klant door de strafrechter is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, wordt de recidivetermijn tien jaar. Er moet wel sprake zijn van hetzelfde type overtreding. Als er sprake is van een ander type overtreding dan is er geen sprake van recidive.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij recidive wordt de boete in beginsel verhoogd tot 150% van het benadelingsbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4.3Mate van verwijtbaarheid Als de inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is dit verwijtbaar gedrag. Het kan zelfs zijn dat er opzet aan de orde is. Uitgangspunt bij het vaststellen van de hoogte van de boete is dat er sprake is van ‘normale’ verwijtbaarheid. Het ligt op de weg van de klant om aan te tonen dat het gedrag niet of minder verwijtbaar is geweest en dat de boete dus lager moet worden vastgesteld. Het ligt echter op de weg van de boetemedewerker van het College om aan te tonen dat de gedraging opzettelijk of ernstig verwijtbaar is en de boete dus hoger moet worden vastgesteld. Dat is aan de orde als de boetemedewerker van mening is dat er sprake is van meer dan normale verwijtbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boetemedewerker beoordeelt aan de hand van alle feiten en omstandigheden of er sprake is van normale verwijtbaarheid of een verminderde of juist verhoogde mate van verwijtbaarheid. Dit gebeurd op basis van Artikel 2a, Boetebesluit. Als de klant van mening is, dat zijn gedrag minder verwijtbaar is, zal hij met argumenten en bewijzen moeten komen die de verminderde verwijtbaarheid aantonen. Dit kan de klant doen bij het geven van zijn zienswijze op het voornemen tot het opleggen van een boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verschillende gradaties van verwijtbaarheid horen verschillende boetepercentages:</p>\n<p class=\"lf-p\">100 % bij aangetoonde opzet;</p>\n<p class=\"lf-p\">75 % bij ernstige verwijtbaarheid of grove schuld;</p>\n<p class=\"lf-p\">50 % bij normale verwijtbaarheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">25 % bij verminderde verwijtbaarheid Als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt legt het College geen boete op.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4.4Draagkracht Het besluit om een boete op te leggen, mag er niet toe leiden dat de klant een onevenredig nadeel ondervindt in zijn inkomen of vermogen. Het is niet geoorloofd om de boete zo hoog te maken, dat de klant voor een lange periode op of onder het bestaansminimum moet leven. Daarom geldt er bij het vaststellen van de hoogte van de boete een tijdsbegrenzing. Deze begrenzing is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid. Hoe sterker verwijtbaar de overtreding is, hoe langer de klant een boete moet kunnen afbetalen en hoe hoger daarom de boete kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt concreet zo uitgewerkt, dat bij opzettelijk handelen al het inkomen boven de standaard beslagvrije voet volledig beschikbaar is voor het aflossen van de boete met een maximum van 24 maanden. De boete is dan maximaal het bedrag dat iemand in die periode kan betalen boven de beslagvrije voet. Is er sprake van verminderde verwijtbaarheid, dan wordt de maximale boete lager, zoals onderstaande tabel duidelijk maakt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Mate van verwijtbaarheid Percentage van het benadelingsbedrag Maximale boete op basis van aflossingscapaciteit Opzet 100% 24x draagkracht per maand Grove schuld 75% 18x draagkracht per maand Normale verwijtbaarheid 50% 12x draagkracht per maand Verminderde verwijtbaarheid 25% 6x draagkracht per maand Geen verwijtbaarheid 0% n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de klant geen informatie wenst te verstrekken over zijn inkomsten wordt de boete niet gemaximeerd op grond van de draagkracht. Het is een verantwoordelijkheid van de klant om aan te tonen dat er geen of minder draagkracht in het inkomen is. Dit geldt niet voor personen die een bijstandsuitkering of soortgelijke uitkering van de gemeente ontvangen. Van hen is het inkomen immers bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kostendelers hebben ook draagkracht in het inkomen. Hun draagkracht wordt vastgesteld op 10% van de bijstandsnorm voor een alleenwonende alleenstaande, of meer, als het inkomen hoger is dan de bijstandsnorm voor die alleenstaande.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4.5Dringende redenen Voor het vaststellen van de hoogte van de boete is ten slotte nog van belang of er sprake is van persoonlijke omstandigheden die een dringende reden vormen om de boete te verlagen of er in het geheel van af te zien. Dat is het geval als de boete onevenredige gevolgen voor de klant heeft. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een dreigende huisuitzetting of bij ernstige verwaarlozing van kinderen, die geraakt worden als de boete wordt opgelegd. Dringende redenen zijn aanwezig als de boete leidt tot een levensbedreigende situatie of als ernstig geestelijk of lichamelijk letsel dreigt door de boeteoplegging.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4.6Maximale boete Als alles wat van belang is voor het vaststellen van een boete in beeld gebracht is, dan moet worden beoordeeld of de boete niet hoger is dan de maximale boetes die de strafrechter kan opleggen. In geval van opzet is dat het maximumbedrag conform artikel 23, lid 4, Wetboek van Strafrecht. In geval van verwijtbaarheid is dat het maximumbedrag voor een boete zoals genoemd in de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.5Beslissing over de boete Nadat alle feiten en omstandigheden met betrekking tot de overtreding tegen elkaar afgewogen zijn, kan het boete-onderzoek worden afgerond. De beslissing over de boete wordt aan de klant bekendgemaakt door middel van een besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thema Artikelen Maatregelen – opleggen maatregel 18 lid 2 Participatiewet, 20 IOAW, 20 IOAZ en 5:4 Algemene wet bestuursrecht Maatregelen – gedragingen 18 lid 4 Participatiewet en 4.6 Verzamelverordening Maatregelen – ingangsdatum en tijdvak 4.3 Verzamelverordening Maatregelen – afzien van verlaging 18 lid 9 en 10 Participatiewet, 20 lid 3 IOAW, 20 lid 3 IOAZ, 5:5 Algemene wet bestuursrecht en 4.3 Verzamelverordening Maatregelen - hoogte 18 lid 1 en 2 Participatiewet, 20 lid 2 IOAW, 20 lid 2 IOAZ, 4.4 t/m 4.7 en 4.9 t/m 4.13 Verzamelverordening en 2 en 2a Boetebesluit sociale zekerheidswetten Maatregelen - geüniformeerde 18 lid 4 t/m 8 Participatiewet en 4.5 Verzamelverordening Maatregelen – inkeerregeling 18 lid 11 Participatiewet en 4.8 Verzamelverordening Boete – opleggen boete 18a lid 1 Participatiewet, 20a lid 1 IOAW, 20a lid 1 IOAZ en 5:40 Algemene wet bestuursrecht Boete – afzien van boete 18a lid 4 en 7 Participatiewet, 20a lid 4 en 7 IOAW, 20a lid 4 en 7 IOAZ en 5:41 t/m 5:45 Algemene wet bestuursrecht Boete – hoogte 18a 1 t/m 4, 10 t/m 13 Participatiewet, 20a lid 1 t/m 4, 10 t/m 13 IOAW, 20a lid 1 t/m 4, 10 t/m 13 IOAZ, 5:46 Algemene wet bestuursrecht en Boetebesluit sociale zekerheidswetten Boete – verhouding tot strafrecht 5.44 Algemene wet bestuursrecht Boete – procedure 5:48 t/m 5:53 Algemene wet bestuursrecht Hoofdstuk7Uitvoeringszaken Dit hoofdstuk gaat in de eerste plaats over de procedures bij het College. Besproken wordt hoe het uitkeringsproces eruit ziet, van het eerste contact tussen klant en het College, tot de beëindiging van de uitkering. Behandeld worden vragen als: Hoe kan een uitkering worden aangevraagd? Wat gebeurt er als niet alle gegevens bekend zijn? Wanneer wordt de uitkering uitbetaald? Wat kan de klant die recht heeft op bijstand van het College verwachten? Wat gebeurt er bij de beëindiging van de uitkering?