{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De wens is dat de inwoner, binnen zijn fysieke mogelijkheden en indien dit past binnen de medische behandeling, zijn fysieke spierkracht kan gebruiken (zodat het gebruik van een rolstoel geen anti-revaliderend effect heeft). In het geval van een minderjarige kan soms een aangepaste buggy of kinderduwwandelwagen als maatwerkvoorziening Wmo worden toegekend. Dit is alleen mogelijk wanneer uit het onderzoek blijkt dat een reguliere buggy of kinderduwwandelwagen niet voldoet, bijvoorbeeld vanwege de leeftijd of beperkingen van de minderjarige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van mantelzorgers zal door het Sociaal Team rekening worden gehouden met hun belangen. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een elektrische- of motorische duwondersteuning verstrekt kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het nodig is worden in opdracht van het Sociaal Team door de leverancier individuele aanpassingen aangebracht aan de rolstoel. Deze kunnen bestaan uit bijvoorbeeld zit-, rug en ondersteuningsdelen, bediening en/of besturing. Het Sociaal Team onderzoekt de situatie en stelt, eventueel samen met een ergo- of fysiotherapeut, een functioneel programma van eisen op waarin de noodzakelijke functionaliteiten van de rolstoel/buggy worden vastgelegd. Aanvullende wenselijke aanpassingen en/of accessoires zoals bagagetassen, been- en voetenzakken en afdekhoezen worden niet vergoed, maar kunnen eventueel op eigen kosten worden aangeschaft/toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Lokaal verplaatsen per vervoermiddel (Vervoer) De Wmo heeft onder andere tot doel om het mogelijk te maken dat inwoners deelnemen in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol. Als een inwoner zich minimaal gedurende 6 maanden niet zelfstandig kan verplaatsen buiten zijn woning, vanwege een beperking of chronische ziekte, kan hiervoor een maatwerkvoorziening ‘vervoer’ worden toegekend om zich lokaal en regionaal te verplaatsen. We hanteren hiervoor een reikwijdte tot 25 kilometers vanaf het woonadres.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vanuit de Wmo geboden ondersteuning bij het lokaal/regionaal verplaatsen, beperkt zich tot het vervoer met een sociaal recreatief doel. Denk aan het doen van boodschappen, winkelen, het bezoeken van familie/vrienden, van bijeenkomsten en (sport)activiteiten, van sociaal-culturele instellingen (theater/bioscoop) en plekken om te recreëren of een hobby uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat de maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ in beginsel niet bedoeld is voor het verplaatsen van en naar werk, school of een ziekenhuisbezoek om zelf opgenomen of behandeld te worden. Wanneer een inwoner bij deze verplaatsingen belemmeringen ondervindt, kan een beroep worden gedaan op andere voorzieningen. Denk bijvoorbeeld aan ziekenvervoer vanuit de zorgverzekeringswet of de regeling leerlingenvervoer. Ook het woon-werkverkeer valt niet onder de Wmo 2015, daarvoor blijven werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk (aanvraag via UWV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bezoek brengen aan iemand die in het ziekenhuis ligt, kan wel met een maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ vanuit de Wmo. Het vervoer naar het ziekenhuis heeft dan een sociaal doel. Oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorziening kan tot gevolg hebben dat de maatwerkvoorziening wordt ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.1 Valys Voor verplaatsingen buiten de regio (als er verder gereisd moet worden dan 25 km vanaf het woonadres) kan men reizen met Valys. Dit, door de Rijksoverheid georganiseerde bovenregionale vervoer maakt geen deel uit van het vervoer in het kader van de Wmo, waarvoor de gemeente verantwoordelijk is. Valys is een aanvullende vervoersvoorziening voor het vervoer voor mensen met een beperking buiten de eigen regio. Voor meer informatie over de richtlijnen en kosten: https://valys.nl/ 5.3.2 De vervoersbehoeft Het Sociaal Team onderzoekt wat de vervoersbehoefte van een inwoner is. Welke bestemmingen/ locaties wil iemand bereiken? Wat is de vervoersfrequentie en welke belemmeringen ervaart iemand bij zichzelf verplaatsen buiten de woning?</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingskader Zoals eerder genoemd in het afwegingskader in hoofdstuk 3, onderzoekt het Sociaal Team altijd eerst of de belemmeringen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere of algemene of vrij toegankelijke voorzieningen, kunnen worden verminderd of weggenomen. Bij ‘Vervoer’ ziet de gemeente Buren onder eigen kracht de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening als deze het ondervonden vervoersprobleem kan verminderen of wegnemen. Dit kan bijvoorbeeld een (tweedehands of nieuwe) fiets, een fiets met een lage instap, een elektrische fiets of scooter zijn. De gebruikskosten van een (eigen) auto zijn tevens algemeen gebruikelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder valt ook het aanleren van vaardigheden, zoals het leren fietsen of behalen van een scooterrijbewijs onder algemeen gebruikelijke voorzieningen. Ook onderzoekt het Sociaal Team in welke mate er een beroep kan worden gedaan op gebruikelijke hulp of hulp vanuit het sociaal netwerk. Beschikt de partner of een meerjarige huisgenoot over een auto, kan de inwoner met de buurvrouw meerijden naar het zangkoor of kan een vriend of vriendin de inwoner ophalen voor een koffieafspraak? Wanneer de echtgenoot van de inwoner ook een beperking heeft en hiervan belemmeringen ondervindt bij het lokaal verplaatsen, kan de vervoersbehoefte van de inwoner en die van de echtgenoot samen worden beoordeeld. In het onderzoek weegt het Sociaal Team ook de leeftijd van de inwoner en de mate waarin zijn vervoersbehoefte afwijkt van die van een leeftijdgenoot zonder een beperking mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van andere voorzieningen waarop een beroep kan worden gedaan, zijn zoals eerdergenoemd leerlingenvervoer (vervoer van huis naar school en visa versa), ziekenhuisvervoer vanuit de Zvw of vervoer van- en naar werk vanuit het UWV. Wanneer een inwoner op basis van een Wlz-indicatie in een instelling verblijft, dan wordt alleen het vervoer van en naar de behandeling of dagbesteding vanuit de Wlz gefinancierd. Een ander voorbeeld van een algemene voorziening die beschikbaar is voor vervoer is AutoMobiel. Dat is een initiatief van Servicepunt Thuiswonen met steun van de provincie Gelderland. Welzijn Rivierstroom werkt samen met Automobiel voor de gemeente Buren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als iemand vanwege zijn beperking niet meer zelf mag autorijden, kan het reizen met openbaar vervoer als algemene voorziening een alternatief zijn. Om te beoordelen of openbaar vervoer als algemene voorziening een door een inwoner ondervonden vervoersprobleem kan verminderen of wegnemen, kijkt het Sociaal Team naar de volgende aspecten: Is het mogelijk (eventueel met gebruikelijke hulp, hulp uit eigen netwerk) gebruik te maken van het openbaar vervoer? Denk bijvoorbeeld aan een partner of vriend die kan begeleiden, OV-maatjesprojecten, een OV-begeleiderskaart of therapie om een angststoornis te behandelen of begeleiding om het reizen met OV aan te leren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inwoner gezien zijn beperking op grond van de site van OV9292.nl (https://9292.nl/extra/toegankelijkheid) met trein/bus/tram kan reizen, is het openbaar vervoer voor de inwoner fysiek toegankelijk. Kijk daarnaast of de inwoner voldoet aan de volgende criteria;</p>\n<p class=\"lf-p\">Is in staat om 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen, af te leggen om de dichtstbijzijnde bushalte te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is in staat de wachttijd voor het instappen te overbruggen (is er mogelijkheid om te zitten bij de bushalte?) Is in staat om zelf in/ en uit te stappen uit de bus, tram of trein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is zelf in staat om regie te voeren tijdens en na de reis.</p>\n<p class=\"lf-p\">HaltetaxiRRReis is een deeltaxi op bestelling die flexibel van halte naar halte rijdt en goed aansluit op de bus en/of trein. HaltetaxiRRReis rijdt in de provincie en een aantal aangrenzende gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkel wanneer bovenstaande opties het vervoersprobleem naar het oordeel van het Sociaal Team onvoldoende verminderen of wegnemen, kan vanuit de Wmo één of meerdere maatwerkvoorzieningen ‘Vervoer’ worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder geldt dat er sprake moet zijn van een structurele vervoersbehoefte. Onder een structurele vervoersbehoefte wordt verstaan dat de inwoner meerdere malen per maand (in ieder geval meer dan 12 keer per jaar) een vervoersprobleem ervaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.3 Vervoersvoorzieningen Een aangepaste fiets Hiermee worden fietsen bedoeld die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en die alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht, denk aan de driewielfiets en de duofiets. Om in aanmerking te komen voor een aangepaste fiets of fietsvoorziening op grond van de Wmo, moet uit het onderzoek blijken dat er een medische grondslag is die maakt dat een algemeen gebruikelijk alternatief in de situatie van de inwoner niet volstaat en dat de inwoner in staat is om de beoogde aangepaste fiets of fietsvoorziening veilig te gebruiken. Tot slot moet de inwoner in principe zelf zorgen voor een adequate stallingsmogelijkheid (een afgesloten ruimte zoals een schuur, garage of hal van de woning waarmee de fiets/ -voorziening beschermd wordt tegen weersinvloeden, vernieling en diefstal). Indien erg geen adequate stallingsmogelijkheid aanwezig is en/of er is aanpassing nodig kan dit vanuit de Wmo gerealiseerd worden. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopst passende oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scootmobiel Een scootmobiel is bedoeld om te voorzien in de dagelijkse vervoersbehoefte op de (zeer) korte en middellange afstanden. Voorwaarden voor een scootmobiel zijn ernstige belemmeringen in de sta- en loopfunctie en dat er ten gevolge hiervan problemen bij het verplaatsen buitenshuis zijn op de zeer korte afstand (tot 100 meter) of de iets langere afstanden (tot 800 meter). Verder moet de inwoner in staat zijn om zelfstandig op en van de scootmobiel te stappen en om de scootmobiel op een adequate wijze (technisch) te bedienen en zelfstandig deel te nemen aan het verkeer op de openbare weg. Een ergotherapeut kan dit beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebruik van een scootmobiel kan de inwoner ook worden verwezen naar de 4 uitleenpunten die zich in Buren bevinden. Dit is met name geschikt voor inwoners die de scootmobiel incidenteel gebruiken en die, eventueel met de hulp van anderen, het uitleenpunt kunnen bereiken. De scootmobiel moet dan ook een adequaat compenserende oplossing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stallingsmogelijkheid De inwoner zal moeten beschikken over een adequate stallingsruimte om de scootmobiel op te laden en te beschermen tegen weersinvloeden, vernieling en diefstal. Met een adequate stallingsruimte wordt een afgesloten ruimte (schuur, garage of hal van een wooncomplex, mits de scootmobiel de veiligheid in het complex niet in gevaar brengt) bedoeld of een (af)dak waar het voertuig onder gestald kan worden. De minimale eisen bij een niet afgesloten ruimte zijn drie wanden en een dak, en een haak aan de muur om de voorziening te beschermen tegen diefstal. Daarnaast is stroomvoorziening vereist. Indien er geen adequate stallingsmogelijkheid aanwezig is en de inwoner aantoonbaar niet in staat is om adequate stalling te realiseren, kan hiervoor een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo gerealiseerd worden. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopst passende oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitvoeringen Er zijn verschillende uitvoeringen met onder andere verschil in actieradius en snelheid. Het Sociaal Team betrekt bij de afweging het doel waarvoor de scootmobiel wordt toegekend. Uiteindelijk verstrekt het Sociaal Team de goedkoopst passende scootmobiel. Scootmobielen met extra grote actieradius en afwijkende hoge snelheid (meer dan 12 kilometer per uur) worden niet verstrekt. Aan personen voor wie een zwaardere, bredere of beter geveerde uitvoering medisch noodzakelijk is, kan wel een andere dan de gebruikelijke uitvoering worden toegekend. Accessoires bij de scootmobiel (denk aan een windscherm bij bijvoorbeeld longproblematiek wat het rijden beïnvloedt etc.) worden enkel verstrekt als dit naar het oordeel van het Sociaal Team noodzakelijk is gezien de beperkingen van de inwoner en/of het doel waarvoor de scootmobiel als maatwerkvoorziening wordt toegekend. Wenselijke accessoires vanuit de inwoner kunnen bij de leverancier op eigen kosten aangeschaft worden. Ditzelfde geldt voor andere accu’s die een grotere actieradius bewerkstelligen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassingen aan de personenauto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vervoer per personenauto voor een cliënt noodzakelijk is, kan hij eveneens in aanmerking komen voor aanpassing van de personenauto. De aanpassing van een auto is niet algemeen gebruikelijk. De autoaanpassing kan bestaan uit een volledige vergoeding voor de aanpassing van de eigen personenauto, mits de personenauto nog geen 5 jaar oud is. In sommige gevallen is ook bij een oudere auto een aanpassing mogelijk, afhankelijk van de soort aanpassing, de meeneembaarheid daarvan en de kilometerstand (uitgangspunt is dat boven een kilometerstand van 80.000 km geen aanpassing wordt gedaan); Een vervoervoorziening in de vorm van een autoaanpassing is maximaal één maal per zeven jaar mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.4 Wmo vervoerspas - Regiotaxi (Versis) Versis is een samenwerking tussen de gemeenten uit de regio Rivierenland. Het is een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) dat met (rolstoel)busjes en taxi’s vervoer van deur tot deur/halte (en visa versa) biedt voor iedere inwoner. Een inwoner die een Wmo-vervoerspas als maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ toegekend krijgt, kan tegen gereduceerd tarief een aan hem toegekend aantal kilometers per jaar (kilometerbudget) met de regiotaxi reizen in de regio (binnen een straal van 25 kilometer hemelsbreed gemeten vanaf zijn woning Een Wmo-vervoerspas wordt alleen toegekend als andere opties (uit het afwegingskader) onvoldoende opties bieden en als sprake is van sociaal recreatieve doeleinden. Denk hierbij aan een ritje naar de sportclub, het zangkoor, de kapper, of om familie of vrienden te bezoeken (in het ziekenhuis). Voor deze doeleinden gelden andere wetgeving/ regelgevingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wlz: Als een cliënt gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt op een locatie die niet dezelfde is als de verblijfslocatie, kan het verzekerd pakket tevens het vervoer van en naar die locatie omvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgverzekeringsweg (Zwv); bijvoorbeeld vervoer in verband met een medische behandeling UWV: vervoer in het kader van arbeid Onderwijs: leerlingenvervoer Het vervoer van de Regiotaxi is van deur tot deur. De chauffeur helpt bij het in- en uitstappen en begeleidt, indien nodig en mogelijk, tot aan de deur. Een inwoner mag één medereiziger mee laten reizen tegen het dubbele tarief. Ook kan een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel mee in de Regiotaxi, de inwoner krijgt hier dan een speciale aantekening van in het reizigersbestand. Het is echter niet mogelijk om de scootmobiel mee te nemen als de enkele reis 5 km of korter is, omdat deze korte ritten met de scootmobiel afgelegd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.5 Kilometerbudget Het kilometerbudget betreft het aantal kilometers dat een inwoner in één jaar maximaal