{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De inzet van kortdurend verblijf met behandeling is maximaal 3 etmalen aansluitend per week voor maximaal 1 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer Vervoer wordt door de gemeentelijke toegang toegekend, wanneer daar een noodzaak voor is. Vervoer wordt ingezet als dit o.g.v. medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid noodzakelijk is. Hierbij wordt zoveel mogelijk uitgegaan van eigen kracht van de jeugdige en diens netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">42A03 Vervoer zonder rolstoel Het betreft hier het vervoer voor jeugdigen die zelfstandig (of met beperkte ondersteuning van de chauffeur/begeleider) in en uit een bus kunnen stappen. Deze vorm van vervoer wordt ingezet voor jeugdigen die (nog) niet zelfstandig kunnen reizen naar een zorgaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">42A04 Vervoer met rolstoel Het betreft hier vervoer voor jeugdigen die vanwege hun rolstoel gebruik maken van aangepast vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Vervoer kan alleen worden ingezet in combinatie met ‘Begeleiding groep’: ‘begeleiding respijtzorg dagbesteding’ ‘kortdurend verblijf’ als ingeschat wordt dat hierbij vervoer vereist is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer van en naar de zorgaanbieder en/of school is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de ouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ga eerst na of de jeugdige zelf naar de zorgaanbieder kan en/of de ouders of iemand uit het sociale netwerk de jeugdige kan vervoeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij jeugdigen jonger dan 12 jaar wordt in het algemeen verondersteld dat zij niet over voldoende zelfredzaamheid beschikken om zelfstandig te reizen;</p>\n<p class=\"lf-p\">In elke individuele situatie moet beoordeeld worden of een jeugdige in aanmerking komt voor deze vervoersvoorziening. Hierbij wordt rekening gehouden met eigen kracht van ouders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Van ouder(s) wordt geen vervoer van/naar zorgaanbieder verlangd als een gezin ernstig benadeeld wordt. Van ernstige benadeling van het gezin is in elk geval geen sprake als de ouder(s) door hun werk een jeugdige niet op de juiste tijd naar de beschikte of aangevraagde voorziening kunnen brengen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Van ernstige benadeling van het gezin kan sprake zijn bij:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een alleenstaande ouder met zorgtaken voor een andere jeugdige in het gezin;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders beschikken niet over een vervoersmiddel, tenzij de zorgaanbieder zich op loopafstand bevindt; of Ouders/verzorgers moeten met bewijsstukken aantonen dat er sprake is van ernstige benadeling van het gezin;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervoersbehoefte wordt beoordeeld door de verwijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoog-Specialistische Jeugd GGZ Omschrijving Productcode Forensische Jeugd GGZ 54F01 Hoogcomplexe Jeugd GGZ 54F02 Specialistische GGZ Intercultureel 54F03 Klinische behandeling GGZ Intensiteit 1 Intensiteit 2 54F10 54F11 Forensische psychiatrie Forensische Jeugd GGZ is een risicogerichte behandeling die recidive, denk aan grensoverschrijdend gedrag en/of strafbare handeling, moet voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Forensische Jeugd GGZ is gericht op jeugdigen die (een dreigend) delict gedrag en/of seksueel of agressief grensoverschrijdend gedrag vertonen. Zonder behandeling vormen deze jeugdigen een gevaar voor zichzelf en/of hun omgeving, en wordt het moeilijker om dit gedrag te beperken en de negatieve ontwikkeling en problematiek aan te pakken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld maximaal 6 uur per week voor de looptijd van de beschikking of het verleningsbesluit. Doorlooptijd van het traject is maximaal 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogcomplexe jeugd GGZ Hoogcomplexe Jeugd GGZ is een intensieve behandelvorm voor jeugdigen en/of systeem waar sprake is van één of meerdere ernstige psychische stoornissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandelduur of opname is zo kort mogelijk. Het doel is de ontwikkeling van de jeugdige weer op gang te brengen. De behandeling maakt de problematiek hanteerbaar, vermindert of opgelost. Gericht op een blijvende verbetering in het functioneren van de jeugdige en het gezin. De behandeling is gericht op jeugdigen waar sprake is van één of meerdere psychische stoornissen met een hoog risico. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de kwaliteit van leven ernstig onder druk staat door gevaar en/of complexe problematiek. De problematiek is ernstig en/of complex en/of komt weinig voor. Daarnaast is er specifieke deskundigheid nodig en is er een bepaald volume in het aantal behandeling nodig is de kwaliteit en effectiviteit daarvan te garanderen en te verhogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemiddeld maximaal 6 uur per week voor de looptijd van de beschikking of het verleningsbesluit. Doorlooptijd van het traject is maximaal 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specialistische GGZ Intercultureel Specialistische GGZ Intercultureel is de behandeling voor jeugdige met een (vermoeden van) een psychische stoornis met een niet westerse culturele achtergrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit product betreft de Specialistische Jeugd GGZ waarbij men in de behandeling van cliënten specifiek rekening houdt met hun (niet Nederlandse) culturele achtergrond en de behandeling indien nodig plaatsvindt in de (niet Nederlandse) taal van de cliënt. Gemiddeld is dit 8 uur per week voor de looptijd van de beschikking. In uitzonderlijke situaties kan de toegang deze uren ophogen. Het gehele traject duur maximaal 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klinische behandeling GGZ:</p>\n<p class=\"lf-p\">Intensiteit 1 Intensiteit 2 Klinische behandeling GGZ is een intensieve behandelvorm voor jeugdigen en/of systeem waar sprake is van één of meerdere ernstige psychische stoornissen. Het verschil met Hoogcomplexe Jeugd GGZ is dat een opname noodzakelijk is gezien de psychische aard van de ernstige problemen. Er zijn twee deelproducten met een verschil in intensiteit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Intensiteit 1: Gemiddelde verzorgingsgraad Intensiteit 2: Intensieve verzorgingsgraad Intensiteit 1, gemiddelde verzorgingsgraad: Door een wisselende zelfredzaamheid zijn begeleiding en structureel toezicht noodzakelijk. Er wordt gewerkt aan het bevorderen van zelf-oplossend vermogen en zelfregie. Stimulatie en toezicht zijn noodzakelijk. De meeste jeugdigen verblijven doordeweeks en in het weekend in de instelling. Dit is voornamelijk in de setting met gemiddeld intensieve bescherming. Het grootste deel van de jeugdigen mag de setting in overleg verlaten. Per etmaal verblijf wordt uitgegaan van 2 uur Hoog Specialistische GGZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intensiteit 2, intensieve verzorgingsgraad: Door forse beperkingen in de zelfredzaamheid ligt de nadruk op dagelijkse begeleiding en bieden van structuur waarbij overname van zorg soms nodig is. Permanente begeleiding en toezicht is noodzakelijk. Hier gaat het om high intensive care jeugd. Jeugdigen verblijven doordeweeks en in het weekend in de instelling. Daarvan kan het grootste deel zich niet aan het toezicht onttrekken. Voor een belangrijk deel wordt verbleven in een beschermend en beveiligde setting. Per etmaal verblijf gaan we uit van 4 uur hoog specialistische GGZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een traject duurt, afhankelijk van het perspectief en de doelen, gemiddeld 8 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel is de ontwikkeling van de jeugdige weer op gang te brengen. De behandeling maakt de problematiek hanteerbaar, vermindert of opgelost. Gericht op een blijvende verbetering in het functioneren van de jeugdige en het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandeling is gericht op jeugdigen waar sprake is van één of meerdere psychische stoornissen met een hoog risico. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de kwaliteit van leven ernstig onder druk staat door gevaar en/of complexe problematiek. De problematiek is ernstig en/of complex en/of komt weinig voor. Daarnaast is er specifieke deskundigheid nodig en is er een bepaald volume in het aantal behandeling nodig is de kwaliteit en effectiviteit daarvan te garanderen en te verhogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstig enkelvoudige Dyslexie (EED) Sinds 2017 heeft het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs Lelystad Dronten (SWV POLD) een rol in de routing naar EED. De dyslexiespecialisten van het SWV POLD verzorgen de centrale screening van de leesdossiers en houden de monitoring bij. JEL beschikt dyslexie. Ouders kunnen de route via de school van hun kind in werking stellen. Alleen kinderen in de leeftijd van 7 tot 12 jaar komen hiervoor in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 uurs Verblijf Omschrijving Productcode Thuis Op Maat (TOM):</p>\n<p class=\"lf-p\">Instroom voorkomend behandeld wonen 43F50 Instroom voorkomend Behandeld wonen (extra cliënt) 43F56 Instroom voorkomend Gezinsgericht wonen 44F50 Instroom voorkomend Gezinsgericht wonen (extra cliënt) 44F55 Door- en uitstroom behandeld wonen 43F51 Door- en uitstroom Behandeld wonen KSW 43F52 Door- en uitstroom Behandeld wonen driemilieus klimaat 43F53 Door- en uitstroom Behandeld wonen driemilieus klimaat KSW 43F54 Door- en uitstroom JeugdhulpPlus 43F55 Door- en uitstroom Pleegzorg 44F51 Door- en uitstroom Gezinshuis Generiek 44F52 Door- en uitstroom Gezinshuis Specifiek 44F53 Door- en uitstroom Woon- en leefgroep 44F54 Gezinsgericht wonen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleegzorg 44F03 Gezinshuis generiek 44F30 Gezinshuis specifiek 44F31 Kamertrainingcentrum/Fasehuis 44F32 Moeder-kindtoeslag 