{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het college heeft op grond van artikel 160, eerste lid en onder g, van de Gemeentewet een (waren-)markten ingesteld. Deze markten worden contractueel uitgevoerd door de stichting markten Alkmaar en zijn niet aan te merken als evenementen. Snuffel- en themamarkten zijn specifiek geregeld in artikel 4:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c Activiteiten in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) die passen binnen de reguliere vergunde activiteiten van deze inrichting zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. De vergunningplicht komt eerst om de hoek kijken als er feest of iets dergelijks wordt georganiseerd die niet behoort tot de reguliere vergunde activiteiten, bijvoorbeeld een optreden van een bekende dj, band of een andersoortige voorstelling en waardoor de toeloop van het publiek groter is dan normaal of de openbare orde en veiligheid in het geding kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel d De Wet op de kansspelen kent een eigen (toezicht)regime.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel e Manifestaties als bedoeld in de Wom zijn uitgezonderd van het evenementenbegrip en vallen onder artikel 2:3. De Wom beoogt een eenvoudige regeling te geven voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikel 6 en 9 van de Grondwet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel f Reguliere sportwedstrijden voor zover deze in clubverband worden gehouden vallen niet onder de reikwijdte van het begrip evenement. Een uitzondering hierop vormen free, cage-, en ultimate fight evenementen of daarmee vergelijkbare evenementen, waarvoor wel een vergunning nodig is vanwege de mogelijke impact op de openbare orde. Grote toernooien van andere sporten zijn ook vergunningplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel g Voor voetbalwedstrijden waarbij tenminste één binnenlandse of buitenlandse betaald voetbalorganisatie is betrokken is artikel 2:12 van deze verordening van toepassing; er is in die gevallen een voetbalvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Onderdeel a Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 van de Gemeentewet. Ook valt deze activiteit niet aan te merken als een thema- of snuffelmarkt in de zin van artikel 4:3 van deze verordening. Omdat een braderie, die in de buitenlucht plaatsvindt, een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b Het houden van optochten die niet kunnen worden opgevat als een middel tot het uiten van een mening, gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties van toepassing. Daarom wordt het houden van optochten als evenement beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c Besloten feesten op eigen terrein vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling omdat deze activiteiten niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak betreffen. Wel kunnen er dan aanvullende ontheffing noodzakelijk zijn. Wanneer een feest al dan niet besloten op een openbare plaats plaatsvindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaatsvindt op voor het publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, en dus niet voor het publiek toegankelijk is, doet daar niets aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een feest op een openbare plaats een “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht of reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan bij feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Ook in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden bij parkeer- en verkeersoverlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feesten die worden gehouden in inrichtingen in de zin van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) en andere openbare inrichtingen en niet behoren tot de normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende dj of een optreden van een bekende band) zijn vergunningplichtig. Zie ook de toelichting in onderdeel c van het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Optredens van muziekkorpsen, muziekbandjes en dergelijke die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften over geluid in een inrichting zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wedstrijden op of aan de weg is een evenementenvergunning van de burgemeester vereist. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn op grond van artikel 10, eerste lid, van die wet verboden. Met toepassing van artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994 kan van dit verbod ontheffing worden verleend. Als een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 dan is – naast een ontheffing als bedoeld in artikel 148 – ook een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:10 vereist. De evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepaling uit de wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning zijn verkregen van de burgemeester op grond van artikel 2:10. Op grond van artikel 2:10 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan “vossenjachten”, droppings en dergelijke. In het geval er sprake is van een wedstrijd met voertuigen over meerdere gemeenten, is de provincie het bevoegd gezag voor het verlenen van de vergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Evenementen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is gewenst een regeling op te nemen die toeziet op het reguleren van evenementen. Evenementen, van groot tot klein, vervullen een belangrijke functie binnen de gemeente. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor bijvoorbeeld de hele stad/regio of kleinschalig bijvoorbeeld alleen beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt. Als zodanig kunnen zij onderwerp van gemeentelijke regelgeving zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 174 van de Gemeentewet kent het toezicht op evenementen exclusief toe aan de burgemeester, vandaar dat de burgemeester het vergunningverlenende orgaan is. De burgemeester is bevoegd aan het houden van een evenement voorschriften en beperkingen te verbinden. Voor de toelaatbaarheid daarvan gelden enkele voorwaarden: de voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling, de voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het voorkomen van aantasting van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en de voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een evenement is een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Dit betekent onder meer dat evenementen die op “eigen terrein” (waaronder ook wordt begrepen: inpandig) plaatsvinden en voor het publiek toegankelijk zijn eveneens als evenement kunnen worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het beoordelen of een voorgenomen evenement doorgang kan vinden moet met veel verschillende belangen rekening worden gehouden. Gekozen is voor een vergunningstelsel omdat in dat kader het noodzakelijke vooroverleg, de benodigde advisering van betrokken diensten, de onderlinge afstemming van wensen en voorschriften en mogelijke belangen van derden het beste gestalte kunnen krijgen. Door aan de vergunning voorschriften en beperkingen te verbinden kunnen al deze belangen worden meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de toepassing van de Wet Bibob wordt verwezen naar de van toepassing zijnde beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Deze bepaling legt de vergunningplicht voor evenementen vast. De termijn voor het indienen van een aanvraag en de beslistermijn is terug te vinden in artikel 1:3 en artikel 1:2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 174 van de Gemeente kent het toezicht op evenementen exclusief toe aan de burgemeester, vandaar dat de burgemeester het vergunningverlenende orgaan is. In het derde lid is bepaald dat de burgemeester voor bijzondere evenementen een afzonderlijke aanvraagtermijn kan vaststellen. Dat is van belang voor (periodieke) grootschalige evenementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een evenement wordt doorgaans georganiseerd. De vergunning wordt daarom aangevraagd door en verleend aan een organiserende (rechts)persoon. De term «houden» heeft niet alleen betrekking op het houden van een evenement, maar heeft ook betrekking op de voorbereiding en de op- en afbouw van het evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Juist omdat voor evenementen ter voorbereiding vaak een periode van advisering en overleg nodig is tussen ambtelijke diensten en de organisator is in artikel 1:3 een indieningstermijn opgenomen. Op grond van artikel 1:3 wordt een aanvraag om een evenementenvergunning ingediend in de periode van zes maanden tot acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Dient de aanvrager de aanvraag te laat in, dan loopt hij het risico dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Artikel 4:5 van de Awb stelt regels hiervoor. De burgemeester kan voor eenvoudige evenementen van de gestelde termijn afwijken. Ook kan hij voor bijzondere evenementen een afzonderlijke aanvraagtermijn vaststellen. Dat is van belang voor (periodieke) grootschalige evenementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Dit lid geeft de burgemeester de mogelijkheid om categorieën van evenementen aan te wijzen waarvoor geen vergunning is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Naast de in artikel 1:8 opgenomen weigeringsgronden zijn in dit lid specifieke weigeringsgronden opgenomen. De weigeringsgronden in artikel 1:8 en de weigeringsgronden in dit lid geven aan welke belangen door de evenementenvergunningplicht worden gediend. Bij de vergunning kan een integrale afweging van de bij het evenement betrokken belangen plaatsvinden. Daarbij kan, op grond van onderdeel a, het beslag dat het evenement legt op de inzet van de hulpdiensten worden meegewogen. Dit onderdeel waarborgt dan ook dat kan worden bezien of, en zo ja, in hoeverre de wenselijk geachte inzet van politie, ambulance, brandweer en gemeentelijke diensten in de planning van de totaal beschikbare bezetting kan worden ingepast. Dit is noodzakelijk om de veiligheid te kunnen waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c is bepaald dat de evenementenvergunning kan worden geweigerd als het evenement in strijd is met het bestemmingsplan. Als het evenement in strijd is met het bestemmingsplan, betekent dit niet zonder meer dat de evenementenvergunning dient te worden geweigerd. Alleen ruimtelijke belangen kunnen niet aan verlening van de evenementenvergunning in de weg staan (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2028. Anders gezegd, een aanvraag om een vergunning voor een evenement kan niet worden geweigerd enkel en alleen omdat het in strijd is met een bestemmingsplan of het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 is een verbod opgenomen voor wedstrijden op de weg. Van dit verbod kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen op grond van artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994. De gemeente verleent wel vergunning of ontheffing voor voorwerpen die worden geplaatst in het kader van de wedstrijd of nevenactiviteiten die plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Een van rechtswege verleende evenementenvergunning is niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, vooral op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke beoordeling en vergunning kan bieden. Er zijn dan ook verschillende dwingende redenen van algemeen belang, vooral de openbare orde, openbare veiligheid en milieu, om van een van rechtswege verleende vergunning af te zien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb is daarom niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling zijn de begripsomschrijvingen opgenomen. De begripsomschrijvingen zijn noodzakelijk omdat de vergunningplicht zich niet uitstrekt tot alle voetbalwedstrijden, maar alleen tot wedstrijden waarbij ten minste één, al dan niet buitenlands, betaald voetbalorganisatie bij betrokken is. Ook de risicowedstrijden van Jong AZ die in het AFAS Stadion te Alkmaar worden gespeeld vallen onder de vergunningplicht. De beschrijving van de omgeving van het voetbalstadion is noodzakelijk om eenduidigheid te verschaffen over het toepassingsbereik van enkele maatregelen, waaronder het stadionomgevingsverbod als bedoeld in artikel 2:16.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-13-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:13</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht voetbalwedstrijden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunningstelsel biedt de burgemeester meer handvaten om de openbare orde en veiligheid rondom betaald voetbalwedstrijden te versterken. Dit is wenselijk in verband met de openbare orde problematiek rondom betaald voetbalwedstrijden. Zo kan de burgemeester voorschriften aan de vergunning verbinden of de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken. Ook kunnen eisen worden gesteld aan het indienen van een aanvraag om vergunning. Daarnaast biedt een vergunningstelsel een betere mogelijkheid om voorafgaand aan de vergunningverlening met de organisator goede afspraken te maken over het bewaren van de openbare orde en veiligheid. Ook vergemakkelijkt een vergunningstelsel de handhaving: vergunningplichtige wedstrijden kunnen nu zonder meer verboden worden, als blijkt dat er geen vergunning is afgegeven. Overigens laat het bepaalde in deze afdeling de bevoegdheden die de burgemeester heeft in het kader van de Gemeentewet onverlet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid introduceert de vergunningplicht voor het organiseren van een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid. In de tweede zin is bepaald dat een vergunning meerdere voetbalwedstrijden kan betreffen. Vaak is van veel wedstrijden bij aanvang van het seizoen het wedstrijdschema bekend. Voor veel wedstrijden gelden dan ook gelijkluidende voorschriften. Daarom kan een verzamelvergunning worden afgegeven. Het voorgaande laat onverlet dat per wedstrijd een vergunning kan worden afgeven. Dit zou bijvoorbeeld kunnen gelden voor wedstrijden met een verhoogd risico of voor wedstrijden waarvan niet voorafgaand aan het seizoen bekend is of en wanneer ze gespeeld zullen worden (bijvoorbeeld wedstrijden in het kader van de UEFA-cup). Openbare orde problemen doen zich in Alkmaar niet of nauwelijks voor bij amateurvoetbal. Ook amateurclubs spelen – als thuisspelende club – wel eens voetbalwedstrijden tegen het eerste elftal van een betaald voetbalorganisatie of een buitenlands betaald voetbalorganisatie. In die gevallen is wel een vergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In dit lid van deze bepaling