{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van de oeverbeschermende voorzieningen mag niet leiden tot een verminderde bergingscapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam en niet tot een verhoging leiden van de waterpeilen of stroomsnelheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud Oeverbeschermende voorzieningen mogen geen nadelige effecten opleveren voor de toegankelijkheid met onderhoudsmaterieel langs de oppervlaktewaterlichamen en voor het uitvoeren van alle onderhoud aan het natte profiel van de watergang.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-waterlopen Gelet op het belang van A-waterlopen voor het watersysteem, wordt geen vergunning verleend voor het plaatsen van keerwanden in A-waterlopen, uitgezonderd kanalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.17 Objecten en bouwwerken KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze beleidsregel. Aanvullend worden de volgende begrippen gedefinieerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Objecten Onder objecten worden voorwerpen of voorzieningen verstaan die op, in of aan het oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem van de beschermingszone worden geplaatst. Onder objecten kunnen bijvoorbeeld (speel)toestellen, lantaarnpalen, straatnaamborden, informatieborden, bestrating, hekwerken, schuttingen en emissieschermen worden verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerken In vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is uitgemaakt dat de definitie van het begrip bouwwerk gelijk is aan de definitie daarvan in het model van de bouwverordening van de VNG. Een bouwwerk wordt daarin omschreven als “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het begrip bouwwerk, wordt een onderscheid gemaakt tussen “gebouwen” en “bouwwerken” geen gebouw zijnde. Artikel 1 lid 1 sub c Woningwet omschrijft een gebouw als “elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Emissiescherm Een emissiescherm is een rij bomen, een haag of een andere voorziening, die tot doel heeft de drift van bestrijdingsmiddelen naar oppervlaktewater te beperken. Een emissiescherm is pas een emissiescherm als het wordt toegepast in de agrarische sector en alleen wanneer het tot doel heeft de emissie van bestrijdingsmiddelen naar oppervlaktewater te verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stedelijk gebied Onder stedelijk gebied wordt verstaan het gebied dat valt binnen de bebouwde kom zoals – op basis van de Wegenverkeerswet - vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landelijk gebied Onder landelijk gebied worden alle gebieden verstaan met uitzondering van stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op objecten en bouwwerken in of nabij categorie A oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende beschermingszone die als zodanig in de legger zijn opgenomen. Deze beleidsregel is niet van toepassing op de volgende objecten en bouwwerken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beplantingen Steigers en vlonders en overhangende bouwwerken Bruggen Dam met duiker Stuwen Kabels en leidingen Oeverbeschermende voorzieningen Onttrekking- en uitmondingsvoorzieningen Hiervoor wordt verwezen naar de algemene regels en beleidsregels voor deze specifieke objecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Het kan zijn dat de voorgenomen activiteiten omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een omgevingsvergunning kan noodzakelijk zijn op het gebied van (ver)bouw, wonen, monumenten, milieu, natuur en ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kunnen er voorschriften gesteld worden voor de toepassing van emissieschermen in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van wateren als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. In het geval van objecten gaat het er met name om dat doelmatig onderhoud niet wordt belemmerd en de stabiliteit van de taluds wordt gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelAlgemeen Obstakels en bouwwerken in of nabij een oppervlaktewaterlichaam zijn niet wenselijk omdat deze een negatief effect (kunnen) hebben op de doorstroming, berging, bereikbaarheid en het onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam. Ook kan een object of bouwwerk zonder voldoende fundatie leiden tot oeververzakking (aantasting van het leggerprofiel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroming en waterberging Wanneer objecten en bouwwerken in of boven het oppervlaktewaterlichaam worden geplaatst, kan hierdoor de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam verminderen of kan sprake zijn van een vermindering van de beschikbare waterberging in het watersysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente objecten of bouwwerken in of boven een oppervlaktewaterlichaam zijn daarom niet gewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud Objecten en bouwwerken die binnen de beschermingszone of in een oppervlaktewaterlichaam worden geplaatst kunnen het doelmatig onderhoud van dat oppervlaktewaterlichamen belemmeren. Eén van de functies van beschermingszones is het kunnen uitvoeren van machinaal onderhoud. Obstakels en bouwwerken in de beschermingszone zijn daarom niet gewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit Als een object of bouwwerk te dicht op de insteek wordt geplaatst kan dit van invloed zijn op de stabiliteit van een oever. Het talud zou daardoor kunnen verzakken waardoor de doorstroming van het water vermindert.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaDoorstroming en waterberging Bouwwerken of objecten in of op oppervlaktewaterlichamen zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereikbaarheid en onderhoud Objecten of bouwwerken in de beschermingszone kunnen alleen worden toegestaan indien: de bovenbreedte van het oppervlaktewaterlichaam niet meer bedraagt dan 7 meter; aan de overzijde een goed toegankelijk openbaar eigendom aanwezig is, of aan de overzijde een obstakelvrije en voldoende brede strook grond ligt die in eigendom is bij het waterschap, of aan de overzijde ten behoeve van het waterschap een zakelijk recht is gevestigd op een obstakelvrij en voldoende breed stuk grond. Onder voldoende breed wordt verstaan een zodanig brede strook dat het onderhoud aan de waterloop goed kan worden uitgevoerd. Als richtwaarde voor het kunnen uitvoeren van efficiënt onderhoud hanteert het waterschap een breedte van 5 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een zakelijk recht zoals genoemd onder artikel 2 dient geregeld te zijn dat de perceeleigenaar: het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn/haar perceel accepteert, altijd toegang verleent tot zijn/haar perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, de algehele ontvangstplicht van zowel maaisel/bagger en dergelijke afkomstig van het onderhoud van het water accepteert Een oppervlaktewaterlichaam moet altijd voor onderhoud en inspecties aan beide zijden bereikbaar blijven. Wanneer aan de onder 2 en 3 vermelde voorwaarden is voldaan, zijn vergunningen binnen de zone mogelijk mits: het water vanaf de andere zijde goed kan worden onderhouden, in landelijk gebied aan de zijde van het geplande obstakel of bouwwerk nog altijd een vrije strook met een breedte van minimaal 1,5 meter gemeten vanaf de insteek aanwezig is, in stedelijk gebied aan de zijde van het geplande obstakel of bouwwerk nog altijd een vrije strook met een breedte van minimaal 1 meter gemeten vanaf de insteek aanwezig is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien objecten worden aangebracht die geen belemmeringen zoals onder punt 3 genoemd met zich meebrengen, kan een watervergunning verleend worden tot aan de insteek. Een voorbeeld hiervan is (sier-)bestrating.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paalvormige objecten kunnen worden toegestaan mits: de objecten 1 meter uit de insteek van de watergang worden aangebracht de afstand tot andere objecten in de beschermingszone minimaal 8 meter is de diameter van de objecten niet meer bedraagt dan 0,5 meter een vrije manoeuvreerruimte voor machinaal onderhoud van 4 meter beschikbaar blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hekwerken haaks op het oppervlaktewaterlichaam kunnen met vergunning worden toegestaan, mits deze zijn voorzien van een poort met minimaal een doorgang van 4,00 meter, mede voorzien van een standaard slot van het waterschap, dan wel van een slot waarvan het waterschap de sleutel in bezit heeft, tenzij de poort op eenvoudige wijze handmatig te openen is. Verder dient de sluitzijde van de poort bij de watergang te komen, deze opent dan van het water af richting het perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergunning wordt slechts verleend indien dit vanuit beveiligingsoogpunt noodzakelijk is. Het hekwerk mag daarbij worden voorzien van een slootwaaier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit Nieuw aan te leggen objecten of bouwwerken moeten zodanig worden gefundeerd dat deze niet leiden tot afschuiving van het talud of de waterbodem. Indien het waterschap dit noodzakelijk vindt, moet een grondmechanische berekening worden overlegd, waaruit dit blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.18 Kabels en leidingen KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend worden de volgende begrippen gedefinieerd: (Druk- of pijp)leidingen Leidingen zijn buizen (al dan niet onderdruk) bedoeld voor het transport van vloeistoffen of gassen. Voorbeelden hiervan zijn drinkwaterleidingen, rioolwaterleidingen aardgasleidingen e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabel Een kabel is een transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 millimeter die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gestuurde boring Een sleufloze boortechniek bedoeld om kabels of leidingen aan te leggen zonder ontgraving. Hiermee kunnen obstakels, zoals oppervlaktewaterlichamen, diep onder het maaiveld worden gepasseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in deze beleidsregel gesproken wordt van kabels en leidingen worden daaronder mede verstaan het voor het goed functioneren van de kabels en leidingen noodzakelijke regel- en schakelkasten, afsluiters of andere appendages en mantelbuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op de aanleg, het hebben en verwijderen van kabels en leidingen in A- en B-oppervlaktewaterlichamen zoals deze zijn opgenomen in de legger, uitgezonderd de situaties zoals omschreven in de algemene regel Kabels en Leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Algemene regels Deze beleidsregel dient in samenhang met de algemene regels kabels en leidingen te worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen / normen CROW-publicatie 308 (2012) NEN 3650 en NEN 3651 Richtlijn boortechnieken RWS (2004) Om graafschade aan kabels en leidingen in Nederlandse bodem te voorkomen is er de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION). De Kadasterdienst KLIC is de schakel tussen netbeheerders en gravers voor de uitwisseling van de informatie. Een zogenaamde KLIC-melding kan noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale waterhuishoudkundige systeem. Belangrijke aspecten hierbij zijn: het waarborgen van de doorstroming van het water tijdens en na de aanleg van een kabel of leiding; het waarborgen van de normale onderhoudsmogelijkheden; het in stand houden van de stabiliteit van de taluds/oevers en bodem; het voorkomen van belemmeringen voor de scheepvaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelAlgemeen Kabels en leidingen kunnen zowel parallel aan als kruisend ten opzichte van de oppervlaktewaterlichaam worden gelegd. Daarnaast kan de kruising ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam plaatsvinden aan of over kunstwerken of onder het oppervlaktewaterlichaam door.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kruising van een oppervlaktewaterlichaam is bij voorkeur zo kort mogelijk. Daarnaast worden bij voorkeur zo min mogelijk kruisingen aangelegd (bundeling in kabel- en leidingstroken). Hiermee wordt het risico op calamiteiten verkleind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is dat de oppervlaktewaterlichamen bereikbaar zijn in geval van calamiteit c.q. onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanleg van kabels en leidingen boven een duiker moeten worden voorkomen vanwege bereikbaarheid van de duiker voor groot onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanleg van kabels en leidingen worden meestal ook regel- en schakelkasten, afsluiters of andere voor de kabel of leiding noodzakelijke appendages gebruikt. Deze kunnen worden beschouwd als een object dat bij voorkeur ook buiten de beschermingszone worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroming en waterberging De wateraanvoer en -afvoer (doorstroming) van het oppervlaktewaterlichaam mag niet worden gehinderd. Daarom mogen kabels en leidingen niet permanent in het doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam lopen. Een uitzondering vormen kabels en leidingen die aan of in een brug worden bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkleining van het doorstroomprofiel tijdens uitvoering (bijvoorbeeld plaatsing van damwanden) is mogelijk mits compenserende maatregelen worden getroffen waardoor de wateraanvoer en –afvoer geborgd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud Van belang is dat kabels en leidingen niet worden beschadigd als onderhoudswerkzaamheden aan het oppervlaktewaterlichaam worden uitgevoerd. Voorschriften met betrekking tot de diepteligging beperken dit risico.