</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt ingegaan op een aantal regels over het verstrekken van bijstand. Besproken worden o.a. wat de regels zijn over vakantie in het buitenland, wanneer het College een voorschot op de uitkering moet verstrekken, hoe klanten geholpen worden om inkomsten te verwerven, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot wordt in dit hoofdstuk ook aandacht besteed aan ondersteuning van cliënten in het contact met het College, de mogelijkheden om een klacht in te dienen en bezwaar en beroep in te stellen en wordt kort beschreven hoe aandacht besteed wordt aan bescherming van de privacy van gegevens van klanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk gaat over bijstand op grond van de Participatiewet. Soms hebben inwoners geen recht op bijstand, maar wel op een uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz. De procedures en de regels voor deze uitkeringen zijn vaak dezelfde als voor bijstand, maar kunnen op sommige punten anders zijn. In dit hoofdstuk wordt op die verschillen niet verder ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudsopgave 7.1 De aanvraagprocedure 7.1.1 Aanleveren gegevens 7.1.2 Aanvragen informatie door het College 7.1.3 Het checken van gegevens 7.1.4 Bankgegevens 7.1.5 Huisbezoek 7.1.6 Woonplaats 7.1.7 Beslistermijn 7.1.8 Hersteltermijn 7.1.9 Voorschot 7.2 De toekenning 7.2.1 Ingangsdatum uitkering 7.2.2 Uitbetaling uitkering 7.2.3 Overbruggingsuitkering 7.2.4 Inhouding en doorbetaling van vaste lasten 7.3 Na de toekenning 7.3.1 Werk of opleiding 7.3.2 Doorgeven wijzigingen 7.3.3 Opschorten en blokkeren uitkering 7.3.4 Vakantie 7.3.4.1 Vakantie in het buitenland 7.3.4.2 Vakantie in Nederland 7.4 De beëindiging 7.5 Ondersteuning van de klant 7.5.1 De klant machtigt een vertegenwoordiger 7.5.2 Curator of bewindvoerder 7.5.3 Gebruikmaken van een tolk 7.5.4 Clientondersteuning 7.5.5 Cliëntenraad 7.6 Wettelijke basis 7.1De aanvraagprocedure Een bijstandsuitkering wordt niet automatisch toegekend. Er is een aanvraag voor nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitkering moet digitaal worden aangevraagd via UWV (www.werk.nl). Uitzondering hiervoor is de aanvraag van zak- en kleedgeld. Dit kan ook schriftelijk worden aangevraagd. Voor deze digitale aanvraag is een digitale hand tekening nodig via DigiD.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klanten die niet in staat zijn om de aanvraag digitaal te doen, kunnen op telefonisch verzoek een schriftelijk aanvraagformulier krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de bijstand via www.werk.nl is aangevraagd krijgt de klant per brief een uitnodiging voor een gesprek De klant ontvangt een checklist van documenten die de klant moet aanleveren, zodat het recht op bijstand beoordeeld kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de klant gehuwd of woont de klant samen, dan moet de uitkering ook gezamenlijk worden aangevraagd. Als een inwoner geen vaste woon- of verblijf plaats heeft, maar wel binding met de gemeente Lochem, dan wordt de klant doorverwezen naar de gemeente Deventer. Die gemeente is verantwoordelijk voor het verstrekken van bijstand aan personen zonder vaste woon- of verblijfplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integrale intake Nadat de klant de aanvraag heeft ingediend, wordt hij/zij uitgenodigd voor een gesprek met een medewerker van het College. Dit gesprek wordt de ‘integrale intake’ genoemd. In dat gesprek wordt de persoonlijke en financiële situatie van de klant besproken. Daarbij wordt vooral gekeken naar wat de klant kan en wil. De integrale intake wordt verwerkt in een plan, gericht op werk of participatie. Ook andere leefgebieden dan werk en inkomen komen daarbij aan de orde. Deze integrale intake kan ertoe leiden, dat de klant doorverwezen wordt naar andere instanties, bijvoorbeeld UWV, als er een mogelijkheid is om daar een uitkering aan te vragen of een opleiding te beginnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gesprek met de klant kan er ook toe leiden dat de aanvraag ingenomen en behandeld gaat worden als duidelijk is dat er geen andere mogelijkheden zijn om in de kosten van het levensonderhoud te voorzien. De medewerker maakt een verslag van het gesprek en maakt een persoonsdossier aan. Het verslag, en andere belangrijke informatie, wordt in dit dossier opgeborgen. Zo nodig wordt een vervolggesprek ingepland, om de situatie van de klant verder door te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College beslist zo snel mogelijk op de aanvraag, maar in ieder geval binnen acht weken na ontvangst van de gevraagde documenten. Als er gegevens ontbreken, die nog moeten worden aangeleverd, dan duurt de aanvraag en de beslissing op de aanvraag langer. Zie verder par.7.1.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat het geval is, wordt de klant uitgenodigd voor een vervolggesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoektermijn jongeren tot 27 jaar Voor jongeren tot 27 jaar geldt een andere procedure. Als de jongere (tot 27 jaar) zich bij het College meldt voor een uitkering, dan geldt voor deze jongere een zoektermijn van vier weken. Tijdens deze vier weken kan de jongere nog geen aanvraag indienen en vraagt het College van de jongere om activiteiten in gang te zetten in de richting van werk of scholing. Deze activiteiten kunnen onder andere bestaan uit het inschrijven bij uitzendbureaus, solliciteren en eventueel het vinden van een opleiding. De activiteiten worden afgestemd op de mogelijkheden van de klant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de jongere binnen de zoektermijn van vier weken geen werk of opleiding heeft gevonden kan de jongere zich opnieuw melden bij het College. Het College geeft de jongere bij eerste melding een aanvraagformulier mee, dat na de zoektermijn ingevuld en ingeleverd kan worden. Het College boekt vervolgens een gesprek met de jongere in. In dat gesprek wordt beoordeeld of de jongere een uitkering kan krijgen, dit moet mede gedaan worden op basis van bewijsdocumenten. Wordt een uitkering toegekend dan krijgt de jongere ook een zorg- of arbeidscoach die de jongere ondersteunt bij