is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing verklaard. Het is niet wenselijk om dringende reden van algemeen belang, in dit geval in het kader van de openbare orde en de openbare veiligheid, dat een ontheffing van het verbod als bedoeld in het eerste lid van rechtswege wordt verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-14-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span><span class=\"lf-art-t\">Indienen aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een aanvraag om vergunning te kunnen beoordelen is het van belang dat de organisator de nodige gegevens verschaft. Als niet of niet volledig wordt voldaan aan het bepaalde in dit artikel dan kan de burgemeester, nadat de voetbalorganisator in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, besluiten de aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-15-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijderingsplicht voetbalsupporters</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de ordehandhaving rond voetbalwedstrijden doen zich van tijd tot tijd problemen voor met voetbalsupporters, die niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs of een stadionverbod hebben. Omdat zij niet bij wedstrijden worden toegelaten, verspreiden zij zich in de omgeving van het stadion of verder de stad in en zorgen daar voor overlast. Met dit artikel kan dan ook worden ingegrepen in acute situaties waarbij door supporters van zowel de eigen club als van de bezoekende club de openbare orde (dreigt te worden) wordt verstoord. Omdat het verwijderen van voetbalsupporters een situatie betreft die voorzienbaar is, verdient het de voorkeur deze verwijderingsplicht in de Apv op te nemen en niet te werken met een noodbevel. Daarnaast stelt de gemeenteraad de Apv vast, wat de democratische legitimatie oplevert voor het toepassen van de verwijderingsplicht. De verwijderingsplicht geldt voor de hele gemeente, er hoeven daarom geen specifieke gebieden te worden aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-16-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:16</span><span class=\"lf-art-t\">Stadionomgevingsverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voetbalwedstrijden in stadions gaan soms gepaard met verstoringen van de openbare orde. Ter voorkoming en bestrijding van deze openbare orde verstoringen worden al geruime tijd door de stadions privaatrechtelijke stadionverboden opgelegd aan personen die de orde in het stadion verstoren. Personen met een privaatrechtelijk stadionverbod mogen niet in het stadion komen. In dit artikel gaat het om de bestuursrechtelijke stadionomgevingsverboden. Hiermee wordt onder andere aan voetbalsupporters, die zich schuldig hebben gemaakt aan openbare orde verstorend gedrag, verboden zich rond het stadion te begeven in geval er een voetbalwedstrijd in het stadion plaatsvindt. Deze stadionomgevingsverboden zijn noodzakelijk omdat een groot deel van de ordeverstoringen zich niet alleen in maar ook rondom en in de omgeving van het stadion voordoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan aan personen waarvan is komen vast te staan dat deze tijdens voetbalwedstrijden de openbare orde verstoren in de omgeving van het stadion, een stadionomgevingsverbod opleggen. Dit artikel ziet alleen op een tijdelijke verblijfsontzegging speciaal rond voetbalwedstrijden en voor de directe omgeving van het voetbalstadion. Ook kan een stadionomgevingsverbod worden opgelegd aan personen aan wie al een privaatrechtelijk stadionverbod is opgelegd. Ten slotte is bepaald dat het stadionomgevingsverbod geldt tijdens een bepaalde periode die niet langer is dan 24 maanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-17-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:17</span><span class=\"lf-art-t\">Supportersstromen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling kunnen supporters worden aangepakt die geen stadionverbod hebben en die van buiten de gemeenten komen. Op grond van deze bepaling kan worden ingegrepen in acute situaties waarbij door supporters van zowel de eigen club of een club van buiten de gemeente de openbare orde (dreigt te worden) wordt verstoord.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-18-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen en voetbalwedstrijden te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De Wet wapens en munitie is gericht op de bescherming van de persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit tegen wapengeweld, terwijl het tweede lid van dit artikel ziet op de bescherming van de openbare orde tegen aantasting daarvan. Vanuit dit motief mag men bij evenementen of voetbalwedstrijden geen wapens die behoren tot de categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie bij zich hebben. Dit lid is ruim geformuleerd zodat het ook toegepast kan worden wanneer andere voorwerpen zoals bijvoorbeeld takken van bomen, broekriemen of paraplu’s als wapen dreigen te worden gebruikt. Bij een conflict kunnen namelijk de meest rare voorwerpen als wapen worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid Het is vanuit een oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan en om de overige redenen voor het verbod en de ontbinding. Deelneming aan de voortzetting van die organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog open staan en niet zijn afgewikkeld kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels een zogenoemde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatregel Om toch op te kunnen treden tegen de aanwezigheid in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een strafbaarstelling opgenomen in de Apv. Deze strafbaarstelling houdt in dat het verboden is om op openbare plaatsen, in voor het publiek openstaande gebouwen en op daarbij behorende erven en bij evenementen en voetbalwedstrijden zichtbaar kleding en goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en aanduidingen op motoren. Het verbod als bedoeld in artikel 2:42 is van toepassing op kleding en goederen zoals badges, motoren en dergelijke waar de naam, logo’s, spreuken of andere aanduidingen op zichtbaar zijn. Ook kleding en goederen die sterk lijken op uitingen van een verboden of ontbonden organisatie zijn op basis van artikel 2:42 verboden. Door strafbaarstelling in de Apv kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruimte tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarstelling is geregeld via artikel 5:1 van de Apv. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (vooral relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een samenloopbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid De verplichting om alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde en veiligheid onverwijld en stipt op te volgen is opgenomen om in het geval van evenementen en voetbalwedstrijden, waar vele mensen samenkomen en er kans bestaat op openbare orde verstoringen of onveilige situaties, de politie en brandweer direct middelen te geven om op te treden in het belang van de openbare of veiligheid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van deze verordening kan overlast worden tegengegaan die de openbare orde betreft en zich buiten de openbare inrichting afspeelt. Omdat die overlast groot kan zijn, wordt een vergunningstelsel gehanteerd, zodat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting door preventieve toetsing kunnen worden beschermd. Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. De exploitatievergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de toepassing van de Wet Bibob wordt verwezen naar de van toepassing zijnde beleidsregels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-19-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a In dit onderdeel is de definitie van het begrip «bijeenkomsten van persoonlijke aard» opgenomen. Bij bijeenkomsten van persoonlijke aard moet worden gedacht aan verhuur aan leden voor verjaardagsfeesten, feestavonden/recepties, barbecue-avonden, koffietafels condoleancebijeenkomsten, (muzikale) optredens. Voor zover die bijeenkomsten ook een zakelijk karakter hebben dat verband houdt met de activiteiten van de rechtspersoon, in clubverband plaatsvinden of wijkgerelateerd zijn, worden deze tot de reguliere verenigingsactiviteiten gerekend. Gedacht moet worden aan jubilea of afscheidsfeesten van bestuurders of clubleden, buurtfeesten en feesten voor vrijwilligers of clubleden. Hierop zijn de bepalingen uit artikel 2:26 dan ook niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder reguliere activiteiten van paracommerciële rechtspersonen wordt in ieder geval begrepen: wijk- en buurtfeesten, feestavond voor vrijwilligers, afscheidsfeest (bestuurs)leden, jaarfeest of afsluiting seizoen, clubkampioenschap, toernooien, kerstviering voor leden, nieuwjaarsborrel voor leden, vergaderingen van en voor verenigingen en stichtingen die structureel gebruik maken van het pand, sociaal-culturele evenementen waarbij het evenement centraal staat (ook voor publiek toegankelijk voor zover dat publiek komt voor het sociaal-culturele evenement), afstudeerbijeenkomst/diploma-uitreiking, lessen/cursussen, schoolfeest voor leerlingen en activiteiten en vieringen van levensbeschouwelijke of godsdienstige aard (met uitzondering van bijeenkomsten van persoonlijke aard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b De reikwijdte van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) wordt bepaald door het begrip «horecabedrijf» zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet). Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, hebben op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) een vergunning nodig. Deze vergunningplichtige bedrijven zijn de zogenoemde natte horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de woorden «voor gebruik ter plaatse» volgt uit de begripsbepaling van de begrippen «openbare inrichting» en «terras» dat er sprake is van een openbare inrichting als daar snacks en hapjes ter plaatse kunnen worden gegeten, en niet als het alleen gaat om afhaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c Het terras van een foodzaak valt ook onder de definitiebepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt het begrip «openbare inrichting» gebruikt. Daaronder wordt ook de droge horeca verstaan: het schenken van niet-alcoholhoudende drank en van zwak alcoholische dranken voor het gebruik ergens anders en het verstrekken van rookwaar. Dit laatste is opgenomen om onder meer ook coffeeshops en shisha lounges onder deze verordening te laten vallen. In deze afdeling worden coffeeshops en shisha lounges dan ook als gewone openbare inrichtingen behandeld en zijn er geen bijzondere bepalingen over coffeeshops en shisha lounges opgenomen. Opgemerkt wordt dat op grond van de Opiumwet de handel in drugs is verboden. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond van deze verordening daar geen betrekking op heeft, maar wel op de exploitatie van een alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat over coffeeshops en shisha lounges – vanwege de effecten die deze openbare inrichtingen kunnen hebben op de openbare orde – wel degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester verplicht te stellen als het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit, zoals de exploitatie van een koffiehoek. Als het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt, is geen vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Voor de overige begrippen wordt aangesloten bij de Drank- en Horecawet (Alcoholwet). Voor de begrippen paracommerciële rechtspersoon, alcoholhoudende drank, sterke drank et cetera geldt wat de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) daaronder verstaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-20-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatie openbare inrichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van deze verordening kan overlast worden tegengegaan die de openbare orde betreft en zich buiten de openbare inrichting afspeelt. Omdat die overlast groot kan zijn, wordt een vergunningstelsel gehanteerd, zodat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting door een preventieve toetsing kunnen worden beschermd. Op grond van artikel 174 is de burgemeester degene die de vergunning verleend. In dit artikel is namelijk bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. Concreet houdt dit in dat de vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting door de burgemeester wordt verleend. Krachtens artikel 1:4 kunnen voorschriften worden verbonden aan de exploitatievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, derde en vierde lid Als het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit vestiging van een openbare inrichting ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan namelijk toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Op grond van vaste rechtspraak is dit aanvaardbaar omdat die bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB4336). Weliswaar brengt het eerste lid mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing van het geldende bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit onverlet. Van een doorkruising van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van vaste rechtspraak is het mogelijk om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden (vgl. o.a. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 22 mei 1997, AB 1997, 299 en de uitspraak van 22 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV2257). Het aantal te verlenen vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als door een veelheid van of het type van openbare inrichtingen in de straat of de wijk de openbare orde of de woon- en leefsituatie in gevaar wordt gebracht. Op grond van de Europese Dienstenrichtlijn is een maximumstelsel toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca te ruim zijn geformuleerd (vooral de volksgezondheid is hier niet aan de orde) is bepaald dat het hier om de invloed op de openbare orde en de woon- en leefsituatie gaat. Ook «het levensgedrag van de exploitant of de leidinggevende» kan een weigeringsgrond zijn. Een vergunning moet kunnen worden geweigerd aan een exploitant van wie is gebleken dat hij eerder of ergens anders op dit punt een slechte staat van dienst heeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan de betrokkenheid bij, handel in of gebruik van harddrugs, heling of andere activiteiten in de openbare inrichting die de openbare rode of de kwaliteit van woon- en leefsituatie in een buurt bedreigen, of aan nalatigheid bij het treffen van voorzorgsmaatregelen in de bedrijfsvoering. Het criterium van een goede bedrijfsvoering als toekenningsvoorwaarde voor een exploitatievergunning is op zichzelf al duidelijk en ondubbelzinnig (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:625). Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat «slecht levensgedrag» een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Het voorgaande geldt ook als een leidinggevende wordt opgevoerd die zich aan dergelijk gedrag schuldig heeft gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 16 van de Wet politiegegevens biedt de burgemeester de bevoegdheid om bij het verstrekken van vergunningen te beschikken over politiegegevens en deze mee te wegen bij de te nemen beslissing. De burgemeester moet als verantwoordelijke voor de handhaving van de openbare orde kunnen beschikken over alle relevante informatie over eventuele onveiligheid in voor publiek toegankelijke ruimten. Het initiatief voor de informatie-uitwisseling kan zowel bij de gemeente als bij de politie liggen. Op grond van de verstrekte politiegegevens kan een vergunning voor het exploiteren van een openbare inrichting worden geweigerd. Voor de reikwijdte van het begrip «levensgedrag» moet aansluiting worden gezocht van de terminologie van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet). De toetsing aan deze eis is niet bij voorbaat aan regels gebonden. Derhalve is de burgemeester bij de beoordeling of er sprake is van slecht levensgedrag vrij in de manier van beoordeling en zijn er geen beperkingen opgelegd aan de feiten en omstandigheden die mogen worden betrokken bij dit oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een openbare inrichting zich verdraagt met de woon- en leefsituatie ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van de inrichting zelf overlast te duchten is, maar ook in welke mate de komst van de openbare inrichting de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal aantasten. Waar de burgemeester rekening mee moet houden, staat omschreven in het vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid geeft concreet inhoud aan de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in het derde lid. Een ondernemer die voor zijn openbare inrichting zowel een exploitatievergunning op grond van deze verordening als een drank- en horecavergunning nodig heeft, moet voldoen aan het bepaalde in artikel 8 van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) om een drank- en horecavergunning te kunnen krijgen. Voldoet de ondernemer niet aan deze eisen, dan wordt de drank- en horecavergunning geweigerd, en kan de ondernemer zijn inrichting niet exploiteren. Er zijn echter ook openbare inrichtingen, zoals snackbars, shoarmazaken, coffeeshops en shisha lounges, waarvoor alleen een exploitatievergunning nodig is. Ook voor de exploitant en leidinggevende van die openbare inrichtingen wordt een antecedentenonderzoek van belang geacht, ook al wordt er geen alcohol geschonken. In die openbare inrichting zonder alcohol is ook een leidinggevende aan te spreken op eventuele ongeregeldheden die de openbare orde kunnen raken. Toegevoegd is daarom het criterium «de manier van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende».</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid en zesde lid In het vijfde lid is bepaald dat de burgemeester beslist over de ingebruikneming van de openbare plaats voor een terras. Het belangrijkste criterium voor de toelaatbaarheid van terrassen is dat deze terrassen zowel direct als indirect geen gevaar, hinder of overlast voor de gebruikers mogen veroorzaken. Zo spreekt het bijvoorbeeld voor zich dat het vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid nooit de bedoeling kan zijn dat een terras wordt geplaatst op de voor de rijbaan bestemde gedeelten van de openbare weg. In de Uitvoeringsregels horecabeleid zijn de regels over (verkeers)veiligheid en terrassen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt dat op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van deze verordeningen van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien. De term onderwerp in artikel 122 van de Gemeentewet betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van het zevende lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid In dit lid is opgenomen dat de vergunning vervalt als er een wijziging plaatsvindt in de bedrijfsvoering van de openbare inrichting. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan het vergroten of verkleinen van het aantal m² of een wijziging van de bedrijfsvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Negende lid De aanwijzingsbevoegdheid is bedoeld voor exploitatievormen die doorgaans niet of nauwelijks van invloed zijn op de openbare orde en het woon- of leefklimaat. Te denken valt aan een zorginstelling, een school-, bedrijfskantine of -restaurant of een museum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tiende lid De exploitatievergunning richt zich vooral op de bescherming van de openbare orde en de vermindering van overlast voor de directe omgeving. Daarom is het onwenselijk als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag (waaronder een toets in het kader van de Wet Bibob) heeft plaatsgevonden is voltooid. Het is van belang om vooraf na te gaan of de exploitant of de leidinggevende voldoet aan bepaalde gedragseisen, de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, of krachtens de wet verboden middelen in de inrichting ter verkoop worden aangeboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span><span class=\"lf-art-t\">Het college als bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip «openbare inrichting» als bedoeld in artikel 2:19 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college van burgemeester en wethouders het bevoegde bestuursorgaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span><span class=\"lf-art-t\">Onderscheid naar de aard van de paracommerciële rechtspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt onderscheid gemaakt tussen «wijk- en buurtondernemingen, sociaal culturele instellingen» en «sportverenigingen, educatieve instellingen, kerken en instellingen van levensbeschouwelijke aard». Tot cluster 1 worden alle wijk- en buurtcentra, verzorgings- en bejaardenhuizen, studentenverenigingen en overige cultureel-maatschappelijke instellingen gerekend, voorzover zij niet beschikken over een reguliere vergunning. Cluster 2 betreft de sportkantines, speeltuinen, kerkelijke centra en jongerencentra. Aanleiding voor het onderscheid is de aard van de activiteiten en doelgroep van de betreffende paracommerciële rechtspersoon. Ten aanzien van cluster 2 geldt dat deze zich in veel gevallen vooral richten op jongeren, waarbij beperking van alcoholmisbruik een belangrijk speerpunt is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Schenk- en sluitingstijden paracommerciële rechtspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verstrekken van alcoholhoudende drank wordt gekoppeld aan de activiteiten in de paracommerciële openbare inrichting, waarbij voor cluster 2 geldt dat ook de aanvangstijd waarop alcohol mag worden geschonken, wordt bepaald. Met deze schenktijden wordt voorkomen dat kantines van sportverenigingen als kroeg (gaan) functioneren en na een wedstrijd/training nog lang open zijn. Dit is wenselijk in het kader van het alcoholmatigingsbeleid en het tegengaan van oneerlijke concurrentie. Daarnaast wordt wel rekening gehouden met de vele uiteenlopende tijden waarop sportverenigingen binnen de gemeente actief zijn, zodat alle sportverenigingen nog wel de ruimte hebben om hun kantine goed te kunnen exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle paracommerciële rechtspersonen geldt een schenktijd tot twee uur na de laatste activiteit met een uiterste schenk- en sluitingstijd van 01.00 uur, waarbij er tussen 00.00 uur en 01.00 uur geen nieuwe bezoekers meer mogen worden toegelaten (het zogenoemde deurbeleid). Hiermee wordt een duidelijke beperking opgelegd ten opzichte van de reguliere horeca, dit om oneerlijke concurrentie te voorkomen. Er zijn paracommerciële rechtspersonen met een bijzondere positie in de maatschappij, om dit in stand te houden kan de burgemeester door een voorschrift andere sluitingstijden vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking schenk- en sluitingstijden paracommerciële rechtspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontheffing van de schenk- en sluitingstijden tot ten hoogste 02.00 uur kan worden verleend in specifieke situaties. Deze mogelijkheid geldt enkel voor verenigingsactiviteiten, en dus niet voor bijeenkomsten van persoonlijke aard en verhuur aan derden. Om oneerlijke concurrentie te voorkomen is daarnaast het aantal ontheffingen beperkt. Voor onvoorziene situaties is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om incidenteel een ontheffing te verlenen tot na 02.00 uur. Er moet dan sprake zijn van zeer bijzondere omstandigheden die een directe verhouding hebben met de rechtspersoon zelf: bijvoorbeeld een jubileumfeest van een vereniging, een zeer bijzondere gebeurtenis is een wijk, et cetera.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Bijeenkomsten van persoonlijke aard en verhuur aan derden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijeenkomsten van persoonlijke aard Het is in beginsel niet toegestaan om in of vanuit de paracommerciële rechtspersoon bedrijfsmatig of anders dan om niet, alcoholhoudende drank te schenken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard. Er is echter een nadrukkelijke wens van de paracommercie om, voor doelgroepen die zich voor die bijeenkomsten niet tot de reguliere horeca zullen richten, enige ruimte te bieden voor het organiseren van die bijeenkomsten. Gedacht moet worden aan (besloten) feesten en partijen georganiseerd door leden voor familie en vrienden. Het betreft enkel bijeenkomsten georganiseerd door personen die op enige manier betrokken zijn bij de paracommerciële rechtspersoon. Alleen in een enkel (bijzonder) geval zal men zich voor die bijeenkomsten tot de reguliere horeca richten, maar in de meeste gevallen zullen deze activiteiten, als dit binnen de paracommercie niet mogelijk is, in huiselijke kring plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook gelet op de bijzondere positie van die wijkcentra hebben, als ontmoetingsplek in de wijk, is het voor de paracommerciële rechtspersoon uit «cluster 1» met inachtneming van de uiterste schenk- en sluitingstijden toegestaan om zonder maximering bijeenkomsten van persoonlijke aard te houden waarbij zowel zwak al sterk alcoholhoudende drank mag worden geschonken. Deze bijeenkomsten moeten vooraf worden gemeld aan de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor «cluster 2» wordt zes keer per jaar redelijk geacht. Het gaat dan om verenigingen, met veelal een veel kleiner bereik dan de buurt- en wijkcentra. Van oneerlijke concurrentie is gelet op de aard van de bijeenkomsten, het verbod om hiervoor reclame te maken en de beperking in aantal geen sprake. Met de woorden «als sprake is van oneerlijke mededinging» wordt duidelijk gemaakt dat het voorkomen van oneerlijke mededinging aan de basis ligt van deze verbodsbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhuur aan derden Dit betreft de verhuur aan personen die niet zijn betrokken bij de paracommerciële rechtspersoon. De mogelijkheden hiervoor worden bij «cluster 1» niet uitgesloten om vooral de sociaal-culturele instellingen te faciliteren, die hun maatschappelijk gerichte hoofdactiviteiten veelal zullen moeten ondersteunen met extra inkomsten om het voortbestaan te waarborgen. Het zal hierbij veelal gaan om verhuur aan verenigingen en stichtingen die niet de middelen hebben om dit binnen de reguliere horeca te doen, en feesten van persoonlijke aard georganiseerd door personen uit andere wijken/gemeenten. Ook gelet op de bijzondere positie die wijkcentra hebben is het voor de paracommerciële rechtspersoon uit «cluster 1» met inachtneming van de uiterste schenk- en sluitingstijden toegestaan om zonder maximering aan derden te verhuren waarbij zowel zwak als sterk alcoholhoudende drank mag worden geschonken. Deze bijeenkomsten moeten vooraf worden gemeld aan de burgemeester.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor «cluster 2» zijn bijeenkomsten voor derden geheel uitgesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingstijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer openbare inrichtingen tijdelijk afwijkende sluitingstijden op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor een tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet plaatselijke feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die een individueel karakter heeft, zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs in alle in de gemeente aanwezige openbare inrichtingen. Wel beperkt de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Hoewel de wetgever er bij de invoering van artikel 13b van de Opiumwet vanuit is gegaan dat gemeentelijke regelingen hun geldigheid behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, is het raadzaam om door het tweede lid buiten twijfel te stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b van de Opiumwet is bedoeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting van een openbare inrichting of terras en intrekking of schorsing van de vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Gemeenten hebben de laatste jaren een grote rol gekregen in het tegengaan van ondermijnende criminaliteit. Van de lokale overheid wordt verwacht dat zij zich weerbaar opstelt tegen dit soort ongewenste ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van de sluiting van een openbare inrichting of een terras vindt plaats in gevallen met een spoedeisend karakter en heeft in beginsel een tijdelijk karakter. Het staat los van de vraag of de exploitant of leidinggevende persoonlijk betrokken zijn bij de bedoelde activiteiten of dat hem/hun daarvan anderszins een verwijt kan worden gemaakt. De sluiting beoogt geen straf op te leggen, maar is gericht op herstel van de openbare orde die in gevaar wordt gebracht. De schuldvraag is daarbij in principe niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het eerste lid kan de burgemeester een openbare inrichting of een terras sluiten als daar wordt gehandeld zonder geldige vergunning of in strijd met de Wet op de kansspelen, (vuur)wapens aanwezig zijn, gestolen goederen worden verhandeld, of andere feiten plaatsvonden die tot het oordeel leiden dat het open blijven van de openbare inrichting of het terras ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. In de opsomming van feiten die tot een sluiting kunnen leiden ontbreken de handel en de aanwezigheid van drugs. Om daartegen te kunnen optreden is in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een afzonderlijke grondslag voor het toepassen van bestuursdwang opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als de voortzetting van de sluiting niet langer nodig is. De burgemeester beoordeelt of dat het geval is. Van belang hierbij is onder meer de bereidheid en bekwaamheid van de exploitant om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van het gebeurde te voorkomen, bijvoorbeeld door herinrichting van het bedrijf, verscherping van het toelatingsbeleid of het aannemen van (ander) personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Deze specifieke grond voor wijziging of schorsing van de vergunning vormt een aanvulling op de algemene gronden die in artikel 1:6 worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet op de gevaren voor de openbare orde en de woon- en leefsituatie als de exploitant zelf betrokken is bij harddrugs en andere activiteiten die de openbare orde bedreigen of ernstig nalatig is geweest om hier tegen op te treden. De bepaling is zowel op het gedrag van de exploitant als dat van de leidinggevende van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkenheid moet aannemelijk zijn. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een analyse van de bevindingen van de politie. Hetzelfde geldt voor ernstige nalatigheid. Deze bepaling kan niet worden gebruikt als de exploitant wel heeft getracht de bedoelde activiteiten te voorkomen maar daarin niet is geslaagd. In een dergelijk geval is overigens niet uit te sluiten dat een sluiting van de openbare inrichting een andere grond aan de orde kan zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedragingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a Dit onderdeel geeft een verbod om de orde in openbare inrichtingen te verstoren. Het verbod richt zich in zijn algemeenheid tot de bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b Sluitingsbepalingen richten zich tot de exploitant. Dit onderdeel richt zich tot de (potentiele) bezoeker van een openbare inrichting. Als deze zich met goedvinden van de exploitant in de openbare inrichting bevindt tijdens de tijd dat de openbare inrichting gesloten dient te zijn, overtreedt hij artikel 2:29, onderdeel b. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c Artikel 25d van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) maakt het mogelijk om, ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde zogenoemde happy hours in de horeca te verbieden. De Drank- en Horecawet definieert een happy hour als het verstrekken van alcoholhoudende drank tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd. In het licht van de alcoholmatigingsdoelstellingen van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) is het belangrijk om in dezen een krachtig signaal af te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel d Omdat het gebruik en verkoop van lachgas op straat is verboden, is het niet wenselijk dat lachgas in een openbare inrichting kan worden verkocht. Daarom is de verkoop van lachgas in een openbare inrichting verboden. Daar komt bij dat lachgas een oxiderend gas is dat brand kan veroorzaken en verbranding van brandbare stoffen kan versterken. De opslag van grote hoeveelheden lachgasflessen is brandgevaarlijk. Opslag van lachgasflessen vindt dan ook bij voorkeur plaats in de buitenlucht. Daarmee worden drukgolven vermeden die bij inpandige opslag in een gebouw kunnen ontstaan. Daarnaast trekt de handel in lachgas criminaliteit aan omdat er grote winsten mee zijn te behalen. Het gebruik en de opslag van en de handel in lachgas brengen daarnaast gevoelens van onveiligheid met zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtverblijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In samenhang met artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht – op grond waarvan de exploitant van een inrichting een nachtregister moet bijhouden – heeft deze bepaling primair tot doel om met de in het nachtregister opgenomen gegevens de opsporing en aanhouding van door de politie gezochte personen te vergemakkelijken. Daarnaast beoogt deze bepaling mogelijk te maken dat statistische gegevens worden verzameld over het toeristische en recreatieve bezoek aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid ondersteunt de exploitant van de inrichting bij het nakomen van zijn verplichting, door van de bezoeker te verlangen dat hij onmiddellijk bij aankomst opgave doet van een aantal gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plicht om inzage in het nachtregister te geven volgt uit artikel 5:20 in samenhang gelezen met artikel 5:17 van de Awb, op grond waarvan een toezichthouder bevoegd is om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf, die betrekking heeft op speelgelegenheden die niet vallen onder de Wet op de kansspelen, regelt de exploitatie van speelgelegenheden en maakt het mogelijk om bestuurlijk op te treden tegen illegale gokgelegenheden. In de Wet op de kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van speelcasino’s, waarin, kort gezegd, om geld wordt gespeeld en waarbij het lot de winnaars aanwijst. De Wet op de kansspelen bevat geen regeling over het spelen om geld waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Die categorie speelgelegenheden valt wel onder de vergunningplicht van de Apv. Recreatieve gelegenheden waarbij een enkele keer om een prijsje wordt gespeeld (bijvoorbeeld een bridgeclub) vallen niet onder de vergunningplicht. Het moet gaan om een bedrijfsmatige activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In deze bepaling is tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om bedrijfsmatige exploitatie van een speelgelegenheid. Het organiseren van zuiver recreatieve spelen waarbij een prijs kan worden gewonnen valt niet onder de vergunningplicht van de Apv. Dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie kan op meerdere manieren blijken. De woorden “winnen en verliezen” geven aan dat er sprake is van inleg van geld, op welke manier dan ook. Een openbare inrichting waarin een speelautomaat wordt opgesteld valt overigens niet onder de werking van de regels voor de speelgelegenheden. In de Wet op de kansspelen en de Verordening op de kansspelen wordt de aanwezigheidsvergunning voor een kansspelautomaat in een openbare inrichting geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De hoofdregel luidt dat iedere speelgelegenheid een exploitatievergunning nodig heeft. Exploiteren zonder vergunning is dan ook verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a tot en met d van het tweede lid zijn de uitzonderingen op het uitgangspunt van de vergunningplicht geformuleerd. De onderdelen a tot en met d sluiten uit dat de Apv van toepassing is op kansspelen waarvoor de Wet op de kansspelen geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Exploiteren zonder vergunning is verboden. De burgemeester toetst een aanvraag om vergunning aan, kort gezegd, de invloed van het voorgenomen bedrijf op het woon- en leefklimaat in de omgeving en de ruimtelijke inpasbaarheid. De ruimtelijke inpasbaarheid is opgenomen als imperatieve weigeringsgrond. Aldus wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een vergunning te verlenen die vervolgens niet kan worden gebruikt omdat het op grond van een bestemmingsplan of een andere planologische regeling is verboden. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid In dit lid is opgenomen dat de vergunning vervalt als er een wijziging plaatsvindt in de bedrijfsvoering van de speelgelegenheid. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan het vergroten of verkleinen van het aantal m² of een wijziging van de bedrijfsvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Deze bepaling vooral de openbare orde te beschermen. Daarnaast speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is onwenselijk als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden. Een van rechtswege verleende vergunning is dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Daarom is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing verklaard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning, openbare inrichting of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 174a van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet, artikel 2:28 en artikel 2:55 van deze verordening kan de burgemeester besluiten een woning, een lokaal, openbare inrichting of terras, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, als door gedragingen in de woning, het lokaal of het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal, openbare inrichting, het terras of het erf wordt verstoord. Het doel van een die sluiting is om de rust in de omgeving te herstellen. Hierbij is het niet wenselijk dat de woning, het lokaal, openbare inrichting, het terras of het erf alsnog wordt betreden. Aangezien de Gemeentewet en de Opiumwet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelen, is dit in het eerste lid van deze bepaling alsnog geregeld. Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning, het lokaal, openbare inrichting, het terras of het erf moeten betreden wegens dringende redenen, is in het vijfde lid een uitzondering op het verbod opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van deze bepaling bevat een absoluut verbod om te krassen of te kladden. Juridisch is dit geen probleem, omdat in deze terminologie al besloten ligt, dat het bij krassen of kladden niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van Grondwet, artikel 10 van het EVRM en artikel 19 van het IVBPR. Het plakverbod heeft tot doel het tegengaan van verontreiniging van de openbare ruimte, de bescherming van het aanzien daarvan en de bescherming van de rechten van burgers op (on)roerende zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid van deze bepaling is het plakverbod van toepassing niet alleen op onroerende, maar ook op roerende zaken. Strafbaar zijn niet alleen de feitelijke plakkers, maar ook hun opdrachtgevers. De opsommingen onder a en b zijn niet limitatief gesteld: vergelijkbare aanduidingen en stoffen kunnen er dus ook onder worden verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursorganen zijn bevoegd om een plakverbod in te stellen, maar moeten er dan door het inrichten of aanwijzen van vrije plakgelegenheden voor zorgen dat het grondrecht op vrijheid van meningsuiting voldoende tot zijn recht kan komen. In het vierde lid worden de door het college aangewezen aanplakobjecten uitgezonderd van het plakverbod. Het gebruik van deze objecten voor commerciële reclame wordt uitdrukkelijk uitgesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer aanplakgereedschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling verbiedt het vervoer van allerlei plak- en kladgereedschappen en -attributen (waaronder verfspuitbussen, een hogedrukreiniger voor het aanbrengen van watergraffiti en dergelijke) als dit vervoer het kennelijke doel heeft om daarmee strafbare feiten te plegen. Dit kan op elk moment van de dag plaatsvinden. Iemand die met de genoemde voorwerpen over straat gaat, is in beginsel in overtreding, tenzij hij aannemelijk kan maken, dat de betreffende voorwerpen niet zijn of worden meegenomen om zich schuldig te maken aan het plakken en kladden als bedoeld in artikel 2:33.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-35-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:35</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid beoogt het plegen van misdrijven, zoals diefstal met braak, te bemoeilijken. Het geeft de politie en de unit Veiligheid, team Handhaving een extra mogelijkheid verdachte personen aan te spreken en de meegevoerde bagage te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat een verbod om in de nabijheid van winkels tassen en dergelijke bij zich te hebben die zijn geprepareerd voor het plegen van diefstal. Het voorschrift verhoogt de drempel om van dergelijke voorwerpen gebruik te maken, en kan zodoende een preventief effect hebben bij de bestrijding van winkeldiefstal. In de winkels zelf kan het dragen van tassen en dergelijke door het stellen van huisregels worden verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de private belangen te beschermen is in het derde lid opgenomen dat de verboden niet gelden als aanstonds aannemelijk is dat de deze burger niet de intentie heeft om diefstal te plegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-36-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt 'straatschenderij' strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip weg uit deze bepaling gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1:1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is deze bepaling niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b Met dit onderdeel wordt ook beoogd om verschillende vormen van straatintimidatie te verbieden en heeft zowel betrekking op gedragingen van een individu, als van een groep. Het motief is primair gelegen in het wegnemen van de effecten op openbare orde als gevolg van intimiderend gedrag op straat. Straatintimidatie is ongewenst gedrag in de openbare ruimte waardoor anderen zich onveilig voelen. Denk hierbij onder meer aan ongewenst betasten, iemand in het nauw drijven met seksuele bedoelingen, iemand opzettelijjk de doorgang versperren, zich opzettelijk tegen iemand aanduwen, volgen/achternalopen, (aanhoudende) vragen om iemands naam/nummer/bestemming en vragen om seksuele handelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij overtreding van het Wetboek van Strafrecht kan uitsluitend diegene tot wie het gedrag zich primair richt, aangifte doen. Om uiteenlopende redenen doen deze slachtoffers dat lang niet altijd. De bepalingen in het Wetboek van Strafrecht bieden dus geen sluitend systeem om de negatieve effecten van deze gedragingen tegen te gaan. Op grond van dit onderdeel is het ook mogelijk om op te treden tegen dit soort ongewenst gedrag, ook al heeft het slachtoffer daarvan geen aangifte gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-37-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gebruik van drank</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de in het tweede lid opgenomen regeling voor het instellen van een alcoholverbod op daarvoor aangewezen plaatsen, bestaat behoefte aan een bepaling die zich richt tegen hinderlijk drankgebruik in het algemeen in de openbare ruimte. Op grond van het eerste lid kan dan ook worden opgetreden tegen drankgerelateerde overlast die niet tot bepaalde plaatsen is beperkt, of waarvoor het instellen