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder mag de ligging van kabels of leidingen niet leiden tot hogere kosten voor onderhoud aan de oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit Kabels en leidingen worden veelal geplaatst door middel van een open ontgraving en/of een gestuurde boring. Wanneer deze werkzaamheden te dicht op de insteek van een oppervlaktewaterlichaam worden uitgevoerd kan dat een negatief effect hebben op de stabiliteit van de oever (afkalving / instorting). Hierbij is niet alleen de kabel of leiding zelf maar ook de uitvoeringsmethode tijdens de aanleg van de kabel of leiding bepalend. Veelal leidt dit tot het stellen van aanvullende voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens kunnen oppervlaktewaterlichamen voorzien zijn van kademuren. In die gevallen kan het belangrijk zijn om aanvullende voorschriften te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige gebruiksfuncties Scheepvaart Kabels en leidingen mogen geen belemmering zijn voor scheepvaart (schroefwerking c.q. ankers die over de bodem gaan). In het beheergebied komen oppervlaktewaterlichamen voor met een scheepvaartfunctie. Voor de eigen oppervlaktewaterlichamen geldt daarbij het scheepvaartbesluit van het waterschap. Hierin is alleen recreatievaart (kano, roeiboot en zeer lokaal gebruik van fluisterboten toegestaan). Het gebruik van ankers zal daarbij niet voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een aantal regionale oppervlaktewaterlichamen kunnen scheepvaartbesluiten van derden gelden. Bijvoorbeeld de Stadsdommel in ’s-Hertogenbosch en de oude Zuid-Willemsvaart in Helmond. Waar van toepassing stemt het waterschap aanvullende voorwaarden af met de betreffende scheepvaartbeheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Markering Er worden vanuit de beleidsregel geen voorwaarden opgenomen om de ligging van kabels en leidingen te markeren. De regels voor minimale diepteligging in combinatie met verplichte KLIC-melding bij (onderhouds)werkzaamheden geven voldoende waarborg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Los hiervan kunnen kabel- en leiding beheerders zelf verzoeken om een markeringspaal aan te brengen. Dit gebeurt vanuit eigen risico-inschatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaAlgemeen Kruisingen van kabels of leidingen met een oppervlaktewaterlichaam dienen zoveel mogelijk ter plaatse van bestaande duikers en bruggen of bestaande leidingtracés te worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen die een oppervlaktewaterlichaam kruisen moeten dat oppervlaktewaterlichaam haaks kruisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het aanleggen van leidingen zijn de NEN3650 en NEN3651 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruisingen van het oppervlaktewaterlichaam over een duiker zijn alleen toegestaan indien sprake is van een huis- of bedrijfsaansluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroming Permanente kabels of leidingen in het doorstroomprofiel van een oppervlaktewaterlichaam zijn niet toegestaan, uitgezonderd kabels of leidingen die worden bevestigd aan bruggen. In dat geval dient de onderzijde van de kabel of leiding hoger te liggen dan de onderkant van het brugdek en voor de betreffende brug een vergunning te zijn verleend op basis van de Keur;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de aanleg van een kabel of leiding dient de doorstroming van het water te allen tijde te zijn gegarandeerd. Eventueel noodzakelijke, tijdelijke hulpconstructies (damwanden, omleidingen, etc.) behoeven de goedkeuring van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud De afstand vanaf de bovenkant van de kabel/ leiding tot aan de bodem (leggerprofiel) van het oppervlaktewaterlichaam dient minimaal 1 meter te bedragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand van de bovenzijde van de kabel/leiding tot de insteek van het oppervlaktewaterlichaam dient minimaal 2,5 meter te bedragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen die boven een duiker worden aangelegd: worden in een mantelbuis aangebracht die ten minste 0,5 meter uitsteekt aan weerszijden van de duiker hebben een gronddekking van minimaal 0,5 meter ten opzichte van de bovenkant van de duiker Regel- of schakelkasten en andere voorzieningen benodigd voor de goede werking van de kabels of leidingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Staan minimaal 1 meter uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam;</p>\n<p class=\"lf-p\">Staan niet binnen een afstand van 8 meter van een ander object in de beschermingszone;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn voldoende gefundeerd zodat aantasting van het talud of de bodem van het oppervlaktewaterlichaam niet plaatsvindt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden zodanig geplaatst dat onderhoud en vervanging van een duiker niet leidt tot hogere kosten voor het waterschap of derden dan de gangbare kosten in een situatie zonder een dergelijke kast of voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit Bij kabels en leidingen in de lengterichting langs een oppervlaktewaterlichaam dient de afstand tot de insteek zo groot mogelijk, doch minimaal 1 meter te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gronddekking voor kabels en leidingen bedraagt minimaal 0,5 m;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een persing onder het oppervlaktewaterlichaam dient de afstand tussen de insteek en de tijdelijke bouwput minimaal 2 meter te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een gestuurde boring onder een oppervlaktewaterlichaam dient de afstand tussen de insteek en intrede- en uittredepunt van de boring minimaal 5 meter te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een gestuurde boring dient de spoeldruk zodanig te zijn dat geen bentoniet spoeling ter plaatse van bodem, taluds en onderhoudsstrook van het oppervlaktewaterlichaam uit kan treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scheepvaart Voor kruisingen onder een oppervlaktewaterlichaam dat – op grond van een scheepvaartbesluit - is aangewezen als vaarweg voor motorschepen dient de afstand tussen de bovenkant van de kabel/leiding tot aan de bodem (leggerprofiel) van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 2 meter te bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.19 Afvoeren hemelwater vanaf verhard oppervlak KaderKeur Op grond van artikel 3.7 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur hemelwater vanaf verhard oppervlak af te voeren naar een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze beleidsregel. Aanvullend worden de volgende begrippen gedefinieerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhard oppervlak Onder verhard oppervlak wordt verstaan al het oppervlak dat door middel van bijvoorbeeld de aanleg van bouwwerken (daken) of bestrating (wegen, fietspaden, voetpaden, pleinen e.d.) niet meer in staat is het daarop vallende hemelwater op een natuurlijke wijze in de bodem op te vangen (infiltreren) en af te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw verhard oppervlak Onder nieuw verhard oppervlak wordt uitbreiding van de hoeveelheid verhard oppervlak verstaan ten opzichte van de situatie voor aanvraag van de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Renovatie verhard oppervlak Onder renovatie van verhard oppervlak wordt aanpassing van bestaande verharding verstaan waarbij sprake is van een andere manier van afvoeren van het daarop vallende hemelwater. Een voorbeeld hiervan is het afkoppelen van verhard oppervlak, waarbij hemelwater niet meer wordt afgevoerd naar de gemeentelijke vuilwaterriolering, maar (eventueel via hemelwatervoorzieningen) naar het oppervlaktewater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Berging of retentie Met berging of retentie wordt een voorziening of de hoeveelheid ruimte bedoeld waarin hemelwater (tijdelijk) kan worden opgevangen en vastgehouden voordat het wordt afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. Voorbeelden hiervan zijn: het aanleggen van nieuwe oppervlaktewaterlichamen, het vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen, het aanleggen van wadi’s, het aanleggen van vegetatie- of waterdaken of ondergrondse voorzieningen van hemelwater (hemelwaterriolering of infiltratiekratten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Compenserende maatregelen Maatregelen c.q. voorzieningen om de versnelde afvoer van hemelwater te compenseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle A- en B-oppervlaktewaterlichamen zoals opgenomen in de legger alsmede de C-waterlopen die daarmee in directe, open verbinding staan, met uitzondering van de situaties waarvoor de Algemene Regels Oppervlaktewaterlichamen van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is verder van toepassing op alle nieuw aan te leggen verharde oppervlakken en op renovaties van verharde oppervlakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Gemeentelijk rioleringsplan Veel regenwater wordt afgevoerd naar een gemeentelijk rioolstelsel of de gemeentelijke openbare ruimte. Van daaruit kan het worden afgevoerd naar het watersysteem. De gemeente geeft in haar gemeentelijk rioleringsplan aan hoe zij met de inzameling en afvoer van hemelwater omgaat. De gemeente betrekt het waterschap bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan en zorgt op die manier voor afstemming van het overheidsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel dient in samenhang met de volgende regels te worden beschouwd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regel afvoeren hemelwater vanaf verhard oppervlak;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel uitmondingsconstructies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit van het te lozen hemelwater is geregeld in algemene maatregelen van bestuur, zoals het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregel . Het doel van deze beleidsregel is om ongewenste, versnelde afvoer van hemelwater naar het watersysteem als gevolg van de uitbreiding en/ of aanpassing van verhard oppervlak te voorkomen (voorkomen afwentelen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelAlgemeen Regenwater dat op een onverharde bodem valt dringt voor een belangrijk deel in de bodem. Het komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in oppervlaktewater. (wegzijging en kwel). Slechts een klein deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewater. Hemelwater vormt hiermee een belangrijke bron van aanvulling van grondwater en is tevens een lokale buffer voor droge periodes. Door infiltratie van hemelwater vindt ook een natuurlijk zuiveringsproces van het hemelwater plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer regenwater via verharde oppervlakken direct wordt afgevoerd naar het watersysteem, komt het regenwater sneller in het watersysteem terecht en kan leiden tot wateroverlast wanneer het watersysteem daarop niet ontworpen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderscheid bestaande verharding, nieuwe verharding en renovatie van verharding Deze beleidsregel is alleen van toepassing op nieuwe verhardingen en wanneer wijziging van de hemelwaterafvoer plaatsvindt bij renovatie van verharding, bijvoorbeeld bij het afkoppelen van verhard oppervlak. In deze gevallen dient een toets plaats te vinden of de nieuwe lozing effect heeft op de waterberging / waterafvoer van het oppervlaktewaterlichaam waarop wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor afvoer van hemelwater van bestaande verhardingen (waaraan dus niets verandert), zijn in het verleden al afspraken gemaakt over de afvoer van dit hemelwater naar het watersysteem, bijvoorbeeld in het kader van het gemeentelijk rioleringsplan, de Keur of de wet verontreiniging oppervlaktewateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleid Het beleid is gericht op het hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) en het voorkomen van afwenteling. Dit betekent dat bij de aanleg van nieuwe verharding zodanige compenserende maatregelen worden getroffen alsof hydrologisch sprake is van een onverharde situatie. De hydrologische uitgangspunten daarvoor zijn vastgelegd in de nota ‘Ontwikkelen met een hydrologisch oogmerk’ (waterschap Aa en Maas, 2005).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat zich in de praktijk situaties voor kunnen doen waarin hydrologisch neutraal ontwikkelen tot hoge maatschappelijke kosten kan leiden, wordt bij de beoordeling van de wijze van afvoer van hemelwater van verhard oppervlak uitgegaan van de trits “vasthouden, bergen, afvoeren”. Bij voorkeur wordt water lokaal (in het gebied waar het valt) vastgehouden. Kan dit niet, dan wordt het elders vastgehouden (berging). Lukt dit ook niet, dan kan het water worden afgevoerd. Uitgangspunt hierbij is dat het afvoeren niet leidt tot wateroverlast elders of het zodanig opvullen van de beschikbare bergingsruimte dat de robuustheid van het totale watersysteem wordt aangetast. Dit is een gezamenlijk proces, waarin initiatiefnemer en waterbeheerder een zo doelmatig mogelijke oplossing kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de vergunningverlening wordt in beginsel uitgegaan van het vasthouden of bergen van het hemelwater op of nabij de plaats waar het valt. In de beleidsregels worden criteria gehanteerd waaronder hiervan eventueel kan worden afgeweken. Ook in andere processen binnen het waterschap (bijvoorbeeld het watertoetsproces in het kader van de ruimtelijke ordening) wordt deze trits gevolgd. Waar het waterschap bij dergelijke processen al een afweging van de trits “vasthouden, bergen afvoeren” heeft gemaakt, wordt daarmee bij de vergunningverlening rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen betekent dat de aanvrager voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor afvoer van hemelwater van bestaande verharding die wordt gerenoveerd (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of afkoppelen van verharding van de vuilwaterriolering) geldt dat de mate van compensatie afhankelijk is van de hoeveelheid hemelwaterberging die voordien beschikbaar was voor de opvang van hemelwater (bijvoorbeeld in het gemeentelijk rioolstelsel).</p>\n<p class=\"lf-p\">De compensatiemaatregelen moeten zo dicht mogelijk bij het nieuw verhard oppervlak worden gemaakt en bij voorkeur in hetzelfde stuw- of peilgebied als waar de verharding wordt aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaAlgemeen Voor nieuw verhard oppervlak wordt in principe hydrologisch neutraal ontwikkeld conform de nota “ontwikkelen met een hydrologisch oogpunt” of de HNO-tool;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij renovatie van bestaand verhard oppervlak wordt in principe de berging gecompenseerd die in de oorspronkelijke situatie aanwezig was;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de locatie van compenseren geldt de volgende richtlijn: direct in het gebied waar de verharding wordt aangelegd, met motivering uitwijken naar b; in het zelfde stuw- of peilgebied; met motivering uitwijken naar c; in aangrenzend benedenstrooms stuw- of peilgebied (met lager peil) met motivering uitwijken naar d; in aangrenzend bovenstrooms stuw- of peilgebied (met hoger peil).