43F06 Woon- en leefgroep 44F33 Behandeld wonen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeld wonen 43F01 Behandeld wonen specialistische driemilieus-voorziening 43F04 JeugdzorgPlus 43F42 Thuis Op Maat Thuis Op Maat (TOM) biedt twee flexibele en integrale vormen van zorg, gericht op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorkomen van uithuisplaatsingen (instroom voorkomend);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteunen van jeugdigen bij een snelle terugkeer naar huis of een lichtere vorm van verblijf na een uithuisplaatsing (door- en uitstroom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Instroom voorkomend Het doel is om een uithuisplaatsing te voorkomen, zodat de jeugdige zoveel mogelijk thuis kan blijven wonen. Dit traject duurt maximaal negen maanden. Bij onverwachte ontwikkelingen wordt in overleg met de verwijzer bepaald of het traject aangepast moet worden. Verlenging is niet mogelijk, tenzij een nieuwe TOM-toewijzing wordt aangevraagd en na zorgvuldig onderzoek wordt afgegeven. Levert een aanbieder alleen TOM Instroom voorkomend maar blijkt dit niet effectief, dan brengen de TOM aanbieder en verwijzer de jeugdige onder bij een andere aanbieder die wel meerdere vormen van jeugdhulp 24-uurs biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOM instroom voorkomend wordt ingezet als een jeugdige ernstige problemen heeft op meerdere leefgebieden. Deze problemen zijn zo ernstig dat er intensieve ondersteuning nodig is om te voorkomen dat de jeugdige uit huis geplaatst wordt. Aan alle volgende criteria moet worden voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn concrete signalen van een dreigende uithuisplaatsing;</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria van de richtlijn NJI 24/7 uithuisplaatsing en terugplaatsing zijn van toepassing en een gezamenlijk opgestelde verklarende analyse is daar onderdeel van. De criteria van de richtlijn NJI 24/7 uithuisplaatsing en terugplaatsing zijn van toepassing en een gezamenlijk opgestelde verklarende analyse is daar onderdeel van. Zoals ook beschreven staat bij de inzet van RET/TAS, is hierop niet vrijblijvende samenwerking met RET/TAS ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de verklarende analyse moet gebleken zijn dat het problematiek op meerdere levensgebieden betreft (school, gezin, vrienden, buurt, vrijetijdsbesteding), waarbij (biologisch) ouders en/of verzorgers niet in staat zijn om hun opvoedkundige rol in te vullen en vormen van jeugdhulp die lokaal zijn ingekocht, niet passend zijn bij de problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt procesregie uitgevoerd door de verwijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maandelijkse voortgangsevaluaties vinden plaats door de verwijzer, casusregisseur van de zorgaanbieder en de jeugdige en/of het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een time-out bed beschikbaar zijn voor de jeugdige conform de richtlijn passend bij het perceel ter voorkoming van de dreigende uithuisplaatsing. Dit bed is geregeld via het netwerk of de aanbieder. De kosten voor het ingezette bed worden bekostigd uit het etmaaltarief. In het kader van doen wat nodig is kan het time-out bed ook gelden voor een gezinslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door- en uitstroom Het ondersteunen van jeugdigen bij een snelle terugkeer naar huis of een lichtere vorm van verblijf na een uithuisplaatsing (door- en uitstroom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gericht op een versnelde terugkeer naar huis of een lichtere zorgvorm. Dit traject kent een maximale doorlooptijd van drie maanden. Verlenging is niet mogelijk, tenzij een nieuwe TOM-toewijzing wordt aangevraagd en na zorgvuldig onderzoek wordt afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOM door- en uitstroom kan worden ingezet wanneer aanbieder en verwijzer overeenkomen dat de gestelde doelen tijdens behandeling of begeleiding in verblijf voldoende zijn behaald, en de jeugdige daardoor sneller kan uitstromen. Het traject heeft een maximale doorlooptijd van drie maanden, waarin wordt getoetst of de doelen zijn gerealiseerd. Behandelaar en verwijzer toetsen dit.</p>\n<p class=\"lf-p\">OM door- en uitstroom wordt ingezet bij jeugdigen die al uit huis zijn geplaatst. Aan alle volgende criteria moet worden voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Versnelde terugkeer naar huis of afschaling naar pleegzorg of een gezinshuis is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria van 24/7 uithuisplaatsing en terugplaatsing zijn niet van toepassing en een verklarende analyse bevestigt dit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een door de verwijzer en met de jeugdige, het gezin en andere betrokkenen afgestemde verklarende analyse, zijn opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklarende analyse blijkt dat intensieve jeugdhulp noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt procesregie uitgevoerd door de verwijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzer, casusregisseur van de zorgaanbieder en de jeugdige en/of het gezin evalueren het traject maandelijks, Er moet een time-out bed beschikbaar zijn, passend bij de actuele situatie en conform de richtlijn passend bij het perceel waarvan uit wordt door- of uitgestroomd. Dit bed is geregeld via het netwerk of de aanbieder. De kosten voor het ingezette bed worden bekostigd uit het etmaaltarief. In het kader van doen wat nodig is kan het time-out bed ook gelden voor een gezinslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezinsgericht wonen Pleegzorg Pleegzorg biedt jeugdigen een veilige en stabiele opvoedomgeving waarin pleegouders verblijf, verzorging en een vervangende opvoedsituatie bieden. Dit gebeurt in gezinsverband, met professionele begeleiding door een pleegzorgaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel is dat de jeugdige, waar mogelijk, terugkeert naar de (biologische) ouders en/of verzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn twee typen pleegzorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Netwerkpleegzorg: opvang door familie of bekenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestandspleegzorg: opvang door geselecteerde pleegouders uit het bestand van de pleegzorgaanbieder. In deze werkinstructie hebben we het over bestandspleegzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn drie varianten pleegzorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulpverleningsvariant: tijdelijke pleegzorg, maximaal een jaar, gericht op de terugkeer naar huis. Dit omvat een intensief traject met de (biologisch) ouders en/of verzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvoedingsvariant: langdurige pleegzorg, wanneer terugkeer naar de (biologische) ouders en/of verzorgers niet haalbaar lijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deeltijdvariant: de jeugdige verblijft af en toe bij pleegouders om de (biologisch) ouders en/of verzorgers te ontlasten. Minimaal één etmaal met overnachting (inclusief pleegzorg in thuissituatie (PIT) variant De aanbieder biedt gemiddeld 1,75 uur begeleiding per week en is 60 minuten per week beschikbaar voor ondersteuning van pleeg- en (biologische) ouders en/of verzorgers. De jeugdigen zijn in pleegzorg niet aangewezen op professionele opvoeders. Een pleeggezin mag maximaal 6 jeugdigen in huis hebben, inclusief eigen kinderen. Een uitzondering is mogelijk om broertjes en zusjes samen te houden. (Biologische) ouders en/of verzorgers blijven betrokken bij de opvoeding, zelfs als zij die niet volledig op zich kunnen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezinshuis generiek Gezinshuis specifiek Een gezinshuis biedt jeugdigen die niet in hun eigen gezin, netwerk of een pleeggezin kunnen wonen, een veilige en stabiele leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is een professionele gezinsvorm, waarbij opvoeding en begeleiding intensiever zijn dan in een pleeggezin, maar minder zwaar dan in een woongroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gezinshuis is kleinschalig georganiseerd binnen een natuurlijk gezinssysteem. De gezinshuisouders zijn 24/7 beschikbaar voor opvoeding, ondersteuning en hulp, ondersteund door een multidisciplinair team, waaronder gedragswetenschappers en/of een hoofdbehandelaar. De zorg richt zich op jeugdigen met beschadigende ervaringen en/of complexe problematiek die tijdelijk of langdurig intensieve begeleiding nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een gezinshuis groeien jeugdigen op in een gezinsstructuur of leren zij deze aan. De zorg richt zich op het bieden van een veilige, stabiele en positieve opvoedomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezinshuisouders bieden 24/7 opvoeding, ondersteuning en hulp. Zij worden ondersteund door een multidisciplinair team, waaronder gedragswetenschappers en/of een hoofdbehandelaar. De jeugdigen in een gezinshuis hebben vaak beschadigende ervaringen en/of complexe problematiek en zijn daarom tijdelijk of langdurig aangewezen op intensieve, professionele hulpverlening en behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wonen doorgaans 4 tot 8 jeugdigen (bij generiek) en 4 tot 6 jeugdigen (bij specifiek) in een gezinshuis, inclusief eigen kinderen van de gezinshuisouders. Waar mogelijk wordt gestreefd naar het samen plaatsen van broertjes en zusjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verblijfsduur hangt af van het perspectief en de gestelde doelen. Er zijn twee varianten: ‘Terug naar huis’: Maximaal 1 jaar ‘Zo thuis mogelijk’: Langer dan 1 jaar en maximaal tot 21 jaar. Vanaf 18 jaar geld het ‘ja, tenzij systeem’ waarbij eventuele verlenging mogelijk is tot maximaal 23 jaar De inzet van het gezinshuis generiek is 0,35 fte per jeugdige (bij generiek) en 0,5 fte per jeugdige (bij specifiek). Een pedagogisch medewerker en een geregistreerd gedragswetenschapper zijn samen gemiddeld 1 uur per week per jeugdige (bij generiek) en 1,4 uur per week per jeugdige (bij