{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In aanwijzing 20 voor de decentrale regelgeving is bepaald dat voor lagere overheden met betrekking tot de terminologie in een regeling de Algemene wet bestuursrecht, de Provincie- of Gemeentewet en zo nodig de Europese en internationale regelgeving, wordt gevolgd. Daarbij geldt tevens dat regels uit een hogere wettelijke regeling niet worden herhaald in een provinciale of gemeentelijke regeling. In het kader van een uniform gebruik van termen en begrippen is deze lijn ook doorgetrokken naar de beleidsregels. Dit heeft mede tot gevolg dat in het eerste lid bepaald wordt dat alle begrippen die niet nader worden omschreven in de beleidsregels dezelfde omschrijving hebben als in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Participatiewet of de van toepassing zijnde wetten. Deze systematiek zorgt in de uitvoeringspraktijk voor een uniforme hantering van de diverse begrippen. Afkortingen van woorden of woordgroepen zijn niet in de begripsomschrijvingen opgenomen, maar in de lijst van gebruikte afkortingen. Een afkorting is niet anders dan een verkorte schrijfwijze of uitspraak van één of meer woorden waarvan de betekenis elders al is vastgelegd. Verklaringen van afkortingen behoren daarom niet in de begripsomschrijvingen thuis maar in de lijst van gebruikte afkortingen. Bovendien zal niet eerder een afkorting worden gebruikt dan nadat de volledige schrijfwijze en de daarbij behorende afkorting, (tussen haakjes), is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk2.Re-integratie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende definities voor deze paragraaf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de begrippen omschreven die specifiek betrekking hebben op re-integratie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-1-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbod voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De doelstelling van de Participatiewet is om zo veel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Daarnaast is de Participatiewet bedoeld om de kansen op arbeidsparticipatie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of een arbeidsbeperking op de lange termijn te verbeteren. Gemeenten krijgen met de Participatiewet de ruimte om zelf, op lokaal niveau, te bepalen of zij ondersteuning aanbieden en zo ja, welke ondersteuning. De Participatiewet biedt gemeenten de mogelijkheid om zowel bestaande als nieuwe re-integratievoorzieningen in te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het hoofdstuk voorzieningen zijn alle individuele voorzieningen opgenomen, die het dagelijks bestuur kan inzetten in het kader van de re-integratie. De Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz bevat al een opsomming van de categorieën waaronder de verschillende voorzieningen vallen. Het betreffen de volgende categorieën: (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid; begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid; ondersteunen bij het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling, waaronder begeleiding op en aanpassingen van de werkplek en scholing; verwijzen naar en ondersteunen bij deelname aan maatschappelijke participatie; anderszins een voorziening verstrekken in verband met bepaalde specifieke re-integratieactiviteiten, nader te bepalen in de beleidsregels zoals vermeld in lid 3 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zijn in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz de voorwaarden gesteld die gelden bij de aanspraak op en het inzetten van een voorziening. Een van de voorwaarden is opgenomen in artikel 3 lid 6. Het betreft de bepaling waarin is geregeld onder welke voorwaarden niet-uitkeringsgerechtigden aanspraak kunnen maken op een voorziening. De criteria zijn gericht op het inkomen, vermogen en de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling van de niet- uitkeringsgerechtigden. Deze bepalingen zoals die zijn opgenomen in het zesde lid zijn op een specifieke groep niet van toepassing. Dat is de groep van personen, die structureel niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Hieronder vallen veelal de personen die voorheen recht zouden hebben gehad op een uitkering in het kader van de Wajong. Deze bepaling is opgenomen, zodat deze mensen niet tussen wal en schip vallen wanneer zij bijvoorbeeld een werkende partner hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze beleidsregels zijn verschillende voorzieningen aangewezen waarop de bedoelde doelgroep ook aanspraak kan maken wanneer zij niet binnen de criteria van artikel 3 lid 6 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">We willen hiermee mogelijk maken dat ook mensen met verminderd arbeidsvermogen aan het werk kunnen gaan, ongeacht de hoogte van het gezinsinkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk worden individuele voorzieningen benoemd. De voorzieningen die zijn opgenomen betreffen individuele voorzieningen, wat betekent dat de noodzaak tot inzetten ervan per individu wordt beoordeeld. De beoordeling voor wat betreft welke voorzieningen in een specifiek geval worden ingezet, vindt veelal plaats in overleg met de werkgever die zijn bedrijf open stelt voor personen die behoren tot de doelgroep re-integratie. In bepaalde gevallen zal het nodig zijn om niet één voorziening maar een samengesteld pakket van voorzieningen in te zetten. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand aan de slag gaat met behulp van loonkostensubsidie; niet zelden zal dan ook tijdelijk een jobcoach noodzakelijk zijn, om te zorgen dat de werknemer zijn werk goed kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomende gevallen zal de werkgever niet een enkele werknemer nodig hebben, maar zal hij geïnteresseerd zijn in een groep werknemers. In dat geval zal de accountmanager in gesprek gaan met de werkgever om een arrangement samen te stellen. Op deze manier kunnen meerdere personen tegelijk worden geplaatst bij de werkgever. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van de inzet van een scholingsbudget, zodat de nieuwe werknemers worden getraind/opgeleid voor de functie waarin zij gaan starten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In het eerste lid is vastgelegd welke voorzieningen het dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden. Door deze wijze van formulering wordt bewerkstelligd dat het aanbod aan voorzieningen niet limitatief is maar flexibel blijft. Daardoor wordt een situatie gecreëerd waarin het aanbod van voorzieningen afgestemd kan worden op de feitelijke behoefte aan een bepaalde voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het tweede lid formaliseert de mogelijkheid om af te wijken van de in het eerste lid omschreven voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Per 1 januari 2012 heeft de Regering de verplichtingen voor jongeren tot 27 jaar aangescherpt. Onder meer is voor de jongere tot 27 jaar, een zoektermijn van 4 weken ingevoerd (vanaf de datum van melding). In deze periode dient de jongere aantoonbare inspanningen te verrichten om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en zijn mogelijkheden voor de terugkeer naar regulier onderwijs te onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur heeft ten aanzien van voornoemde wetgeving beleidsvrijheid waar het ijkpunt ligt voor het bepalen of terugkeer naar school wenselijk is. Vanuit de praktijk is gebleken dat werkgevers veelal een doelgericht diploma vragen van hun sollicitanten. Om deze reden is dan ook gekozen voor het principe dat jongeren een startkwalificatie dienen te behalen. Een startkwalificatie is scholing op MBO2-, MBO3- , MBO4-, Havo- of VWO-niveau die met diploma is afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de jongere geen startkwalificatie heeft en hij kan (weer) terug naar het regulier onderwijs, bestaat er geen recht op bijstand (meer). Het maakt niet uit of er nog recht op studiefinanciering bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jongeren die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn en als gevolg hiervan geen scholing kunnen volgen, komen in aanmerking voor een Wajong-uitkering. Dit geldt als voorliggende voorziening op de Participatiewet. In artikel 9 lid 2 van de wet is bepaald dat de belanghebbende een tijdelijke ontheffing kan worden verleend van de arbeidsverplichtingen mits hier dringende redenen voor aanwezig zijn. Het is reëel om ditzelfde principe te hanteren voor de scholingsplicht. Een dringende reden wordt in ieder geval aanwezig geacht indien betrokkene een behandeling volgt voor medische- of psychische problematiek die het onmogelijk maakt om reguliere scholing te volgen. Er kunnen zich ook andere in de persoon gelegen factoren voordoen, bv. de mate van leerbaarheid, die het volgen van regulier onderwijs onmogelijk maken. De jongere zelf zal documenten/bewijsmateriaal moeten verstrekken op basis waarvan beoordeeld kan worden dat er geen mogelijkheden meer zijn binnen het bekostigd onderwijs. Gedacht kan worden aan adviezen van bevoegde deskundigen of de leerplichtambtenaar. De ontheffing van de verplichting tot terugkeer naar school wordt voor de duur van maximaal 12 maanden verleend. Hierna moet de situatie opnieuw beoordeeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met enige regelmaat komt de situatie voor dat er aan een jongere die nog in de wachttijd zit een aanbod gedaan wordt/kan worden dat leidt tot een arbeidsovereenkomst. De staatsecretaris heeft, ondanks dat formeel geen ondersteuning mag worden aangeboden in de wachttijd, aangegeven dat bij kwetsbare jongeren wél een aanbod maar geen uitkering mag worden geboden. Daarnaast is in de uitvoeringspraktijk bekend dat 60% van de gemeenten dat al doet als het gaat om een kwetsbare jongere. Om te voorkomen dat werkgevers afhaken en jongeren daardoor op een uitkering aangewezen raken, is nadrukkelijk opgenomen dat voorzieningen (LKS etc.) ingezet kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur heeft de bepalingen die wettelijk op jongeren beneden de 27 jaar gelden - behalve de scholingsplicht - ook van toepassing verklaard op personen van 27 jaar en ouder. De wettelijke wachttijd heet dan inspanningsperiode. De voorwaarden, rechten en plichten zijn hetzelfde met dit verschil dat de persoon van 27 jaar en ouder het doen van een aanvraag niet kan worden ontzegd en in geval van financiële nood een passende voorziening wordt geboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-2-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Talent2Work</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Talent2Work is een middel om werkgever en werknemer direct met elkaar in contact te brengen. Door het afleggen van (groepsgewijze) bedrijfsbezoeken, events en speeddates wordt op een innovatieve manier dit contact gestimuleerd. In beginsel staat de voorziening voor de gehele groep van werkzoekenden open, maar ook Wsw-ers en bijvoorbeeld WW-ers kunnen de voorziening gebruiken. Niet alleen het verkrijgen van een dienstbetrekking, maar ook het plaatsen op werkervaringsplaatsen zijn doelen die aan Talent2Work zijn verbonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-3-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Bemiddeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Normaal gesproken wordt deze voorziening enkel ingezet bij personen waarbij geen feitelijke belemmeringen meer aanwezig zijn voor het verkrijgen en behouden van betaalde arbeid. De voorziening is dan ook bedoeld om belanghebbende de noodzakelijk geachte ondersteuning te bieden bij het solliciteren en om hem te matchen en te bemiddelen op vacatures / baanopeningen. Met de invoering van de Participatiewet bestaan er uitgebreidere mogelijkheden om personen met een arbeidshandicap te ondersteunen richting werk. In veel gevallen zal de voorziening 'bemiddeling naar werk' dan ook niet op zichzelf staan, maar zal er bij een eventuele plaatsing een andere voorziening zoals opgenomen in deze beleidsregels worden ingezet. Dit maakt dat deze voorziening, anders dan voorheen, open staat voor een grotere doelgroep; iemand die weliswaar een arbeidshandicap heeft maar die met bijvoorbeeld de inzet van loonkostensubsidie inzetbaar is bij een werkgever, is namelijk ook een kandidaat voor bemiddeling naar werk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-4-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Scholing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zoals is opgenomen onder lid 4 onderdeel a, kan de voorziening scholing in verschillende situaties worden ingezet. Scholing kan worden ingezet als deze: verband houdt met een baangarantie; of gezien de arbeidsmarktsituatie een significante vergroting vormt van de kans op een baan; of deel uitmaakt van een arrangement dat wordt gesloten met de werkgever; of een wettelijke grondslag heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholing kan een zeer kostbaar instrument zijn om in te zetten. Daarom moet er een gedegen beoordeling plaatsvinden, waarin wordt bezien of scholing in een individueel geval wel het meest doelmatige en doeltreffende instrument is. Wat van belang is dat de kosten die met de scholing gemoeid zijn in verhouding staan tot de beoogde uitkeringsonafhankelijkheid van de belanghebbende. Vandaar dat er in beginsel altijd een verband moet bestaan tussen de inzet van de scholing en het (gedeeltelijk) uitstromen van een belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur is echter op grond van artikel 9a lid 10 en artikel 10a lid 5 van de Participatiewet gehouden om scholing aan te bieden wanneer dit geen directe arbeidsinschakeling tot gevolg heeft; dit is het geval bij alleenstaande ouders met een ontheffing en personen die werkzaamheden in het kader van een participatieplaats verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien alleenstaande ouders die op grond van artikel 9a zijn ontheven van de arbeidsverplichting en indien personen die werkzaamheden verrichten in het kader van een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikken, dient het dagelijks bestuur aan deze personen scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het dagelijks bestuur hoeft aan een persoon geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar haar oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar haar oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid en artikel 9a, tiende lid, van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-5-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Participatieplaats art. 10a Participatieplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 10a, eerste lid Participatiewet is geregeld dat alleen uitkeringsgerechtigden met een kleine kans op inschakeling in het arbeidsproces en die daardoor alsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt voor een participatiebaan in aanmerking komen. De werkzaamheden moeten aangeboden worden in het kader van re-integratie van de betrokkene en het moet om additionele werkzaamheden gaan. De activiteiten moeten primair gericht zijn op het bevorderen van mogelijkheden van betrokkene om uit de bijstand te stromen naar reguliere arbeid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-6-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Beschut werk art.10b Participatiewet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8a van de Participatiewet schrijft voor dat bij verordening voorschriften worden gegeven over het verrichten van werkzaamheden in een beschutte werkomgeving, zoals bedoeld in artikel 10b van de wet. Dit bevordert o.a. de beoogde evenwichtige verdeling van voorzieningen over de personen uit de doelgroep waarvoor de gemeente een re-integratieverantwoordelijkheid draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 1 januari 2017 is de ‘Kan-bepaling” ten aanzien van het aanbieden van beschut werk vervallen. Gemeenten zijn verplicht uitvoering te geven aan art. 10b. Per gemeente dient minstens een verplicht aantal plaatsen gerealiseerd te worden. Additionele aantallen zijn toegestaan. De gemeenten in de regio Midden-Brabant kiezen – met uitzondering van de gemeente Tilburg – alleen