{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">de kosten niet expliciet buiten de voorliggende voorziening zijn gehouden, omdat de voorliggende voorziening ze niet noodzakelijk acht (in de praktijk zijn vrijwel alleen de financiële redenen te negeren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in beleidsregels of uitvoeringsrichtlijnen geen beperkingen zijn opgelegd qua hoogte van de vergoeding (zoals in deze beleidsregel bij brillen/contactlenzen), worden de volledige kosten vergoed. Het moet echter wel gaan om de goedkoopste adequate medische oplossing. Medische voorzieningen die ‘luxer’ zijn dan medisch noodzakelijk, worden slechts vergoed voor zover het de kosten van het medisch noodzakelijke deel betreft. Indien het aanpassingen betreft van algemeen gebruikelijke zaken, worden alleen de meerkosten vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen als genoemd in het zesde en zevende lid betreffen uitwerkingen van bovenstaande algemene regel. Gezien het specifieke karakter van deze kostensoorten, zijn specifieke bepalingen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit ervaring blijkt dat de medische noodzaak van tandheelkundige behandelingen, uitgezonderd de meest basale behandelingen zoals bovengenoemd, niet goed kan worden vastgesteld wanneer de behandeling al heeft plaatsgevonden. In het verleden aangevraagde medische adviezen leiden tot deze conclusie. Het betreft echter vaak behandelingen met hoge kosten, zoals het plaatsen van kronen. Om te voorkomen dat in dergelijke gevallen toch een medisch advies moet worden aangevraagd is dit lid opgesteld. Dit lid legt het risico voor een aanvraag achteraf bij dergelijke kosten bij de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.7 Kleding en kledingslijtage Indien extra kledingslijtage voortkomt uit ziekte of handicap, wordt in de meerkosten van kleding bijzondere bijstand verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien en voor zover niet meer over passende kleding kan worden beschikt vanwege een acute noodsituatie, bijvoorbeeld door ziekte, ongeval of een redelijkerwijs niet-verzekerbare calamiteit, wordt bijzondere bijstand verleend. In dit geval wordt slechts kleding verstrekt voor zover het in dat seizoen passend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de kosten van kleding worden door de hoofdafdeling vast te stellen normbedragen en normaantallen (ingeval van het tweede lid) gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van beleidsregel 3.1.1(draagkracht) is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van kleding behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit de norm voldaan moeten worden. Alleen indien er bijzondere omstandigheden zijn waaruit de kosten voor kleding voortvloeien, die niet waren te voorzien, is bijstand mogelijk. Ook wanneer er structureel meerkosten zijn voor kleding, als gevolg van extra slijtage door ziekte of handicap, kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Steeds moet rekening worden gehouden met de aspecten bijzondere omstandigheden, onvoorziene situatie (of structurele meerkosten) en tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld niet reserveren). Ook moet specifiek worden gelet op eventuele voorliggende voorzieningen zoals extra kinderbijslag voor een gehandicapt kind (Tegemoetkoming Ouders Gehandicapten), de AWBZ en de Belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het algemene kosten zijn waarin de norm voorziet, is bij verstrekking van bijzondere bijstand het bijzondere draagkrachtbeleid van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.8 Bijzondere bijstand voor schulden Het college verstrekt in de regel geen bijzondere bijstand voor schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van levensbedreigende omstandigheden, die niet via andere weg dan bijstandverlening kunnen worden afgewend, wordt in een schuldsituatie bijstand in de vorm van een lening verleend. Hierbij wordt de ontstaansgeschiedenis van de schuld en of er sprake is van herhaling meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van beleidsregel 3.1.1 is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schulden worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Aangezien in beginsel iedereen over voldoende middelen kan beschikken, is het ontstaan van schulden niet nodig. Indien toch schulden ontstaan, kan het team Schuldhulpverlening (afdeling BIS) van grote betekenis zijn. Indien mensen ervoor kiezen om deze hulp niet in een vroeg stadium in te schakelen, zullen zij zelf de gevolgen hiervan moeten dragen. Mensen zijn verantwoordelijk voor hun eigen acties of het ontbreken van acties. Dit geldt in beginsel ook wanneer er een gezin met kinderen in het spel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwel iedereen wordt geacht tijdig hulp in te kunnen inschakelen, behalve wellicht de groep die ernstige psychische of psychogeriatrische stoornissen hebben of verstandelijk gehandicapt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts wanneer een problematische schuldsituatie leidt tot levensbedreigende omstandigheden, die niet anders dan via bijstandverlening is te beperken, kan bijstand als lening worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van