specifiek) inzetbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamertraining- centrum/Fasehuis Een kamertrainingcentrum (KTC) of fasehuis biedt begeleiding en voorbereiding aan jeugdigen die nu en in de toekomst niet thuis kunnen wonen. Het doel is de jeugdige klaar te stomen voor een zelfstandige woonsituatie, waarbij zij stapsgewijs leren omgaan met verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid. Voor deze jeugdigen is 24/7 een ambulant professional bereikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het KTC/fasehuis valt ook het moeder-kind huis, een specifieke voorziening voor jonge moeders en hun kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige kan een eigen kamer of woning huren, zelfstandig of via de aanbieder. Bij een KTC deelt de jeugdige de woning met 3 tot 5 andere jeugdigen. Bij een eigen huurwoning ontvangt de aanbieder enkel het zorgtarief per etmaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het traject duurt maximaal een jaar. Er is gemiddeld 0,94 uur per dag begeleiding – dat is ongeveer 7 uur per week. De begeleiding vindt plaats na school of werk en in de vrije tijd. Overdag (10.00-15.00 uur) is er doorgaans geen begeleiding beschikbaar, tenzij de jeugdige niet naar school gaat of werkt. Tussen 23.00-07.00 is er een slaapwacht aanwezig. Begeleiding kan in noodgevallen worden opgeroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moeder-kindtoeslag De moeder-kindtoeslag is een jeugdhulpvoorziening voor verblijf, verzorging en begeleiding van het kind en of begeleiding aan de ouder wanneer de ouder in een instelling verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toeslag moet aangevraagd worden en kan aanvullend beschikt worden op de toewijzing voor de KTC/Fasehuis. Het kan ook aanvullend zijn wanneer de ouder vanuit een andere wet in een instelling verblijft. Er wordt onderscheid gemaakt tussen zorg aan de moeder en aan het kind. Hoewel de naam van het product Moeder-kindtoeslag is, betekent dit niet dat alleen moeders in aanmerking komen. Ook andere ouders of verzorgers vallen hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verblijf en de begeleiding is zo kort als mogelijk en lang als noodzakelijk. Met een toekomstperspectief wordt met gepersonaliseerde leerdoelen toegewerkt naar goed genoeg moederschap. Dit wordt met procesregisseur geëvalueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woon- en leefgroep De woon- en leefgroep biedt een veilige en gestructureerde omgeving voor jeugdigen die vanwege complexe ondersteuningsbehoeften niet thuis kunnen wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit traject richt zich op het ondersteunen van hun opvoeding, persoonlijke ontwikkeling en sociale vaardigheden, waarbij zelfstandig wonen (nog) niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een jeugdige komt in aanmerking voor een woon- en leefgroep wanneer pleegzorg of een gezinshuis niet aansluiten bij de benodigde ondersteuning. De pedagogische structuur en het leefklimaat binnen de groep zijn van essentieel belang voor het welzijn van de jeugdige. De groepen zijn kleinschalig, bij voorkeur 3 tot 7 jongeren, en kennen een maximale doorlooptijd afhankelijk van het perspectief van de jeugdige:</p>\n<p class=\"lf-p\">Terug naar huis: maximaal 1 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo thuis mogelijk: maximaal 1 jaar en daarna uitstroom naar een lichtere gezinsgerichte ondersteuning als het traject niet succesvol is afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleiding is beschikbaar na school, tijdens vrije tijd, en in noodsituaties ’s nachts (via slapende wacht). Het aanbod omvat gemiddeld 2,65 uur agogische begeleiding per dag en 3,33 uur individuele begeleiding per week per jeugdige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De woon- en leefgroep is bedoeld voor jeugdigen van 12-18 jaar. Voor de leeftijd van 0-12 jaar is pleegzorg of gezinshuis voorliggend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeld wonen Behandeld wonen Behandeld wonen combineert verblijf met intensieve behandeling. Het richt zich zowel op de jeugdige als op zijn/haar netwerk of systeem en streeft naar het verminderen van individuele problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit traject onderscheidt zich van begeleid wonen door de nadruk op specialistische behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeld wonen wordt ingezet wanneer het eigen netwerk, pleegzorg of een gezinsgerichte vorm van hulp niet toereikend is, en specialistische behandeling noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De groepsgrootte is bij voorkeur tussen 6 en 8 jeugdigen. Het streven is gericht op een behandelduur van 9 tot 12 maanden. Dit is gebaseerd op de ‘Richtlijn Residentiële jeugdhulp – Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming’, waarin is vastgelegd dat een verblijfsduur tussen de 7 en 12 maanden het beste past.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inzet van behandeld wonen is 3,88 uur begeleiding en behandeling per jeugdige per dag. Voor de inzet van behandeld wonen kleinschalig (KSW) is de inzet 5,26 uur begeleiding en behandeling per jeugdige per dag, met groepsgroottes van 3 tot 6 jeugdigen. Voor KSW is een specifieke toewijzing noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens piekuren, in de ochtend en avond, zijn twee medewerkers op de groep aanwezig. ’s Nachts is er een slapende wacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeld wonen richt zich op jeugdigen van 12-18 jaar. Voor kinderen onder de 12 jaar wordt bij voorkeur hulp in gezinsvorm aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van behandeld wonen is de terugkeer naar het eigen netwerk, gezin of systeem, of begeleiding naar zelfstandig wonen. Behandeldoelen kunnen deels ambulant in de thuissituatie worden voortgezet. De aanpak is gericht op jeugdigen met ernstige problematiek zoals gedragsproblemen, psychiatrische of ontwikkelingsproblematiek, licht verstandelijke beperkingen en lichamelijke beperkingen. Deze problemen kunnen overlappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeld wonen specialistisch driemilieus-voorziening Bij Behandeld wonen specialistisch driemilieus-voorziening (Behandeld wonen 3M) worden wonen, onderwijs en vrije tijd gecombineerd. Het onderwijs wordt gegeven op het terrein waar de jeugdige verblijft. Behandeld wonen 3M is geschikt als het eigen netwerk en de ernst van de problematiek maken dat lichtere vormen van zorg niet toereikend zijn en het verblijf in een residentiële voorziening noodzakelijk is. De verwijzer heeft als voorwaarde voor plaatsing een verklarende analyse opgesteld en levert deze aan, voorafgaand aan de plaatsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandelduur ligt doorgaans tussen de 7 en 12 maanden. Dit is gebaseerd op de ‘Richtlijn Residentiële jeugdhulp – Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming’. Elke drie maanden is er een evaluatie met jeugdige, verwijzers en (biologisch) ouders en/of verzorgers. Daarbij gaat het over perspectief binnen deze zware vorm van hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">De groep bestaat uit minimaal 6 en maximaal 8 jeugdigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inzet van Behandeld wonen 3M is 4,78 uur begeleiding en behandeling per jeugdige per dag. Verblijf observatiegroep valt onder dezelfde prijs. Voor de inzet van Behandeld wonen 3M kleinschalig (KSW) is de inzet 6,52 uur begeleiding en behandeling per jeugdige per dag. De groepsgrootte ligt dan tussen de 3 en 6 jeugdigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeld wonen 3M is met name bedoeld voor jeugdigen tussen de 12-18 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeld wonen 3M is gericht op de terugkeer naar eigen netwerk, gezin of systeem. Behandeldoelen kunnen in combinatie met TOM worden afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inzet is gericht op de jeugdige die vrijwillig of met een jeugdbeschermingsmaatregel (tijdelijk) 24/7 buiten het eigen netwerk verblijft vanwege ernstige problemen. Denk aan: gedrags-, psychiatrische- of ontwikkelingsproblemen, een licht verstandelijke beperking en/of een lichamelijke beperking. Een combinatie van problemen is eveneens mogelijk. De problematiek is thuis, op school en bij vrijetijdsbesteding merkbaar. Behandeling en begeleiding moet een gezonde ontwikkeling van de jeugdige stimuleren, aanwezige problemen verminderen en stabiliteit, veiligheid en de relatie tussen jeugdige en netwerk herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">JeugdzorgPlus JeugdzorgPlus is verblijfszorg voor een jeugdige op een Behandeld Wonen 3M-voorziening plus de mogelijkheid om vrijheidsbeperkende maatregelen toe te passen. Maatregelen kunnen worden ingezet met een machtiging gesloten jeugdhulp van de kinderrechter. Onderwijs wordt op de instelling geboden. Er zijn uitzonderingen met ontheffing naar scholen in de buurt, dit gebeurt met speciaal vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">JeugdzorgPlus wordt door de kinderrechter opgelegd als Behandeld wonen 3M niet toereikend is en de jeugdige tegen zichzelf en zijn omgeving moet worden beschermd. De verwijzer heeft als voorwaarde voor plaatsing een verklarende analyse opgesteld en levert deze aan, voorafgaand aan de plaatsing. Vanaf de aanvang van plaatsing is er sterk contact met de verwijzer en (biologisch) ouders en/of verzorgers. Met de (biologisch) ouders en/of verzorgers wordt ook een samenwerkingsrelatie aangegaan. De groep bestaat uit minimaal 3 en maximaal 6 jeugdigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandelduur is kort als mogelijk en ligt doorgaans tussen de 7 en 12 maanden. Dit is gebaseerd op de ‘Richtlijn Residentiële jeugdhulp – Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming’. Elke drie maanden is er een evaluatie met jeugdige, verwijzers en (biologische) ouders en/of verzorgers. Daarbij gaat het over perspectief binnen deze zware vorm van hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inzet van JeugdzorgPlus is 6,52 uur begeleiding en behandeling per