het verplichte aantal werkplekken ter beschikking te stellen. Als de vraag naar werkplekken dit aantal overschrijdt, dan ontstaat er een wachtlijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is opgenomen dat het dagelijks bestuur verschillende ondersteunende voorzieningen, zoals opgenomen in deze beleidsregels inzet om het beschut werk mogelijk te maken. Tevens is bepaald dat het dagelijks bestuur de omvang van het aanbod beschut werk bepaalt en vastlegt hoeveel plekken voor beschut werk beschikbaar worden gesteld. Eveneens is opgenomen dat alternatieve passende voorzieningen, anders dan beschut werk kan worden aangeboden aan de persoon die uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-7-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Werkervaringsplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een werkervaringsplaats is een (leer)werkplek waar belanghebbenden (vaak jongeren) met een Participatiewetuitkering gedurende een gelimiteerde periode werkervaring op kunnen doen. De belanghebbende werkt met behoud van een uitkering. In sommige gevallen kan de werkervaringsperiode worden verlengd tot 1 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-8-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Proefplaatsing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een proefplaatsing die kan worden ingezet wanneer een werkgever voornemens is de uitkeringsgerechtigde een dienstverband aan te bieden, maar twijfels heeft over de geschiktheid van de uitkeringsgerechtigde voor wat betreft de specifieke functie. Hiermee krijgt de uitkeringsgerechtigde de kans om te laten zien wat hij in huis heeft en de werkgever kan in de praktijk beoordelen of de werknemer geschikt is voor de functie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-9-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:9</span><span class=\"lf-art-t\">Meesterbeurs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Meesterbeurs staat open voor zowel bijstandsgerechtigden als niet-uitkeringsgerechtigden. Het is een instrument dat moet zorgen voor een betere doorstoom van 50-plussers naar de arbeidsmarkt. De persoon die werkzaamheden in het kader van de Meesterbeurs wil gaan verrichten, moet eerst zelf een werkgever zoeken bij wie hij de werkzaamheden kan verrichten. Er dient dus eerst een werkgever in beeld te zijn voordat een beroep kan worden gedaan op de Meesterbeurs. Het is van belang dat de werkzaamheden die worden verricht additioneel zijn en dat er geen verdringing plaatsvindt als gevolg van de Meesterbeurs. Daarom zal bij iedere ingevulde plek op voorhand worden bezien of dit het geval is. Indien de werkzaamheden niet additioneel zijn, verleent het dagelijks bestuur geen toestemming voor het starten van de Meesterbeurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedereen die werkzaamheden in het kader van de Meesterbeurs heeft verricht, heeft recht op een premie. Dit is een extra stimulans voor de werkzoekende. Voor personen die een uitkering ontvangen wordt de premie verstrekt op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel j van de Participatiewet en daarom niet in mindering gebracht op de uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-10-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:10</span><span class=\"lf-art-t\">Detacheringsbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt kan een detacheringsbaan worden aangeboden. Gedurende een maximale periode van 2 jaar kan de belanghebbende door het verrichten van betaalde arbeid zich verder bekwamen als voorbereiding op het aanvaarden van regulier werk. Hierin onderscheidt de detacheringsbaan zich van de vroegere WIW-baan, die ook voor onbepaalde tijd aangegaan kon worden. De detacheringsbaan is maximaal 2 jaar subsidiabel. Omdat dit re-integratie-instrument erg kostbaar is, wordt het alleen ingezet als goedkopere alternatieven niet het gewenste resultaat zullen opleveren. Het werkgeverschap bij deze vorm van gesubsidieerde arbeid kan worden toebedeeld aan een uitvoeringsorganisatie/contractant. Samenwerkings- en uitvoeringsafspraken worden nader geconcretiseerd in een convenant c.q. contract.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een detacheringsbaan wordt alleen overeengekomen indien vooraf is vastgesteld dat de persoon tot de beoogde doelgroep behoort en bovendien uitkeringsonafhankelijkheid wordt bereikt. Uitzondering op deze hoofdregel is mogelijk bij een arbeidshandicap of bij het verrichten van noodzakelijke zorgtaken, die niet in voldoende mate afgestemd kunnen worden op de arbeidsverplichtingen. Bij convenant of contract worden met de contractant afspraken gemaakt over de hoogte van de vergoeding voor begeleiding en loonkosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-11-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:11</span><span class=\"lf-art-t\">Loonkostensubsidie art. 10b Participatiewet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De loonkostensubsidie zoals beschreven in dit artikel kan uitsluitend worden ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet: personen met een arbeidsbeperking. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. Met dit instrument compenseert het dagelijks bestuur werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer. Dat geldt ook als het dagelijks bestuur zelf een persoon uit de doelgroep in dienst neemt en detacheert bij reguliere werkgevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 10c van de Participatiewet is bepaald dat het aan het dagelijks bestuur is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Binnen de kaders van de Participatiewet is het aan het dagelijks bestuur om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3, zesde lid, van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is geregeld dat niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers) geen aanspraak kunnen maken op een voorziening, als het gezinsinkomen hoger is dan 110% van het netto minimumloon, of wanneer het vermogen hoger is dan het maximaal vrij te laten vermogen, zoals bedoeld in de Participatiewet. Het dagelijks bestuur is echter verplicht om loonkostensubsidie te verstrekken, als belanghebbende tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Dit is bepaald in artikel 10d, vierde lid, Participatiewet. Voor de belanghebbende is de loonkostensubsidie een afdwingbaar recht. Dit betekent dat het dagelijks bestuur bij het inzetten van de voorziening 'loonkostensubsidie', de bepalingen van artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz buiten toepassing moet laten. Als belanghebbende tevens is opgenomen in het doelgroepenregister baanafspraken, dan geldt artikel 3, zesde lid, van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bovenstaande houdt in dat het dagelijks bestuur ook loonkostensubsidie moet inzetten voor nuggers, ook als het gezinsinkomen van de nugger hoger is dan 110% van het netto minimumloon. Het gaat hier om een specifieke groep, namelijk van personen die structureel niet in staat zijn om het wettelijk minimumloon te verdienen. Hieronder vallen veelal personen die voorheen recht zouden hebben gehad op een uitkering in het kader van de Wajong. Het dagelijks bestuur bepaalt dat zij ten behoeve van deze groep wel de voorziening 'loonkostensubsidie' kan inzetten. Hiermee voorkomt het dagelijks bestuur dat deze groep tussen wal en schip valt, bijvoorbeeld omdat zij een werkende partner hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur is verplicht loonkostensubsidie te verstrekken als de belanghebbende tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% van het Wettelijk minimumloon (artikel 10d, vierde lid, Participatiewet). Het dagelijks bestuur is niet bevoegd om een budgetplafond in te stellen voor het instrument loonkostensubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 25 november 2015 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bestuurlijke afspraken gemaakt met sociale partners, gemeenten, de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om de Participatiewet en de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten (Wet banenafspraak) te vereenvoudigen. Voor deze aanpassingen is per 1 januari 2017 een wetswijziging ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van deze wetswijziging is de praktische uitvoering van de Participatiewet en de Wet banenafspraak verder te verbeteren. Aanleiding voor de wijzigingen zijn signalen van verschillende organisaties uit de praktijk en vanuit de Tweede Kamer, waaruit naar voren kwam dat onderdelen van de Participatiewet en de Wet banenafspraak verbeterd kunnen worden voor een goede uitvoering van de banenafspraak. Zo werkt bureaucratie belemmerend voor de uitvoering. En vormt bureaucratie voor werkgevers een drempel voor het realiseren van banen voor mensen met een arbeidsbeperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De signalen over bureaucratie hebben geleid tot twee aanpassingen. Een vaste loonkostensubsidie van 50 % van het wettelijk minimumloon in het eerste halfjaar van een dienstbetrekking voorafgaand aan de loonwaardemeting. Het doel van deze maatregel is om het voor werkgevers en gemeenten in de praktijk eenvoudiger te maken iemand met een beperking in een dienstbetrekking te plaatsen. Een forfaitaire loonkostensubsidie maakt de start van een dienstverband met iemand uit de doelgroep banenafspraak gemakkelijker voor een werkgever. Bovendien kan in het eerste half jaar een goed beeld worden verkregen van de capaciteiten van de werknemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetswijziging maakt daarnaast loonkostensubsidie mogelijk voor jongeren die al werken. Ten behoeve van de eenduidigheid stelt de regering voor om de mobiliteitsbonus voor mensen met scholingsbelemmeringen te harmoniseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De forfaitaire loonkostensubsidie Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk dat gemeenten tijdens de eerste zes maanden van een dienstbetrekking een forfaitaire loonkostensubsidie van 50 % van het wettelijk minimumloon (WML) kunnen inzetten. De forfaitaire loonkostensubsidie vereenvoudigt en bespoedigt de plaatsing van een kandidaat met een arbeidsbeperking in een dienstbetrekking bij een werkgever. Door deze maatregel hoeft niet langer in alle gevallen bij het begin van de plaatsing een loonwaarde op de werkplek te worden vastgesteld. Werkgevers hebben hierdoor eerder een beeld van de financiële gevolgen van het aannemen van de kandidaat. Dit speelt een belangrijke rol bij de totstandkoming van dienstbetrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De forfaitaire loonkostensubsidie kan worden ingezet in de plaats van een loonkostensubsidie die gebaseerd is op de objectief op de werkplek vastgestelde loonwaarde van een werknemer. De gemeente zet deze forfaitaire loonkostensubsidie in de plaats van een loonkostensubsidie gebaseerd op een vastgestelde loonwaarde in overleg met de werkgever in.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de loonkostensubsidie kan verschillen van een loonkostensubsidie die gebaseerd zou zijn op een vastgestelde loonwaarde van een werknemer. Het is daarom gewenst dat het instrument in overleg tussen gemeente en werkgever wordt ingezet. Zo is de forfaitaire loonkostensubsidie voordeliger voor de gemeente als de vastgestelde loonwaarde van een werknemer lager zou zijn dan 50 % van het wettelijk minimumloon en nadeliger als de vastgestelde loonwaarde hoger zou zijn dan 50 % van het wettelijk minimumloon. Daarentegen is de forfaitaire loonkostensubsidie voor de werkgever voordeliger als de vastgestelde loonwaarde van een werknemer hoger zou zijn dan 50 % van het wettelijk minimumloon en nadeliger als de vastgestelde loonwaarde lager zou zijn. Het is dus goed dat gemeenten en werkgevers vooraf overleggen zodat de werking van dit instrument op voorhand helder is en wordt aanvaard. De werknemer ondervindt geen financieel voor- of nadeel van de forfaitaire loonkostensubsidie. Bij loonkostensubsidie in de Participatiewet ontvangt de werknemer cao-loon of tenminste het WML van de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de verwachting dat de forfaitaire loonkostensubsidie vooral zal worden ingezet in situaties waarin de loonwaarde vooraf lastig is in te schatten. Voor andere situaties waarin zowel gemeente als werkgever allebei verwachten dat de werknemer een aanzienlijk hogere of aanzienlijk lagere loonwaarde heeft dan 50 % van het WML, zullen zij de voorkeur geven aan het zo snel mogelijk vaststellen van de daadwerkelijke loonwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De forfaitaire loonkostensubsidie kan gedurende maximaal zes maanden na aanvang van een dienstbetrekking worden ingezet. Na die periode wordt de loonkostensubsidie voortgezet, maar berekend op basis van een op de werkplek vastgestelde loonwaarde. Tijdens de periode waarin met een forfaitaire loonkostensubsidie is gewerkt zal een goed beeld zijn ontstaan van de mogelijkheden en de productiviteit van de werknemer in zijn functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten houden de mogelijkheid om direct vanaf het begin van de plaatsing van een kandidaat bij een werkgever een loonwaarde op de werkplek vast te stellen en een daarop gebaseerde loonkostensubsidie toe te kennen. Dit is bijvoorbeeld mogelijk als voorafgaand aan de dienstbetrekking voldoende duidelijkheid bestaat over de productiviteit van betrokkene. Die duidelijkheid kan bijvoorbeeld zijn verkregen tijdens een periode waarin een kandidaat - eventueel met behoud van uitkering - bij de werkgever werkzaamheden heeft verricht. De mogelijkheid voor gemeenten om mensen een proefplaatsing aan te bieden blijft onveranderd bestaan. Deze mogelijkheid is bij uitstek geschikt om aan elkaar te wennen, werkervaring op te doen, maar ook om via jobcarving na te gaan wat het beste bij betrokkene past.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het in overleg met betrokkenen inzetten van forfaitaire loonkostensubsidie leidt tot een snellere plaatsing van een kandidaat in een dienstbetrekking bij een werkgever en dit dus een begunstigend effect heeft voor belanghebbenden, worden gemeenten in de gelegenheid gesteld te anticiperen op deze wetswijziging. Vanaf het moment van indiening van het wetsvoorstel bij Tweede Kamer op 5 juli 2016, kan forfaitaire loonkostensubsidie worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Loonkostensubsidie voor jongeren met beperkingen die al werken Het wetsvoorstel maakt het verder mogelijk dat gemeenten loonkostensubsidie kunnen inzetten voor schoolverlaters afkomstig uit het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs of de entreeopleiding MBO die al zijn gaan werken bij een werkgever. Het gaat om kwetsbare jongeren die recent (binnen een periode van zes maanden na het verlaten van het genoemde onderwijs) de overgang van school naar werk hebben gemaakt, dus wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben maar die niet in staat blijken om met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit de praktijk (scholen, professionals, cliënten) zijn er signalen dat schoolverlaters uit het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs of de entreeopleiding MBO al bij werkgevers aan de slag zijn, en dat wanneer iemand al enige tijd aan het werk is, kan blijken dat diegene verminderd productief is. Verlenging of voortzetting van het contract is dan alleen mogelijk is als er een loonkostensubsidie wordt verstrekt. In de huidige Participatiewet is voor de inzet van loonkostensubsidie nog wettelijk vereist dat de werkgever voornemens moet zijn iemand in dienst te nemen (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet). Het is niet mogelijk om loonkostensubsidie in te zetten voor iemand die al aan het werk is. Via deze wettelijke aanpassing mogen gemeenten ook loonkostensubsidie inzetten voor specifieke groepen schoolverlaters die al aan het werk zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-12-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:12</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijke ondersteuning/Jobcoach</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk doen zich situaties voor dat een werkgever zelf een interne jobcoach in dienst heeft en een vergoeding voor de werkplekondersteuning wenst. Het dagelijks bestuur kan een vergoeding voor interne jobcoach verstrekken onder dezelfde voorwaarden als de eigen jobcoach van Baanbrekers. Het is niet de bedoeling dat de werkgever de (jobcoach)markt op gaat en zelf gaat inhuren. In dat geval is de werkgever aangewezen op de jobcoach van Baanbrekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt via de loonwaardenmeting de omvang en intensiteit van de begeleidingsbehoefte gemeten. Vervolgens wordt een financiële vergoeding toegekend, uitgaande van de vastgestelde uren en het urentarief van een jobcoach van Baanbrekers (thans € 47,00).