tegen gereduceerd tarief op vertoon van de Wmo-vervoerspas met de Regiotaxi kan reizen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een midden en een groot kilometerbudget. Het oordeel van het Sociaal Team om een midden of een groot kilometerbudget toe te kennen, hangt af van:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervoersbehoefte in relatie tot het vervoersprobleem van de inwoner en het doel waarvoor de maatwerkvoorziening wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate waarin de ondersteuningsvraag op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, hulp van personen uit het sociaal netwerk, algemeen gebruikelijke, andere en/of algemene voorzieningen kan worden opgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventuele andere maatwerkvoorzieningen Wmo ‘Vervoer’ die zijn of worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vaststellen van de hoogte van het kilometerbudget, hanteert het Sociaal Team onderstaande tabel als richtlijn. Kilometers die in een jaar niet worden benut, kunnen niet worden toegevoegd aan het budget van het jaar daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soorten kilometerbudget Omschrijving Midden (tot 1320 kilometer per jaar) Inwoner is deels afhankelijk van de Regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoner kan (delen van de) afstanden afleggen op eigen kracht en/of gebruik te maken van algemene voorzieningen, maar is voor (delen van de) afstanden ook afhankelijk van de Regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoner beschikt over een maatwerkvoorziening waarmee (delen van de) afstanden kunnen worden afgelegd. Denk aan een aangepaste fiets of scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De combinatie van het hebben van een taxipas en een scootmobiel veronderstelt dat cliënt korte reisafstanden aflegt met de scootmobiel en lange met de regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groot (Tot 2.000 kilometer per jaar) Inwoner is volledig afhankelijk van de Regiotaxi. Inwoner heeft enkel een regiotaxipas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inwoner gedurende de looptijd van beschikking van mening is dat het budget niet toereikend is, dan is het aan de inwoner om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij een groter kilometerbudget nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.6 Reizen met begeleider Indien er een medische noodzaak is voor het meereizen van een begeleider, kan het Sociaal Team hiervoor een indicatie afgegeven. De begeleider reist gratis mee. Als men een dergelijke indicatie heeft, mag de inwoner niet meer zonder begeleider reizen. Een sociale begeleider valt hierbuiten. Deze term wordt niet meer gehanteerd. De client kan iemand uit zijn/haar netwerk meenemen, dat kan tegen dubbel Wmo-tarief (zie 5.3.4. Wmo vervoerspas – Regiotaxi (Versis).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.7 Afzeggen Ritten Indien een inwoner herhaaldelijk zonder afzegging geen gebruik maakt van ritten die hij heeft aangevraagd (zogenoemde ‘loosmeldingen’) kan (al dan niet tijdelijk) zijn Wmo-vervoerspas geblokkeerd worden, waardoor gebruik van de Regiotaxi niet meer mogelijk is. Als dit speelt zal de Regiotaxi het Sociaal Team hierover inlichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.8 Individueel vervoer per regiotaxi De regiotaxi is collectief vervoer. Dit betekent dat er meerdere mensen tegelijk (collectief) met eenzelfde voertuig vervoerd worden naar hun bestemmingen. Het maximaal aantal personen dat in één voertuig tegelijk wordt vervoerd, bedraagt acht personen (taxibus). Naast dit vervoer per taxibus, kunnen mensen met de regiotaxi ook met een personenauto (taxi) of een rolstoeltaxibus worden vervoerd. In de zeer uitzonderlijke situatie dat iemand vanwege zijn beperking niet met anderen kan/mag reizen, kan het Sociaal Team op de indicatie voor de Wmo –vervoerspas aangeven dat het middels individueel vervoer wordt ingezet. Tijdens de ritten vindt dan geen combinatie plaats met andere reizigers.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.9 Vervoersbehoefte kinderen Een jong kind met een beperking kan bij het lokaal/ regionaal verplaatsen vaak op dezelfde manier vervoerd worden als een leeftijdgenoot zonder beperking. Vaak met een voorziening die als algemeen gebruikelijk wordt gezien. Denk aan een buikdrager, Maxi-Cosi, kinderwagen, buggy of een fietszitje/autostoeltje. Bovendien zijn kinderen in hun verplaatsings- en vervoersbehoefte nog grotendeels afhankelijk van hun ouders. Toch kan ook een kind (onder de twaalf jaar) als gevolg van een beperking belemmeringen ondervinden in het meedoen (participeren) en dus een vervoersbehoefte hebben waarvoor een maatwerkvoorziening Wmo Vervoer kan worden toegekend. Denk aan het meedoen in het spel buiten met andere kinderen of het fietsen (al dan niet onder begeleiding van een volwassene) naar opa of oma in de wijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier geldt dat een maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ pas wordt toegekend, na het toepassen van het afwegingskader wanneer andere opties onvoldoende uitkomst bieden. Wanneer een vervoersvoorziening tot doel heeft de functie over te nemen (bijvoorbeeld het lopen) in plaats van maatschappelijk te kunnen participeren, kan aanspraak worden gemaakt op ondersteuning vanuit de Zvw in plaats van de Wmo. Hierbij kan gedacht worden aan een loopfiets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp wordt geboden valt onder de Jeugdwet. De gemeente hoeft het vervoer alleen te betalen als de jeugdige en zijn ouders/verzorgers niet zelf naar de locatie kunnen reizen door: een medische noodzaak; of gebrek aan zelfredzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij speelt 'eigen kracht' een belangrijke rol. Uitgangspunt is dat het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie 'gebruikelijk' is, oftewel dat dit van ouders/verzorgers en jeugdigen verwacht mag worden. Ongeacht de financiële situatie. Indien ouders/verzorgers en/of de jeugdige aangeven dat het in zijn/haar situatie vanwege financiën toch anders ligt, dan moet dit aangetoond worden door inzicht te geven in de financiële situatie. Het Sociaal Team kan op basis daarvan besluiten dat inderdaad in die individuele situatie het 'gebruikelijke' niet van ouders/verzorgers en/of de jeugdige kan worden verwacht. Voor het bepalen van de vergoeding wordt aangesloten bij de laatst bekende (fiets)kilometervergoeding genoemd in de Reisregeling Binnenland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voeren van een huishouden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijke ondersteuning (HO) kan als maatwerkvoorziening worden ingezet als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden of wanneer er sprake is van een (dreigend) disfunctioneren van het huishouden. De inzet van de maatwerkvoorziening ‘Huishoudelijke ondersteuning’ ondersteunt inwoners die problemen hebben bij het voeren van een huishouden. Deze ondersteuning kan bestaan uit het schoonmaken van het huis, doen van boodschappen of bereiden van een broodmaaltijd of warme maaltijd. Maar ook kan ondersteuning worden geboden bij de dagelijkse organisatie van het huishouden, het aanleren van of activeren tot het uitvoeren van huishoudelijke taken of tijdelijke verzorging van inwonende (minderjarige) kinderen. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening HO noodzakelijk is, wordt vervolgens de omvang van de maatwerkvoorziening bepaald om te komen tot een schoon en leefbaar huis. Hierbij wordt het normenkader van KPMG gebruikt, zie bijlage 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pilot huishoudcoach De VNG heeft 23 november 2020 een advies uitgebracht aan gemeenten met maatregelen die ingezet kunnen worden om de kosten rondom huishoudelijke ondersteuning beheersbaar te houden. Dit omdat de Rijksoverheid de gemeenten niet volledig compenseert voor de extra kosten als gevolg van de invoering van het abonnementstarief. Zo adviseert de VNG onder andere een maatregel in te zetten die binnen het wettelijk kader van de Wmo past, namelijk het inrichten van een algemene voorziening om de eigen kracht van de cliënt te stimuleren. “In plaats van een maatwerkvoorziening krijgt de cliënt een aanbod waarmee hij de hulp van een deskundige kan inroepen. Deze deskundige komt bij de cliënt thuis en bespreekt met hem welke algemeen verkrijgbare hulpmiddelen er zijn waarmee mensen met een beperking hun huishouden (grotendeels) zelf kunnen blijven doen. Met deze algemene voorziening kan de maatwerkvoorziening in sommige gevallen worden afgewezen, dan wel uitgesteld of kan een maatwerkvoorziening met een lager aantal uren worden verstrekt.”[1] Deze algemene voorziening willen we vormgeven in een eenjarige pilot (2023), in de vorm van een huishoudcoach.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huishoudcoach heeft een afgeronde agogische MBO of HBO opleiding, gericht op de doelgroep van de gespecialiseerde thuisbegeleiding of gespecialiseerde gezinsverzorging. Of is een ergotherapeut, leefstijlcoach of oud consulent. De huishoudcoach is een communicatief vaardige duizendpoot met kennis van de Wmo. Zij/hij kent de wet- en regelgeving, kent het voorliggend aanbod, signaleert en reflecteert, heeft verstand van huishoudelijke taken, kent de sociale kaart en is zacht op de relatie, hard op de inhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de huishoudcoach wordt ingezet op de zelfstandigheid en het (kort) begeleiden van de inwoner naar een situatie waarin de inwoner zelf binnen de eigen mogelijkheden het eigen huishouden kan doen of organiseren. Dit wordt ook wel reablement genoemd. Dit draagt bij aan de zelfstandigheid en kan helpen om langdurige inzet van ondersteuning te voorkomen. Door het inzetten van een huishoudcoach bij een melding voor huishoudelijke ondersteuning kan men samen met de inwoner en zijn leefeenheid kijken hoe men de zelfredzaamheid in het huishouden kan behouden. In plaats van de werkzaamheden over te nemen, kan ingezet worden op het aanleren van nieuwe vaardigheden, anders inrichten van het huis, gebruik van specifieke hulpmiddelen (b.v. robotstofzuiger, wasmachine of wasdroger op hoogte plaatsen, boodschappen- en maaltijdservice) of het aanpassen van werkzaamheden waardoor de inwoner en zijn leefeenheid dit nog wel zelf kan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De coach heeft een bewustwordings-, en informatieve taak rondom het hele huishouden. Dit vergt veel actuele kennis en ervaring inzake het voeren van een huishouden en goede communicatieve vaardigheden inzake het coachen van een inwoner en zijn leefeenheid. Door het anders omgaan met de bestaande huishoudelijke werkzaamheden leert de inwoner en zijn medebewoners hoe men het zelf kan blijven doen. Daar waar nodig zal de huishoudcoach samen met de inwoner kijken naar wat familie, kinderen en kennissen kunnen en willen bijdragen. Ook een grote kennis van de sociale kaart is van belang om mensen op alternatieven te attenderen. Indien nodig kan de huishoudcoach in het advies aangeven voor welk onderdeel een maatwerkoplossing aangevraagd kan worden. Concreet betekent dat de cliënt een advies krijgt met daarin zaken die hijzelf kan doen, wat voorliggend opgelost kan worden en wat resteert met maatwerk opgelost kan worden (indien nodig). Eventueel kan de huishoudcoach na het traject (zeer lichte) begeleiding blijven bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuningsvraag maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Bij een melding van een ondersteuningsvraag op het gebied van het voeren van een huishouden oordeelt het Sociaal Team zoals gezegd in eerste instantie of de problemen eventueel op eigen kracht kunnen worden opgelost. Hierbij kan gedacht worden aan het herinrichten van de woning zodat de taken gemakkelijker kunnen worden uitgevoerd, het verdelen van de taken over de week zodat dit beter vol te houden is en/ of het bijstellen van de eigen normen. Ook indien er al jaren een huishoudelijke hulp op eigen kosten wordt ingehuurd en hiermee de ondersteuningsvraag afdoende wordt opgelost, kan het Sociaal Team oordelen dat er geen Wmo ondersteuning nodig is. Wel wordt onderzocht of de hulp daadwerkelijk aanwezig en toereikend is. De inzet van gebruikelijke hulp wordt toegelicht in het afwegingskader in hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het sociaal netwerk wordt nagegaan of bijvoorbeeld buren, kinderen of vrienden iets kunnen betekenen, zoals bij het doen van de boodschappen of de was-verzorging. Ook kan ondersteuning vanuit de Wlz aan de orde zijn. Indien het vermoeden is dat een inwoner in aanmerking komt voor een Wlz indicatie, dan kan als voorwaarde gesteld worden dat deze wordt aangevraagd (zie hoofdstuk 3.7.1 van deze beleidsregels). Er kan dan slechts ondersteuning vanuit de Wmo geboden worden voor de overbruggingsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingkader Gemeentelijke ondersteuning bij het voeren van een huishouden, neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar het helpt de inwoner op weg om het resultaat te behalen. De leefeenheid van de inwoner is primair zelf verantwoordelijk voor het huishouden. Als een inwoner problemen ervaart bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, dan wordt verwacht dat deze taken door anderen binnen de leefeenheid worden overgenomen volgens de richtlijnen in onderstaand kader. Het 'niet gewend zijn om' of 'geen ondersteuning willen en/of kunnen verrichten' zijn geen redenen om een maatwerkvoorziening toe te kennen. Wanneer vaardigheden missen, kan een tijdelijke indicatie (maximaal zes weken) worden afgegeven voor het aanleren van bijvoorbeeld huishoudelijke taken. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies aangeleerd. Ook studie, drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd vormen geen reden om geen gebruikelijke hulp te kunnen bieden. Immers, iedereen die werkt/studeert zal naast zijn werk/studie het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor moeten zoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijdrage van huisgenoten en inwonende kinderen aan het huishouden In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan wordt ervan uitgegaan dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd/ontwikkelingsfase en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand doen, eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisgenoten van 18 tot en met 23 jaar worden verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het gaat hierbij om de volgende taken: schoonhouden van sanitaire ruimte; keuken en één kamer; de was doen; boodschappen doen; maaltijd verzorgen; afwassen en opruimen; indien nodig kan opvang van jongere gezinsleden tot hun taken horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen (meerpersoonshuishouden voeren) wanneer de inwoner uitvalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn enkele uitzonderingssituaties waarbij gebruikelijke hulp niet geboden kan worden, dit zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperkingen Als uit een objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fysieke afwezigheid in verband met werk Indien een huisgenoot vanwege werkzaamheden langdurig van huis is. Bijvoorbeeld bij internationaal vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de offshore of mariniers. Vuistregels hierbij zijn dat het een aaneengesloten periode betreft van zeven etmalen, de afwezigheid inherent is aan het werk en een verplichtend karakter. (Dreigende) overbelasting In het geval degene die gebruikelijke zorg dient te verlenen overbelast is of als overbelasting dreigt, kan afgeweken worden van de regels rond gebruikelijke hulp. Zie (paragraaf onderzoek hoofdstuk 3) voor meer informatie rondom overbelasting. Inzet van (tijdelijke) maatwerkvoorziening HO kan een oplossing bieden. Belangrijk hierbij is om daarnaast afspraken met de inwoner en zijn huisgenoten te maken over welke stappen er worden genomen t.a.v. de overbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen huishoudelijke ondersteuning Als algemene voorziening worden de volgende diensten of hulpmiddelen aangemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Diensten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociale alarmering Boodschappenservice Maaltijdvoorzieningen Klussendienst of vrijwilligers Ramenwasservice (buitenzijde) Kinderopvang/peuterspeelzaal Huishoudcoach (pilot 2023) Hulpmiddelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhoging voor de wasmachine Droger Afwasmachine Grijper (om spullen van de grond op te ruimen) Robot stofzuiger Bij de beoordeling of de inzet van een dienst of een technisch hulpmiddel zoals hierboven beschreven het probleem kan oplossen wordt naar de aanwezigheid en beschikbaarheid van het hulpmiddel gekeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normenkader KPMG Voor de inrichting van HO maken we gebruik van de uitkomst van het objectief en onafhankelijk onderzoek zoals dat, voor de gemeenten in regio Rivierenland, is uitgevoerd door KPMG[2], waaruit ook een objectief normenkader is voortgekomen. Bij de normen die KPMG in haar rapport heeft opgenomen is geen rekening gehouden met activiteiten die cliënten dan wel mensen uit hun sociale netwerk uit kunnen voeren. Actuele (juridische) ontwikkelingen, een nieuwe aanbesteding en ervaringen uit de praktijk in combinatie met het onderzoek naar HO door KPMG, hebben ertoe geleid dat de gemeente Buren de volgende regels heeft opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normeringen die in deze beleidsregels zijn opgenomen zijn in principe passend voor alle inwoners. HO is ingericht als een maatwerkvoorziening waarbij wordt beschikt op uren. In elke afzonderlijke situatie wordt gekeken voor welk resultaatgebied ondersteuning nodig is. De ondersteuning wordt door de gemeente toegekend op basis van een individueel onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, als blijkt dat de specifieke beperkingen, de behoeften en persoonskenmerken van de cliënt hierom vragen. Maatwerk vanuit een individuele benadering staat voorop. De beleidsregels dienen als afwegingskader voor de indicatiestelling HO door medewerkers van het Sociaal Team van de gemeente Buren. Het Sociaal Team indiceert op welk(e) resultaatgebied(en) er ondersteuning noodzakelijk is en stelt een ondersteuningsplan op, waarin opgenomen wordt welke onderdelen cliënt zelf en/of het sociale netwerk kan uitvoeren. In het ondersteuningsplan wordt verwezen naar het KPMG normenkader, welke als bijlage wordt toegevoegd aan het ondersteuningsplan. In de beschikking staat welk(e) resultaatgebied(en) toegekend wordt/worden, en de bijbehorende uren. Door de aanbieder wordt vervolgens in samenspraak met de cliënt bepaald welke werkzaamheden nodig zijn om een schoon en leefbaar huis te behalen. Het normenkader geldt hier als handvat voor. [1] VNG ledenbrief Maatregelen beheersing kosten abonnementstarief, 23 november 2020, VNG ledenbrief. [2] Passend beleid Huishoudelijke ondersteuning regio Rivierenland, KPMG, 03-06-2019 5.4.1.Gebruikelijke hulp (huishoudelijke ondersteuning) In de Wmo 2015 wordt in artikel 1.1.1 gebruikelijke hulp gedefinieerd als:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat dus om de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen en/of huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont. Onder een leefeenheid wordt verstaan: “alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren”. Soms komt het voor dat er door middel van een aanbouw of een extra (mantelzorg)woning op het terrein een samengestelde leefeenheid ontstaat. Om te kunnen bepalen of er sprake is van meer dan één leefeenheid wordt naar de volgende factoren gekeken:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbouw/ de woning is zelfstandig bewoonbaar (heeft alle gebruikelijke voorzieningen) Er is sprake van kadastrale splitsing De aanbouw/ de woning heeft een eigen huisnummer De aanbouw/ de woning heeft een eigen toegang Er wordt huur betaald aan de andere partij voor het wonen in de aanbouw/ de extra woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén of een combinatie van deze factoren kan bepalen dat er geen sprake is van één leefeenheid. Als in het onderzoek wordt vastgesteld dat er sprake is van één leefeenheid, moet wel de draagkracht en draaglast van de huisgenoten worden meegenomen in het onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gebruikelijke hulp geleverd wordt door (fulltime) werkenden, wordt met het werk en daarmee samenhangende drukte ten aanzien van huishoudelijke taken geen rekening gehouden. Stofzuigen of de badkamer schoonmaken kan in vrije tijd verricht worden door werkenden in het kader van gebruikelijke hulp. Deze gebruikelijke hulp gaat voor op andere hobbymatige vrijetijdsbestedingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. Van huurders mag niet verwacht worden dat zij de huishoudelijke taken overnemen; er is bijvoorbeeld geen sprake van familiebanden. Er moet wel een huurovereenkomst aanwezig zijn. Als mensen zelfstandig samenwonen op een adres en gemeenschappelijke ruimten delen, wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van die ruimtes bij uitval van een van de leden, wordt overgenomen door de andere leden van de leefeenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het principe van 'gebruikelijke hulp' heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van bijvoorbeeld sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling en de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden, lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Voor een gedetailleerde uitwerking van het beleid rondom gebruikelijke hulp, wordt verwezen naar het protocol gebruikelijke hulp welke te vinden is in bijlage 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.2 Eigen kracht (huishoudelijke ondersteuning) Onder eigen kracht wordt verstaan de activiteiten die door de cliënt zelf, al dan niet in combinatie met de inzet van het sociaal netwerk, kunnen. worden uitgevoerd bij het schoon en leefbaar houden van de woning. Deze activiteiten komen niet in aanmerking om te worden overgenomen door middel van een maatwerkvoorziening. In de praktijk kan dit betekenen dat een deel van het huishouden door de cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel een maatwerkvoorziening wordt ingezet. Ook naar de aanwezigheid en mogelijkheden van o.a. een wasdroger en vaatwasmachine wordt onderzoek gedaan. Een andere vorm van het benutten van de eigen kracht is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Bijvoorbeeld de inrichting van de woning door de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.3. Omschrijving Huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning is het geheel of gedeeltelijk overnemen van huishoudelijke activiteiten bij zorgvragers die deze niet of niet meer zelf kunnen (regelen). De ondersteuning beperkt zich tot dat wat noodzakelijk is voor de versterking of het behoud van de zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zo ver dat er rekening gehouden kan en moet worden met alle wensen van de cliënt, wat betreft bijvoorbeeld persoonlijke voorkeuren, smaak, luxe en gewoontes.</p>\n<p class=\"lf-p\">HO kan worden ingezet als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden. De beperkingen kunnen een gevolg zijn van aandoeningen van somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aard dan wel ten gevolge van een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking. Ook een psychosociaal probleem kan ten grondslag liggen aan een indicatie HO.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderzoek naar de mogelijke inzet van HO wordt gekeken naar wat de betrokkene zelf kan (doen/regelen) en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid wordt onderzocht en gestimuleerd. Er wordt gekeken welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. Ook wordt van betrokkene verwacht dat deze binnen de eigen mogelijkheden huishoudelijke werkzaamheden blijft doen. Opruimen van de woning is hierbij een belangrijk aandachtspunt zodat het schoonmaken efficiënt kan plaatsvinden. De uitkomsten van dit onderzoek worden vastgelegd in het ondersteuningsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beschikking wordt, net als in het ondersteuningsplan, aangegeven welke resultaatgebieden behaald moeten worden. Cliënt en aanbieder maken samen afspraken hoe de invulling van de te bereiken resultaten vorm krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente onderscheidt zeven resultaatgebieden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schoon en leefbaar huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikken over schone kleding en bedden-en linnengoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikken over gestreken representatieve kleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikken over benodigde levensmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereiden van een broodmaaltijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereiden van een warme maaltijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie van huishoudelijke taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze zeven resultaatgebieden hebben we ook twee overige maatwerkmodules, voor zorg voor de kinderen en voor maatwerk extra tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.4 De zeven resultaatgebieden Een schoon en leefbaar huis Om het resultaat van een schoon en leefbaar huis te kunnen behalen kan (gedeeltelijke) overname van schoonmaak activiteiten nodig zijn. Onder leefbaar wordt verstaan een opgeruimde en functionele leefruimte, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per huishouden worden de volgende ruimtes structureel schoongemaakt: de huiskamer de als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimte(s) de sanitaire ruimte(s) (max. 1 badkamer en 2 toiletten) de keuken de hal met trap als deze aanwezig is Overige en niet in gebruik zijnde ruimte(s) worden niet of incidenteel schoongemaakt. Onder de niet-frequente ruimtes worden die ruimtes in huis verstaan die gebruikt worden door de cliënt, maar niet tot de reguliere ruimtes behoren. Denk bijvoorbeeld aan een hobby- of logeerkamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het huis dient zodanig schoon en leefbaar te zijn dat geen vervuiling plaatsvindt en zo een algemeen aanvaardbaar basisniveau van een schoon en leefbaar huis wordt gerealiseerd. Dit betekent niet dat alle woonruimten wekelijks schoongemaakt moeten worden. De aanwezigheid van dieren, uitgezonderd hulphonden, geven geen aanleiding voor het toekennen van aanvullende inzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het schoonmaken of schoonhouden van buitenruimtes vallen buiten de reikwijdte van de HO. Het zemen van de ramen aan de buitenkant is hier een voorbeeld van. Het onderhoud van de tuin, het uitlaten van huisdieren en overige activiteiten maken geen onderdeel uit van de HO. Dit geldt ook voor het verrichten van hand- en spandiensten zoals het ophangen van een lamp of het schoonmaken van verzamelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tabellen 1 tot en met 6 in bijlage 2 worden alle structurele en incidentele schoonmaakactiviteiten weergegeven voor een schoon en leefbaar huis. Ook de uitvoeringsfrequentie is in deze tabellen opgenomen. Aan de hand van de persoonlijke situatie van cliënt wordt bepaald wat daadwerkelijk wordt overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikken over schone kleding en bedden- en linnengoed Het doel van dit resultaat is dat de persoon beschikt over schone kleding. We spreken hier uitsluitend over de normale dagelijkse kleding inclusief textiel zoals handdoeken en beddengoed. De wasverzorging, zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied, omvat het wassen, het drogen, opvouwen en opbergen/ opruimen van de was. In het KPMG-onderzoek zijn wasdroger, wasmachine en magnetron als voorliggend verondersteld. Het beschikken over een wasmachine is volgens het gemeentelijke beleid algemeen gebruikelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk wordt er wanneer er sprake is van ondersteuning in de wasverzorging bijna altijd een combinatie gemaakt met het resultaatgebied ‘een schoon en leefbaar huis’. Hiermee wordt bedoeld dat tijdens de looptijd van het wasprogramma, er andere of elders huishoudelijke ondersteuningsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 7 in bijlage 2 worden de activiteiten en frequentie bij dit resultaatgebied omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikken over gestreken representatieve kleding Er wordt vanuit gegaan dat iedereen kan beschikken over strijkvrije bovenkleding. Wanneer dit in de individuele situatie niet zo is, kan er vanuit de huishoudelijke ondersteuning worden gestreken. Hierbij wordt alleen de representatieve bovenkleding gestreken. Onderkleding (zoals sokken en ondergoed) en alle vormen van bad-, keuken-, en bedtextiel worden niet gestreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 8 in bijlage 2 worden de activiteiten en frequentie bij dit resultaatgebied omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikken over benodigde levensmiddelen Vanuit de Wmo kan uitsluitend ondersteuning op dit resultaatgebied worden ingezet wanneer iemand niet in staat is om met eigen mogelijkheden (eigen kracht, vrijwilligers en netwerk) en met boodschappenservices te voorzien in de benodigde levensmiddelen. Het betreft hier uitsluitend levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, die dagelijks of wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Grotere inkopen zoals kleding en duurzame gebruiksgoederen vallen hier niet onder. Uitgangspunt is dat de boodschappen geclusterd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 9 in bijlage 2 worden de activiteiten en frequentie bij dit resultaatgebied omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereiden van een broodmaaltijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bereiden van een broodmaaltijd kan onder de huishoudelijke ondersteuning vallen wanneer iemand niet in staat is om hier op eigen kracht of met hulp van het netwerk in te voorzien. Als deze ondersteuning noodzakelijk is dan wordt er van uitgegaan dat eenmaal per dag de broodmaaltijden voor die dag worden klaargemaakt. Bij de beoordeling van de noodzaak dient ook te worden gekeken of cliënt bijvoorbeeld andere voorzieningen heeft die hierin ondersteuning kunnen bieden (denk aan Persoonlijke Verzorging).</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 10 in bijlage 2 worden de activiteiten en frequentie bij dit resultaatgebied omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bereiden van een warme maaltijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het aanbod van (warme) kant-en-klaar maaltijden is ondersteuning bij dit resultaatgebied in beginsel niet noodzakelijk. Wanneer door individuele situaties de eigen kracht, voorliggende wetgeving en de maaltijdservices niet toereikend zijn, kan het opwarmen van de warme maaltijd onder de huishoudelijke ondersteuning vallen. Bij de beoordeling van de noodzaak dient ook te worden gekeken of cliënt bijvoorbeeld andere voorzieningen heeft die hierin ondersteuning kunnen bieden (denk aan Persoonlijke Verzorging).