jeugdige per etmaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">JeugdzorgPlus is met name bedoeld voor jeugdigen tussen de 12-18 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van JeugdzorgPlus is gericht op de terugkeer naar eigen netwerk, gezin of systeem. De behandeldoelen kunnen in combinatie met TOM worden afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inzet is gericht op de jeugdige met ernstige gedrag- en opvoedingsproblemen heeft om te voorkomen dat zij zich aan de zorg onttrekken of onttrokken worden. Zonder behandeling vormen zij een risico voor zichzelf of hun omgeving. De behandeling is erop gericht de impact van beperkende maatregelen zo passend mogelijk te laten zijn, en de jeugdige voor te bereiden op een tijd waarin geen noodzaak meer is voor beperkende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisis Omschrijving Productcode Overige crisiszorg Jeugd Ambulante Crisishulp overige zorg Jeugd 46F20 Crisisverblijf Pleeggezin overige zorg Jeugd 46F21 Crisisverblijf overige zorg Jeugd 46F22 Ambulante Crisishulp overige zorg Jeugd (THV) 46F23 Acute JGGZ Ambulante Crisishulp JGGZ 46F30 Crisisverblijf Klinisch JGGZ 46F31 Crisis Crisis kent twee percelen: Perceel 1: Overige crisiszorg Jeugd. De hulp is bestemd voor jeugdigen die vallen onder de Jeugdwet (18- en jeugdigen met jeugdreclasseringsmaatregel tot en met 23 jaar die in crisissituatie terecht zijn gekomen. Perceel 2: Acute JGGZ. Jeugdigen tot 18 jaar die in een crisis verkeren. Waarbij een vermoeden is van ernstige psychiatrische stoornissen. Er is sprake van ernstig disfunctioneren en/of complexe omgevingsfactoren in meer dan een milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een crisissituatie bij jeugdigen en hun (gezins)systeem is direct ingrijpen vaak noodzakelijk. In veel gevallen wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden binnen de bestaande hulpverlening. Als opschaling nodig is, kan crisishulp worden ingezet. Per 1 januari 2025 zijn Triade Vitree (voor overige crisiszorg Jeugd) en GGz Centraal Fornhese (voor Acute JGGZ) door regio Flevoland gecontracteerd om deze hulp te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onze aanpak richt zich op het ondersteunen van de ambulante thuissituatie, waarbij ouders, familieleden of andere hulpbronnen een belangrijke rol spelen. In uitzonderlijke gevallen kan crisisplaatsing of JGGZ opname nodig zijn. Bij huiselijk geweld of kindermishandeling beoordeelt Veilig Thuis Flevoland samen met de politie of een tijdelijk huisverbod noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisiszorg wordt zoveel mogelijk in de thuissituatie, ambulant, georganiseerd. Met ambulante hulp wordt zowel verwezen naar ambulant overig jeugdzorg als ambulante crisishulp GGZ. In het uiterste geval vindt in overleg met de jeugdige en het gezin een crisisplaatsing plaats. Als er al ambulante zorg in het gezin aanwezig is, wordt eerst bezien of de crisis kan worden verholpen door intensievere hulp van deze al aanwezige ambulante hulpverlening. Als een andere interventie of deskundigheid nodig is om de crisis te verhelpen, overlegt de verwijzer met eerder genoemde betrokkenen. Bij een onveilige thuissituatie, veroorzaakt door één van de (biologisch) ouders en/of verzorgers, kan een tijdelijk huisverbod voor de veroorzaker van onveiligheid worden overwogen. Voor het maken van deze afweging kan contact gezocht worden met Veilig Thuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt is dat crisiszorg maximaal 28 dagen duurt. Bij inzet van Intensive Home Treatment duurt de crisiszorg maximaal 6 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">LTA, categorie 55 Categorie 55 LTA Deze hulp bedient kleine cliëntaantallen uit het hele land waarvoor regionaal geen alternatief beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">LTA zijn zeer specialistische voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Criteria Namens gemeenten heeft de VNG afspraken gemaakt met landelijke jeugdhulpaanbieders met een zeer specialistische functie zodat het aanbod van deze specialistische voorzieningen gehandhaafd blijft. Dit is geregeld in een Landelijk Transitiearrangement (LTA). Voor alle zorgfuncties die vallen onder de landelijke afspraken maakt de VNG een raamcontract met een vastgestelde prijs, waarbinnen gemeenten naar gebruik afrekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">SPELREGELS M.B.T Producten Product Mag niet samen met..</p>\n<p class=\"lf-p\">Regionaal ingekochte Verblijf (in de categorie 43) Lokaal ingekochte jeugdhulp (met uitzondering van begeleiding groep of begeleiding terug of in het onderwijs (perceel 1)) Respijtzorg (logeren) Kortdurend verblijf met Behandeling Vervoer met/zonder rolstoel Naschoolse dagbehandeling Begeleiding groep Producten in perceel 2 Producten in perceel 4a Producten in perceel 2 Andere producten in perceel 2 Diagnostiek, BGGZ en SGGZ in perceel 3a en 3b Extra begeleiding in de kinderopvang (0-12 jaar) Vervoer met/zonder rolstoel Diagnostiek J-GGZ Producten in perceel 2 Basis of Specialistische GGZ in perceel 3a of 3b FACT / MST /MDFT Alle andere lokaal ingekochte jeugdhulp producten (met uitzondering van de respijtzorg logeren en begeleiding groep: respijtzorg dagbesteding) Product Mag alleen samen met… Vervoer met/zonder rolstoel Begeleiding groep Begeleiding groep: respijtzorg dagbesteding Kortdurend verblijf plus behandeling Product Moet altijd samen met… Kortdurend verblijf plus behandeling Gezinsbegeleiding Gezinsbehandeling Bijlage2Overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaand overzicht uit de publicatie ‘Opgroeien en opvoeden’ van het NJI, is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd Belangrijkste milieus Ontwikkelingstaken Opvoedingsopgaven Normale uitdagingen 0 – 2 jaar</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gezin</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Opvang Veilige hechting;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Lichaamsbeheersing;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Exploratie &amp; spelen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Autonomie en individuatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Soepele verzorging;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Letterlijk beschikbaar zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Structuur bieden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ruimte geven voor exploitatie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Spelen en praten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ontwikkeling stimuleren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Voedingsproblemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Slaapproblemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Scheidingsangst;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Incidenteel huilen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2 – 4 jaar</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gezin</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Buurt</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Opvang</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Media</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Representationele vaardigheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Taalvaardigheid en denkontwikkeling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Constructieve omgang met leeftijdgenootjes;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Socialisatie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zelfredzaamheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Sekserol-identificatie</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Respect voor autonomie én grenzen stellen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bevorderen zelfsturing (impulscontrole).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Koppigheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Driftbuien;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Agressie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ongehoorzaamheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Druk gedrag;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Niet zindelijk zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zeuren/driftbuien om beeldschermgebruik.</div>\n<p class=\"lf-p\">4 – 6 jaar</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gezin</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Basisschool</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Opvang</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verenigingen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Mediaomgeving</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Schoolse vaardigheden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Taal- en denkontwikkeling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Executieve vaardigheden (zelfsturing);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Vriendschappen sluiten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ontwikkeling gewetensontwikkeling / schaamte-gevoelens; • Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Aanmoedigen sociaal gedrag;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Mediaopvoeding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Loslaten en vertrouwen geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Niet gegronde angsten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ruzies met leeftijdgenoten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zindelijkheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Schoolweigering;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gebrek zelfsturing.