van een absoluut verbod op het gebruik en bezit van alcohol vooralsnog een te zwaar middel is. Hierbij kan worden gedacht aan gevallen van hinder door op straat drinkende toeristen, aan geluidsoverlast door overmatig drankgebruik op pleziervaartuigen, of aan overlast door overloopeffecten uit gebieden waar een alcoholverbod van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kunnen openbare plaatsen of openbaar water worden aangewezen waar het verboden is alcoholhoudende drank te nuttigen, of aangebroken flessen en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Deze bepaling richt zich op de aanpak van problemen op plaatsen waar groepen alcoholverslaafden, zwervers, hangjongeren et cetera structureel met alcoholgebruik samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en schreeuwen, lastig vallen en intimideren van voorbijgangers, onderlinge ruzies en vechtpartijen, vervuiling van de omgeving, wildplassen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een in het aangewezen gebied gelegen vergund terras van een openbare inrichting geldt het alcoholverbod uiteraard niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met toepassing van het vierde lid kunnen incidentele uitzonderingen op het alcoholverbod worden gemaakt, bijvoorbeeld voor het houden van een evenement in een park waar dit verbod normaliter van kracht is. Daar komt bij dat op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet ontheffing zal moeten zijn verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-38-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:38</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gebruik lachgas</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lachgas is de gangbare naam voor distikstofmonoxide (N2O). Het inhaleren van lachgas zorgt voor een korte en (soms) sterke roes. Vaak gaat de gebruiker de omgeving anders zien en klinken geluiden anders. Iemand kan lacherig worden, vandaar de naam ‘lach’ gas. Lachgas is een kleurloos gas met een lichtzoete smaak. Lachgas is in winkels en webshops te koop. Het wordt verkocht in kleine metalen patronen (als drijfgas om slagroom mee te spuiten). Voor medische doeleinden en in de autosport is het te koop in grotere metalen cilinders. Op feesten, festivals of feestdagen zoals Koningsdag wordt het per ballon verkocht. Het gas wordt vanuit patronen of cilinder in een ballon gespoten. Het is een feit van algemene bekendheid dat als in en uit een ballon wordt geademd lachgas wordt ingenomen. Om te voorkomen dat lachgas wordt ingenomen via andere hulpmiddelen, vallen deze ook onder de reikwijdte van deze verbodsbepaling. Het gebruik van lachgas voor andere doeleinden zoals het spuiten van slagroom valt niet onder de werking van dit verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afgelopen jaren heeft het gebruik van lachgas een ware vlucht genomen, met name onder jongeren en jongvolwassen, ook in de gemeente Alkmaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van lachgas leidt tot ongewenst en onberekenbaar gedrag: omvallen, bewusteloosheid, slechte concentratie en onoplettendheid, hallucineren. Doordat lachgas vooral in groepsverband in de openbare ruimte wordt gebruikt, gaat hiervan een dreigende houding uit waardoor omstanders zich onveilig voelen. Het gebruik van lachgas wordt dan als overlastgevend ervaren. Omvallen, duwen en afwijkend gedrag vormt in een menigte of op openbare plaatsen waar publiek aanwezig is een risico voor de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kunnen door gebruik ongelukken gebeuren (men raakt onder invloed). Bijvoorbeeld roekeloosheid, vallen of zelfs tijdelijk bewustzijnsverlies. In het verkeer en op straat kan dit tot gevaar leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en om overlast en hinder tegen te gaan, is het noodzakelijk om het gebruik van lachgas op openbare plaatsen te verbieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-39-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en voor publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod kan worden ingezet tegen degenen die zich zonder redelijk doel of anderszins hinderlijk ophouden bij of tegen een gebouw of in voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimten van gebouwen, en andere voor het publiek toegankelijke voorzieningen, zoals haltehuisjes, portieken en parkeergarages.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog daargelaten of het voorgaande gepaard gaat met concreet overlastgevend gedrag in de vorm van bijvoorbeeld schreeuwen, uitschelden, bedreigen of de doorgang versperren, roept het doelloos rondhangen van personen of groepen in voor het publiek bestemde ruimten of tegen of bij gebouwen dikwijls sterke gevoelens van onbehagen en onveiligheid op, waardoor een normaal gebruik van deze ruimten wordt belemmerd. Een verbod op dit gedrag is daarom op zijn plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging «zonder redelijk doel» beoogt uit te sluiten dat bijvoorbeeld een glazenwasser onder de verbodsbepaling zou vallen. Door gebruik van het woord «kennelijk» kan zo nodig tegen hinderlijk gedrag in publieksruimten worden opgetreden zonder dat daarover door belanghebbenden is geklaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met termen als «doelloos» en «hinderlijk» is deze bepaling een strafbepaling met tamelijk open normen. Hoewel het vanuit een oogpunt van rechtszekerheid is gewenst om voorschriften zo specifiek mogelijk te formuleren, is het in sommige situaties echter onvermijdelijk dat wordt gewerkt met regels die een algemene typering van het verboden gedrag inhouden. Omdat er een zo grote variëteit is aan gedragingen die de delictsomschrijving kunnen vervullen is het praktisch niet mogelijk om deze concreet op te sommen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">Doen van natuurlijke behoefte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgenomen om het zogenoemde wildplassen tegen te gaan. Overtreding van het verbod is strafbaar gesteld in hoofdstuk 5.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet opgeruimde uitwerpselen van honden zorgen voor overlast en voor veel ergernis bij de inwoners van Alkmaar. Daarom geldt in Alkmaar een opruimplicht voor hondenuitwerpselen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het eerste lid is de eigenaar of houder van een hond dan ook verplicht altijd de uitwerpselen van die hond op te ruimen. De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. De gemeente heeft op veel plaatsen waar honden worden uitgelaten en bij losloopgebieden afvalbakken geplaatst, waar hondenbezitters de uitwerpselen in kunnen deponeren. Daarnaast heeft de gemeente zogeheten “hondenhaltes” geplaatst. Dit zijn prullenbakken voorzien van een dispenser met 100% afbreekbare poepzakjes of papier. Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van deze bepaling is daarom deels preventief. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenoemde verontreinigingsdelicten, die beboetbaar zijn door de politie en stadstoezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen zich situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van de opruimplicht verzetten. Het betreft hier de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. De verplichting om uitwerpselen van een hond onmiddellijk te verwijderen geldt daarom niet voor hen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting die hoort bij artikel 2:18</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en evenemententerrein en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, of de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het RVV 1990 voorgeschreven manier ter kennis van de weggebruiker worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. In deze bepaling is een verbod opgenomen om op de fiets of bromfiets te rijden op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein tijdens die tijd. In de mensenmenigte is het rijden op een fiets hinderlijk en gevaarlijk. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein kenbaar worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ziet op gevaarlijke honden, niet omdat ze tot een bepaalde ras behoren maar op grond van het gedrag van een individuele hond. Als de burgemeester van oordeel is dat een hond gevaarlijk of hinderlijk is, bijvoorbeeld omdat de hond is betrokken bij bijtincidenten, kan het dit bekend maken aan de eigenaar of houder van de hond. Deze is vervolgens verplicht om de hond of kort aangelijnd of kort aangelijnd en gemuilkorfd te houden. Welke maatregel wordt opgelegd is ter beoordeling van de burgemeester, afhankelijk van de omstandigheden van het specifieke geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid is geëxpliciteerd dat het verboden is om te handelen in strijd met een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde en zesde lid zijn gericht op de veiligheid in de openbare ruimte en voorkomt dat gevaarlijke honden op de openbare weg komen doordat ze van het terrein ontsnappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanlijn- en of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander (eerste lid), is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen. Deze maatregel voorkomt niet dat mensen worden geconfronteerd met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan postbezorgers en koeriers, maar ook aan bijtincidenten die plaatsvinden binnen een huishouden. Om hier enigszins tegemoet aan te komen zijn het vijfde en zesde lid opgenomen. Hierin is bepaald dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als de in de bepaling genoemde voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bedelarij is niet strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht. Omdat bedelen echter wel tot ernstige overlast kan leiden, bijvoorbeeld omdat opdringerig of agressief om geld wordt gevraagd of omdat bedelarij zelf kan uitmonden in straatroof, is in deze bepaling een verbod opgenomen om te bedelen in door het college aangewezen gebieden. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan er dus een verbod worden ingesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5 Bestrijding van heling van goederen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-46-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:46</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de omschrijving van het begrip «handelaar» verwijst artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht naar een algemene maatregel van bestuur. Deze algemene maatregel van bestuur is het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36). Artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, metalen, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio-en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder «handelen in gebruikte en ongeregelde goederen» worden ook handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen over het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht verplicht de handelaar tot het bijhouden van een administratie over de inkoop «van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij heeft verworven dan wel voorhanden heeft». Omdat het al bij formele wet is geregeld, kan de Apv geen eisen stellen over dit inkoopregister. Dat kan wel ten aanzien van het verkoopregister. De regels over het verkoopregister vormen daarmee een nuttig aanvullend instrument voor de bestrijding van heling. Controle op het volledig en goed invullen van de registers heeft een preventieve werking, vergemakkelijkt de opsporing van gestolen goederen en de aanpak van helers, en levert informatie op over de vragers en de aanbieders op de markt voor ongeregelde goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel opgenomen verplichting over het verkoopregister vindt zijn basis in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid en onder a, van het Wetboek van Strafrecht verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven of voor handen hebben van alle gebruikte en ongebruikte goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van de regels over het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het inkoopregister. Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn. Het register kan schriftelijk of elektronisch van aard zijn, zie ook de toelichting bij het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is de verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden van «alle gebruikte of ongeregelde goederen». Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het derde lid een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Om de infrastructuur voor de vermogenscrimineel te frustreren is het bijhouden van een Digitaal Opkopers Register (DOR) een zeer bruikbaar instrument dat ten goede komt aan het oplossen van een inbraak danwel een overval. Het mes snijdt aan twee kanten: aan de ene kant zorgt een digitaal opkopersregister voor het terugdringen van de administratieve lasten voor de handelaar; de handelaar hoeft niet meer met een geschreven register te werken wat tijdrovend is. Ook krijgt de handelaar een signaal als een aangeboden goed als gestolen staat geregistreerd. Voor de handhaving is het digitaal opkopersregister een zeer efficiënt en effectief middel om laagdrempelig gebruik te maken van het instrument. Er hoeft niet meer periodiek het papieren register bij de handelaren te worden opgehaald en bovendien komt veel meer zicht in het handelen en de bewegingen van een verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval de burgemeester bepaalt dat de verplichting bedoeld in het eerste lid «ook» via het digitaal opkopers register kan geschieden heeft de handelaar de keuze: het voeren van een schriftelijk register óf het voeren van het digitaal opkopers register.