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele compenserende maatregelen moeten zijn uitgevoerd voordat de nieuwe verharding c.q. de renovatie wordt gerealiseerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Versnelde afvoer (gedeeltelijk) Afwijken van het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen is mogelijk wanneer: met de versnelde afvoer een verdrogingsknelpunt wordt opgelost of verminderd met de versnelde afvoer een waterkwaliteitsprobleem wordt opgelost (bijvoorbeeld door doorstroming te creëren) de te vergunnen lozing vanaf verhard oppervlak deel uitmaakt van een gebiedsgerichte ontwikkeling waarbij binnen een groter gebied hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld; bij het afkoppelen van bestaande verharding een positieve bijdrage wordt geleverd aan het terugbrengen van de hoeveelheid hemelwater die naar de RWZI wordt afgevoerd; de versnelde afvoer binnen een watertoetsproces tot stand is gekomen en hiervoor door het waterschap een positief watertoetsadvies is afgegeven en de maatregelen met de op heden geldende normen nog steeds afdoende zijn; de versnelde afvoer van het water in een ander door het bestuur genomen besluit is geaccordeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden hierbij zijn: het verdroging- en/of waterkwaliteitsknelpunt moet door het waterschap als zodanig zijn erkend en vastgelegd; de versnelde afvoer leidt niet tot overschrijding van normen voor wateroverlast zoals vastgelegd in de Verordening water van provincie Noord-Brabant; de versnelde afvoer leidt niet tot aanvullende kosten voor inrichting, beheer of onderhoud voor derden of het waterschap; d. er is een door het waterschap goedgekeurd waterhuishoudkundig plan beschikbaar waarin de hydrologische en hydraulische aspecten / effecten zijn beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud en werking van de voorzieningen De compenserende voorzieningen moeten zodanig worden beheerd en onderhouden dat het bergende vermogen te allen tijde behouden blijft;</p>\n<p class=\"lf-p\">De compenserende voorzieningen moeten zodanig worden ontworpen, aangelegd en beheerd dat de berging na een hevige regenbui weer leegloopt en na verloop van tijd weer beschikbaar is als berging voor een nieuwe regenbui. Als maat hiervoor wordt de landelijke afvoercoëfficiënt (zie http://hnotool.aaenmaas.nl) voor het gebied waar de voorzieningen zich bevinden, aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.20 Onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam KaderKeur Op grond van artikel 3.8 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze beleidsregel. Aanvullend worden de volgende begrippen gedefinieerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onttrekken Onder het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam wordt verstaan het halen van water uit een oppervlaktewaterlichaam waardoor het (deels) niet meer beschikbaar is voor de lokale waterhuishouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle onttrekkingen uit categorie A- en B-oppervlaktewaterlichamen met een debiet groter dan 70 m3/uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Wetgeving In artikel 3.11 van de Keur is bepaald dat ingeval van grote schaarste of overvloed aan water, opmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheden dreigen te ontstaan, het bestuur zo nodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, kan verbieden (…) water te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels Deze beleidsregel dient in samenhang met de algemene regels onttrekken uit oppervlaktewaterlichamen en uitmondingsvoorzieningen te worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere beleidsregels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel dient in samenhang met de beleidsregel uitmondingsvoorzieningen te worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelDe beleidsregel is erop gericht overlast als gevolg van onttrekkingen uit oppervlaktewaterlichamen te voorkomen. Het onttrekken van water uit oppervlaktewaterlichamen kan namelijk effect hebben op de algehele waterhuishouding (doorstroming, aanbod van water), de stabiliteit van oevers en het onderhoud van die oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelAlgemeen Als gevolg van grote onttrekkingen kunnen oppervlaktewaterlichamen (versneld) droogvallen. Dit kan leiden tot beperkingen in het functioneren van het oppervlaktewaterlichaam zowel in hydrologische als in ecologische zin. Onttrekkingen met een omvang van meer dan 70 m³ per uur kunnen aanleiding geven tot watertekort indien de aanvoerende capaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te beperkt is. Vooralsnog is de grens voor vergunningverlening op 70 m3/uur gesteld vanwege eenduidigheid met het vergunningenbeleid voor grondwateronttrekkingen. Via voorwaarden in de vergunning kunnen eventueel aanvullende eisen worden gesteld ten aanzien van maximaal debiet, tijdstip en tijdsduur van onttrekken mocht dit vanuit waterhuishoudkundig oogpunt nodig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroming en waterberging Een oppervlaktewaterlichaam moet voldoende doorstromen om een bepaalde hoeveelheid te onttrekken water te kunnen aanvoeren. De aanwezigheid van dammen en duikers, bijvoorbeeld, kan hierop van invloed zijn. Dit moet zo nodig in de berekeningen met betrekking tot de maximaal toelaatbare hoeveelheid te onttrekken water worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tijde van calamiteiten (bijvoorbeeld droogte of waterkwaliteitsprobleem) heeft het waterschap de bevoegdheid tot het instellen van een algeheel onttrekkingsverbod. In dergelijke gevallen mag er geen water meer uit het oppervlaktewater worden onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud De onttrekking mag geen aanvullende onderhoudswerkzaamheden veroorzaken, bijvoorbeeld vanwege erosie van het talud of de bodem, waardoor het vastgestelde leggerprofiel zou worden verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit De hoeveelheid te onttrekken water uit een oppervlaktewaterlichaam kan van geval tot geval verschillen. Afhankelijk van de hoeveelheid te onttrekken water en de snelheid waarmee het water uit het oppervlaktewater wordt gehaald, kan dit schade aan de waterbodem of oevers veroorzaken. Voorkomen moet worden dat daardoor stabiliteitsverlies van de oevers optreedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaDoorstroming en berging De aan- en/of afvoer van water nodig voor de normale waterhuishouding mag als gevolg van de onttrekking niet worden belemmerd. Indien van toepassing kan het waterschap voorwaarden stellen aan de hoeveelheid te onttrekken water c.q. het tijdstip en duur van onttrekken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De onttrekking moet worden gestopt wanneer: er in stuwgebieden geen water meer over de stuw benedenstrooms van het onttrekkingspunt stroomt; het waterpeil in peilbesluitgebieden lager staat dan de in het peilbesluit vastgelegde minimum waterpeilen; het waterschap een algeheel onttrekkingsverbod heeft afgekondigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit De onttrekking van water mag niet leiden tot stabiliteitsverlies van de oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud De onttrekking van water mag niet leiden tot erosie van de bodem of de taluds van het oppervlaktewaterlichaam in die mate dat herstel van het leggerprofiel nodig zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.21 Brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam KaderKeur Op grond van artikel 3.8 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze beleidsregel. Aanvullend worden de volgende begrippen gedefinieerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Brengen van water Onder het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam wordt verstaan het lozen van enige vorm van water op een oppervlaktewaterlichaam met als doel het via het watersysteem af te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het brengen van meer dan 70 m3/uur water in een oppervlaktewaterlichaam, uitgezonderd geïsoleerde oppervlaktewaterlichamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregels is niet van toepassing op het brengen van drainagewater en de afvoer van hemelwater vanaf verhard oppervlak. Hiervoor wordt verwezen naar de daarvoor van toepassing zijnde beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Wetgeving In het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Activiteitenbesluit zijn voorkeursvolgordes opgenomen voor het lozen van water vanuit onder meer bronneringen en bedrijven. Kwaliteit van het te lozen water is daarnaast ook geregeld in deze algemene maatregelen van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels Deze beleidsregel dient in samenhang met de algemene regel brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam te worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere beleidsregels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel dient in samenhang met de beleidsregel uitmondingsvoorzieningen te worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het voorkomen van wateroverlast en het voorkomen van aantasting van de ecologische waarden van een oppervlaktewaterlichaam. Verder mag het brengen van water in het oppervlaktewaterlichaam niet leiden tot aantasting van het profiel van het oppervlaktewaterlichaam (stabiliteitsverlies) of leiden tot extra onderhoud voor het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelAlgemeen In het algemeen zijn de lozingen die vallen onder deze beleidsregel tijdelijk van aard. Het zal voornamelijk gaan om de lozing van bronneringswater, grondwatersaneringen en eventueel lozingen van bedrijfsafvalwater. Hiervoor is binnen de AMvB lozingen buiten inrichtingen al een voorkeursvolgorde t.a.v. lozingen bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen deze beleidsregels vindt voornamelijk toetsing plaats of een dergelijke lozing vanuit waterkwantiteitsoogpunt mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn invloed op stabiliteit van de oevers en mogelijke consequenties ten aanzien van onderhoud criteria op basis waarvan de lozing wordt getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroming en waterberging Bij beoordeling of een lozing toelaatbaar is, wordt voor peilbesluitgebieden gebruik gemaakt van de vastgestelde minimum- en maximumpeilen in een peilvak. Voor vrij afwaterende gebieden zijn geen vastgestelde streefpeilen c.q. bandbreedtes beschikbaar of vastgesteld. Toetsing vindt dan voornamelijk plaats op basis van de mogelijkheid dat de lozing leidt tot wateroverlast op basis van vastgestelde provinciale normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij kan de aanwezigheid van dammen en duikers (opstuwende werking) van invloed zijn op de locatie waar een lozing al dan niet gewenst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud De lozing mag geen aanvullende onderhoudswerkzaamheden veroorzaken, bijvoorbeeld vanwege erosie van het talud of de bodem, waardoor het vastgestelde leggerprofiel zou worden verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit De hoeveelheid te brengen water in een oppervlaktewaterlichaam kan van geval tot geval verschillen. Afhankelijk van de hoeveelheid te brengen water en de snelheid waarmee het water op het oppervlaktewater wordt gebracht, kan dit schade aan de waterbodem of oevers veroorzaken. Voorkomen moet worden dat daardoor stabiliteitsverlies van de oevers optreedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaDoorstroming en berging Indien de lozing plaatsvindt in een gebied waarvoor een peilbesluit geldt, moet de peilfluctuatie als gevolg van de lozing binnen de grenzen blijven van de vastgestelde minimum- en maximumpeilen voor het betreffende peilvak;</p>\n<p class=\"lf-p\">De lozing mag niet leiden tot overschrijding van de normen voor wateroverlast zoals vastgelegd in de Verordening water van de provincie Noord-Brabant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit De lozing van water mag niet leiden tot stabiliteitsverlies van de oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud De lozing van water mag niet leiden tot erosie van de bodem of de taluds van het oppervlaktewaterlichaam in die mate dat herstel van het leggerprofiel nodig zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.22 Uitmondingsvoorzieningen KaderKeur Op grond van artikel 3.1 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze beleidsregel. Aanvullend worden de volgende begrippen gedefinieerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitmondingsvoorziening:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitmondingsvoorziening is een permanent werk in het talud, dat dient voor het lozen of onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt hieronder de constructie van de open verbinding verstaan tussen een vijver en een oppervlaktewaterlichaam dat mede het doel heeft water af te voeren uit of aan te voeren naar een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zuigkorf:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zuigkorf is een zeef voor de inlaat van een pompleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op uitmondingsvoorzieningen, met uitzondering van drainagevoorzieningen bij categorie A-oppervlaktewaterlichamen die niet onder de algemene regel voor uitmondingsvoorzieningen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Andere beleidsregels / algemene regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaak zal een vergunning voor een uitmondingsvoorziening in samenhang worden aangevraagd met één of meer van de volgende activiteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvoeren van hemelwater vanaf verhard oppervlak;</p>\n<p class=\"lf-p\">Brengen van water Onttrekken van water Aanleg van kabels en leidingen Hierbij moet rekening worden gehouden met de daarvoor geldende algemene en beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel moet in samenhang worden gezien met de algemene regels voor uitmondingsvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanleg van een uitmondingsvoorziening kan het zijn dat daarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit aanleg vereist is. Een omgevingsvergunning is nodig als het bestemmingsplan dit vereist voor werkzaamheden die niet als bouwen zijn aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is te voorkomen dat uitmondingsvoorzieningen leiden tot ongewenste effecten op het profiel van het oppervlaktewaterlichaam, het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam of de ecologische functie van het oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelAlgemeen De plaatsing en afwerking van een uitmondingsvoorziening komt erg nauw en is in diverse situaties verschillend. Met name het risico op afkalving van taluds moet worden ondervangen. Om die reden is voor deze voorzieningen uitgegaan van een beleidsregel en niet van een algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroming en waterberging De uitmondingsvoorzieningen moeten zodanig worden aangelegd dat de doorstroming van het water niet wordt belemmerd. Er mogen dus geen uitstekende onderdelen zijn, die een opstuwend effect hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ontwerp en beheer van de voorzieningen moet er rekening mee gehouden worden dat er - als gevolg van peilschommelingen in het watersysteem – geen oppervlaktewater wegstroomt naar de omgeving. Hierbij kan worden gedacht aan uitmondingsvoorzieningen ten behoeve van de afvoer van hemelwater, waarbij oppervlaktewater via het rioolstelsel afgevoerd wordt naar de rioolwaterzuivering of leidt tot wateroverlast in bebouwd gebied. Hierbij vindt afstemming plaats met de aanvrager welke criteria daarvoor gehanteerd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud Van belang is dat de uitmondingsvoorziening geen belemmering vormt voor het op doelmatige wijze uitvoeren van onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam. Daarbij kan worden gedacht aan bovengrondse obstakels waardoor machines niet meer bij het oppervlaktewaterlichaam kunnen komen. Ook moet de voorziening sterk genoeg zijn om met onderhoudsmaterieel overheen te kunnen rijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit De ligging en het ontwerp van de voorzieningen (in combinatie met de hoeveelheid te lozen water) mag er niet toe leiden dat een oever of de bodem van het oppervlaktewaterlichaam zijn stabiliteit verliest of erodeert als gevolg van een lozing. Belangrijk is daarom dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitmondingsvoorziening goed wordt gefundeerd zodat die niet kan verzakken;</p>\n<p class=\"lf-p\">De oever wordt beschermd wanneer sprake is van mogelijke erosie van oever of bodem. Hierbij is niet alleen de oever van belang waar de voorziening wordt aangebracht maar ook de stabiliteit van de oever aan de overzijde van het oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologie/overige gebruiksfuncties Veel oppervlaktewaterlichamen bevatten van nature vissen en andere kleine waterdieren. Van belang is dat de uitmondingsvoorzieningen niet leiden tot aantasting van dit ecosysteem, bijvoorbeeld door het wegzuigen van vissen bij het onttrekken van oppervlaktewater.