{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het aantal m² verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor ene financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20 m².</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk als er sprake is van beperkingen bij het uitvoeren van keukenactiviteiten en de taakverdeling dusdanig is dat betrokkene grotendeels verantwoordelijk is voor de keukenactiviteiten. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer deze activiteiten ook door andere gezinsleden kunnen worden gedaan, bijv. het in- en uitladen van de wasmachine, er geen compensatieplicht voor de gemeente aanwezig is (CrvB15-10-1999 98/3699). Bij aanpassingen aan de keuken worden in het kader van een renovatie alleen de meerkosten van de, aan de beperking gerelateerde, aanpassingen van de keuken vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst adequate oplossing biedt De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een financiële tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college geeft toestemming Het college geeft vervolgens toestemming voor de bouwkundige of technische woonvoorziening, op voorwaarde dat niet reeds zonder toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de financiële tegemoetkoming betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenaar voert uit De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningaanpassing conform het programma van eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college controleert Het college verleent slechts een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of technische woonvoorziening indien de door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht. Controle vindt in beide gevallen achteraf plaats. De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing en de gelegenheid krijgen de woningaanpassing te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbetaling en gereedmelding Na de voltooiing van de werkzaamheden dient de woningeigenaar of huurder binnen 15 maanden een gereedmeldingsformulier met facturen betreffende de werkzaamheden in te leveren en wordt de definitieve financiële tegemoetkoming bepaald. Bij de gereedmelding dient een verklaring te zijn bijgevoegd waaruit blijkt dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële tegemoetkoming is verleend. De gereedmelding wordt tevens beschouwd als een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële tegemoetkoming. De tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing wordt uitbetaald aan de eigenaar van de woning, de huurder of het bedrijf dat de kosten heeft gemaakt. Diegene aan wie het persoonsgebonden budget of de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient gedurende een periode van vijf jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10.2 Aard van verstrekking en meerkosten Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De financiële tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van het programma van eisen, waarbij de goedkoopst adequate voorzieningen voor vergoeding in aanmerking komen. Kostenverhogende materialen voor een hoger kwaliteitsniveau, zoals luxe tegels of sanitair in kleur, evenals niet noodzakelijke extra werkzaamheden, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze meerkosten komen voor rekening van de huurder of woningeigenaar. Deze meerkosten zijn niet van invloed op de draagkracht van de ondersteuningsbehoevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het kwaliteitsniveau van de aanpassing kan aangesloten worden bij de eisen zoals deze in het Bouwbesluit zijn geformuleerd. Aan de hand van dit niveau wordt vastgesteld hoe hoog de financiële tegemoetkoming is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de financiële tegemoetkoming bedraagt 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten. (artikel 14 lid 2 besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10.3 Opstalverzekering Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10.4 Terugbetaling bij verkoop Het aanpassen van eigen woningen kan leiden tot een waardevermeerdering van deze woning. De eventuele meerwaarde komt ten goede aan de gemeente als het huis vervreemd wordt. In het algemeen zal een waardevermeerdering zich uitsluitend voordoen bij een aan- of uitbouw van de woning. Het toepassen van het anti-speculatiebeding beperkt zich daarom tot dergelijke aanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening is geregeld dat de terugbetaling alleen plaatsvindt wanneer belanghebbende de woning vervreemdt binnen tien jaar nadat de voorziening is aangebracht. De meerwaarde van de woning dient geheel te worden terugbetaald tot het door de gemeente geïnvesteerde bedrag, mits de meerwaarde hoger is dan het door de gemeente geïnvesteerde bedrag. Is de meerwaarde lager of gelijk dan het door de gemeente geïnvesteerde bedrag, dan moet deze meerwaarde geheel worden terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meerwaarde wordt bepaald op grond van taxatie door een onafhankelijk taxateur. Deze taxatie vindt plaats na de gereedmelding van de aanpassing. De taxatiekosten komen voor rekening van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11 Een niet bouwkundig of niet woontechnische woonvoorziening Het gaat hierbij om de volgende voorzieningen: patiëntenliften; douche-hulpmiddelen, toilethulpmiddelen, zoals een losse douchestoel of toiletstoel zonder of met wielen, een douchebrancard, glijplank, badplank;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangepaste box en aankleedtafels voor kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11.1 Patiëntenliften Er zijn zowel mobiele als vaste (onroerende) patiëntenliften. Een vaste patiëntenlift valt onder de bouwkundige en woontechnische woonvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van een keus wordt gelet op de volgende factoren: de te verwachten transfers en hun bestemming; de mogelijkheden van de ondersteuningsbehoevende; de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen; de beschikbare ruimte; de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de ondersteuningsbehoevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviseur doet hierover een uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien wordt overgegaan tot verstrekking van een patiëntenlift wordt deze in bruikleen verstrekt door de gemeente of in de vorm van een PGB. Indien een vaste patiëntenlift aan de eigenaar, niet de bewoner, van de woning wordt verstrekt wordt deze middels een financiële tegemoetkoming verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11.2 Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen, met uitzondering van transferhulpmiddelen, voor gebruik in de \"natte cel\" en het toilet vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeente in het kader van de Wmo (b.v. badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige ADL-hulpmiddelen (voor het aan- en uitkleden, slapen, eten, drinken, zitten) vallen onder de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar in het kader van de Awbz.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviseur moet in het advies aangeven welke voorziening het goedkoopst adequaat is: bijvoorbeeld een aard- en nagelvast douchezitje of een losse douchestoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Losse hulpmiddelen worden in natura of in de vorm van een PGB verstrekt. Bij verstrekking in natura (categorie 9a t/m 9d) geldt dan ook dat deze in eigendom worden verstrekt. Losse hulpmiddelen die buiten het kernassortiment vallen en een netto waarde hebben gelijk aan of minder dan €300,-, zoals bijvoorbeeld een badplank, worden eveneens in eigendom verstrekt. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11.3 Aangepaste box en aankleedtafels voor kinderen Het betreft hier aankleedvoorzieningen voor ondersteuningsbehoevende kinderen en/of voor ondersteuningsbehoevende verzorgers van (niet ondersteuningsbehoevende) kinderen. Er geldt een maximum leeftijd van vier jaar om voor de voorziening in aanmerking te komen. Voor een kind dat ouder is dan 4 jaar wordt een aankleedtafel als bouwkundige of woontechnische aanpassing beschouwd, zodat op deze voorzieningen de algemene richtlijnen ten aanzien van bouwkundige of woontechnische aanpassingen van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verstrekking vindt plaats in de vorm van een PGB of in natura middels een bruikleenovereenkomst. Alleen de meerkosten ten opzichte van de standaardvoorziening (bijv. commode) worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.12 Een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie Ook de kosten van onderhoud, controle en reparatie van bepaalde woningaanpassingen komen voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking. Het gaat met name om liften, elektrische deuropeners en dergelijke. Voor een overzicht hiervan zie artikel 14 lid 3 besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder. De kosten worden voor 100% vergoed op declaratiebasis. De eigenaar van de woning, of de gemeente in geval van bruikleenverstrekking, draagt zorg voor het onderhoud, de keuring en de reparatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zelf geplaatste trapliften (dus niet geplaatst in het kader van de Wmo) kunnen in aanmerking komen voor vergoeding van deze kosten. Een voorwaarde wordt hieraan gesteld: de traplift moet medisch noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn afspraken gemaakt met de firma Ooms voor het onderhoud van de traplift die in bruikleen zijn verstrekt. Voor de eerste vijf jaren geldt een all-in garantie die eenmalig bij aanschaf van de nieuwe lift in rekening wordt gebracht door de firma Ooms bij de gemeente. Hierin zijn de jaarlijkse servicebeurt, arbeid, materiaal en voorrijkosten opgenomen. Voor liften die over meerdere verdiepingen lopen of zijn voorzien van een inschuifbare uitloop geldt een toeslag van 25%. Wordt de lift in depot van Ooms opgeslagen, dan wordt gedurende de opslag de garantietijd stopgezet. Na herplaatsing loopt het all-in contract weer verder tot de eerste vijf jaren zijn verstreken. Na afloop van de all-in garantie treedt een onderhoudscontract in werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reparatiekosten voor elektrische deuropeners vallen onder de verantwoordelijkheid van de Wmo. Er worden echter geen nieuwe onderhoudscontracten meer afgesloten voor elektrische deuropeners.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening kan worden verstrekt in natura, in de vorm van een PGB of in de vorm van een financiële tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor de kosten van onderhoud en keuring van een woonvoorziening is nader uitgewerkt in artikel 14 lid 3 van het besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van reparatie van een woonvoorziening wordt bepaald aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten (artikel 14 lid 4 besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13 Een voorziening voor tijdelijke huisvesting In de gevallen waarin de aanvrager tijdens het aanbrengen van de voorzieningen niet in de woning kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een andere woning moet uitwijken, kan voor de periode dat dit noodzakelijk is, een vergoeding in de dubbele woonlasten worden verstrekt. Deze vergoeding wordt slechts versterkt als het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de aanvrager ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten worden. De voorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming in tijdelijke huisvesting als het gaat om het tijdelijk betrekken van niet-zelfstandige woonruimte wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten met een maximum van € 604,00 (artikel 14 lid 6 besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder). De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de tijdelijke huisvesting als het gaat om het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte en het langer moeten aanhouden van de te verlaten woning is een gemaximeerde vergoeding en wordt bepaald aan de hand van de werkelijke kosten met een maximum van € 1.204,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14 Een voorziening voor huurderving De huurdervingsregeling opgenomen in de verordening geldt zowel voor sociale als particuliere verhuurders. Om in aanmerking te komen voor huurderving moeten verhuurders een aanvraag indienen bij de gemeente. Er is een speciaal aanvraagformulier ontwikkeld voor dit verzoek. De voorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving van een woning die voor meer dan € 4.697,00 maar minder dan € 11.742,00 is aangepast wordt vastgesteld op grond van de kale huur van de woonruimte met een maximum per maand op basis van het in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag vastgestelde huurgrens. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden, waarbij de eerste maand niet voor vergoeding in aanmerking komt (artikel 14 lid 7 besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van huurderving van een woning die voor meer dan € 11.742,00 is aangepast wordt vastgesteld op grond van de kale huur van de woonruimte met een maximum per maand op basis van heet in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag vastgestelde huurgrens. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor een periode van maximaal één jaar, waarbij de eerste maand niet voor vergoeding in aanmerking komt (artikel 14 lid 8 besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.15 Een voorziening voor het verwijderen van voorzieningen Uitgangspunt is dat zo min mogelijk aangebrachte woonvoorzieningen worden verwijderd. De verhuurder kan, in geval van woningaanpassing, van de ondersteuningsbehoevende niet eisen dat bij het verlaten van de woning alles in de oorspronkelijke staat hersteld moet worden. De gemeente kan daarom een voorziening verstrekken voor het verwijderen van woonvoorzieningen. De voorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Voor een aanvraag om een financiële tegemoetkoming in de kosten van het verwijderen van voorzieningen is een speciaal aanvraagformulier ontwikkeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden voor het verstrekken van de financiële tegemoetkoming zijn: de band tussen de woning en de persoon met een beperking of probleem is verbroken; het is aannemelijk dat de woning niet binnen zes maanden opnieuw verhuurd kan worden aan een persoon met een beperking of probleem die is aangewezen op een woning met de betreffende voorzieningen; door de aanwezigheid van de betreffende voorzieningen kan de woning niet verhuurd worden aan een persoon zonder beperking of probleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van het verwijderen van voorzieningen bedraagt 50% van de totale verwijderingskosten, nadat op dit bedrag €480,00 in mindering is gebracht (artikel 14 lid 9 besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verwijderen van een in bruikleen geplaatste traplift zijn afspraken gemaakt met de firma Ooms. Voor het demonteren van de lift en het in opslag nemen wordt door de firma Ooms een vast bedrag in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16 Een voorziening voor een uitraasruimte In het kader van de Wmo kan een voorziening toegekend worden voor de realisering van een uitraasruimte. Een uitraasruimte is een kamer (verblijfsruimte) waarin een psychisch ondersteuningsbehoevende die gedragsproblemen heeft zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Er is sprake van een psychische handicap. De belemmering wordt niet rechtstreeks ondervonden a.g.v. lichamelijke beperkingen, maar de psychische beperking kan wel tot gedragsproblemen leiden, zoals zelfverwonding, vernielzucht ongeconcentreerde driftbuien of apathie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitraasruimte is bedoeld om de psychisch ondersteuningsbehoevende die dergelijke problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen, alsmede om ouders/verzorgers in staat te stellen om beter toezicht uit te oefenen. De uitraasruimte moet primair het belang van de ondersteuningsbehoevende dienen. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen om de belangen van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor die anderen, dan is geen sprake van een uitraasruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe zo’n ruimte er precies uit moet zien hangt af van de individuele situatie. Het betreft een aparte ruimte om tot rust te komen van 6-9 m2. Vaak met zo min mogelijke losse voorwerpen. Inrichtingselementen en zaken voor zorg- of oppas (bijvoorbeeld en camerasysteem) vallen niet onder de compensatieplicht, tenzij de veiligheid van de ondersteuningsbehoevende in het geding komt. Ook geluidsisolatie om huisgenoten of buren tegen lawaai te beschermen valt niet onder de compensatieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een arts en ergonomisch adviseur bepalen de noodzaak en de eisen voor een uitraasruimte. In het algemeen zal sprake zijn van het aanpassen van een bestaande slaapkamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang om allereerst te beoordelen of het gaat om een persoon die ondersteuningsbehoevend is in de zin van de Wmo. Een kind met ADHD valt hier in het algemeen niet onder, er is immers geen sprake van aantoonbare beperkingen bij het wonen, nog van het zich binnen- of buiten de woning verplaatsen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een gedragsstoornis (niet corrigeerbaar, onhanteerbaar gedrag);</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van ontremd gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming bedraagt 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten (artikel 14 lid 2 besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. Vervoersvoorzieningen</h3>\n<p class=\"lf-p\">5.1 Inleiding Wanneer een persoon beperkingen ondervindt bij het lokaal verplaatsen, is het College verplicht deze beperkingen te compenseren door het verstrekken van een vervoersvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Soorten vervoersvoorzieningen Artikel 27 van de verordening bepaalt dat er de volgende mogelijkheden zijn om een vervoersvoorziening te verstrekken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een algemene voorziening, waaronder een collectieve vervoersvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorziening in natura of een PGB voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lease-auto;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassing van een lease-auto;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een open elektrische buitenwagen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander verplaatsingsmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een financiële tegemoetkoming in de kosten van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van eigen auto;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassing van de eigen auto;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van bruikleen auto of lease auto;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van taxi;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van rolstoeltaxi;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanschaf of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Medische noodzakelijke begeleiding tijdens het vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Recht op een voorziening Vervoersvoorzieningen zijn bedoeld om de beperkingen die de ondersteuningsbehoevende ondervindt bij het verplaatsen buitenshuis op te heffen of te verminderen.Mobiliteitsbeperking is een stoornis in het vermogen van een individu om zich te verplaatsen van het ene naar het andere punt op een wijze die de situatie verlangt. Met verplaatsen wordt bedoeld het zich in en om de woning bewegen en het afleggen van langere afstanden buitenshuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de verordening kan men in aanmerking komen voor een algemene vervoersvoorziening, waaronder een collectieve vervoersvoorziening, indien aantoonbare beperkingen het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken. Tevens kan een ondersteuningsbehoevende hiervoor in aanmerking worden gebracht als het gebruik van openbaar vervoer op grond van cognitieve of visuele beperkingen uitsluitend mogelijk is met begeleiding en van een algemene voorziening gebruik kan worden gemaakt zonder begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de CRvB geoperationaliseerd middels het loopafstands-criterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere afstand, de afstand waarvoor niet-ondersteuningsbehoevenden het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de CRvB op beide terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 100 meter is het dwingend voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Primaat van het collectief vervoer Bij de keuze van de juiste vervoersvoorziening wordt het primaat gelegd bij het collectief vervoer. Bij een indicatie voor een vervoersvoorziening wordt daarom in eerste instantie onderzocht of het collectief vervoer als een adequate vervoersvoorziening kan worden aangemerkt. Andere mogelijke vervoersvoorzieningen worden slechts beoordeeld, als: de ondersteuningbehoevende door de aard van zijn beperking geen gebruik kan maken van het collectief vervoer; er geen collectief vervoer aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in situaties dat een ondersteuningsbehoevend kind jonger dan 16 jaar is, is collectief vervoer in principe een adequate voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het collectief vervoer kunnen voorzieningen in natura worden toegekend. Als sprake is van een zeer beperkte loopafstand van maximaal 100 meter, dan is er volgens de CRvB reden een (aanvullende) vervoersvoorziening aan te bieden voor de korte vervoersafstanden. Het collectief vervoer wordt namelijk voor deze korte afstand niet geschikt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie van de CRvB blijkt dat bij onbeheersbare incontinentie of bij ernstige gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties collectief vervoer niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is collectief vervoer de eerste voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking. Als collectief vervoer niet adequaat is of niet aanwezig is, zal een andere voorziening gekozen moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Boven de inkomensgrens van 1,5 maal het geldend sociaal minimum van een ongehuwd persoon of het gezamenlijk inkomen van gehuwde personen, worden de volgende voorzieningen niet verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een algemene voorziening, waaronder een collectieve vervoersvoorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorziening in natura of een PGB voor een lease-auto;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorziening in natura of een PGB voor aanpassing van een lease-auto;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een financiële tegemoetkoming in de kosten van gebruik van eigen auto;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een financiële tegemoetkoming in de kosten van gebruik van bruikleen auto of lease-auto;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een financiële tegemoetkoming in de kosten van gebruik van taxi;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een financiële tegemoetkoming in de kosten van gebruik van rolstoeltaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reden hiervoor is dat het bezit en gebruik van een auto boven deze inkomensgrens, als algemeen gebruikelijk wordt gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er gelden twee bijzondere bepalingen in verband met het collectief vervoer. Ten eerste wordt bij een aanvraag voor het collectief vervoer het inkomen van de aanvrager getoetst indien deze aanvrager een meerderjarig inwonend kind betreft. Bij een minderjarig inwonend kind wordt het gezinsinkomen getoetst. Ten tweede wordt ten behoeve van personen woonachtig in een gezinsvervangend tehuis een uitzondering gemaakt op het algemeen gebruikelijke karakter. Zij komen allemaal (ongeacht hun inkomen) in aanmerking voor het collectief vervoer. Het feit dat zij wel of geen begeleiding nodig hebben bij het vervullen van hun vervoersbehoefte doet hier niet aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 De vervoersbehoefte Bij het onderzoek naar de goedkoopste adequate vervoersvoorziening is het noodzakelijk de vervoersbehoefte van de ondersteuningsbehoevende vast te stellen. Deze behoefte wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: verplaatsingsgedrag; het verplaatsingsmotief (waarom); de verplaatsingsbestemming (waarheen); de frequentie van verplaatsen (hoe vaak).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1 Het verplaatsingsgedrag Wanneer het tegendeel niet duidelijk blijkt gaat de gemeente er, op beleidsmatige gronden, vanuit dat de vervoersbehoefte enigszins gerelateerd is aan de leeftijd. In navolging van het Wwb-beleid wordt er daarom van uitgegaan dat: kinderen jonger dan 5 jaar geen vervoersprobleem hebben voor zover betrekking hebbend op begeleiding en gesloten vervoer. Gevallen waarin deze regel onredelijk zou zijn worden individueel beoordeeld. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval met kinderen jonger dan 5 jaar die vanwege gebruik van een speciale wandelwagen/rolstoel niet met het openbaar vervoer kunnen reizen. kinderen van 5 tot en met 11 jaar geen zelfstandige verplaatsingsbehoefte hebben; Ze worden bijna altijd begeleid door de ouders. kinderen van 12 tot en met 15 jaar zich ontwikkelen in de richting van volwassen verplaatsingsgedrag waarbij steeds vaker en verder weg wordt gegaan. kinderen vanaf 16 jaar een volwassen en zelfstandig verplaatsingsgedrag hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevallen waarin bovenstaande uitgangspunten onredelijk werken, worden individueel beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.2 Het verplaatsingsmotief en de verplaatsingsbestemming · Het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele of religieuze instellingen, maar ook het vervoer in verband met therapie of het bezoeken van medische behandelaars (CRvB, 28-01-2009, nr. 08/2273 WVG). Laatstgenoemde geldt alleen indien men niet in aanmerking komt voor een vergoeding in verband met zittend ziekenvervoer zoals bedoeld in artikel 2.14 Besluit Zorgverzekering (voor slechts 4 omschreven groepen zijn er nog mogelijkheden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ondersteuningsbehoevende van deze regeling gebruik kan maken, dan is dit voorliggend op de Wmo. Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootermobielen of een meeneembare scootermobiel, vallen dan ook niet onder de compensatieplicht. Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een Wmo-vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt hierbij aan bewoners van een Awbz-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de Wvg is een uitgebreide jurisprudentie ontstaan uit zaken die handelden om het doel van het vervoer. Deze jurisprudentie behoudt zijn betekenis onder de Wmo en fungeert dan ook als kader voor de Wmo-compensatieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 31, lid 2 van de verordening geeft, als gevolg van de jurisprudentie van de CRvB aan welke omvang in kilometers geboden moet worden. Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer, met een uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen met de combinatie van voorzieningen die zijn verstrekt. Op deze manier wordt een compensatie geboden die voldoet aan de Wvg-jurisprudentie van de CRvB. · Vervoer in verband met werk Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Rea-voorzieningen die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. · Vervoer in verband met vrijwilligerswerk Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de CRvB bepaald. De CRvB gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt. · Vervoer in verband met dagbehandeling/dagopvang Het vervoer naar dagopvang of dagverzorging valt in principe evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen – in de regel - van dag tot dag plegen te ondernemen, hoewel er op basis van jurisprudentie spaarzaam uitzonderingen worden gemaakt. Een duidelijke lijn is nog niet te ontdekken, omdat het in die uitspraken om uitzonderlijke gevallen ging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch moeten worden beoordeeld. Het al dan niet (overwegend) therapeutische karakter van de dagopvang en de erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de Awbz spelen volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend of gefinancierd in Awbz-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. · Vervoer in verband met het volgen van onderwijs Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen. · Vervoer van kinderen door ouders met een beperking Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de CRvB. · Vervoer voor Awbz-instellingsbewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2 van de Wvg werd een wettelijk onderscheid gemaakt tussen de reguliere inwoners van de gemeente en de in de gemeente woonachtige Awbz-bewoners. Dat onderscheid werd via een ministeriële regeling, de Regeling sociaal vervoer Awbz-instellingen, voor wat betreft vervoersvoorzieningen weer ongedaan gemaakt voor Awbz-bewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen Awbz-bewoners en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van Awbz-bewoners. Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere Awbz-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereiden. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de Awbz-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. · Begeleiding bij het vervoer van Awbz-bewoners Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij Awbz-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen. Ook bij grotere Awbz-instellingen geldt een beperking bij de compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding. · Weekendvervoer voor Awbz-bewoners Onder de Wvg is de omvang van de zorgplicht voor Awbz-bewoners door jurisprudentie geconcretiseerd. Uitgangspunt is een gelijke zorgplicht voor Awbz-bewoners en overige voor bewoners van de gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de zorgplicht voor Awbz-bewoners is ook mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De compensatieplicht zal onder de Wmo voor Awbz-bewoners niet afwijken van de bestaande jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reguliere compensatieplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel compensatieplicht is voor regionaal vervoer voor Awbz-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - compensatieplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk gehandicapte Awbz-bewoners van grote instellingen is deze situatie onder de Wvg-jurisprudentie omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de compensatieplicht valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie uitgegaan van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de Awbz-bewoners aan het ouderlijk huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatief vervoer voor Awbz-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt niet onder de Wmo-compensatieplicht. · Bovenregionaal vervoer Bovenregionaal vervoer valt alleen onder de compensatieplicht als sprake is van dreigende vereenzaming(sociaal isolement) doordat de ondersteuningsbehoevende binnen het zorggebied geen sociale contacten heeft kunnen opbouwen en de door de ondersteuningsbehoevende te bezoeken bovenregionale contacten niet op bezoek kunnen komen bij de ondersteuningsbehoevende, noch het contact anderszins onderhouden kan worden (bijvoorbeeld per telefoon). Verplaatsingsbehoefte door het beoefenen van hobby’s of vrijwilligerswerk of door het willen onderhouden van bovenregionale contacten valt niet onder de compensatieplicht van de gemeente, tenzij dit leidt tot een sociaal isolement.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.3 Frequentie van verplaatsen Onder frequentie van verplaatsen wordt verstaan het aantal verplaatsingen per dag. De gemiddelde Nederlander komt tot vier à vijf verplaatsingen per dag. Hierbij wordt heen en terug als een aparte verplaatsing gerekend. Deze gemiddelde frequentie van verplaatsingen wordt gedekt met het begrip \"leven van alle dag\". Wanneer de ondersteuningsbehoevende zich minder dan twee keer per maand verplaatst, is in het algemeen in het kader van de Wmo geen sprake van een noodzaak tot het verminderen van de mobiliteitsbeperkingen voor het leven van alle dag. Voor het verstrekken van een voorziening ter vermindering van de mobiliteitsbeperkingen van de ondersteuningsbehoevende, wordt het minimum aantal verplaatsingen op twee keer per maand gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Een algemene voorziening Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die een probleem snel en effectief op kunnen lossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen moeten nog ontwikkeld worden. Te denken valt aan een scootermobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een scootermobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootermobielen. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie mogelijk. Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te zijn uiteraard altijd een aanvraag kan indienen. Dan geldt echter de reguliere aanvraagprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Collectieve vervoersvoorziening 5.8.1 Vervoergebied Het collectief vervoer is een open systeem, bedoeld voor iedere inwoner van Noordoostpolder. Het collectief vervoer gaat uit van het principe van een belbus: na een telefoontje aan de vervoerder (minimaal een half uur van tevoren) wordt men rechtstreeks vervoerd van huis tot aan de gewenste bestemming binnen de gemeentegrenzen. Het vervoer wordt uitgevoerd door “De Vier Gewesten (DVG) B.V. personenvervoer” met als onderaannemer Vloettax.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.2 Operationele tijden Het vervoer vindt plaats tussen 06.00 uur ’s morgens en 0:30 uur ’s nachts met een taxi of een (rolstoel)bus. De laatste rit begint uiterlijk 0:30 uur. Een rit met Regiotaxi kan uiterlijk tot 60 minuten voor het gevraagd ophaaltijdstip worden gereserveerd. De klant geeft aan hoe laat hij opgehaald wil worden. Hierbij heeft hij de keuze tussen een gewenste ophaaltijd of een gewenste aankomsttijd. Voor beide tijdstippen geldt een maximale afwijkmarge van 15 minuten voor of na het afgesproken tijdstip.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.3 Prioriteitsritten Naast normale ritten kent het collectief vervoer prioriteitsritten. Dat zijn ritten waarbij de klant niet later op de plaats van bestemming mag komen dan is opgegeven. Dit zijn: begrafenissen en crematies; huwelijken en andere plechtigheden; schouwburg/bioscoop; halte/station van bus of trein.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.4 Combinatie van ritten De Regiotaxi mag ritten combineren, waardoor de klant langer onderweg kan zijn. De omrijtijd mag voor lokale ritten niet meer dan 15 minuten en voor alle overige ritten niet meer dan 30 minuten boven op de directe reistijd bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.5 Tarieven Het tarief van de regiotaxi is gekoppeld aan de openbaar-vervoerzones (OV-zones). Voor personen die een indicatie voor een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) hebben, geldt een gereduceerd tarief. Jaarlijks wordt het tarief geïndexeerd. Men betaalt altijd het aantal zones dat men reist plus 1 'opstapzone'. Voor informatie over tarieven kunnen cliënten contact opmenen met de vervoerder, bereikbaar via 0900-22 28 877 (€0,08 per minuut) of het Wmo-loket, bereikbaar via telefoon: (0527) 63 39 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.6 Kinderen tot 4 jaar Kinderen tot 4 jaar reizen gratis. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: zij dienen begeleid te worden door een betalende klant ouder dan 12 jaar en voor hen wordt geen eigen zitplaats verlangd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.7 Dieren Blindengeleidehonden of andere erkende hulphonden, als zodanig herkenbaar, kunnen gratis meereizen met een betalende klant. Huisdieren in tas of kooi, die op schoot van de klant vervoerd worden kunnen gratis worden meegenomen. Overige huisdieren worden niet meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.8 Bereikbaarheid Regiotaxi Flevoland Reserveren van ritten dient te geschieden bij Regiotaxi Flevoland op het reserveringsnummer: 0900 – 22 28 877 (0,08 euro/minuut). Dit nummer is dagelijks bereikbaar tussen 05.30 en 01.30 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klanten, ook Wmo geïndiceerden, kunnen klachten als volgt melden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Klanten moeten alle klachten met betrekking tot regiotaxivervoer melden bij de provincie. Dit kan op de volgende wijze:</p>\n<p class=\"lf-p\">Telefonisch: maandag t/m vrijdag tussen 09.00 tot 17.00 uur op nummer 0320 – 265597.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per e-mail: regiotaxi@flevoland.nl Schriftelijk klachten kunnen worden gericht aan de Provincie Flevoland, postbus 55, 8200 AB Lelystad. Hierbij dient het pasnummer, de datum, het tijdstip en het traject van de reis vermeld te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.9 Voorwaarden specifiek voor Wmo-geïndiceerden Voor de Wmo-geïndiceerden die in aanmerking komen voor deelname aan het collectief vervoer gelden, naast de algemene voorwaarden, de onderstaande specifieke voorwaarden: .De Wmo-geïndiceerde ontvangt een pasje, waarmee hij/zij ook vervoerd kan worden naar een specifieke bestemming buiten Noordoostpolder. .De specifieke puntbestemmingen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrum Lemmer: Halte Nieuwburen Centrum Lelystad: NS-station Lelystad Centrum, ziekenhuis Lelystad Centrum Kampen: Halte IJsselbrug Centrum Vollenhove: halte Clarenberglaan ter hoogte van Nieuw Clarenberg Woonzorgcentrum te Vollenhove;</p>\n<p class=\"lf-p\">Centrum Zwolle: Eekwal/centrum, Diezenpoortplas, V&amp;D, Meerminneplein, Kerkbrugje, Sassenpoort, Winkelcentrum Diezerpoort, NS-station Zwolle,Isala-klinieken Zwolle Urk: Talmahaven Centrum Steenwijk: NS-station, Goudenengel/Gedempte Turfhaven Meppel: ziekenhuis Ermelo: psychiatrisch ziekenhuis Sneek: Antonius ziekenhuis Heerenveen: ziekenhuis De Tjongerschans 5.8.10 Collectief vervoer en begeleiding Indien een WMO-geindiceerde op medische gronden niet zelfstandig kan reizen, wordt een begeleiderspas geïndiceerd. De begeleider van bedoelde persoon reist gratis mee in de Regiotaxi Flevoland. Zonder begeleider mag bedoelde persoon niet reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.11 Gezinspas In twee gevallen kan een gezinspas voor het collectief vervoer worden verstrekt: als de ondersteuningsbehoevende jonger is dan 16 jaar en niet apart van het gezin kan reizen; als de ondersteuningsbehoevende als gevolg van zorgtaken niet apart van het gezin kan reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1. Begeleiding van thuiswonende kinderen met een Wmo-indicatie tot 16 jaar Het kind kan tijdens het reizen in het collectief vervoer begeleid worden door een ouder. Deze ouder reist voor hetzelfde tarief als het ondersteuningsbehoevende kind. Omdat het uitgangspunt is dat het gezin in staat moet zijn gezamenlijk te reizen, betalen de overige gezinsleden ook hetzelfde tarief als de ondersteuningsbehoevende (dit vanwege het feit dat het inkomen van het gezin maximaal 1,5 maal het geldend sociaal minimum bedraagt). Zij kunnen reizen op een gezinspas, waarop maximaal twee volwassenen kunnen reizen. Het aantal kinderen dat op de pas reist, is afhankelijk van de samenstelling van het gezin. Een gezinspas kan worden toegekend tot het jongste kind 15 jaar oud is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2. Begeleiding door ondersteuningsbehoevende ouder met een Wmo-indicatie die de zorgtaak heeft voor kinderen De ondersteunende ouder komt in aanmerking voor een gezinspas. De rest van het gezin reist tegen hetzelfde tarief als de ondersteuningsbehoevende ouder. Ook voor deze gezinspas geldt dat er maximaal twee volwassenen op de gezinspas kunnen reizen. Het aantal kinderen dat op de pas reist hangt ook in dit geval af van de samenstelling van het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ouders en/of de kinderen tot en met 15 jaar, die woonachtig zijn op hetzelfde adres, kunnen – voor zover er geen sprake is van een gratis begeleider - tegen een gelijk gereduceerde tarief met de WMO-geïndiceerde aanvrager meereizen in de Regiotaxi Flevoland.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Een voorziening in natura of een PGB Een voorziening in natura of een PGB wordt verstrekt voor: een lease-auto; aanpassing van een lease auto; een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen; een open elektrische buitenwagen; een ander verplaatsingsmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemotoriseerde vervoermiddelen kunnen, al dan niet in combinatie met een collectief systeem of een vergoeding voor het gebruik van een vervoermiddel, worden verstrekt als deze voorziening of de combinatie als de goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt. Autovoorzieningen worden beschouwd als het sluitstuk van de vervoersvoorzieningen. Autovoorzieningen kunnen worden toegekend als geen enkele andere vervoersvoorziening of een combinatie daarvan een goedkopere adequate oplossing biedt voor de vervoersproblemen van de ondersteuningsbehoevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.1 De lease-auto en aanpassing van een lease-auto · Omschrijving van de voorziening De goedkoopst adequate auto, eventueel met aanpassingen, wordt als voorziening in natura in bruikleen of in de vorm van een PGB aan de ondersteuningsbehoevende verstrekt. In geval van verstrekking in natura sluit de gemeente een lease-overeenkomst af met de hulpmiddelenleverancier. Als een lease-auto wordt toegekend, dan mag de ondersteuningsbehoevende met deze auto maximaal 10.000 kilometer per jaar rijden. Dit wordt gecontroleerd door de leverancier. De leverancier rapporteert dit jaarlijks aan de gemeente. Als meer wordt gereden, dan zullen de onderhoudskosten en daarmee de leaseprijs toenemen. Boven dit aantal kilometers dient de ondersteuningsbehoevende daarom een kostendekkende bijdrage te voldoen. Deze bijdrage kan met terugwerkende kracht worden opgelegd. In de toekenningsbeschikking moet de ondersteuningsbehoevende daarop worden gewezen. Verder zijn de brandstofkosten voor eigen rekening. De ondersteuningsbehoevende kan eventueel wel in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een lease-auto. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Verstrekking van een al dan niet aangepaste auto in lease auto kan alleen plaatsvinden in zeer uitzonderlijke gevallen. Hiervan is enkel sprake wanneer andere (combinaties van) vervoersvoorzieningen geen adequate oplossing bieden. Omdat een auto algemeen gebruikelijk is bij een inkomen boven 1,5 keer het geldend sociaal minimum, wordt de lease-auto uitsluitend verstrekt aan belanghebbenden met een inkomen dat lager is dan 1,5 maal het geldend sociaal minimum. · Aard van de verstrekking Auto’s worden verstrekt op lease basis of in de vorm van een PGB. Indien noodzakelijk kunnen aanpassingen aan de lease auto voor vergoeding in aanmerking komen. Een lease-auto kan niet in combinatie met collectief vervoer verstrekt worden. · Bijzonderheden Als de ondersteuningsbehoevende niet beschikt over een rijbewijs, kan ook overwogen worden een zgn. brommobiel te verstrekken. · Rijlessen Het hebben van een rijbewijs mag als algemeen gebruikelijk worden verondersteld. Voor ondersteuningsbehoevenden waarvan is vastgesteld dat zij zijn aangewezen op een aangepaste auto, kunnen de meerkosten van het behalen van een rijbewijs in een aangepaste auto voor vergoeding in aanmerking komen. Hierbij geldt wel dat de ondersteuningsbehoevende voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik van een auto. Tevens kan overwogen worden een zogenaamde brommobiel te verstrekken. Hiervoor is geen rijbewijs vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.2 Een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen · Omschrijving van de voorziening Een gesloten buitenwagen is: \"een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een invalide, niet breder is dan één meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 of met een elektromotor\" (artikel 1 onder Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens, RVV-1990). Op grond van RVV-1990, artikel 7, dienen bestuurders van een invalidenvoertuig het trottoir, het voetpad, het fietspad of de rijbaan te gebruiken, al naar gelang deze aanwezig zijn en in de voorkeursvolgorde zoals hiervoor weergegeven. Zij hebben geen voorrang op snelverkeer als ze van rechts komen. Verder zijn ze gehouden aan een maximumsnelheid van 30 kilometer in de bebouwde kom en 40 kilometer per uur buiten de bebouwde kom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kunnen, ook zonder parkeerontheffing, parkeren op een algemene invalidenparkeerplaats. Een gesloten buitenwagen is niet breder dan 1.10 meter. Bekende voorbeelden van deze wagens zijn de “Arola” en de “Canta”. Een gesloten buitenwagen is niet hetzelfde als een zogenaamde “brommobiel”. De brommobiel (bijv. van het merk “Ligier”) is breder dan de gesloten buitenwagen (maximaal 1.50 meter breed) en moet gebruik maken van de rijbaan. Hierdoor zijn winkelgebieden voor deze voertuigen minder toegankelijk. De brommobiel lijkt daarom qua gebruik meer op een kleine personenauto. In het verstrekkingenbeleid zijn de bepalingen ten aanzien van de auto daarom ook van toepassing op de brommobiel. Voor een brommobiel is geen rijbewijs nodig, maar wel een bromfietscertificaat (voor een gesloten buitenwagen niet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een auto noodzakelijk is en de ondersteuningsbehoevende of begeleider beschikt niet over een rijbewijs, kan een (aangepaste) brommobiel wellicht een oplossing zijn. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Een gesloten buitenwagen wordt verstrekt als dit de goedkoopst adequate voorziening is. Dit is in die gevallen waarin geen collectief vervoer aanwezig is, de ondersteuningsbehoevende woont op een voor taxi's moeilijk bereikbare plaats, de vervoersbehoefte van de ondersteuningsbehoevende vooral de korte en iets langere afstanden, met een invalidenwagen te bereiken, betreffen. In principe wordt een gesloten buitenwagen met benzinemotor verstrekt aangezien deze de hoogste actieradius heeft, afhankelijk van de mogelijkheden om onderweg te tanken. Tevens geldt hier dat een substantieel deel van de vervoersbehoefte kan worden vervuld met de gesloten buitenwagen. Gelet op het grotere bereik, mag aangenomen dat met een gesloten buitenwagen een groter deel van de vervoersbehoefte kan worden vervuld dan met een scootmobiel. Uitgangspunt is daarom dat met de gesloten buitenwagen jaarlijks minimaal 1000 km zal worden afgelegd. De gemeente kan dit laten toetsen door de leverancier van de gesloten buitenwagen. · Aard van de verstrekking Een gesloten buitenwagen kan worden verstrekt in de vorm van een PGB of in natura. In geval van verstrekking in natura wordt de gesloten buitenwagen in bruikleen verstrekt. Bij verstrekking in natura komen de kosten voor reparatie, verzekering en onderhoud direct voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. · Eigen bijdrage De kosten van het gebruik van de gesloten buitenwagen worden niet vergoed. · Korting op vervoerskostenvergoeding De korting op een individuele vervoerskostenvergoeding bedraagt 30%. · Bijzonderheden Voor de verstrekking geldt geen inkomensgrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.3 Een open elektrische buitenwagen (scootermobiel/aanpassing scootermobiel) · Omschrijving van de voorziening Hierbij gaat het om een speciale elektrische plateaurolstoel, beter bekend als een scootermobiel of scootmobiel. Het is een vervoermiddel voor de korte en middellange afstand. Binnen een straal van 5 kilometer kan men zich verplaatsen. Een scootermobiel heeft een actieradius van 30 kilometer. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Een scootermobiel kan geïndiceerd worden indien er een substantiële vervoersbehoefte is in de directe omgeving van de woning. Het uitgangspunt is dat met de scootmobiel minimaal 30% van de regionale vervoersbehoefte kan worden vervuld (= 500 km per jaar). Onder substantiële vervoersbehoefte wordt verder verstaan dat een ondersteuningsbehoevende binnen een straal van 1,5 kilometer zelf boodschappen kan doen, familie of vrienden kan bezoeken en andere vormen van vrije tijdsbesteding beschikbaar heeft. Verder dient een scootermobiel de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor de vervoersbehoefte. · Aard van de verstrekking Het vervoermiddel kan in de vorm van een PGB worden verstrekt of in bruikleen. De kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering, komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. In het verlengde van de verstrekking van een scootmobiel liggen ook de eventuele stallingskosten welke een ondersteuningsbehoevende maakt ten aanzien van de stalling van de verstrekte voorziening. · Korting vervoerskostenvergoeding De korting op een individuele vervoerskostenvergoeding bedraagt 30%. · Bijzonderheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor verstrekking geldt geen inkomensgrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stallen van de scootermobiel dient op een adequate wijze te geschieden. Een tuinhuisje wordt in dit kader onder andere als een adequate voorziening beschouwd. Bijvoorbeeld: Een eventueel tuinhuisje is rechtstreeks verbonden aan het verstrekken van een scootmobiel en valt dan ook onder de compensatieplicht van de gemeente. Derhalve dient in eerste instantie te worden nagegaan of het plaatsen van een tuinhuisje toegestaan is. Is dit niet het geval dan dient men te zoeken naar een andere oplossing. Ook het afdekken van de scootermobiel met een hoes, indien de ondersteuningsbehoevende of de mantelzorger daartoe in staat is, kan een adequate oplossing zijn mits er een oplaadmogelijkheid voor handen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4 Een ander verplaatsingsmiddel 5.9.4.1 Fietsvoorzieningen Een fietsvoorziening wordt verstrekt voor de korte en middellange afstand rondom de woning. Tevens geldt dat met de fietsvoorziening een substantieel deel van de vervoersvoorziening kan worden vervuld (= 500 km per jaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.2 De fiets met drie of vier wielen · Omschrijving van de voorziening Het gaat hier om aangepaste fietsen, zoals drie- of vierwielfietsen. Voor ondersteuningsbehoevenden met een slecht evenwicht, verstandelijk gehandicapten of gehandicapten met een gestoorde motoriek kan een aangepaste fiets een uitkomst zijn. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen De ondersteuningsbehoevende is niet in staat te fietsen op een gewone fiets die in de winkel te verkrijgen is. Verstrekking is mogelijk als met deze vervoersvoorzieningen een substantieel deel van de bestemmingen in het kader van ‘het leven van alle dag’ bereikt kunnen worden. · Aard van de verstrekking Verstrekking in natura in bruikleen, in de vorm van een PGB (artikel 27 lid 2 sub e verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder) of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (artikel 27 lid 3 sub f verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder). Het beleid van de gemeente is erop gericht de voorziening te verstrekken in de vorm van een PGB of in natura. De kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering, komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. · Korting op vervoerskostenvergoeding Indien van toepassing is er recht op een individuele vervoerskostenvergoeding van 70%. De korting bedraagt daarmee 30%. In individuele gevallen kan hiervan worden afgeweken. · Bijzonderheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervanging kan om de 10 jaar plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstrekking is onafhankelijk van leeftijd. Voor kinderen tot 4 jaar wordt een normale (kinder)driewieler als algemeen gebruikelijk beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.3 De tandem of duofiets · Omschrijving van de voorziening Een tandem (aanvrager achter) of een duofiets (aanvrager voor) biedt fietsmogelijkheden aan diegenen die iemand nodig hebben om een vast tempo aan te geven en/of die niet zelf kunnen sturen. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen In het kader van het verplaatsen in ‘het leven van alledag’ kan een tandem toegekend worden. Een tandem die enkel een rol speelt voor ontwikkeling en ontspanning wordt niet verstrekt in het kader van de Wmo. Eventueel kan hiervoor een beroep gedaan worden op de bijzondere bijstand. · Aard van de verstrekking Verstrekking in natura in bruikleen, in de vorm van een PGB (artikel 27 lid 2 sub e verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder) of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (artikel 27 lid 3 sub f verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder). Een fiets wordt voor minimaal 10 jaar toegekend. Voor kinderen tot en met 12 jaar wordt een aangepaste fiets in bruikleen verstrekt. Het beleid van de gemeente is erop gericht de voorziening te verstrekken in de vorm van een PGB of in natura. De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. · Korting op vervoerskostenvergoeding Indien van toepassing is er recht op een individuele vervoerskostenvergoeding van 70%. De korting bedraagt daarmee 30%. In individuele gevallen kan hiervan worden afgeweken. · Bijzonderheden Verstrekking van een zelfde (aangepaste) tandem kan slechts eens per 10 jaar plaatsvinden. Aangepaste fietsen worden door de gemeente gekocht en in bruikleen verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.4 De tandemet of fiets met hulpmotor (Spartamet) · Omschrijving van de voorziening Het gaat hierbij om een tandemet of fiets met hulpmotor. Een spartamet cq. een fiets met een hulpmotor wordt gezien als een algemeen gebruikelijk vervoermiddel en komt derhalve niet voor verstrekking in aanmerking. Een tandemet, een tandem met hulpmotor, kan wel voor verstrekking in aanmerking komen. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Een tandemet kan verstrekt worden indien deze wordt gebruikt voor het dagelijkse leefvervoer. · Aard van de verstrekking Verstrekking in natura in bruikleen, in de vorm van een PGB (artikel 27 lid 2 sub e verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder) of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (artikel 27 lid 3 sub f verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder). Het beleid van de gemeente is erop gericht de voorziening te verstrekken in de vorm van een PGB of in natura.De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. ·Korting op vervoerskostenvergoeding Wanneer de ondersteuningsbehoevende gebruik kan maken van een tandemet vindt verlaging van een eventuele vervoerskostenvergoeding plaats met 30%. In individuele gevallen kan hiervan worden afgeweken. · Bijzonderheden Vervanging kan om de 10 jaar plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.5 Rolstoelfiets · Omschrijving van de voorziening Een rolstoelfiets is een driewielfiets waar de rolstoel voorop op een plateau geplaatst kan worden, zodat een kind of een volwassene dat rolstoelafhankelijk is per fiets vervoerd kan worden. Ook bestaat een rolstoelfiets met drie wielen waarbij van het achterste deel van de fiets een speciale rolstoel losgekoppeld kan worden. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen De ondersteuningsbehoevende dient rolstoelafhankelijk te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een nadrukkelijke behoefte zijn om de ondersteuningsbehoevende per fiets te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een begeleider beschikbaar zijn. · Aard van de verstrekking Verstrekking in natura in bruikleen, in de vorm van een PGB (artikel 27 lid 2 sub e verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder) of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (artikel 27 lid 3 sub f verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder). Het beleid van de gemeente is erop gericht de voorziening te verstrekken in de vorm van een PGB of in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. · Korting op vervoerskostenvergoeding Wanneer de ondersteuningsbehoevende gebruik kan maken van een rolstoelfiets vindt verlaging van een eventuele vervoerskostenvergoeding plaats met 30%. In individuele gevallen kan hiervan worden afgeweken. · Bijzonderheden Vervanging kan om de 10 jaar plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.6 Fiets-rolstoel-trekdeel (koppeling tussen normale fiets en rolstoel) · Omschrijving van de voorziening Het betreft hier een hulpstuk (koppeling), waardoor een rolstoel kan worden aangekoppeld aan een normale fiets. De rolstoel rijdt hiermee op de grote achterwielen achter een fiets. · Aard van de verstrekking Verstrekking in natura in bruikleen, in de vorm van een PGB (artikel 27 lid 2 sub e verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder) of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (artikel 27 lid 3 sub f verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder). Het beleid van de gemeente is erop gericht de voorziening te verstrekken in de vorm van een PGB of in natura.De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Er moet een nadrukkelijke behoefte bestaan om de ondersteuningsbehoevende met de fiets te vervoeren. · Korting vervoerskostenvergoeding n.v.t 5.9.4.7 Handbike-tracker · Omschrijving van de voorziening Hierbij wordt aan de voorzijde van de rolstoel fietsdeel met een wiel gekoppeld, waardoor de rolstoel op de achterwielen kantelt en wordt voortbewogen door middel van pedalen, die met de handen worden rondgedraaid. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Het gaat om een rolstoelvoorziening die met name voor kortere afstanden een uitkomst kan bieden voor de gehandicapte. De gehandicapte moet zich door de handbike-tracker beter kunnen verplaatsen. Het verstrekken van een handbike-tracker kan overwogen worden indien een scootmobiel geen oplossing biedt. · Aard van de verstrekking Verstrekking in natura in bruikleen, in de vorm van een PGB (artikel 27 lid 2 sub e verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder) of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (artikel 27 lid 3 sub f verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder). Het beleid van de gemeente is erop gericht de voorziening te verstrekken in de vorm van een PGB of in natura. Bij een verstrekking in natura wordt de handbike-tracker in bruikleen verstrekt door de hulpmiddelenleverancier. De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.8 Aangepaste kinderfietsen De kinderfietsen kunnen als voorziening in natura in bruikleen vertrekt, in de vorm van een PGB of al financiële tegemoetkoming. Het beleid van de gemeente is er op gericht de voorziening te verstrekken in natura of in de vorm van een PGB. Een aangepaste kinderfiets kan verstrekt worden aan kinderen vanaf 4 jaar. “Fietsjes” voor kinderen jonger dan 4 jaar worden gezien als een speelvoertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.9 Autozitjes en fietszitjes · Omschrijving van de voorziening Het gaat hierbij om speciale zitjes voor in de auto of op de fiets. Hiervoor worden wel de bovengenoemde kuipvormige zitondersteuningselementen gebruikt. Echter een kuipje dat bij een bepaald onderstel hoort, kan niet als fiets- of autozitje gebruikt worden. Er moet dan een apart zitje worden aangeschaft. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Het ondersteuningsbehoevende kind kan niet zonder een aangepast zitje Het gebruik van de fiets of auto behoren tot het normale patroon van verplaatsingen van dag tot dag van het gezin. · Aard van de verstrekking Verstrekking in natura in bruikleen, in de vorm van een PGB (artikel 27 lid 2 sub e verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder) of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (artikel 27 lid 3 sub f verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder). Het beleid van de gemeente is erop gericht de voorziening te verstrekken in de vorm van een PGB of in natura. De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.4.10 Speelvoertuigen · Omschrijving van de voorzieningen Deze voorzieningen houden het midden tussen (therapeutische) speelvoorzieningen en mobiliteitshulpmiddelen. Het gaat concreet om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangepaste driewielers:</p>\n<p class=\"lf-p\">Driewielers die zijn aangepast in verband met de beperking van het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speelmobielen en vliegende Hollanders:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn speelvoorzieningen en vervoermiddelen voor buiten. Ze zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruipwagens en kruiphulpmiddelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Het ondersteuningsbehoevende kind is niet in staat om van de reguliere speelvoertuigen gebruik te maken. · Aard van de verstrekking Verstrekking in natura in bruikleen, in de vorm van een PGB (artikel 27 lid 2 sub e verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder) of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (artikel 27 lid 3 sub f verordening individuele voorzieningen gemeente Noordoostpolder). Het beleid van de gemeente is erop gericht de voorziening te verstrekken in de vorm van een PGB of in natura. Bij een verstrekking in natura wordt de handbike-tracker in bruikleen verstrekt door de hulpmiddelenleverancier. De kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering zijn bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Financiële tegemoetkoming in de kosten Indien iemand niet in staat is gebruik te maken van het collectief vervoer, kan hij/zij in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Onder de WvG werd dit een vervoerskostenvergoeding genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van: gebruik van eigen auto; aanpassing van de eigen auto; gebruik van bruikleen auto of lease auto; gebruik van taxi; gebruik van rolstoeltaxi; aanschaf of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel; medisch noodzakelijke begeleiding tijdens het vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.1 Gebruik van eigen auto, bruikleenauto of lease auto, taxi, rolstoeltaxi Een voorziening voor gebruik van eigen auto, gebruik van bruileen auto of lease-auto, gebruik van taxi en gebruik van rolstoeltaxi wordt bij een inkomen boven 1,5 keer het geldend sociaal minimum, uitsluitend verstrekt aan belanghebbenden met een inkomen dat gelijk aan of lager is dan 1,5 maal het geldend sociaal minimum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering wordt gemaakt voor personen woonachtig in een gezinsvervangend tehuis. Zij komen allemaal (ongeacht hun inkomen) in aanmerking voor het collectief vervoer. Het feit dat zij wel of geen begeleiding nodig hebben bij het vervullen van hun vervoersbehoefte doet hier niet aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normbedragen voor de financiële tegemoetkoming zijn opgenomen in artikel 15 van het besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder. De CRvB heeft bepaald dat in het algemeen de ondersteuningsbehoevende met een (combinatie van) vervoersvoorziening(en) in staat moet worden gesteld 1.500 tot 2.000 km per jaar af te kunnen leggen met betrekking tot regionaal vervoer. De normbedragen in het besluit zijn daarom gebaseerd op het gegeven dat een ondersteuningsbehoevende minimaal 1500 km per jaar moet kunnen reizen. Op basis van dit uitgangspunt zijn de volgende normbedragen tot stand gekomen: de vervoerskostenvergoeding voor het gebruik van een eigen auto; € 502; de vervoerskostenvergoeding voor het gebruik van een bruikleenauto/huur- of lease-auto; € 186,-; de vervoerskostenvergoeding voor het gebruik van een taxi; € 1.335; de vervoerskostenvergoeding voor het gebruik van een rolstoeltaxi; € 2.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat duidelijk om een tegemoetkoming in de kosten van vervoer. Het is niet de bedoeling dat vanuit de Wmo de totale vervoersbehoefte wordt gefinancierd. Reden hiervoor is dat ook niet-ondersteuningsbehoevenden (en ondersteuningsbehoevenden in het collectief vervoer) kosten voor het vervoer moeten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten gemaakt voor het gebruik van een (rolstoel)taxi worden afgerekend op declaratiebasis. Declaraties moeten per kwartaal worden ingediend voor de 10de van de eerste maand van het volgende kwartaal. Bij de declaratie dienen de taxibonnen overlegd te worden. De normbedragen gelden voor een periode van 12 maanden. Declaraties kunnen worden ingediend door belanghebbenden van 18 jaar en ouder. Hierbij kan het gaan om ondersteuningsbehoevenden zelf of om ouders/verzorgers van een ondersteuningsbehoevenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.2 Aanpassing van de eigen auto · Omschrijving van de voorziening Autoaanpassingen zijn er op gericht het gebruik van een auto voor een ondersteuningsbehoevende mogelijk te maken, indien de ondersteuningsbehoevende op de auto is aangewezen voor verplaatsingen buitenshuis. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Verstrekking van aanpassingen aan de eigen auto kan alleen plaatsvinden in zeer uitzonderlijke gevallen. Hiervan is enkel sprake wanneer een andere vervoersvoorziening geen goedkoopst adequate oplossing biedt. Het vervoersprimaat ligt immers bij het collectief vervoer. Men heeft boven de inkomensgrens voldoende financiële middelen om op een andere wijze in het vervoer te kunnen voorzien, bijvoorbeeld een taxi. Een ondersteuningsbehoevende onder de inkomensgrens wordt geacht niet zelf een auto te kunnen onderhouden. Het ligt dan niet voor de hand wel aanpassingen aan de auto te bekostigen. Daarom is een autoaanpassing evenals een lease-auto het sluitstuk van voorzieningen. De ergonomisch adviseur beoordeelt of de auto in redelijkheid is aan te passen of dat er een andere auto noodzakelijk is. Er wordt een programma van eisen opgesteld met een offerte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisen die aan een auto gesteld worden om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten: de auto is niet ouder dan 5 jaar; de auto verkeert in goede staat (eventueel middels een keuring laten bepalen); de auto is redelijk aan te passen. · Aard van de verstrekking Er wordt een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten verstrekt. In artikel 15 lid 1 van het besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder is bepaald dat de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor aanpassing van de eigen auto wordt vastgesteld op de door de gemeente geaccepteerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke zaken zoals automatische transmissie, elektrische ramen en buitenspiegels, in hoogte verstelbare stoelen en airconditioning komen niet voor vergoeding in aanmerking. Een auto met deze voorzieningen kan worden aangeschaft voor een prijs die overeenkomt met de waarde van de referentie-auto. De prijs van een referentieauto is de prijs van een “gemiddelde” auto welke het UWV aanvaardbaar acht. (Voor het bepalen van de referentie-auto wordt aangeloten bij de door het UWV gehanteerde normbedragen bij de uitvoering van de WIA en het Re-integratiebesluit. Per 1 januari 2006 is de waarde van de referentie-auto € 16.800,-- (normbedragen voorzieningen van het UWV).</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de toekenning is minimaal zeven jaar. · Bijzonderheden De wegenbelasting en autoverzekering komen niet voor vergoeding in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van een aanvraag voor een aanpassing aan de eigen auto, dient een advies van het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) met de restreint bepalingen aanwezig te zijn. Het CBR verricht de keuring voor het vaststellen van de beperkingen (restreint), waarop de auto voor de ondersteuningsbehoevende aangepast moet zijn. Zonder deze restreintbepalingen is de belanghebbende onverzekerd als hij in een auto rijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de eis dat de auto niet ouder mag zijn dan vijf jaar, kan worden voorbijgegaan als de autoaanpassing in een andere auto kan worden overgezet (bijvoorbeeld een aangepaste autostoel). Als in dat geval de aanpassing binnen zeven jaar overgezet moet worden, dan zijn de kosten hiervan voor rekening van de ondersteuningsbehoevende.</p>\n<p class=\"lf-p\">BPM teruggave Op grond van het Nederlands belastingstelsel is de teruggaaf BPM-gehandicaptenregeling in het leven geroepen. Indien een bestelauto wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte en diens rolstoel of ander hulpmiddel, kan men een teruggaaf krijgen van Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bron:belastingdienst.nl). Wanneer de auto verstrekt is vanuit de Wmo wordt een deel van de verstrekte financiële tegemoetkoming terug gevorderd van de ondersteuningsbehoevende indien het verzoek om teruggaaf door de belastingdienst wordt ingewilligd. Het is namelijk niet de bedoeling dat op grond van de Wmo een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor een voorziening waarin de belastingdienst achteraf mede tegemoet komt. De Algemene wet bestuursrecht vermeldt in titel 4.4 de wijze waarop de terugvordering dient te geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.2.1 Meerkosten auto in speciale uitvoering · Omschrijving van de voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor personen met een inkomen dat hoger is dan 1,5 keer het geldend sociaal minimum wordt een auto waarvan de aanschafkosten overeenkomen met de referentieauto als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Als er een medische noodzaak is voor een auto in een bepaalde uitvoering of met speciale faciliteiten die niet kan worden aangeschaft voor het normbedrag van de referentieauto, dan kan een tegemoetkoming worden verleend in de meerkosten van deze auto. De tegemoetkoming is gelijk aan de aanschafprijs van de betreffende auto (exclusief niet-noodzakelijke accessoires) plus de kosten van eventuele noodzakelijke aanpassingen minus het normbedrag van de referentieauto. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tegemoetkoming in de kosten van een eigen auto kan alleen plaatsvinden in zeer uitzonderlijke gevallen. Hiervan is enkel sprake wanneer een andere vervoersvoorziening geen goedkopere adequate oplossing biedt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuningsbehoevende kan geen gebruik maken van het collectief vervoer of een (rolstoel)taxi;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een programma van eisen opgesteld met een offerte. · Aard van de verstrekking Er wordt een financiële tegemoetkoming in de meerkosten ten opzichte van het algemeen gebruikelijke deel verstrekt. De duur van de toekenning is minimaal zeven jaar. De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt vastgesteld op de door de gemeente geaccepteerde kosten (artikel 15 lid 1 besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.3 Medische noodzakelijke begeleiding tijdens het vervoer Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij Awbz-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, met name bij gezinsvervangende tehuizen. Ook bij grotere Awbz-instellingen geldt een beperking bij de compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de financiële tegemoetkoming voor medisch noodzakelijke begeleiding tijdens het vervoer wordt vastgesteld op de door de gemeente geaccepteerde kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Korting op de financiële tegemoetkoming Voorafgaand aan het al dan niet toekennen van een financiële tegemoetkoming bepaalt de indicatiesteller, in overleg met de ondersteuningsbehoevende, wat zijn/haar vervoersbehoefte is. Indien de vervoersbehoefte zodanig is dat het de \"verplaatsingen in het leven van alle dag\" omvat, heeft betrokkene recht op een gehele vervoerskostenvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een deel van de vervoersbehoefte kan worden vervuld met een andere vervoersvoorziening, dan is er aanleiding de vervoerskostenvergoeding te verlagen. In het algemeen wordt dan uitgegaan van een korting van 30%. Deze korting kan echter niet automatisch worden toegepast. Onderzoek moet uitwijzen of een substantieel deel van de vervoersbehoefte kan worden vervuld met de alternatieve vervoersvoorziening. Uitgaande van het uitgangspunt dat een ondersteuningsbehoevende met zijn vervoersvoorzieningen jaarlijks 1500 km kan afleggen, wordt met een substantieel deel bedoeld minimaal 500 km.De korting op de vervoerskostenvergoeding van 30% is ook in overeenstemming met deze afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer iemand nog in staat is te fietsen, maar hij/zij kan dit alleen bij gunstige weersomstandigheden, dan is niet altijd aanleiding de korting van 30% toe te passen. Het is dan immers niet aannemelijk dat met de fiets een afstand van minimaal 500 km per jaar kan worden afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toekennen van een financiële tegemoetkoming wordt ten aanzien van de verschillende leeftijdcategorieën, het volgende onderscheid gemaakt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de groep van 0 tot 5 jaar : geen financiële tegemoetkoming omdat individueel reizen voor kinderen in deze leeftijdgroep niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de groep 5 tot 12-jarigen : maximaal 50% van het normbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de groep 12 tot 15-jarigen: maximaal 75% van het normbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de groep van 15 jaar en ouder: het volledige normbedrag. (CRvB 29-09-2004, nr. 02/3975 Wvg, CRvB 20-12-2005,nrs. 03/2393 Wvg) Indien meer kinderen in een gezin ondersteuningsbehoevend zijn, wordt aan elk van de kinderen maximaal 75% van de bij de leeftijdcategorie behorende vergoeding toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Ondersteuningsbehoevenden in Awbz-instellingen De CRvB gaat er vanuit dat het contact met het ouderlijk milieu voor de ondersteuningsbehoevende in een Awbz-instelling doorgaans van wezenlijk belang is. Omdat ‘het leven van alledag’ zich doorgaans afspeelt binnen de Awbz-instelling mag er echter ook vanuit worden gegaan dat daar sociale contacten worden opgedaan en worden onderhouden. Als echter een deskundige verklaart dat zonder de contacten buiten de instelling vereenzaming dreigt, kan een voorziening voor weekendvervoer noodzakelijk zijn. Daarbij mag de gemeente er vanuit gaan dat een deel van de noodzakelijk contacten ook onderhouden kunnen worden door het ontvangen van bezoek. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de Awbz-instelling om zorg te dragen voor een passende locatie/ruimte voor het ontvangen van bezoek. Om die reden hoeft de door de gemeente te treffen vervoersvoorziening slechts rekening te houden met de helft van de noodzakelijke contacten (50/50-criterium). Het betreft hier overigens een algemene regel. Zowel de gemeente als de ondersteuningsbehoevende kan door middel van verklaringen van deskundigen aantonen dat een lagere dan wel hogere bezoekfrequentie noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het voorgaande wordt in het kader van “weekendvervoer” voor ondersteuningsbehoevenden in een Awbz-instelling slechts een tegemoetkoming verstrekt voor de helft van de noodzakelijk geachte contacten (om vereenzaming te voorkomen). De andere helft van de noodzakelijke contacten dient door middel van bezoek onderhouden te worden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6'. Rolstoelen</h3>\n<p class=\"lf-p\">6.1 Inleiding Wanneer een persoon beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, is het College verplicht op grond van artikel 4 lid 1 onder b van de Wet deze beperkingen te compenseren en voorzieningen te treffen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die in staat stellen om zich te verplaatsen in en om de woning. Dit verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel, of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel, net als in de Wvg eerder het geval, onder de Wmo. De andere voorzieningen vallen onder andere wettelijke regelingen en zijn daarom op grond van artikel 3 Wmo uitgesloten. Onder rolstoel dient te worden verstaan wat daar over het algemeen in het dagelijkse taalgebruik onder wordt verstaan: een rolstoel is een voorziening ter verplaatsing in en om de woning, soms ook in de directe woon- en leefomgeving, waarbij de rolstoel met de handen aan de achterste wielen kan worden aangedreven. Een rolstoel kan met de hand worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er motoren die op een rolstoel aangebracht kunnen worden om de rijden met de rolstoel te ondersteunen, lichter te maken. Naast rolstoelen voor verplaatsing zijn er ook rolstoelen, speciaal voor verplaatsing bij sportbeoefening, de zogenaamde sportrolstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Soorten rolstoelvoorzieningen Artikel 32 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om rolstoelen te verstrekken: een algemene rolstoelvoorziening; een rolstoel; de met de rolstoel gepaard gaande kosten van onderhoud, gebruik, verzekering en reparatie en eventuele noodzakelijke aanpassingen en accessoires aan de rolstoel; een sportrolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel rolstoelgebruik en sportrolstoel Als het gaat om incidenteel gebruik van een rolstoel en er op grond van de Awbz geen hulpmiddelen worden verstrekt, komt de aanvrager in aanmerking voor een rolstoel uit de rolstoelpool. Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning, kan de rolstoel verstekt worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget. Een rolstoel uit de rolstoelpool is dan geen adequate voorziening. Of er al dan niet sprake is van incidenteel gebruik is afhankelijk van persoonlijke omstandigheden en wordt per individuele situatie beoordeeld. Voor een sportrolstoel kan een ondersteuningsbehoevende in aanmerking komen als aantoonbare beperkingen sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel wordt gekeken naar de volgende factoren: a. Het gebruik Uitgangspunt is het gebruiksdoel: een rolstoel wordt primair beschouwd als een vervoersvoorziening voor verplaatsing binnens- en buitenshuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een rolstoel voor meerdere activiteiten geschikt moet zijn moet hiermee rekening worden gehouden, eventueel door meerdere rolstoelen te verstrekken. Verder wordt ten aanzien van het gebruik gekeken naar de frequentie van het gebruik en de gebruiksduur. Een rolstoel die tijdelijk gebruikt moet worden (korter dan een half jaar) komt niet in aanmerking voor verstrekking vanuit de Wmo. Hiervoor kan een aanvraag worden ingediend bij de thuiszorgorganisatie. b. Het gebruiksgebied Bij elektrische rolstoelen voor buitengebruik worden hoge eisen gesteld aan stabiliteit en manoeuvreerbaarheid en is de actieradius van groot belang (het aantal kilometers dat gereden kan worden zonder dat de accu wordt opgeladen). Bij rolstoelen voor binnenshuis gelden in het bijzonder eisen als beperkte draaicirkel en zodanige afmetingen dat eenvoudige transfers te maken zijn. c. De aandrijving Er zijn 3 mogelijkheden: door middel van het eigen lichaam; door het bedienen van een aandrijfmechanisme; voortduwen door anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om tot een verantwoorde keus te komen wordt gelet op: de fysieke mogelijkheden van de ondersteuningsbehoevende, zoals kracht om rolstoel op gang te brengen en te houden, voldoende armfuncties om te remmen of te sturen; voldoende oriëntatievermogen en verkeersinzicht om aan het verkeer buitenshuis deel te nemen; fysieke mogelijkheden van begeleider wat betreft kracht en uithoudingsvermogen; gebruiksgebied van een duwrolstoel. d. De zithouding De benodigde ondersteuning is afhankelijk van de aard van de handicap/ de functionele beperking en van de activiteiten die vanuit de rolstoel moeten plaatsvinden. Indien mensen voor een groot deel van de dag zijn aangewezen op een rolstoel is een multifunctionele rolstoel nodig. Dit stelt eisen aan de ondersteuning. e. De meeneembaarheid Een rolstoel moet kunnen worden dichtgeklapt, opgevouwen of gedemonteerd, indien de gebruiker de rolstoel eenvoudig moet kunnen transporteren. De mate van meeneembaarheid is echter afhankelijk van de beperkingen van de cliënt. f. Antropometrische gegevens De rolstoel moet worden aangemeten aan de lichaamsmaten van de gebruiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Keuze van de rolstoel Op grond van bovenstaande factoren bepaalt de indicatiesteller, samen met een adviseur van de hulpmiddelenleverancier welke rolstoel het meest geschikt is voor de betreffende ondersteuningsbehoevende. Vervolgens brengt de hulpmiddelenleverancier voor deze rolstoel een offerte uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verstrekken van rolstoelen heeft de gemeente sturingsmogelijkheden. De mogelijkheden voor budgetbeheer zijn vooral gelegen in efficiënt depotbeheer, herverstrekking en een uiterst zorgvuldige selectie van de goedkoopst adequate rolstoel. ·Verkorte procedure Voor de verstrekking van incidenteel te gebruiken rolstoelen en scootermobielen is aan de hulpmiddelenleverancier een machtiging verstrekt. Wanneer de indicatiesteller een positief advies geeft, kan de hulpmiddelenleverancier zonder tussenkomst van de gemeente de voorziening verstrekken (de zogenaamde “generale machtiging”).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Rolstoel en verhuizing In geval van verhuizing van de rolstoelgebruiker naar een andere gemeente dient in principe de rolstoel te worden ingeleverd. Dit levert een klantonvriendelijke situatie op. Daarom neemt de gemeente contact op met de nieuwe woongemeente teneinde te onderzoeken of deze gemeente de rolstoel wenst over te nemen. Bij het bepalen van de kosten van overname wordt een afschrijvingstermijn overeenkomstig de gehanteerde termijn van de vaste leverancier van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Levering van rolstoelen Alle rolstoelen worden in bruikleen verstrekt. Bij aflevering ondertekent betrokkene een bruikleenovereenkomst. De aanschafprijs komt direct voor rekening van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de aankoopsom zijn in ieder geval inbegrepen: de aankoopsom van de voorziening; afschrijving; standaardaanpassingen; reparatie-, onderhoud- en servicekosten, WA-verzekering (uitgezonderd reparatie van lekke banden); depotkosten; beheers- en administratiekosten; bezorg- en ophaalkosten; passing in showroom of thuis; documentatie en advies; instructie aan de gebruiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 De verstrekkingen 6.8.1 Een algemene rolstoelvoorziening Algemene rolstoelvoorzieningen moeten nog ontwikkeld worden. Deze vorm van verstrekken biedt mogelijkheden voor die aanvragers die een rolstoel niet dagelijks maar incidenteel nodig hebben. Te denken valt aan aanvragers die in en om de woning geen hulpmiddelen nodig hebben of zich met andere loophulpmiddelen kunnen verplaatsen, maar uitsluitend tijdens een dagje uit een rolstoel nodig hebben. Dergelijke rolstoelen worden vaak opgeklapt achter in de auto gelegd en slechts gebruikt bij bovenomschreven activiteiten. Aangezien de eis voor het in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening in natura of als persoonsgebonden budget is dat “dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning” noodzakelijk is en deze aanvragers daaraan niet voldoen, kan de algemene rolstoelvoorziening een hulpmiddel zijn. Bij een algemene rolstoelvoorziening is het voor diegenen die daartoe het recht hebben een rolstoel voor één of meer dagen te lenen om de gewenste activiteiten mee uit te kunnen voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.2 Een rolstoel Er zijn verschillende rolstoelen te onderscheiden. Er wordt onderscheid gemaakt in de onderstaande rolstoelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Handbewogen rolstoelen Elektrische rolstoelen Kinderrolstoelen Stoelen op wielen Ad.1: Handbewogen rolstoelen · Omschrijving van de voorziening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de handbewogen rolstoelen is een onderscheid mogelijk tussen zelfbewegers en duwwandelwagens. Voor zelfbewegers is een goede arm- en handfunctie van de ondersteuningsbehoevende noodzakelijk en een redelijk uithoudingsvermogen. Zelfbewegers hebben kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter. Voor ondersteuningsbehoevenden die slechts in één hand of arm een sterke functie hebben zijn rolstoelen ontwikkeld die aan één kant voortbewogen kunnen worden. Duwwandelwagens hebben over het algemeen vier kleine wielen. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuningsbehoevende is door beperkingen aangewezen op een handbewogen rolstoel. · Aard van de verstrekking:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rolstoel wordt in natura in bruikleen verstrekt of in de vorm van een PGB. De kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad.2: Elektrische rolstoelen · Omschrijving van de voorziening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij elektrische rolstoelen kan het gaan om rolstoelen met zogenaamde joystick-besturing, computergestuurde rolstoelen, sta-rolstoelen, scootermobielen of plateaurolstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderscheid kan worden gemaakt tussen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Elektrische rolstoelen voor binnenshuis: compact, wendbaar, kleine wielen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Elektronische rolstoelen voor buitenshuis: groot, grote actieradius, stabiel, grote wielen. Dit is een vervoersvoorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zowel binnens- als buitenshuis: een combinatie van kenmerken van de binnen- en buitenrolstoelen. De verstrekking is afhankelijk van de afmetingen van de woning, rijvaardigheid van de ondersteuningsbehoevende en het gebruiksgebied. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen De ondersteuningsbehoevende is door beperkingen aangewezen op een elektrische rolstoel. Eerst zal moeten worden vastgesteld of niet kan worden volstaan met een handbewogen rolstoel. De beperkingen van de ondersteuningsbehoevende zullen hierbij bepalend zijn. · Aard van de verstrekking In bruikleen bij een voorziening in natura of in de vorm van een PGB. De kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. · Korting vervoerskostenvergoeding Voor de elektrische buitenrolstoelen en binnen-buitenrolstoelen geldt een vervoerskosten korting van 30%. In individuele gevallen kan hiervan worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. 