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48-140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling, die is gebaseerd op artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, bevat een tweetal voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a In artikel 437, eerste lid en onder c, van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de daarvoor aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het Wetboek van Strafrecht, zodat een regeling in de Apv nodig is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daarvoor aangewezen ambtenaar te leggen kan deze ambtenaar zowel het inkoop- als verkoopregister inzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Dit onderdeel voorziet hier dan ook in. De bepaling sluit nauw aan op het bepaalde in artikel 437, eerste lid, onder de en f, van het Wetboek van Strafrecht: de handelaar die in strijd met een schriftelijke last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen, strafbaar gesteld. In dit onderdeel is gekozen voor een termijn van drie werkdagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaar niet al te zeer wordt belemmerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6 Consumentenvuurwerk</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-49-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik van consumentenvuurwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De begripsbepaling maakt duidelijk dat het alleen gaat om vuurwerk dat – tijdens de jaarwisseling – door particulieren wordt afgestoken. Het gaat dus niet om professioneel vuurwerk en ook niet om vuurwerk dat op andere momenten in het jaar wordt afgestoken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid Het gebruik van consumentenvuurwerk is volgens het Vuurwerkbesluit een aantal uren per jaar toegestaan. In aanvulling daarop regelt dit artikel dat er plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk ook in die uren niet toelaatbaar is. Het eerste lid geeft de mogelijkheid om plaatsen aan te wijzen waar of in de nabijheid waarvan het verboden is om vuurwerk af te steken zoals ziekenhuizen, bejaardentehuizen of huizen met rieten daken. Het tweede lid ziet op plaatsen waar het afsteken gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. Te denken valt bijvoorbeeld aan een passage, een portiek of een drukke winkelstraat. Het derde lid bakent deze bepaling af ten opzicht van artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht waarin het afsteken van vuurwerk als gevaarzettingsdelict strafbaar wordt gesteld als hierdoor brandgevaar kan ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span><span class=\"lf-art-t\">Carbidschieten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij carbidschieten wordt een melkbus gevuld met carbid en water, waardoor een explosief gas ontstaat. Door een vlam bij de melkbus te houden, ontstaat er een explosie en vliegt een bal (of de deksel) met kabaal van de melkbus af. Carbidschieten brengt veiligheidsrisico’s met zich mee, aldus de Onderzoeksraad voor Veiligheid in haar rapport Veiligheidsrisico’s jaarwisseling (Den Haag 2017, p. 136). De deksel of de bal kan te hard worden vastgeslagen in de opening van de melkbus, waardoor hij ontploft. Ook kan schade of letsel ontstaan door deksels of ballen die van de melkbus worden geschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Carbid is geen vuurwerk. De regels van het Vuurwerkbesluit zijn dan ook niet van toepassing. Carbidschieten zou dus gebruikt kunnen worden als vervanging voor het afsteken van vuurwerk. De openbare orde en veiligheid van omgeving, omstanders en schutters kan dus in het geding komen waardoor er toch een onevenredig beroep moet worden gedaan op de medewerkers in de zorg, hulpverlening, politie en buitengewoon opsporingsambtenaren. Dit is niet wenselijk. Daarom voorziet dit artikel in een verbod op carbidschieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kan de burgemeester ontheffing verlenen van het verbod op carbidschieten. Het ligt daarbij voor de hand dat alleen in die gevallen waarin er sprake is van een gewortelde traditie van carbidschieten een ontheffing wordt verleend. Ook spreekt het voor zich dat alle openbare orde en veiligheidsrisico’s worden afgewogen (bijvoorbeeld niet in bebouwd, stedelijk gebied, afstand tot omstanders enzovoorts). Als blijkt dat de openbare orde en veiligheid in het geding komt, dan moet de ontheffing worden geweigerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Drugsoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span><span class=\"lf-art-t\">(Drugs)handel en openlijk (drugs)gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast als gevolg van drugshandel op openbare plaatsen, op het water en vanuit voer- en vaartuigen. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de Apv een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft. Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage «onverminderd het bepaalde in de Opiumwet» opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt een instrument te bieden in de strijd tegen de overlast, die wordt veroorzaakt door het op geregelde tijdstippen en op bepaalde plaatsen of routes aanbieden en aannemen van verdovende middelen, vooral harddrugs. Zowel de aanbieders als de zogenoemde drugsrunners zijn strafbaar. Verder is dit artikel zo geredigeerd, dat het er niet toe doet of privaatrechtelijk sprake is van koop of verkoop, schenking en dergelijke. De vraag rijst waaruit het «kennelijke doel» kan blijken. Dit kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers, het bij zich hebben van de bedoelde middelen, het hoorbaar aanbieden van drugs, ruzies tussen aanbieders en afnemers enzovoorts. Onder «heen en weer bewegen» wordt ook verstaan het rondrijden of rondvaren. Onder «daarop gelijkende waar» wordt ook verstaan distikstofmonoxide (lachgas). Dit betekent dat lachgas niet in de openbare ruimte mag worden verkocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het in het tweede lid opgenomen verbod is gerelateerd aan openlijk gebruiken van drugs en richt zich dus tot de drugsgebruikers. Vele drugsgebruikers gebruiken hun (hard)drugs – of treffen daarvoor voorbereidingen – in het openbaar. Dit veroorzaakt hinder, overlast en gevoelens van onveiligheid bij het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het tweede lid opgenomen verbod heeft dan ook tot doel om de overlast en hinder die burgers ondervinden van het openlijk gebruik van drugs te bestrijden. Met deze bepaling is dus het belang van de handhaving van de openbare orde gediend. De Hoge Raad is in de uitspraak van 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3031 en in de uitspraak van 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3328 van oordeel dat de Opiumwet het enkele gebruiken van een middel als bedoeld in artikel 2 en 3 van deze wet niet als zodanig strafbaar stelt. Een op grond van de Apv ingesteld verbod dupliceert de voorschriften van de Opiumwet dan ook niet: het doel van de Opiumwet is de bescherming van de volksgezondheid en niet de openbare orde. Een verbod tot het openlijk gebruiken van drugs is dan ook niet onverbindend. De aard van het verbod als het doel zijn bedoeld een aanvulling geven op de Opiumwet en zijn hiermee dus niet in strijd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke ophouding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestuurlijk ophouden is het op een bepaalde plaats onderbrengen en vasthouden van groepen ordeverstoorders, met inbegrip van het overbrengen naar die plaats. Op grond van het bepaalde in artikel 154a van de Gemeentewet oefent de burgemeester de bevoegdheid tot bestuurlijke ophouding pas uit bij groepsgewijze niet-naleving van door de gemeenteraad, bij verordening vastgestelde en daarvoor specifiek aangewezen voorschriften tot handhaving van de openbare orde of beperking van gevaar als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet, en als het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte manier kan worden verzekerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het bovenstaande heeft de gemeenteraad een aantal artikelen, die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid, aangewezen op basis waarvan bij overtreding de burgemeester kan besluiten groepen bestuurlijk op te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt van «door hem [de burgemeester] aangewezen groepen». Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging manifesteren als supporter van … / deelnemer aan de actie tegen …”. Verder kan de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen die de leden van de groep op dat moment verrichtten, de grootte van de groep of door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de groep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuurlijk ophouden is een bestuursrechtelijk ultimum remedium. Bestuurlijk ophouden komt in beeld bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, zoals bijvoorbeeld demonstraties, risicowedstrijden of grootschalige evenementen. Tot toepassing mag niet lichtvaardig worden besloten. Andere middelen moeten niet toereikend zijn om de openbare orde te herstellen. Pas als aan alle voorwaarden van artikel 154a van de Gemeentewet is voldaan kan toepassing worden gegeven aan bestuurlijke ophouding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-53-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester brengt een gebiedsaanwijzing zo spoedig mogelijk ter kennis van de gemeenteraad en de officier van justitie. In een veiligheidsrisicogebied kan de politie op last van de officier van justitie wapen- en munitiecontroles uitvoeren op verpakkingen van goederen, op vervoermiddelen en aan de kleding van personen. De officier van justitie vermeldt in het bevel op grond waarvan hij gebruik wil maken van zijn bevoegdheid. Het bevel is ten hoogste twaalf uur van kracht. Kenmerkend voor het fouilleren in een veiligheidsrisicogebied is dat er ten aanzien van de te controleren personen geen sprake hoeft te zijn van concrete verdenking van wapenbezit, of van het plegen van een strafbaar feit waarbij wapens zijn gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester trekt de aanwijzing in als de verstoring van de openbare orde of de vrees voor de veiligheid van personen in het gebied niet meer aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-54-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:54</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De regeling ziet op cameratoezicht in het belang van de openbare orde, waaronder wordt begrepen het voorkomen van strafbare feiten die nadelige invloed hebben op de orde en rust in de samenleving. Onder omstandigheden kunnen de opgenomen beelden ook worden gebruikt voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling als bedoeld in artikel 151c van de Gemeentewet heeft een exclusief karakter, dat wil zeggen dat alleen op de in de Gemeentewet omschreven manier kan worden overgegaan tot langdurige plaatsing van camera’s in het belang van de openbare orde. Andere vormen van cameratoezicht die ter handhaving van de openbare orde worden uitgeoefend, zoals kortstondig of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen of grootschalige ordeverstoringen, vallen niet onder deze regeling. De bevoegdheid hiervoor kan worden ontleend aan artikel 3 van de Politiewet 2012. Dit artikel geldt evenmin voor situaties waarin camera’s voor bewakingsdoeleinden ter beveiliging van bijvoorbeeld panden en terreinen in de openbare ruimte zijn geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip «openbare plaats» is ontleend aan de Wet openbare manifestaties, die hieronder verstaat een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Dat een plaats openstaat voor het publiek houdt in dat in principe iedereen vrij is om daar te komen, te verblijven en te gaan, zonder dat het verblijf door de rechthebbende aan een bepaald doel is gebonden, of dat voor het betreden van de plaats beperkingen gelden in de vorm van een meldingsplicht, een voorafgaand verlof of een toegangsbewijs. Openbare plaatsen zijn in de eerste plaats de weg en de plaatsen die een daarmee vergelijkbare functie vervullen, zoals plantsoenen, parken en bijvoorbeeld de voor iedereen vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages en winkelgalerijen. Stadions, warenhuizen, postkantoren, kerken en gemeentehuizen zijn daarentegen geen openbare plaatsen in de zin van de Wet openbare manifestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Op grond van artikel 151c, eerste lid, van de Gemeentewet kunnen ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiekelijk toegankelijk zijn, worden aangewezen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet worden gebracht. Het gaat hierbij om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wet openbare manifestaties vallen. Het uitgangspunt blijft altijd dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde. Daarom is in Alkmaar gekozen de volgende plaatsen aan te wijzen waar de burgemeester, als de handhaving van de openbare orde dit noodzaakt, tot cameratoezicht kan besluiten: parkeerterreinen, parkeergarages, winkelcentra en het openbaar water.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-55-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:55</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting van een voor publiek openstaand gebouw of erf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 174 van de Gemeentewet geeft de burgemeester de bevoegdheid over te gaan tot sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen of daarbij behorende erven. Dit kan echter alleen vanwege de bescherming van veiligheid en gezondheid, als sprake is van een concreet voorzienbare en actuele dreiging, waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden. De sluiting kan bovendien alleen van korte duur zijn. Soms is bijvoorbeeld een langere sluiting nodig en ontbeert de burgemeester de bevoegdheid daarvoor op grond van artikel 174 van de Gemeentewet. Het voorgestelde artikel voorziet hier alsnog in. Dit artikel geeft de burgemeester een sluitingsbevoegdheid voor overige voor het publiek openstaande gebouwen en erven (denk aan winkels, pandjeshuizen en growshops; die nu wettelijk verboden zijn). Overige, omdat er al speciale Apv-bepalingen zijn voor horecabedrijven (artikel 2:28) en seksinrichtingen (artikel 3:10).