</div>\n<p class=\"lf-p\">6 – 12 jaar</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gezin</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Opvang</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>School</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verenigingen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Peergroep</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Mediaomgeving</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Vergroten zelfstandigheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen sociale media);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Schoolse vaardigheden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Internet en sociale media vaardigheden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Acceptatie door leeftijdgenoten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ruzies, pesten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Concentratie problemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Laag prestatieniveau;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Niet naar school willen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Incidenteel stelen of vandalisme;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Overmatig gamen/ televisie/ Netflix;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Cyberpesten.</div>\n<p class=\"lf-p\">12 – 16 jaar</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gezin</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>School</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verenigingen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Peergroep</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Mediaomgeving</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Werkkring</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Emotionele en praktische zelfstandigheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ontwikkeling waardensysteem;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader; • Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Seksualiteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Omgang met sociale media en gevaren onderkennen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Onderwijs en beroepsvoorbereiding.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Toezicht houden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Emotionele beschikbaarheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Tolerantie voor experimenten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Onderschatting of soms overschatting van zichzelf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Wisselend humeur;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Incidenteel spijbelen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Incidenteel gebruik van alcohol en drugs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Twijfels over identiteit of toekomst;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Problemen met autoriteiten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).</div>\n<p class=\"lf-p\">16 – 23 jaar</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Gezin</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>School</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verenigingen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Peergroep</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Internetgroep</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Overgang van jeugd naar volwassenheid;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Loskomen van ouderlijk gezag;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Stemmings-wisselingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Incidenteel gebruik van alcohol en drugs;</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025 INLEIDING Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet op 1 januari 2015 is de gemeente naast het preventieve jeugdbeleid ook verantwoordelijk geworden voor de jeugdhulp en jeugdbescherming en jeugdreclassering. Op grond van de Jeugdwet (artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1., derde lid) is de gemeenteraad verplicht om een verordening vast te stellen. De verordening regelt de rechten en plichten die jeugdigen en ouders hebben op grond van de Jeugdwet. Met andere woorden: in de verordening staat wat ouders en jeugdigen van de gemeente mogen verwachten en wat de gemeente van hen verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening sluit aan op de gemaakte beleidskeuzes In de 2e helft van 2024 is het Knoppenplan Jeugdzorg Lelystad unaniem door de gemeenteraad vastgesteld. In het Knoppenplan is de richting van de maatregelen opgenomen om te komen tot een andere jeugdzorg, tot een anders kijken naar zorg. Op deze manier kunnen we de jeugdzorg verbeteren door o.a. te stoppen met hetgeen niet werkt en de middelen te besteden aan dat wat wel werkt. Dit doen we door het ondersteunen van het gezin wat altijd in de lead is met daaromheen het (eigen) netwerk, het versterken van de kracht van de samenleving en de maatschappelijke partners en het terugdringen van de specialistische jeugdhulp. De maatregelen zijn uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma Samen voor de Jeugd Lelystad 2025-2028.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025 vormt de technische uitwerking van het door de raad vastgestelde Knoppenplan Jeugdzorg Lelystad. De uitgangspunten van het Knoppenplan liggen ten grondslag aan deze verordening en sluit aan op de Jeugdwet en de daarin onderliggende uitgangspunten van zelfredzaamheid, het kritisch kijken wanneer een individuele voorziening nodig is en ruimte voor professionals om hun expertise in te zetten. Op basis van het Knoppenplan Jeugdzorg is in deze verordening de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor jeugdhulp scherper afgebakend, zowel ten opzichte van het probleemoplossend vermogen van de ouders als ten opzichte van andere wettelijke domeinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening Verordening De basis voor welke verantwoordelijkheid de gemeente heeft bij het bieden van jeugdhulp staat in artikel 2.3 van de Jeugdwet. Hier staat: indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: gezond en veilig op te groeien; te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het woonplaatsbeginsel is van toepassing op de reikwijdte van deze verordening. Alleen jeugdigen die op basis van het woonplaatsbeginsel, zoals genoemd in artikel 1.1 van de Jeugdwet, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen kunnen aanspraak doen op een jeugdhulpvoorziening bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening en de daaraan verbonden nadere regels zijn de verbindende voorschriften opgenomen hoe het college invulling en uitwerking geeft aan het bepalen wanneer er jeugdhulp wordt ingezet. Hiermee bakenen we af wanneer het college jeugdhulp vergoedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">ALGEMEEN Opbouw van de verordening Deze verordening begint in hoofdstuk 1 met een begrippenlijst. In hoofdstuk 2 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden. Hoofdstuk 3 behandelt de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp. Hoofdstuk 4 gaat over de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid. Hoofdstuk 5 bevat aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget. De hoofdstukken 6 tot en met 10 bevatten overige (algemene) regels, onder meer over rechten, (medewerkings)plichten en de herziening van besluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opdracht van de wetgever: wat moet de Verordening regelen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet (hierna: de wet). Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jongeren met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de wet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening geeft uitvoering aan de wet die de gemeenteraad opdraagt om bij verordening regels vast te stellen over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; en de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van sub a. wordt hierbij gewezen op drie uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024: (ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:1097). De CRvB heeft in die uitspraken gewezen op de opdracht in de Jeugdwet (artikel 2.9) om de algemene begrippen uit artikel 2.3 Jeugdwet nader uit te werken in een gemeentelijke verordening. In een dergelijke verordening moeten regels worden gesteld over het aanbod, de toekenningsvoorwaarden van een individuele voorziening, de wijze van beoordeling daarvan en afwegingsfactoren daarbij. Artikel 2.3 van de Jeugdwet zelf geeft volgens de CRvB onvoldoende duidelijkheid in een concrete situatie. In een verordening kan daarom niet worden volstaan met een herhaling van de begrippen uit de Jeugdwet. Er moet een duidelijke hoofdrichting worden neergelegd voor de betekenis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Specifiek wijst de CRvB nog op de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek (BW), al dan niet in relatie tot begrippen als eigen kracht, gebruikelijke en/of bovengebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast regelt deze verordening, overeenkomstig de wet, op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij wordt geregeld de wijze waarop zij: in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen; vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen; worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen, deel kunnen nemen aan periodiek overleg; onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; en worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening bevat ook regels ter waarborging van: een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; en de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot wordt in deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergronden De wet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd het waar nodig tijdig bieden aan jeugdigen en ouders van bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2, van de wet heeft vastgesteld. In dit beleidsplan is het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2 en 3). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder komt binnen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke hulp een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan de hulpvraag. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke vorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de vorm van jeugdhulp), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder zich moeten houden aan de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen (zie artikel 3, eerste lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen toegang jeugdhulp via Veilig Thuis De wet voorziet niet in toegang tot jeugdhulp via Veilig Thuis. Om die reden is toegang tot jeugdhulp via Veilig Thuis niet geregeld in deze verordening. De taken van Veilig Thuis zijn opgenomen in artikel 4.1.1 van de Wmo 2015. De Wmo 2015 en de Jeugdwet bevatten geen regeling voor Veilig Thuis om te verwijzen naar jeugdhulp. Veilig Thuis is immers geen verwijzer zoals artsen en de gecertificeerde instelling dat wel zijn. Zolang er sprake is van het vrijwillig kader, kan jeugdhulp niet worden afgedwongen, ook niet als Veilig Thuis dit noodzakelijk vindt. Voor toegang tot jeugdhulp kan Veilig Thuis ouders wijzen op het doen van een aanvraag bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afbakening jeugdhulpplicht De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de wet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de gezinnen die dit het hardst nodig hebben. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening voorziet in:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het scherper verwoorden en uitwerken van het beschikbare voorzieningenpakket;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verbeterde afstemming tussen de wet en andere wetgeving;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitwerken van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen ouders en het college als verstrekker van individuele voorzieningen;en Duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">ARTIKELSGEWIJS In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-40\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Definities</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de wet gebruikt. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of’ impliceert hier ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige begrippen uit deze verordening worden gedefinieerd door de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een algemene voorziening is voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) rechtstreeks toegankelijk. Hiervoor hoeft geen aanvraag in de zin van artikel 7, tweede lid, van deze verordening aan vooraf te gaan. Het college verricht dan ook geen voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en het college geeft geen beschikking af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is. In dat geval verwijst het college naar die algemene voorziening en wordt de aanvraag voor de individuele voorziening afgewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Individuele voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege het feit dat het aanbod van individuele voorzieningen, de benamingen ervan en de contractafspraken met jeugdhulpaanbieders aan verandering onderhevig zijn, is ervoor gekozen om de individuele voorzieningen die in ieder geval beschikbaar zijn op te nemen in bijlage 1 van de verordening. Daarnaast wordt het overzicht van deze individuele voorzieningen op de website van de gemeente geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). Het college maakt hierover afspraken met jeugdhulpaanbieders in het kader van de inkoop- en subsidierelatie. De gemaakt afspraken hierover zijn ook opgenomen in bijlage 1 van deze verordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of zijn ouders geen gebruik kunnen maken van een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de toegankelijkheid van deze jeugdhulp. Het derde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening (zie Kamerstukken II, 33684, nr. 3, p. 148). Dit betekent concreet dat de jeugdhulpaanbieder gebonden is aan de voorwaarden van artikel 13‘Criteria voor toekenning van een individuele voorziening’, vierde en vijfde lid . De jeugdhulpaanbieder zal bij het beoordelen van de vorm van jeugdhulp rekening moeten houden met een voorziening die een passende bijdrage levert aan de in dat artikel genoemde doelen. Ook zal de jeugdhulpaanbieder moeten kiezen voor de goedkoopste, adequate en tijdig beschikbare voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Artikel 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet verplicht de jeugdhulpaanbieder persoonsgegevens van de jeugdige of zijn ouder(s) te verstrekken aan het college voor zover het college die nodig heeft voor de uitvoering van de wettelijke taken als bedoeld in artikel 7.4.0, eerste lid, van de Jeugdwet. Een van die taken is de toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van de jeugdhulp. Hoewel de jeugdhulpaanbieder op grond van de verwijzing van de huisarts, medisch specialist of jeugdarts in beginsel vaststelt welke jeugdhulp naar aard, omvang en duur nodig is, beoordeelt het college of die jeugdhulp voldoet aan de geldende regelgeving en de afspraken die met de desbetreffende jeugdhulpaanbieder zijn gemaakt (zoals de toelichting bij het derde lid). Voldoet de jeugdhulp daaraan, dan wordt dat in een toewijzende beschikking vastgelegd en kan de jeugdhulp worden ingezet. Zo niet, dan volgt een afwijzende beschikking en mag de jeugdhulp niet worden ingezet. Dat geldt ook indien de termijn waarvoor de beschikking geldt is verstreken en de jeugdhulpaanbieder op grond van een nieuwe verwijzing heeft vastgesteld dat verlenging van de reeds ingezette jeugdhulp nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Regeling Jeugdwet hebben de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vastgelegd welke persoonsgegevens de jeugdhulpaanbieder dient te verstrekken wanneer hij een declaratie indient voor reeds verleende jeugdhulp of in het geval het college besluit tot een materiële controle of fraude-onderzoek. Het gaat hierbij dus om controle achteraf. De Regeling Jeugdwet bepaalt echter niet welke persoonsgegevens de jeugdhulpaanbieder verplicht is te verstrekken als het gaat om controle vooraf, dus voorafgaand aan het inzetten van jeugdhulp. Hoewel de Jeugdwet de daartoe bevoegde bewindslieden uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt, hebben zij nog geen gebruik gemaakt van die bevoegdheid. Het college heeft dus de vrijheid om te bepalen welke persoonsgegevens het noodzakelijk acht voor het uitvoeren van toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van de jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet kunnen dat ook ‘bijzondere categorieën van persoonsgegevens’ zijn. De absolute wettelijk bovengrens is steeds dat niet meer persoonsgegevens mogen worden gevraagd door het college dan de gegevens die het nodig heeft om te kunnen beoordelen of aard, omvang en de duur van de jeugdhulp die de jeugdhulpaanbieder heeft vastgesteld in overeenstemming zijn met de geldende regelgeving en de afspraken die hierover zijn gemaakt tussen het gemeentebestuur en de jeugdhulpaanbieder. Onder die gegevens vallen in ieder geval de productcategorie en de productcode van de voorziening, de eenheid en het volume van de voorziening, de frequentie en de duur van de voorziening en de reden van de inzet van de voorziening (sub a t/m d).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is ook de verwijsbrief nodig (sub e) (exclusief de inhoudelijke medische gegevens). Een verwijsbrief bevat namelijk (in ieder geval) de reden van de verwijzing, zoals volgt uit de Landelijke samenwerkingsafspraken jeugd-GGZ. Daarnaast volgt dit uit de afspraken die op grond van artikel 2.7, vierde lid, van de Jeugdwet tussen het college en de wettelijke verwijzers zijn gemaakt. Door het verstrekken van de verwijsbrief met daarin de reden van de verwijzing kan ook voorafgaand aan het inzetten van de jeugdhulp gecontroleerd worden of de in te zetten jeugdhulp past bij de jeugdhulp die de wettelijk verwijzer heeft bepaald. Dat sluit ook aan bij de bedoeling van de regelgever. In de Regeling Jeugdwet is namelijk vastgelegd dat het college kan besluiten tot een zogeheten materiële controle als er signalen zijn dat de geleverde jeugdhulp niet past binnen een verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts (artikel 6b.2, aanhef en onder c, van de Regeling Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze bepaling veronderstelt dat het college kennis moet kunnen nemen van (de reden van) de verwijzing om zijn wettelijke taken als controleur naar behoren uit te kunnen voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk dat een verwijzer op de hoogte blijft van de resultaten van de hulp en een aanbieder niet onbeperkt gebruik kan maken van een verwijzing om een nieuw (of verlengd) hulptraject te starten. Daarom bepaalt lid 4e dat de verwijzing maximaal 9 maanden geldig is. De wetgever heeft geen termijnen gekoppeld aan de geldigheidsduur van een verwijzing. Het college hanteert een geldigheidsduur van negen maanden, gerekend vanaf de datum van afgifte van de verwijzing tot aan het moment dat de jeugdhulpaanbieder het verzoek om toewijzing (JW315) indient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de verwijsbrief ouder is dan negen maanden, dienen de jeugdige of de ouders de verwijzer te verzoeken om een nieuwe verwijsbrief af te geven. Daarmee komt de verwijzer in de positie om opnieuw de situatie te beoordelen. Voor huisartsen kan daarbij de eventueel aanwezige praktijkondersteuner jeugd een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulpaanbieders hebben een geheimhoudingsplicht, maar die plicht komt te vervallen als zij op grond van een wettelijke bepaling, zoals in dit geval artikel 7.4.0, tweede lid, van de Jeugdwet, gehouden zijn om persoonsgegevens te verstrekken, ook als de jeugdige of zijn ouder(s) daarvoor geen toestemming hebben gegeven. Door in de verordening op te nemen welke informatie de jeugdhulpaanbieder in ieder geval dient te verstrekken, weten ook de jeugdige en zijn ouder(s) welke informatie de jeugdhulpaanbieder voorafgaand aan het inzetten van jeugdhulp met het college moet delen. Uitgangspunt blijft daarbij uiteraard steeds