het grootste belang dat bij de vestrekking van leenbijstand voor schulden de klantmanager van de afdeling WMI overleg pleegt met de klantmanager van het team Schuldhulpverlening om de mogelijke gevolgen van verstrekking van leenbijstand goed in te schatten. Het aangaan van nieuwe “verplichtingen” kan grote gevolgen hebben voor het schuldregelingstraject van belanghebbende. Indien een schuldregelingstraject loopt, kan het aangaan van nieuwe schulden betekenen dat het ingezette schuldhulpverleningstraject in gevaar komt of zelfs kan worden afgebroken. Dit met alle gevolgen van dien. In de beleidsregels 2.2.1. (algemene leenbijstand), 3.1.3. (leenbijstand) en 4.1.1. (gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid) zijn bepalingen opgenomen aangaande de mogelijkheid tot het opschorten van de aflossingsverplichting van de verstrekte leenbijstand (voor schulden) gedurende het schuldregelingstraject en het omzetten van leenbijstand in bijstand om niet na afronding van het traject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de wet en voornoemde beleidsregels ruimte bieden tot het verstrekken van leenbijstand voor schulden zonder dat in alle gevallen het ingezette schuldhulpverleningstraject in gevaar komt, is het noodzaak om voorafgaand aan de verlening van leenbijstand voor een schuld in alle gevallen de expertise van het team schuldhulpverlening in te schakelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van schulden waarvoor bijzondere bijstand zou kunnen worden verstrekt, betreffen algemene bestaanskosten, waarop het bijzondere draagkrachtbeleid van toepassing is. Kosten die niet behoren tot de algemene kosten van bestaan leveren zelden een levensbedreigende situatie op, indien er schulden uit ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.9 Bijzondere bijstand budgetbeheer en beschermingsbewind Het college kan bijzondere bijstand voor budgetbeheer verstrekken indien: budgetbeheer buiten een schuldhulpverleningstraject om wordt uitgevoerd: budgetbeheer als noodzakelijk wordt geacht door een deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten als bedoeld in het tweede lid, worden geheel vergoed, mits beschermingsbewind in combinatie met een gemeentelijk schuldregelingstraject wordt ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien naast het beschermingsbewind geen schuldregelingstraject wordt ingezet, bijvoorbeeld omdat deze is afgerond, is het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van beleidsregel 3.1.1 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het eerste lid is het draagkrachtbeleid van toepassing als bedoeld in het derde lid van beleidsregel 3.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de kosten die betrekking hebben op schuldhulpverlening, vallen verschillende situaties te onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de afdeling BIS wordt financieel beheer uitgevoerd. Als een schuldregeling wordt opgezet, wordt gesproken over financieel beheer. De gemeente (afdeling BIS) reserveert een deel van het inkomen van belanghebbende ter aflossing van schulden. Het overige ontvangt de klant. De gemeente mag voor de uitvoeringskosten van het financieel beheer € 6,00 per maand in rekening brengen. Deze vergoeding gaat ten koste van de afloscapaciteit en dus niet van het leefgeld van de klant. Dit geldt zowel voor personen met een bijstandsuitkering als voor personen zonder bijstandsuitkering. Omdat de in rekening te brengen € 6,00 niet ten koste komt van het leefgeld van de klant, is het voor de klant niet mogelijk hier bijzondere bijstand voor aan te vragen. Immers, de klant komt met zijn of haar inkomen niet onder de beslagvrije voet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft de afdeling BIS de mogelijkheid om budgetbeheer in te zetten. Budgetbeheer houdt in dat tijdelijk de financiële huishouding wordt overgenomen omdat men niet zelfstandig in staat is deze uit te voeren. Budgetbeheer kan in verschillende vormen/gradaties worden uitgevoerd. De klantmanager schuldhulpverlening is ter zake deskundig en beslist hierover. Dit betekent dat van belanghebbende tijdelijk de financiële huishouding wordt overgenomen. Dit omdat de klant niet zelfstandig in staat is deze uit te voeren. Wanneer er naast financieel beheer ook budgetbeheer wordt uitgevoerd door de gemeente, vormt het financieel beheer een onderdeel van het totale budgetbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een (eventuele) eigen bijdrage voor het uitvoeren van budgetbeheer, kan niet betaald worden van de aflossingscapaciteit van belanghebbende maar moet worden voldaan uit het leefgeld. Leefgeld is tijdens de schuldregeling gelijk aan de beslagvrije voet, zijnde 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (incl. vakantietoeslag). Uit vaste jurisprudentie (BI5334, Rechtbank Roermond, AWB 07/1216) mag een persoon niet minder inkomen hebben dan de beslagvrije voet. Indien een eigen bijdrage in rekening zou worden gebracht, betekent dit dat belanghebbende een aanvraag bijzondere bijstand zou kunnen indienen, dit om te voorkomen dat hij te weinig inkomen heeft om van te leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat de ene afdeling (BIS) kosten in rekening brengt die