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaDoorstroming en hydrologische aspecten De doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam mag als gevolg van de uitmondingsvoorziening niet worden belemmerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De taludbak en bijbehorende constructies dienen buiten het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam te worden aangebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ontwerp en beheer van de voorzieningen moet ermee rekening worden gehouden dat niet ongewenst oppervlaktewater kan wegstormen via de uitmondingsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud De uitmondingsvoorziening met bijbehorende werken dient zodanig te zijn ontworpen dat de beschermingszone vrij bereikbaar is en vrij van obstakels blijft voor het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele putten en putdeksels voor het afdekken van de voorzieningen in de beschermingszone moeten zodanig zijn ontworpen dat zij in staat zijn een kraan of vrachtwagen te kunnen dragen (klasse C250, conform EN 124).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit De uitmondingsvoorzieningsvoorziening dient voldoende te zijn gefundeerd, zodat geen taludaantasting kan optreden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van de uitmondingsvoorziening moeten het talud en zo nodig de bodem en het tegenover gelegen talud tegen instabiliteit, afkalving en erosie worden beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologie Indien sprake is van een onttrekking dient de uitmondingsvoorziening te zijn voorzien van een zuigkorf die klein genoeg is om geen vissen door te laten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Beleidsregels waterkeringen 3.1 Algemene toetsingscriteria 3.1.1 Algemeen Waterkeringen zijn ontworpen om bescherming te bieden tegen overstroming van het achterland.</div>\n<p class=\"lf-p\">Waterschap Aa en Maas is belast met de zorg voor de veiligheid tegen overstroming van de dijkringgebieden 36 Land van Heusden/de Maaskant, 36a Keent en 58 Groeningen vanaf de Maas zoals aangegeven in de Waterwet. Hiervoor heeft het waterschap primaire waterkeringen in beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap draagt ook zorg voor veiligheid tegen overstroming vanuit het regionale watersysteem zoals aangegeven in de Verordening water van de provincie Noord-Brabant. Hiervoor heeft het waterschap regionale waterkeringen in beheer. Om lokaal wateroverlast te voorkomen beheert het waterschap overige waterkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap hanteert als ‘ideaal’beeld een waterkering in de vorm van een grondlichaam bekleed met een erosiebestendige grasmat vrij van niet-waterkerende objecten als bijvoorbeeld bouwwerken en bomen en struiken. Vanuit haar maatschappelijke betrokkenheid is het waterschap zich er bewust van dat het ‘ideaal’beeld als zodanig niet over de volle lengte van de waterkering realiseerbaar of zelfs wenselijk is. Uit het oogpunt van veiligheid en efficiënt beheer van de waterkering is dit ‘ideaal’beeld wel onderdeel van het referentiekader waaraan (nieuw gewenste) niet-waterkerende objecten en activiteiten getoetst worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt bij het vaststellen van de beleidsregels voor waterkeringen is dat de waterkeringen veilig zijn en blijven. Hierbij geldt dat een waterkering veilig is als deze aan de wettelijk vastgestelde normen en de daarvan afgeleide eisen voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1.2 Constructie en waterstaatkundige functie van waterkeringenToelichting Het waterschap onderscheidt drie typen waterkeringen, te weten: primaire waterkeringen. Dit zijn waterkeringen langs de Maas. Deze waterkeringen zijn door het rijk aangewezen op grond van de Waterwet. regionale waterkeringen. Dit zijn waterkeringen die binnen het beheersgebied van het waterschap vooral langs beken en kanalen liggen. Regionale waterkeringen worden of zijn aangewezen op grond van een provinciale verordening. overige waterkeringen die niet door de provincie worden aangewezen, maar wel van belang worden geacht en die op basis van de Keur zijn aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regionale waterkeringen zijn onderverdeeld in 2 soorten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Keringen langs regionale rivieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Compartimenteringskeringen Het waterschap heeft in de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in sterke waterkeringen, maar ook in mooie waterkeringen. Bij elke dijkversterking is veel aandacht uitgegaan naar landschap-, natuur- en cultuurwaarden (LNC-waarden). Daarom is het belangrijk om deze waarden voortdurend te beschermen. Het waterschap zal in overleg met andere overheden trachten de LNC-waarden zoveel mogelijk te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van een aanvraag voor een watervergunning wordt onderscheid gemaakt tussen de primaire, regionale en overige waterkeringen en compartimenteringskeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afmetingen In de leggers zijn de noodzakelijke afmetingen van de waterkering vastgelegd. Voor initiatieven wordt alleen een watervergunning verleend wanneer deze buiten het leggerprofiel en/of het profiel van vrije ruimte plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonering Binnen het keurgebied van de waterkeringen worden verschillende zoneringen onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterstaatswerk zelf, in dit geval de waterkering, en de beschermingszones.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterkering is gelegen tussen de buitenteen en binnenteen van de waterkering. Hierbij is de teen van de waterkering gedefinieerd als de snijlijn van het dijktalud met het horizontale maaiveld, tenzij uit de legger een andere lijn voortvloeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschermingszone type A wordt gevormd door de gronden die zich aan weerszijden van de primaire en regionale waterkering uitstrekken tot 30 meter daarbuiten, tenzij uit de legger een andere afstand voortvloeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschermingszone type B wordt gevormd door de gronden aan weerszijden van de primaire waterkeringen, die zich uitstrekken vanaf beschermingszone A van de primaire waterkering tot 20 meter daarbuiten, tenzij uit de legger een andere afstand voortvloeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In figuur 2 zijn deze zones schematisch weergegeven. De zonering is vastgelegd in de legger waterkeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 2: Zonering waterkering 3.1.3 Algemene toetsingscriteria In tabel 4 is een totaaloverzicht opgenomen van de gestelde algemene toetsingscriteria. Volgend op de tabel zijn voor verschillende onderdelen de toetsingscriteria opgenomen met daarbij een motivatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 4: Totaaloverzicht algemene toetsingscriteria Toetsingscriteria overzicht Werken zijn niet toegestaan in het profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werken mogen niet belemmerend zijn voor inspectie, monitoring of het algehele beheer van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitvoeren van het onderhoud moet op een doelmatige wijze mogelijk blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweving van functies is bij primaire en regionale waterkeringen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werken mogen de voorziene dijkverbetering niet hinderen of de uitvoering van de dijkversterking negatief beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het gesloten seizoen mogen geen handelingen plaatsvinden, bij primaire of regionale waterkeringen en/of beschermingszones A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van de waterkering mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van de grasmat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschadigde grasmatgedeelten moeten ingezaaid worden vóór 1 september of er moeten geschikte graszoden aangebracht worden op aangevulde en zorgvuldig verdichte grond met nagenoeg dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgenomen handelingen mogen niet ten koste gaan van de steenbekleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.) Motivering Primaire waterkeringen worden ontworpen en aangelegd op basis van eisen die door de Minister van Verkeer en Waterstaat worden vastgesteld. Deze eisen gaan uit van een maatgevend hoogwater (MHW). Voor de Maas is deze berekend op een bepaalde rivierafvoer bij Sint Pieter aan de Limburgse Maas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door ontwikkelingen als klimaatverandering en bodemdaling zijn toekomstige dijkversterkingen niet uitgesloten. Het is niet wenselijk, voor burgers én voor het waterschap, om in de toekomst bijvoorbeeld bebouwing, leidingen en andere werken te moeten verwijderen om een dijkversterking mogelijk te maken. Het is daarom van belang kapitaalintensieve investeringen (denk aan bouwwerken, transportleidingen, sportvelden e.d.) zo te situeren dat een dijkversterking zonder sloop en/of andere aanpassingen aan kapitaalintensieve investeringen toch goed mogelijk blijft. Dit wordt bereikt door deze ontwikkelingen op duurzaamheid te toetsen aan de hand van het profiel van vrije ruimte. In bijlage 2 is nader uitgelegd hoe dit p.v.v.r. wordt bepaald als deze niet in de legger is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor regionale waterkeringen wordt getoetst aan de legger en het eventueel daarin opgenomen profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij compartimenteringskeringen en overige keringen wordt geen profiel van vrije ruimte gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Werken zijn niet toegestaan in het profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer Motivering Het waterschap is onder andere verantwoordelijk voor het beheer van de waterkeringen. Onder beheer wordt verstaan het geheel van activiteiten dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de waterkerende functie in stand blijft, kortom alles wat nodig is om de waterkering in orde te houden. Om te zorgen dat de waterkering blijft voldoen aan de vereiste normen, is het noodzakelijk te inspecteren en te monitoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Werken mogen niet belemmerd zijn voor inspectie, monitoring of het algehele beheer van de waterkering Onderhoud Motivering Het waterschap wil het dijkonderhoud op een doelmatige manier uitvoeren. Zonder onderhoud neemt de kwaliteit van de waterkering af en daarmee de vereiste veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Het uitvoeren van het onderhoud moet op een doelmatige wijze mogelijk blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Functiescheiding Motivering Naast de functie waterkering kunnen andere functies toegekend zijn aan de dijk, zoals bv bebouwing, wegen, recreatief- of ander medegebruik. De functie waterkering is van primair belang. Andere functies zijn ondergeschikt aan de waterkerende functie. Eventuele andere functies worden aan de waterkering aangepast, niet andersom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen voorzieningen voor de waterkerende functie en voorzieningen voor andere functies moet een duidelijke scheiding aanwezig zijn zodat medefuncties niet ten koste gaan van de hoofdfunctie, het veilig keren van water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Verweving van functies is bij primaire en regionale waterkeringen niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toekomstige verbeteringen van waterkeringen Motivering Het waterschap toetst de primaire waterkeringen conform de Waterwet eens in de zes jaar op het veilig kunnen keren van water. Als blijkt dat naar aanleiding van de toetsing delen van de waterkering worden afgekeurd moet het waterschap maatregelen nemen om de waterkering te laten voldoen aan de gestelde eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontwikkelingen en activiteiten die een negatief effect kunnen hebben op voorziene toekomstige verbeteringen aan waterkeringen zijn daarbij niet gewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Werken mogen de voorziene dijkverbetering niet hinderen of de uitvoering van de dijkversterking negatief beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesloten seizoen Motivering Ter bescherming van de waterkering is een gesloten seizoen bepaald waarin handelingen in en nabij waterkeringen niet of beperkt wordt toegestaan. Het gesloten seizoen geldt van 1 oktober tot 1 april. Buiten deze periode geldt er ook een sluiting tijdens hoogwater. Het gesloten seizoen geldt voor de primaire en voor de regionale waterkeringen en de beschermingszones A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria In het gesloten seizoen mogen geen handelingen plaatsvinden, bij primaire of regionale waterkeringen en/of beschermingszones A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taluds en kruin met grasbekleding Motivering Voor de sterkte, stabiliteit en veiligheid van de waterkeringen is een goede grasmat op taluds en de kruin vereist. Een goede grasmat is in staat een aanzienlijke golfbelasting te weerstaan en vormt daarmee een belangrijk onderdeel van de sterkte van de waterkering. De sterkte van de grasmat wordt bepaald door de soortendiversiteit, een goede en diepe doorworteling en het ontbreken van kale plekken. De erosiebestendigheid van de grasmat moet kunnen worden gegarandeerd voor aanvang van het gesloten seizoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Het gebruik van de waterkering mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van de grasmat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschadigde grasmatgedeelten moeten ingezaaid worden vóór 1 september of er moeten geschikte graszoden aangebracht worden op aangevulde en zorgvuldig verdichte grond met nagenoeg dezelfde samenstelling als de oorspronkelijke grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taluds met steenbekleding Motivering Steenbekleding is aangebracht op dijktaluds waar specifieke problemen spelen, zoals erosiegevoeligheid en/of stabiliteit van de waterkering. De steenbekleding haalt zijn sterkte hoofdzakelijk uit de onderlinge samenhang van de elementen. Het (tijdelijk) verwijderen van individuele elementen heeft daarom een negatieve invloed op de sterkte van een veel groter deel van de steenbekleding. Voorgenomen handelingen in taluds waar steenbekleding is aangebracht, worden daarom kritisch beoordeeld op noodzaak en uitvoeringswijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria De voorgenomen handelingen mogen niet ten koste gaan van de steenbekleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Bouwwerken KaderKeur Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.4 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling Onder werken worden ook bouwwerken en gebouwen verstaan. In de meeste gevallen gaat het om gebouwen waarin gewoond of gewerkt wordt, met de inrichtingselementen die daarbij horen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen: permanente bouwwerken/constructies; dit zijn bouwwerken die kapitaalintensief zijn zoals woningen, kantoren, bedrijfsgebouwen e.d. die in de grond gefundeerd zijn; semi-permanente bouwwerken of constructies zoals tuinhuisjes; deze moeten eenvoudig