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te zorgen voor eenduidigheid bij invulling van de banenafspraak sluit het dagelijks bestuur aan bij de beleidslijn van UWV en de G4-arbeidsmarktregio’s (Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht) en de maximale jaarbedragen die gelden voor het zgn. lichte dan wel middenregime. Deze bedragen zijn thans:</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleidingsniveau Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Licht € 2.700 € 1.400 € 1.400 Midden € 4.500 € 2.700 € 1.400 Leerwerktraject Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten. Het dagelijks bestuur moet dan wel van oordeel zijn dat een leerwerktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het volgen van dat leerwerktraject. Dit volgt uit artikel 10f van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening ondersteuning bij leerwerktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leerwerktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leerwerktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het dagelijks bestuur vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het dagelijks bestuur onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leerwerktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-13-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:13</span><span class=\"lf-art-t\">Werkplekaanpassingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn de voorwaarden gesteld die verband houden met de aanspraak op de voorzieningen gericht op aanpassing van de werkplek. In haar kamerbrief van 30 juni 2014 heeft de staatssecretaris het volgende opgenomen: \"Met de invoering van de Participatiewet zijn gemeenten ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van voorzieningen voor mensen met een arbeidsbeperking. Het gaat hierbij om hulpmiddelen die niet standaard beschikbaar zijn binnen een bedrijf (de zogenoemde meeneembare voorzieningen), bijvoorbeeld orthopedische werkschoenen, specifieke bureau- en werkstoelen, of brailleapparatuur. Omdat het ook hier gaat om een klein aantal gebruikers en veelal zeer specifieke producten, hebben de leden van de VNG eveneens besloten om deze voorzieningen landelijk te coördineren.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooralsnog richt dit artikel zich daarom op de niet-meeneembare voorzieningen. Deze voorzieningen zullen normaal gesproken door de werkgever worden aangevraagd, dan wel bij plaatsing van de werkzoekende worden ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-14-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:14</span><span class=\"lf-art-t\">Onkostenvergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk om een vergoeding te verstrekken voor kosten die de persoon moet maken in het kader van een arbeidsmarktgericht re-integratieactiviteit. Hierbij gaat het om de directe en indirecte kosten, die noodzakelijk en aantoonbaar zijn en die, in alle redelijkheid, niet ten laste van de persoon kunnen komen. Ook moet er voor deze kosten geen andere voorliggende voorziening zijn. Voorts moet er sprake zijn van de goedkoopste adequate oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een vervoers-/reisvoorziening gaat het om de kosten van noodzakelijk woon-werkverkeer waarvoor de werkgever geen regeling kent. Als deze noodzakelijk zijn vanwege ziekte of gebrek, niet door belanghebbende zelf geregeld kan worden, de werkgever geen regeling kent en als direct duidelijk is dat de beperkingen er zijn, hoeft hiervoor geen nader medisch advies gevraagd te worden. Bij rolstoelafhankelijkheid is dit altijd het geval. Als er twijfel bestaat kan hiervoor een medisch advies aangevraagd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-15-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:15</span><span class=\"lf-art-t\">Sociale activering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ, dient deze voorziening gericht te zijn op ondersteuning bij het wegnemen van de belemmeringen met betrekking tot de arbeidsinschakeling. Uitgangspunt is dan ook dat sociale activering een voorziening is die bedoeld is om arbeidsinschakeling mogelijk te maken. Sociale activering is in deze context een onderdeel van een re-integratietraject gericht op arbeidsinschakeling. Sociale activering, waarbij het einddoel participatie en/of het voorkomen of opheffen van een sociaal isolement is, is géén voorziening zoals bedoeld in de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-16-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:16</span><span class=\"lf-art-t\">Bemiddeling naar maatschappelijke participatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze dienstverlening behelst de verbinding naar de wijkteams. Deze teams beschikken over een breed actueel netwerk en onderhouden de relatie met het maatschappelijk middenveld in de Baanbrekersgemeenten. Dit stelt de teams in staat om bv. naar vrijwilligersvacatures te verwijzen. Personen die niet (direct) bemiddelbaar zijn naar werk zijn in beeld bij de wijkteams. Deze personen worden begeleid naar bv. vrijwilligerswerk en/of zorg c.q. hulpverlening. De werkmakelaar volgt het proces bij de plaatsing zodat er een goede aansluiting is tussen de uitkeringsgerechtigde en de organisatie /plaats waar het vrijwilligerswerk/zorg zal worden uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-17-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1:17</span><span class=\"lf-art-t\">Nazorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Studietoeslag</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op individuele studietoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 36b van de wet zijn de bepalingen omtrent de individuele studietoeslag opgenomen. Een van de voorwaarden is dat er pas recht bestaat op studietoeslag indien is vastgesteld dat de aanvrager niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Er is niet gespecificeerd welke grenzen gehanteerd moeten worden. Daarom zijn in deze beleidsregels nadere voorwaarden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen die niet in staat zijn om minimaal het wettelijk minimumloon te verdienen, kunnen in aanmerking komen voor de studietoeslag. Of dit het geval is wordt, afhankelijk van de situatie, beoordeeld door een interne of externe deskundige. Dit kan op basis van een gesprek, dan wel op basis van reeds aanwezige gegevens. Hierbij kan gedacht worden aan gegevens van het UWV, eventuele eerdere medische keuringen en informatie vanuit het netwerk, zoals bijvoorbeeld school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het recht op studietoeslag kunnen door het dagelijks bestuur overige voorwaarden verbonden. Het dagelijks bestuur zou bijvoorbeeld regels kunnen stellen omtrent de leefsituatie (thuiswonenden worden uitgesloten). Dit is echter niet wenselijk gezien het aard en het doel van de verstrekking. Het aard en doel van de verstrekking wijzigt niet bij verschillende leefsituaties: \"Mensen met een arbeidshandicap hebben een extra steuntje in de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een stuk hoger, omdat de kans opeen baan later lager is. Een studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan.\" (TK 2013–2014, 33 161, nr. 125) Bovendien wordt er geen aanvullende inkomensgrens gehanteerd. Het ligt voor de hand dat personen die voldoen aan de voorwaarden voor wat betreft de arbeidsbelemmering niet dermate hoge inkomsten hebben dat een studietoeslag niet op zijn plaats zou zijn. Indien een belanghebbende al een baan heeft naast de studie waarmee hij significante inkomsten verdient, dan zal hij naar alle verwachting niet worden aangemerkt als arbeidsbelemmerde. Overigens is het ook zo dat wanneer de inkomsten van de belanghebbende een bepaald bedrag overstijgen, er geen recht meer bestaat op studiefinanciering. Er bestaat dan ook geen recht op studietoeslag, aangezien dit een van de voorwaarden is om voor de toeslag in aanmerking te komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Tegenprestatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet moet het algemeen bestuur een verordening vaststellen op de tegenprestatie. Het algemeen bestuur heeft aan deze verplichting voldaan met het vaststellen van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, waarvan de verordening op de tegenprestatie deel uitmaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-1-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van het opdragen van een tegenprestatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan aan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen. Het primaire doel hiervan is om de belanghebbende iets terug te laten doen voor het ontvangen van de uitkering. Het moeten maatschappelijk nuttige activiteiten betreffen. Maar als de belanghebbende al onbeloonde activiteiten verricht, bijvoorbeeld omdat hij vrijwilligerswerk doet of mantelzorg verricht, dan is het opdragen van een plicht tot tegenprestatie in feite dubbelop. Daarom is dit artikel opgenomen dat het dagelijks bestuur afziet van de mogelijkheid tot het opdragen van de tegenprestatie aan belanghebbenden die al voldoende maatschappelijk nuttige activiteiten verrichten. In het derde lid is aangegeven wat we minimaal verstaan onder 'voldoende maatschappelijk nuttige activiteiten'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor werkzoekenden die het dichtst bij werk staan zien wij als belangrijkste 'tegenprestatie' het leveren van een maximale inzet om weer aan de slag te gaan. Daarom wordt aan mensen die deelnemen aan een re-integratietraject geen tegenprestatie opgedragen. Hieronder wordt ook begrepen de bemiddeling richting arbeid door Werkgeversdienstverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zijn er onder onze klanten personen bezig met (een traject gericht op) hulpverlening, zoals bijvoorbeeld bij de GGZ. In geval van een traject gericht op hulpverlening, is strikt genomen geen sprake van onbeloonde activiteiten. Echter, de belanghebbende is wel bezig om aan zichzelf te werken, om er voor te zorgen dat hij weer kan deelnemen aan activiteiten in de maatschappij. Omdat belanghebbende aan zichzelf werkt - en daarmee aan zijn toekomst - is wel sprake van nuttige activiteiten en is het opdragen van een tegenprestatie gedurende het hulpverleningstraject niet op zijn plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedereen die niet valt onder de uitzonderingsgevallen die zijn benoemd in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz dan wel in deze beleidsregels, kan worden opgedragen om een tegenprestatie te gaan verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-2-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3:2</span><span class=\"lf-art-t\">Opdragen tegenprestatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting, zoals opgenomen onder artikel 9 lid 1 onderdeel c van de Participatiewet, geldt voor iedere belanghebbende - mits niet ontheven van deze verplichting - van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd vanaf de dag van melding. De verplichting luidt als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende is verplicht naar vermogen door het dagelijks bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het handhaven van deze verplichting is niet eerder mogelijk dan de dag waarop het dagelijks bestuur de werkzaamheden heeft opgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens dat een belanghebbende daadwerkelijk een tegenprestatie krijgt opgedragen, gaat hij zelf op zoek naar activiteiten die hij in het kader van de tegenprestatie zou kunnen verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens een persoonlijk contactmoment wordt aan de belanghebbende meegedeeld dat hij een bepaalde termijn (maximaal drie maanden) krijgt om zelf een dergelijke plek te vinden. Dit bevordert de zelfredzaamheid en zorgt er tevens voor dat de belanghebbende een activiteit kan gaan verrichten die voldoet aan zijn wensen. Sommige mensen zullen aangeven het moeilijk te vinden zelf op zoek te gaan naar een dergelijke plek. Voor deze mensen bieden we ondersteuning. De belanghebbende wordt begeleid bij het vinden van een geschikte plek. Wanneer de belanghebbende de opdracht krijgt op zoek te gaan, krijgt hij informatie over de criteria waaraan de plek zou moeten voldoen. Hierbij dient nadrukkelijk aandacht te zijn voor de voorwaarde dat de activiteiten naar vermogen en naar de wensen van de belanghebbende zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belanghebbende na de vastgestelde periode geen plek heeft gevonden en wanneer dat verwijtbaar is, dan zal het dagelijks bestuur hem voorhanden zijnde activiteiten opdragen. Indien belanghebbende daar vervolgens niet naar vermogen aan meewerkt, zal er afstemming van de uitkering plaatsvinden. Ook wanneer een belanghebbende niet naar vermogen onbeloonde nuttige werkzaamheden verricht die hij zelf heeft uitgekozen, zal afstemming op grond van de afstemmingsverordening plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-3-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Invulling tegenprestatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz zijn de volgende regels gesteld waar de invulling van de tegenprestatie aan moet voldoen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegenprestatie is naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegenprestatie is niet bedoeld als re-integratie-instrument.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid (binnen de organisatie waar ze worden verricht).