het vinden van een opleiding en/of werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de jongere een partner heeft die ook jonger is dan 27 jaar, geldt voor beiden de zoektermijn van vier weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.1Aanleveren gegevens Om te kunnen beoordelen of er recht op bijstand bestaat, moet er duidelijkheid zijn over een aantal gegevens. Het gaat dan om gegevens over bijvoorbeeld de woon- en leefsituatie, het vermogen en het inkomen. De klant heeft de wettelijke plicht om op verzoek of uit eigen beweging zo snel mogelijk alles te melden wat van invloed kan zijn op de arbeidsinschakeling en het recht op bijstand. Dat geldt ook voor documenten, die een bewijs vormen voor die gegevens (bewijsstukken). De klant heeft kortgezegd een inlichtingenplicht. Dat is de verplichting om informatie te geven en daarvan bewijzen te laten zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de klant niet voldoet aan de inlichtingenplicht, kan het College geen bijstand verlenen, omdat het recht op uitkering niet vastgesteld kan worden. Voor meer informatie over de inlichtingenverplichting, zie hoofdstuk 5 ‘Verplichtingen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.2Aanvragen informatie door het College Het College kan hulp aanbieden als het de klant niet lukt om inlichtingen en bewijsstukken van Nederlandse of buitenlandse instanties te verkrijgen. Het College kan er ook voor kiezen om zelf de gegevens en bewijsstukken namens de aanvrager op te vragen. Als het dan nog niet lukt om benodigde gegevens en bewijsstukken te verkrijgen, is de conclusie dat de betreffende gegevens en bewijsstukken redelijkerwijs niet kunnen worden geleverd. Met behulp van de gegevens die er wel zijn, moet het College dan vaststellen of de klant recht op bijstand heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.3Het checken van gegevens Doel van het aanvraagproces is dat duidelijk wordt of de klant recht heeft op een bijstandsuitkering. Noodzakelijke gegevens moeten dus geverifieerd worden, dwz. de juistheid van de gegevens moet worden gecheckt. Gegevens kunnen op verschillende manieren worden gecheckt: bijvoorbeeld aan de hand van bewijsstukken, door middel van een huisbezoek en door andere instanties te raadplegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal instanties is verplicht én bevoegd, om informatie te verstrekken. Het moet hier wel gaan om feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn om de Participatiewet te kunnen uitvoeren. Deze instanties staan genoemd in de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens over de woon - en leefsituatie worden altijd gecheckt met de Basisregistratie Personen (BRP). In BRP staan niet alleen gegevens over de woonplaats van de aanvrager, maar ook over wie nog meer in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. De BRP geeft ook duidelijkheid over de verblijfstatus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere gegevens worden eerst gecheckt aan de hand van de bewijsstukken die de klant heeft. Als er twijfels zijn over de juistheid of echtheid van de gegevens kunnen deze gecheckt worden bij andere instanties. Dat kan bijvoorbeeld door bestandskoppeling (SUWI-net).</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke bewijsstukken noodzakelijk zijn, hangt af van de individuele situatie. De gegevens en bewijsstukken die opgevraagd worden, kunnen dan ook per persoon verschillen. Belangrijk is of alle noodzakelijke gegevens aanwezig zijn. Ook alle bewijsstukken moeten zijn aangeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.4Bankgegevens Om de inkomsten en het vermogen van de klant vast te stellen is het nodig om de bankafschriften in te zien. Het is voor het recht op bijstand meestal niet nodig om alle uitgaven te kunnen lezen. De klant heeft in principe de keuze om de omschrijving en de bedragen van de uitgaven onleesbaar te maken. In geen geval mag de klant de bedragen van het beginsaldo en het eindsaldo onleesbaar maken. Ook de omschrijving en de bedragen van de inkomsten moeten altijd leesbaar blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steeds meer klanten bankieren via internet. Vaak ontvangen zij dan geen papieren bankafschriften meer van hun bank. Een uitdraai van het rekeningoverzicht via telebankieren is voldoende. Als de medewerker van het College vermoedt dat de klant met creatief knippen en plakken het internetbankafschrift heeft aangepast, dan kan hij de klant vragen om op het Werkcollege in te loggen. Het benodigde bankafschrift kan dan ter plekke worden geprint. In het dossier van de klant worden afschriften van de bankafschriften van de laatste drie maanden opgenomen. Soms is het nodig om nog meer afschriften in het dossier op te nemen. Dat is bijvoorbeeld zo, als er sprake is van sterk wisselende banksaldi of van kasstortingen zonder acceptabele verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.5Huisbezoek Voor het vaststellen van de woon- en leefsituatie van een klant kan het nodig zijn om een huisbezoek af te leggen. Een huisbezoek kan ook om andere redenen plaatsvinden, bijvoorbeeld als de klant zorgbehoevend is of als de klant problemen ervaart bij het aan het werk komen. Bij een redelijk vermoeden dat in de woning vermogen aanwezig is, of dat er thuiswerk plaatsvindt, is een huisbezoek ook een passend middel. Het huisbezoek vindt plaats met toestemming van de klant. Het moet voor de klant volstrekt duidelijk zijn welke gevolgen het heeft als hij het huisbezoek weigert of toestaat (zogenaamde. ‘informed consent’). De toestemming wordt schriftelijk vastgelegd. Er wordt een verslag van het huisbezoek gemaakt, ook als een medewerker van het College niet wordt binnengelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afleggen van een huisbezoek kan ertoe leiden dat de aanvraag wordt afgewezen of een lopende uitkering wordt beëindigd. Uit het huisbezoek kan namelijk blijken dat de klant een andere woonplaats heeft, met iemand samenwoont, medebewoners of bijvoorbeeld een kostbare inboedel heeft, of thuiswerk doet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitstel huisbezoek als er wel een specifieke aanleiding is voor het huisbezoek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek van de klant om het huisbezoek te verschuiven naar een later tijdstip wordt in principe niet ingewilligd. De klant zou dan de woonsituatie kunnen wijzigen. Alleen bij zeer dringende redenen is uitstel mogelijk. Acute opname in het ziekenhuis of een sollicitatiegesprek zijn voorbeelden van dringende redenen. De klant moet dit ook kunnen bewijzen. Een bezoek aan de huisarts is geen dringende reden voor uitstel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigering huisbezoek als er een specifieke aanleiding is voor het huisbezoek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een duidelijke aanleiding voor het huisbezoek als er sprake is van een redelijk vermoeden dat de klant onjuiste inlichtingen heeft