3: Kinderrolstoelen · Omschrijving van de voorziening Voor kinderen spelen andere behoeftes ook een belangrijke rol, te weten: veiligheid, nabijheid moeder/vader, beweging, ontdekken van en deelname aan alle facetten van het gezinsgebeuren en daarbuiten. De rolstoelen moeten verrijdbaar en makkelijk mee te nemen voor gebruik binnenshuis. Verder moeten de kinderrolstoelen zeer wendbaar zijn en tegen een stootje kunnen. Aan lichtgehandicapte kinderen, die nog niet aan een rolstoel toe zijn kan een aangepaste buggy verstrekt worden. Aangezien deze buggy's relatief weinig ondersteuning bieden, zijn ze bedoeld voor kinderen met een redelijke spierfunctie. Een aangepaste buggy wordt voor een kind in de leeftijd tot en met drie jaar niet als algemeen gebruikelijk beschouwd en wordt afhankelijk van de aard van de beperking verstrekt. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Vanaf het moment dat kinderen gezien hun ontwikkeling zouden gaan lopen kunnen zij in principe gebruik gaan maken van een rolstoel. Kinderen die vanwege een beperkte arm- en/of handfunctie zijn aangewezen op een elektrische rolstoel kunnen deze vanaf ongeveer hun vierde jaar bedienen. Tot dat moment zijn ze aangewezen op een buggy of kinderduwwandelwagen. · Aard van de verstrekking In bruikleen bij een voorziening in natura of in de vorm van een PGB. De kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend. · Bijzonderheden Een aantal voorzieningen wordt in principe standaard aangebracht: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten (verstelbaar in hoogte) en spaakbeschermers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is dat de groei van de rolstoelgebruiker kan worden opgevangen door het rolstoelsysteem. Dit kan door rolstoelsystemen met de volgende nastelbare onderdelen: zitbreedte, zitdiepte, beenlengte, zit-, rug- en armhoogte. Bij levering van rolstoelen aan kinderen wordt hiermee rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit therapeutisch oogpunt kan het belangrijk zijn dat kinderen niet de hele dag in een rolstoel zitten maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan en zich staand kunnen voortbewegen. Het zitgedeelte valt onder de Wmo. Vanwege het therapeutische doel van het sta-gedeelte komt dit niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking, eventueel wel voor vergoeding vanuit de Awbz. In voorkomende gevallen neemt de gemeente contact op met de betreffende zorgverzekeraar om de mogelijkheid van een gezamenlijke financiering te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad.4: Stoelen op wielen · Omschrijving van de voorziening Deze stoelen worden ook wel werkstoel of trippelstoel genoemd. Deze stoelen vallen in principe niet onder de compensatieplicht van de gemeente, aangezien het primair gaat om een combinatie van een sta-, zit- en loopvoorziening en niet om een verplaatsingsvoorziening. De ondersteuningsbehoevende verplaatst zich zonder hulpmiddelen, bijvoorbeeld door met zijn voeten af te zetten (trippelen). De verstrekking van deze stoelen valt onder de verantwoordelijkheid van de ziektenkostenverzekeraar. Ook een aangepaste kinderstoel met bijvoorbeeld een zitkuipje en verplaatsbaar middels kleine wielen valt hieronder. Als de ondersteuningsbehoevende zich mechanisch of elektrisch voortbeweegt met de stoel valt de stoel onder de elektrische binnenrolstoelen en daarmee onder de compensatieplicht van de Wmo. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Er wordt enkel tot verstrekking overgegaan als een dergelijke stoel adequaat maar goedkoper is dan een vergelijkbare rolstoel. · Aard van de verstrekking In bruikleen bij een voorziening in natura of in de vorm van een PGB. De kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.3 De met rolstoel gepaard gaande kosten van onderhoud, gebruik,verzekering en reparatie en eventuele noodzakelijke aanpassingen en accessoires aan de rolstoel 6.8.3.1 Aanpassingen aan rolstoelen · Omschrijving van de voorziening Aanpassingen zijn noodzakelijke voorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden. Deze aanpassingen vinden plaats bij handbewogen, duw en elektrische rolstoelen, voor zowel kinderen als volwassenen. Een onderscheid in aanpassingen is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zit-, rug- en ondersteuningsdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in het bijzonder van belang voor mensen die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel zitten. Het kan dan gaan om zit-orthesen( op maat gemaakte zitkuip, op een onderstel kunnen meerdere maten van kuipen geplaatst worden), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen, anti-decubituskussens, werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de rolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijgedeelte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij onder andere om verzwaring van het frame, aandrijving van de wielen en eventueel motoren, rubber hoepelovertrekken of hoepels met extra tussenruimte, kogelkoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een goede greep mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bediening en/of besturing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt aan het mogelijk maken van besturing door middel van voet, mond of kin. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen De aanpassing is medisch noodzakelijk is en wordt aangemerkt als de goedkoopst adequate oplossing. · Aard van de verstrekking Aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de gemeentelijke compensatieplicht en worden volledig vergoed. De voorziening kan in de vorm van een PGB of in natura worden verstrekt. In geval van voorziening in natura worden aanpassingen aan rolstoelen door de hulpmiddelenleverancier in overleg met de indicatiesteller en de hulpmiddelenleverancier verricht. Individuele aanpassingen worden apart en eenmalig door de hulpmiddelenleverancier bij de gemeente in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.3.2 Rolstoelaccessoires · Omschrijving van de voorziening Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe behoren: rolstoelhandschoenen, bandenpomp, regenpakken, bagagetas of boodschappennet dat aan de rolstoel bevestigd kan worden, been- en voetenzak, winterbekleding, asbak, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen, spaakbeschermers en zonneschermen voor buggy en wandelwagens. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Rolstoelaccessoires vallen onder de gemeentelijke compensatieplicht voor zover deze medischnoodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: een been- en voetenzak, winterbekleding, spaakbeschermers, of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie. · Aard van de verstrekking De voorziening kan in natura worden verstrekt of in de vorm van een PGB. Bij een voorziening in natura worden medisch noodzakelijke rolstoelaccessoires verstrekt door de hulpmiddelenleverancier. De kosten komen direct voor rekening van de gemeente. Ondersteuningsbehoevenden zijn geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelaccessoires. Niet medisch noodzakelijke accessoires komen niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. Indien de ondersteuningsbehoevende zelf accessoires aanschaft voor de in bruikleen ontvangen voorziening, dan moeten deze accessoires geplaatst en verwijderd kunnen worden zonder de voorziening te beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.3.3 Kosten rolstoeltraining/scootmobieltraining Indien het onduidelijk is of iemand gebruik kan maken van een rolstoel/scootmobiel, zijn in het kader van het adviestraject, haalbaarheidslessen noodzakelijk. De eerste lijn ergotherapie verzorgt deze lessen. De eerste lijn ergotherapiekan de kosten hiervan declareren bij de zorgverzekeraar. De gemeente vergoedt daarnaast maximaal 5 gewenningslessen indien gebleken is dat iemand in staat is gebruik te kunnen maken van de rolstoel/scootmobiel, maar zonder gewenningslessen niet veilig aan het verkeer deelgenomen kan worden. Verder kunnen deze lessen enkel vergoed worden als een ondersteuningsbehoevende voor het eerst een rolstoel/scootmobiel moet gebruiken of als er aanzienlijke veranderingen zijn opgetreden waardoor het rolstoel/scootmobiel gebruik verandert. In In andere gevallen wordt er vanuit gegaan dat een korte instructie van de rolstoelleverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.3.4 Oplaadkosten Kosten voor het opladen van elektrische rolstoelen komen niet voor vergoeding in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.3.5 Vergoeding voor onderhoud en reparatie De kosten van onderhoud en reparatie komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. In principe vindt onderhoud en reparatie van de rolstoel bij de ondersteuningsbehoevende thuis plaats. De hulpmiddelenleverancier zorgt, indien noodzakelijk, voor een vervangende rolstoel. Het voorgaande is in de prijzen verdisconteerd. Derhalve vindt hierover geen afrekening van kosten plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige gevallen hebben ondersteuningsbehoevenden nog een rolstoel in eigendom. Ook onderhoud en reparatie van deze rolstoelen vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeente, indien duidelijk is dat rolstoelgebruik medisch geïndiceerd is. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.4 Sportrolstoelen · Omschrijving van de voorziening Deze rolstoelen kenmerken zich door scheefstand van de grote wielen en zijn vaak uitgerust met een doorlopende voetenplank in plaats van twee aparte voetensteunen. Een sportrolstoel is gericht op snelheid en wendbaarheid en stelt minder hoge eisen aan zitcomfort dan een rolstoel voor dagelijks gebruik. In principe zijn sportrolstoelen niet bruikbaar in de gewone leefsituatie. · Voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen Tijdens de intake wordt getracht te achterhalen of de aanvrager serieus overweegt te gaan dan wel te blijven sporten. De ondersteuningsbehoevende dient een kopie van een bewijs van zijn lidmaatschap van een sportvereniging te verstrekken. Verder wordt er altijd medisch advies aangevraagd. Uit dit advies moet minimaal naar voren komen aan welke eisen de rolstoel moet voldoen om aan sport op recreatief niveau deel te kunnen nemen. Op basis van deze eisen moet een offerte opgevraagd kunnen worden om de prijs van de goedkoopst adequate voorziening te kunnen bepalen. Er worden minimaal 3 offertes bij verschillende leveranciers opgevraagd om de prijs van de goedkoopst adequate sportrolstoel te kunnen bepalen. Aangezien de minimale eisen bij de drie partijen waarbij de offerte wordt opgevraagd eenduidig zijn, is derhalve de goedkoopste aanbieding de goedkoopst adequate aanbieding. Een aantal rolstoelen is wel geschikt voor dagelijks gebruik. Het gaat dan om lichte, makkelijk wendbare rolstoelen. Omdat het zitcomfort van deze stoelen beperkt is, wordt niet tot verstrekking van deze rolstoelen overgegaan aan mensen die een groot deel van de dag afhankelijk zijn van de rolstoel. · Aard van de verstrekking Een sportrolstoel kan in de vorm van in natura in bruikleen worden verstrekt. De gemeente schaft de sportrolstoel aan die bij de offerte vergelijking als goedkoopste aanbieding is gedaan. Kiest de klant voor een PGB, dan bedraagt het PGB maximaal het bedrag welke bij de offerte vergelijking als goedkoopste aanbieding is gedaan. De kosten voor reparatie, onderhoud en verzekering komen bij een verstrekking in natura voor rekening van de gemeente. Bij een verstrekking in de vorm van een PGB kan een vergoeding voor de instandhoudingskosten van 3,9% over het totale bedrag worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voortzetting van de onder de Wvg gevoerde beleid is de werkwijze van de gemeente er echter op gericht om voor de aanschaf van een sportrolstoel eens in de 3 jaar beschikbaar te stellen. Indien een sportrolstoel wordt aangeschaft die goedkoper is dan het maximumbedrag wordt slechts het aanschafbedrag vergoed. · Bijzonderheden Ondersteuningsbehoevenden die een speciale rolstoel voor het bedrijven van sport op topniveau nodig hebben moeten uit eigen middelen of door sponsoring de nodige financiële middelen bijeen brengen. Een sportrolstoel voor dit doel kan op grond van de Wmo niet worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.5 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door Awbz-bewoners Bewoners van Awbz-instellingen die ingevolge artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen is erkend komen, ingevolge artikel 35 van de verordening, slechts voor een rolstoel in aanmerking indien zij vanuit de Awbz geen rolstoel krijgen. Hiervan zal sprake zijn als artikel 15 van het besluit zorgaanspraken Awbz van toepassing is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7. Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van besluiten</h3>\n<p class=\"lf-p\">7.1 Aanvraagprocedure Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag. Op een aanvraag is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De werking van de Algemene wet bestuursrecht wordt in dit verstrekkingenboek bekend verondersteld. Hier word niet nader op ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen in het kader van de Wmo kunnen op grond van artikel 36 lid 1 van de verordening bij d aan de hand van een speciaal aanvraagformulier worden ingediend. Voordeel van een dergelijk formulier is dat als het geheel ingevuld is, alle voor de behandeling noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag dient te worden ingediend bij de gemeente, bij de eenheid Publieksdiensten (zie artikel 36 lid 2 van de verordening). Hier kunnen tevens aanvragen in het kader van de Awbz ingediend worden. Betreft het een gecombineerde aanvraag voor zowel ondersteuning op grond van de Wmo als voor zorg op grond van de Awbz, dan kan die aanvraag in één keer worden gedaan. Op deze wijze is voldaan aan de vereiste van de Wmo dat er een relatie gelegd dient te worden tussen de indicatie ten aanzien van de Awbz en aanvragen ten aanzien van de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.1 Bereikbaarheid loket Het loket is fysiek geopend van maandag tot en met vrijdag van 8.30 uur tot 12.30 uur. Telefonisch: maandag tot en met vrijdag van 8.30 uur tot 12.30 uur en van maandag tot en met vrijdag van 14:00 uur tot 17.00 uur op 0527- 63 39 33. Per email: participatie@noordoostpolder.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag dient de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger met een beroep op de wet identificatieplicht zich te kunnen legitimeren.Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens tegelijkertijd verstrekt zijn, kan de aanvraag in behandeling worden genomen. Voor het behandelen van de aanvraag is op basis van de Awb een termijn van 8 weken beschikbaar. Vanuit het dienstverleningsconcept van de Noordoostpolder streeft de gemeente ernaar aanvragen al binnen zeven weken af te handelen. Zie ook bijlage 4 ‘bezwaar en beroep’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het niet lukt binnen de voorgeschreven acht weken op een aanvraag een beschikking te nemen, dan zal voor het verstrijken van deze termijn betrokkene daarvan op de hoogte moeten worden gesteld, onder vermelding van de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit verwacht kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.2 Toegang voorzieningen Naast het afhandelen van de aanvraag wordt bij het loket van de eenheid Publieksdiensten de toegang tot de voorziening geregeld. Hierbij gaan we uit van warme overdracht. Dat wil zeggen dat de klant niet zelf met zijn positief besluit naar de aanbieder hoeft, maar dat vanuit de gemeente de toegang al wordt geregeld. Dat kan op verschillende manieren gebeuren, mede afhankelijk van de manier waarop dit met de aanbieders van zorg en welzijn wordt afgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.3 Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking Bij het bepalen wanneer er recht bestaat op een voorziening en welke voorziening het meest passend is om beperkingen te compenseren zal de gemeente rekening moeten houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager en de mogelijkheden van de aanvrager om zelf maatregelen te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Indicatiestelling Als iemand zich met een hulpvraag bij de gemeente meldt, moet er onderzocht worden wat de problemen zijn en welke oplossingen in aanmerking komen. Daarom is een zorgvuldige toegangsbewaking, ofwel indicatiestelling, van belang. De manier om een objectieve indicatie te stellen is om de protocollen die door het CIZ zijn opgesteld te hanteren. Het gaat hierbij om het volgen van het protocol gebruikelijke zorg en het hanteren van het begrippenkader ICF. Het toepassen van deze criteria draagt bij aan een soepele afstemming op Awbz zorg die door de indicatiestellers van het CIZ geïndiceerd blijft worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicatiestelling is het vaststellen welke vorm van zorg, dienstverlening of ondersteuning het best past bij een ondersteuningsvraag van een cliënt, om de beperkingen van de cliënt te compenseren. Daarbij worden de aard, de omvang en de inhoud van de ondersteuning bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indicatie advisering dient in ieder geval betrekking te hebben op: het bepalen van beperkingen van een ondersteuningsbehoevende zijnde moeilijkheden, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, die ondervonden worden bij activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden; het adviseren of voor het compenseren van deze beperkingen een oplossing via de Wmo aan de orde is; het aangeven welke voorzieningen de beperkingen kunnen verminderen of opheffen; het adviseren van de goedkoopst adequate oplossing; het signaleren van noodzakelijke afstemming van Wmo-voorzieningen op andere voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In werkafspraken met het CIZ is indicatiestelling op uitvoeringsniveau uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.1 Medische noodzaak Bij toekenning van voorzieningen op grond van de Wvg of bij indicatiestelling ten behoeve van de functie Huishoudelijke Verzorging Awbz was het begrip “medische noodzaak” doorslaggevend. Uit de jurisprudentie van de CRvB op beide terreinen blijkt dat die medische noodzaak in de ogen van de Raad noodzakelijk is om voorzieningen te verstrekken. Dit heeft tot gevolg dat een medisch advies van een onafhankelijk sociaal medisch adviseur, ook in de Wmo van cruciaal belang is. Onder de Wmo is de gemeente verantwoordelijk voor de indicaties. Een extern indicatie advies door de indicatiesteller is niet bindend. Het is een instrument voor beoordeling van de aanvraag door de gemeente. Afwijking van het advies door de gemeente kan echter alleen gemotiveerd plaatsvinden. Dit geldt zowel voor een afwijzing als voor een positieve beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening heeft dat vorm gekregen in artikel 37. Lid 1 van dit artikel biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.2 Eenvoudige indicaties Lid 2 van dit artikel geeft aan dat eenvoudige aanvragen waarvoor beperkte medische of ergonomische kennis benodigd is voor de indicatie door een daartoe door gemeente aangewezen persoon (dit kan een medewerker van de gemeente zelf zijn) kunnen worden afgehandeld. Bijvoorbeeld: onderdelen van een woningaanpassing (drempelhulp, beugel), een Collectief vervoerpas of huishoudelijke ondersteuning. De indicatie van transferzorg (bijvoorbeeld als iemand in het ziekenhuis ligt en naar huis kan als er huishoudelijke verzorging is) vindt ook plaats zonder tussenkomst van de externe adviseur. Deze adviezen worden gezien het belang voor de cliënt voor een snelle en efficiënte indicatie door transferverpleegkundigen gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.3 Wanneer vraagt de gemeente extern advies?</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 van artikel 37 worden een aantal situaties genoemd waarin het college de door haar aangewezen adviesinstantie om medisch advies dient te vragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste situatie, genoemd onder a, is een situatie waarbij een aanvraag om medische reden wordt afgewezen en de extern adviseur om een advies gevraagd wordt. Het belang van deze regel is dat er een situatie geschapen wordt, waarin medisch geobjectiveerd is vastgesteld wat er met de aanvrager (medisch) aan de hand is, welke problemen ervaren worden en wat de prognose is. Indien het gaat om een afwijzing van een voorziening wordt er dus altijd een indicatieadvies bij een extern adviesbureau gevraagd. Hierdoor kan een verantwoorde afwijzing van de aanvraag plaatsvinden. Zonder een medisch advies zou in deze situatie het besluit onvoldoende gemotiveerd zijn. De rechter zou een dergelijk besluit vernietigen als onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de gemeente altijd aanleiding zien om extern medisch advies te vragen. Dat zal bijvoorbeeld plaatsvinden bij een progressief ziektebeeld, maar ook bij medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen. Per situatie zal dit beoordeeld moeten worden. Bij twijfel wordt altijd een medisch advies gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een extern adviseur dient, afhankelijk van het soort aanvraag, te beschikken over medische kennis op het niveau van een arts, sociale kennis (in staat zijn om de sociale situatie van de aanvrager in te schatten), ergonomische kennis of technische kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indicatiesteller beoordeelt de aanvragen in samenhang met andere regelgeving (Awbz). De totale hulpvraag staat centraal. Dit betekent de totale leefsituatie van een aanvrager in het onderzoek naar de concrete hulpvraag voor Wmo voorzieningen moet worden meegenomen. Door een integrale hulpvraaganalyse hoeft de cliënt geen onnodig dubbel onderzoek te ondergaan en worden de verschillende onderdelen van het zorg- en dienstverleningspakket op elkaar afgestemd, ongeacht het wettelijke kader waarbinnen de voorzieningen vallen. Als geconstateerd wordt dat er bijvoorbeeld thuiszorg noodzakelijk is of dat de ondersteuningsbehoevende wellicht op de wachtlijst van een verzorgingshuis geplaatst moet worden, worden deze hulpvragen meegenomen. Indien bij het adviesorgaan de kennis op een bepaald terrein ontbreekt, dan wordt advies ingewonnen bij (deskundige) derden. Daarbij kan de gemeente indien daar naar oordeel van de gemeente aanleiding toe bestaat nog een andere adviesinstantie om een second opinion vragen (lid 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de Wmo is de gemeente verantwoordelijk voor de indicaties. Een extern indicatie advies is dus niet bindend. Het is een instrument voor beoordeling van de aanvraag door de gemeente. Afwijking van het advies door de gemeente kan echter alleen gemotiveerd plaatsvinden. Dit geldt zowel voor een afwijzing als voor een positieve beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 van artikel 37 bepaalt dat die gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag verschaft moeten worden aan het college. Hierbij kan gedacht worden aan medische gegevens, maar ook aan financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van de Awbz. Wat betreft financiële gegevens die geverifieerd dienen te worden, zullen uitkerings- en salarisspecificaties op gevraagd moeten worden. Deze bieden namelijk een goed inzicht van de bruto-nettoverhouding van het inkomen van een aanvrager. Op basis van deze inkomensgegevens vindt een inkomenstoetsplaats, deze wordt uitgevoerd door het CAK. Bij medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de behandelende sector noodzakelijk is. Dit kan – zeker als dit schriftelijk moet - geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit soort situaties kan met inschakeling van de aanvrager vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, met name indien de aanvrager aangeeft welk (grote) belang hij heeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie aan de medische adviseur.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.3.1 Verklaring geen bezwaar Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de aanvrager. Daarbij dient in de verklaring opgenomen te worden welke adviserende arts de gegevens opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.3.2 Hersteltermijn De aanvrager krijgt moet van de gemeente een hersteltermijn (schriftelijk) om alsnog de benodigde gegevens te verstrekken (artikel 4:5 Awb). Als hersteltermijn wordt over het algemeen vijf werkdagen aangehouden. Afhankelijk van de aard van de (aanvullende) gegevens kan echter ook een kortere of langere hersteltermijn worden aangehouden. De hersteltermijn moet de aanvrager in ieder geval in staat stellen aan zijn verplichting te kunnen voldoen. De beslistermijn wordt opgeschort gedurende de periode waarop gewacht wordt op de gegevens van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.4 Aanvraag terwijl behandeling/revalidatie nog niet afgerond Ten tijde van het indienen van de aanvraag is nog niet altijd bekend wat de “eindsituatie” van de ondersteuningsbehoevende zal zijn, omdat de ondersteuningsbehoevende nog niet is uitbehandeld of nog niet klaar is met revalideren. Op dat moment kan mogelijk (nog) niet worden vastgesteld voor welke voorzieningen de ondersteuningsbehoevende in aanmerking moet komen. De aanvraag zal dan worden afgewezen of slechts gedeeltelijk worden toegewezen. Uit jurisprudentie blijkt dat de rechtbank een actieve rol van de gemeente verwacht. De rechtbank dringt erop aan om niet af te wachten totdat de klant een nieuwe aanvraag indient. Zij vindt dat de gemeente na een niet al te lange periode een heronderzoek moet starten om te zien of er reeds duidelijkheid in de individuele situatie is ontstaan. Indien een aanvraag om deze redenen worden afgewezen of gedeeltelijk toegekend, wordt daarom een heronderzoek gepland op het moment dat naar verwachting de eindsituatie zal zijn bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.5 Het begrippenkader van de ICF Artikel 37 lid 6 van de verordening bepaalt dat bij de advisering de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden. “De ICF classificatie” is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een zinvolle ordening geplaatst.” (http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-0-3.htm) Van de zeer uitgebreide ICF zijn met name de lijsten met “functies” en “activiteiten en participatie” van belang.De adviseur dient van de ICF gebruik te maken op de volgende wijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de adviseur wordt allereerst aangegeven om welke stoornissen het bij de aanvrager gaat (de ICF is gericht op functiestoornissen). Het gaat daarbij met name om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau, en dan met name in de vorm van de op het tweede niveau aangegeven functies. Een lijst van deze functies is opgenomen in bijlage 1 bij dit hoofdstuk. Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn voor de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Indien dat wel het geval is moeten ook niet direct relevante functies worden aangegeven. Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de Wmo plaats zal moeten vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bij de vermelding van deze stoornissen in “activiteiten en participatie” zal gebruik gemaakt worden van het begrippenkader van de ICF.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de aanvraag de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die beperkingen dient te vermelden, gerelateerd aan de mogelijke compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij het vocabulaire van de ICF wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het medisch advies wordt door het college beoordeeld en leidt tot (gedeeltelijke) toekenning of afwijzing van de aangevraagde compensatie/voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Beoordeling medisch advies Het uitgebrachte indicatie advies wordt beoordeeld door de klantmanager voorzieningen. Vervolgens stelt de consulent een rapport op waarin een advies wordt gegeven aangaande de verstrekking van de gevraagde voorziening. Dit advies wordt een op een getoetst door een interne beslisser op basis van de Wmo, de verordening individuele voorzieningen Wmo, het voorliggende verstrekkingenbeleid en de jurisprudentie. Binnen dit beleidskader moet het belang van de aanvrager centraal staan. Er zal onder de Wmo in een breder kader dan onder de Wvg onderzocht moeten worden welke voorziening geschikt is ter compensatie van de beperkingen die de ondersteuningsbehoevende ondervindt bij deelname aan de samenleving. Dat moet het uitgangspunt van de beoordeling zijn. Het gaat hier dus verder dan het vinden van de meest adequate voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.1 Beslisboom voor het medisch advies Om na te gaan of de aanvrager in aanmerking komt voor de gewenste voorziening, moeten de volgende vragen worden beantwoord:</p></div>", "next": 239086}