een andere afdeling (WMI) vervolgens via de bijzondere bijstand moet vergoeden, heeft het college besloten om voor de kosten en uitvoering van budgetbeheer in principe geen eigen bijdrage in rekening te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop is de volgende uitzondering gemaakt (eerste lid). Aan personen met een inkomen boven bijstandsniveau vraagt het college een eigen bijdrage voor de uitvoering van budgetbeheer. Dit alleen in situaties waarbij de schuldregeling succesvol is beëindigd waardoor belanghebbende weer beschikt over zijn volledige aflossingscapaciteit. Ook moet de noodzaak van het verlengen van de termijn van budgetbeheer zijn vastgesteld door de klantmanager Schuldhulpverlening. Het kan namelijk nodig zijn dat budgetbeheer langer toegepast moet worden dan de vastgestelde termijn van twee jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze gevallen bedraagt de eigen bijdrage voor budgetbeheer € 30,- per maand. Voor deze eigen bijdrage heeft belanghebbende de mogelijkheid bijzondere bijstand aan te vragen. Bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand, zal een draagkrachtberekening plaatsvinden zoals bedoeld in het derde lid van beleidsregel 3.1.1. Daar budgetbeheer gezien kan worden als noodzakelijke algemene bestaanskosten (ook al zijn deze tijdelijk van aard), wordt bij de draagkrachtberekening 100% van het inkomen boven de bijstandsnorm in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermingsbewind is bedoeld ter bescherming van de vermogensrechtelijke (financiële) belangen van mensen die meerderjarig zijn en lichamelijk of geestelijk niet meer in staat zijn om de financiële zaken te regelen. De kantonrechter kan indien hier sprake van is een persoon onder bewind stellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer sprake is van een geestelijke of verstandelijke handicap, ziekte, ouderdom of van verslavingsproblematiek. Indien door de Rechtbank de belanghebbende onder beschermingsbewind is gesteld, wordt tevens een bewindvoerder benoemd. Dit kan iedereen zijn, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Ook kan er een professionele bewindvoerder worden aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een persoon onder beschermingsbewind wordt gesteld, zal dit veelal gepaard gaan met een schuldregelingstraject. Personen die niet in staat zijn zelf hun financiële zaken te regelen, zullen immers vaak in de schulden zijn geraakt op het moment dat iemand onder beschermingsbewind wordt geplaatst. Het team Schuldhulpverlening zal in die gevallen veelal een schuldregelingstraject voor belanghebbende uitvoeren. Belanghebbende beschikt gedurende het schuldregelingstraject over de beslagvrije voet (zijnde 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, incl. vakantietoeslag) om van te leven. Al het meerdere betreft aflossingscapaciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens kan beschermingsbewind ook los staan van een schuldregelingstraject. Het schuldregelingstraject kan bijvoorbeeld al eerder succesvol zijn afgesloten. Of er is geen sprake van een schuldensituatie. Evengoed kan het beschermingsbewind door de Rechtbank worden uitgesproken, omdat belanghebbende niet in staat is en mogelijk ook nooit in staat zal zijn de eigen financiële huishouding te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een professionele bewindvoerder wordt aangesteld, zijn er kosten verbonden aan het uitvoeren van het beschermingsbewind. Het Landelijk Overleg Kantonrechters heeft hiervoor richtlijnen opgesteld. Afhankelijk van de gezinssituatie, bedraagt het tarief gemiddeld € 90,- (peiljaar 2010). Daarnaast rekent een professionele organisatie veelal kosten voor intake (+/- € 500,-).</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor beschermingsbewind kan, indien tevens een schuldregelingstraject aan de orde is, niet worden voldaan van de aflossingscapaciteit. Dit betekent dat deze voldaan moet worden van het leefgeld van belanghebbende. Daarmee komt belanghebbende onder de beslagvrije voet. Om dit te voorkomen, is het in die gevallen waar beschermingsbewind en een gemeentelijke schuldhulpverleningstraject aan de orde zijn mogelijk om voor de kosten van bewindvoering bijzondere bijstand te verstrekken. Ook de intakekosten kunnen middels bijzondere bijstand worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen sprake is van een schuldregelingstraject maar wel sprake is van beschermingsbewind, dient bij de bepaling of de kosten uit de bijzondere bijstand kunnen worden vergoed, het draagkrachtbeleid te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.10 Verwervingskosten De kosten verband houdend met sollicitatieactiviteiten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de norm moeten worden voldaan, aangezien de sociale zekerheidswetten er vrijwel allemaal vanuit gaan dat uitkeringsgerechtigden solliciteren. In de kosten van sollicitatieactiviteiten is over het algemeen geen bijzondere bijstand mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan uitkeringsgerechtigden kan in de reiskosten woon-werkverkeer een vergoeding vanuit het participatiebudget worden verleend, onder de volgende voorwaarden: de uitkeringsgerechtigde werkt buiten Spijkenisse, en; de uitkeringsgerechtigde ontvangt geen of onvoldoende tegemoetkoming in de reiskosten, en; de inkomsten uit deze arbeid worden op de uitkering in mindering gebracht (behoudens de inkomstenvrijlating).