gegeven over zijn woon- of leefsituatie. Er moet sprake zijn van concrete, objectieve feiten en omstandigheden, waardoor redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid van de verstrekte inlichtingen. Een risico-inschatting of een anonieme klik zijn daarvoor onvoldoende. Als de klant weigert toestemming te geven voor het huisbezoek dan gaat het niet door! Als de klant bij zijn weigering blijft wordt de aanvraag afgewezen. Als de uitkering inmiddels loopt, dan wordt die beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weigering huisbezoek als er geen specifieke aanleiding is voor het huisbezoek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook als er géén specifieke aanleiding is voor een huisbezoek kan dit gevolgen hebben voor de uitkering. Dat is het geval als de klant niet meewerkt aan een huisbezoek en niet op een andere manier zijn leef- of woonsituatie kan aantonen. De uitkering van de klant wordt dan verlaagd. De klant heeft na de weigering van het huisbezoek de gelegenheid zijn leefsituatie op een andere manier aan te tonen. De betaling van de lopende uitkering wordt opgeschort. De weigering kan ook aanleiding zijn voor het instellen van vervolgonderzoek. Als uit de verzamelde gegevens aanwijzingen komen dat de klant onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven over zijn woon- en/of leefsituatie, dan heeft de herhaalde weigering van het huisbezoek tot gevolg dat de uitkering wordt afgewezen of beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.6Woonplaats Iemand heeft recht op bijstand in de gemeente waar hij zijn woonplaats heeft. Heeft de klant geen vaste woonplaats, dan is het de gemeente waar hij daadwerkelijk verblijft. Dit is anders als er sprake is van een dakloze: die kan zich melden bij de gemeente Deventer voor een uitkering als hij een binding heeft met de gemeente Lochem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een tijdelijk verblijf elders geeft een klant zijn woonplaats niet op, bijvoorbeeld als hij voor revalidatie tijdelijk in een verpleeghuis verblijft. Als het verblijf in een inrichting niet meer tijdelijk, maar permanent wordt, gaat de bijstandsverlening over van de vertrekgemeente naar de gemeente waar de inrichting is gevestigd. Om te bepalen of iemand nog zijn woonplaats in de gemeente Lochem heeft, is bepalend op welke plek het centrum van het maatschappelijk leven van die persoon ligt. Dat moet uit de feiten en omstandigheden blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt bij het vaststellen van de woonplaats is: \"Zich bevinden = Woonplaats = Adres in BRP”. De aanvrager moet dus ingeschreven staan in de BRP van de gemeente Lochem. Het adres in de BRP moet hetzelfde zijn als het adres dat de aanvrager opgeeft. Is dat niet zo of staat de aanvrager niet in de BRP ingeschreven, dan moet hij aantonen (met huurcontract, huurbetalingsbewijzen, bewijzen betaling energienota's, etc.) waar hij werkelijk verblijft. Het adres moet in BRP dan zo snel mogelijk worden aangepast aan de feitelijke situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klant heeft de taak de registratie in de BRP in overeenstemming te brengen met de werkelijke situatie. De klant moet dus kunnen aantonen dat hij daadwerkelijk in de gemeente Lochem woont. De gemeente waar de klant zijn woonplaats heeft, is de gemeente die bijstand verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College kan op individuele basis besluiten om het gebruik van een postbus toe te staan, bijvoorbeeld in het geval de klant het adres deelt met anderen waardoor regelmatig post zoekraakt of bij een ernstig slechtziende alleenwonende klant.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.7Beslistermijn Nadat de klant de aanvraag om een bijstandsuitkering heeft ingediend, moet het College binnen acht weken een besluit op de aanvraag nemen. Die termijn wordt de beslistermijn genoemd. Deze beslistermijn kan eenmalig worden verlengd met een redelijke termijn. De klant moet daarvan dan op de hoogte worden gesteld. Denk daarbij aan ingewikkelde situaties, waarbij het lastig is om een goed beeld van de omstandigheden van de klant te krijgen en het recht op bijstand vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslistermijn wordt opgeschort, zolang de klant niet aan zijn inlichtingenplicht voldoet. Die opschorting gebeurt met een beschikking. Daarmee wordt de beslistermijn verlengd. De klant krijgt dan een redelijke termijn, waarbinnen de gevraagde gegevens alsnog moeten worden verstrekt. Die termijn wordt de hersteltermijn genoemd. Zie ook par. 7.1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.8Hersteltermijn Als de klant onvoldoende gegevens of bewijsstukken heeft aangeleverd om de aanvraag te kunnen beoordelen, dan kan de aanvraag niet worden beoordeeld en kan het College besluiten om de aanvraag niet te behandelen. De aanvraag wordt dan ‘buiten behandeling gesteld’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat een aanvraag buiten behandeling kan worden gesteld, moet het College de klant vragen om de gegevens alsnog te verstrekken. De aanvraag moet dan worden ‘aangevuld’. Het College zal daarvoor een termijn stellen. Dat wordt ook wel een ‘hersteltermijn’ genoemd. De termijn die daarvoor wordt gebruikt hangt af van de gegevens waar het om gaat. Een bankafschrift kan vaak snel worden aangeleverd, maar een notariële akte kan meer tijd kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgt de klant een wettelijk WSNP-traject en is door de bewindvoerder een postblokkade ingesteld, waardoor de post aan de klant eerst naar de bewindvoerder gaat, dan moet bij de lengte van de hersteltermijn rekening worden gehouden met de postbezorging en de postblokkade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een hersteltermijn moet altijd vastgelegd worden in een beschikking. Daarin wordt vermeld welke gegevens de klant nog moet aanleveren en wat de gevolgen zijn als de termijn wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn waarbinnen het College moet beslissen op een aanvraag (zie par. 7.1.7) wordt opgeschort met ingang van de dag van het schriftelijke verzoek om de ontbrekende gegevens. De opschorting loopt door tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn is verstreken. Als de klant niet binnen de herstel termijn de gegevens of bewijsstukken aanlevert, dan wordt de aanvraag in principe buiten behandeling gesteld. Dit besluit moet worden genomen binnen vier weken na afloop van de hersteltermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de klant binnen de hersteltermijn de meeste bewijsstukken wel aanlevert, maar er ontbreekt een kleinigheid, dan kan de hersteltermijn worden verlengd met een voor die situatie redelijke termijn. De klant heeft door het leveren van de meeste stukken namelijk laten zien dat hij meewerkt aan het onderzoek naar het recht op bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.9Voorschot Er bestaat geen recht op een voorschot als: de klant