</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkzaamheden leiden niet tot verdringing op de arbeidsmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende moet de tegenprestatie naar vermogen kunnen verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkzaamheden dragen bij aan het perspectief op sociale stijging van de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende worden in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wensen van de belanghebbende ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie, waaronder begrepen een eventueel voorstel voor wat betreft de inhoud van de tegenprestatie van de belanghebbende zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van de tegenprestatie wordt opgedragen voor een maximale duur van 100 uur per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegenprestatie wordt opgedragen naar vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt bij het opdragen van de tegenprestatie in eerste instantie altijd gekeken naar de vermogens, wensen en het perspectief op sociale stijging. Indien uit het gedrag van belanghebbende blijkt dat hij niet voornemens is om werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie te gaan zoeken dan wel te gaan verrichten, dan zullen deze criteria van ondergeschikt belang worden. In dergelijke gevallen wordt een belanghebbende opgedragen bepaalde op dat moment voorhanden zijnde werkzaamheden te gaan verrichten. Er wordt dan in principe geen rekening meer gehouden met de wensen van de belanghebbende. Wel blijft het van belang dat de werkzaamheden de vermogens van de belanghebbende niet te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid twee van dit artikel is een opsomming opgenomen van mogelijke categorieën waaronder de werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van de tegenprestatie kunnen vallen. Deze opsomming moet worden gezien als een leidraad. Indien een belanghebbende een activiteit aandraagt die niet onder deze categorieën valt, betekent dat dus niet dat de activiteit niet kan worden verricht als tegenprestatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Premies</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-4-1-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Stimuleringspremie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De stimuleringsregeling is in te zetten voor persoon die behoort tot de doelgroep van de Participatiewet die een dienstverband aangeboden krijgen bij een werkgever. Dit houdt in dat deze voorziening ook ingezet kan worden voor nuggers en bij situaties aan de “poort”. Door onmiddellijke inzet van de voorziening zonder dat het tot een uitkering komt, wordt een uitkering voorkomen. In dit artikel zijn de maximumbedragen opgenomen. De hoogte en duur van deze regeling is afhankelijk van de capaciteiten, kwaliteiten en persoonlijke situatie van de nieuwe werknemer; bij een zwaardere beperking of grote afstand tot de arbeidsmarkt kan een premie dichter bij het maximumbedrag op zijn plaats zijn. De strikte bepaling van een ondergrens van 18 upw wordt ter bevordering van deeltijdbanen voor bv. alleenstaande ouders en besparing van uitkering als belemmerend ervaren. De ondergrens van 12 uur per week is reëler en gekoppeld aan het minimale aantal uren dat men voor werk beschikbaar moet zijn om als werkloos werkzoekende bij het UWV ingeschreven te staan. Het is niet de bedoeling dat de werknemer dit bepaalt, tenzij zijn persoonlijke omstandigheden daar aanleiding toe geven. In de praktijk komt het ook voor dat werkgevers alleen een beperkt aantal uren te beschikking stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk leidt een strikte uitleg van “een periode van een jaar” tot de veronderstelling dat het arbeidscontract ook minimaal die periode moet zijn. Ook kortere periodes/contracten zijn echter toegestaan, waarbij de premie dan naar rato berekend wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter, met de komst van de Participatiewet krijgt de loonkostensubsidie weer een prominentere plaats. Vaak zal het voor de hand liggen om, wanneer iemand een arbeidsbeperking heeft, een loonkostensubsidie te verstrekken. De loonkostensubsidie biedt de werkgever een meer structurele compensatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-1-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen tijdens de inspanningsperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is de inspanningsverplichting voor alle nieuwe klanten die zich melden geformaliseerd. Gedurende de inspanningsperiode van vier weken wordt extra benadrukt dat personen die zich melden voor een uitkering, hun uiterste best moeten doen om zo snel mogelijk weer werk te vinden. Tijdens het eerste gesprek wordt bepaald of een klant de inspanningsverplichting krijgt opgelegd. De standaard is dat iedereen de verplichtingen krijgt opgelegd. Enkel wanneer er zwaarwegende redenen bestaan, kan er van worden afgezien. Een zwaarwegende reden houdt in dat mensen duidelijk niet in staat zijn aan de verplichtingen te voldoen, zoals bijvoorbeeld een klant met zware psychische problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van schuldenproblematiek, is dat in beginsel geen reden om af te zien van het opleggen van de inspanningsverplichting. Er kan tijdens de inspanningsperiode namelijk gewerkt worden met voorschotten. Hier wordt echter wel terughoudend mee omgegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-2-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Sollicitaties tijdens inspanningsperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-3-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Plan van Aanpak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het plan van aanpak is een weergave van de situatie van de werkzoekende en de inzet die gewenst is. Op basis van dit plan zal de klant verdere dienstverlening gaan ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-4-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5:4</span><span class=\"lf-art-t\">Waarschuwing in plaats van verlaging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 28 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bb is bepaald dat het dagelijks bestuur bij gedragingen uit de tweede categorie zoals bedoeld in 30 sub b en 32 sub b van deze verordening, in plaats van een verlaging, een waarschuwing oplegt indien, ter beoordeling van het dagelijks bestuur, de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin belanghebbende verkeert daartoe aanleiding geven. In dit artikel is bepaald dat de verplichting met betrekking tot de inschrijving bij het UWV altijd eerst wordt afgedaan met een waarschuwing. Dit omdat de verlaging naar aanleiding van deze gedraging fors is. Mensen krijgen de kans om zich na de waarschuwing alsnog in te schrijven dan wel hun inschrijving te verlengen. Indien dat niet gebeurt dan wordt er alsnog een maatregel opgelegd. Dit betreft in dat geval een recidive maatregel, aangezien een waarschuwing mee telt voor recidive. Ook is er in dit artikel opgenomen wanneer niet wordt volstaan met een maatregel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-5-140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Artikel 17 lid 2 van de Participatiewet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden met “begeleidingspartijen” participatie- en re-integratiepartijen bedoeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Scholingsverplichting</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6-1-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgangspunten scholingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6-2-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieplicht jongere m.b.t. scholingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jongeren hebben een informatieplicht als het gaat om de vraag in hoeverre het reguliere onderwijs nog mogelijkheden voor hen biedt. Ze moeten bij hun aanvraag documenten verstrekken die het dagelijks bestuur helpen bij de beoordeling van de vraag of het volgen van een uit 's Rijks kas bekostigde opleiding mogelijk is (artikel 41 lid 5 Participatiewet). Het moet in ieder geval gaan om gegevens of stukken waarover de jongere redelijkerwijs kan beschikken (zie artikel 4:2 lid 2 Awb). Wanneer de jongere aangeeft belemmeringen te hebben en hij deze belemmeringen niet kan aantonen of onderbouwen door middel van bewijsstukken, dan kan zo nodig een medisch advies worden ingewonnen. Dit is enkel mogelijk indien het niet kunnen beschikken over de bewijsstukken niet verwijtbaar is. Indien de jongere geen bewijsstukken overlegt waaruit blijkt dat onderwijs niet meer tot zijn mogelijkheden behoort, wordt er vanuit gegaan dat de jongere naar school kan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Participatiewet is iedere uitkeringsgerechtigde verplicht om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden en om mee te werken aan voorzieningen die de arbeidsinschakeling bevorderen (artikel 9, lid 1, sub a en b Participatiewet). Uitgangspunt is dat zo veel mogelijk uitkeringsgerechtigden de volledige arbeidsplicht opgelegd krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de invoering van de Participatiewet wordt de mogelijkheid van een tijdelijke ontheffing in artikel 9 lid 2 beperkt tot de plicht tot arbeidsinschakeling en het verrichten van een tegenprestatie. Ontheffing van onderdeel b (sociale activering, onderzoek naar mogelijkheden arbeidsinschakeling) vervalt hiermee.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing van de arbeidsverplichting heeft een tijdelijk karakter. Echter, bij personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, zijn juist geen van de verplichtingen van toepassing (de arbeidsverplichting en re-integratieverplichting, als ook van de tegenprestatie). Onder de groep 'volledig en duurzaam arbeidsongeschikt' vallen degenen die voldoen aan de criteria die de Wet werk en inkomen arbeidsongeschikten daaraan stelt. Dit is de enige groep voor wie dit geldt. De regering heeft hiertoe besloten om te voorkomen dat deze personen en de uitvoering belast moeten worden met een periodiek medisch onderzoek waarvan de uitkomst op voorhand vast staat, gegeven de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7-1-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Verlenen ontheffingen wegens dringende redenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De dringende reden moet altijd in (de omstandigheden van) de persoon liggen. Algemene redenen zoals een slechte arbeidsmarkt zijn nooit een reden voor een ontheffing. De ontheffing wordt individueel beoordeeld. Uitgangspunt is dat niet wordt onderzocht wat mensen niet kunnen, maar juist wat ze wel kunnen in het licht van hun beperkingen of hun (sociale) omstandigheden. Die verplichtingen worden opgelegd, en van de andere verplichtingen kan een ontheffing worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de ontheffing moet altijd in de beschikking worden opgenomen. Deze is afhankelijk van de duur van de dringende reden waarvoor deze ontheffing wordt gegeven. De maximale duur van de ontheffing is één jaar, waarna de verlenging opnieuw wordt beoordeeld, intern dan wel via een externe deskundige. De groep volledig en duurzaam arbeidsongeschikten hoeft niet te worden ontheven, aangezien de verplichtingen op hen niet van toepassing zijn (artikel 9 lid 5 Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen, indien dit binnen het vermogen van de belanghebbende ligt en indien dat gezien de aard van de belemmering mogelijk is. Deze extra verplichting wordt dan opgelegd op grond van artikel 55 van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7-2-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing wegens lichamelijke of psychische belemmering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Medische problemen zijn niet per definitie een reden voor het verlenen van ontheffing. Indien medische redenen worden aangegeven als belemmering en er zijn nog geen medische gegevens aanwezig in het dossier om dit te onderbouwen, dan wordt er een medisch of arbeidsdeskundig onderzoek gevraagd. Als de medische situatie al bekend is en er zijn geen wijzigingen in de situatie, dan kan de ontheffing verlengd worden zonder aanvullend onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7-3-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing wegens intensieve zorgtaken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen zullen zorgtaken geen reden zijn om een ontheffing te verlenen. Een zorgtaak zal namelijk in de meeste gevallen gecombineerd kunnen worden met de arbeidsverplichting. Het dagelijks bestuur zal dan, met toepassing van dit artikel, rekening houden met de zorgtaken die verricht moeten worden. In specifieke gevallen kan een zorgtaak zoveel impact hebben op een belanghebbende, dat actieve inzet voor wat betreft de arbeidsverplichting niet van de persoon gevergd kan worden. Er kan dan sprake zijn van een dringende reden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dringende redenen in deze context dient te worden gedacht aan bijzondere zorgtaken. Vaak zijn het kortdurende zorgtaken, die dienen ter overbrugging wanneer reguliere zorg nog niet geregeld is. Dit kunnen bijvoorbeeld de zorgtaken zijn voor één of meer ten laste komende kinderen, zoals een gehandicapt of langdurig ziek kind, waarvoor overdag (nog) geen opvangmogelijkheid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffing wegens zorgtaken is anders dan de ontheffing voor een alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar, zoals bedoeld in artikel 9a Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7-4-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Rekening houden met bepaalde zorgtaken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de invulling van de arbeidsverplichtingen moet het dagelijks bestuur rekening houden met een verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg. Dit zal in de meeste gevallen betekenen dat, indien een voorziening wordt aangeboden, bekeken wordt of belanghebbende deel kan nemen aan de voorziening en dat daarnaast nog voldoende ruimte bestaat voor de zorgtaken. Ook wordt de belanghebbende gewezen op de aanwezigheid van flankerende voorziening. Daarbij kan worden gedacht aan kinderopvang. Overigens hoeft de gemeente niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren, maar zij dient wel rekening te houden met het beschikbaar zijn hiervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek tot herziening maatregel</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-8-1-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek tot het herzien van een maatregel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de Wet Maatregelen WWB 2015 zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en bijbehorende maatregelen geïntroduceerd (artikel 18, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Een belanghebbende kan, indien er een maatregel is opgelegd voor schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, op grond van artikel 18 lid 11 een verzoek indienen om de maatregel te herzien. Het dagelijks bestuur kan dit doen, als uit de houding en gedragingen van belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen weer nakomt. De belanghebbende zal dan wel concrete feiten moeten aandragen. Deze bepaling geeft het dagelijks bestuur beleidsruimte en geeft de verlaging een reparatoir karakter. Bovendien heeft belanghebbende zo de mogelijkheid om zijn fout te herstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-9-1-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9:1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie- en budgetplafonds</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel kunnen op het moment dat er een uitputting van de beschikbare budgetten dreigt plafonds worden ingebouwd om overschrijding van de budgetten tegen te kunnen gaan. Het dagelijks bestuur kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter op zich nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om het weigeren van een voorziening mogelijk te kunnen maken is in de verordening vastgelegd dat plafonds door het dagelijks bestuur kunnen worden ingesteld. Het opnemen in de verordening dat het dagelijks bestuur nadere regels stelt ten aanzien van, onder andere, de duur en de hoogte van een voorziening, voorkomt daarmee een ongewenste overschrijding van de beschikbare middelen. Bij de vaststelling van de plafonds kan verwezen worden naar de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden gereserveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de hiervoor bedoelde situatie zich dreigt voor te doen kan het dagelijks bestuur besluiten ertoe over te gaan om een subsidie- c.q. budgetplafond in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk3.Commerciële kostendeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene bepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kostendelersnorm Alle meerderjarige personen die een woning delen, tellen in beginsel mee voor de berekening van de hoogte van de kostendelersnorm. Hierop zijn de volgende uitzonderingen benoemd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen jonger dan 21 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Studenten (BBL, WSF of WTOS);</p>\n<p class=\"lf-p\">Commerciële woningdelers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur heeft beleidsruimte om te bepalen wanneer er sprake is van commerciële woningdeling, zowel ten behoeve van de huurder, die daardoor uitgesloten is van de kostendelersnorm, als om de inkomsten uit verhuur conform artikel 33 Participatiewet te kunnen bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze beleidsregels worden de criteria voor commerciële woningdeling opgenomen als ook de gevolgen hiervan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-1-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat aanvullende begripsomschrijvingen. Met name wordt aangegeven wanneer sprake is van een commerciële relatie en wat onder een commerciële prijs wordt verstaan. Als