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien incidentele kosten gemaakt moeten worden voor de aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid en de werkgever hiervoor onvoldoende voorzieningen treft, wordt bijstand verstrekt. Beleidsregel 3.1.3 (leenbijstand) is hierop van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kosten van de eigen bijdrage die de Wet Kinderopvang hanteert bij kinderopvang ten behoeve van de bij wet aangewezen gemeentelijke doelgroepen kan geen bijstand worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kosten voor informele kinderopvang kan vanuit het participatiebudget een vergoeding worden verleend als hiervoor dringende redenen aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwervingskosten betreffen algemene bestaanskosten, waarop het bijzondere draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van beleidsregel 3.1.1 van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sollicitatieactiviteiten betreffen normale activiteiten, zoals het schrijven en verzenden van brieven, het verschijnen op sollicitatiegesprekken (minimaal in de gehele regio Rijnmond) en het deelnemen aan re-integratieactiviteiten. Voor zover het bijzondere activiteiten betreft in het kader van een re-integratietraject, voorziet het re-integratiebedrijf in de kosten hiervan. Wanneer het bijzondere activiteiten betreft, die daadwerkelijk bijdragen in de arbeidsinschakeling, maar waarvan geacht kan worden dat belanghebbende deze niet uit de norm kan voldoen, kan wel bijstand worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de inkomstenbelasting wordt rekening gehouden met verwervingskosten (arbeidskorting, reiskostenaftrek openbaar vervoer). Met deze belastingmaatregelen wordt naar ons oordeel voldoende tegemoetgekomen aan het bieden van de mogelijkheid de verwervingskosten uit de eigen middelen/inkomsten te voldoen. Bij uitkeringsgerechtigden worden de inkomsten (inclusief belastingvoordeel) volledig op de uitkering in mindering gebracht. Indien belanghebbende in deeltijd werkt en een aanvullende uitkering ontvangt, wordt het totale inkomen (inclusief arbeidskorting) op de uitkering in mindering gebracht. Voor zover van de werkgever geen of onvoldoende reiskostenvergoeding wordt ontvangen, kan het feitelijk inkomen van belanghebbende hiermee dalen onder het minimum. Om te voorkomen dat het blijven uitvoeren van het werk financieel negatieve gevolgen heeft, kan vanuit het participatiebudget een vergoeding voor de reiskosten worden verstrekt. Het betreft hier alleen werkzaamheden buiten Spijkenisse, omdat binnen de gemeente goedkoop vervoer (zoals de fiets) mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt bij de berekening van de bijstand om uitvoeringsredenen geen aftrek voor het reizen binnen de gemeentegrenzen berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenmalige kosten die noodzakelijk zijn voor de werkaanvaarding en waarin de (toekomstige) werkgever niet voorziet (zoals werkkleding, gereedschap, goedkoop vervoermiddel –omdat openbaar vervoer niet mogelijk is), kunnen worden vergoed op basis van een lening. Voor een lening is gekozen omdat het hier goederen betreft die als duurzaam gebruiksgoed kunnen worden aangemerkt, of omdat het algemene bestaanskosten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet kinderopvang (WK) biedt de mogelijkheid bepaalde groepen (binnen de bij wet aangewezen gemeentelijke doelgroepen) volledige vergoeding te verstrekken voor kinderopvang. Aangezien deze mogelijkheid bestaat, is geen ruimte voor verstrekking van bijzondere bijstand voor kinderopvang aan groepen die binnen de gemeentelijke verantwoordelijkheid in deze wet vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informele kinderopvang, de opvang door buurvrouw of oom (die geen officiële gastouder zijn), waarvoor wel een vergoeding wordt gevraagd, wordt niet bekostigt binnen de WK. Wanneer dergelijke opvang echter noodzakelijk is in het kader van re-integratie, behoud van betaalde arbeid of andere dringende redenen, moet er ruimte zijn hierin een vergoeding te verstrekken. Wanneer mogelijk zal belanghebbende wel gebruik moeten gaan maken van officiële kinderopvang. Is deze optie wel aanwezig, maar maakt belanghebbende hier geen gebruik van, wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.11 Studiekosten Studiekosten ten behoeve van kinderen in de leerplichtige leeftijd worden gezien als algemeen noodzakelijke kosten waarin de bijstandsnorm en ontvangen tegemoetkomingen van de rijksoverheid voorzien, zodat hiervoor als regel geen bijstand mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een bijzondere situatie leidt tot hogere noodzakelijke kosten dan bedoeld in het eerste lid, kan in de kosten, voor zover zij hoger zijn, bijzondere bijstand worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor ten laste komende kinderen die een MBO-opleiding volgen worden reiskosten om op de dichtstbijzijnde locatie van de opleiding van hun keuze te komen vergoed, voor zover deze MBO-leerling geen