</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 11 in bijlage 2 worden de activiteiten en frequentie bij dit resultaatgebied omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie van huishoudelijke taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit resultaatgebied wordt de cliënt zo veel mogelijk betrokken bij en gestimuleerd tot de uitvoering van huishoudelijke taken. Het geven van instructie en het aanleren van vaardigheden hoort hier ook bij. Dit is voor een beperkte tijdsduur noodzakelijk; namelijk tot cliënt in staat is om deze werkzaamheden zelf uit te voeren, of wanneer blijkt dat het niet haalbaar is gebleken dat cliënt de taken zelfstandig gaat uitvoeren. Dit kan voor, in eerste instantie, maximaal 3 maanden worden toegekend. Als blijkt dat langer dan 3 maanden nodig is om de regie op de organisatie van de huishoudelijke taken aan te leren, kan dit verlengd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms is het nodig dat de regie van de organisatie van de huishoudelijke taken volledig wordt overgenomen. Maatwerk staat bij dit resultaatgebied voorop. Het is niet de bedoeling dat het organiseren van huishoudelijke taken, in de zin van het geven van instructies en het aanleren van vaardigheden, structureel overgenomen wordt. Ook is het niet de bedoeling dat reguliere schoonmaaktaken onder dit resultaatgebied komen te vallen en structureel hieronder overgenomen worden. Als blijkt dat het niet haalbaar is dat cliënt de taken zelfstandig gaat uitvoeren, binnen bovengenoemde termijnen, dan is dit resultaatgebied ook niet meer van toepassing. Er is wel sprake van langdurige inzet, dan wel een continu proces, wanneer er regie benodigd is bij het:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opbouwen en onderhouden van de vertrouwensband;</p>\n<p class=\"lf-p\">Plannen van de structurele en incidentele huishoudelijke taken, incl. een taakverdeling tussen de hulp en cliënt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemmen vanuit HO perspectief met andere professionals voor bredere ondersteuningsvragen van/ voor cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 12 in bijlage 2 worden de activiteiten en frequentie bij dit resultaatgebied omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.5 De twee maatwerkmodules Factoren die de benodigde tijd kunnen beïnvloeden KPMG heeft normeringen opgesteld die in principe passend zijn voor alle cliënten. Conclusie is dus dat de resultaatgebieden voorzien in passende ondersteuning om tot een schoon en leefbaar huis te komen. Het is onontkoombaar dat er in de praktijk toch in enkele situaties zal blijken dat de resultaatgebieden, inclusief eraan gekoppelde tijd, niet afdoende zijn. Deze module voorziet in die uitzonderingsgevallen, waar door onderstaande beïnvloedbare factoren, vallend onder maatwerk én bij wijze van uitzondering, extra tijd toegevoegd kan worden. In het gemeentelijk beleid is ruimte om voor specifieke situaties van een cliënt een extra tijdsmodule toe te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat er meer ondersteuningstijd nodig is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal bewoners, hun aanwezigheid in de woning en hun mobiliteit door de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernst van de problematiek bij cliënten c.q. de mate waarin cliënten zelf activiteiten kunnen uitvoeren of additionele aandacht vereist is i.v.m. vertrouwensband (GGZ-populatie) Gezondheid van de cliënt: o Bij aandoeningen als astma en longemfyseem kan het zijn dat het huis zoveel mogelijk stofvrij moet zijn. Dit kan door een recent medisch onderzoek worden bevestigd. o Bij aandoeningen zoals incontinentie, ziektes (bv. Chemokuur of Norovirus) en fysieke beperkingen zoals veel knoeien met eten en drinken is soms extra wasverzorging noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijze van gebruik van het toilet (o.a. medische redenen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernst van de problematiek bij cliënten c.q. de mate waarin zij niet in staat zijn om zelf op te ruimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redenen waardoor minder hulp nodig is (bijvoorbeeld een kleine woning of minder hulp nodig dan standaard) Zorg voor jonge kind(eren) binnen het gezin Bij de zorg voor minderjarige kinderen gaat het om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen die tot het gezin behoren als beide ouders niet in staat zijn deze te leveren. Het betreft activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken en een maaltijd voorbereiden. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorgbehoefte van gezonde kinderen in relatie tot het huishouden wordt hieronder weergegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leeftijd Zorgbehoefte 0 tot en met 4 jaar</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Moeten volledig verzorgd worden; aan- en uitkleden, eten en wassen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zijn tot 4 jaar niet zindelijk, hebben hulp nodig bij verschonen en eventuele toiletgang.</div>\n<p class=\"lf-p\">5 tot en met 11 jaar</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Hebben toezicht nodig (en nog maar weinig hulp) bij aan- en uitkleden en wassen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Zijn overdag zindelijk en ’s nachts merendeel ook.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Hebben toezicht nodig voor het maken van een broodmaaltijd. Het eten zelf gaat zelfstandig.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Hebben hulp nodig bij het maken van een warme maaltijd. Het eten zelf gaat zelfstandig.</div>\n<p class=\"lf-p\">12 tot en met 17 jaar</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Hebben geen hulp (en maar weinig toezicht) nodig bij hun persoonlijke verzorging.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Hebben toezicht nodig bij het maken van een warme maaltijd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het is de verantwoordelijkheid van ouders/verzorgers om een oplossing te regelen, op tijden dat zij beide niet in staat zijn om voor de kinderen te zorgen. Bij uitval van één van de ouders dient de andere ouder de zorg over te nemen. Hierbij wordt verwacht dat er maximaal gezocht wordt naar eigen oplossingen: zorgverlof, mantelzorg en andere voorliggende voorzieningen. Deze verantwoordelijkheid vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. Er dient wel rekening gehouden te worden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het Sociaal Team kan ondersteuning worden geboden bij het zoeken naar eigen oplossingen, bijvoorbeeld binnen het netwerk. Het is ook mogelijk om te onderzoeken of er door middel van bijvoorbeeld Buitenschoolse opvang of Sociaal Medische Indicatie (SMI) kinderopvang een oplossing gevonden kan worden. De ondersteuning vanuit de Wmo op dit resultaatgebied is aanvullend op de eigen mogelijkheden en heeft vooral een taak in het bijspringen, zodat voor het gezin ruimte ontstaat om zelf een al dan niet tijdelijke oplossing te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 13 in bijlage 2 worden de activiteiten en frequentie bij dit resultaatgebied omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.6 Uitvoering (huishoudelijke ondersteuning) De ondersteuningsvraag HO wordt door of namens een cliënt bij het Sociaal Team van gemeente Buren gemeld. De gemeente onderzoekt met de cliënt (of diens vertegenwoordiger) en waar mogelijk met de mantelzorger(s) en desgewenst familie de ondersteuningsbehoefte. De uitkomsten hiervan worden in het ondersteuningsplan vastgelegd. Hierbij worden de volgende zaken in beeld gebracht:</p>\n<p class=\"lf-p\">De behoeften en persoonskenmerken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke beperkingen cliënt ondervindt in het schoon en leefbaar houden van de woning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigen mogelijkheden om in de ondersteuningsbehoefte te voorzien of door inzet van: de naaste omgeving (mantelzorg of andere personen uit het sociaal netwerk) gebruikelijke hulp een algemene voorziening De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Verordening, de beleidsregels en het normenkader van KPMG vormen het toetsingskader aan de hand waarvan het Sociaal Team een passende toewijzing vaststelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de inwoner in aanmerking komt voor HO maakt deze een keuze uit de gecontracteerde aanbieders. Een inwoner kan ook kiezen voor een pgb om de HO vorm te geven. De uitkomst van het gesprek wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan, waarin de te behalen resultaatgebieden opgenomen zijn, maar ook welke huishoudelijke activiteiten cliënt zelf en met de naaste omgeving kan uitvoeren. Het normenkader wordt als bijlage van het ondersteuningsplan toegevoegd en aan de cliënt opgestuurd. Er wordt ook een beschikking opgesteld welke naar de cliënt toegestuurd wordt. Naar de desbetreffende aanbieder wordt een iWmo 301-bericht (startbericht) gestuurd. Nadat de aanbieder een iWmo 301-bericht heeft ontvangen, maakt de aanbieder samen met de inwoner binnen tien werkdagen werkafspraken over de uitvoering van de maatwerkvoorziening HO – met inachtneming van het KPMG-normenkader van regio Rivierenland - en legt die werkafspraken vast in het dossier van de cliënt. De gemeente hoeft hier geen documentatie van te ontvangen. Echter moeten deze werkafspraken wel inzichtelijk zijn voor de inwoner, en te allen tijde desgewenst op te vragen zijn door gemeente ter verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning bij het huishouden door de gemeente neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar helpt de inwoner om het huis schoon en leefbaar te houden. Dit kan door het basisresultaatgebied Schoon en leefbaar huis en/of aanvullende resultaatgebieden in te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.7 Kwaliteit Om de kwaliteit en cliëntbeleving van de geleverde ondersteuning te onderzoeken, kan de gemeente steekproefsgewijs een controle uitvoeren (telefonisch en/of d.m.v. een huisbezoek). De afspraken die cliënt met aanbieder gemaakt heeft, zijn hierin leidend. Als de reguliere klachtenafhandeling over de kwaliteit van een schoon huis niet toereikend is, dan kan de gemeente een onderzoek instellen door het inzetten van (externe) expertise.</p>\n<p class=\"lf-p\">De norm ‘schoon’ (Wanneer is een huis schoon? Hoe beoordeel je dat?) Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Schoon betekent dat de “leefvertrekken” schoon moeten zijn volgens de normen zoals opgenomen in het KPMG-normenkader. De woning dient zodanig schoon te zijn dat deze niet vervuilt. Het gaat om een basisniveau van schoon houden; wat minimaal nodig is wordt gedaan. Dit kan betekenen dat de uitvoering niet helemaal hoeft te voldoen aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van een cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelen of een huis schoon is betekent inzichtelijk krijgen (beoordelen) of en in welke mate sprake is van vervuiling. Van vervuiling is sprake indien in een bepaalde mate stof, vlekken, vingertasten en aanslag aanwezig zijn op de in het huis aanwezige elementen (delen of onderdelen van de inventaris). Sommige elementen moeten periodiek stof- en/of vlekvrij worden gemaakt. Er zijn ook elementen waarbij enige lichte verontreiniging niet als onhygiënisch wordt gezien en daarom aanwezig mag zijn. Zo dient een toilet stof- en/of vlekvrij te zijn, maar mag er op een kapstok een lichte mate van stof aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelen of een element schoon of vuil is, is een momentopname. Dat geldt ook voor het schoonmaken zelf: hetgeen vandaag wordt schoongemaakt blijft niet schoon. Dit betekent dat de beoordelaar een woning beoordeelt met inachtneming van het gegeven dat dagelijks vuil een gegeven is en onderscheiden moet worden van cumulatief vuil (ophoping van dagelijks vuil).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens kunnen zich individuele situaties voordoen waarin hervervuiling zeer beperkt aanwezig kan zijn vanwege specifieke medische problematiek van een cliënt. De beoordelaar kan op basis van de afspraken die, tussen cliënt en aanbieder, zijn gemaakt over de uitvoering van de activiteiten beoordelen of de aanbieder zich aan de afgesproken frequentie van schoonmaken houdt. De beoordelaar zal, indien dat niet het geval is en er dus een mate van hervervuiling aanwezig is die niet toelaatbaar is gelet op afgesproken frequentie, dit bespreekbaar maken. De beoordelaar kan een aanbieder alleen aanspreken op het niet realiseren van de beschreven resultaatgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.8 Wijziging in de indicatie Wanneer een indicatie betrekking heeft op een echtpaar en de partner van degene aan wie de indicatie is toegekend overlijdt, dan wordt de HO-indicatie binnen maximaal 6 weken administratief omgezet op naam van de partner. Indien blijkt dat zich een nieuwe situatie voordoet binnen een huishouden, dan kan dit invloed hebben op de indicatie van HO. Er is dan tijd nodig om onderzoek te doen naar de gewijzigde situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij opname in een instelling of ziekenhuis, waarbij sprake is van een achterblijvende partner die eveneens HO nodig heeft, wordt de indicatie voortgezet, totdat er op naam van de partner een nieuwe indicatie HO is afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij wijzigingen in de persoonlijke- of gezinssituatie beoordeelt een consulent van de gemeente of dit gevolgen heeft voor de HO. Als dit nodig is wordt het besluit HO aan de gewijzigde situatie aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.9 Beëindiging van de indicatie Als een cliënt wordt opgenomen in een instelling of zorg thuis krijgt op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), dan wordt op de ingangsdatum toewijzing Wlz de indicatie HO beëindigd. De Wlz is verantwoordelijk voor de overbruggingsperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een verhuizing naar buiten de gemeente stopt de indicatie HO op de dag van de verhuizing. Bij een verhuizing binnen de gemeente wordt door de gemeente beoordeeld of de indicatie gehandhaafd kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.10 Duur van de indicatie Wanneer er sprake is van een situatie waarin verwacht wordt dat er langdurig HO wordt ingezet is de maximale indicatieduur 5 jaar. Hiervan is sprake wanneer er door de aard van de beperkingen geen of weinig verbetering in functioneren wordt verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Zijn er algemene of voorliggende voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Of kan de inwoner op eigen kracht, of met behulp van de mensen om hem heen zorgen voor de kinderen?