men met meerdere personen in dezelfde woning woont en sprake is van een commercieel contract (bijvoorbeeld een huurovereenkomst) dan kan men onder de uitzondering van de kostendelersnorm komen te vallen. Van belang is dat er een schriftelijke overeenkomst is en er een commerciële prijs is afgesproken, die geïndexeerd wordt. De prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene dat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste veronderstelt tevens periodieke aanpassing van de prijs. Als slechts een bijdrage in de kosten of een tegenprestatie voor het medebewonen wordt geleverd, zoals boodschappen doen of schoonmaken, is geen sprake van een commerciële prijs, en is de kostendelersnorm van toepassing. Bij kostgangerschap te vermeerderen met de voedingskosten. Tot slot geldt de voorwaarde dat ieder van de medebewoners ook een commercieel contract heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten worden steeds vaker geconfronteerd met andere woonvormen, zoals antikraak in het kader van leegstandsbeheer. Bewoners hebben dan een commerciële gebruikersovereenkomst met een leegstandsbeheerder. Er is dus zeker sprake van een commerciële relatie. Deze woonvorm kent geen huurbescherming omdat er geen sprake is van een huurovereenkomst. Dit ontbreken van huurbescherming wordt gecompenseerd door een lagere gebruikersvergoeding. Deze vergoeding bestaat meestal ook nog uit per leegstandsbeheerder verschillende componenten, zoals servicekosten waarin al dan niet opgenomen het gebruik van gas, water en elektra. Door alleen uit te gaan van een “kale” gebruikersvergoeding die dan onder het bedrag van “commerciële prijs” ligt, en het feit dat vaak meerdere personen in een dergelijk pand verblijven, worden deze personen als kostendeler aangemerkt. Na het betalen van vaste lasten en zorgpremies beschikt deze uitkeringsgerechtigde dan over onvoldoende middelen om in de kosten levensonderhoud te kunnen voorzien. Dat is een ongewenst effect. Deze situatie kan zich ook voor doen bij andere woonvormen, zoals bij de opvang van asielgerechtigden. Bij deze andere woonvormen is het verdedigbaar om – bij de bepaling van de commerciële prijs – uit te gaan van het totaal van de gebruikerskosten, zoals die in de gebruikersovereenkomst zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub 8 woning. Hierbij wordt verwezen naar de Wet op de huurtoeslag voor de bepaling wat een woning is. Vanzelfsprekend kan het hier ook gaan om een woning in eigendom, het hoeft niet altijd om een huurwoning te gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-2-150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepasselijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jongeren tot 21 jaar zijn bij wet uitgesloten van de kostendelersnorm. Wanneer er sprake is van gehuwden, waarbij er één niet-rechthebbende partner is, omdat deze jonger is dan 21 jaar, dan geldt deze niet mee voor de berekening van de kostendelersnorm. Wanneer er anderszins sprake is van een niet-rechthebbende partner (b.v. vreemdeling) dan telt deze wel mee voor de kostendelersnorm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor het verlagen van de norm</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-1-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Verlaging in verband met woonsituatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn situaties denkbaar waarbij mensen sommige kosten, waarvoor wel een component is opgenomen in de bijstandsnorm, niet betalen. Hierbij kan gedacht worden aan mensen die geen kosten betalen voor wonen, zoals b.v. krakers, maar ook aan situaties waarbij iemand anders de woonkosten en/of woonlasten betaalt. Volgens lid 2 kan de verlaging wegens ontbreken van woonkosten en/of woonlasten niet samengaan met de kostendelersnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling of sprake is van woonkosten en/of woonlasten wordt geen ondergrens gehanteerd, zoals dat voor de beoordeling of sprake is van een commerciële huurprijs wel het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer personen in een inrichting verblijven is de norm (verblijvend in een inrichting) al zodanig vastgesteld dat er geen financiële ruimte meer is voor de betaling van woonkosten en -lasten. Personen die in een tehuis verblijven voor maatschappelijke opvang of vrouwenopvang ontvangen hetzij deze lage norm hetzij de volle norm, maar dan betalen ze een eigen bijdrage, waardoor er de norm verblijvend in de inrichting overblijft. Hoewel deze mensen met (waarschijnlijk meerdere) meerderjarige personen in één woning verblijven, tellen zij niet mee voor de kostendelersnorm vanwege de hoogte van het inkomen. Bovendien is dit alles gebaseerd op een overeenkomst, waarbij de vergoeding zeker wel commercieel is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-2-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomsten uit commerciële verhuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een commerciële huurprijs, dan telt de kamerbewoner of kostganger voor de verhuurder niet mee als kostendeler. Wel wordt de ontvangen huur (minimaal de normhuur) minus de gemiste huurtoeslag als inkomen in mindering gebracht op de uitkering. Hiermee verandert het beleid t.o.v. de toeslagenverordening, omdat daar gewerkt werd met een verlaging van de uitkering. Dit mag niet meer vanuit de Participatiewet, daarom wordt nu gekozen voor een inkomstenkorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK4.Individuele inkomenstoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-1-153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel4:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel voorziet in een aantal aanvullende begripsbepalingen die van belang zijn voor de uitvoering van de individuele inkomenstoeslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor het recht op inkomenstoeslag</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-1-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Rechthebbende individuele inkomenstoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De inkomenstoeslag is bedoeld voor de persoon die langdurig op een laag inkomen aangewezen is en geen zicht heeft op inkomensverbetering. De krachten en bekwaamheden van de belanghebbende om deze inkomensverbetering te bereiken, moeten daarbij gewogen worden. Als het zicht op inkomensverbetering ontbreekt, is er recht op een toeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald dat de persoon met een gemeentelijke uitkering die in de 12 maanden voor de peildatum geen maatregel wegens schending van de arbeids- en of re-integratieverplichting heeft ontvangen en evenmin een boete als gevolg van schending van inlichtingenplicht geacht wordt voldoende inspanningen te hebben verricht om tot inkomensverbetering te komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-2-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoek naar inspanningen in andere gevallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook personen zonder een uitkering op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ kunnen een beroep doen op een inkomenstoeslag. Dit artikel bevat de bepalingen die nodig zijn om vast te stellen wanneer die belanghebbende geacht wordt aan de criteria te voldoen als het gaat om het inzetten van krachten en bekwaamheden om inkomensverbetering te bereiken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-3-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Peildatum vermogenstoets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanmerking wordt genomen het vermogen waarover de belanghebbende op de peildatum beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Alleen in het geval blijkt dat in de referteperiode over een aanzienlijk vermogen is beschikt, wat uit het oogpunt van bijstandsverlening niet te rechtvaardigen is, wordt de toeslag geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK5.Inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders met kinderen onder de 12 jaar De Participatiewet kent in artikel 31, lid 2 sub n en r een vrijlatingsbepaling, waarvan de toepassing is voorgeschreven. De inhoud van de vrijlating is volledig uitgewerkt in de wet. Aan de gemeente is (slechts) de bevoegdheid gegeven te bepalen in welke gevallen/situaties zij van oordeel is, dat de vrijlating een bijdrage levert aan de arbeidsinschakeling en / of uitstroom uit de bijstand. In dit artikel is opgenomen dat de inkomstenvrijlating wordt toegepast als er sprake is van een urenbeperking in verband met de combinatie zorg/arbeid voor kinderen tot 12 jaar. Door het met een urenbeperking verrichten van arbeid in dienstbetrekking wordt een band met de arbeidsmarkt tot stand gebracht, hetgeen bijdraagt aan de kansen op volledige uitstroom. Dit leidt tot directe persoonlijke contacten met de werkende wereld en levert werkervaring op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de urenbeperking is het deeltijdwerk van de belanghebbende het maximaal haalbare omdat hij vooralsnog niet meer dan die uren belast kan worden. Het deeltijdwerk wordt geacht op termijn (nadat de belastbaarheid groter geworden is) bij te dragen aan de volledige uitstroom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingangsdatum is de eerste van de maand waarin de inkomsten worden gekort op de uitkering. Deze datum kan op aanvraag van de belanghebbende worden herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dit artikel onverkort wordt toegepast, moet ook op inkomsten die zijn verzwegen maar die zijn ontdekt door het dagelijks bestuur, de inkomstenvrijlating worden toegepast. Belanghebbende heeft echter inkomsten verzwegen, veelal met het doel een hoger totaalinkomen te verwerven dan wettelijk mogelijk is. Belanghebbende is hiermee gericht op het vergroten van het inkomen en niet op vergroting van de kans op arbeidsinschakeling en daarmee (gedeeltelijke) uitstroom uit de bijstand. Daarmee kan worden aangenomen dat het toepassen van de inkomstenvrijlating niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende. Het toepassen van de inkomstenvrijlating is in die gevallen dan ook niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK6.Bestuurlijke boete Met de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetgeving zijn verschillende wetten op het gebied van handhaving en sanctiebeleid geharmoniseerd en tegelijkertijd aangescherpt. Voor de gemeente gaat het om de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). De grootste wijzigingen zijn: de introductie van een bestuurlijke boete in de Participatiewet, IOAW en IOAZ, en het verplicht terugvorderen van benadelingsbedragen als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht. De inlichtingenplicht gaat uit van de plicht om informatie onverwijld te melden, waarvan het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat het van invloed kan zijn op het recht op en de hoogte van de uitkering. In genoemde wetten is op een aantal punten sprake van beleidsvrijheid voor gemeenten. In deze beleidsregels wordt dit uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-1-157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Spontane inlichtingenverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 17, eerste lid, Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende onverwijld en uit eigen beweging alle informatie moet verstrekken die van belang kan zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. In artikel 4:9 heeft het dagelijks bestuur bepaald wat zij verstaat onder onverwijld. Het dagelijks bestuur verwacht van de belanghebbende dat hij relevante informatie zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen twee weken nadat zich een verandering in zijn situatie voordoet, deze informatie aan het dagelijks bestuur doorgeeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid hebben we een afzonderlijke bepaling opgenomen over de verstrekking van gegevens over inkomsten. Het dagelijks bestuur vraagt de belanghebbende om maandelijks bewijsstukken in te leveren van de door hem genoten inkomsten. De belanghebbende krijgt hiervoor elke maand een inkomstenverklaring toegestuurd. Deze dient hij, samen met een bewijs van zijn inkomsten - bijvoorbeeld een salarisstrook of een bankafschrift - aan ons terug te sturen. Het dagelijks bestuur vraagt een salarisstrook op om er zeker van te zijn dat zij alleen de inkomsten kort op de uitkering. Zaken als reiskostenvergoeding dienen immers buiten beschouwing te blijven, voor zover de hoogte van de reiskostenvergoeding in verhouding staat tot de door de klant gemaakte (reis)kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-2-158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Waarschuwing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft de bevoegdheid om in die gevallen waarin de schending van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot teveel verstrekte uitkering, geen boete op te leggen maar te volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende situaties is een waarschuwing niet aan de orde:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er in een periode van twee jaar voorafgaand aan de schending van de inlichtingenplicht al een waarschuwing is gegeven, kan er niet meer worden volstaan met het geven van een waarschuwing. In dat geval moet een bestuurlijke boete worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur heeft het gegronde vermoeden dat de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden [Opzet moet dan ook echt bewezen zijn, wat niet snel het geval zal zijn].</p>\n<p class=\"lf-p\">Een waarschuwing wordt altijd schriftelijk opgelegd, door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-3-159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van bestuurlijke boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt aan een plotselinge ziekenhuisopname.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan niet op voorhand worden vastgelegd. Dit wordt individueel beoordeeld. Het moet echter wel gaan om zeer uitzonderlijke gevallen. Het enkele feit dat het de belanghebbende aan financiële middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is onvoldoende om te kunnen spreken van dringende redenen (TK 2011-2012, 33 207, nr. 3 p. 47. Vergelijk ook CRvB 14-02-2012, nr. 09/4506 WWB LJN BV6355). Het afgeven van een beschikking dat het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een bestuurlijke boete wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-4-160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Maximale boete en afronding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De boete wordt nooit hoger vastgesteld dan de maximumboete, zoals die kan worden opgelegd op grond van het Wetboek van Strafrecht, artikel 23, vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur geeft uitvoering aan artikel 2, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten aangaande de afronding van de boete, wanneer de boete lager is vastgesteld dan het benadelingsbedrag. Wanneer de maximale boete wordt opgelegd, dan wordt deze naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn zes categorieën: de eerste categorie, € 335 [Red: Per 1 januari 2016: € 410.] ; de tweede categorie, € 3.350 [Red: Per 1 januari 2016: € 4.100.] ; de derde categorie, € 6.700 [Red: Per 1 januari 2016: € 8.200.] ; de vierde categorie, € 16.750 [Red: Per 1 januari 2016: € 20.500.] ; de vijfde categorie, € 67.000 [Red: Per 1 januari 2016: € 82.000.] ; de zesde categorie, € 670.000 [Red: Per 1 januari 2016: € 820.000.] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop geen geldboete is gesteld, kan een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde categorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een overtreding, onderscheidenlijk een misdrijf, waarop een geldboete is gesteld, maar waarvoor geen boetecategorie is bepaald, kan een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de eerste, onderscheidenlijk de derde categorie, indien dit bedrag hoger is dan het bedrag van de op het betrokken strafbare feit gestelde geldboete.