dat de privacy van de jeugdige en zijn ouder(s) alleen mag worden geschonden voor zover dat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de wettelijke taken die het college op grond van de Jeugdwet heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Ook na een verwijzing is het nodig dat de gemeente een beschikking afgeeft, zowel bij verstrekking van een individuele voorziening, als bij verlenging en afwijzing daarvan. De inhoud van de beschikking moet voldoen aan het bepaalde in artikel 18 ‘Inhoud beschikking’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Uniform hulpaanbod (UHA) rechtbank bij scheidingen of directe doorverwijzing ter zitting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Uniform hulpaanbod (UHA) is een samenwerking tussen rechtbanken en gemeenten, waarbij passende hulp wordt aangeboden aan ouders en kinderen in echtscheidingen en omgangszaken. De familierechter komt in beeld wanneer een ouder een eenzijdig verzoek tot scheiding indient of wanneer een ouder bestaande afspraken over gezag- en omgang wil aanpassen. Wanneer ouders er niet samen uitkomen, kan de rechter hen doorverwijzen naar hulpverlening via het Uniform Hulpaanbod (UHA). Ouders moeten daar beiden vrijwillig aan mee werken en er mag geen geweld plaatsvinden in het gezin. Het UHA omvat een aantal basistrajecten voor hulp, waar de civiele rechter naar kan verwijzen. De hulpverlening is meestal voor de ouders. In sommige gevallen kan de hulpverlening ook voor het kind zijn of voor het kind en de ouders samen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbanken kunnen in het kader van het UHA verwijzen naar de volgende vormen van (jeugd)hulp: ouderschapsbemiddeling; omgangsbegeleiding;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Toegang tot jeugdhulp via justitieel kader</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een toelichting op de toegang tot jeugdhulp via het justitieel kader wordt verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting. Voor de duidelijkheid wordt hier nog benoemd dat het college geen beschikking neemt voor toegekende voorzieningen via het justitieel kader, gelet op de beperkte rol die het college in dit kader heeft. Om die reden wordt in het derde lid van dit artikel gesproken over een toewijzingsbericht. De zorg dient niet eerder te starten dan na dit toewijzingsbericht. Een voorbeeld van een nadere regel zoals bedoeld in lid 4 is: de GI bepaalt dat er jeugdhulp nodig is en welke en verwijst naar de gemeente om de plek aan te wijzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Toegang jeugdhulp via de gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 5 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De jeugdige of ouders die een beroep willen doen op een algemene voorziening kunnen hier direct naartoe zonder aanvraagprocedure in de zin van het tweede lid van dit artikel. Er vindt in dat geval geen voorafgaand onderzoek plaats naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Het college geeft hiervoor dan ook geen beschikking af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is wel mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het college vervolgens tijdens of na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een algemene voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het college daar naar verwijzen en de aanvraag voor de individuele voorziening afwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede tot en met vierde lid Allereerst wordt benadrukt dat algemene voorzieningen toegankelijk zijn zonder tussenkomst van de gemeente. Voor hulp die niet kan worden geboden door algemene voorzieningen kunnen jeugdigen en gezaghebbende ouders een aanvraag indienen voor een individuele jeugdhulpvoorziening. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Dat betekent in ieder geval dat - op grond van artikel 4:1 van de Awb - een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk moet worden ingediend bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 5). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde en zesde lid Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de wet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of zijn ouders een pgb wensen dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een budgetplan in moeten dienen. Wat er in een beschikking moet staan is opgenomen in artikel XX.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de termijn van acht weken wordt aangesloten bij de beslistermijn van artikel 4:13, tweede lid, van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders wordt verricht en methodisch wordt benaderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de wet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het onderzoek zal conform de GIZ-methodiek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen. GIZ staat voor Gezamenlijk Inschatten van Zorgbehoeften en is een wetenschappelijk onderbouwde methode. De GIZ-methodiek heeft als doel een gezamenlijke, brede gezinsgerichte, gestructureerde inschatting en beslissing te maken met jeugdige en/of (toekomstige) ouder/verzorger van krachten over de zorgbehoeften en ondersteuning, zodat gezinnen passende, tijdige en effectieve ondersteuning ontvangen en versterkt worden in hun eigen kracht (autonomie, competentie en verbondenheid). Ook wordt het schema Ontwikkelaspecten en Omgevingsinteractie-schema (O&amp;O) van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid toegepast. In het schema O&amp;O worden essentiële ontwikkelingsaspecten per leeftijdsfase van het kind benoemd. Ook gaat het schema in op de ontwikkelbehoefte van het kind, de interactie tussen het kind en zijn ouders (opvoedcapaciteiten), de impact die gebeurtenissen kunnen hebben in het gezin en dus impact kunnen hebben op het kind en de interactie met de omgeving. Het schema beoogt juist de combinatie van deze aspecten met elkaar in verband te brengen en zo de brede integrale blik van het college te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast past het college de richtlijnen jeugdhulp van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) toe. Die richtlijnen ondersteunen professionals om samen met kinderen en ouders te beslissen over de best passende hulp. De richtlijnen geven onderbouwde aanbevelingen op basis van wetenschappelijk onderzoek, praktijkkennis van professionals en ervaringskennis van ouders en kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gesprek vindt in principe bij de jeugdige of zijn ouders thuis plaats. Indien dat om wat voor reden dan ook niet mogelijk is, kan het gesprek ook plaatsvinden op een andere locatie, bijvoorbeeld op school. Dit zal afhankelijk van de concrete situatie worden besloten. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn van meerdere (opeenvolgende) gesprekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Deze bepaling berust op artikel 8.1.2, derde lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) de medewerking verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) wordt verlangd dat ze voldoende gegevens en bescheiden verstrekken om het college in staat te stellen om het onderzoek goed uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder wet- en regelgeving wordt o.a. de AVG en Archiefwet bedoeld, naast de Jeugdwet. En daarmede worden alleen gegevens opgevraagd binnen de kaders van het proportionaliteitsbeginsel (alleen die informatie die nodig is) en het subsidiariteitsbeginsel (niet meer informatie dan nodig is).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Om de situatie van een jeugdige goed in kaart te kunnen brengen kan het college andere instanties benaderen, zoals de huisarts en de onderwijsinstelling. Daarnaast kan worden gedacht aan andere betrokken hulpverleners/zorgaanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen, die zijn ontleend aan de rechtspraak van de CRvB: wat de hulpvraag is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente of de gemeente verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel, artikel 1.1. Jeugdwet); of de Jeugdwet van toepassing is; of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen welke hulp naar aard en omvang nodig is om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend is. Dit is nader uitgewerkt in artikel 14. voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Niet meewerken ouder(s)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp Het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is, op basis van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en kindermishandeling en huiselijk geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 6, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een professional die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft niet altijd de juiste deskundigheid in huis om de (specifieke) problematiek goed in kaart te kunnen brengen en te kunnen beoordelen wat nodig is. Dat hoeft ook niet, mits ze wel kan inschatten wanneer andere (externe) deskundigheid nodig is en die deskundigheid vervolgens ook wordt ingeschakeld. Dat is bepaald in het derde lid. De stappen die in dit proces wordt gezet, moeten voor de jeugdige en/of ouder transparant en controleerbaar zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Identificatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vast te stellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoeksrapport</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht en vastgelegd in de onderzoeksrapportage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer ouders en/of jeugdigen aangeven geen onderzoeksrapportage te willen ontvangen, dan dit achterwege worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige en zijn ouders krijgen de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor toekenning van een individuele voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de factoren die in het tweede lid zijn genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt. Ook verstrekt het college geen individuele voorziening voor (extra) begeleiding bij zwemles of