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.11 Persoonsgebonden budget Huishoudelijke Ondersteuning In het gesprek met inwoner wordt een indicatie gesteld voor een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke ondersteuning. Bij de keuze van inwoner voor HO in de vorm van een Persoonsgebonden budget (pgb) worden in het ondersteuningsplan de activiteiten beschreven welke inwoner of zijn sociale netwerk zelf kan uitvoeren en welke activiteiten ondersteuning behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van dit ondersteuningsplan wordt door de gemeente het aantal uren en minuten HO bepaald op basis van het normenkader KPMG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Regie en structuur in het dagelijks leven (Dagelijkse regie) en zingeving, sport en activeren (Activeren)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een inwoner kan op één of meerdere leefgebieden problemen ervaren door het ontbreken van regie en structuur in het dagelijks leven. Dit kan hem belemmeren in zijn zelfredzaamheid, het kunnen participeren in de maatschappij en het zelfstandig kunnen (blijven) wonen. Om de inwoner hierbij te kunnen ondersteunen kan er een vorm begeleiding worden ingezet. Begeleiding via een maatwerkvoorziening gericht op het bevorderen en/of behouden van de zelfredzaamheid en participatie wordt in onze gemeente ondersteuning bij zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname genoemd. Het kan daarbij gaan om individuele begeleiding (Ondersteuning Zelfredzaamheid), begeleiding in groepsverband/(dagbesteding (Ondersteuning Maatschappelijke Deelname) en kortdurend verblijf. Het gaat om inwoners met een: verstandelijke of cognitieve beperking; psychiatrische aandoening; lichamelijke aandoening of beperking; zintuigelijke beperking; psychogeriatrische aandoening; psychosociaal probleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet de diagnose is leidend (van welke ziektebeeld/ welke grondslag sprake is) maar de mogelijkheden en de beperkingen van de inwoner. Het Sociaal Team brengt in kaart wat het effect is van de aandoening of beperking op de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie van de inwoner en wat vervolgens de doelen van de in te zetten ondersteuning zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doelen en de in te zetten maatwerkvoorziening worden altijd afgestemd en ingezet met de goedkeuring van de inwoner en/of de mantelzorger/familie. De aanbieder werkt met een ondersteuningsplan waarin de doelen en methodische aanpak worden gedefinieerd in lijn met het plan van aanpak dat vanuit het Sociaal Team samen met de inwoner is opgesteld. De aanbieder en het Sociaal Team evalueren indien nodig periodiek de verdere voortgang van de begeleiding. Als blijkt dat de inwoner structureel onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van dit ondersteuningsplan, dan kan dat reden zijn om de begeleiding te beëindigen. Verder is de ondersteuning vanuit de Wmo vrijwillig, een inwoner kan niet gedwongen worden tot begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingskader Het Sociaal Team onderzoekt in eerste instantie in hoeverre de inwoner op eigen kracht een oplossing kan vinden voor de problemen die hij ervaart op het gebied van regie en structuur in zijn dag/week. Kunnen bepaalde zaken anders worden georganiseerd of ingericht? Of kunnen bepaalde vaardigheden worden aangeleerd? Bijvoorbeeld het hanteren van een duidelijke vaste structuur in dagelijks terugkomende taken of het gebruik maken van een kalender voor de dag/weekplanning. Of gebruik maken van handige digitale hulpmiddelen waardoor de inwoner (een deel van de) activiteiten weer zelf kan doen, bijvoorbeeld de kook-app die ondersteunt bij het doen van de boodschappen en koken voor mensen met een verstandelijke beperking of openbaar vervoers-apps die ondersteunen bij het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze zaken uit te gaan voeren of aan te leren kan (tijdelijk) ondersteuning van buitenaf nodig zijn. Ook kan er mogelijk een beroep worden gedaan op gebruikelijke hulp, bijvoorbeeld ouders die hun 20-jarige zoon ondersteunen bij het maken van een weekplanning om hem zo de structuur aan te leren of kinderen die helpen bij de administratie van hun ouder wordende ouders. Binnen het bredere sociaal netwerk is het denkbaar dat er bijvoorbeeld buren of familieleden zijn die kunnen helpen bij het (samen) doen van de administratie of boodschappen, regelmatig een oogje in het zeil houden, structuur in de week aanbrengen, samen activiteiten ondernemen en zorgen voor een zinvolle invulling van (een deel van) de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Sociaal Team beoordeelt verder in gesprek met de inwoner of er gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen in de vorm van welzijnsactiviteiten. Bijvoorbeeld een cursus waardoor de inwoner zijn sociaal netwerk uitbreidt, een administratie-maatjes project, ondersteuning bij financiën of bureaucratische vragen door Infospreekuur, gezelschap of ondersteuning van vrijwilligers, deelname aan sportactiviteiten, etc. Ook lichte en kortdurende begeleiding door het Sociaal Team valt hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de afweging komt tevens aan bod of voor de ondersteuningsvraag aanspraak bestaat op ondersteuning op grond van andere wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld behandeling vanuit de Zvw. De stelregel hierbij is dat dan eerst behandeling wordt ingezet. In dat geval mag van de inwoner worden verwacht dat hij/zij een beroep doet op de behandelmogelijkheden vanuit de Zvw en dat de inwoner zich inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen. Het kan voorkomen dat in bepaalde situaties behandeling en begeleiding naast elkaar worden ingezet (dan neemt bijvoorbeeld de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd), of dat tijdelijk Wmo begeleiding wordt ingezet om de inwoner toe te leiden naar behandeling. Ook kan begeleiding worden ingezet om tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Beide vormen van ondersteuning dienen op elkaar te worden afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kan bij andere voorzieningen gedacht worden aan een voorliggende Wlz-indicatie, of bijvoorbeeld arbeidsvoorzieningen op grond van de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wajong of Participatiewet (PW), of opvoedondersteuning voor ouders vanuit de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.1 Ambulante individuele begeleiding Begeleiding gericht op versterken van de lichamelijke, cognitieve, sociale en psychische mogelijkheden die de inwoner in staat stelt om zich staande te houden in de samenleving en te functioneren binnen de persoonlijke levenssfeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatwerkvoorziening Begeleiding (ofwel ambulante/individuele begeleiding) richt zich op het actief herstellen of gedeeltelijk overnemen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de inwoner, zodat de inwoner wordt begeleid naar een zo hoog mogelijk niveau van zelfredzaamheid. Het kan dan gaan om zaken als het helpen (leren) plannen van activiteiten, (leren) regelen van dagelijkse zaken, het (leren) nemen van besluiten en het (leren)structureren van de dag. Maar ook om het bieden van praktische hulp en ondersteuning bij het (leren) uitvoeren van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. Er wordt gestreefd naar het zoveel mogelijk voeren van regie over het eigen, met een minimale inzet van professionals. Indien mogelijk wordt ook het sociaal netwerk betrokken. Ook dient de begeleiding goed aan te sluiten bij de leefwereld van de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.2 Dagbesteding / Begeleiding groep Dagbesteding, ook wel Begeleiding Groep of dagverzorging genoemd, kenmerkt zich als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Programmatisch (met een vast dag- en/of weekprogramma);</p>\n<p class=\"lf-p\">Methodisch (een methode voor werken met de doelgroep als basis) met een welomschreven doel;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraagt actieve betrokkenheid van de belanghebbende;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gericht op het structureren van de dag, oefenen met vaardigheden, die de zelfredzaamheid bevorderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorliggend op individuele begeleiding als hetzelfde doel beoogd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is nadrukkelijk anders dan welzijnsactiviteiten, ook al bevatten welzijnsactiviteiten wel elementen die in groepsbegeleiding voorkomen. Voor veel cliënten zal deelname aan welzijnsactiviteiten voldoende zijn om structuur te bieden aan de dag en medemensen te ontmoeten. Voor cliënten met cognitieve beperkingen, ernstige fysieke beperkingen of gedragsproblemen geldt dat dergelijke structurering specifiek nodig is gericht op het verbeteren of behouden van capaciteiten en/of reguleren van gedragsproblemen. Dan is groepsbegeleiding nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.3 Afstemmen op andere voorzieningen Behandeling We onderzoeken eerst of er mogelijkheden van behandeling zijn. Voor de beantwoording van deze vraag schakelen wij de medisch adviseur (onafhankelijk arts) in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Behandeling is gericht op het verbeteren van de aandoening/ stoornis/ beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">We onderzoeken eerst of een beroep kan worden gedaan op bijvoorbeeld arbeidsvoorzieningen. Op grond van ziektewet, WIA, Wajong en WSW en per 1 januari 2015 de Participatiewet zijn er mogelijkheden voor aangepast werk. Het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan begeleiding groep (dagbesteding) kan worden overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn (wettelijke) voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens de maatwerkvoorziening Begeleiding wordt overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderwijs: Begeleiding van kinderen met problemen is de verantwoordelijkheid van school. Tevens zijn er mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs. Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan begeleiding worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderopvang: Kinderopvang is de verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid. Kinderopvang is ook voor kinderen met een beperking voorliggend en het leren omgaan van leidsters met kind met een beperking is gebruikelijke hulp van ouders. Alleen in uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding nodig heeft die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan begeleiding worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdwet: Opvoedingsondersteuning voor alle ouders en ouders van kinderen met een beperking, medisch kinderdagverblijf, specialistische hulp thuis, tijdelijke opname worden op grond van de Jeugdwet geboden. Begeleiding kan in sommige gevallen ondersteunend zijn en in de vorm van opvoedingsondersteuning thuis ter bevordering van de zelfredzaamheid van ouders worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.4 Omvang Dagbesteding wordt vastgesteld in dagdelen. Een dagdeel staat gelijk aan maximaal 4 aaneengesloten uren. Het maximum is 9 dagdelen dat is gelijk aan een in Nederland gebruikelijke 36-urige werkweek. Het aantal dagdelen dat wordt geïndiceerd is afhankelijk van: de noodzaak: Hoeveel structuur, activering, toezicht etc. is nodig? Wat biedt het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen, hoe belast is de mantelzorg etc.; de mogelijkheden van de belanghebbende: Hoeveel kan de belanghebbende fysiek en mentaal aan? het doel voor deze specifieke belanghebbende: bijvoorbeeld als het doel een zinvolle dagbesteding ter vervanging van arbeid is, dan worden bijvoorbeeld 8 of 9 dagdelen geïndiceerd, vergelijkbaar met een werkweek; de mogelijkheden van de specifieke dagbestedingsgroep: Bij het werken in groepen is groepsdynamiek essentieel. Hiermee dient rekening gehouden te worden om de voorziening effectief te laten zijn. Aangezien gemeente de toegang tot een maatwerkvoorziening bepaalt en de hulp effectueert zal ook dit element bij de beoordeling moeten worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.5 Begeleiding individueel Individuele begeleiding kent veel vormen, zoals: toezicht of aansturing bij activiteiten (zowel thuis als buitenshuis) op het gebied van praktische vaardigheden; ondersteuning bij het aanbrengen van structuur c.q. het voeren van regie; oefenen van in behandeling aangeleerde vaardigheden of gedrag; ondersteuning bij het organiseren van het dagelijks leven (huishouden, agenda, administratie, geldzaken, regelzaken etc.); vaak “thuisbegeleiding” genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om individuele ondersteuning die in veel gevallen dicht bij huishoudelijke ondersteuning en ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid ligt. Er zal dan ook gezocht moeten worden naar de juiste vorm van ondersteuning om het probleem op te lossen!</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele begeleiding kan in sommige situaties ook in een groep worden gegeven. Voorbeelden zijn activiteiten zoals thuisadministratie of geldbeheer. De begeleider kan dan een paar belanghebbenden in een centrale ruimte kunnen uitnodigen in plaats van iedereen apart thuis te bezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">We onderzoeken eerst of er mogelijkheden van behandeling zijn. Voor de beantwoording van deze vraag schakelen wij de medisch adviseur (onafhankelijk arts) in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Behandeling is gericht op het verbeteren van de aandoening/ stoornis / beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Soms kan begeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet; dan neemt de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.6 Omvang Begeleiding stellen wij vast in uren, zolang er geen mogelijkheid is te werken met een bandbreedte. We bereiken hiermee dat de aanbieder zelf in uren kan schuiven, en kan aansluiten bij wat belanghebbende op dat moment nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de ondersteuning is gebaseerd op de inschatting hoeveel tijd in totaal gemoeid is met de beantwoording van onderstaande vragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke begeleidingsactiviteiten zijn noodzakelijk?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoeveel tijd is daarmee gemoeid per keer?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe vaak moeten de noodzakelijke activiteiten plaatsvinden per dag/week?</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn ze planbaar?</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet planbaar: kan de cliënt een hulpverlener oproepen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Check begeleidingsplan, rapportages, evaluaties?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat gaat er mis bij een lage(re) omvang?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.7 Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging valt onder de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan dan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) Het gaat bij persoonlijke verzorging op grond van de Wmo niet om het daadwerkelijk wassen en aankleden van de cliënt, maar om de begeleiding hierbij. Het gaat dus om cliënten die zichzelf wel kunnen wassen en aankleden en dergelijke, maar daartoe aangespoord moeten worden door de begeleider omdat ze een regieprobleem hebben. Bijvoorbeeld cliënten met een verstandelijke handicap of een psychiatrische aandoening. Dit betekent dat de aanspraak op persoonlijke verzorging verband houdt met de zelfredzaamheid en in het verlengde ligt van begeleiding. Bij dit criterium komt het aansporen tot een handeling nadrukkelijk aan bod. Persoonlijke verzorging onder de Wmo betreft het ondersteunen bij de handelingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen met een zintuiglijke, verstandelijke of psychiatrische beperking. De cliënten hebben begeleiding nodig bij handelingen van meerdere gebieden van het dagelijks leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zogenaamde criterium van handen-op-de-rug-zorg is geen onderscheidend criterium voor het bepalen van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de zorgverzekeraar en de gemeente voor het verlenen van zorg en ondersteuning aan mensen die daarop zijn aangewezen. De overgangsbepalingen voor huidige cliënten en toegangscriteria voor nieuwe cliënten zoals opgenomen in de Wmo 2015 en Zvw zijn in alle gevallen leidend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning bij ADL op basis van de Wmo 2015 kan ook lijfsgebonden zijn. Het zogenaamde criterium lijfsgebonden zorg is dus geen onderscheidend criterium voor het bepalen van de afbakening tussen de zorgverzekeraar en de gemeente m.b.t. persoonlijke verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.8 Vervoer Ten aanzien van vervoer van en naar de dagbesteding is het uitgangspunt dat de inwoner of zijn netwerk het zelf regelt. Indien dit niet mogelijk is wordt een vervoerscomponent naar de locatie toe mee geïndiceerd. In beginsel is de aanbieder verantwoordelijk voor het (organiseren van het) vervoer, zij ontvangen hier een vervoersprijs voor. Het is niet de bedoeling dat inwoners voor deze vorm van vervoer gebruiken maken van de Regiotaxi met hun Wmo vervoerspas.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.9 Kortdurend verblijf Kortdurend verblijf in een instelling is bedoeld ter ontlasting van de mantelzorg of het netwerk. Het kan gaan om inwoners die voortdurend toezicht nodig hebben of waar constant zorg of zorg op ongeregelde tijdstippen noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kortdurend verblijf gaat het om logeren gedurende maximaal drie etmalen per week gemiddeld met als doel het overnemen van de zorg ter ontlasting van de gebruikelijke zorg of de mantelzorger. Het verblijf is ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. Kortdurend verblijf betreft de mogelijkheid voor een inwoner om ergens te logeren waar permanent toezicht geboden wordt en waarbij zorg en ondersteuning geboden wordt. Wanneer verpleging nodig is moet hiervoor apart een indicatie op grond van de Zvw worden geïndiceerd. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een maximum van 3 etmalen per week gesteld omdat het logeren betreft; bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van Wlz moet worden gesteld. Het is denkbaar dat hierop in specifieke situaties een uitzondering kan worden gemaakt om bijvoorbeeld verblijf van een week, zodat mantelzorg op vakantie kan, mogelijk te maken. Dit kan ook uitgespreid worden over een langere periode zodat er de mogelijkheid is tot het zogeheten interval verblijf van bijvoorbeeld elke drie maanden 1 week (7 etmalen) kortdurend verblijf. Er moet dan wel vaststaan dat andere oplossingen, zoals respijtzorg vergoed door de Zvw geen optie zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.10 Respijtzorg Wmo Respijtzorg is een overkoepelende term voor individuele- of maatwerkvoorzieningen Jeugdhulp en Wmo die worden ingezet om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten. Respijtzorg kan ook vanuit andere wetten ingezet worden. Voor Wmo gaat het om maatwerkvoorzieningen die worden ingezet bij een inwoner zodat zijn partner of kind tijdelijk wordt ontlast in de gebruikelijke hulp of mantelzorgtaken aan hun naaste. Veelal gaat het om maatwerkvoorziening Wmo ondersteuning maatschappelijke deelname (dagbesteding) waarmee iemand een aantal dagdelen per week naar de dagbesteding kan gaan. Of kortdurend verblijf waarbij de inwoner korte tijd buiten de thuissituatie kan logeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.11 Begeleiding aan zintuigelijke gehandicapten, Specialistische ZG ondersteuning De inzet van specialistisch ondersteuning ZG is er op gericht dat inwoners (met ook hulp uit hun eigen omgeving) met een blijvende ZG beperking en die kampen met complexe bijkomende problematiek, hun zelfredzaamheid en eigen regie zoveel als mogelijk behouden, of vergroten. En tevens dat deze inwoners zo goed als mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen en kunnen blijven meedoen in de samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inwoner die in aanmerking komt voor specialistische ondersteuning voldoet aan onderstaande criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Is achttien jaar of ouder, Woont zelfstandig, Heeft een visuele beperking die voldoet aan de NOG -richtlijn 'Visusstoornissen, Revalidatie en Verwijzing'. Volgens deze richtlijn is sprake van een visuele beperking als ernstige stoornissen in het gezichtsvermogen en/of de visuele perceptie zijn vastgesteld in combinatie met beperkingen in het dagelijks functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van bijkomende beperking, problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning richt zich daarbij op het:</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgaan (door inwoner en naaste omgeving) met de gevolgen van de ZG beperking, hoe deze gecompenseerd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behouden en benutten van een sociaal netwerk rondom / van een inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met kennis en expertise versterken van het informele (ook vrijwilligers) systeem rondom de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ZG kennis en expertise versterken van het professionele systeem rondom de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbrengen van structuur, het zelf regie kunnen voeren, compenseren en actief herstellen van het beperkt of afwezig regelvermogen. Hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen. Het (kunnen) hanteren van de energiebalans is een belangrijk onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ondersteuning is, omdat het zo weinig lokaal voorkomt, landelijk ingekocht door middel van een raamovereenkomst door de VNG. Voor meer informatie kan op de website van het VNG worden gekeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.12 Voorziening voor sportbeoefening Wanneer een inwoner een ondersteuningsvraag voor sportbeoefening heeft, kan een sportvoorziening in eigendom worden verstrekt als maatwerkvoorziening. Ook een sportvoorziening, bijvoorbeeld een sportrolstoel, kan bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie van een inwoner. Uitgangspunt hierbij is dat inwoners in principe zelf verantwoordelijk is voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij sportbeoefening. Zo is de inwoner zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij het uitoefenen van een sport en zijn algemeen gebruikelijke kosten voor eigen rekening. Denk aan kosten voor lidmaatschap, noodzakelijke kleding, vervoer van en naar de sportlocatie etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het te behalen resultaat op maatschappelijke participatie is gericht, worden de volgende (niet limitatief) elementen betrokken bij de afweging of een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt: op welke andere wijze de inwoner participeert en welke meerwaarde de sportactiviteit levert, of er een historie is met de betreffende sportactiviteit dan wel sport in zijn algemeenheid en of er sprake is van sporten in verenigd verband. Het kan daarbij gaan om sporten in verenigingsverband, maar ook om sporten in georganiseerd en structureel verband lijkend op een vereniging, zoals een trainingsgroep onder leiding van een professional. Als de inwoner, naar het oordeel van het Sociaal Team, al in aanvaardbare mate participeert door bijvoorbeeld school, vrienden, werk of een andere vorm van dagbesteding, mag het Sociaal Team maatwerkvoorziening ten behoeve van sportbeoefening weigeren. Sportvoorzieningen voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet voor individuele compensatie in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het faciliteren van topsport valt niet onder de reikwijdte van de Wmo omdat de wet zich beperkt tot de zelfredzaamheid en participatie. Voor deelnemen aan het leven van alle dag (dus de participatie) is een professionele sportcarrière niet noodzakelijk. Indien en inwoner ‘topsport’ wil beoefenen, dan is hij net als alle valide topsporters aangewezen op financiële steun van sponsoren of de sportbond.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Individuele voorzieningen jeugdhulp</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Opgroeien in veiligheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een van de doelen van de Jeugdwet is dat kinderen veilig en gezond opgroeien. Dit veilig en gezond opgroeien gebeurt bij voorkeur thuis, bij de eigen ouders. Ouders zijn immers verantwoordelijk voor het bieden van een veilig thuis en onderdak aan hun kind. Het Sociaal Team onderzoekt daarom altijd eerst welke ondersteuning nodig is om veilig en gezond thuis te kunnen opgroeien. Dat kan ondersteuning zijn vanuit het sociaal netwerk of in de vorm van een algemene voorziening, zoals de hulp van een gezin uit de buurt waar het kind zo nu en dan opgevangen wordt. De inzet is altijd om een uithuisplaatsing zoveel als mogelijk te voorkomen. Individuele voorzieningen waarmee uithuisplaatsing kan worden voorkomen, zijn bijvoorbeeld ambulante begeleiding, gezins- of systeemtherapie. Als kinderen niet meer thuis kunnen wonen, heeft het de voorkeur dat jeugdigen ‘zo thuis mogelijk’ te laten opgroeien. Hiermee wordt bedoeld dat 1) jeugdigen fysiek gezien zo dicht mogelijk bij huis opgroeien en 2) dat de plek waar de jeugdige verblijft zoveel mogelijk een gezinsvorm is. Te denken valt aan pleegzorg of een gezinshuis als individuele voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bepaalde situaties is een andere vorm van wonen met begeleiding/behandeling noodzakelijk. Bijvoorbeeld in een leef-, woon- of behandelgroep of in een meer besloten instelling (de zogenaamde essentiële functies: gesloten jeugdzorg/ driemilieuvoorziening). Telkens wordt op basis van de problematiek en specifieke situatie en behoeften van de jeugdige/jongere die het betreft bekeken welke individuele voorziening Jeugdhulp ambulant of met verblijf de goedkoopst passende individuele voorziening is. In deze paragraaf worden de hierboven genoemde individuele voorzieningen Jeugdhulp met verblijf nader toegelicht en wordt beschreven hoe gehandeld wordt bij de toekenning daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.1 Pleegzorg Uitvoering Voor pleegzorg geldt dat altijd eerst wordt ingezet op kindgericht werven. Daarmee wordt eerst onderzocht of het netwerk kan voorzien in een netwerkpleegzorgplaatsing. Als hier niet in kan worden voorzien, wordt ingezet op pleegzorg via bestaande pleeggezinnen, de zogenaamde bestandspleeggezinnen. Ingezet wordt op zo laag frequent en kortdurend mogelijke pleegzorg. Waarbij ook wordt afgewogen of weekendpleegzorg een afdoende optie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de start van de pleegzorgbegeleiding maken betrokkenen (de jeugdige, de ouders, pleegouders, de pleegzorgaanbieder, Sociaal Team en eventueel de gecertificeerde instelling) afspraken over de doelen van de pleegzorgbegeleiding, de ondersteuning van de biologische ouder(s), coördinatie van zorg en wie het initiatief neemt voor evaluatiegesprekken en het opstellen van een perspectiefplan. In deze evaluatiegesprekken wordt gekeken of de eerder gestelde doelen behaald of nog van toepassing zijn, of en zo ja welke vervolghulp/ begeleiding nodig is, wie daarvoor aanspreekpunt is (coördinatie van zorg) en indien de pleegzorg stopt (bijvoorbeeld omdat de jongere 18 is en daartoe besluit) hoe men terugkijkt op de hulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen of verlengde pleegzorg ook nog vanaf 21 jaar nodig is, is het belangrijk dat de betrokkenen (jongere zelf, ouders, pleegouders, pleegzorgaanbieder, sociaal team en eventueel de gecertificeerde instelling) rond de 20ste verjaardag van de jongere een evaluatiegesprek voeren waarbij het perspectief op de toekomst wordt besproken en afspraken worden vastgelegd in een plan. Omdat een jeugdige met 18 jaar voor de wet volwassen is en de pleegzorgrelatie kan beëindigen, dient een dergelijk gesprek waarbij het perspectief aan de orde komt bij voorkeur ook al rond de 17e verjaardag te worden gevoerd. Veelal neemt de pleegzorgaanbieder hiertoe het initiatief. De overige voorwaarden voor verlengde jeugdhulp zijn beschreven in paragraaf 6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleegvergoeding, toeslagen en vergoeding bijzondere kosten De pleegvergoeding is bedoeld voor de kosten van de verzorging en de opvoeding van de in het gezin of bij pleegouder geplaatste jeugdige. De vergoeding bestaat uit een basisbedrag dat kan worden vermeerderd met een toeslag of verminderd met een korting. Een toeslag kan worden toegekend bij crisisplaatsing, bij de opvang van drie of meer pleegkinderen of de opvang van een pleegkind met een verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke beperking. Een korting kan worden toegepast voor de periode dat het pleegkind in verband met bijzondere omstandigheden tijdelijk elders verblijft. Zie ook artikel 5.1 en 5.2 van de Regeling Jeugdwet. De hoogte van het basisbedrag wordt jaarlijks vastgesteld door de Rijksoverheid, evenals het bedrag dat maximaal als toeslag kan worden toegekend. De pleegzorgaanbieder verstrekt de pleegvergoeding en beslist over de toekenning van toeslagen en toepassing van kortingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een pleegoudervoogd dan wel een pleegouder die een pleegkind opvangt in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel, kan rechtstreeks bij de pleegzorgaanbieder ook een vergoeding voor ‘bijzondere kosten’ aanvragen, voor zover: de kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk zijn en niet voldaan kunnen worden uit de pleegvergoeding of toeslagen; voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt; de kosten redelijkerwijs niet zijn te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van kosten waarvoor een vergoeding ‘bijzondere kosten’ kan worden aangevraagd zijn een door school gevraagde ouderbijdrage, bijdrage voor een schoolreis, kosten voor zwemles voor het A-diploma, de aanschaf van een laptop/schoolboeken, van een fiets, van kleding in verband met een bepaalde beroepsopleiding of paspoort of Europese identiteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pleegzorgaanbieder is bevoegd tot bedragen van € 200,- zelfstandig te beslissen op een aanvraag vergoeding ‘bijzondere kosten’. Voor bedragen tussen de € 200,- en € 500,- moet de pleegzorgaanbieder overleggen met het Sociaal Team. Voor het toekennen van een vergoeding ‘bijzondere kosten’ boven de € 500,- is nadrukkelijk toestemming van het Sociaal Team vereist. De pleegzorgaanbieder kan de kosten die als vergoeding ‘bijzondere kosten’ aan pleegouders zijn toegekend, declareren bij de gemeente mits aan bovenstaande eisen is voldaan en de declaratie van een onderbouwing en financiële bewijsstukken is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.2 Gezinshuizen Verblijf in een gezinshuis vanaf 18 jaar Begin 2020 is net als voor pleegzorg, ook voor verblijf in een gezinshuis de maximale leeftijd veranderd van 18 naar 21 jaar. De extra tijd binnen het gezinshuis draagt bij aan de basisveiligheid van een jongvolwassene. Dit kan bovendien het toekomstperspectief (ten goede) veranderen. Het verblijf in het gezinshuis wordt gecontinueerd zo lang als nodig is tot in ieder geval 21 jaar om te bepalen of een jongere zelfstandig kan wonen, of dat een andere woonvorm passender is (bijvoorbeeld volwassen leefgroep). Het verblijf in het gezinshuis wordt verlengd tot de leeftijdgrens van 21 jaar, tenzij: de jongere dat zelf niet wil; en/of de gezinshuisouder(s) niet instemmen; en/of voor alle partijen (inclusief de jongere) duidelijk is dat de jongere andere passende hulp nodig heeft en die hulp ook beschikbaar is; en/of de jongere voldoet aan de criteria van de Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijf in een gezinshuis als vorm van verlengde jeugdhulp blijft mogelijk vanaf 21 jaar tot 23 jaar (verlengd verblijf in een gezinshuis). Eén van de wettelijke voorwaarden voor het inzetten van verlengde jeugdhulp is dat het jeugdhulptraject al vóór het 18e jaar is gestart (artikel 1.1 Jeugdwet). Dit geldt ook voor verlengd verblijf in een gezinshuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te bepalen of na het 21ste jaar nog verlengd verblijf in een gezinshuis nodig is, is het ook hier van belang dat tijdig, rond de 20ste verjaardag van de jongere, een evaluatiegesprek wordt gevoerd waarin het perspectief op de toekomst wordt besproken en afspraken worden vastgelegd in een plan. Omdat een jeugdige met 18 jaar voor de wet volwassen is en het verblijf in het gezinshuis dan kan beëindigen, dient een dergelijk gesprek waarbij het perspectief aan de orde komt, ook al rond de 17e verjaardag te worden gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.3 Andere vormen van wonen met begeleiding en/of behandeling Het scala aan andere vormen van wonen (‘verblijf’) met begeleiding en/of behandeling als individuele voorziening is groot. Het gaat om leef-, woon- of behandelgroepen in een meer open setting (bijvoorbeeld Entrea) en een meer gesloten setting (essentiële verblijfsvoorziening). De aard van de problematiek bepaalt wat de best passende individuele voorziening is. Wat de best passende individuele voorziening is wordt door het Sociaal Team bepaald. Veel voorkomende vormen van wonen met begeleiding en/of behandeling zijn kamertrainingscentra (KTC) en het Moeder-Kindhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisishulp Er is sprake van crisis als er binnen 24 uur iets moet gebeuren. Als problemen in een gezin acuut zijn, en ambulante spoedhulp niet toereikend is, kunnen kinderen (onder 12 jaar) en jongeren (vanaf 12 jaar) maximaal 28 dagen geplaatst worden in een crisispleeggezin respectievelijk een crisisopvang. Tijdens het verblijf in de crisisopvang onderzoeken betrokkenen (hulpverleners, ouders en de jeugdige) samen wat het beste vervolg is voor de jeugdige en het gezin: terug naar huis of een plek buiten het gezin van herkomst, bijvoorbeeld in een pleeggezin, gezinshuis of bijvoorbeeld in een leef-woon- of behandelgroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Essentiële functies De essentiële functies is specialistische zorg voor kinderen en jongeren in een zeer kwetsbare positie. Met 24-uurs behandeling moet de stabiliteit, veiligheid en positieve interactie tussen het kind en zijn omgeving herstellen. Het omvat de ‘producten’ driemilieuvoorziening, Jeugdzorg+ en klinische opnames. Het zijn verblijfsvormen waar een noodzaak is tot toevoeging en inzet van specifieke expertise, namelijk kennis en ervaring met:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>jeugdigen die zeer ernstig ontregelend gedrag laten zien;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>jeugdigen waarbij in hoge mate hechtingsproblemen en -stoornissen en trauma/PTSS spelen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>jeugdigen in gezinssystemen waarbij een veelzijdige combinatie van problematiek aanwezig is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(wetenschappelijk en praktijk-onderbouwde) effectieve inzet van (groeps-)begeleiding en behandeling.