{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">1.Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd op grond van de weigeringsgronden van artikel 1:8 en de ordening van de haven (waaronder het aanzien van de gemeente).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid, hoeft een vaartuig niet over een toegang te beschikken, indien: de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge van laad – of loshandelingen; of het afmeren van korte duur is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-43-381\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:43</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere verplichtingen voor gezagvoerders van zeevaartuigen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-43a-382\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:43a</span><span class=\"lf-art-t\">Verhalen anders dan op eigen aanvraag (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In artikel 5:43a en 5:43b wordt verstaan onder:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>Binnenschip: vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de binnenwateren of op dienovereenkomstige buitenlandse wateren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>Schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Zeeschip: schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of dat blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is bestemd en elk schip dat is voorzien van een document - afgegeven door het bevoegde gezag van het land waar het schip is ingeschreven - waaruit blijkt dat het geschikt is voor de vaart ter zee 2.De kapitein van een zeeschip, de schipper van een binnenschip of de rechthebbende op een ander soort schip of object te water is verplicht dit naar elders te verhalen indien dat naar het oordeel van het college in het belang van ordening, openbare orde, veiligheid of milieu noodzakelijk is.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan de in het tweede lid bedoelde schepen en objecten verhalen indien dit op grond van de in dat lid bedoelde belangen zonder uitstel dringend noodzakelijk is dan wel de kapitein, schipper of rechthebbende onbekend is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-43b-383\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:43b</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod gebruik hoofdmotor of hulpmotor (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is, in nader door het college aan te wijzen gebieden, verboden om op een afgemeerd schip de hoofdmotor of hulpmotor in werking te hebben, tenzij direct voor vertrek van het schip.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf3Bijzondere bepalingen met betrekking tot woonschepen (z)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-44-5-48-384\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:44-5:48</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf4Ontvangstvoorzieningen voor olie van zeevaartuigen (z)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-49-5-53-385\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:49-5:53</span><span class=\"lf-art-t\">(vervallen)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7Crossterreinen en gemotoriseerd- en ruiterverkeer in natuurgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-54-386\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:54</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets voor recreatieve doeleinden te rijden of een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding, van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-55-387\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:55</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de Milieuverordening Noord-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling8Verbod vuur te stoken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-56-388\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:56</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor het verbod op bepaalde dagen en tijden niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Milieuverordening Noord-Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling9Verstrooiïng van as</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-57-389\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:57</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-58-390\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-59-391\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:59</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen) Hoofdstuk6Straf-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-392\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens het bepaalde in de Wet economische delicten wordt overtreding van de artikelen van deze verordening en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-393\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de politieambtenaren Eenheid Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland, voor zover zij werkzaam zijn binnen een territoriaal onderdeel dat een deel van de Gemeente Zaanstad omvat, voorts, de ambtenaren van de sector Handhaving, de ambtenaren van de afdeling Havens en Vaarwegen, de ambtenaren van de sector Belastingen en de ambtenaren van de afdeling Burgerzaken, ieder voor zover het zaken betreft welke aan zijn toezicht zijn toevertrouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-394\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-395\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze verordening treedt in werking op de derde dag na bekendmaking ervan in het Gemeenteblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De Algemene plaatselijke verordening van 01-08-2012 (Gemeenteblad 2012, nummer 26) wordt ingetrokken met ingang van de in het eerste lid genoemde datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan bepalen dat door hem aan te wijzen artikelen casu quo gedeelten van deze verordening op andere tijdstippen dan het in het eerste lid genoemde tijdstip, mits gelegen na de bekendmaking, in werking treden. Voorzover de in het derde lid genoemde verordeningen onderwerpen betreffen die geregeld worden in de aangewezen artikelen casu quo gedeelten ervan, houden die verordeningen in zoverre op te gelden op die andere tijdstippen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5-396\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten, genomen krachtens de oude verordening, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6-397\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">ToelichtingAPV</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats: hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, Wom zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg: uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op of aan de weg: verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar geen weg, maar wel openbare plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechthebbende: hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag: met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In deze verordening heeft de raad de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span><span class=\"lf-art-t\">Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een vergunningverlening voor grote evenementen is echter deze termijn te kort om een zorgvuldige afweging te kunnen maken voor het wel of niet verlenen van de vergunning. De indieningtermijnen voor evenementen vanaf 500 bezoekers wordt in artikel 2:25 verlengd naar twaalf weken. Daarom is ook het tweede lid van dit artikel aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de algemene strafbepaling die in deze APV is opgenomen (artikel 6:1) wordt overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is aangesloten bij de Europese Dienstenrichtlijn (artikel 16): de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:9</span><span class=\"lf-art-t\">Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omwille van de duidelijkheid wordt niet langer in dit artikel geregeld voor welke onder de Dienstenrichtlijn vallende vergunningen de LSP van toepassing is, maar bij ieder afzonderlijk artikel zelf.