verwijderd kunnen worden. Zij zijn niet voorzien van een in de grond aangebrachte, gestorte, geslagen of soortgelijke fundatie. Het bouwwerk / constructie moet op eenvoudige wijze opgebouwd zijn uit geprefabriceerde en weer op eenvoudige wijze te demonteren elementen. tuinhekjes/tuinmuren. Deze maken onderdeel uit van de tuininrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze beleidsregel staan toetsingscriteria voor alle typen bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen en beschermingszones A binnen het beheergebied van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Beleidsregels: Voor het leggen van kabels en leidingen in de waterkering en binnen de beschermingszones van een waterkering waarbij die niet aan de algemene regels voldoen, geldt een aparte beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanbrengen van beplanting, wegen en aanbermingen gelden aparte beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van diepe boringen voor Koude-Warmte-Opslag (KWO-systemen) geldt een aparte beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nieuwbouw worden bijna altijd kabels en leidingen aangelegd. Voor het aanleggen van huisaansluitingen op het kabel- en leidingnetwerk in de waterkering en beschermingszones van de waterkering, geldt een algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het plaatsen, hebben en onderhouden van tijdelijke/semi-permanente objecten in de beschermingszone A van waterkeringen geldt een aparte algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het uitvoeren van interne verbouwingen van bestaande panden en het plaatsen van dakkapellen op een pand in de waterkering en beschermingszone A van waterkeringen geldt een algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan zijn dat de voorgenomen activiteiten omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een omgevingsvergunning kan noodzakelijk zijn op het gebied van (ver)bouw, wonen, monumenten, milieu, natuur en ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Voor het plaatsen en hebben van bouwwerken in de waterkering en beschermingszone A van waterkeringen is het van belang dat de waterkerende functie en de stabiliteit van de waterkering is gewaarborgd, dat het doelmatig beheer en onderhoud aan de waterkering niet wordt bemoeilijkt en dat de dijken in de toekomst versterkt kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelAlgemeen Het waterschap wil in principe geen nieuwe permanente bouwwerken toestaan binnen de waterkering. Om de huidige functie waterkerend te beschermen, daarnaast is bij een volgende dijkversterking vooral de ruimte binnen de waterkering van groot belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw in beschermingszone A kan alleen als bij de bouwhoogte rekening gehouden wordt met de ruimte die nodig is voor toekomstige dijkversterking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tuinmuren en tuinhekjes in de waterkering en beschermingszone A van waterkeringen kunnen worden toegestaan als ze horen bij bestaande bebouwing. Dit omdat ze beschouwd worden als inrichtingselement van de woning. Voorwaarde is wel, dat ze bij toekomstige dijkversterking door of op kosten van de watervergunninghouder weggehaald worden. Ook mogen ze het bestaande leggerprofiel niet doorsnijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkerende functie Eén van de onderdelen van de waterkering is het buitentalud. Het is van groot belang dat het buitentalud bestand is tegen alle vormen van erosie om de waterkerende functie van de waterkering te garanderen. Daarom zal geen watervergunning verleend worden om op het buitentalud bouwwerken aan te brengen. In specifieke situaties kan een uitzondering worden gemaakt. Hiervoor zijn speciale toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn, kunnen een extra nadelige invloed hebben op de waterkering. Voor dit soort bouwwerken binnen de waterkering en binnen beschermingszone A wordt daarom geen watervergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instandhouding profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.) Het profiel van vrije ruimte geeft de contouren aan van een eventuele toekomstige dijkversterking. Binnen het profiel van vrije ruimte mag niet gebouwd worden. Compartimenteringskeringen en overige keringen kennen geen profiel van vrije ruimte. Hiervoor geldt dat gebouwd wordt buiten het dijkprofiel om het bestaand waterkerend vermogen te kunnen handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van verbouw van bestaande bebouwing zal het waterschap in het algemeen vergunning verlenen. Uiteraard worden daarbij wel voorwaarden gesteld om de waterkering te beschermen. Ook moet het mogelijk blijven om in de toekomst de waterkering te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer en onderhoud Om te zorgen dat de waterkering blijft voldoen aan de vereiste normen, is het nodig deze periodiek te inspecteren. Bij vergunningsaanvragen zal altijd de toets plaatsvinden of de realisatie van een bouwwerk belemmerend werkt voor inspectie en toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap wil het dijkonderhoud op een doeltreffende en doelmatige manier kunnen blijven uitvoeren. Objecten en/of veranderde inrichtingen van waterkeringen en onderhoudsstroken kunnen de bereikbaarheid voor het onderhoudsmaterieel belemmeren. Bij het toetsen van een watervergunningsaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een goede wijze mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaAlgemeen Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen de stabiliteit van de waterkering nadelig beïnvloeden. Voor dit soort bouwwerken binnen de waterkering en beschermingszone A wordt daarom geen watervergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw permanent bouwwerk Binnen de waterkering is nieuwbouw van bouwwerken niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente bouwwerken, speciale constructies en andere kapitaalintensieve werken, inclusief funderingen mogen het profiel van vrije ruimte en de waterkering niet doorsnijden. Bovenop het profiel van vrije ruimte zijn zij wel toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paalfundaties van bouwwerken mogen het profiel van vrije ruimte wel doorsnijden (maar de waterkering niet). Voor paalfundaties moet een grondverdringend paalsysteem zonder verbrede voet worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de waterkering en beschermingszone A mogen geen holle ruimtes (kruipruimten of ringbalken) worden gemaakt of aanwezig zijn, ook niet boven het profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bouwwerken binnen beschermingszone A en buiten het profiel van vrije ruimte worden gerealiseerd, moet dat boven het bestaande maaiveld plaatsvinden. Daarbij mag het maaiveld niet worden verlaagd. Wel kan de aanleg van fundatie-/randbalken en vorstranden die horen bij plaatvloeren toegestaan worden als deze niet dieper dan de gebruikelijke vorstvrije grens worden aangelegd en het profiel van vrije ruimte niet doorsnijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van werken beneden het maaiveld is mogelijk als aangetoond wordt dat hierdoor geen negatieve invloed op de stabiliteit en piping ontstaat in de huidige situatie, en op het profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De daadwerkelijke aanleg van het profiel van vrije ruimte nu of in de toekomst moet mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het aan te brengen werk ontstaat. Ook moet voor toekomstige dijkversterking voldoende werkruimte aanwezig blijven. De aanvrager moet door middel van berekeningen aantonen dat de bebouwing en/of fundatie daarvan geen schade op zal lopen door de belasting van het grondlichaam conform het toekomstige profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nutsvoorzieningen voor binnendijkse nieuwbouw bij de primaire waterkering dienen vanaf het achterland te worden aangelegd en te worden binnen gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herbouw permanent bouwwerk Voor de vervanging van een bestaand bouwwerk door een (nagenoeg) geheel nieuwe constructie wordt geen watervergunning verleend tenzij wordt voldaan aan de beleidsregels voor nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als minder dan de fundering en 2 buitenmuren van een bouwwerk blijven staan, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als met de herbouw de fundering aangepast wordt, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als met de herbouw de fundering niet aangepast wordt, geldt de algemene regel voor interne verbouwing van bestaande panden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding permanent bouwwerk Een op zichzelf staand bouwwerk dat binnen het profiel van vrije ruimte staat, mag eenmalig worden uitgebreid met maximaal 10% van het bebouwd grondoppervlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een uitbreiding van een bouwwerk moet de uitbreiding buiten het leggerprofiel van de waterkering worden gerealiseerd. Doorsnijding van het beheerprofiel van een regionale kering is mogelijk, mits de aanvrager aantoont dat de functie van de waterkering hierdoor niet wordt aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitbreiding binnen de waterkering en beschermingszone A van primaire en regionale waterkeringen mag niet in de richting van of evenwijdig aan de waterkering worden uitgebouwd tenzij direct aangrenzende bouwwerken reeds dichter naar de waterkering gebouwd zijn en dit niet binnen afzienbare tijd zal veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bestaande bebouwing op relatief grote afstand van regionale waterkeringen is afwijking van de beleidsregels ten aanzien van de uitbreidingsrichting mogelijk als aangetoond wordt dat hierdoor geen negatieve invloed op de stabiliteit en piping ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitbreiding van een bouwwerk met meer dan 10% van het bebouwd grondoppervlak binnen het profiel van vrije ruimte wordt beschouwd als nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Semi-permanente bouwwerk Semi-permanente bouwwerken zoals schuurtjes, tuinhuisje etc. binnen de waterkering en beschermingszone A zijn toegestaan als het bouwwerk niet op het bestaande talud of op de kruin wordt geplaatst. Het bouwwerk moet boven het bestaande maaiveld staan en mag niet in de grond worden gefundeerd. Hierbij moet de positie van het bouwwerk zo worden gekozen dat het geen schaduw op de waterkering werpt waardoor de kwaliteit van de grasbekleding wordt aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitendijks bouwen, herbouwen of verbouwen Op het buitentalud en in de buitendijkse beschermingszone A staat het waterschap alleen herbouw en verbouw van bestaande panden toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor buitendijkse herbouw of verbouw gelden dezelfde regels als voor binnendijkse herbouw of verbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Kabels en leidingen KaderKeur Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.4 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder kunstwerken, kabels en leidingen te maken, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen die een verbinding maken met een andere zijde van de compartimenteringskering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.5 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur, gebruik te maken van beschermingszone B door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken met een overdruk van 10 bar te plaatsen en te hebben, leidingen te leggen die een verbinding kunnen veroorzaken tussen het binnen- en buitendijks gebied; leidingen te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling Het waterschap onderscheidt in het kader van deze beleidsregel een aantal groepen kabels en leidingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder kabels vallen voorzieningen voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteits-, signaal en telecommunicatievoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelbuizen (drukloze leidingen):</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidingen ter bescherming van (mediumvoerende) leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleine (druk)leidingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleine (druk)leidingen (kleiner of gelijk aan Ø 125 mm en een inwendige druk lager en/of gelijk aan 10 Bar) zijn onder andere vrijverval rioleringen, drainage, mantelbuizen en kleine industriële leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote (druk)leidingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote (druk)leidingen (groter dan Ø 125 mm en/of een inwendige druk hoger dan 10 Bar) zijn onder andere water- en gasleidingen, drukrioleringen, stadsverwarming en industriële leidingen, maar ook leidingen welke onderdeel uitmaken van het hoofdtransportnet. Met name de voorzieningen voor de hoofdtransportnetten worden veelal gezien als kapitaalintensieve werken voor een periode van 50 jaar of meer en/of zijn in de toekomst moeilijk aan te passen. Daarom zijn hiervoor specifieke toetsingscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt in deze beleidsregel onderscheid gemaakt tussen: kabels en leidingen die parallel aan de waterkering in de waterkering en / of de beschermingszone worden aangebracht; kabels en leidingen die een waterkering kruisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheergebied van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Beleidsregels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van een Koude-Warmte-Opslag (KWO) systeem geldt een aparte beleidsregel. Deze beleidsregel regelt zowel de horizontale als de verticale boringen van het systeem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanleggen, hebben, houden en onderhouden van kabels en leidingen binnen de waterkering en beschermingszone A geldt een algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen:</p>\n<p class=\"lf-p\">CROW-publicatie 308 (2012) NEN 3650 en NEN 3651 Richtlijn boortechnieken RWS (2004) Om graafschade aan kabels en leidingen in Nederlandse bodem te voorkomen is er de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION). De Kadasterdienst KLIC is de schakel tussen netbeheerders en gravers voor de uitwisseling van de informatie. Een zogenaamde KLIC-melding kan noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van kabels en leidingen in de waterkering en beschermingszones van een waterkering is het voornamelijk van belang dat de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelAlgemeen De aanleg en de aanwezigheid van kabels en leidingen kan de waterkerende functie van de waterkering aantasten. Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen in de waterkering. Het waterschap hanteert de 'nee, tenzij'-benadering bij het toetsen van deze watervergunningsaanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkerende functie Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schade aan de waterkering door verweking of explosie moet worden voorkomen door de leidingen die dit effect kunnen veroorzaken en die niet noodzakelijk binnen de waterkering en beschermingszone A moeten liggen, daarbuiten aan te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruisingen van leidingen met de waterkering verdienen aparte aandacht. Een leiding die de waterkering kruist, vormt als het ware een tunnel (kwelweg) door of onder de waterkering. Daarom moeten deze kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de waterkering als de leiding) zo klein mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drainage Voor de ontwatering van landbouw- of andere percelen, kan het soms wenselijk zijn drainage aan te leggen. Drainage binnen de waterkering en beschermingszone A van de waterkering verhoogt echter het risico op het aantrekken van kwelwater. Soms kan drainage waterstaatkundig voordelig zijn, als het de afvoer van spanningswater uit de waterkering bevordert, of als het voorkomt dat hemelwater zich ophoopt tussen de waterkering en een aanberming tegen de waterkering. Voor het aanbrengen en hebben van drainage in de waterkering en beschermingszone A wordt daarom alleen watervergunning verleend als er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaKabels en leidingen Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria Het ontwerp, de aanleg en het beheer van leidingen in en nabij waterkeringen moet uitgevoerd worden zoals in de meest recente en vastgestelde NEN 3650-serie is aangegeven. De NEN 3650-serie bestaat uit NEN 3650 en NEN 3651 (leidingen moeten minimaal van kwaliteit SDR 11 zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen moeten gelegd worden: buiten het waterkering en beschermingszone A; als de aanvrager aantoont dat dit technisch niet mogelijk is, dan in beschermingszone A; als ook dat niet mogelijk is, kan bij zwaarwegende redenen de kabel of leiding in de waterkering gelegd worden, waarbij deze in ieder geval uit de teen van de waterkering moet blijven en niet in het buitentalud gelegd mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gelegenheid zich voordoet, moeten de kabels en leidingen verlegd worden naar een tracé buiten de waterkering en beschermingszone A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande tracés binnen de waterkering en beschermingszone A kunnen benut blijven en eventueel uitgebreid wanneer: de kabel of de verwekingzone van de leiding (NEN 3650-serie) boven de waterkering ligt; de veiligheid van de waterkering door de aanleg voldoende gewaarborgd blijft en wijziging van het bestaande tracé niet in verhouding staat tot het effect wat die wijziging heeft op de veiligheid van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stabiliteit van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van kabel- en leidingwerkzaamheden worden gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De \"rakettechniek\" is in de waterkering en beschermingszones niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij alle sleufloze technieken (persing of HDD techniek) moet een sterkte- en muddrukberekening conform NEN 3650-serie worden uitgevoerd. Deze berekening moet gebaseerd zijn op in de buurt van de aanleglocatie uitgevoerd grondmechanisch en hydrologisch onderzoek en/of lokaal bekende parameters en dient door het waterschap goedgekeurd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij grote (druk)leidingen (groter dan Ø 125 mm en/of een inwendige druk hoger dan 10 Bar) moet ook bij een open ontgraving een sterkteberekening uitgevoerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van mantelbuizen parallel aan de waterkering wordt alleen toegestaan als het volgens de NEN 3650-serie noodzakelijk is. Deze situaties zijn: onder een afrit of zijweg; als er sprake is van bundeling van kabels bij horizontaal gestuurde boring (HDD techniek).</p>\n<p class=\"lf-p\">De mantelbuis moet dan buiten het leggerprofiel van de waterkering gelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidingen waardoor als gevolg van falen een erosiekrater kan ontstaan, moeten volledig buiten de waterkering, incl. bijbehorende veiligheidszone conform NEN 3650-serie, aangelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruisingen van kabels en leidingen met waterkeringen moeten de waterkering haaks kruisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidingkruising moet door middel van een open ontgraving aangelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een horizontaal gestuurde boring (HDD techniek) is alleen toegestaan als uit grondonderzoeken, kwelwegberekeningen en sterkteberekeningen volgens de NEN 3650-serie blijkt, dat de waterkerende functie van de waterkering gegarandeerd blijft. Toepassing van de gesloten front techniek is alleen toegestaan indien de kruising plaatsvindt op ten minste 1 meter boven het leggerprofiel van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van mantelbuizen bij dijkkruisingen is alleen toegestaan als dit voor de stabiliteit van de waterkering nodig is en wanneer sprake is van glasvezelverbindingen of bundeling van een groot aantal kabels. Hierbij worden speciale eisen gesteld aan mantelbuizen, afdichtingen en voorzieningen daarvan conform NEN 3650-serie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een leidingkruising moet zodanig ontworpen en aangelegd worden dat: de leiding als één stuk binnen de waterkering en beschermingszones A en B aangelegd wordt en bij een primaire waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 10 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij conform de NEN 3650-serie hiervan kan worden afgeweken; bij een regionale waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 6 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij conform de NEN 3650-serie hiervan kan worden afgeweken. bij een overige waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de waterkering minimaal 6 meter beneden het maaiveld ligt en 5 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij conform de NEN 3650-serie hiervan kan worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen watervergunning verleend om binnen de waterkering aan een dijkkruisende kabel of leiding een aftakking en/of aansluiting te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Revisie Binnen 6 weken na gereedkomen van de werkzaamheden dienen revisiegegevens te worden aangeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afsluiters Een leidingkruising moet drukloos gemaakt en afgesloten kunnen worden. Afsluiters dienen zowel aan de binnendijkse en de buitendijkse zijde geplaatst te worden en moeten altijd bereikbaar en bedienbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen Voor de aanleg van lokale voorzieningen van het openbare verlichtingsnet in en nabij de binnenkruinlijn van de waterkering wordt een watervergunning verleend als de voorzieningen vanwege de verkeersveiligheid noodzakelijk zijn en er verlichtingtechnisch geen alternatief is. Dergelijke voorzieningen zijn in de buitenkruinlijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drainage Voor het aanbrengen en hebben van drainage in de waterkering en beschermingszone A wordt alleen een watervergunning verleend wanneer de aanvrager aantoont dat er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Bomen, struiken en laagblijvende beplanting KaderKeur Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.4 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen Begripsbepaling (hout)beplantingen: Bomen, struiken en laagblijvende beplanting die worden geplant om de tuin in te richten of het landschap te verfraaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Beleidsregels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor permanente bouwwerken op de waterkering en de beschermingszone A geldt een aparte beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het planten van bomen, struiken en laagblijvende beplanting is vaak onderdeel van terreininrichting waarbij ook (semi-permanente) bouwwerken/objecten worden aangebracht. Voor het aanbrengen van semi-permanente bouw¬werken in de beschermingszone A geldt een algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast geldt er een algemene regel voor het gebruik van percelen bij waterkeringen als tuin en bouwland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij beplanting kan het zijn dat daarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit aanleg vereist is. Een omgevingsvergunning is nodig als het bestemmingsplan dit vereist voor werkzaamheden die niet als bouwen zijn aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen. Bij het planten van bomen en struiken is het vooral belangrijk dat de stabiliteit van de waterkering is gegarandeerd en dat er door de groei van wortelstelsels door een kleilaag geen 'piping' ontstaat. Bij het vervangen van het grastalud door laagblijvende beplanting gaat het om de bescherming van de erosiebestendigheid van het talud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelWaterkerende functie Bij de toetsing of bomen, struiken en planten invloed hebben op de waterkering, zijn drie aspecten belangrijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schaduwwerking. Door schaduwwerking kan het gras, de standaard taludbekleding, onder bomen en struiken minder goed groeien. De erosiebestendigheid van het talud komt hiermee in gevaar. Daarom wordt er in de toetsingscriteria voor bomen en struiken een horizontale afstand tot de waterkering aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit. Om de stabiliteit van een dijk te garanderen, is een bepaalde afmeting (hoogte en breedte) van die dijk en aanliggende gronden nodig. Doorsnijding van de dijk en aanliggende gronden met bijv. een wortelkluit van een boom of struik, maakt de dijk minder stabiel (en dus minder veilig). Omgewaaide bomen kunnen door het ontstane gat van de wortelkluit de dijk ernstig beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Piping. Piping is het verschijnsel dat water en zand onder de dijk door komt via waterdoorlatende lagen. Hierdoor ontstaan tunnels onder de dijk. Kleilagen in en onder de dijk voorkomen piping. Er bestaat gevaar dat het wortelstelsel van bomen en struiken door deze kleilagen heendringt. Hierdoor neemt de kans op piping toe. In de toetsingscriteria komt dit aspect tot uiting in de verticale afstand tot het leggerprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van het dijkmateriaal (klei of zand) en de omstandigheden waarin de boom wortelt (wisselende grondwaterstand, natte of juist droge omstandigheden) zijn sommige soorten bomen en struiken wel of juist niet geschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer en onderhoud Het talud van de dijk is bekleed met erosiebestendig materiaal (gras of harde bekleding). Het waterschap wil de waterkeringen goed kunnen inspecteren. Medewerkers komen ter plaatse kijken of de dijk beschadigd is. Bijvoorbeeld door uitspoeling door regen of overslaand water of door graafactiviteiten van dieren. Bij gebruik van een andere vorm van bodembedekking is controle door medewerkers niet (goed) mogelijk. Daarom wordt geen watervergunning verleend voor het vervangen van de bestaande taludbekleding door een andere vorm van taludbedekking (bijvoorbeeld anti-worteldoek). Ook niet in combinatie met een bodembedekker.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaAlgemeen Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria Bestaande bomen en struiken Dode, zieke, (gedeeltelijk) omgewaaide, zwaar beschadigde en gerooide bomen en/of struiken moeten worden verwijderd. De wortelresten moeten worden uitgefreesd. In de wortelgaten moet kleigrond van (nagenoeg) dezelfde samenstelling als de dijkbekleding worden aangebracht en zorgvuldig laagsgewijs worden verdicht. Vervolgens moeten de wortelgaten worden voorzien van geschikte graszoden of vóór 1 september worden ingezaaid met graszaad “Natuurdijk II” ten behoeve van de ontwikkeling van een goed doorwortelde grasmat voor aanvang gesloten seizoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe bomen en struiken Nieuwe bomen en struiken op het buitentalud van de primaire en regionale waterkering en tot een afstand van 10 meter uit de buitenteen van de primaire waterkering worden niet toegestaan. Hierop gelden twee uitzonderingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen en struiken in tuinen van (buitendijkse) dijkpanden waar, door middel van constructieve maatregelen, ten behoeve van de reeds aanwezige bouwwerken (bijvoorbeeld een damwandconstructie als erosiescherm), de erosiebestendigheid van het buitentalud gegarandeerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake is van een hoog liggend voorland, waardoor bomen en struiken buiten het afslagprofiel geplaatst kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe bomen en struiken op de waterkering en tot 4 meter uit de binnenteen van de primaire waterkering worden niet toegestaan. Hierop zijn enkele uitzonderingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van aanzienlijke landschappelijke- ecologische en/of culturele waarden kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor nieuwe bomen en struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een (zeer) brede kruin kan, onder voorwaarden, vergunning worden verleend voor bomen en struiken op de kruin. Te allen tijde moet een zone van 4,5 meter vanuit de buitenkruinlijn obstakelvrij blijven ten behoeve van onderhoud en inspectie van de waterkering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe bomen en struiken, inclusief de ontgrondingskuil, moeten buiten het leggerprofiel van de waterkering worden geplaatst en op termijn goed vervangbaar zijn. Voor bomen wordt uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil met een diepte van 1,0 meter en een straal, vanuit het hart van de boom, van 2,0 meter. Voor struiken wordt eveneens uitgegaan van een schijfvormige ontgrondingskuil, met een diepte van 0,5 meter en een straal, vanuit het hart van de struik, van 1,0 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe bomen en struiken op en bij de primaire waterkering moeten voldoen aan de richtlijnen zoals opgenomen in de STOWA handreiking “Handleiding voor beplanting op en nabij primaire waterkeringen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Revisie Binnen 6 weken na gereedkomen van de werkzaamheden dienen revisiegegevens te worden aangeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herplanten van bomen en struiken Herplanten, het vervangen van bestaande bomen en struiken, wordt beoordeeld als het aanbrengen van nieuwe bomen en struiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud van bomen en struiken Bomen op de waterkering dienen zodanig te worden gesnoeid, dat zich een takvrije stamlengte van 6 meter hoog kan ontwikkelen. Dit vanwege bereikbaarheid en inspectie van de waterkering en om voldoende licht op de grasmat toe te laten. Het snoeihout en bladval moet worden verwijderd en afgevoerd. Knotten moeten minimaal eens in de drie jaar geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grasmat moet worden hersteld zodra er schade is ontstaan die te wijten is aan aanwezigheid van bomen en/of struiken (ontworteling, schaduwwerking, wortelopschot, afgewaaide takken etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Wegen, parkeerplaatsen en perceelsontsluitingen (op- en afritten, trappen en aanbermingen) KaderKeur Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.4 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder het maaiveld te verhogen of te verlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling Wegen, op- en afritten, trappen en aanbermingen dienen in het algemeen voor de ontsluiting van (bebouwde) gebieden, de bereikbaarheid van bebouwing en de