aanspraak kan maken op een OV-studentenkaart en de dichtstbijzijnde opleidingslocatie buiten de gemeente Spijkenisse ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde reguliere studiekosten betreffen bijvoorbeeld kosten voor schoolgeld (waaronder ouderbijdrage en inschrijfgeld), boeken, schoolreisjes en reiskosten. Deze behoren tot de reguliere kosten voor kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen als het leerplichtige kind vanwege opvoedings- of leerproblemen, of ziekte of handicap geen reguliere school kan bezoeken en dit tot meerkosten leidt. Meerkosten kunnen niet worden vergoed indien een voorliggende voorziening (zoals leerlingenvervoer) de meerkosten dekt, of indien de meerkosten het gevolg zijn van een eigen keuze van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid wordt ingegaan op een specifieke kostenpost, namelijk reiskosten voor ten laste komende kinderen die een MBO-opleiding volgen. Niet alle vormen van MBO-onderwijs worden in Spijkenisse aangeboden. Voor het behalen van een startkwalificatie en de verdere school/werk-loopbaan is het van belang dat kinderen de beroepsrichting van hun keuze kunnen volgen. Het niet kunnen betalen van de reiskosten van huis naar school en v.v., mag geen reden zijn de schoolkeuze aan te passen. Voor jongeren op HBO- en WO-onderwijs kent de studiefinanciering een regeling voor jongeren onder de 18 jaar. Voor jongeren in het MBO is een dergelijke voorziening er niet. Daarom kan individuele bijzondere bijstand worden verleend aan ouders van ten laste komende kinderen die buiten Spijkenisse een MBO-opleiding volgen die in Spijkenisse niet wordt aangeboden en die geen OV-studentenkaart ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Studiekostenvergoeding aan belanghebbenden boven de leerplichtige leeftijd is slechts mogelijk binnen een re-integratietraject. Hiervoor zijn andere middelen beschikbaar dan bijzondere bijstand en er vindt bepaling van noodzaak plaats op grond van specifieke richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.12 Aanslag inkomstenbelasting In een aanslag inkomstenbelasting wordt in het algemeen geen bijstand verstrekt aangezien deze behoort tot de algemene bestaanskosten die uit de norm moeten worden voldaan, tenzij belanghebbende voldoet aan alle onderstaande criteria: het netto in aanmerking te nemen inkomen van belanghebbende over het kalenderjaar bedraagt, na aftrek van de aanslag, minder dan de van toepassing zijnde bijstand over dat kalenderjaar; de belastingaanslag heeft betrekking op een periode waarover belanghebbende bijstand ontving en bij de verstrekking van die bijstand is destijds geen rekening gehouden met de nog op te leggen belastingaanslag; de aanslag kan door de Belastingdienst niet (verder) worden verlaagd of kwijtgescholden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bijstand bedraagt het verschil tussen de bijstandsnorm en de netto inkomsten na aftrek van de aanslag, maar niet meer dan het bedrag van de aanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanslag inkomstenbelasting betreft algemeen noodzakelijke kosten, waardoor de draagkrachtbepaling van beleidsregel 3.1.1, derde lid van toepassing is. De criteria op grond waarvan de aanslag inkomstenbelasting alsnog kan worden vergoed, zoals genoemd in het eerste lid, zijn mede gebaseerd op jurisprudentie (o.a. CRvB 15 juli 2003, JABW 2003/190). Het criterium genoemd onder b komt voort uit het feit dat in een lopend jaar de inkomsten volledig moeten worden gekort op de uitkering, ongeacht eventuele belasting die hierover in de toekomst verschuldigd zou kunnen zijn. Indien de inkomsten met terugwerkende kracht worden verlaagd (doordat achteraf belasting en premies volksverzekeringen moeten worden betaald), moet er over de bijstandsperiode rekening worden gehouden met een lager inkomen. Derhalve moet alsnog meer bijstand worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke situatie is dermate anders dan een situatie waarin gedurende het jaar over voldoende middelen werd beschikt waardoor geen aanvullende bijstand nodig was, dat volgens de CRvB geen ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder c genoemde criterium zorgt ervoor dat slechts voor de noodzakelijke kosten bijstand wordt verstrekt. Zolang de aanslag nog kan worden verminderd door de belastingdienst, is minder of geen bijstand nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat niet meer bijstand voor levensonderhoud kan worden verstrekt dan de reguliere bijstandsnorm, dit om rechtsongelijkheid met overige bijstandsgerechtigden te voorkomen. Uiteraard wordt ook niet meer bijstand verstrekt dan de hoogte van de belastingaanslag, omdat slechts bijstand kan worden verstrekt voor noodzakelijke kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.13 Rechtshulp Als een toevoeging is verleend door de Raad voor de Rechtsbijstand, wordt bijstand verleend in de kosten van de eigen bijdrage rechtshulp / griffierecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer geen toevoeging aanwezig is, beoordeelt het college de noodzaak van bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kosten die voortvloeien uit een veroordeling tot betalen van proceskosten van de tegenpartij wordt geen