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1. BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr. Teneinde discussies over definities te vermijden is de term “vechten” geschrapt en “wanordelijkheden” is vervangen door ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: de bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 Politiewet. Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. artikel 6:1 van de APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties Vierde lid: artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Verspreiden van stukken en aanbieden van andere activiteiten op de openbare weg (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel opent de mogelijkheid de aanbieding van drukwerk, maar ook een aantal andere activiteiten op de openbare weg, zoals het werven van leden of het uitdelen van producten voor een bepaald gebied en of gedurende een bepaalde tijd te verbieden. Dergelijke activiteiten hebben, met name in winkelgebieden op drukke tijden, een zeer negatieve invloed op de doorstroming van het (voetgangers)verkeer en daarmee op de bruikbaarheid van de weg. Daarbij is de opdringerigheid van flyeraars, samplers en enquêteurs en de rommel die ze veroorzaken storend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door gebruik van het woord “klanten” biedt het tweede lid niet alleen bescherming tegen de werving van leden of donateurs maar ook betaalde diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft op 13 november 2012 besloten om op basis van dit artikel, tweede lid, in Inverdan een aantal plaatsen aan te wijzen (Beleidsregels reclame- en standplaatsenbeleid Inverdan, Gemeenteblad 2012, nr. 51).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5. BRUIKBAARHEID TEN AANZIEN VAN DE WEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen of stoffen opof aan de weg. (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feitelijk is met dit artikel voor burgers en bedrijven de zogeheten “zorgplicht” belegd. Er mogen voorwerpen worden geplaatst, zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en aan de andere voorwaarden in het eerste lid wordt voldaan. De burger dient datzelf af te wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: naast weg of weggedeelte is ook \"openbare plaats\" toegevoegd. Hiermee wordt beoogd het artikel ook te kunnen gebruiken bij de aanpak van het illegaal in gebruik nemen van stukjes gemeentegrond door burgers. Dit artikel geeft een nieuwe rechtsgrond om op te treden tegen de in gebruikneming. De toevoeging van gevaar en schade voor personen is gedaan in verband met het plaatsen van objecten zoals bijvoorbeeld speeltoestellen. De gemeente is als grondeigenaar mede aansprakelijk voor schade door speeltoestellen die door particulieren in gemeentegrond zijn geplaatst. De basis hiervoor is de onrechtmatige daad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onrechtmatigheid betreft het niet voldoen aan de veiligheids- c.q. onderhoudseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid: om te bereiken dat bepaalde gebieden de gewenste uitstraling krijgen en houden, kunnen door college nadere regels worden vastgesteld. De bevoegdheid om dit te doen wordt door de raad hier verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn nadere regels gesteld voor de plaatsing van voorwerpen zoals tijdelijke bouwobjecten, uitstallingen en plantenbakken en banken. Indien een te plaatsen object voldoet aan de criteria uit de nadere regels, kan volstaan worden met een melding. Deze melding kan via een digitaal formulier op de website van Zaanstad worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid: Om te bereiken dat bepaalde gebieden (met name Inverdan) de gewenste uitstraling krijgen en houden, kan het college gebieden aanwijzen waar het verboden is om voorwerpen te plaatsen. De bevoegdheid om dit te doen wordt door de raad hier verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheers-verordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Eerste lid: aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg, verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogeheten “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid: het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is het geregeld in de Telecommunicatiewet en de Telecommunicatieverordening Zaanstad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: om te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen, en desgewenst ook dat een uitweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte in Zaanstad, is een vergunningplicht opgenomen. Dit in tegenstelling tot de model-APV van de VNG, waarin wordt volstaan met een meldingplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De criteria op basis waarvan een uitwegvergunning verleend of geweigerd kan worden zijn vastgelegd in Beleidsregels uitwegen Zaanstad 2008 (Gemeenteblad 2008, nummer 46).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:19a en b. Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (z) Omdat het in dit artikel gaat om situaties die zonder meer verboden moeten worden, kan dit niet geschrapt worden. Het gaat hier om zaken waarbij gevaarzetting voor burgers onderling aan de orde is. Zaanstad heeft het belang van de onderlinge bescherming aan zich getrokken en dit ook in deze verordening geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedoogplicht van de APV is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span><span class=\"lf-art-t\">Objecten onder hoogspanningslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 7. EVENEMENTEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijving (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: in artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (=aanhef) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. In het tweede lid is vervolgens omschreven wat dan wel onder de definitie van evenement valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: voor het organiseren van kleine evenementen is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenement (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente goede en duidelijke afspraken kan maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningsplicht is voor kleine evenementen omgezet in een meldingsplicht. De definitie van kleine evenementen is in 2012 verruimd, omdat gebleken is dat deze evenementen weinig risico opleveren voor de openbare orde, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid en geen overlastsituaties veroorzaken. Het gaat hier om particuliere initiatieven, bijvoorbeeld om een straatbarbecue of een straatfeest. Voor deze evenementen volstaat daarom een meldingsplicht. De melding is niet bedoeld voor commerciële activiteiten, hierbij is de kans op overlast te groot. Het blijft verboden om zonder melding (10 werkdagen voor het evenement) een klein evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als zonder melding een dergelijk evenement wordt georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementenbeleid: aan de hand van de motieven, neergelegd in de weigeringsgronden kan de burgemeester beleidsregels vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaanstad heeft het evenementenveiligheidsbeleid vastgelegd in de nota: Veiligheid bij Evenementen (februari 2012). Het doel van dit beleid is het vastleggen van wat er met betrekking tot evenementen in de gemeente wordt nagestreefd, met als belangrijkste invalshoek de veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:25 a Vechtsportwedstrijden (z) Vechtsportgala’s. In de Zaanse APV is apart aandacht gegeven aan vechtsportwedstrijden/gala’s. Het aantal vechtsportwedstrijden wordt beperkt tot 2 per jaar en aan stringente regels gebonden om criminele invloeden te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is een maximum van 2 per jaar ingegeven uit oogpunt van kosten/baten en veiligheidsgaranties. De inzet van politie en Handhaving kan