toegang tot landbouwgronden en natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkeerplaatsen zijn nodig om te voorkomen dat auto's in de wegberm parkeren en daarbij de waterkering beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheergebied van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Beleidsregels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegen en ontsluiting worden vaak gerealiseerd ter plaatse van (nieuw)bouw. Voor bouwwerken op de waterkering en binnen beschermingszone A geldt een aparte beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan de openbare wegen op de waterkering, geldt een algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aansluiting op de openbare weg is daarnaast veelal een omgevingsvergunning noodzakelijk van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van wegen, op- en afritten op de waterkering is het voornamelijk van belang dat de stabiliteit, dus ook de waterkerende functie van de waterkering, evenals het doelmatig onderhoud is gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelWaterkerende functie Wegen, op- en afritten, trappen en aanbermingen hebben door hun aanwezigheid en het transport hierover een negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bovendien zorgen op- en afritten voor een vergroting van het dijklichaam, wat aan de ene kant extra stabiliteit betekent, maar aan de andere kant extra belasting voor het bestaande grondlichaam oplevert. Bovendien kan door de toegankelijkheid van verkeer een aanzienlijke verkeersbelasting ontstaan. Trillingen door verkeer kunnen bij met water verzadigde waterkeringen leiden tot verweking. De fundering en verharding mogen geen nadelige invloed hebben op de dijkbekleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer en onderhoud Trappen, parkeerplaatsen, op- en afritten en aanbermingen tegen het talud van de waterkering maken doelmatig beheer en onderhoud moeilijker. In maaivakken zal de maaimachine voor ieder obstakel moeten wijken en moet handwerk uitgevoerd worden. Bestaande beweidingsvakken kunnen door aanbermingen, trappen en op- en afritten opgedeeld worden. Ook dit is niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast vormen aanbermingen, op- en afritten een extra belasting voor eventueel aanwezige leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap is daarom terughoudend in het toestaan van nieuwe aanbermingen, op- en afritten en trappen. Een watervergunning voor de aanleg van aanbermingen, trappen en op- en afritten tegen het talud van de waterkering kan alleen worden verleend als de constructie zo aangelegd wordt dat deze geen belemmering vormt voor het uit te voeren beheer en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaAlgemeen Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria In gebieden waar door de aanleg van grondophogingen grote zettingen verwacht worden, moet de initiatiefnemer door middel van berekeningen aantonen dat de ophoging geen nadelige gevolgen heeft voor, of kan veroorzaken aan de waterkering en bijbehorende of inliggende voorzieningen (bijvoorbeeld kabels en leidingen) en/of belendende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plaats van aan te leggen trappen, op- en afritten, aanbermingen en wegen, moet worden afgestemd op het regulier beheer en onderhoud van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De breedte, talud helling, bekleding en samenstelling van de aanberming, op- en afritten en trappen moeten in overeenstemming zijn met de bestemming/functie van het aangevraagde werk en mogen geen afbreuk doen aan LNC-waarden. Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten op dijktaluds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Perceelsontsluitingen Per perceel gelegen aan de waterkering is één ontsluiting voldoende. Bovendien geldt dat als redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden van bestaande aanbermingen, op- en afritten en/of trappen, hiervan gebruik gemaakt moet worden, al dan niet met een kleine aanpassing daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij splitsing van percelen moet naar handhaving van de bestaande ontsluiting worden gestreefd. Een nieuwe via de waterkering is slechts vergunbaar bij een aangetoond zwaarwegend belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe ontsluitingen via de waterkering kunnen worden toegestaan als er sprake is van inbreidingsplannen binnen de bebouwde kom. Het aantal ontsluitingen naar de dijk moet dan binnen het plan tot een minimum worden beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op- en afritten en trappen moeten buiten leggerprofiel van de waterkering aangelegd worden en mogen de stabiliteit en de taludbekleding van de waterkering niet negatief beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de op- en afrit wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de op- en afrit geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de op- en afrit of de trap en bijbehorende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkeerplaatsen (bestaande waterkering) Voor de aanleg van een parkeerplaats op de waterkering wordt alleen vergunning verleend als parkeren op eigen terrein niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De parkeerplaats moet voorzien zijn van een halfopen verharding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanleg van de parkeerplaats mag geen aanberming aan de waterkering worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de parkeerplaats wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij het waterschap, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de parkeerplaats geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel bij onderhoud van de waterkering door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de parkeerplaats en bijbehorende voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegen (bestaande waterkering) De wegverharding en onderliggende fundering dient zodanig aangelegd te worden dat de verkeersbelasting voldoende wordt verspreid naar het onderliggende dijklichaam en zonder dat er negatieve effecten op kunnen treden met betrekking tot de constructie en functie van de waterkering. Dit is van toepassing op zowel wegreconstructies als voor aanleg van nieuwe wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkeersvoorzieningen, zoals verkeersborden, komportalen en openbare verlichting, worden gezien als een noodzakelijk deel van de openbare weg. Bij de toetsing of een watervergunning verleend kan worden, zal hiermee rekening gehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden nadere eisen gesteld aan de plaats en manier van uitvoering. Zo wordt voor voorzieningen in het buitentalud of in de buitenkruinlijn geen watervergunning verleend, tenzij de verkeersveiligheid dit nadrukkelijk vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 Grondmechanisch onderzoek KaderKeur Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.4 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen, te boren of te sonderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.5 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur, gebruik te maken van beschermingszone B door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder het maaiveld te verhogen of te verlagen; afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling Bij het waterschap komen regelmatig watervergunningsaanvragen binnen voor het verrichten van grondonderzoek, geotechnisch onderzoek, geohydrologisch onderzoek of het slaan van pulsen. Bij deze onderzoeken is het vaak nodig om verticale boringen te verrichten voor het nemen van grondmonsters, het plaatsen van peilbuizen of het maken van sonderingen. Ook worden pulsen of verticale boringen uitgevoerd voor bijvoorbeeld waterwinning of, warmte- en koudeopslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Beleidsregels:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondmechanisch onderzoek wordt vaak uitgevoerd in het kader van nieuwbouw. Voor het realiseren van bouwwerken op de waterkering en binnen beschermingszone A van de waterkering geldt een aparte beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene regels Voor het uitvoeren van minder dan 10 boringen en/of sonderingen geldt een aparte Algemene regel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Met betrekking tot het uitvoeren van verticale boringen en grond- en milieuonderzoek is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelWaterkerende functie en stabiliteit De af- en/of ontgravingen voor dergelijke verticale boringen en onderzoeken kunnen invloed hebben op de waterkering. Vooral in kwel en piping gevoelige gebieden kan het zeer nadelig zijn wanneer het afdichtende kleipakket van een waterkering wordt geperforeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierdoor kan er kortsluiting ontstaan tussen de watervoerende lagen, waardoor het risico van piping toeneemt. Ook kunnen trillingen van seismische onderzoekmethodes onder bepaalde omstandigheden een nadelige invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaAlgemeen Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria Sonderingen, (peil)buizen voor grond- en grondwateronderzoek. enzij het voor andere doeleinden strikt noodzakelijk is, mogen er geen sonderingen of grondboringen uitgevoerd worden in de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de stabiliteit van de waterkering (verhoogde kans op ‘piping’ als gevolg van perforaties) moeten de boorgaten worden gedicht met ondoorlatend materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitvoeren van boringen en sonderingen tijdens een situatie van verhoogde waterspanning in de bodem (bijvoorbeeld bij hoogwater) is niet toegestaan. (Peil)buizen die in de waterkering en profiel van vrije ruimte langer blijven staan dan 35 dagen, of blijven staan in het gesloten seizoen, moeten worden voorzien van een kwelscherm. Hiervoor worden voorschriften in de watervergunning opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige onderzoek Voor seismische onderzoeken in de waterkering en beschermingszones van waterkeringen wordt geen watervergunning verleend. In de beschermingszone B wordt alleen een watervergunning verleend als de uitvoering van deze onderzoeken buiten de dijksluitingsperiode en buiten de hoogwaterperioden gebeuren en aangetoond wordt dat de trillingen geen nadelige invloed zullen hebben op de waterkerende functie van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proefsleuven voor bijvoorbeeld archeologisch onderzoek moeten zover mogelijk uit de waterkering worden gegraven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7 Verticale boringen ten behoeve van bodemenergiesystemen en grondwaterontrekking KaderKeur Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterkering of bijbehorende beschermingszone A, uitgezonderd regionale waterkeringen die zijn aangewezen als compartimenteringskeringen of overige keringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.3 van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.4 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van regionale waterkeringen die in de legger zijn aangewezen als compartimenteringskeringen en bijbehorende beschermingszone en overige waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: voorwerpen in de grond aan te brengen, te wijzigen, te hebben, te onderhouden of uit de grond te verwijderen, te boren of te sonderen; het maaiveld te verhogen of te verlagen; kunstwerken, kabels en leidingen te maken, te hebben, te onderhouden, te wijzigen of te verwijderen die een verbinding maken met een andere zijde van de compartimenteringskering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3.5 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur, gebruik te maken van beschermingszone B door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: het maaiveld te verhogen of te verlagen; leidingen te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterschappen krijgen in toenemende mate te maken met aanvragen voor het maken van boringen voor bodemenergiesystemen in de vorm van Koude Warmte Opslag (KWO) voor gebouwen van bedrijven en particulieren die in de nabijheid van de waterkering staan. Voor het aanbrengen van bodemenergiesystemen moeten veel voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waterkerende functie van de waterkering wordt aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepaling Er zijn 2 typen koude-warmte opslag (KWO) systemen: open systeem; hierbij wordt daadwerkelijk water opgepompt en teruggevoerd in de bodem. De warmteoverdracht vindt boven de grond plaats; gesloten systeem of bodemwarmtewisselaars; hierbij wordt vloeistof rondgepompt in een gesloten systeem in de bodem. Warmte overdracht vindt dus in de bodem plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondiepe grondwateronttrekkingen worden bijvoorbeeld gebruikt voor veedrenking en beregening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingsgebied Deze beleidsregel geldt voor alle waterkeringen (primaire, regionale en overige waterkeringen) binnen het beheersgebied van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Beleidsregels:</p>\n<p class=\"lf-p\">KWO systemen maken gebruik van diepe boringen, maar uiteindelijk moeten ook leidingen naar de woning aangelegd worden. Voor het leggen van leidingen geldt een aparte beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms is de KWO systeem onderdeel van een nieuwbouwproject. Voor het realiseren van bouwwerken op de waterkering en binnen beschermingszone A van een waterkering geldt een aparte beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het oppompen van grondwater voor een bodemenergiesysteem is veelal een watervergunning noodzakelijk van de provincie Noord-Brabant. Een aanvraag wordt daarbij onder andere getoetst aan het beleid uit het Provinciaal Waterplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen. Met betrekking tot het uitvoeren van verticale boringen is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd. Het waterschap beoordeelt de gevolgen van de werkzaamheden. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering van de beleidsregelWaterkerende functie en stabiliteit Voor een KWO moet er meestal een fors boorgat worden gemaakt, moeten er leidingen in het boorgat worden gemaakt, moeten de afdichtingen tussen boorbuis en bodem betrouwbaar zijn en moet dit alles aan het eind van de levensduur van het bodemenergiesysteem weer afgedicht worden. Deze constructie mag per definitie de werking van de waterkering niet aantasten. Daarom zijn er toetsingscriteria en zullen er aan de vergunning voorschriften worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToetsingscriteriaAlgemeen Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van algemene toetsingscriteria KWO boringen in de waterkering zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige horizontale onderdelen, zoals kabels en toevoerleidingen moeten voldoen aan de beleidsregels voor kabels en leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stabiliteit van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van de boringen worden gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vergunning zullen voorschriften worden opgenomen voor het buiten gebruik stellen van het KWO systeem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor inspectie bij hoogwater moeten de bronnen te allen tijde bereikbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaats van de boringen De boringen moeten zo ver mogelijk uit de waterkering plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boringen mogen binnen het profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.) plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwerking van de boring, de warmtewisselaar, de ontvang- en verdeelput moeten worden geplaatst buiten of boven het p.v.v.r.