bijstand verleend, tenzij: het proces was aangespannen op advies van de gemeente Spijkenisse; belanghebbende deelneemt aan een schuldhulpverleningstraject bij een erkende schuldhulpverleningsorganisatie en de voortgang van dit traject in gevaar komt wanneer geen bijstand wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorm van de bijstand in een situatie als genoemd in het derde lid onder b is bijstand als lening, waarbij beleidsregel 3.1.3, tweede lid (leenbijstand) van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand voor rechtshulp is slechts mogelijk indien de procedure noodzakelijk is. De toevoeging wordt geacht een noodzakelijkheidsverklaring te zijn voor deze kosten. Aangezien de eigen bijdrage vaak een geringe omvang heeft, zou het uitvoeren van een eigen aanvullend onderzoek de kosten van bijstand vele malen overtreffen. Ingeval van een toevoeging wordt daarom voor de eigen bijdrage rechtshulp / griffierecht bijzondere bijstand verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er geen toevoeging is verleend, moet de gemeente zelf de noodzaak vaststellen, al kan een eventuele afwijzing van een toevoeging wel een belangrijke indicatie zijn. Wanneer geen rechtshulp wordt gevraagd bij het procederen, moet de gemeente zelf de noodzaak van het proces (in verband met aanvraag griffiekosten) beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: In het civiele recht (privaatrecht) zal de rechter de verliezende partij als regel veroordelen in de kosten van het geding ('proceskosten'). Dit houdt in dat de verliezende partij niet alleen haar eigen proceskosten (advocaatkosten, eventueel ook griffierecht, kosten deurwaarder, kosten getuigenverhoor of deskundigenonderzoek e.d.) zal moeten dragen, maar ook de proceskosten die de winnende partij - tijdens en in de aanloop van het rechtsproces – heeft gemaakt. De proceskosten hoeven als regel slechts ten dele door de verliezende partij te worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter stelt de proceskostenvergoeding namelijk vast aan de hand van zelfstandige, min of meer vaste criteria, onafhankelijk van de kosten die de advocaat werkelijk heeft gemaakt. Globaal kan men zeggen dat bij een proceskostenveroordeling ongeveer de helft van de werkelijk betaalde advocaatkosten vergoed worden, al kan dit per zaak verschillen. De verliezende partij zal wel alle griffierechten, deurwaarderskosten en kosten van getuigen en deskundigen moeten voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in het bestuursrecht kan de rechter de verliezende partij veroordelen in de proceskosten. Is de verliezende partij een natuurlijke persoon (mens), dan zal zo'n veroordeling zelden plaatsvinden. Natuurlijke personen worden namelijk bij bestuursrechtelijke zaken alleen in de kosten veroordeeld als er sprake is van 'kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht'.</p>\n<p class=\"lf-p\">In strafzaken wordt de verliezende partij (dader) nooit veroordeeld in de kosten van het geding. Wordt hij vrijgesproken en blijkt hij ten onrechte enige tijd vast te hebben gezeten, dan bestaat onder omstandigheden de mogelijkheid om daarvoor van het Openbaar Ministerie een schadevergoeding te eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij veroordeling in de proceskosten ontstaat er een schuld. Belanghebbende kan met de tegenpartij een overeenkomst sluiten tot afbetaling van deze schuld. Slechts in twee gevallen is dit onredelijk te noemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste geval is wanneer belanghebbende op advies van de gemeente Spijkenisse de zaak heeft aangespannen. In dat geval dient de gemeente zelf ook deze kosten te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede situatie is aan de orde bij een lopend schuldhulpverleningstraject. Het maken van schulden is dan funest voor de voortgang van dat traject. Het afbreken van een schuldhulpverleningstraject kan negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, waardoor bijstandverlening aan de orde is. De motivering voor toepassing van beleidsregel 3.1.3, tweede lid (leenbijstand), is bij die betreffende beleidsregel opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.14 Huisraad/woninginrichting/duurzame gebruiksgoederen In de kosten van vervanging of reparatie van huisraad/woninginrichting of duurzame gebruiksgoederen wordt geen bijstand verleend omdat het algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan betreft waarin de norm voorziet, tenzij; het noodzakelijke, niet-uitstelbare kosten zijn, die het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden, en er onvoldoende reserveringsruimte aanwezig is geweest, hetgeen belanghebbende niet te verwijten valt, en er geen andere bekostigingsmogelijkheid aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen bijstand wordt verleend indien de kosten vergoed hadden kunnen worden op grond van een inboedelverzekering, maar belanghebbende deze verwijtbaar niet had afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de kosten van vervanging van duurzame gebruiksgoederen of huisraad/woninginrichting het gevolg zijn van verhuizing, wordt slechts bijstand verleend als voor de verhuizing een sociale of medische noodzaak bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen bijstand wordt verleend wanneer het een eerste aanschaf/vestiging betreft, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstandverlening op grond van deze beleidsregel vindt plaats in de vorm van een lening, ter hoogte van in uitvoeringsrichtlijnen te bepalen normbedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor huisraad/woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen maken deel uit van het op minimumniveau gangbare bestedingspatroon. Het betreft kosten voor meubilair, stoffering, verf/behang, wit- en (beperkt) bruingoed, en dergelijke. Uit deze beleidsregel vloeit voort dat er bijzondere omstandigheden aanwezig moeten zijn, op grond waarvan leenbijstand mogelijk is. Oorzaken als gezinsuitbreiding en slijtage vallen niet onder bijzondere omstandigheden. Ook kan beëindiging van een periode van inwoning niet als bijzondere omstandigheden worden gezien. Inwoning wordt geacht een zakelijke relatie te betreffen, waarbij afspraken worden gemaakt over de duur van inwoning. De kosten bij beëindiging zijn voor de inwonende dan te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen andere bekostigingsmogelijkheid aanwezig zijn, zoals de mogelijkheid tot een lening bij de Gemeentelijke Kredietbank. Ook andere (individuele) mogelijkheden van bekostiging moeten in aanmerking worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede en derde lid geeft expliciet situaties aan waarin geen bijstand mogelijk is. Het betreft situaties waarin eigen keuze een rol speelt en/of sprake kan zijn van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid behandelt de eerste vestiging/eerste aanschaf. Personen die zich vanuit hun ouderlijk huis, studentenkamer, of daarmee vergelijkbaar, zelfstandig willen vestigen, zullen zelf in deze kosten moeten voorzien. In deze situaties is sprake van eigen verantwoordelijkheid voor het bestaan, in een situatie waarin vrijwel iedere persoon vroeg of laat terecht komt. Het zelfstandig gaan wonen is daarom in de regel een normale situatie, waarvoor belanghebbende zelf de middelen moet reserveren. Uitzondering bij eerste vestiging betreft de asielzoeker die zich voor het eerst zelfstandig in Nederland vestigt. De bijstand die in een dergelijke situatie kan worden verleend, wordt afgestemd op de in Nederland gangbare situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een echtscheidingssituatie valt niet onder de beperking van dit lid, aangezien het geen eerste vestiging/aanschaf betreft, maar een uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende situatie. In hoeverre ook bijstand moet worden verleend, hangt af van de gezinsomstandigheden. Wanneer het volwassenen zonder kinderen betreft, zal bijstand minder snel aangewezen zijn dan in een situatie met kinderen. Wanneer de eerste vestiging noodzakelijk is wegens een acute noodsituatie, kan hiervoor (ondersteund door een advies van een onafhankelijke instantie voor jeugd- en jongerenzorg) gelet op alle omstandigheden, bijstand worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere bijstand voor huisraad/woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen wordt in de vorm van een lening verstrekt. Daarom is de beleidsregel hieromtrent van toepassing. Aangezien het algemene bestaanskosten betreft, wordt het bijzondere draagkrachtsysteem (alles boven 100% van de bijstandsnorm) gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.15 Verhuiskosten In verhuiskosten kan geen bijstand worden verleend, tenzij de verhuizing op sociale of medische gronden noodzakelijk is en de kosten niet of onvoldoende waren te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kosten van een als noodzakelijk aangemerkte verhuizing wordt bijstand verleend, indien belanghebbende vanuit of binnen Spijkenisse verhuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kosten van dubbele huur plus administratiekosten en/of waarborgsom wordt bij een noodzakelijke verhuizing bijstand verleend, indien belanghebbende naar of binnen Spijkenisse verhuist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van beleidsregel 3.1.1 is van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhuiskosten, zoals transportkosten en kosten van dubbele huur, zijn algemene kosten van het bestaan, die behoren tot het gangbare bestedingspatroon op minimumniveau. Bij het maken van een keuze al dan niet te verhuizen, wordt het kostenaspect betrokken. Bij de hier genoemde noodzakelijke redenen is die overweging niet mogelijk; noodzakelijke redenen zijn bijvoorbeeld een medische indicatie of bijzondere sociale omstandigheden. Derhalve kan bijstand worden verstrekt. Wel dient, aangezien het algemene bestaanskosten betreft, het bijzondere draagkrachtbeleid te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze om verhuiskosten (met uitzondering van dubbele huur en waarborgsom) toe te rekenen aan de gemeente van herkomst, is een landelijk geaccepteerde werkwijze, waar de gemeente Spijkenisse zich bij aansluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beoordeling van de aanvraag verhuiskostenvergoeding is een reserveringsregime van toepassing, aangezien het algemene kosten van het bestaan betreft, waarin de norm in beginsel voorziet. Dat de verhuizing noodzakelijk