niet een ongelimiteerd aantal malen per jaar boven gemiddeld zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis van onbesproken gedrag voor de organisator/aanvrager is ingegeven door een aantal incidenten dat heeft plaatsgevonden bij vechtsport-evenementen elders in het land. Uit oogpunt van openbare orde en veiligheid is dit een gerechtvaardigde eis. De openbare orde en veiligheid ligt ook ten grondslag aan de overige bij vechtsportwedstrijden te stellen voorschriften/voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">Ordeverstoring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks vinden er in Zaanstad vele activiteiten plaats in grootte en omvang variërend van een vlooienmarkt tot de organisatie van de Dam tot Damloop. Al deze activiteiten vallen onder voornoemde definitie van het begrip evenement. Ieder evenement heeft zijn specifieke kenmerken, waar risico’s mee samenhangen. Om de omvang van de risico’s vast te kunnen stellen is het van belang vooraf een risicoanalyse te maken van het evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, artikel 2:26c. deze uitzondering op het eerste lid is gemaakt omdat andere wetgeving hierin voorziet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8 TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet. Meer in het bijzonder geldt het Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidsnormen: het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen. Daarnaast kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente bij verordening afwijkende regels kan stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: vanuit de techniek van handhaven is het noodzakelijk dat naast \"eten en drinken\" als zelfstandig toetscriterium voor een vergunning ook het aanbieden van amusement en het gelegenheid geven tot ontspanning - in combinatie met het verstrekken van eten en drinken - kan worden meegenomen in de toets. Deze aanvulling voorkomt dat bedrijven door een aanpassing in de bedrijfsvoering zich onttrekken aan de vergunningplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatievergunning horecabedrijf (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden, staat omschreven in het vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Om die reden is bepaald dat de vergunning-aanvrager een recente verklaring omtrent gedrag voor de leidinggevende overlegt. Dit kan de aanvrager zelf zijn, maar ook iemand die bij hem in dienst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opnemen van leidinggevenden bij de horeca exploitatievergunning zal vanaf de inwerkingtreding van de APV 2013 gaan gelden bij nieuwe aanvragen en bij overnames. Dus niet op de al bestaande exploitatievergunningen. Dit geldt alleen voor inrichtingen die niet in het bezit zijn van een Drank- en horecawetvergunning. Vanuit de DHW is het opnemen van een leidinggevende op de vergunning namelijk al geregeld. Om de administratieve lasten te verlichten wordt slecht bij één vergunning de leidinggevenden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder de 'rule of reason' en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid: aan het achtste lid is invulling gegeven door de “beleidsregels ondersteunende horeca Zaanstad”, (iwt: 28/1/2012).</p>\n<p class=\"lf-p\">Twaalfde lid: Voor het maximum aantal bezoekers is bij Bed and Breakfasts aansluiting gezocht bij het meest gangbare aantal in de bestemmingsplannen. Tevens is vanaf 5 personen inschrijving bij het bedrijfschap Horeca-Catering vereist. Ook moet dan een melding gebruiksbesluit/brandveilig worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 12 van de verordening toeristenbelasting (2013) is reeds vastgelegd dat een nachtverblijfregister moet worden bijgehouden en aan welke eisen dit moet voldoen. Het is overbodig om voor het beginnen van een Bed and Breakfast dan ook nog een melding te laten doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28a</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken of wijzigen van een vergunning (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de huidige ontwikkelingen en jurisprudentie is het noodzakelijk dat de gronden voor het intrekken of wijzigen van een horecavergunning specifiek worden geformuleerd en ook kunnen worden gerelateerd aan de houder en de wijze waarop hij het bedrijf exploiteert. Door de persoonsgebonden eigenschappen van de vergunning is het voor de burgemeester beter mogelijk een vergunning in te trekken als de vergunninghouder en de leidinggevende zijn vergunning of zijn bedrijf zodanig gebruikt of laat gebruiken dat deze een gevaar oplevert voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf aantast. De in artikel 1:6 opgenomen gronden voor het wijzigen of intrekken van een vergunning zijn hiervoor te algemeen geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder g: het in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn is als specifieke weigeringsgrond opgenomen. Wanneer precies sprake is van slecht levensgedrag, dusdanig dat dit van invloed is voor het exploiteren van een horeca-inrichting, is niet concreet te benoemen. In sommige gevallen is één gedraging voldoende om niet-onbesproken levensgedrag aan te nemen. In andere gevallen zijn het meerdere gedragingen die op zichzelf staand onvoldoende zijn, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot de door de burgemeester in redelijkheid te nemen beslissing. In jurisprudentie zijn diverse voorbeelden vastgelegd. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de Drank- en Horecawet. Hierin is ook geen nadere omschrijving gegeven van het begrip ‘slecht levensgedrag’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn dus geen beperkingen gesteld aan de feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het slechte levensgedrag mogen worden betrokken. Zo is in uitspraak van de rechtbank 12/827 d.d. 29-03-2012 de horeca exploitatie vergunning ingetrokken nadat is overwogen of de exploitant had kunnen weten, dat de bovenwoning van een van zijn horeca-inrichtingen werd gebruikt als hennepkwekerij. In een andere uitspraak (RvS 200107319/1/A3) is gebleken dat ook gedragingen buiten de inrichting, kunnen leiden tot intrekken van de vergunning. In dit geval had een in de horecazaak werkzame leidinggevende drugs, wapens en een grote hoeveelheid contant geld in bezit. Ook gedragingen buiten werktijd (buiten de exploitatie van een bedrijf) kunnen worden meegenomen in de beoordeling of iemand van slecht levensgedrag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond daarvan kan de burgemeester een exploitatievergunning intrekken of wijzigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor openbare inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet betekent dit artikel dat in Zaanstad geen gasten in openbare inrichtingen mogen worden toegelaten of mogen verblijven tussen 02:00 en 07:00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Horeca-ondernemers die het horecaconvenant hebben ondertekend geven daarmee blijk dat zij een maatschappelijk verantwoorde en veilige bedrijfsvoering nastreven ter afwering van verstoring van de openbare orde. Het is vernatwoord om deze bedrijven meer exploitatiemogelijkheden in de vorm van ruimere exploitatietijden te bieden. Aan deze bedrijven is het verboden om gasten toe te laten tussen 03:00 en 07:00 uur. De bedrijfsvoering dient zo gereguleerd te worden dat de gasten tusssen 03:00 en 05:00 het horecabedrijf verlaten. Tussen 05:00 en 07:00 uur mogen er geen gasten meer aanwezig zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting; sluiting voor onbepaalde tijd; afwijkende voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het artikel 2:30 wordt bijvoorbeeld gebruikt voor het aanpassen van de terrassen tijdens de Dam tot Damloop. Aanscherping van de tekst geeft de burgemeester expliciet de mogelijkheid om op bijzondere (feest)dagen de geldende voorschriften m.b.t. het terras in te trekken en nieuwe regels op te leggen. Het betreft een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot één maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ernstige of langdurige verstoringen van de openbare orde en de veiligheid moeten er passende maatregelen genomen kunnen worden. Een tijdelijke sluiting van een bedrijf levert niet altijd het gewenste resultaat op. Ter bescherming van de openbare orde en de veiligheid is het noodzakelijk dat ook een sluiting voor onbepaalde tijd tot de maatregelen kan behoren. Daarnaast is expliciet geregeld dat na het intrekken van de vergunning op grond van artikel 2:28a de inrichting gesloten kan worden. Verdereexploitatie - bijvoorbeeld met een exploitatievorm waarvoor geen vergunning vereist is - kan zo worden voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">A Sluiting gebouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het opnemen van artikel 2:30 was beoogd dat expliciet geregeld werd dat na het intrekken van de exploitatievergunning ook de inrichting (fysiek) gesloten kan worden. Verdere exploitatie – met een exploitatievorm waarvoor geen horeca exploitatievergunning vereist is – kon zo worden voorkomen. Bij gelegenheden waar geen exploitatievergunning voor nodig is valt te denken aan jeugd/blowplekken voor jongeren en volwassenen, waar geen etenswaren of frisdrank worden aangeboden, maar waar wel illegaal gokken, drugsgebruik en andere mogelijk overlastgevende activiteiten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortschrijdend inzicht leert echter dat het derde lid van artikel 2:30 dit niet regelt, het artikel refereert immers nog steeds aan horeca bedrijven en dat zijn het dan juist niet meer. Opname van een algemeen artikel regelt dit wel, zowel voor ex-horecabedrijven waarvan de exploitatievergunning is ingetrokken als voor inrichtingen die nooit een exploitatievergunning nodig hadden (de belwinkels ed.): Het doel is om deze gebouwen te kunnen sluiten daar waar sprake is van overlast en waar de in het artikel genoemde ongewenste praktijken plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A bepaalt dat een inrichting kan worden gesloten als sprake is van heling, illegaal gokken, aanwezigheid van wapens, discriminatie of andere ernstige feiten die de openbare orde ernstig verstoren of dreigen te verstoren</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Handel binnen openbare inrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed wordt verhandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat dit artikel een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span><span class=\"lf-art-t\">Het college als bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip horeca als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 8A, BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE DRANK- EN HORECAWET Algemeen: de regels voor paracommerciële horecabedrijven zijn bedoeld om oneerlijke concurrentie te voorkomen. De memorie van Toelichting bij de Drank- en Horecawet vermeldt dat gemeenten bij het opstellen van de verordening de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende paracommerciële instellingen in acht moet nemen en geen onnodige beperkingen zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is. Het is niet de bedoeling dat iedere vorm van mededinging met de commerciele horeca wordt tegengegaan. De regels zijn alleen toegestaan als er in de lokale situatie inderdaad sprake is van oneerlijke concurrentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaanstad telt op dit moment ongeveer 110 paracommerciële instellingen met een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet. De meeste instellingen hebben recreatieve, sportieve of sociaal-culturele doelstellingen. De onderlinge verschillen tussen de instellingen zijn groot.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schenktijden van de belangrijkste categoriën (sportverenigingen en buurthuizen) worden bepaald in artikel 2:34a, eerste, tweede en derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schenktijden van een beperkte restcategorie (zoals kerken, musea, filmhuizen) worden bepaald in artikel 2:34a, vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen regelen uitsluitend de momenten waarop alcoholhudende drank mag worden verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34a-398\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34a</span><span class=\"lf-art-t\">Schenktijden paracommerciële rechtspersonen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">eerste lid: bepaalt de vaste (standaard) schenktijden in sportkantines. Hierdoor kan de kantine op reguliere wijze geëxploiteerd worden tijdens trainingen, wedstrijden, toernooien en andere verenigingsactiviteiten (zoals spelletjesavonden voor de leden). tweede lid: Verfijnt de regeling uit het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een verenigingsactiviteit zoals een tenniswedstrijd of een voetbaltoernooi uitloopt, dan biedt deze bepaling de mogelijkheid om de schenktijden uit te breiden tot één uur na afloop van de wedstrijd of het toernooi. derde lid: bepaalt de (vaste) schenktijden van bijvoorbeeld buurt- en dorpshuizen. Bij deze instellingen is het faciliteren van sociale interactie tussen bezoekers een onmisbaar aspect bij het realiseren van de doelstellingen. De exploitatie van een buurt- of dorpshuis is een belangrijk onderdeel van de activiteiten. Een buurt- of dorpshuis vervult de rol van een verlengde huiskamer. Dat wil zeggen een plaats waar buurtbewoners elkaar ontmoeten en met elkaar in contact komen. Dat gebeurt vaak in combinatie met - of als gevolg van- andere activiteiten zoals kinderopvang, workshops en vergaderingen voor en door buurtbewoners. De toegang is laagdrempelig en het gebruik van consumpties is daarbij ondergeschikt en niet noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reguliere horeca biedt voor deze functie doorgaans geen reëel alternatief en de gebruikers van deze ruimten zullen ook niet snel uitwijken naar de commerciële horeca. Van oneerlijke concurrentie is dan ook niet snel sprake en er is geen aanleiding om striktere beperkingen op te leggen dan in dit artikel verwoord. vierde lid: bepaalt de schenktijden van de overige paracommerciële rechtspersonen zoals genoemd in artikel 1, eerste lid, dertiende gedachtenstreepje van de Drank- en Horecawet. Hieronder vallen bijvoorbeeld scholen, speeltuinverenigingen, filmhuizen, musea en kerken. Bij deze categorie zijn de schenktijden makkelijker te koppelen aan de activiteiten waarvoor deze rechtspersonen in het leven zijn geroepen. Hoewel sprake kan zijn van een breed scala aan activiteiten, zal in de regel geen sprake zijn van oneerlijke concurrentie met de reguliere horeca. artikel 2:34b Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen (z) Dit artikel bepaalt dat paracommerciële rechtspersonen geen alcoholhoudende drank mogen verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus wel toegestaan om bijeenkomsten te organiseren waarbij geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Ook is het op grond van deze formulering mogelijk om de ruimte (kantine, buurthuis e.d.) te verhuren voor bijeenkomsten van derden. De huurder van de ruimte kan indien gewenst zelf zorgen voor het verstrekken van alcoholhoudende drank.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zal dit betekenen dat binnen de beslotenheid van partikuliere feesten (bruiloften, verjaardagen en jubilea van leden van de club of van buurtgenoten) de huurder zelf zorgt voor de aanschaf en het verstrekken van alcoholhoudende drank of daarbij gebruik maakt van de diensten van een partijen- cateringbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verhuur van de ruimte aan personen die niet bij de rechtspersoon zijn betrokken (bijvoorbeeld voor een informatieavond of een productpresentatie of een cursus) kan deze derde voor de verstrekking van alcoholhoudende drank gebruik maken van de diensten van een partijen- cateringbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gebruiksmogelijkheden van het vastgoed worden wel begrensd door wet- en regelgeving zoals milieuregels, bestemmingsplannen, drank- en horecawet en APV. Het is dus niet mogelijk dat een buurthuis of sportvereniging door tussenkomst van een party-organisator en een partijen- cateringbedrijf zonder meer openbaar toegankelijke festiviteiten als house-feesten of disco-avonden kan organiseren en het vastgoed als een soort zalenverhuurbedrijf kan exploiteren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">Speelgelegenheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 2:39 en 2:40 zijn uit de APV geschrapt en de regelgeving is opgenomen in de Verordening Speelautomaten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden gesloten woning of lokaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: de burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, wordt het in de APV geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid. Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan dit artikel toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid: in afwijking van de modelverordening van de VNG, kent Zaanstad deze ontheffing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. Het tweede lid aangepast aan de tekst van de model-APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44a-399\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer van geprepareerde voorwerpen (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel bevat een verbodsbepaling voor het vervoeren van geprepareerde voorwerpen zoals tassen, jassen, kinderwagens en buggy's op de weg of in de nabijheid van winkels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in het tweede lid opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstal te gaan plegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: Het gaat hier om een ontheffing voor personen die om wat voor reden dan ook noodzakelijkerwijs in een plantsoen moeten zijn waar dat normaliter verboden is (voor het bevoegd betreden van het plantsoen geldt het verbod sowieso niet). Wij kiezen ervoor hier de lex silencio positivo niet toe te passen omdat het onwenselijk zou zijn dat personen hun gang zouden kunnen gaan wanneer te laat op hun verzoek is beslist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling in de APV vormt hierop een aanvulling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang gebied: er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van Zaanstad heeft onder meer het Marktplein Wormerveer en gebied A8erna aangewezen als gebied waarop dit artikel van toepassing is. Gemeenteblad 2006, nummer 50 en Gemeenteblad 2009, nummer 9.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden en andere sociale hulphonden. Voor deze categorie in het derde lid een voorziening getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het probleem van de straatverontreiniging door hondenuitwerpselen staat al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. Zaanstad heeft er mede voor gekozen om het bij zich hebben van “opruimmiddelen” verplicht te stellen, wat uiteraard wel controleerbaar is. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden, de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span><span class=\"lf-art-t\">Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is hier van het toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral omdat in gevallen waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen leeft over de in de buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane ontheffing en daardoor weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goede komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:66</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling “handelaar”</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. Het zogeheten inkoopregister. In de APV wordt het verkoopregister geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: om heling verder te kunnen bestrijden wordt gebruik maken van het Digitaal Opkopersregister (DOR). Het Digitaal Opkopersregister is een digitaal systeem waarbij de handelaar het goed in de computer invoert en vervolgens wordt het goed automatisch vergeleken met gestolen goederen die opgenomen zijn in de landelijke database van www.stopheling.nl. In deze database zijn alle bij de politie als gestolen aangegeven goederen geregistreerd. De ondernemer houdt digitaal bij wat er ingekocht wordt, persoonsgegevens, gegevens en foto van het goed etc. Bovendien kan de inkoper controleren via het registratiesysteem of de spullen afkomstig zijn van diefstal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a, ten eerste: artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten vierde: hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b: in artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d: bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68, onder d, voorziet hierin.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 13 VUURWERK</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:71</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen 2:72 en 2:73 zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het Vuurwerkbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:72</span><span class=\"lf-art-t\">Ter beschikking stellen van vuurwerk tijdens verkoopdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2:72 van de model-APV kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koopzondag: in de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien om hier een lex silencio positivo in te voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiken van vuurwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dieren-asiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74</span><span class=\"lf-art-t\">Drugshandel op straat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drugshandel op straat: dit artikel is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 15 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDS-RISICOGEBIEDEEN EN CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN EN VERBLIJFSONTZEGGINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:75</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke ophouding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 154a Van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:75 voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zinsnede “overeenkomstig 154a van de Gemeentewet” impliceert dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: vervoermiddelen te onderzoeken; een ieders kleding te onderzoeken; te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76a-400\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76a</span><span class=\"lf-art-t\">Verblijfsontzegging (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Apv van Zaanstad staan bepalingen voor hinderlijk- en overlast-gevend gedrag, welke gesanctioneerd worden met “wegsturen” of met een boete, een oplossing voor het probleem op dat moment. Indien de persoon in kwestie terugkomt, moet die sanctie opnieuw worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de bestuurlijke ophouding eindigt zodra de openbare orde is hersteld en een langdurig gebieds-verblijfsverbod voor overlastver-oorzakers is op basis van deze Apv-bepalingen niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de gevolgen van structurele overlast en de wens om hier voor langere tijd tegen op te kunnen treden en mede gelet op de eisen van proportionaliteit (ernst incident in verhouding tot opgelegde maatregel) en subsidiariteit (zijn er minder ingrijpende maatregelen mogelijk), is het raadzaam een extra bevoegdheid op te nemen in de Apv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan de politie voorbehouden de verblijfsontzeggingen op te leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester de algemene bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen omkleed. Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: de gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c, eerste lid Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wom vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde. De raad heeft van deze mogelijkheid tot op heden geen gebruik gemaakt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</h3>\n<p class=\"lf-p\">De enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is via de APV sinds prostitutie niet meer algemeen strafbaar is. De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij (medebewinds-) verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsomschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om misverstanden te voorkomen is in de definitie opgenomen dat prostituees vrouwelijk en mannelijk kunnen zijn. “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Escortbedrijf (onder d): Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de vergunningplicht Sekswinkel (onder e): De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4, eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd bestuursorgaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In veruit de meeste gevallen is de burgemeester het bevoegde bestuurs-orgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte” opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en is dat in artikel 3:2 eenmalig gedefinieerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zaanstad heeft geen andere regels gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Seksinrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: er is voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van een of meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb is niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5</span><span class=\"lf-art-t\">Gedragseisen exploitant en beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van) prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag (artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens).</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span><span class=\"lf-art-t\">Sluitingstijden (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: de sluitingstijden zijn gelijk aan die voor de horecabedrijven (artikel 2:29).</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: deze sluitingsbevoegdheid is landelijk meermalen toegepast in gevallen waarin openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatprostitutie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: de wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken, doordat in verschillende gemeenten - vanuit een oogpunt van handhaving met wisselend succes - zogenoemde gedoogzones zijn aangewezen. Aan de belangen die behoren tot hun “huishouding” (genoemd in artikel 3:13) ontlenen gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook ten aanzien van straatprostitutie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Zaanse college heeft geen gebieden aangewezen, hetgeen neerkomt op een algeheel tippelverbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop - politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe aangewezen gebieden en tijden. Zolang er een algeheel tippelverbod in Zaanstad is, blijven deze bepalingen buiten toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:10</span><span class=\"lf-art-t\">Sekswinkels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de vergunningplicht) te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:11</span><span class=\"lf-art-t\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een verbod. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:12</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3 WEIGERINGSGRONDEN E.A.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:13</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b: net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3, zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: andere dan de genoemde weigeringsgronden zijn niet geoorloofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, aanhef: de weigeringsgrond “openbare orde” is hier apart genoemd, ook al is deze vermeld bij de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. Als specifieke toelichting bij artikel 3:13 tweede lid, onder a, hier het volgende. De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum te binden. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare orde ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder c: het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een maximumbeleid en een concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in combinatie toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder d: bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de inrichting zelf; en biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voor het gaat om het gebruik van de inrichting. Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder e: het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en motorvoertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid onder f: tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:14</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:15</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging beheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: de gemeente heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij vindt ten aanzien van de nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: in dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de exploitatie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, hierna aangeduid als Besluit, biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder. Het Besluit wordt vaak aangeduid als Activiteitenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting: op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), welke artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu bevat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: de bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van de regeling is neergelegd bij het college. Het maximum is door de raad vastgelegd in de verordening zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: van deze mogelijkheid maakt het college geen gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde tot en met het achtste lid: In tegenstelling tot het oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau, het bepalen van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: de bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. De raad heeft de bevoegdheid om in dit artikel het aantal te verlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. De raad heeft ook hier voor Zaanstad het maximum op 9 keer per jaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de APV. Gemeenten kunnen op basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften vaststellen. Er kan op basis van artikel 2.20 en 2.17 (en dus indirect artikel 2.18) voor gekozen worden om ook maatwerkvoorschriften vast te stellen voor onversterkte muziek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in het tweede lid een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In dit lid wordt gesproken over oefenen. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span><span class=\"lf-art-t\">A Traditioneel schieten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zaanstad heeft geen behoefte aan het in de model-APV opgenomen artikel over traditioneel schieten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluid producerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegonderhoudswerkzaamheden en onderhoud aan spoorwegen zijn van het verbod uitgezonderd. Deze werkzaamheden mogen dan niet langer dan 5 dagen duren. De uitzondering geldt dus niet voor grotere projecten waarbij binnen het project meerdere keren de geluidsnormen door dit soort werkzaamheden worden overschreden. Daarvoor dient wel een ontheffing te worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het op de hoogte brengen van omwonenden over de mogelijke geluidhinder is een belangrijke voorwaarde. Dit betreffen in ieder geval de omwonenden die zich binnen een afstand van 50 m afstand van de geluidsbron bevinden. Wat als tijdig informeren gezien wordt, is afhankelijk van de omstandigheden. Het informeren korter dan een week voor de start van de uit te voeren werkzaamheden is in ieder geval niet tijdig. De omwonende dienen volledig te worden geïnformeerd over de uit te voeren werkzaamheden en maatregelen die worden genomen om ernstige hinder en/of overlast zoveel mogelijk te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk. Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien om hier een lex silencio positivo toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 4:6a Mosquito Een “mosquito” is een apparaatje dat een hinderlijke hoge pieptoon veroorzaakt die alleen voor jongeren tot een leeftijd van ongeveer 25 jaar hoorbaar is. Dit apparaat wordt in meer dan honderd Nederlandse gemeenten gebruikt ter bestrijding van overlast door hangjongeren. Soms worden dergelijke apparaten ook gebruikt om dieren te verjagen. Het gebruik van de mosquito is effectief, maar omstreden. Hoewel uit onderzoek van onder meer TNO blijkt dat de mosquito bij normaal gebruik geen gezondheidsschade oplevert, wordt met het aanbrengen ervan in ieder geval de bewegingsvrijheid van jongeren beperkt, die wordt beschermd door artikel 2, vierde protocol Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM). Voor een uitvoeriger schets van de mensenrechtelijke en verdragsrechtelijke bezwaren verwijzen wij naar de notitie “Handreiking gebruik mosquito door gemeenten” die als bijlage is toegevoegd bij de ledenbrief van de VNG van 17 juni 2010: http://www.vng.nl/eCache/DEF/97/314.html APV-artikel Mede vanwege de omstreden status van de mosquito verdient het de voorkeur om een apart artikel in de APV op te nemen, en dat niet, zoals ook wel gebeurt, de gemeente zichzelf een ontheffing verleent van het artikel “overige geluidshinder” dat in de meeste APV’s is opgenomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Ongeadresseerde reclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurlijke behoefte doen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans beter bekend onder de naam “wildplassen”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Model-bouwverordening geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de APV besloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9a-402\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een sfeerballon kan bestaan uit rubber of kunststof gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of uit papier, gevuld met hete lucht, verwarmd met een vlam (zogenaamde wensballonnen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Sfeerballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en veroorzaken op de bodem en in het water schade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder buiten levende dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje (wensballonnen) leveren door de constructie en het open vuur ook een risico op schade en brand op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is wenselijk het oplaten van sfeerballonnen te verbieden. Het gaat daarbij zowel om gas gevulde ballonnen als om heteluchtballonnen die onder allerlei fantasienamen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon enzovoorts).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: een voorheen geldend algemeen kapverbod heeft onnodig veel werk gegeven omdat er in praktijk meer dan 90% van de aanvragen om kapvergunning wordt verleend. Ook voor de burger is een algemeen kapverbod belastend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is gekozen voor het uitgangspunt dat in beginsel geen kapvergunning vereist is voor het vellen van een boom tenzij deze staat vermeld op de door de gemeente opgestelde en vastgestelde bomenlijst. De Zaanse bomenlijst is, samen met het Bomenbeleidsplan, in 2009 vastgesteld en gepubliceerd (Gemeenteblad 2009, nummer 59).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:10</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wabo: de vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder g. van de Wabo. Vaak zal naast de vergunning nog een vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Natuurbeschermingswet of de Flora- en Faunawet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen. In de ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wabo is bepaald dat voor deze vergunning een positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen van toepassing is. Voor de duidelijkheid is dat hier nogmaals opgemerkt!</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11a</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding iepziekte (z)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is noodzakelijk geworden sinds het ministerieel Besluit Bestrijding Iepziekte vanaf 1991 is ingetrokken en gemeenten zelf de bevoegdheid hebben om tegen deze ziekte regelend op te treden. Optreden is dringend gewenst om de overgebleven iepen binnen de gemeente in stand te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om de rechthebbende op een iep te verplichten om maatregelen te treffen met betrekking tot iepen die mogelijk een gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte. De maatregelen staan vermeld in het tweede lid. Wanneer geconstateerd wordt dat binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan een aanschrijving, kan het college bestuursdwang toepassen. Het vierde lid verbiedt het vervoer en het voorhanden hebben van bebaste iepen. Iepen mogen niet worden vervoerd om te worden versnipperd. Dit moet gebeuren op de plaats waar de iep geveld wordt. Het opnemen van een artikel ter bestrijding van de iepziekte is een belangrijke wens van de provincie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">handelsreclame Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van administratieve lasten is in 2007 het oude artikel 4.4.2 ingrijpend herzien. Dat houdt in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titel en de tekst zijn uitgebreid om ook \"ontsierende\" reclame te kunnen verbieden. In het eerste lid wordt een definitie van reclame gegeven, in het tweede lid wordt ook ontsierende reclame verboden en het derde lid geeft de nieuwe bevoegdheid aan het college om nadere regels te geven voor reclame uitingen. Ingevolge het derde lid heeft het college bij besluit van 6 november 2012 de Welstandsnota 2008 aangewezen als toetsingskader voor de beoordeling of reclame ernstig ontsierend is voor het stadsbeeld dan wel afbreuk doet aan de openbare ruimte als bedoeld in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft op 6 november 2012 de Beleidsregels Reclame- en standplaatsenbeleid Inverdan vastgesteld (Gemeenteblad 2012, nummer 51), waarin beleidsregel 6 van toepassing is op de handhaving van dit artikel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting: In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met ingang van 1 januari 2008 zijn hier drie artikelen opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het verbod er met name is om natuurbeschermingsredenen ligt het voor de hand om de lex silencio positivo niet van toepassing te verklaren.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 1 PARKEEREXCESSEN</h3>\n<p class=\"lf-p\">Begrip “parkeerexces”</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus: wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling), en wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen; alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad heeft op 20 december 2012 de Parkeerverordening Zaanstad vastgesteld (Gemeenteblad 2012, nummer 30). Hiermee is een aantal artikel(onderdel)en vervallen. Voor parkeren en toelichting wordt hier verwezen naar deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van “weg” in artikel 1:1 van deze verordening is ook op deze afdeling van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a: om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden daarom als voertuig beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaanstad heeft uitdrukkelijk aanhangwagens en scootmobielen wel onder de begripsbepaling geschaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b: de omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder a: deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder b: dit artikelonderdeel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlenen van een ontheffing ingevolge het vierde lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem. Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder a: deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b: deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van Zaanstad heeft een aanwijsbesluit vastgesteld waarin is bepaald dat het eerste lid onder a geldt voor geheel Zaanstad, met uitzondering van de industrieterreinen. (Aanwijsbesluit zoals genoemd in artikel 5:6 APV, Gemeenteblad 2009, nummer 72).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: het college heeft een beleid voor ontheffingen vastgesteld, gepubliceerd in Gemeenteblad 2007, nummer 6. In principe kunnen ontheffingen niet langer dan vier maanden duren en in speciale gevallen is er een mogelijkheid van permanente ontheffing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats is geregeld in artikel 4:15 van de APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 5:8 en 5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge het derde lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de Wegenverkeerswet).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:11a</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorziening door vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Analoog aan de aantasting door voertuigen is in de gemeente Zaanstad een artikel opgenomen om het op de oevers slepen en laten liggen van vaartuigen tegen te kunnen gaan. De op de kant liggende bootjes belemmeren het maaien van het gras in de zomermaanden. Voor het verbod op het economisch opleggen van vaartuigen wordt verwezen naar artikel 5:39.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 en 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste en tweede lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft van de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen gebruik gemaakt door middel van diverse aanwijzingsbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor forenzen die met trein en bus reizen is de fietsenstalling op de Noordschebos de aangewezen parkeervoorziening. Gebleken is dat zij echter ook veelvuldig gebruik wensen te maken van de parkeervoorzieningen op Rustenburg en omgeving. Hierdoor blijft er voor bezoekers van het centrumgebied onvoldoende parkeerruimte over op Rustenburg, tussen de Rozengracht en de Vinkenstraat. Dit op zijn beurt leidt dan tot excessief en ongewenst parkeergedrag van (brom)fietsers. Teneinde de aanwijzingsbesluiten op grond van het derde lid ongemoeid te kunnen laten en de borden niet te hoeven wijzigen, en om recht te doen aan het uitgangspunt dat het probleem van weesfietsen een wezenlijk ander is dan (brom)fietsparkeerproblemen, is lid 3 aan artikel 5:12 APV toegevoegd om kortparkeercapaciteit voor (brom)fietsen te waarborgen en zo het belang van het beheer van de openbare orde te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 en 5:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2 COLLECTEREN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:13</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen, verkoop van steunbonnetjes enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander (commercieel) belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door de Stichting Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) jaarlijks opgestelde collecteplan dient als leidraad voor een plaatselijk collecterooster. Het CBF stelt zich tot taak te bevorderen dat de werving van middelen en de propaganda voor doeleinden ten algemenen nutte op aanvaardbare wijze geschiedt, een en ander zowel in het algemeen belang als in het belang van de erbij betrokken instellingen. Daarom is in het vierde lid opgenomen, dat instellingen die in het collecterooster van het CBF zijn opgenomen, in de aan hen toegewezen periode mogen collecteren, zonder hiervan de gemeente eerst op de hoogte te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overige stichtingen of verenigingen is er in het vijfde lid een meldingsplicht voor het collecteren in de zogenaamde ‘vrije perioden’ van het collecterooster. Per gebied kan één collecte per week plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zesde lid is opgenomen dat binnen 1 maand na afloop van de collecte de verenigingen of stichtingen die in de vrije perioden collecteren hun opbrengst bekend maken bij de gemeente. In het kader van transparantie worden deze opbrengsten geplaatst op de website van het CBF.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3 VENTEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:14</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Het tien minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Ventverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: het is verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Venten met eet- en drinkwaren en frisdrank op zon- en feestdagen is op grond van het vierde lid toegestaan. Dit lid is opgenomen om misverstanden over samenloop met het vrijstellingsbesluit Winkeltijdenwet uit te sluiten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4 STANDPLAATSEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen. Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf een vaste plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten dienste van de standplaats kunnen kleine objecten worden geplaatst zoals enkele (sta)tafels, enkele afvalbakken/prullenbakken, één aggregaat en bij de verkoop van kerstbomen mag één container worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid: in de legesverordening wordt het verschil gemaakt tussen een aanvraag voor een tijdelijke standplaats en een aanvraag voor een vaste standplaats. Er is echter nu nog nergens vastgelegd wat het verschil is tussen beide standplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omwille van de duidelijkheid is er in Zaanstad een definitie opgenomen in de APV. Het moet gaan om een korte periode voor bijvoorbeeld de verkoop van seizoensgebonden producten, promotieacties of het aanbieden van diensten. De tijdelijke standplaatsvergunning moet een incidenteel karakter hebben en kan slechts voor een beperkte tijd worden aangevraagd. Hierbij wordt een periode aangehouden van maximaal 3 maanden per branche. Er is sprake van een vergunning voor een vaste standplaats als deze wordt ingenomen voor een periode langer dan 3 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB: voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen: Zaanstad acht een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6). Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1:7). De vergunning kan met het oog op de verdeling van standplaatsen aan een termijn worden verbonden, dan moet gemotiveerd worden waarom dit noodzakelijk is in het belang van onder meer de openbare orde, overlast en de verkeersveiligheid en milieu. Zie voor nadere toelichting bij de artikelen 1:7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: de bepalingen in de APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats gelet moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien. Zodra een standplaats in het standplaatsenbeleid is opgenomen wordt bij een aanvraag geen bestemmingsplantoets gedaan. In de overige gevallen wel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder a, redelijke eisen van welstand. Deze weigeringsgrond hanteert Zaanstad niet meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid onder b, redelijk verzorgingsniveau. In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop is slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid onder c, indiening. Een van de voorwaarden bij het aanvragen van tijdelijke standplaatsvergunningen is dat de aanvraag op z’n vroegst 90 dagen van tevoren kan worden gedaan. Dit om een gevarieerd aanbod te krijgen, goede toetsing mogelijk te maken en wachtlijsten te voorkomen.</p></div>", "next": 239694}