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-5-161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijtbaarheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de wet is bepaald dat het dagelijks bestuur de bestuurlijke boete kan matigen als sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Of er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, is moeilijk te bepalen. In de verdere toelichting worden handvatten benoemd aan de hand waarvan bepaald kan worden of sprake is van verminderde verwijtbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur houdt, bij de uitoefening van de matigingsbevoegdheid, rekening met hetgeen de CRvB heeft bepaald in haar uitspraak van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het voornemen bestaat om een boete op te leggen, beziet het dagelijks bestuur of de belanghebbende de inlichtingenplicht verwijtbaar heeft geschonden. In het bestuursrecht bestaat het uitgangspunt dat wanneer iemand de inlichtingenplicht heeft geschonden, dit ook verwijtbaar is. De bewijslast om aan te tonen dat de schending niet of verminderd verwijtbaar is, ligt bij betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontbreekt iedere vorm van verwijtbaarheid, dan legt het dagelijks bestuur geen boete op. Dit zelfde geldt als er sprake is van een rechtvaardigingsgrond, zoals overmacht of noodweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verminderde verwijtbaarheid Soms valt de schending van de inlichtingenplicht belanghebbende slechts deels te verwijten. De wet geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid de boete in dat geval voor een lager bedrag op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt daarbij aangesloten bij artikel 2a, tweede lid van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten. Het gaat om de volgende criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenplicht te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt. belanghebbende verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen. belanghebbende heeft wel inlichtingen verstrekt die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar heeft uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij belanghebbende deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijslast om aan te tonen dat de schending niet, of verminderd verwijtbaar is, ligt bij belanghebbende. Hieronder volgen enkele concrete voorbeelden bij de genoemde criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt bijvoorbeeld aan overlijden van de partner of kind, een plotselinge ziekenhuisopname of onvoorzien ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende is tijdelijk administratief onbekwaam, vanwege zijn geestelijke vermogens. Gaat het om een structurele situatie dan mag worden verwacht dat belanghebbende zich laat bijstaan door een wettelijke vertegenwoordiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de belanghebbende uit eigen beweging alsnog de juiste informatie verstrekt voordat de gemeente de schending van de inlichtingenplicht heeft geconstateerd, is dat ook grond voor verminderde verwijtbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen sprake is van de hierboven genoemde situaties, maar het dagelijks bestuur is toch van mening dat de omstandigheden aanleiding geven tot het aannemen van verminderde verwijtbaarheid, dan kan dat (mits goed gemotiveerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende situaties is in geen sprake van verminderde verwijtbaarheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">De inlichtingenplicht gaat uit van de plicht om informatie onverwijld te melden, waarvan het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk is dat het van invloed kan zijn op het recht op en de hoogte van de uitkering. Van belanghebbende wordt daarnaast een redelijke inspanning gevergd om op de hoogte te zijn en blijven van de feiten die van invloed zijn op de uitkering. Het enkele feit dat de gemeente belanghebbende niet expliciet op de hoogte heeft gesteld van de plicht een bepaalde omstandigheid door te geven, is geen reden om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal is geen reden voor aannemen van verminderde verwijtbaarheid. Van belanghebbende mag worden verwacht dat hij zich laat informeren over de rechten en plichten rondom de uitkering, en over de inhoud van correspondentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verminderde verwijtbaarheid is verder niet aan de orde als de belanghebbende langere tijd niet in staat is zijn eigen belangen te behartigen. Hij wordt dan geacht ervoor te zorgen dat een ander zijn zaken regelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan het dagelijks bestuur de boete verlagen wanneer er sprake is van 'gedeelde verwijtbaarheid'. Gedeelde verwijtbaarheid betekent dat een belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden, maar dat het dagelijks bestuur ook voor een gedeelte verantwoordelijk is voor het ontstaan van de schending. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de belanghebbende onvolledig is voorgelicht door het dagelijks bestuur, waardoor belanghebbende niet de benodigde gegevens inleverde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op: deze bepaling doet niets af aan het basisbeginsel dat iedere Nederlander de wet behoort te kennen. Een belanghebbende kan zich dus niet zomaar beroepen op het feit dat hij onvoldoende is voorgelicht; hij dient immers de regels te kennen. Normaal gesproken zal het dagelijks bestuur deze bepaling zelf inzetten, wanneer er bij de boetebeoordeling naar voren komt dat het dagelijks bestuur niet geheel juist heeft gehandeld. Deze bepaling is niet van toepassing bij een geschil over het al dan niet hebben ontvangen van correspondentie dan wel een geschil over het al dan niet ingeleverd hebben van bewijsstukken door een belanghebbende; in dat geval is de vaste jurisprudentie van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-6-162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststellen hoogte boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:1:6 vereenvoudigt de boeteprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van het benadelingsbedrag indien de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">75% van het benadelingsbedrag indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% van het benadelingsbedrag indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht;</p>\n<p class=\"lf-p\">10% van het benadelingsbedrag indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat het dagelijks bestuur, na de hoogte van de boete, de financiële draagkracht van de belanghebbende vaststelt. Dit gebeurt op basis van de financiële omstandigheden ten tijde van het opleggen van de boete. Uitgangspunt bij de berekening van de draagkracht is het gedeelte van het inkomen, dat de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d, eerste en tweede lid, van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, overstijgt. De belanghebbende moet in staat zijn om de boete te voldoen in:</p>\n<p class=\"lf-p\">24 maanden, als sprake is van opzet;</p>\n<p class=\"lf-p\">18 maanden, als sprake is van grove schuld;</p>\n<p class=\"lf-p\">12 maanden, als sprake is van anderszins schenden van de inlichtingenplicht;</p>\n<p class=\"lf-p\">6 maanden, als sprake is van verminderde verwijtbaarheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-1-163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure en zienswijze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als het dagelijks bestuur het voornemen heeft om een boete op te leggen, waarbij de boete hoger is dan het bedrag vermeld in artikel 5.53 Awb, dan stelt het dagelijks bestuur belanghebbende altijd in de gelegenheid om zijn zienswijze kenbaar te maken. Dit is de zogenoemde zware procedure. Het dagelijks bestuur informeert de belanghebbende per brief over het voornemen van het dagelijks bestuur om een boete op te leggen. Met deze brief, waar de onderliggende boeterapportage is bijgevoegd, nodigt het dagelijks bestuur de belanghebbende uit om voor bepaalde termijn te reageren op het voornemen. Wanneer belanghebbende niet reageert, gaat het dagelijks bestuur vanuit dat de belanghebbende zijn zienswijze niet in wil brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van mondeling horen, dan geldt het zwijgrecht. Niemand is verplicht om mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Voorafgaand aan het verhoor wijst degene die de belanghebbende gaat horen hem erop gewezen dat hij dit zwijgrecht heeft. Dit is de zogenaamde cautie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-2-164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Verrekenen voor andere gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als belanghebbende in een andere gemeente een recidiveboete heeft gekregen die volledig verrekend wordt met de uitkering (waarbij dus de beslagvrije voet buiten werking is gesteld), en hij verhuist in de periode naar een van de Baanbrekers-gemeente waar hij bijstand gaat ontvangen, is het dagelijks bestuur verplicht de recidiveboete van de andere gemeente volledig te verrekenen met de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende kan bij het dagelijks bestuur een verzoek indienen om toch de beslagvrije voet te respecteren. Het dagelijks bestuur beoordeelt dit verzoek volgens de regels met betrekking tot de verrekening bestuurlijke boete bij recidive die door het algemeen bestuur zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7.Terugvordering, verhaal en invordering Algemeen Op grond van artikel 58 van de Participatiewet kan het dagelijks bestuur dat de bijstand heeft verleend, de kosten van bijstand terugvorderen. Een gelijksoortige bepaling is sinds invoering van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG) opgenomen in de IOAW en IOAZ [Artikel 25, van de IOAW alsmede artikel 25 van de IOAZ]. Terugvordering is in dat kader een aan het dagelijks bestuur toekomende bevoegdheid en het dagelijks bestuur kan deze bevoegdheid dan ook nader inkaderen door middel van beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige beleidsregels maken een onderscheid tussen het terugvorderen van een uitkering en het verhalen van kosten van bijstand. Dit zijn twee aparte zaken. Terugvordering heeft betrekking op het terughalen van teveel of ten onrechte verleende uitkering. De uitkering wordt teruggevorderd van degene aan wie de uitkering is uitbetaald dus van de uitkeringsgerechtigde zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verhaal gaat het om het terugkrijgen van de kosten van een uitkering van een andere persoon dan de uitkeringsgerechtigde, bijvoorbeeld in verband met: de onderhoudsplicht; verhaal op nalatenschappen; verhaal i.v.m. schenkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Participatiewet, WIJ, IOAW en IOAZ heeft de wetgever de terugvordering van ten onrechte verleende uitkering geregeld. De systematiek is voor genoemde wetten grotendeels hetzelfde. Verhaalsrecht is gerelateerd aan Participatiewet. De IOAW en IOAZ kennen de mogelijkheid tot verhaal niet. [De WIJ is met de samenvoeging met de Participatiewet per 1-1-2012 vervallen. In verband met het feit dat er vorderingen ontstaan zijn tijdens de WIJ, wordt deze wet in deze beleidsregels toch vernoemd] Zowel het terugvorderen en verhalen van een uitkering is door de wetgever benoemd als een bevoegdheid. Hieruit volgt dat het dagelijks bestuur zelf tot een afweging en dus beleid moeten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetten (Wet aanscherping/Fraudewet) per 1 januari 2013 is de bevoegdheid tot terugvordering gedeeltelijk omgezet in een wettelijke verplichting. Meer specifiek gaat het om vorderingen die het gevolg zijn van ten onrechte ontvangen uitkering in verband met schending van de inlichtingenplicht [Artikel 58, eerste lid van de Participatiewet en artikel 25, eerste lid van de IOAW en IOAZ]. De verplichting tot terugvordering komt daarbij mede tot uiting in: een verplichting tot verrekening van deze vordering met een eventueel recht op algemene bijstand, een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ dan wel een Bbz-uitkering [Artikel 60, vierde lid van de Participatiewet en artikel 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ]; en een wettelijk verbod om medewerking te verlenen aan een schuldregeling indien de vordering is ontstaan door het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht [Artikel 60c van de Participatiewet en artikel 29a van de IOAW en IOAZ].</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting tot terugvordering geldt alleen voor vorderingen die zijn ontstaan na inwerkingtreding van de Wet aanscherping (1 januari 2013). Dat geldt ook voor de hierboven onder a en b genoemde verplichtingen. Is het besluit tot terugvordering voor 1 januari 2013 afgegeven dan blijft ook voor de vordering als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, een en ander een bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) is een algemene maatregel van bestuur die weliswaar op de Participatiewet is gebaseerd (art. 78f Participatiewet), maar ten aanzien van terugvordering daarvan afwijkt, omdat terugvordering in het Bbz nog een verplichtend karakter heeft. Behoudens de verplichte onderdelen uit de Bbz zijn de overige bepalingen uit de beleidsregels (zoals aflossing) wel van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt wat betreft het invorderen van kosten. Weliswaar biedt de wetgeving een kader – denk hierbij ook aan de Algemene wet bestuursrecht –, het is evenwel aan het dagelijks bestuur om de systematiek middels de opmaak van beleidsregels nader vorm te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beleidsregels wordt de term 'dringende reden' bij herhaling gehanteerd. Het mag duidelijk zijn dat het hier om zeer bijzondere situaties gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om toch een omschrijving van het begrip 'dringende reden' te geven wordt onderstaand de tekst van de Memorie van Toelichting opgenomen van het 'oude' artikel 78 Abw: \"Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële consequenties voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Door vaststelling van deze beleidsregels beoogt het dagelijks bestuur enerzijds een meer slagvaardiger en doelgerichter uitvoeringspraktijk mogelijk te maken, anderzijds om aan de klant rechtszekerheid te bieden voor wat betreft de wijze waarop het dagelijks bestuur aan de gegeven beleidsruimte invulling geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de opmaak van de beleidsregels zijn nadrukkelijk de volgende uitgangspunten in ogenschouw genomen: hoofdregel is dat een schuld volledig moet worden terugbetaald. Eigen verantwoordelijkheid van de burger staat voorop. Altijd rigide vasthouden aan deze hoofdregel kan betekenen dat burgers (financieel) in de knel komen. Met name via de bepalingen over kwijtschelding, afkoop van schulden en de bepaling van de aflossingscapaciteit is dan ook getracht om een goede balans te vinden tussen de belangen van het dagelijks bestuur als schuldeiser enerzijds en de belangen van de burger als debiteur anderzijds. Ook voor oninbare vorderingen zijn praktische regels opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iets abstracter beredeneerd: het dagelijks bestuur dient een maatschappelijk (economisch) belang indien zij de belangen van de burger als debiteur nadrukkelijk in haar besluitvorming betrekt. Met name ook bezien vanuit die invalshoek is het van belang om oog te hebben voor de persoonlijke situatie van de debiteur. Feitelijk gaat het dan om ook om armoedebeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook vanuit het oogpunt van efficiency en effectiviteit zijn beleidsmatig keuzes gemaakt. In de bepalingen inzake de zogenaamde kruimelbedragen (artikel 7:2:6) laat zich dat bijvoorbeeld heel expliciet voelen. Bij de opmaak van de beleidsregels is in die zin ook telkens een globale kosten-batenanalyse gemaakt: welke inspanning en activiteiten zijn reëel en gewenst om te komen tot de invordering van schulden?