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van een KWO–installatie, bestaande uit meerdere diepe boorgaten evenwijdig aan de lengterichting van de waterkering, verhoogt het risico op instabiliteit van de waterkering. Daarom moet de richting van de bronnenlijn altijd loodrecht op de referentielijn van de waterkering worden uitgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het KWO systeem moet altijd aan dezelfde zijde (binnen- of buitendijks) van de waterkering worden geplaatst als het object waarvoor het geïnstalleerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boren en afdichten De boormethode moet zo zijn, dat er een minimale hoeveelheid grond wordt opgeboord in verhouding tot de omvang van het boorgat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een boormethode toegepast worden waarbij een boorspoeling (bijvoorbeeld bentoniet) wordt gebruikt, waarmee ook in onsamenhangende grond (zand- en grintlagen) de standzekerheid van de boorgatwand gegarandeerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het opvangen van de boorvloeistof mogen geen ontgravingen worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruimte tussen de boorgatwand en de verticale filterleiding moet worden opgevuld met een uithardende boorvloeistof, zoals bentoniet-cement of gelijkwaardig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gesloten systemen mag geen filtergrind worden gebruikt, tenzij dit tot maximaal 15 meter boven het “geluste”deel van de buis wordt aangebracht. Daarna moet het boorgat verder worden opgevuld met uithardende boorvloeistof Bij open systemen mag maximaal vanaf 3 meter boven het geperforeerde deel van de filterbuis filtergrind worden gebruikt. Daarna moet het boorgat verder worden opgevuld met uithardende boorvloeistof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rondom de mantelbuis moet een kleikist en kunststof kwelscherm worden aangebracht. De kleikist moet een minimale dikte en breedte rondom van 1 meter. Het kwelscherm moet ook een breedte hebben van 1 meter rondom de mantelbuis en worden vastgezet met een klem.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de situatie dat na het boren de mantelbuis wordt getrokken, moet het resterende boorgat verder worden opgevuld met de uithardende boorvloeistof. Een kleikist of kwelscherm is dan niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor open systemen De mate van risico op de waterkering moet gekwantificeerd worden met een 3-dimensionaal grondwatermodel waarbij rekening wordt gehouden met variatie van de dikte van de bodemlagen, doorlaatfactoren en situering van de onttrekkings- en retourfilters. Dergelijke berekeningen zijn verplicht en moeten bij de aanvraag om een vergunning worden toegevoegd. Het risico als gevolg van temperatuursverandering is klein en hoeft niet meegenomen te worden in de berekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de kans op fluctuaties in het freatisch grondwater door het gebruik van de KWO-installatie tot een minimum te beperken, moeten de filters van open KWO-systemen op grote diepte in het tweede of nog dieper gelegen watervoerend pakket worden geplaatst, onder dikke scheidende lagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningaanvrager moet in het grondwatermodel ook aantonen dat de freatische grondwaterstand als gevolg van het KWO-systeem niet hoger dan 0,50 m onder maaiveld, niet hoger dan het heersend polderpeil en niet lager dan de laagst gemeten freatische grondwaterstand komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondiepe grondwateronttrekkingen Ondiepe pulsen voor bijvoorbeeld veedrenking of beregening, moeten worden geplaatst buiten de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boorgaten moeten worden afgedicht met een kleikist (1 meter x 1 meter m) en een kwelscherm.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Beleidsregels grondwater Kader Waterwet artikel 6.4 en artikel 3.10 van de Keur.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.1 Algemeen beleid voor alle activiteiten In deze beleidsregels is voor verschillende vormen van grondwatergebruik uitgewerkt hoe met vergunningverlening wordt omgegaan. Voor al deze uitwerkingen geldt echter dat deze uitgaan van steeds dezelfde basisbeginselen. Gezien de kaders en doelstellingen van de Waterwet heeft het grondwaterbeheer vier pijlers:</p>\n<p class=\"lf-p\">Adequaat voorraadbeheer; het voorkomen van uitputting of aantasting van de grondwatervoorraden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infilteren van water, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Adequaat voorraadbeheer Er is in feite niet sprake van één grondwatervoorraad. Vanwege de gelaagde opbouw van de bodem is er onderscheid te maken naar meerdere voorraden die naar diepte te onderscheiden zijn. Daarnaast zijn er regionale verschillen, onder andere door de aanwezigheid van geologische breuklijnen in de ondergrond. De slecht doorlatende lagen die over het algemeen de verschillende grondwaterlagen van elkaar scheiden, zijn per gebied verschillend van diepteligging en dikte. Daarnaast zijn er ook gebieden waar er openingen aanwezig zijn, dus er uitwisseling is tussen verschillende watervoerende lagen. Het waterschap voert daarom een gebiedsgericht beleid waarbij de regels voor bijvoorbeeld de diepte van onttrekken per gebied anders zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de benutting van de grondwatervoorraden blijft het uitgangspunt dat schoon grondwater een schaars goed is wat beschermd moet worden tegen uitputting. De betere voorraden blijven primair bestemd voor hoogwaardig gebruik, menselijke consumptie. Dit betekent dat het gebruik van grondwater voor andere doeleinden een sluitstuk van de watervoorziening is, conform de voorkeursvolgorde: zuinig watergebruik (o.a. door waterconservering); benutten gebiedseigen water; wateraanvoer; en dan pas grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen betekent dat, dat de diepere lagen voor hoogwaardig gebruik gereserveerd wordt, en dat andere gebruiksvormen door middel van de ondiepere lagen gefaciliteerd wordt. Hierbij speelt ook de overweging mee dat de diepere lagen ook beter te beschermen zijn tegen verontreiniging door de bovenliggende slecht doorlatende lagen te beschermen tegen doorboring. Daarnaast geldt in het algemeen dat het gebruik van grondwater sluitstuk is in de watervoorziening voor functies en dat als grondwater gebruikt wordt, dit zo zuinig mogelijk gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bescherming van de grondwaterkwaliteit Drinkwaterbeschermingsbeleid is primair de taak en verantwoordelijkheid van de provincie (Waterwet en Provinciale Milieuverordening), maar dat neemt niet weg dat het waterschap hiermee rekening dient te houden. Hogere regelgeving regelt voor inrichtingen en activiteiten al uitvoerig wat wel en niet toegestaan is met het oog op de bescherming van de kwaliteit van grondwater bestemd voor menselijke consumptie. Het is dan ook niet nodig daarvoor aanvullende regels te stellen in bijvoorbeeld de Keur, maar wel te voorkomen dat toepassing van regels de hogere regelgeving (de Provinciale Milieuverordening) doorkruisen. Dit betekent dat in vergunningen voor activiteiten in gebieden die beschermd worden voor de drinkwatervoorziening, aanvullende of afwijkende voorschriften kunnen worden opgenomen ten behoeve van de drinkwaterbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip menselijke consumptie komt overigens uit de Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (Drinkwaterrichtlijn) en komt in de Nederlandse wetgeving ook terug in het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, artikel 1, onder g. Onder water voor menselijke consumptie wordt daar verstaan al het water, niet zijnde natuurlijk mineraalwater, bronwater of een geneesmiddel, dat in enig levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde waren of stoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de drinkwaterbescherming speelt de kwaliteit van grondwater in het algemeen een rol van betekenis voor de vergunningverlening. Hoewel het waterschap geen directe bevoegdheid heeft op dit vlak krachtens de Waterwet, dient het waterschap hier wel rekening mee te houden bij de belangenafweging op grond van artikel 2.1 van de Waterwet. Specifiek voor infiltreren geldt bovendien op grond van artikel 6.26 Waterwet dat slechts vergunning verleend kan worden als er geen gevaar voor de grondwaterkwaliteit is, en dat er aan een vergunning voorschriften worden verbonden ter verzekering van de controle op de kwaliteit van het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenhangend beheer van grond- en oppervlaktewaterlichamen Voor de watervoorziening voor gebruiksfuncties wordt in tweede en derde instantie een beroep gedaan op het oppervlaktewatersysteem doordat eerst gebruik gemaakt moet worden van gebiedseigen en vervolgens wateraanvoer, alvorens uit te wijken naar het gebruik van grondwater. Dit betekent dat er per definitie een relatie is tussen grondwater en het oppervlaktewatersysteem, wat ook weer gebiedsspecifieke verschillen kent. Zo ligt in poldergebieden/gebieden met wateraanvoer de nadruk veel sterker op wateraanvoer dan op de hoge zandgronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale nadelige effecten tegengaan Ondanks de regionale schaal van de hoofdlijnen van het beleid, zal er nog steeds aandacht moeten zijn voor de lokale effecten die een onttrekking kan hebben. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat een onttrekking voor een gebruiksfunctie strijdig is met een naastgelegen functie. Dit kan zich in principe overal voor doen, maar komt op twee soorten gebieden nadrukkelijker naar voren: in en rond natuurgebieden (met name natte natuurparels) en in het stedelijk gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologische hoofdstructuur en attentiegebieden Nieuwe onttrekkingen, die niet zijn gericht op behoud of versterking van de natuurwaarden, zijn niet toegestaan. Voor de natte natuurparels is het strikte beleid ook van toepassing op een attentiegebied (zie keurkaarten ‘Beschermde Gebieden’). Verplaatsingen worden in dit verband als nieuwe onttrekkingen aangemerkt en zijn dus niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het strikte beschermingsbeleid heeft zowel betrekking op de individuele ingrepen als op het cumulatieve effect van de ingrepen. Daarom worden de effecten van de ingrepen niet individueel beoordeeld (bijvoorbeeld in de vorm van een standstill op de rand van de natte natuurparel), maar wordt de ingreep niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurbeleid en Kaderrichtlijn Water Waar grondwateronttrekkingen moeten worden verminderd om de gestelde doelen in de natte natuurparels te bereiken, dan geldt dat in principe voor alle categorieën grondwateronttrekkingen in dat gebied. Mede op basis van de beschikbare alternatieven wordt vervolgens per onttrekking of per onttrekkingscategorie de omvang van de vermindering bepaald. Ook wordt de termijn bepaald waarbinnen deze vermindering moet plaatsvinden. Dit wordt samen met de provincie in een gebiedsplan vastgesteld. Bij vergunningverlening op grond van de Waterwet houden we rekening met natuurdoelstellingen van Natura 2000 en de vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet. Ook wordt rekening gehouden met de zuiveringsinspanning voor grondwater voor menselijke consumptie in het kader van de Kaderrichtlijn Water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsspecifiek grondwaterbeleid In grondwaterbeleid is een regionale gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd, waarbij aangesloten is bij de geologische opbouw van de bodem, de aanwezige watervoerende lagen en het oppervlaktewaterbeheer. De gebiedsindeling daarvoor is opgenomen in de algemene regels. Die gebiedsindeling wordt in deze beleidsregel eveneens toegepast. De gebiedsindeling is tot stand gekomen door allereerst een onderscheid te maken tussen peilbeheerste gebieden (polders) en de overige, vrijafwaterende gebieden. In polders is immers wateraanvoer mogelijk (en dus minder noodzaak voor grondwatergebruik) en deze gebieden kennen veelal een andere bodemopbouw. Vervolgens zijn de twee meest relevante geologische breuklijnen als onderscheidende grens aangemerkt, namelijk de Gilze-Rijenbreuk en de Peelrandbreuk. Beide breuklijnen markeren een duidelijke grens in de bodemopbouw, met name ten aanzien van de diepte van watervoerende pakketten en scheidende lagen in de ondergrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per gebied is in de algemene regels aangemerkt welke watervoerende pakketten aangewezen zijn om uit te onttrekken. Met deze aanpak worden nog steeds dezelfde doelen nagestreefd als voorheen, maar sluit de regelgeving beter aan op het regionale grondwatersysteem. In de algemene regels zijn tevens vaste waarden voor de te onttrekken diepte opgenomen voor die gevallen waar watervoerende pakketten met elkaar in verbinding staan omdat er ter plaatse geen scheidende laag in de ondergrond aanwezig is. Dit komt lokaal op diverse plaatsen voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanduiden van de bodemopbouw bestaan meerdere typologieën in Nederland. Het waterschap sluit aan op de typologie van Regis II van TNO-NITG. Dit is een landelijke erkende digitale database die een model geeft van de landelijke geologische kartering van de Nederlandse ondergrond. Deze standaard wordt ook in andere regelgeving toegepast zoals het Protocol mechanisch boren krachtens artikel 25 Besluit Bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Vergunningenbeleid voor industriële onttrekkingen kleiner dan 150.000 m3 per jaar Bij de vraag naar grondwateronttrekkingen door toenemende bedrijvigheid wordt van de bedrijven gevraagd zo veel mogelijk alternatieven in te zetten, zoals de inzet van oppervlaktewater of hergebruik van afvalwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">In stedelijk gebied met wateroverlast kan een uitzondering gemaakt worden op het principe dat grondwater alleen wordt gebruikt voor menselijke consumptie. Hier kunnen onttrekkingen wel toestaan worden voor andere doeleinden dan menselijke consumptie. In elk geval wordt gestreefd naar een nuttig gebruik van het onttrokken grondwater. De benodigde drooglegging in de stad is goed verenigbaar met waterwinning. Verwacht mag worden dat de onttrekkingen om wateroverlast tegen te gaan, maar tijdelijk nodig zullen zijn, omdat bij de herinrichting van deze wijken een aangepaste ont- en afwatering deze problemen kan oplossen. Om een verspreiding van bodem- en grondwaterverontreinigingen te voorkomen is een toename van de onttrekkingen dieper dan het watervoerende pakket 1b ongewenst. Daar waar de pakketten 1a en 1b niet aanwezig zijn of ondieper liggen dan 80 meter, mag worden uitgeweken naar Wp 2a.</p></div>", "next": 239118}