</div>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kan het verblijf gesloten van karakter zijn: jeugdzorg plus. Dit betekent dat de jeugdige niet kan gaan en staan waar hij wil, omdat wordt ingeschat dat een jongere een gevaar is voor zichzelf of zijn omgeving. Gewerkt wordt aan terugkeer naar huis, een traject richting zelfstandigheid, vervolgbehandeling of langer durende zorg en ondersteuning of een lichtere vorm van jeugdhulp met verblijf, zoals verblijf in een pleeggezin, gezinshuis of in een leef- of woongroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Ontwikkelkansen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast het gezond opgroeien in een veilige omgeving beoogt de Jeugdwet door de inzet van jeugdhulp jeugdigen te laten groeien naar zelfstandigheid, zelfredzaam te laten zijn en maatschappelijk te laten participeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om individuele voorzieningen Jeugdhulp die gericht zijn op het versterken van de ontwikkelkansen van jeugdigen op dit gebied binnen de eigen mogelijkheden. Denk aan de individuele voorzieningen ’Begeleiding’ en ‘Behandeling’. Deze paragraaf bevat beleidsregels voor (een aantal vormen van) deze individuele voorzieningen Jeugdhulp. Van sommige hulpvormen (bijvoorbeeld paardentherapie, autismegeleidehonden en behandeling van misofonie) is het effect nog niet voldoende wetenschappelijk onderzocht en erkend. Het Sociaal Team kan weigeren een vorm van hulp als individuele voorziening Jeugdhulp in te zetten als er twijfels zijn over het resultaat dat daarmee kan worden bereikt (ECLI:NL:CRVB:2018:2785).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.1 Begeleiding Begeleiding is er voor jeugdigen onder de 18 jaar die niet of onvoldoende zelfredzaam zijn. Bij zelfredzaamheid moet gedacht worden aan het vermogen om dagelijks algemene levensverrichtingen zelfstandig te kunnen uitvoeren, zoals wassen, aankleden en koken. Maar het kan ook gaan om 'psychosociale zelfredzaamheid': het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis, op school, bij het winkelen, vrijetijdsbesteding, in relatie met vrienden, collega’s enz. De zorg is gericht op behoud, bevorderen of compenseren van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met matige tot zware beperkingen. Het gaat om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdigen met een (licht) verstandelijke beperking Jeugdigen met een zintuiglijke beperking (zoals doof- of blindheid) Jeugdigen met een lichamelijke beperking Jeugdigen met somatische problematiek (zoals een chronische ziekte) Jeugdigen met psychiatrische problematiek (diagnose op basis van DSM-V) Jeugdigen met sociaal-emotionele problematiek Jeugdigen met gedragsproblematiek (niet gediagnosticeerd) Het meer zelfstandig worden, wordt met begeleiding aangeleerd door te oefenen met bepaalde vaardigheden zoals wassen, koken of aankleden. Maar ook met het aanbrengen van structuur, dat ook bijdraagt aan maatschappelijke participatie. Denk aan hulp bij het plannen van activiteiten, besluiten nemen, regelen van dagelijkse zaken en structureren van de dag. Ook praktische ondersteuning is mogelijk, bijvoorbeeld het aanreiken van zaken aan een rolstoel gebonden persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De individuele voorziening Begeleiding kan ook worden toegekend ten behoeve van een ouder. Dit wordt opvoedondersteuning of opvoedhulp genoemd. Zie hiervoor ook paragraaf 6.3.1 van deze Beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleidingsniveaus Binnen de individuele voorziening Begeleiding worden drie niveaus onderscheiden: licht, midden en zwaar. In onderstaand overzicht dat bedoeld is als richtlijn, staat voor elk niveau een korte beschrijving en wat voorbeelden. Het gaat hierbij zowel om individuele als om groepsbegeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding is een flexibele vorm van jeugdhulp die gericht is op het oplossen van problemen, het leren van vaardigheden, het optimaal leren benutten van de eigen mogelijkheden en het voorkomen van achteruitgang. Het gaat om het kunnen meedoen in de samenleving, mensen kunnen ontmoeten, naar school gaan of een andere zinvolle dagbesteding krijgen/behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor begeleiding is geen diagnose vereist, maar wel een beschikking of verwijzing op grond van de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding individueel versus begeleiding groep Er wordt gekozen voor begeleiding individueel als wordt ingeschat dat de gestelde doelen het beste behaald kunnen worden door de inzet van individuele (systeemgerichte) begeleidingsmethodieken. Daarbij kan de aanbieder in samenspraak met de jeugdige en de ouders/verzorgers de begeleiding in de thuissituatie aanbieden waarmee een positief effect beoogd wordt op de ontwikkeling van de jeugdige, zijn gezin en zijn omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt voor begeleiding groep gekozen als wordt ingeschat dat in een groep beter de gestelde doelen kan/kunnen worden behaald. De sociale interactie in een groep; leren van elkaar en ook steun ervaren en tips krijgen van lotgenoten wordt in de groepsbegeleiding als instrument gebruikt. Daarnaast wordt er door professionals een specifiek pedagogisch klimaat geboden, dat de ontwikkeling van de jeugdigen stimuleert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel begeleiding individueel als groep wordt gezamenlijk beschreven onder Begeleiding Basis en Begeleiding Specialistisch.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat valt niet onder Begeleiding:</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding kan in eerste instantie vaak worden ingezet vanuit de vrij toegankelijke jeugdhulp in het voorliggende veld van de lokale gemeente. Dit betreft de lokale basiszorg en de integrale aanpak en casusregie op alle levensdomeinen (integraal). In de lokale basiszorg voor jeugdigen en gezinnen werken onder meer: de jeugd- en gezinswerkers van de gebiedsteams, het schoolmaatschappelijk werk, de jeugdgezondheidszorg, de jongerenwerkers, de huisartsen en praktijkondersteuners Jeugd en vrijwilligers (b.v. Home-Start van Humanitas). Als de lokale vrij toegankelijke basiszorg niet zelf jeugdige/het gezin kan helpen en er meer specialistische en intensievere hulp nodig is, dan wordt verwezen naar aanvullende zorg (maatwerkdiensten Jeugd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding ter ontlasting van ouders: begeleiding kan nooit ingezet worden slechts ter ontlasting van de ouders. De doelstellingen voor de jeugdigen zijn leidend. Anders kan er bijvoorbeeld ook kinderopvang (denk aan de regeling kinderopvang Sociaal Medische Indicatie SMI) ingezet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderwijsgerelateerde ondersteuning, zoals vanuit Passend Onderwijs, huiswerkbegeleiding, remedial teaching en begeleiding bij dyscalculie, valt niet onder de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalen van het begeleidingsniveau Op basis van de ondersteuningsvraag en beoogde doelen kent het Sociaal Team de individuele voorziening Begeleiding toe en bepaalt daarbij ook welk begeleidingsniveau passend is. Indien dit nodig wordt gevonden, wint het Sociaal Team hiervoor advies in bij de jeugdhulpaanbieder. Vervolgens stelt de jeugdhulpaanbieder vanuit het plan van aanpak dat door het Sociaal Team is opgesteld samen met de inwoner vast hoe de begeleiding er in activiteiten uit gaat zien en welke doelen moeten worden gehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een eventuele aanvraag voor een verlenging van een indicatie wordt het plan van aanpak geëvalueerd en wordt beoordeeld in hoeverre de doelen behaald zijn (waarom wel/niet). Indien bij de evaluatie blijkt dat de inwoner en jeugdhulpaanbieder, verwijtbaar, niet werken aan de gestelde doelen, dan heeft het Sociaal Team de mogelijkheid om de inwoner te verwijzen naar een andere jeugdhulpaanbieder, dan wel de individuele voorziening in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulpaanbieder is het niet eens met (de omvang van) de indicatie Indien de jeugdhulpaanbieder van mening is dat het door het Sociaal Team geïndiceerde begeleidingsniveau of de omvang in uren niet toereikend is, dan dient de aanbieder in het ondersteuningsplan dat zij samen met de inwoner opstelt, te beschrijven wat de benodigde begeleiding is, hoe deze vormgegeven gaat worden, waarin en waarom deze afwijkt van hetgeen geïndiceerd is. Het Sociaal Team gaat na of zij op basis van de onderbouwing van de jeugdhulpaanbieder haar eerder genomen besluit herziet. Uitgangspunt is dat de jeugdhulpaanbieder zoveel mogelijk het opgestelde ondersteuningsplan van het Sociaal Team samen met de inwoner als uitgangspunt neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormen van begeleiding Begeleiding kan zoals eerder beschreven individueel of in groepsverband aan de jeugdige worden geboden. Gekeken wordt welke vorm het best passend is om de gestelde doelen te realiseren. Begeleiding is vaak onderdeel van een samenhangend pakket van zorgverlening. Het kan zowel bij verblijf van de jeugdige in een instelling geboden worden als thuis ter voorkoming van uithuisplaatsing. Verder kan voor bepaalde jeugdigen vanwege hun problematiek specifieke begeleiding nodig zijn. Hiervoor gelden de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">De inzet van deze specifieke begeleiding moet nodig zijn in verband met de beperking van de jeugdige én bijdragen aan zijn zelfstandigheid, zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie. Voorbeelden kunnen zijn BSO+ of begeleiding thuis bij problemen in het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toekenning van specifieke begeleiding kan sprake zijn van algemeen gebruikelijke kosten. Dit zijn kosten die ook een persoon zonder beperking heeft aan bijvoorbeeld onderwijs, sporten, het volgen van zwemles of opvang (zie ook paragraaf 3.5). Denk aan contributie, lesgeld, kosten van opvang etc. Ouders met een inkomen onder het sociaal minimum kunnen hiervoor mogelijk gebruik maken van het minimabeleid of een beroep doen op bijzondere bijstand als respectievelijk algemene of andere voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderwijszorgarrangementen Een OZA is een integrale samenwerking tussen onderwijs en gemeente waarin naast ondersteuning vanuit het onderwijs (Passend Onderwijs) door de gemeente Begeleiding als individuele voorziening Jeugdhulp wordt ingezet. Deze arrangementen zijn er zowel in het regulier als het speciaal onderwijs en kunnen rondom een individueel kind, maar ook voor groepen kinderen worden georganiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De integrale samenwerking tussen onderwijs en gemeente en de gezamenlijke financiering vanuit passend onderwijs en jeugdhulpbudget, zijn de kerncomponenten van een OZA. Indien er geen sprake is van een gezamenlijke samenwerking én gezamenlijke financiering, betreft het geen OZA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Sociaal Team en het onderwijs bekijken steeds per situatie (en bij individuele arrangementen in nauwe afstemming met ouders) hoe het OZA het beste vorm kan worden gegeven. Het Sociaal Team en het onderwijs maken daarbij afspraken over de benodigde inzet vanuit passend onderwijs en jeugdhulp, de beoogde doelen, monitoring en wie de regie voert. Het gaat immers om maatwerk. Hierbij wordt aangesloten bij regionale afspraken tussen gemeenten en de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Welk deel van de ondersteuning in een OZA voor rekening van het onderwijs komt en welk deel voor de gemeente, wordt in goed overleg (niet in het bijzijn van de jeugdige en/of zijn ouders) bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente werkt in regionaal verband samen met de volgende samenwerkingsverbanden passend onderwijs:</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerkingsverband Website Ondersteuningsplan Samenwerkingsverband Betuws Primair Passend Onderwijs, BePO (basisscholen) Samenwerkingsverband Betuws Primair Passend Onderwijs (swvbepo.nl) Reformatorische scholen Berseba Ondersteuningsplan - Berseba Samenwerkingsverband VO Rivierenland (voortgezet onderwijs) SWV Rivierenland Ondersteuningsplan 2022-2026 - SWV Rivierenland 6.2.2 Vormen van behandeling Jeugd-GGZ Het Sociaal Team werkt nauw samen met huisartsenpraktijken via de praktijkondersteuner Jeugd (POH-jeugd). De POH-jeugd is laagdrempelig en behandelt lichte hulpvragen van kinderen, jeugdigen en ouders. De POH-jeugd zorgt voor een goede afstemming tussen de huisartsen en het Sociaal Team en voorkomt in veel gevallen een (onnodige) doorverwijzing naar duurdere, specialistische zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandelingen in de jeugd-ggz vinden bij voorkeur ambulant plaats. Dat betekent dat de behandeling thuis of op locatie wordt gegeven, bijvoorbeeld op een school. Indien de problematiek daarom vraagt, vindt behandeling plaats in een kliniek of instelling. Dit kan door de jeugdige enkele dagdelen een behandeling te laten volgen of door de jeugdige voor bepaalde tijd op te nemen in een ggz-instelling (kinder- of jeugdpsychiatrische kliniek). Er wordt altijd gekeken wat voor de jeugdige de beste behandelplek is, waarbij ambulante behandeling indien mogelijk de voorkeur heeft boven opname in een instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdigen met lichtere problematiek kunnen cursussen volgen om verergering van de problematiek te voorkomen. Steeds vaker gebeurt dit door online interventies, zoals via chat, beeldbellen en online behandelmodules. Vroege interventies hebben vaak een groot effect op de latere kwaliteit van leven. Ze kunnen leiden tot minder schooluitval, betere arbeidsparticipatie en minder behoefte aan zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormen van hulp aan jeugdigen die niet onder de Jeugdwet vallen Psychische hulp en ondersteuning die door huisartsen of door een praktijkondersteuner GGZ (POH Jeugd GGZ) wordt verleend aan kinderen tot 18 jaar valt niet onder de Jeugdwet. Hetzelfde geldt voor de extramurale verstrekking van psychofarmaca (het organiseren van het gebruik van de medicijnen tegen psychische stoornis niet verstrekt door een instelling). Deze vormen van ondersteuning vallen onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Jeugdgezondheidszorg maakt ook geen onderdeel uit van de Jeugdwet. Het wordt namelijk geboden op grond van de Wet publieke gezondheid. Ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen met een verstandelijke beperking is tot slot ook geen Behandeling Jeugd-ggz. Dit betreft de individuele voorziening Begeleiding die is uitgewerkt in paragraaf 6.