sporten. Hierbij wordt allereerst opgemerkt dat reguliere zwemles of sportactiviteiten vrij toegankelijk (algemene voorziening) zijn voor inwoners van de gemeente. Als ouders vanwege financiële redenen geen gebruik kunnen maken van zwemles of sportactiviteiten, kunnen zij een beroep doen op bijzondere bijstand of Stichting Leergeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het college concludeert dat een aanvraag geen betrekking heeft op jeugdhulp in de zin van artikel 1.1 van de wet wordt de aanvraag gemotiveerd afgewezen. Dit moet worden onderscheiden van de gevallen waarin een aanvraag wordt afgewezen omdat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn op grond van artikel 14 van deze verordening. In gevallen waarbij het college concludeert dat een aanvraag geen betrekking heeft op jeugdhulp wordt er geen (verder) onderzoek verricht naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid wordt benadrukt dat, wanneer de oorzaak van de hulpvraag gelegen is in de problematiek van de ouder, dit niet valt onder jeugdhulp. In dat geval kan het college onderzoeken of een ouder een beroep kan doen op ondersteuning vanuit de Wmo 2015 (zie ook artikel 31. [Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Wet Maatschappelijke Ondersteuning]). De aanvraag voor jeugdhulp wordt in dat geval gemotiveerd afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde en vijfde lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of algemene voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of algemene voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Een individuele voorziening moet een jeugdige in staat stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Dit volgt uit artikel 2.3, eerste lid, van de wet en is in deze verordening nogmaals expliciet benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende en achtste lid Het zesde en zevende lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg) en […].</p>\n<p class=\"lf-p\">Negende lid Dit artikel vormt een nadere uitwerking van artikel 2.3, derde lid, van de wet. Met permanent toezicht wordt gedoeld op 'bovengebruikelijk' toezicht. Het is geen 'gewoon' ouderlijk toezicht of gebruikelijke ouderlijke zorg. Er zijn verschillende oorzaken denkbaar waarom permanent toezicht nodig zou zijn. Het kan gaan om het verlenen van zorg op ongeregelde tijden bij jeugdigen met zware fysieke beperkingen door een lichamelijke handicap, bij wie continu hulp en begeleiding bij alle dagelijkse activiteiten nodig is. Ook kan het gaan om de noodzaak in te kunnen grijpen bij gedragsproblemen, veroorzaakt door een psychiatrische beperking of een verstandelijke handicap (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 142). Als voldaan is aan deze criteria uit artikel 2.3 lid 3 Jeugdwet kan het college een voorziening treffen. Vanzelfsprekend zal het college ook moeten onderzoeken of voldaan is aan de andere criteria zoals genoemd in deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 10 geconcretiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid van artikel 10 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid bevat een concretisering van de plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd dient te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In de wet en in deze verordening geldt het uitgangspunt dat de benodigde hulp in eerste instantie door ouders zelf geleverd dient te worden. Dit geldt in ieder geval bij een hulpvraag die behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen die omschreven zijn in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ van het NJI, waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 2 van deze verordening. Daarnaast wordt ook uitgegaan van eigen kracht van ouders als het gaat om een hulpvraag voor een periode van minder dan zes maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van: vastgestelde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden (sub a) moet het gaan om vastgestelde beperkingen. Hierbij kan worden gedacht aan beperkingen die zijn vastgesteld door een arts, psycholoog of ***.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Hier worden de factoren benoemd waarmee het college in ieder geval rekening houdt bij het onderzoek naar eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid De zorg voor een jeugdige met een beperking kan voor ouders zo zwaar worden dat er sprake is van overbelasting. De draagkracht en draaglast zijn dan uit balans. Overbelasting kan zich uiten door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard. Als sprake is van mogelijke overbelasting moet worden onderzocht welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlenen van hulp aan het kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten van de ouders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3). Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655). [Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het vijfde lid.] Het is voor ouders belangrijk om op deze wijze contact te houden met de aanbieder van de jeugdhulp.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Dyslexie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). [Toegang tot dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat via het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Daarbij wordt het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling gehanteerd van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (https://www.nkd.nl/professionals/protocol-dyslexie-diagnose-en-behandeling/).]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Kinderopvang en buitenschoolse opvang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp in de vorm van extra begeleiding op de kinderopvang worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch kinderdagverblijf, een kinderdagcentrum of een zorgboerderij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Na aan aanvraag of na een verwijzing dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen jeugdigen of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) bezwaar (en beroep) op grond van de Awb kunnen instellen. De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. De beschikking moet voldoen aan de basiseisen die genoemd zijn in dit artikel. Verder moet een beschikking vanzelfsprekend voldoen aan de eisen die de Awb daaraan stelt, zoals de eis van een dragende motivering.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Toekenning of weigering voorziening in de vorm van een pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een budgetplan en voor een zorgmomentenoverzicht dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het budgetplan dient te zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de motivering in het budgetplan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het budgetplan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 17 van de verordening. Verder moet uit het budgetplan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn. […] Tweede lid De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd: de jeugdige of zijn ouders zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; en de individuele voorziening die men in wil kopen is van goede kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is imperatief geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Pgb-vaardigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf):</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag);</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt);</p>\n<p class=\"lf-p\">Goed werkgeverschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voeren van een administratie;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze taken dienen als basis om op basis van een budgetplan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder worden de in het artikellid genoemde omstandigheden nader toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK (Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet) wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.</p>\n<p class=\"lf-p\">3°. Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.</p>\n<p class=\"lf-p\">4°. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5°. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6°. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7°. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">8°. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar hetgeen in rechtsoverweging 4.5 is van gelijke toepassing op de wet (zie Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura. Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp-ers, wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager vanwege een lager opslagpercentage voor overheadkosten waarmee is gerekend. In de praktijk hebben deze organisaties vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening is het pgb-tarief voor informele hulp gebaseerd op 100 procent van het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is een tarief op basis van het wettelijk minimumloon passend geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura. Voor de tekst van het artikel is aangesloten bij de tekst van de modelovereenkomst contractstandaard jeugd van het Ketenbureau I-Sociaal Domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde [en zevende] lid De pgb-tarieven worden met het oog op de kenbaarheid vastgesteld door het college in nadere regels. [Het college publiceert minimaal jaarlijks de tarieven.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgesloten van pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in artikel 21 opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige of zijn ouders heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de wet is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 5 van deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige of zijn ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">Onderscheid formele en informele hulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet(Zvw) wordt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid</p></div>", "next": 239741}