</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot nog het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Participatiewet wordt gesproken over een bijstandsuitkering. De WIJ sprak over een inkomensvoorziening en de IOAW en IOAZ reppen over een uitkering. Kortom, de wetgever werkt met verschillende termen. Uit praktisch oogpunt wordt in deze beleidsregels de term bijstand gebezigd. Deze term is bedoeld als verzamelnaam en duidt op de bijstandsuitkering ingevolge Participatiewet, de inkomensvoorziening ingevolge WIJ en de uitkeringen ingevolge IOAW en IOAZ.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening en intrekking</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1-1-165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik maken van de wettelijke bevoegdheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het beleid is opgenomen dat Baanbrekers gebruik maakt van de wettelijke bevoegdheid tot intrekking en herziening van het recht op een uitkering ingevolge de Participatiewet, , IOAW en IOAZ.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1-2-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Evenals terugvordering van bijstand is het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op bijstand door middel van een herzienings- of intrekkingsbesluit voor alle genoemde regelingen een algemene bevoegdheid van het dagelijks bestuur. Gelet op de hierboven geformuleerde uitgangspunten maakt het dagelijks bestuur in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen gebruik van deze bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht van de belanghebbende ten onrechte bijstand is verleend dan wordt in alle gevallen het bijstandsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie. Het kan hierbij gaan om het schenden van de inlichtingenplicht naar zowel het dagelijks bestuur als naar het UWV WERKplein.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin er kennelijk in het verleden een niet correct toekenningbesluit is genomen, maar dit niet is veroorzaakt door de belanghebbende, dan kan in voorkomende gevallen toch herziening of intrekking van het toekenningbesluit aan de orde zijn. Dit zal zich vooral voordoen in gevallen waarin door het dagelijks bestuur onjuiste besluitvorming heeft plaatsgehad. Deze vorm van intrekking/herziening staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Op grond van dit beginsel kunnen rechten niet zonder meer met terugwerkende kracht worden gewijzigd. Doorslaggevend moet zijn of belanghebbende enige blaam treft bij het niet melden van de onjuiste situatie. De belanghebbende zal daarom “op zijn klompen” hebben kunnen aanvoelen dat er iets mis was met de toekenning. Als dit niet het geval is dan gaat het dagelijks bestuur niet over tot herziening/intrekking met terugwerkende kracht. Het uitkeringsrecht zal in dat geval uiterlijk met ingang van de datum waarop de onjuistheid is geconstateerd worden gewijzigd, mits de belanghebbende hiervan tijdig op de hoogte wordt gebracht. Een andere overweging is of het dagelijks bestuur als gevolg van een grove fout een foutief besluit heeft genomen. Grove nalatigheid van het bestuursorgaan kan niet voor rekening komen van de belanghebbende, tenzij het bij de belanghebbende volkomen duidelijk kan zijn dat het hier een fout betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1-3-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van herziening of intrekking van het toekenningsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft het dagelijks bestuur op grond van dringende redenen de mogelijkheid af te zien van een herziening- of intrekkingsbesluit. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële consequenties voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-1-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Het gebruikmaken van de wettelijke bevoegdheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het beleid is opgenomen dat het dagelijks bestuur gebruik maakt van de wettelijke bevoegdheid tot terugvordering van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering ingevolge de Participatiewet, WIJ, IOAW en IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de invoering van de Wet aanscherping is een onderscheid gemaakt tussen vorderingen waarvan terugvordering een wettelijke plicht is (fraudevorderingen) en vorderingen waarbij het met betrekking tot terugvordering om een bevoegdheid gaat. De beleidsregels zien – voor zover zij betrekking hebben op de terugvordering- en bruteringbevoegdheid – enkel op deze laatste groep. De in de beleidsregels opgenomen bepalingen zijn – voor zover zij zien op de terugvordering- en bruteringbevoegdheid – voor fraudevorderingen onverbindend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-2-169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingsbeleid. Benadrukt wordt dat de bijstand uitsluitend wordt teruggevorderd in de gevallen waarin dit in de beleidsregels is vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-3-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Ten onrechte verleende bijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hier omschreven situaties waarin bijstand wordt teruggevorderd zijn identiek aan de bepalingen van artikel 58 Participatiewet en voor de overige regelingen is hierbij aansluiting gevonden. Om echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering in artikel 58 Participatiewet, en artikel 25 van de IOAW en de IOAZ, dwingend geformuleerd. De Bbz kent zoals eerder vermeld per definitie dwingende bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand is ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend wanneer achteraf komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot een lager bedrag, recht op bijstand bestond. Voorafgaande aan deze terugvordering dient op grond van artikel 54 lid 3 Participatiewet, artikel 40 WIJ, artikel 17 IOAW en IOAZ en artikel 8 van het Verzamelbesluit beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz eerst een herziening- of intrekkingsbesluit te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de bijstand die in de vorm van een geldlening is verleend, dient in alle gevallen een terugbetalingsverplichting te worden verbonden. Deze verplichting moet altijd in het toekenningbesluit worden vastgelegd en ook tot uiting komen in de akte van geldlening. Eerst wanneer deze verplichting niet wordt nagekomen wordt ten aanzien van het nog resterende bedrag van de lening een terugvorderingsbesluit genomen. Hiermee ontstaat er ten aanzien van het resterende deel van de lening een executoriale titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Borgstelling is een vorm van bijstandsverlening. Dit betekent dat in het toekenningbesluit vastgelegd moet zijn dat bijstand is verleend in de vorm van een borgstelling. Deze bijstand komt echter pas tot uitbetaling (aan de geldverstrekker) indien de belanghebbende in gebreke blijft met het terugbetalen van de door de geldverstrekker verleende geldlening. Op het moment van uitbetaling van de bijstand ontstaat tevens een vordering die op grond van artikel 58 lid 2 sub c Participatiewet en de gemeentelijke beleidsregels kan worden teruggevorderd. In dat geval is, evenals bij de terugvordering van een geldlening, een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorschot wordt op grond van artikel 52 Participatiewet van rechtswege (automatisch op grond van de wet) verstrekt als een renteloze geldlening. Dit impliceert dat belanghebbende deze lening moet terugbetalen. Artikel 52 lid 3 Participatiewet regelt dat het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende uitkering of inkomensvoorziening over de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms behoort verrekening van dit voorschot niet of niet volledig tot de mogelijkheden. Dat kan zijn omdat er geen toekenning van bijstand tot stand komt, of dat de toegekende bijstand niet toereikend is om het totale bedrag van het voorschot ineens te verrekenen. Het openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van belanghebbende teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 1 sub d Participatiewet . Wanneer deze omstandigheid zich voordoet dan is een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk ten aanzien van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend met de toegekende bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de onverschuldigd betaalde bijstand als gevolg van een administratieve vergissing dient op grond van dit artikel te worden teruggevorderd. Als beperking geldt dat alleen kan worden teruggevorderd indien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte bijstand ontving. Voor de hier bedoelde vorm van terugvordering geldt een wettelijke vervaltermijn van 2 jaar (bepaald onder g).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere redenen zijn waarin de bijstand bij nader inzien onverschuldigd is betaald. Het gaat hierbij vooral om situaties waarin er geen reden is om te komen tot herziening of intrekking van het toekenningbesluit, bijvoorbeeld wanneer bijstand is verleend in afwachting van het beschikbaar komen van middelen (inkomen of vermogen), of wanneer achteraf een vergoeding wordt ontvangen voor kosten waarvoor in een eerder stadium ook al (bijzondere) bijstand is ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-4-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering van gezinsleden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 59 lid 2 Participatiewet, artikel 55 WIJ, artikel 26 van de IOAW en artikel 26 van de IOAZ kan bijstand die als gevolg van schending van de inlichtingenplicht niet als gezinsbijstand is verleend, maar wel als gezinsbijstand verleend had moeten worden, tevens worden teruggevorderd van degene met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden. Eenvoudiger gesteld: bijstand die aan een alleenstaande is verleend, die achteraf een gezamenlijke huishouding blijkt te voeren, kan tevens van de verzwegen partner worden teruggevorderd. Met de middelen van het verzwegen gezinslid is immers ten onrechte geen rekening gehouden bij de verlening van bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijk moet zijn dat de bijstandsontvanger het voeren van een gezamenlijke huishouding met deze partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gezinsleden van wie in bovengenoemde situaties kan worden teruggevorderd zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Dit betekent in de praktijk dat het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd. In gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige) bedrag terug te betalen kunnen andere gezinsleden voor het gehele (restant)bedrag worden aangesproken. Alle debiteuren die hoofdelijk aansprakelijk zijn, dienen hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar te verrekenen. Dit is niet het probleem van het dagelijks bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-5-172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvorderingsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regels is aangegeven welke aspecten in ieder geval onderdeel uitmaken van het terugvorderingsbesluit. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het indienen van een bezwaarschrift geen opschortende werking heeft voor het innen van de vordering. Zeker als na de bezwaarschriftenprocedure door de belanghebbende wordt besloten in beroep te gaan dan wel in hoger beroep wordt het niet efficiënt en effectief geacht de inning op te schorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten tot terugvordering die zijn bekendgemaakt tussen de periode van 1 juli 1997 tot 1 juli 2009 leveren een executoriale titel op. Dat wil zeggen dat zij zonder tussenkomst van de rechter ten uitvoer gelegd kunnen worden. Een vormvereiste voor een executoriale titel is dat in de aanhef staat vermeld: 'In naam der Koningin'. Als het dagelijks bestuur een executoriale titel heeft, kan het dagelijks bestuur zelf beslag leggen op loon en uitkeringen. Kenmerkend voor dit zogenaamd ‘vereenvoudigd derdenbeslag’ is, dat het niet nodig is om een deurwaarder in te schakelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 1 juli 2009 is de 4e tranche van de Awb in werking getreden. De inwerkingtreding van de 4e tranche Awb heeft tot gevolg dat de terugvorderingsbeschikkingen niet direct meer een executoriale titel opleveren. Debiteuren krijgen nu allereerst 6 weken de gelegenheid om het teruggevorderde bedrag te betalen of een betalingsregeling af te spreken. Indien na deze periode geen reactie is binnengekomen, wordt binnen twee weken een aanmaning verstuurd. Als dit binnen twee weken geen reactie oplevert, kan er een dwangbevel worden verstuurd, indien de debiteur een lopende uitkering ontvangt van het dagelijks bestuur. Dit dwangbevel levert dan wel weer een executoriale titel op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2-6-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van het nemen van een besluit tot terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt geldt dat kosten van bijstand altijd volledig worden teruggevorderd. Waar mogelijk vindt verrekening plaats met (te) ontvangen bijstand. Dit geldt ook voor de gereserveerde vakantietoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desondanks kan worden afgezien van terugvordering indien het een niet verwijtbare (geen fraude) vordering betreft waarbij het volledige (netto) terug te vorderen bedrag onder de € 50,00 blijft. Om pragmatische reden kiest het dagelijks bestuur voor een minimum bedrag van € 50,00 (afgeleid van het uurtarief van een medewerker terugvordering/verhaal) om kostendekkend te zijn voor kleine verschuldigde geldbedragen. Indien om pragmatische redenen wordt afgezien van terugvordering (&lt; € 50,00), dient er ook geen terugvorderingsbesluit te worden genomen. De vordering komt in dat geval niet tot stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen in de individuele situatie dringende redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Nadrukkelijk geldt dat steeds van geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de situatie van belanghebbende moet worden beoordeeld. Dit artikel strekt er niet toe om een algemene of categoriale mogelijkheid te bieden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dringende redenen kan aan de orde zijn als terugvordering zou betekenen een doorkruising van een proces om tot schuldhulpverlening te komen of als er sprake is van een zeer ernstige (levensbedreigende) ziekte van de belanghebbende en/of gezinsleden. Ook een dringende reden is indien het aannemelijk kan worden gemaakt dat een persoon gedwongen is tot het verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige gegevens (bijvoorbeeld door fysiek geweld). Terugvordering over een periode die meer dan 6 maanden geleden ligt na de verkregen informatie is in het algemeen niet acceptabel. Enige alertheid van het dagelijks bestuur mag zeker worden verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit aan de orde is, kan van een dergelijk besluit al worden afgezien wegens een dringende reden. In dat geval is ook geen grond tot het nemen van een terugvorderingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet tot terugvordering overgaan als de vordering minder bedraagt dan € 50,00 geldt niet voor terugvorderingen als gevolg van verwijtbaar gedrag, bijvoorbeeld het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Het uitgangspunt van het dagelijks bestuur is dat fraude niet mag lonen. Bij verwijtbaar gedrag wordt in alle gevallen de ten onrechte verstrekte bijstand teruggevorderd, een onderzoek ingesteld en de uitkering eventueel afgestemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding en tijdelijke opschorting wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-3-1-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:3:1</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek en Artikel 7:3:2 -Intrekkingkwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een vordering door middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd dan kan er in een later stadium reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als er sprake is van een problematische schuldensituatie die bijdraagt aan structurele oplossing kan het dagelijks bestuur op individuele basis besluiten gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Er moet in ieder geval sprake zijn van een evenredige betaling van de vordering in vergelijking met de andere schuldeisers. Tevens moet er sprake zijn van toepassing van de “Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van fraudeschulden geldt dat er geen kwijtschelding kan plaats vinden. Iedere cent dient teruggevorderd te worden. Tenzij er sprake is van dringende redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijk is bepaald dat geen medewerking aan de totstandkoming van een schuldregeling kan worden verleend indien het een na 1 januari 2013 ontstane fraudevordering betreft of de daarmee samenhangende boete. Dit artikel ziet daarom niet op deze vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bepaalde gevallen kan het bestaan van schulden de re-integratie van een belanghebbende in de weg staan. In de re-integratietrajecten speelt het oplossen van schuldenproblematiek dan ook een steeds belangrijker rol. Ook schulden aan het dagelijks bestuur in het kader van de bijstandsverlening kunnen een belemmering zijn om re-integratie te bewerkstelligen. Op grond van dit artikel kan de klantmanager/werkmakelaar besluiten de schulden kwijt te schelden als de schulden aan het dagelijks bestuur een belemmering vormen voor re-integratie. De klantmanager/werkmakelaar dient dit te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan echter niet zo zijn dat het dagelijks bestuur overgaat tot kwijtschelding en dat andere schuldeisers de vorderingen handhaven. In dat geval dient een belanghebbende eerst naar de Kredietbank te worden verwezen om de schulden te saneren of te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur heeft als uitgangspunt dat fraude niet mag lonen vandaar dat van de kwijtschelding geen gebruik kan worden gemaakt als het om fraudevorderingen gaat die door middel van een proces-verbaal aan het openbaar ministerie zijn overgedragen. Op dit moment ligt deze grens bij € 50.