de noodzakelijke gegevens of bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of als de klant onvoldoende medewerking verleent; bij de aanvraag duidelijk is dat er geen recht op algemene bijstand bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Participatiewet kent de verplichting om voorschotten te verlenen tijdens de behandelingsduur van de aanvraag. Inwoners die bijstand aanvragen hebben in principe recht op een voorschot van (minimaal) 90% van de toepasselijke bijstandsnorm. Het voorschot moet binnen vier weken na de aanvraag worden uitbetaald en vervolgens iedere vier weken totdat de uitkering ingaat. De klant hoeft niet om een voorschot te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode van 4 weken begint te lopen op de aanvraagdatum. Bij het verstrekken van het voorschot moet rekening gehouden worden met eventuele inhoudingen, zoals de zorgverzekeringspremie (als klant heeft gemachtigd tot inhouding). Ook moet rekening worden gehouden met eventuele inkomsten van de klant – met het bedrag hiervan wordt het voorschot verlaagd. Met een eventueel beslag door derden of een schuld aan het College wordt geen rekening gehouden. Juist hierom is in de wet gekozen om het voorschotbedrag 90% van de toepasselijke norm te laten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlenen van een voorschot is beperkt tot de periode waarin de klant wacht op het besluit op een bijstandsaanvraag. Die periode is maximaal acht weken. Na de periode van 8 weken mag alleen een voorschot worden verstrekt als de beslistermijn is verlengd (zie par. 7.1.7 en 7.1.8). Die verlenging gebeurt met een besluit waarin een hersteltermijn wordt gegeven. Voor een voorschot bij wijze van overbrugging: zie par. 7.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de uitkering is toegekend, worden de voorschotten met de uitkering verrekend. Voorschotten die worden verstrekt in afwachting van de beslissing op de bijstandsaanvraag zijn fiscaal belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere situaties dan bij de aanvraag, verleent het College geen voorschot.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2De toekenning 7.2.1 Ingangsdatum uitkering Als er recht op bijstand bestaat, moet worden bepaald wat de ingangsdatum gaat worden. De ingangsdatum van de bijstandsuitkering is de datum waarop de klant zich heeft gemeld voor het indienen van een aanvraag. Dit is conform de meldingsdatum als benoemd in artikel 44, Participatiewet. Als de klant nog niet over een Digid beschikte en pas later de aanvraag heeft kunnen indienen, dan is de datum waarop de klant zich telefonisch bij het College heeft gemeld de ingangsdatum van de bijstandsuitkering (par. 7.1.1). Dat kan anders worden als er een langere periode zit tussen deze melding en de aanvraag. Als de klant onredelijk lang heeft gewacht met de aanvraag, is de aanvraagdatum de ingangsdatum. Per geval wordt dit beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan zijn dat een klant op advies van het UWV eerst een WW-uitkering heeft aangevraagd in plaats van bijstand en de WW-aanvraag vervolgens is afgewezen. Dan wordt de bijstand verstrekt vanaf de datum dat de WW zou zijn verleend als deze wel was toegekend. Hierbij geldt als voorwaarde dat de klant zich binnen 5 werkdagen na ontvangst van de afwijzing van de WW-aanvraag heeft gemeld om bijstand aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderlijke situaties is het mogelijk dat de bijstandsuitkering eerder ingaat. Dan moet er iets bijzonders aan de hand zijn geweest waardoor de klant de aanvraag niet eerder had kunnen indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.2Uitbetaling uitkering Een bijstandsuitkering wordt maandelijks uitbetaald op de bankrekening die door de klant is opgegeven. Bijstand aan gehuwden/samenwonenden kan aan beide partners afzonderlijk worden uitbetaald als zij dat willen. Ieder ontvangt dan de helft van het bedrag waarop ze samen recht hebben. De bijstand wordt achteraf uitbetaald. Dat betekent dat de bijstand wordt uitbetaald voor de 20’ste van de maand die volgt op de maand waarop recht op bijstand bestaat. Dat betekent ook dat de klant soms een lange periode moet overbruggen. Omdat dit financiële problemen met zich kan meebrengen, is het soms mogelijk om een overbruggingsuitkering te krijgen. Zie par. 7.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand is een netto bedrag. Het College draagt daarover premies volksverzekeringen en loonbelasting af. Voor de hoogte van de bijstand, zie hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over iedere maand uitkering wordt vakantietoeslag opgebouwd en gereserveerd. In de maand juni wordt de opgebouwde vakantietoeslag uitbetaald. Bij beëindiging van de uitkering wordt de tot dan opgebouwde vakantietoeslag ook uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.3Overbruggingsuitkering Het kan zijn dat de uitbetaling van de eerste uitkering enige tijd op zich laat wachten, nadat de aanvraag voor een bijstandsuitkering is toegekend. Zie par. 7.2.2. Dat kan tot gevolg hebben, dat de klant de periode tot de eerste uitbetaling financieel niet meer kan overbruggen. Het College kan daarin voorzien door een eenmalige overbruggingsuitkering toe te kennen. De overbruggingsuitkering wordt afgestemd op de concrete situatie. Of er een overbruggingsuitkering wordt verstrekt en hoe hoog die uitkering dan is, hangt af van een aantal factoren, zoals: de periode die moet worden overbrugd tot de eerste uitkering; de woon- en leefsituatie van de klant; evt. banksaldi en vermogen; evt. schulden; andere inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overbruggingsuitkering is een voorschot (bijzondere bijstand), op basis van een geldlening volgens het laagste aflossingspercentage van Hoofdstuk 8.1.6 van de beleidsvoorschriften Terugvordering en Verhaal, met de uitkering wordt verrekend. Het College stelt zich in het individuele geval coulant op, indien hiervan onredelijke of onbillijke gevolgen voor de cliënt heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.4Inhouding en doorbetaling van vaste lasten Een klant die moeite heeft om zijn financiële huishouding goed te regelen, kan soms geholpen zijn met het inhouden en doorbetalen van (bepaalde) vaste lasten vanuit de bijstandsuitkering. Maandelijks wordt dan een bepaald bedrag ter hoogte van de vaste lasten ingehouden op de uitkering en doorbetaald aan de betreffende instanties. Als de klant, of iemand namens de klant, verzoekt om inhouding en doorbetaling dan wordt dit niet standaard toegekend of afgewezen. Het verzoek zal inhoudelijk moeten worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling wordt gekeken naar een aantal elementen: de ernst van de (financiële) situatie van belanghebbende; de financiële zelfredzaamheid van belanghebbende; het beoogde resultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernst van de situatie Gekeken wordt ook naar de aanwezigheid van achterstanden in