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.3 Behandeling - Dyslexiezorg (ED) en dyscalculie Het stellen van een diagnose en laten behandelen van Ernstige Dyslexie (Dyslexiezorg) oftewel ED kan ook als individuele voorziening Behandeling worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dyslexiezorg wordt vanuit de Jeugdwet alleen vergoed aan kinderen in de leeftijd tussen 7 en 12 jaar die basisonderwijs volgen, en is gericht op taal- en leesproblematiek. Bij dyscalculie is er sprake van problemen bij het rekenen. Dyscalculie valt daarom niet onder Dyslexiezorg. In sommige gevallen vergoedt het onderwijs de kosten van het laten stellen van een diagnose en/of laten behandelen van dyscalculie of kan hiervoor aanspraak gemaakt worden op een aanvullende zorgverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vijf gemeenten Buren, Culemborg, Neder-Betuwe, Tiel en West Betuwe en de twee samenwerkingsverbanden passend onderwijs in dit gebied (BePO en Berseba) hebben de krachten gebundeld en de uitvoering van de vergoede dyslexiezorg georganiseerd in het Bureau Dyslexiezorg. Het loket voert de regie over het aanvragen en behandelen van vergoede dyslexiezorg in de vijf gemeenten. Meer informatie staat op de website van BePO: Bureau dyslexie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.4 Behandeling - Vaktherapie Vaktherapie is een overkoepelende naam voor onder andere beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie en speltherapie. Bij deze vormen van therapie wordt praten ingeruild door doen en ervaren. Dit kan bijvoorbeeld via een rollenspel, muziek, dans, sport, spelen, tekenen, houtbewerking etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaktherapie kan als individuele voorziening jeugdhulp worden toegekend wanneer de ondersteuningsvraag naar het oordeel van het Sociaal Team niet geheel of gedeeltelijk op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen kan worden opgelost, een individuele voorziening Jeugdhulp nodig is én de betreffende vorm van vaktherapie als goedkoopst passende individuele voorziening wordt aangemerkt. In Buren worden alleen de vormen psychomotorische therapie en speltherapie beschikbaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaktherapie (psychomotorische therapie en speltherapie) wordt eerst via de aanvullende zorgverzekering ingezet en bekostigd. Alleen als de zorgverzekeraar de vaktherapie niet vergoed en het Sociaal Team van oordeel is dat de ondersteuningsvraag niet geheel of gedeeltelijk op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke, andere of algemene voorzieningen kan worden opgelost, een individuele voorziening Jeugdhulp nodig is én de betreffende vorm van vaktherapie als goedkoopst passende individuele voorziening wordt aangemerkt, dan wordt deze vorm van jeugdhulp door het Sociaal Team geïndiceerd. De toekenning bedraagt ten hoogste 10 behandelingen en voor speltherapie ten hoogste 20 behandelingen (inclusief een evaluatie na 10 sessies met het Sociaal Team, behandelaar en de inwoner).</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen wanneer het resultaat na inzet van vaktherapie vanuit de zorgverzekeringswet onvoldoende is en verwacht kan worden dat verlenging van het traject passend is om het resultaat te behalen kan een aanvraag worden gedaan bij het Sociaal Team. Na beoordeling of het vervolg bij deze therapeut passend is en check of deze therapeut gecontracteerd is en voldoet aan de kwaliteitseisen kan het Sociaal Team besluiten een indicatie af te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als vaktherapie zonder enige betrokkenheid en besluit van de gemeente is gestart, kunnen kosten niet met terugwerkende kracht vanuit de jeugdwet worden vergoed. Wel geldt dat er vanaf het moment dat een aanvraag bij het Sociaal Team wordt ingediend, dit als individuele voorziening kan worden ingezet. Dit als naar oordeel van het Sociaal Team het gaat om een noodzakelijke en passende individuele voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Opvoedondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Jeugdwet kan jeugdhulp ook als individuele voorziening ten behoeve van de ouders worden toegekend. Dit wordt opvoedondersteuning of opvoedhulp genoemd. De hulp richt zich op het versterken van opvoeders in hun rol. Het betreft de individuele voorziening Begeleiding en/of Behandeling bij opvoedproblemen en individuele voorzieningen Jeugdhulp die ouders tijdelijk ontlasten in hun rol als opvoeder (samen Respijtzorg genoemd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van andere voorzieningen waar een ouder een beroep op kan doen voor professionele hulp voor opvoedondersteuning betreft het aanbod vanuit de jeugdgezondheidszorg of de Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.1 Begeleiding en/of Behandeling bij opvoedproblemen Ouders kunnen hulp vanuit de Jeugdwet krijgen als dit noodzakelijk is in verband met opvoedingsproblemen. Hiermee wordt bedoeld dat een ouder problemen ervaart bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van zijn kind, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin. De opvoedingsproblemen kunnen ontstaan doordat de ontwikkeling van het kind niet vanzelfsprekend verloopt door één of meerdere beperkingen of door psychosociale problemen, maar eventueel ook doordat een ouder door eigen problematiek niet kan bieden wat nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroep De ouder die in aanmerking kan komen voor hulp vanuit de Jeugdwet betreft de ouder met gezag, de adoptieouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Een pleegouder kan geen aanspraak maken op hulp voor zichzelf vanuit de Jeugdwet. Pleegouders krijgen namelijk al begeleiding van de pleegzorgaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een familielid, vriend of bekende van de ouder die een deel van de opvoeding op zich neemt kan wel in aanmerking komen voor opvoedondersteuning, omdat deze niet als pleegouder gezien wordt, maar als 'een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding bij omgang kind Soms heeft een ouder begeleiding nodig bij de omgang met zijn kind. Bijvoorbeeld als een ouder het kind jaren niet heeft gezien of persoonlijke problematiek heeft. Insteek is om eerst vanuit eigen kracht, sociaal netwerk en andere voorliggende voorzieningen, zoals bijvoorbeeld mediation, te onderzoeken wat mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als daar geen mogelijkheden voor zijn dan kan er uitgeweken worden naar een externe plek waar de omgang gefaseerd en onder professionele begeleiding moet worden opgebouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleide omgang kan plaatsvinden in een 'omgangshuis' of bij de jeugdige of de ouder thuis. Een omgangshuis is een locatie waar de jeugdige en zijn ouder (de niet verzorgende ouder) gedurende een bepaalde periode omgang met elkaar kunnen hebben. Het gaat meestal om een paar uurtjes per week of per twee weken. Insteek is dat dit zo tijdelijk en kortdurend mogelijk is en dat zo spoedig mogelijk wordt toegewerkt naar een natuurlijke situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als deze begeleiding niet voldoende is, worden andere vormen van jeugdhulp ingezet, zoals bv. ouderschapsbemiddeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toekenning aan de ouder of de jeugdige Wanneer enkel jeugdhulp ten behoeve van de ouder wordt toegekend, geeft het Sociaal Team vanwege praktische redenen de beschikking af op naam van de jeugdige. In principe worden geen beschikkingen op naam van baby’s of jonge kinderen afgegeven in geval van verblijf, omdat behandeldoelen gericht zijn op de ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderopvang/buitenschoolse opvang versus de Jeugdwet Er is sinds 2020 een flinke toename in de aanvragen met betrekking tot het vergoeden van de kosten van kinderopvang in relatie tot opvoedingsproblematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit de Jeugdwet mogen kosten betaald worden die zorgen voor het noodzakelijk ontlasten van ouders (gedrags- en/of opvoedingsproblematiek).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontlasten ouders denk eerst aan de Sociaal Medische Indicatie (SMI). De gemeente financiert dat uit een ander budget en de ouders betalen een bijdrage. Voor kinderen tussen de 2 en 4 jaar is de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) een voorliggende voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van werkende ouders mag je verwachten dat zij een aantal dagdelen zelf de opvang regelen op eigen kosten. In zeer dringende gevallen kan een extra deel vergoed worden vanuit de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In regionaal verband loopt de pilot Kinderopvang+/BSO+[1]. Deze pilot richt zich op jeugdigen die extra ondersteuning nodig hebben op het kinderdagverblijf (KDV, 0-4 jaar) of op de Buitenschoolse Opvang (BSO, 5-12 jaar). De ouders van deze kinderen hebben een vraag voor een combinatie van opvang én zorg voor hun kind. De kinderen kunnen bijvoorbeeld extra ondersteuning nodig hebben omdat ze te maken hebben met sociaal emotionele problemen, ASS of een lichte vorm van ADHD, wat zich uit in druk gedrag. Zij hebben behoefte aan een prikkelarme omgeving (kunnen niet meedraaien in een grote groep) en hebben soms behoefte aan extra ondersteuning, bijvoorbeeld om de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie te stimuleren. Deze groep kinderen is te ‘zwaar’ voor een reguliere KDV of BSO, maar te ‘licht’ voor bijvoorbeeld de dagbehandeling bij een zorgboerderij of zorginstelling. [1] Concept Pilot KDVplus en BSOplus.pdf (rivierenlandkanmeer.nl) 6.3.2 Respijtzorg jeugd Respijtzorg in het kader van de Jeugdwet hoeft niet altijd te betekenen dat de jeugdige uit de thuissituatie weggaat. Het kan bijvoorbeeld ook door de ouder(s) een weekend weg te laten gaan of de inzet van informele zorg thuis. Bij dreigende overbelasting van de persoon die thuis de zorg levert</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>zoals de ouder(s), partner of huisgenoten - heeft kortdurend verblijf van de jeugdige vaak echter wel de voorkeur.</div>\n<p class=\"lf-p\">Respijtzorg kan alleen ter ontlasting van een ouder zoals bedoeld in de Jeugdwet worden getroffen ten aanzien van een jeugdige die: de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, én; aangewezen is op permanent toezicht, én; begeleiding of persoonlijke verzorging of verpleging ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is het van belang dat indien mogelijk wordt gewerkt aan een situatie waarin ouders weer zelfstandig in staat zijn tot de opvoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met permanent toezicht wordt 'bovengebruikelijk' toezicht bedoeld. Het is geen 'gewoon' ouderlijk toezicht of gebruikelijke ouderlijke zorg. Er zijn verschillende oorzaken denkbaar waarom permanent toezicht nodig zou zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan gaan om het verlenen van zorg op ongeregelde tijden bij jeugdigen met zware fysieke beperkingen door een lichamelijke handicap, bij wie continu hulp en begeleiding bij alle dagelijkse activiteiten nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan het gaan om de noodzaak in te kunnen grijpen bij gedragsproblemen veroorzaakt door een psychiatrische beperking of verstandelijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van een jeugdige met een Wlz-indicatie dan komt de respijtzorg (bijv. de logeeropvang om de mantelzorg te ontlasten) ten laste van de Wlz. De mantelzorger kan in dat geval dus geen beroep doen op respijtzorg vanuit de Jeugdwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Jeugdhulpvervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroep, moment van toekenning en doorgeven van wijzigingen Jeugdhulpvervoer is alleen van toepassing als het gaat om een vervoersvraag voor: een jeugdige; die een indicatie heeft voor een individuele voorziening jeugdhulp (dat kan een individuele voorziening in zorg in natura of persoonsgebonden budget zijn); een vervoersvraag voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook geldt dat er geen recht bestaat op vervoer door middel van de voorliggende voorziening leerlingenvervoer voor (een deel van) het vervoer naar de jeugdhulplocatie De vraag om een voorziening vervoer Jeugdwet zal meestal tegelijk met een aanvraag voor de jeugdhulp aan de orde zijn en wordt dan meegenomen in de beschikking voor Jeugdhulp. Het is ook mogelijk de vervoersvoorziening later toe te kennen, als zich na verloop van tijd een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid voordoen. Deze beperkingen hoeven geen relatie met de jeugdhulp te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening wordt toegekend vanaf de datum dat de jeugdhulp in de toekomst zal starten of zo vroeg als de datum van de aanvraag als het vervoer feitelijk al in gang is gezet. Verstrekking met terugwerkende kracht, dus voor de datum van de aanvraag, is niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij veranderingen in de situatie van de jeugdige die effect kunnen hebben op de toegekende voorziening, waaronder de hoogte van de vergoeding, dienen ouder(s)/verzorger(s) deze veranderingen zo snel als mogelijk door te geven aan het Sociaal Team.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende voorzieningen vervoer Jeugdwet De volgende vormen van een voorziening ‘vervoer Jeugdwet’ worden onderscheiden: begeleiding van een jeugdige met als doel zelfstandig leren reizen naar de jeugdhulpaanbieder. Deze begeleiding kan worden aangevraagd bij het Sociaal Team; een vergoeding voor openbaar vervoer indien sprake is van bovengebruikelijke kosten (zie paragraaf vergoeding eigen vervoer en openbaar vervoer) voor vervoer naar of vanaf een jeugdhulpvoorziening; een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding indien sprake is van bovengebruikelijke kosten voor vervoer naar of vanaf een jeugdhulpvoorziening; een vergoeding voor eigen vervoer, indien sprake is van bovengebruikelijke kosten voor vervoer van naar of vanaf een jeugdhulpvoorziening; aangepast vervoer (taxi vervoer) dat in natura wordt geboden door de jeugdhulpaanbieder of het door de gemeente gecontracteerde taxibedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een combinatie van deze voorzieningen behoort tot de mogelijkheden, als onderbouwd wordt waarom hiervoor wordt gekozen en dit voor de jeugdige de best passende oplossing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redenen voor vervoersvoorziening Een voorziening in het kader van vervoer Jeugdwet is mogelijk indien er sprake is van de volgende situaties: als er door een wettelijk verwijzer of het Sociaal Team het risico is gesignaleerd dat de jeugdige niet (of niet altijd) de jeugdhulp op locatie kan krijgen die hij/zij nodig heeft en dit komt door het vervoersprobleem; er sprake is van medisch vervoer (ziekenvervoer) dat redelijkerwijs niet door ouder(s)/verzorger(s) of het netwerk kan worden geboden of waarbij ouder(s)/verzorger(s) en het netwerk niet beschikken over het benodigde vervoersmiddel, de benodigde medische apparatuur of de benodigde medische of verpleegkundige vaardigheden. De noodzaak tot medisch vervoer hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp. Het afwegingskader zoals hieronder is opgenomen hoeft dan niet te worden doorlopen; beperkingen in de zelfredzaamheid die te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte die tijdelijk of chronisch van aard kan zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp. Het niet kunnen betalen van vervoer kan niet worden aangemerkt als een beperking in de zelfredzaamheid; er sprake is van intensieve jeugdhulp, namelijk minimaal acht contactmomenten (behandeling, dagbesteding, kort verblijf of begeleiding) per maand én; de afstand voor een enkele reis naar de jeugdhulplocatie minimaal 5 kilometer bedraagt volgens de ANWB routeplanner voor de snelste reis, ongeacht het vervoersmiddel of de route die feitelijk wordt gebruikt. Indien sprake is van reizen met het OV met een begeleider dan tellen de kilometers voor een enkele reis dubbel; de kosten voor het vervoer bedragen meer dan de gebruikelijke kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze criteria gelden onder a. in combinatie met b., of a. in combinatie met c. èn d. èn e. èn f. Bij de tweede situatie wordt onderstaand afwegingskader toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwegingskader Als er sprake is van een risico op het niet krijgen van noodzakelijke jeugdhulp vanwege een belemmering in de vervoerssituatie, dan wordt op de volgende volgorde een afweging voor een passende voorziening gemaakt:</p></div>", "next": 239938}