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-3-3-175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:3:3</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke opschorting van invordering van fraudevorderingen wegensschuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de beleidsregels komt tot uitdrukking dat de aard van de vordering bepalend is voor het meewerken aan een minnelijk traject Schuldhulpverlening (SHV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is te weten dat op grond van art 60c Participatiewet het niet is toegestaan om mee te weken aan een minnelijk traject SHV bij vorderingen van na 01-01-2013 als het traject resulteert in (gedeeltelijke) kwijtschelding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze situatie kan wel aan een minnelijk traject worden meegewerkt met het voorbehoud dat, na afloop van de regeling, er geen kwijtschelding wordt verleend voor de verwijtbare vorderingen. Als het ware herleeft hierna de betalingsverplichting op deze vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voordeel voor de debiteur is dat een regeling tot stand komt en er weer meer perspectief op eigen inkomen uit arbeid komt. Voordeel voor Baanbrekers is dat met meer perspectief op inkomstenverwerving voor de debiteur er meer draagkracht komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is hier sprake van een ‘kan’-bepaling. Per casus wordt gemotiveerd aangegeven wanneer daartoe al of niet wordt overgegaan. In de afweging wordt meegenomen in hoeverre de vordering de participatie in de weg staat. Verder is van belang of de debiteur in de periode van aflossing opnieuw fraude heeft gepleegd. Bij de afweging wordt ook meegenomen of dat er sprake is geweest van invorderingsmaatregelen zoals beslag, pseudo-verrekening of uitbesteding aan een incassobureau.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4-1-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding niet-verwijtbare vorderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle vorderingen dienen te worden terugbetaald. Het is dan ook niet de bedoeling dat in deze artikelen beschreven situaties in alle gevallen automatisch leiden tot verder afzien van terugvordering ook wel kwijtschelding genaamd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is hier sprake van een ‘kan’-bepaling. Per casus wordt gemotiveerd aangegeven wanneer daartoe al of niet wordt overgegaan. In deze beleidsregels komt tot uitdrukking dat de aard van de vordering bepalend is voor het moment waarop kwijtschelding aan de orde kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwijtschelding op grond van dit artikel kan aan de orde zijn bij: onverschuldigd betaalde bijstand (niet zijnde fraudevorderingen); bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht zoals genoemd in artikel 48, lid 2, Participatiewet uitgezonderd onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij elk individueel geval zal moeten worden bezien of er een gegronde reden is om af te zien van terugvordering. Toch wordt het wenselijk geacht vanuit de praktijk en voor de burger enkele situaties wel te beschrijven. In dit artikel kan een restant van de nog openstaande vordering worden kwijtgescholden indien de belanghebbende gedurende een aaneengesloten periode van 5 jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en er geen sprake is van verwijtbaar gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het begrip ‘betalingsverplichting’ wordt bedoeld dat volledig is voldaan aan de betalingsafspraak die met de debiteur is gemaakt. (Minimaal 6% van de geldende norm, inclusief vakantiegeld, zie verderop in de toelichting). Bovendien moet er gedurende vijf jaar sprake zijn van een inkomen op bijstandsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let op: Het uitgangspunt is dat alleen op verzoek van de belanghebbende zelf eventueel het restant wordt kwijtgescholden, daar het eigenlijk vanzelfsprekend is dat de vordering geheel wordt voldaan. Uit een oogpunt vanuit het gelijkheidsbeginsel kan ook het dagelijks bestuur zelf na 5 jaar bezien tijdens een (her)onderzoek of is voldaan aan deze kwijtscheldingsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens wordt met de onder sub d genoemde mogelijkheid tot afkoop van tenminste 50% van de restsom tegen finale kwijting van het restant zeer terughoudend omgegaan. Kwijtschelding die is gebaseerd op sub d maakt het mogelijk een aanbod van 50% tot 100% in overweging te nemen. In de afweging wordt meegenomen de verwachting of de vordering (grotendeels) geïnd kan worden. Van deze mogelijkheid wordt dus alleen gebruikt gemaakt in situaties waarin tevoren vrijwel vaststaat dat de reguliere wijze van invordering minder oplevert dan datgene dat met afkoop van tenminste 50% van het restant kan worden geïncasseerd. Bovendien moet gedurende 24 aaneengesloten maanden volledig aan de aflossingsverplichting zijn voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij sub c van dit artikel ligt het initiatief bij het dagelijks bestuur om de vordering kwijt te schelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de belanghebbende gedurende 5 jaar geen betalingen heeft verricht en het is het dagelijks bestuur niet gelukt om de debiteur tot betaling te bewegen, wordt het mogelijk om de vordering niet verder te innen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een persoon van wie de verblijfplaats onbekend blijft, in het buitenland vertoeft of al 5 jaar geen aflossingscapaciteit heeft. Dit geldt ook als uit onderzoek van het dagelijks bestuur blijkt dat het niet aannemelijk is dat belanghebbende dit in de toekomst wel zal doen. De genoemde periode van 5 jaar kan direct aanvangen na het terugvorderingsbesluit, maar ook op enig moment daarna.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4-2-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding verwijtbare vorderingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur is van oordeel dat indien de terugvordering van bijstand het gevolg is van verwijtbaar gedrag (fraude), deze in principe niet voor kwijtschelding in aanmerking komt. Fraude mag niet worden beloond en daarom dient deze bijstand in zijn algemeenheid geheel te worden terugbetaald. Anders zou dit in strijd zijn met het principe van hoogwaardig handhaven. Immers het innen van de teveel betaalde bijstand is het sluitstuk van hoogwaardig handhaven. Alleen indien er sprake is van zeer dringende reden is op individuele basis, gebruikmakend artikel 58, lid 7 afwijking van dit principe mogelijk. Bij de afweging hiervan speelt volgens het dagelijks bestuur in ieder geval een rol: de financiële omstandigheden in het verleden (is er afgelost conform het beleid) en in de toekomst (kan er worden afgelost conform het beleid); het restantbedrag moet in een redelijke verhouding staan tot het bedrag; er moet sprake zijn van regelmatige betalingen; de belanghebbende moet perspectief hebben en houden op werk; er mag geen sprake zijn van recidive, daar voorkomen moet worden dat belanghebbende de mogelijkheid tot kwijtschelding kan beschouwen als een makkelijke wijze om zich te ontdoen van schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij fraude is kwijtschelding dus bij uitzondering mogelijk. Er is hier sprake van een ‘kan’-bepaling. Per casus wordt gemotiveerd aangegeven wanneer daartoe al of niet wordt overgegaan. In de afweging wordt meegenomen in hoeverre de vordering de participatie in de weg staat. Verder is van belang of de debiteur in de periode van aflossing opnieuw fraude heeft gepleegd. Bij de afweging wordt ook meegenomen of dat er sprake is geweest van invorderingsmaatregelen zoals beslag, pseudo-verrekening of uitbesteding aan een incassobureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwijtschelding op grond van dit artikel kan aan de orde zijn bij: fraudevorderingen; bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht zoals genoemd in artikel 48, lid 2, Participatiewet onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de toepassing van de art 58, lid 7 ontstaan dus meer beleidsmogelijkheden om bij fraudevorderingen waarbij de omstandigheden zoals genoemd in artikel 58, lid 7 van toepassing zijn, te kunnen afzien van verdere terugvordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4-3-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Geen kwijtschelding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als er zekerheid is voor de inning van de vordering door dekking middels pand of hypotheek is kwijtschelding niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds de invoering van de 4e tranche van de Algemene wet bestuursrecht in 2009 is voor verrekening een wettelijke grondslag nodig en deze is niet langer in de wetsartikelen van de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz opgenomen. Artikel 60a, eerste en tweede lid regelen de verrekening met een andere gemeente en met externe instanties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4-4-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding wegens dringende redenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de artikelen 7:4:1, 7:4:2 en 7:4:3 geeft deze bepaling de mogelijkheid te besluiten de vordering kwijt te schelden wegens dringende redenen. Kortheidshalve wordt hierbij ook verwezen naar de toelichting op artikel 7:2:6, die ook hier geldt. In artikel 7:2:6 gaat het om situaties bij aanvang van de beoordeling om tot terugvordering te komen en hier is sprake van kwijtschelding van het restant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Invordering van teruggevorderde bijstand</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5-1-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Invorderingsbesluit indien van toepassing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hierin is geregeld welke aspecten in ieder geval onderdeel uitmaken van het invorderingsbesluit. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het indienen van een bezwaarschrift geen opschortende werking heeft voor het innen van de vordering. Zeker als na de bezwaarschriftenprocedure door de belanghebbende wordt besloten in beroep te gaan dan wel in hoger beroep wordt het niet efficiënt en effectief geacht de inning op te schorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten tot terugvordering die zijn bekendgemaakt tussen de periode van 1 juli 1997 tot 1 juli 2009 leveren een executoriale titel op. Dat wil zeggen dat zij zonder tussenkomst van de rechter ten uitvoer gelegd kunnen worden. Een vormvereiste voor een executoriale titel is dat in de aanhef staat vermeld: 'In naam der Koningin'. Als het dagelijks bestuur een executoriale titel heeft, kan het dagelijks bestuur zelf beslag leggen op loon en uitkeringen. Kenmerkend voor dit zogenaamd ‘vereenvoudigd derdenbeslag’ is, dat het niet nodig is om een deurwaarder in te schakelen. Op 1 juli 2009 is de 4e tranche van de Awb in werking getreden. De inwerkingtreding van de 4e tranche Awb heeft tot gevolg dat de terugvorderingsbeschikkingen niet direct meer een executoriale titel opleveren. Debiteuren krijgen nu allereerst 6 weken de gelegenheid om het teruggevorderde bedrag te betalen of een betalingsregeling af te spreken. Indien na deze periode geen reactie is binnengekomen, wordt binnen twee weken een aanmaning verstuurd. Als dit binnen twee weken geen reactie oplevert, kan er een dwangbevel worden verstuurd (of een inhouding op de uitkering indien de debiteur een lopende uitkering ontvangt van het dagelijks bestuur). Dit dwangbevel levert dan wel weer een executoriale titel op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5-2-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7:5:2</span><span class=\"lf-art-t\">De hoogte van het vast te stellen aflossingsbedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 en 2: Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting zo snel mogelijk tot invordering komt. Voor debiteuren met een uitkering van het dagelijks bestuur wordt direct na het invorderingsbesluit overgegaan tot verrekening met een eventueel recht op bijstand of uitkering. Daarbij wordt, rekening houdend met het voor beslag vatbare gedeelte van de uitkering, als minimale aflossing 6% per maand van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld) gehanteerd. Het staat de debiteur vrij om een hogere aflossing te kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3: De vordering moet ineens worden terugbetaald. Als dat niet mogelijk is, kan de debiteur zonder Participatiewet-, IOAW-, IOAZ- of Bbz-uitkering een verzoek indienen om een aflossingsregeling te treffen. In de beleidsregels wordt meerdere malen gesproken over het aflossingsbedrag als betalingsverplichting. In dit artikel wordt vastgesteld wat de hoogte van de aflossing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4: Het dagelijks bestuur is van mening dat een debiteur altijd aan een minimale aflossingsverplichting kan voldoen. Immers is er in de bijstandsnorm een bedrag gereserveerd voor aflossing. Volgens vaste jurisprudentie mag er rekening worden gehouden met een aflossing van 10% van de in die situatie geldende bijstandsnorm. Daarbij moet echter ook worden geanticipeerd op bijvoorbeeld kosten van huur boven de normhuur minus toegekende huurtoeslag. In de praktijk betekent het veelal dat er slechts 6% van de geldende bijstandsnorm kan worden afgelost. Om praktische reden wordt hier direct bij aangesloten. Er geldt dus altijd een minimale aflossing van 6%. (Dit is altijd inclusief vakantietoeslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5: Het streven moet altijd zijn om een vordering binnen 36 maanden te hebben afgelost. Zo kan worden voorkomen dat er na 36 maanden een verzoek om kwijtschelding van de restantschuld wordt gedaan. Wettelijk gezien moet een debiteur minimaal blijven beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet. Bij een aflossingsbedrag ter hoogte van het voor beslag vatbare bedrag, blijft de debiteur altijd beschikken over de beslagvrije voet. Is het, rekening houdend met de bepalingen rondom de beslagvrije voet en de hoogte van de vordering, niet mogelijk om de vordering binnen 36 maanden te voldoen dan wordt op verzoek van de debiteur een draagkrachtberekening gemaakt.</p></div>", "next": 239763}