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kan de burgemeester voor het publieke openstaande gebouwen en erven sluiten als daar wordt gehandeld in strijd met de Wet op de kansspelen, (vuur)wapens aanwezig zijn, gestolen goederen worden verhandeld, of andere feiten plaatsvinden die tot het oordeel leiden dat het open blijven van de gelegenheid ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. In de opsomming van feiten die tot een sluiting kunnen leiden ontbreken de handel en de aanwezigheid van drugs. Om daartegen te kunnen optreden is in artikel 13b van de Opiumwet een afzonderlijke grondslag voor de burgemeester opgenomen voor het toepassen van bestuursdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel is het niet relevant of de eigenaar of gebruiker van de voor het publiek openstaande gebouw betrokken is bij de tot sluiting redengevende feiten, of dat hem daarvan anderszins een verwijt kan worden gemaakt. De sluiting beoogt geen straf op te leggen, maar is gericht op het herstel van de openbare orde die in gevaar wordt gebracht door feiten en omstandigheden die in het gebouw plaatsvinden. De schuldvraag is daarbij in principe niet van belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-56-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:56</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpak woonoverlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel strekt tot uitvoering van artikel 151d van de Gemeentewet (Wet aanpak woonoverlast) dat het mogelijk maakt om bij verordening te bepalen dat een gebruiker van een erf of woning zorgt dat er geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Dit artikel is niet bedoeld als bevoegdheid ter handhaving van de openbare orde, maar alleen ter bestrijding van ernstige woonoverlast voor omwonenden veroorzaakt door andere bewoners in de nabije omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid van dit artikel is – kort gezegd – opgenomen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, verplicht is er zorg voor te dragen dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Bij niet nakoming van deze verplichting heeft de burgemeester op grond van het tweede lid van dit artikel de bevoegdheid om een bestuurlijke herstelsanctie in de vorm van een gedragsaanwijzing op te leggen die ook de vorm kan krijgen van een tijdelijk huisverbod (zie artikel 151d, derde lid). Er is een opsomming opgenomen van concrete overlastsituaties waarin de burgemeester een bestuurlijke herstelsanctie kan opleggen. Zodra er voldoende praktijkervaring is met de toepassing van dit artikel zal de burgemeester beleidsregels vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving De handhaving vindt op grond van het tweede lid van dit artikel plaats door het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. De last wordt geformuleerd als een “specifieke gedragsaanwijzing”, waarin staat dat de overlastgevende bewoner bepaalde handelingen moet doen of nalaten zodat de overlast ophoudt (voorbeelden zijn een gebod om alleen een beperkt aantal bezoekers per dag te ontvangen en na een bepaald tijdstip helemaal geen bezoekers meer; de hond te muilkorven of anderszins te voorkomen dat de hond overlast veroorzaakt; het portiek leefbaar houden; of een verbod om ’s avonds piano te spelen. Ook kan de gedragsaanwijzing een gebod zijn om psychische of sociale hulp te zoeken of een agressiereductietraining te volgen, zie Kamerstukken II 2015/15, 34 007 nr. 9, p. 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">De precieze vorm van handhaving die wordt opgelegd bij niet nakoming van de last is afhankelijk van de last die is opgelegd. Bij de daadwerkelijke uitoefening van bestuursdwang kan worden gedacht aan het verwijderen van bezoekers uit de woning, het aanbrengen van geluidwerende vloerbedekking, het verwijderen van geluidsapparatuur, het in beslag nemen van huisdieren, het verwijderen van vuilnis enzovoorts. De betrokkene moet wel in staat zijn om de last uit te voeren. Een gedragsaanwijzing dat een baby niet mag huilen, kan dan ook niet worden opgelegd (vgl. Kamerstukken II 2015/15, 34 007 nr. 9, p. 4). De last kan ook een tijdelijk huisverbod inhouden. Dit tijdelijk huisverbod is bedoeld als ultimum remedium.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester gaat alleen over tot de inzet van zijn bevoegdheid als de ernstige hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte manier – dat wil zeggen minder ingrijpende middelen op grond van het zogenoemde subsidiariteitsbeginsel – kan worden tegengegaan. Dus bijvoorbeeld eerst een goed gesprek, door buurtbemiddeling of door mediation; mocht dit niet werken, dan is het mogelijk dat de burgemeester een waarschuwing geeft. Als dit ook geen effect sorteert, dan pas is de last onder bestuursdwang met gedragsaanwijzing het optimum remedium. In het uiterste geval (ultimum remedium) kan de gedragsaanwijzing een tijdelijk verbod inhouden om in de woning te komen, het tijdelijk huisverbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De begripsomschrijvingen staan op alfabetische volgorde, zodat de verschillende definities eenvoudig zijn terug te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advertentie: omdat de Apv, vanwege het toezicht, bepaalt dat in advertenties voor seksbedrijven of prostituees bepaalde nummers (vergunningnummer, telefoonnummer) moeten worden vermeld, is ervoor gekozen het begrip «advertentie» ruim te omschrijven. Er is ook een veelheid aan mogelijkheden om aandacht op de aangeboden dienstverlening te vestigen. Voor alle vormen van reclame met een medium (zoals kranten, televisie, internet, posters, flyers) geldt het voorschrift. Daarbij moet het gaan om uitingen die wervend van karakter zijn en het oogmerk hebben de klandizie te vergroten. Daarop ziet het bijvoeglijk naamwoord: commerciële.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheerder: de dagelijkse leiding in een seksinrichting kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een «beheerder» berusten. Het is van belang ook voor deze persoon, die primair verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken in de seksinrichting, expliciet enkele bepalingen op te nemen in de Apv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Escortbedrijf: een veelvoorkomende vorm van een niet-locatiegebonden prostitutiebedrijf is een «escortbedrijf». Een escortbedrijf bemiddelt tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats dan de plek waar de bemiddeling plaatsvindt. De bemiddeling kan plaatsvinden vanuit een bedrijfspand, maar ook vanaf een privé-adres. De plaats van het bedrijfspand of het privé-adres is bepalend voor de vergunningplicht. De bemiddeling kan in persoon plaatsvinden, maar over het algemeen zal dit telefonisch gaan of via een website.</p>\n<p class=\"lf-p\">Exploitant: voor de definitie van «exploitant» is aansluiting gezocht bij een van de definities van het begrip leidinggevende in artikel 1, eerste lid, onderdeel 1°, van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet). Het «voor rekening en risico» heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Onder deze definitie valt ook de vennoot in een personenvennootschap. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant, dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de Apv – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. Een seksbedrijf heeft altijd een exploitant. Ook in het geval een prostituee zelfstandig bedrijfsmatige activiteiten beoefent is er sprake van een seksbedrijf, meer precies: een prostitutiebedrijf. In die gevallen dient de prostituee enerzijds aangemerkt te worden als prostituee, maar anderzijds ook als exploitant. De prostituee/exploitant dient daarmee dus ook te voldoen aan alle eisen die aan de prostituee worden gesteld én aan de eisen die aan de exploitant worden gesteld. Hieruit volgt onder meer dat de prostituee/exploitant ten minste 21 dient te zijn. Vergunningen worden ook geweigerd als de exploitant de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt heeft (zie artikel 3:5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Klant: in dit hoofdstuk heeft het begrip «klant» een beperktere betekenis dan in het spraakgebruik: het is hier een afnemer van seksuele diensten. Dus aanwezigen in een seksinrichting die (vooralsnog) alleen iets drinken, of een vertoning komen bekijken, vallen niet onder dit begrip. Hetzelfde geldt uiteraard voor eventuele andere aanwezigen, zoals de exploitant, de beheerder, het personeel dat in de bedrijfsruimte van het seksbedrijf werkzaam is, toezichthouders en personen die aanwezig zijn vanwege bijvoorbeeld het leveren van goederen of het uitvoeren van reparaties of onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prostituee: in deze verordening wordt het begrip «prostituee» gebruikt, omdat dit het meest aansluit bij het spraakgebruik en bij de praktijk binnen de prostitutiebranche. Aangezien dit woord, op deze manier geschreven, taalkundig vrouwelijk is, wordt in voorkomende gevallen gebruik gemaakt van vrouwelijke voornaamwoorden (zij, haar). In alle gevallen waar «prostituee» staat, wordt evenzeer de (mannelijke) prostituee bedoeld. Dit komt in de definitie van de term «prostituee» tot uitdrukking door de sekseneutrale aanduiding: «degene die».</p>\n<p class=\"lf-p\">Prostitutie: de definitie van «prostitutie» sluit aan bij de formulering in artikel 273f, eerste lid, onder 3 en 5, van het Wetboek van Strafrecht. Het «zich beschikbaar stellen» duidt op een structurele situatie, zodat allerlei incidentele seksuele handelingen met een ander niet onder het begrip «prostitutie» vallen, zelfs niet als «de ander» een tegenprestatie levert. De term «vergoeding» geeft aan dat er niet alleen sprake hoeft te zijn van een geldbedrag. Het vergoeden aan geschiedt door of voor «de ander», wat impliceert dat het meewerken aan pornofilms geen prostitutie is in de zin van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prostitutiebedrijf: «prostitutiebedrijven» zijn er in verschillende varianten. In de eerste plaats vallen hieronder de locatiegebonden bedrijven met één of meerdere seksinrichtingen. Ook een niet-locatiegebonden bedrijf kan een prostitutiebedrijf zijn; veelal gaat het dan om een escortbedrijf, dat bemiddelt tussen prostituees en klanten. Als prostitutie plaatsvindt in woningen, kunnen (delen van) deze locaties – onder omstandigheden – als seksinrichting aangemerkt worden. Die (ruimte in een) ‘privéwoning’ is voor het publiek toegankelijk nu klanten toegang wordt verschaft. Is de prostituee op enigerlei wijze werkzaam voor degene die de ruimte beschikbaar stelt, dan is er zonder meer sprake van een prostitutiebedrijf. Thuisprostitutie is op grond van het bestemmingsplan verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raamprostitutiebedrijf: er is gekozen om een aparte definitie op te nemen voor het begrip «raamprostitutiebedrijf» omdat dit onderdeel van de prostitutiesector een bijzonder uiterlijke verschijningsvorm en invloed op de omgeving heeft. Daarom zijn sectorspecifieke regels voor de raamprostitutie opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Seksbedrijf: het begrip «seksbedrijf» duidt op een activiteit of op activiteiten, en dus niet op de locatie waar de verrichtingen of vertoningen plaatsvinden; daarvoor wordt de term «seksinrichting» gebruikt. Binnen de omschrijving valt het gelegenheid geven tot het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling (prostitutie), en het gelegenheid geven tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander, zoals ‘peepshows’ en sekstheaters, maar bijvoorbeeld ook het bedrijfsmatig en tegen vergoeding verzorgen van webcamseks. Daarnaast wordt onder dit begrip ook verstaan het in een seksinrichting tegen vergoeding aanbieden van erotisch-pornografische vertoningen: de seksbioscopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of een activiteit «bedrijfsmatig» wordt verricht, hangt af van een aantal factoren. Is er personeel in dienst, dan is er zonder meer sprake van een bedrijf. Maar een individu zonder personeel kan ook een bedrijf zijn in de zin van de Apv, en is dan dus vergunningplichtig. Het oogmerk om (een aanvulling op) een inkomen te genereren, het aantal uren dat aan de activiteit wordt besteed, de manier van klantenwerving (bijvoorbeeld of er wordt geadverteerd om de werkzaamheden onder de aandacht van publiek te brengen en klanten te trekken) en de organisatiegraad en de omvang van het prostitutieaanbod zijn aspecten om te bepalen of er bedrijfsmatig activiteiten worden verricht. Of er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten zal dus moeten worden vastgesteld aan de hand van de feitelijke situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip «seksbedrijf» wordt dus gebruikt als verzamelnaam, waarbinnen specifieke vormen zijn te onderscheiden: als gelegenheid wordt geboden tot prostitutie, dan is er sprake van een «prostitutiebedrijf».</p>\n<p class=\"lf-p\">Seksinrichting: met het begrip «seksinrichting» wordt geduid op de voor publiek toegankelijk locatie van een seksbedrijf. Dit kan samen vallen met de locatie waar de exploitant van het seksbedrijf zich heeft gevestigd, maar dat is zeker niet altijd – en bij escortbedrijven per definitie niet – het geval. Onder «besloten ruimte» worden ook begrepen een vaar- of voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord «besloten» duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder ook begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkruimte: onder «werkruimte» wordt verstaan een zelfstandig onderdeel van een seksinrichting waarin seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding worden verricht. Eén seksinrichting kan één (of natuurlijk geen) werkruimte hebben, of meerdere. Met «zelfstandig» wordt hier niet bedoeld dat een werkruimte altijd geheel zelfvoorzienend hoeft te zijn; het ziet op de van elkaar te onderscheiden delen van een seksinrichting waarin over het algemeen steeds één prostituee haar diensten aanbiedt. Een raam (met bijbehorende ‘peeskamer’) zal veelal een afzonderlijke werkruimte zijn; een deel van een seksinrichting dat apart verhuurd wordt zal veelal een afzonderlijke werkruimte zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken het in deze bepaling opgenomen onderscheid noodzakelijk. Op grond van artikel 160 van de Gemeentewet is het college belast met de uitvoering van raadsbesluiten, waaronder autonome verordeningen zoals deze, tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier voor: artikel 174 van de Gemeentewet belast de burgemeester namelijk met «het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, en ook op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven» (eerste lid) en met «de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht» (derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester dan ook te worden aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichting is echter het ruimere begrip «ruimte» opgenomen. Dit houdt in dat het college bevoegd is als het gaat om met name vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het eerste lid kan het bevoegd bestuursorgaan de exploitatie van een seks- of escortbedrijf aan nadere regels binden. Dit in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de verkeersvrijheid of –veiligheid, de gezondheid, zedelijkheid en de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nadere regels in het kader van artikel 3:4 kan onder meer worden gedacht aan een nadere invulling van dat wat in het bedrijfsplan moet worden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bedrijfsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter versterking van de sociale positie van de prostituee is het van belang dat er in een prostitutiebedrijf maatregelen worden getroffen op het gebied van hygiëne en van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees. Daarvoor moet bij het aanvragen van een vergunning de exploitant een bedrijfsplan overleggen, zodat vooraf kan worden beoordeeld of de exploitant een bedrijfsplan overleggen, zodat vooraf kan worden beoordeeld of de exploitant voor deze punten voldoende oog heeft, en zorg draagt voor goede arbeidsomstandigheden. Deze verplichting geldt voor alle prostitutiebedrijven, dus ook voor raamprostitutiebedrijven en escortbedrijven. Uit de aard van de werkzaamheden volgt dat voor een escortbedrijf – op bepaalde punten – een andere uitwerking van het bedrijfsplan is vereist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5-153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning seksbedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Er is voor gekozen om seksbedrijven met een vergunningstelsel te reguleren. Dit houdt in dat het uitoefenen van een seksbedrijf is verboden, tenzij een vergunning is verleend. De keuze voor een vergunningenstelsel sluit aan bij bestaande structuren. Een uitgangspunt is ook dat legaal aanbod in beginsel illegaal aanbod tegengaat, de zogenoemde kanalisatiegedachte. Daarbij wordt aangenomen dat als er een legaal en betrouwbaar aanbod bestaat, er niet langer aanleiding is voor klanten om te kiezen voor een illegaal aanbod met alle daarmee samenhangende onwenselijkheden en onzekerheden. Met wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de toepassing van de Wet Bibob wordt verwezen naar de Beleidsregels gemeente Alkmaar 2015 voor horeca-, prostitutie, speelautomaten- en evenementenvergunningen in het kader van de Wet Bibob.