betalingen. Speciaal gaat de aandacht uit naar betalingsachterstanden bij de basisvoorzieningen, zoals kosten woning, energiekosten, watergelden en premies zorgverzekering. Wanneer er sprake is van wanbetaling, kunnen de aanbieders van deze basisvoorzieningen maatregelen treffen, die nadelig zijn voor belanghebbende, zoals opzeggen van de huur, afsluiten van gas, licht en water, en opzeggen van de zorgverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële zelfredzaamheid van belanghebbende Hieronder wordt verstaan in hoeverre belanghebbende zelfstandig in staat is zijn financiële zaken te regelen. Een verzoek tot inhouding van vaste lasten kan worden gedaan, omdat belanghebbende bijvoorbeeld bang is dat er achterstanden ontstaan in de betalingen. Dat is op zichzelf niet voldoende, maar als de klant niet in staat is zijn financiële zaken te regelen, kan de inhouding en doorbetaling van vaste lasten soms noodzakelijk zijn. Met budgetcoaching kan de klant ondersteund worden om weer zelfredzaam te worden, zodat de doorbetaling opgeheven kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoogde resultaat De hulpvraag van (of namens) de klant staat centraal, maar kan niet los worden gezien van het uiteindelijke doel: de klant regelt zijn eigen financiële huishouding weer zelf. Inhouding en doorbetaling van de uitkering is in principe een tijdelijke maatregel. Zodra de klant in staat is om zijn eigen financiële huishouding weer te regelen, wordt er toegewerkt naar een moment, waarop de klant weer zelf de inhoudingen en doorbetalingen kan doen. Als dat uitzicht er niet is, dan kan inhouding en doorbetaling voor een langere periode noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3Na de toekenning 7.3.1Werk of opleiding Zodra is vastgesteld dat de klant recht op bijstand heeft, wordt samen met de klant onderzocht op welke manier de bijstand zo kort mogelijk kan duren. Bijstand is namelijk het laatste vangnet en er bestaat pas recht op bijstand als er geen andere mogelijkheden zijn om in het levensonderhoud te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen van 27 jaar of ouder Voor personen van 27 jaar of ouder tot de pensioengerechtigde leeftijd, staat het verrichten van werk centraal. Bij de aanvraag om een uitkering bespreekt een medewerker van het College daarna met de klant het plan en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt en vult dit plan samen met de klant, verder aan. In het plan wordt vastgelegd welke kwaliteiten en mogelijkheden de klant heeft, wat de klant wil en kan, en worden acties opgenomen die de klant zal ondernemen om zijn kansen op werk te vergroten, of acties die de participatie in de samenleving vergroten. In het plan wordt ook opgenomen wat het College zal doen om de klant te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tredes Het College werkt met een categorie-indeling. Er zijn zes ‘tredes’. Iedere klant wordt ingedeeld in één van deze tredes (zie par. 1.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.2Doorgeven wijzigingen De klant is verplicht het College op de hoogte te stellen van alle wijzigingen die van belang zijn voor de uitkering. Voor het opgeven van de wijzigingen moet de klant gebruik maken van een wijzigingsformulier, dat standaard bij de toekenningsbeschikking aan de klant wordt meegestuurd. Klanten die inkomsten hebben, ontvangen van het College maandelijks een inkomstenformulier dat moet worden ingevuld en voor de aangegeven datum moet worden teruggestuurd naar het College. Als de klant dit niet doet, wordt de uitkering niet uitbetaald. Het recht op bijstand wordt dan in principe opgeschort, totdat de klant alsnog de gevraagde gegevens verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.3Opschorten en blokkeren uitkering Het recht op bijstand kan worden opgeschort, als de klant onvoldoende gegevens of bewijsstukken heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Het kan daarbij gaan om bijvoorbeeld een wijziging in inkomsten, gezinssamenstelling, vermogen etc. Ook kan het recht op bijstand worden opgeschort, als de klant onvoldoende medewerking verleent aan afspraken die het College met de klant heeft gemaakt of verzoeken die het College aan de klant heeft gedaan. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de klant niet meewerkt aan een huisbezoek, of het wijzigingsformulier niet op tijd inlevert. De bijstand wordt dan voorlopig niet meer uitbetaald. Het College stelt de klant daarvan met een beschikking op de hoogte en biedt de klant daarbij aan om alsnog de gegevens te verstrekken of de medewerking te verlenen. Als de klant dit voor de aangegeven datum doet, wordt de opschorting ongedaan gemaakt en de uitkering alsnog uitbetaald. Als de klant dit niet doet, wordt de uitkering beëindigd, tenzij dit de klant niet te verwijten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering kan administratief geblokkeerd worden op het moment dat er geen zekerheid is of er nog langer recht op bijstand bestaat. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er een sterk vermoeden bestaat dat de klant een belangrijke wijziging verzwijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.4Vakantie 7.3.4.1 Vakantie in het buitenland Volgens de Participatiewet heeft iedere klant per kalenderjaar recht op 28 dagen vakantie in het buitenland, met behoud van uitkering. Een langer verblijf in het buitenland dan de 28 dagen is niet mogelijk. Toch zijn er enkele uitzonderingen op deze 28-dagen termijn: aantoonbaar solliciteren, en een medische behandeling in het buitenland Aantoonbaar solliciteren in het buitenland Wanneer belanghebbende de mogelijkheid heeft een baan te krijgen in het buitenland en daarvoor in het buitenland aanwezig moet zijn om te solliciteren en zaken te regelen, dan is het mogelijk om langer dan 28 dagen in het buitenland te verblijven. Er moet dan wel een reëel uitzicht zijn op werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medische behandeling in het buitenland Een klant die in een buitenlandse kliniek een behandeling ondergaat, kan soms langer dan de voor hem/haar toegestane vakantietermijn met behoud van uitkering in het buitenland verblijven, voor de duur van de behandeling. Na overschrijding van de 28-dagen termijn, zal de bijstand dan worden omgezet in bijstand volgens de norm voor verblijf in een inrichting (zie hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’), zolang de behandeling duurt. Als het nodig is, kunnen de vaste lasten van de woning worden vergoed via de bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang zijn de volgende punten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandeling in het buitenland vindt plaats op indicatie van de behandelend arts én met toestemming van de Zorgverzekeraar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de behandeling in het buitenland moet de klant blijven voldoen aan de verplichtingen, verbonden aan de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakantie sparen niet toegestaan De toegestane periode van 28 dagen geldt per kalenderjaar. Deze dagen kunnen niet meegenomen worden naar een volgend kalenderjaar, wanneer niet de volle 28 dagen zijn benut en er nog dagen ‘over’ zijn. Het is niet mogelijk om twee toegestane periodes van 28 dagen aan “elkaar te plakken”. Bijvoorbeeld in december 28 dagen, en in januari van het volgend jaar 28 dagen (in totaal 56 dagen). Wel is toegestaan: 14 dagen in december, en vervolgens 14 dagen in januari, totaal 28 dagen aaneen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakantie en werk/scholing Een verblijf in het buitenland betekent dat de klant tijdelijk niet aan zijn werk- of re-integratieverplichtingen kan voldoen. De vakantie mag er niet toe leiden dat een werk- of scholingstraject wordt afgebroken of wordt belemmerd. Is dat wel het geval dan kan dit leiden tot verlaging van de uitkering (zie hoofdstuk 6 ‘Bestuurlijke sancties’). Het College verwacht dat de klant zelf vooraf toestemming of ‘verlof’ heeft aangevraagd bij de organisatie die het werk, het traject of opleiding verzorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststellen periode verblijf buitenland Voor de bepaling van de periode van verblijf in het buitenland, wordt de dag van vertrek niet meegeteld als een dag waarop belanghebbende in het buitenland verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooraf melden Het College verwacht van de klant, dat deze de vakantie in het buitenland vooraf ruimschoots op tijd doorgeeft aan de inkomensspecialist van het College. De vakantie moet in ieder geval zo vroeg mogelijk worden gemeld, zodat de klant voor de vakantie op de hoogte is of het College toestemming verleent voor de vakantie. De klant meldt zijn vakantie door middel van het wijzigingsformulier. De klant moet zijn reis van te voren hebben afgestemd met het re-integratiebureau en/of de opleiding, waar de klant evt. een traject volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College checkt of dit verblijf in het buitenland niet in strijd is met re-integratieverplichtingen. Wanneer de klant zonder toestemming naar het buitenland gaat, kan de uitkering worden verlaagd. Wanneer de klant te lang in het buitenland verblijft, wordt de klant uitgesloten van het recht op bijstand over die periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te lang verblijf buitenland bij gezinsuitkeringen Klanten die een gezinsuitkering ontvangen, hoeven niet samen en tegelijkertijd in het buitenland te verblijven. Elke partner heeft een eigen recht op de maximaal toegestane periode verblijf buitenland. Als een of meerdere gezinsleden te lang in het buitenland verblijft, wordt onderzocht of de uitkering van de in Nederland achterblijvende gezinsleden moet worden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra het gezin weer “compleet” is, wordt onderzocht of de gezinsnorm moet worden hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.4.2Vakantie in Nederland Klanten die een korte periode buiten de gemeente Lochem in Nederland op vakantie gaan, kunnen dat doen met behoud van uitkering. Ook een vakantie in het binnenland moet vooraf worden gemeld bij het College.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moet wel duidelijk zijn dat het om een tijdelijk verblijf buiten de gemeente Lochem gaat en niet de opmaat van een ‘verhuizing’ is. Een vakantie in Nederland is niet aan een termijn gebonden, maar de klant moet zich tijdens vakantie in Nederland wel aan zijn bijstandsverplichtingen houden. Als hij moet solliciteren, dan moet hij dat blijven doen. Hij moet zijn post bijhouden en op afspraken komen. Als de klant een traject volgt, dan maakt hij afspraken met de trajectorganisatie. Als hij zijn verplichtingen of zijn afspraken met de trajectorganisatie niet nakomt, dan kan de uitkering worden verlaagd (zie hoofdstuk 6 ‘Bestuurlijke sancties’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een klant in Nederland vakantie heeft genoten, dan mag hij in principe in hetzelfde kalenderjaar nog naar het buitenland voor de duur van het aantal vakantiedagen waarop hij recht heeft. Het kan zijn dat de consulent werk de klant hiervoor geen toestemming geeft omdat hij door deze nieuwe vakantie niet aan de gewenste re-integratieverplichtingen kan voldoen. Gaat de klant zonder toestemming dan toch naar het buitenland, dan kan de uitkering worden verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wanneer een klant na een verblijf in het buitenland in Nederland vakantie wil houden mag deze vakantie zijn re-integratieverplichtingen niet belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4De beëindiging Op het moment dat er bij Het College een signaal binnenkomt dat er mogelijk geen recht op bijstand meer bestaat, wordt een beëindigingsonderzoek gestart. Dit signaal kan bijvoorbeeld afkomstig zijn van de Belastingdienst, uit de Basisregistratie Personen (BRP) of van de klant zelf, die vraagt om beëindiging van de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van het beëindigingsonderzoek is: het vaststellen van de juiste einddatum; het registreren van de juiste beëindigingsreden; het uitbetalen van het vakantiegeld; het vaststellen en berekenen van een eventuele nieuwe vordering; het vaststellen van de verwijtbaarheid van die vordering; het vaststellen van de resterende wederzijdse verplichtingen; het versturen van het beëindigings- of intrekkingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelt de klant mee aan het werk te gaan, dan moet eerst worden onderzocht: of klant voldoende inkomsten gaat ontvangen; of klant voldoende duurzaam aan het werk is om de uitkering te kunnen beëindigen (zie hieronder paragraaf klant is niet duurzaam aan het werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klant is niet duurzaam aan het werk Bij klanten die tijdelijk aan het werk gaan, een 0-urencontract hebben of als uitzendkracht werken, kan de uitkering vaak niet meteen beëindigd worden. In zo’n situatie wordt de uitkering geblokkeerd, in afwachting van inkomstenspecificaties, zoals loonstrookjes e.d. Na ontvangst wordt beoordeeld of de uitkering wordt voortgezet of beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klant is wel duurzaam aan het werk Op basis van bewijsstukken wordt bepaald of de uitkering wordt beëindigd. De uitkering wordt dan nog niet direct beëindigd, maar administratief geblokkeerd, in principe voor de duur van twee maanden. Dat wordt gedaan om een eventuele terugkeer in de bijstand te versoepelen. Klant hoeft dan geen nieuwe aanvraag in te dienen, maar de tijdelijk onderbroken uitkering kan in dat geval worden voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhuizing naar andere gemeente Bij een noodzakelijke verhuizing naar een andere gemeente maakt de klant vaak kosten voor verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. De gemeente van vertrek beoordeelt de bijstand voor verhuiskosten. De gemeente waar de klant gaat wonen beoordeelt de aanvraag voor inrichtingskosten van de nieuwe woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitstroombonus Als de klant geen recht op bijstand meer heeft vanwege het aanvaarden van werk, dan kan de klant in bepaalde gevallen een uitstroombonus krijgen. Dat is een bedrag dat is bedoeld als stimulans om aan het werk te gaan en te blijven. Zie daarover hoofdstuk 1 ‘Re-integratie en participatie’).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5Ondersteuning van de klant 7.5.1 De klant machtigt een vertegenwoordiger Iedere klant kan zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. De gemachtigde moet een schriftelijke machtiging laten zien die is ondertekend door de klant. Een advocaat is van rechtswege gemachtigd om een klant bij te staan in zijn contacten met het College en hoeft dus geen machtiging te overleggen. Als de klant een gemachtigde heeft, moet de correspondentie ook via die gemachtigde verlopen. Brieven en beschikkingen moeten daarom naar de gemachtigde worden gestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertegenwoordiging door een gemachtigde kan alleen geweigerd worden als er tegen die persoon (de gemachtigde) ernstige bezwaren bestaan. In zo’n geval zal Het College dit zo snel mogelijk aan de klant én aan de gemachtigde meedelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.2Curator of bewindvoerder Voor een curator en een bewindvoerder (beschermingsbewind) geldt dat zij bevoegd zijn om namens de klant rechtshandelingen met betrekking tot de financiële huishouding van de klant te verrichten. Zij kunnen dus aanvragen voor uitkeringen indienen, namens de klant. In dat geval geldt ook dat correspondentie aan de klant via de curator of bewindvoerder verloopt. Dat geldt niet voor een WSNP-bewindvoerder. Deze is niet bevoegd om namens de klant te handelen en bijv. een aanvraag in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.3Gebruikmaken van een tolk Het uitgangspunt van het College is dat er met klanten in het Nederlands wordt gecommuniceerd. Als klanten het Nederlands onvoldoende beheersen, is het hun eigen verantwoordelijkheid om voor een tolk te zorgen. Zij kunnen familieleden, kennissen, etc. vragen om voor ze te tolken. In uitzonderlijke gevallen kan het echter voorkomen dat klanten niet zelf voor een tolk kunnen zorgen. Denk bijvoorbeeld aan vluchtelingen die nog geen Nederlands spreken en in hun netwerk nog niemand kennen die voor hen kan vertalen. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming en correcte dienstverlening moeten deze klanten toch in staat worden gesteld hun verhaal te vertellen. Als het taalprobleem in dit soort gevallen niet kan worden opgelost door hen zelf of met hulp van een collega in een andere taal dan het Nederlands met de klant te communiceren, dan kan Global Tolk worden ingeschakeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.4Clientondersteuning De wetgever heeft bepaald dat mensen recht hebben op onafhankelijke cliëntondersteuning. Dat betekent dat een inwoner hulp kan krijgen bij het vinden van de toegang tot de juiste instanties voor zorg, hulp of ondersteuning. Daarnaast kan de inwoner hulp krijgen bij het aanspreken van de beschikbare voorzieningen, bijvoorbeeld op het punt van werk, het aanvullen van het inkomen en het oplossen van problemen om deel te nemen aan de samenleving. De inwoner kan zich ook laten bijstaan door een belangenbehartiger. Deze vormen van cliëntondersteuning worden binnen de gemeente Lochem op dit moment beschikbaar gesteld door MEE.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.5Cliëntenparticipatie Artikel 47 van de Participatiewet (PW) bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de wijze waarop cliënten, of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze bepaling tot het organiseren van cliëntenparticipatie is invulling gegeven door middel van de instelling van de Adviesraad Sociaal Domein. In de Adviesraad Sociaal Domein zijn cliënten van de Participatiewet vertegenwoordigd. Taken, bevoegdheden en werkwijze van de Adviesraad Sociaal Domein zijn beschreven in de Verordening Adviesraad Sociaal Domein gemeente Lochem 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6Wettelijke basis De beleidsvoorschriften van dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet, de algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Verzamelverordening werk en inkomen en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, meer concreet op de volgende bepalingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Thema Artikelen Aanvraagprocedure – algemeen 41, 43 Participatiewet en 4:1 t/m 4:12 Algemene wet bestuursrecht Aanvraagprocedure – hersteltermijn 4:5 Algemene wet bestuursrecht Aanvraagprocedure – aanleveren gegevens 17 lid 1, 53a Participatiewet en 4:2 t/m 4:5 Algemene wet bestuursrecht Aanvraagprocedure – woonplaats 40 Participatiewet Aanvraagprocedure – jongeren tot 27 jaar 41 lid 4 en 5, 43 lid 4 en 5 Participatiewet Aanvraagprocedure – huisbezoek, controleren en verifiëren van gegevens 53a Participatiewet en 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens Aanvraagprocedure – beslistermijn 4:13 t/m 4:15 Algemene wet bestuursrecht Aanvraagprocedure – dwangsom 4:17 t/m 4:20 Algemene wet bestuursrecht Aanvraagprocedure – voorschot 52 Participatiewet Toekenning – ingangsdatum 44 Participatiewet Toekenning – overbruggingsuitkering 35 Participatiewet Toekenning – uitbetaling 45 Participatiewet Toekenning – plan van aanpak 44a Participatiewet en 2.2 Verzamelverordening werk en inkomen Na de toekenning – opschorten uitkering 54 lid 1 Participatiewet Na de toekenning – vakantie 13 lid 1 onderdeel e Participatiewet Beëindiging bijstand – algemeen 11 Participatiewet Machtiging vertegenwoordiger 2:1 en 2:2 Algemene wet bestuursrecht Cliëntondersteuning 2.2.4 lid 1 Wet maatschappelijke ondersteuning Cliëntenraad 47 Participatiewet en hoofdstuk 5 Verzamelverordening werk en inkomen Klachten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Algemene wet bestuursrecht</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bezwaar en beroep Hoofdstukken 6, 7 en 8 Algemene wet bestuursrecht Hoofdstuk8Terugvordering en Verhaal Terugvordering Er bestaat pas recht op bijstand of een IOAW- of IOAZ-uitkering, als voldaan is aan een aantal voorwaarden. Als achteraf blijkt, dat een klant niet aan de voorwaarden heeft voldaan voor een uitkering, kan de uitkering worden teruggevorderd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een klant inkomsten, vermogen of samenwoning verzwijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College is verplicht om de bijstand of IOAW- en IOAZ-uitkering terug te vorderen, die teveel is verstrekt doordat de klant de inlichtingenplicht niet is nagekomen. Alle feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de uitkering, moeten namelijk door de klant aan het College worden gemeld. Zie verder hoofdstuk 5 ’Verplichtingen’.</p></div>", "next": 239760}