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Met het oog op een toekomstbestendige uitvoeringspraktijk, die onder meer aansluit bij de Dienstenrichtlijn en de ontwikkelingen in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, is in het tweede lid een zorgplicht voor het bevoegd bestuursorgaan opgenomen. Als er sprake is van de verlening van schaarse vergunningen dan moet het bevoegde bestuursorgaan een selectieprocedure hanteren die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt. Dit ziet onder andere op een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure. De geëigende weg om uitvoering aan te geven aan deze zorgplicht is dat de bevoegde bestuursorganen in een beleidsregel uiteenzetten hoe zij de selectieprocedure invullen (en hier vervolgens uitvoering aan geven).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid en vierde lid Vanwege op de rechtszekerheid voor het bedrijfsleven is bepaald dat de beslistermijn voor een vergunning voor een seksbedrijf twaalf weken bedraagt. Deze termijn kan eenmaal met twaalf weken worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Het vijfde lid is opgenomen omdat na inwerkingtreding van de Dienstenwet als uitgangspunt geldt dat een vergunning van rechtswege wordt verleend wanneer de termijn, waarbinnen het antwoord op de aanvraag moet volgen, is verstreken (vgl. ook artikel 13, vierde lid, van de Dienstenrichtlijn). De verwachting is dat de wettelijke termijnen in dit artikel ruim genoeg zijn om tijdig op een aanvraag om een vergunning te besluiten. Zou dat evenwel niet lukken, dan wordt het belang van een daadwerkelijke afweging bij vergunningen als hier aan de orde geacht zwaarder te wegen dan voornoemd uitgangspunt. Dit is in overeenstemming met de uitzonderingsgrond van artikel 13, vierde lid, van de Dienstenrichtlijn: dwingende redenen van algemeen belang, te weten de bescherming van de openbare orde en de volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een van rechtswege verleende vergunning is dan ook niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zes lid Op grond van dit lid kan het college het aantal te verlenen vergunningen en het aantal werkruimten aan een maximum binden. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2013, ECLI:NL:RBHNO:2013:BZ7923.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Schaarse vergunningen mogen in lijn met de Dienstenrichtlijn en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet voor onbepaalde tijd worden verleend. De termijn van drie jaar betreft de vaste lijn van de burgemeester, die met dit artikel wordt gecodificeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid (onderdelen a tot en met h) Het eerste lid, in samenhang gelezen met het tweede tot en met het vierde lid, bevat de gronden op basis waarvan een vergunning in ieder geval wordt geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het decriminaliseren van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van) prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de besluitvorming over een aanvraag om een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting rekening gehouden kan worden gehouden met de antecedenten van de daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het bevoegd gezag kunnen, op grond van artikel 13 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens, gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderdelen a tot en met h wordt zoveel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) en het daarop gebaseerde Besluit. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor niet ook een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet) is vereist een antecedentenonderzoek kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet (Alcoholwet) zijn in het eerste lid onder meer zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen is gelegen in de bestrijding van mensenhandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel j Het zal regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in de onderdelen a tot en met h, maar dat het geldende bestemmingsplan of beheersverordening vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt. Daarom is dit onderdeel opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Wat betreft de in de onderdelen genoemde gronden bestaat ruimte voor een afweging of een vergunning al dan niet zal worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdelen a, b en c Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw met elkaar verweven. De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving is dan ook aanleiding geweest om tot een maximumstelsel over te gaan. In de periode voorafgaand aan de sluiting in 2011 van een aantal prostitutiepanden aan de Achterdam waren de klachten vanuit de aangrenzende woongebieden zeer groot. Die klachten gingen over ernstige overlast vanwege het grote aantal bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bracht onevenredige (geluids)overlast met zich mee, vooral in de nachtelijke uren, veroorzaakt door geschreeuw, dichtslaande portieren et cetera. Dit naast de grote parkeeroverlast vanwege het vaak wildparkeren, vooral op de Dijk. Daarnaast was er sprake van een aanzienlijk gevoel van onveiligheid dat samenhing niet alleen met de aantallen bezoekers maar ook met het type bezoeker. Een en ander is voor de wijkraad Oostelijk Stadsdeel I aanleiding geweest tot het indienen van een burgerinitiatief gericht op de verplaatsing van de hele prostitutiebranche naar ergens anders. De gemeenteraad heeft dit initiatief weliswaar niet gehonoreerd maar heeft wel het beroep van de wijk op het recht op een redelijk ongestoord woongenot erkend en een reeks samenhangende maatregelen genomen, waaronder de invoering van een maximumstelsel, een herinrichting van de Dijk, intensivering van toezicht en het terugbrengen van de sluitingstijden en verkleining van de omvang van de prostitutiebranche op de Achterdam. Dit laatste werd ook gefaciliteerd door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2279, in de zogenoemde Bibob-zaken, die in 2011 tot sluiting van een groot aantal prostitutiepanden aan de Achterdam heeft geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na die sluiting, die feitelijk tot een bijna halvering van het aantal werkkamers heeft geleid en na uitvoering van de aanvullende maatregelen, is de overlast op en rond de Achterdam sterk verminderd en is het woon- en leefklimaat verbeterd tot op een niveau dat voor de binnenstad acceptabel is. Het aantal klachten is sterk afgenomen. De gemeentelijke inzet, die voor deze relatief kleine bedrijfstak moest worden geleverd om de openbare orde en veiligheid af te regelen en ook te moeten optreden op grond van de voortdurende klachten als gevolg van verstoring van het woon- en leefklimaat, is daarna weliswaar nog steeds relatief disproportioneel maar aanzienlijk verminderd ten opzichte van de situatie van voor 1 september 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast speelt de omvang van de prostitutiebranche in relatie tot het inwonersaantal en de regiofunctie een rol, juist omdat de omvang sterk is gerelateerd aan knelpunten op het gebied van openbare orde en veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beperking van het aantal kamers levert voor Alkmaar nog altijd een gemiddeld groot aantal kamers per 1000 inwoners op, zeker in verhouding tot de landelijke cijfers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Aantal inwoners Aantal ramen/kamers Raam/1000 inwoners Alkmaar 107.000 69 0,64 Amsterdam nu 821.000 409 0,5 Amsterdam streefdoel 821.000 240 0,29 Groningen nu 200.000 146 0,73 Groningen streefdoel 200.000 95 0,48 Deventer 98.000 10 0,1 Arnhem 152.000 0 0 Eindhoven 220.000 48 0,22 Al deze gemeenten hebben een sterke regionale functie. Bij 0,64 raam per 1000 inwoners zit Alkmaar nog ver boven het gemiddelde van vergelijkbare gemeenten. Er is geen reden om aan te nemen dat de seksuele behoeften van bewoners in Alkmaar en omstreken dermate afwijken van die van de inwoners en bezoekers van de hierboven genoemde gemeenten dat daaruit het relatief grote aantal ramen valt te verklaren. Omdat binnen het maximumstelsel, gelet op de behoefte een afname van het aantal ramen eerder in de rede ligt dan een toename en, gelet op het feit dat na de sluiting van de prostitutieramen in september 2011 het woonklimaat is verbeterd tot op een niveau dat voor de binnenstad acceptabel is, is honorering van een aanvraag die leidt tot een overschrijding van het toch al ruime maximum niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid onderdeel d Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare veiligheid en is doorgaans aan de orde bij raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten namelijk plaats op of aan de openbare weg, waar sprake kan zijn van aanzienlijke aantallen voetgangers en motorvoertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid onderdeel e Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken over de ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidsbeleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7</span><span class=\"lf-art-t\">Adverteren voor seksbedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting in advertenties het nummer te vermelden van de vergunning die aan een seksbedrijf is verleend, en geen andere nummers, vergemakkelijkt het toezicht. Het vaste nummer kan ook een mobiel nummer zijn. Voor niet-vergunde bedrijven is het niet mogelijk op deze manier te adverteren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf of escortbedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt onder meer – net als voor de exploitant van een seksbedrijf – een leeftijdseis voor prostituees geïntroduceerd. Hiertoe is besloten vanwege het gegeven dat jonge prostituees vooral vatbaar voor en slachtoffer van misstanden als dwang, misbruik en mensenhandel zijn. Bovendien zijn prostituees van 21 jaar en ouder weerbaarder dan zeer jonge prostituees en is de kans groter dat ze over een startkwalificatie beschikken waarmee de eventuele economische druk om te kiezen voor de prostitutie lager is en bovendien een eventuele gewenste uitstap wordt vergemakkelijkt. Het stellen van een leeftijdsgrens wordt als een passend en noodzakelijk middel beschouwd om deze misstanden te bestrijden. Daarmee is het gemaakte onderscheid objectief gerechtvaardigd door een legitiem doel, bovendien zijn de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk. Hierdoor levert het onderscheid naar leeftijd geen strijd op met het verbod van leeftijdsdiscriminatie. Op grond van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1818 is dit artikel toelaatbaar. Het voorschrift over de minimumleeftijd is proportioneel en dient dwingende reden van algemeen belang en is daarom niet in strijd met de Dienstenrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in de eerste plaats de exploitant die moet voorkomen dat er bij zijn bedrijf prostituees werkzaam zijn die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt. Zijn die daar toch werkzaam, dan is de exploitant in overtreding. Overigens, zoals eerder opgemerkt, een prostituee die zelfstandig bedrijfsmatige activiteiten exploiteert valt enerzijds aan te merken als exploitant van een vergunningplichtig prostitutiebedrijf en anderzijds als prostituee bij dat bedrijf. Los van de hier gestelde leeftijdseis is dus uitgesloten dat in die constructies prostituees legaal aan de slag kunnen; de aanvraag van een exploitant/prostituee die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt zal namelijk worden geweigerd (vgl. artikel 3:6, eerste lid en onder d).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de prostituee er bewust en vrijwillig voor kiest om te werken in de illegale prostitutie, dan moet ook zij daarvoor aansprakelijk kunnen worden gehouden. Daarom is het tweede lid opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-9-157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden, aanwezigheid en toegang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De algemene sluitingstijden van het eerste lid gelden niet voor seksinrichtingen waarvan bij vergunning is bepaald dat daarvoor afwijkende sluitingstijden gelden. Die afwijkende sluitingstijden kunnen bij het verlenen van de vergunning daaraan worden verbonden (zie ook het tweede lid), maar ook lopende de vergunning, als de omstandigheden daarvoor aanleiding geven. De sluitingstijden zijn niet van toepassing op sekswinkels; daarop is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het bevoegd bestuursorgaan kan door een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor één of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden vaststellen. Een dergelijk voorschrift wordt verbonden aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken seksinrichting(en) zal worden verleend. Het voorschrift moet strekken ter bescherming van het belang of de belangen waarmee de vergunning is vereist. Afwijkende sluitingstijden kunnen zowel ruimer als beperkender zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid</p></div>", "next": 239638}