is en voortvloeit uit bijzondere omstandigheden doet hier niets aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.16 Kosten voor verzorging of verpleging In de kosten van de eigen bijdrage AWBZ bij een opname in een AWBZ-instelling is in het algemeen geen bijzondere bijstand mogelijk, tenzij: de inkomsten van belanghebbende minus de eigen bijdrage minder bedragen dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm (meestal verblijf in een inrichting), en; de eigen bijdrage niet (verder) kan worden verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toegangsbijdrage wordt slechts bijzondere bijstand verleend indien en voorzover een beroep wordt gedaan op een voorziening die door een instantie wordt aangeboden op grond van de AWBZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kosten van de eigen bijdrage voor officieel geïndiceerde gezinshulp en verpleeghulp wordt bijzondere bijstand verleend, indien het niet afsluiten van de collectieve ziektekostenverzekering voor minima belanghebbende niet te verwijten valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kosten voor de bijdrage gebaseerd op een retributieregeling wordt bijstand verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eigen bijdrage voor dagverzorging (inclusief vervoerskosten) wordt bijstand verleend met uitzondering van de daarin begrepen reguliere maaltijdkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het draagkrachtbeleid als bedoeld in het derde lid van beleidsregel 3.1.1 (draagkracht) is van toepassing op het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De (lage) eigen bijdrage wordt naar hoogte afgestemd op het inkomen, men houdt minimaal de norm bij opname in een inrichting over. Als de inkomsten zo laag zijn, dat na aftrek van de eigen bijdrage minder over blijft dan de van toepassing zijnde norm, kan in het deel waarin niet uit de inkomsten kan worden voorzien bijstand worden verleend. De hoge bijdrage kan op verzoek worden verlaagd als het inkomen daartoe aanleiding biedt. Bij een inkomen ter hoogte van de norm voor verblijf in een inrichting kan (eveneens op verzoek) vrijstelling worden verleend van de hoge eigen bijdrage. Aangezien het hier kosten betreffen die dicht bij algemene bestaanskosten liggen, is het bijzondere draagkrachtsysteem van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegangsbijdrage betreft een eigen bijdrage voor aansluiting bij een thuiszorgorganisatie of een (hogere) bijdrage voor niet-aangeslotenen die toch thuiszorg nodig hebben. Er wordt slechts bijstand in verleend, voor zover ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de voorziening, niet uit ‘voorzorg’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Officieel geïndiceerde thuiszorg wordt noodzakelijk geacht. De kosten hiervan (eigen bijdrage en de noodzakelijke toegangsbijdrage –soort contributie) komen voor vergoeding in aanmerking, tenzij een andere vergoeding kan worden verkregen. Sinds 1 juli 2004 is de eigen bijdrage thuiszorg opgenomen in het gemeentepakket van OZ-zorgverzekeringen (per 2008 CZ-Zorgverzekeringen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij het niet gebruiken van deze (aanvullende) ziektekostenverzekering belanghebbende niet te verwijten valt, zal daardoor geen vergoeding van de eigen bijdrage thuiszorg meer aan de orde zijn. Indien sprake is van niet-geïndiceerde thuiszorg, zonder dat er een afwijzing van officiële thuiszorg is, moet zelf de noodzaak worden onderzocht. Afhankelijk van de hoogte van de kosten moet hier een medisch advies voor worden opgevraagd. Zie onder beleidsregel 3.2.6 (medische kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">De retributieregeling betreft inkomensafhankelijke eigen bijdragen voor specifieke voorzieningen. Ook hiervoor is bijstand mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geïndiceerde dagverzorging (door Algemene Stichting Ouderenzorg Spijkenisse) kent uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. De kosten, met uitzondering van het bedrag voor een reguliere maaltijd, komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.17 Voorkoming opname AWBZ-instelling Kosten die door belanghebbende worden gemaakt voor voorzieningen die hem in staat stellen (langer) zelfstandig in de woning te blijven wonen, worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als gevolg van bijzondere omstandigheden. Voor deze kosten wordt individuele bijzondere bijstand verleend voor zover categoriale bijzondere bijstand ingevolge beleidsregel 3.3 (categoriale bijzondere bijstand) hierin niet voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De doelstelling van het kabinetsbeleid en het gemeentebeleid is mensen zo lang mogelijk in staat te stellen zelfstandig (of zo zelfstandig mogelijk) te wonen, zodat geen of minder beroep hoeft te worden gedaan op een AWBZ-instelling voor verzorging of verpleging. Daarom worden de (meer)kosten die hiermee gemoeid zijn aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om de meerkosten van maaltijdvoorziening voor hen die niet (meer) in staat zijn te koken en de kosten van alarmering. Kosten van bijvoorbeeld een abonnement op een klussendienst voor mensen die door beperking of handicap niet meer in staat zijn zelf eenvoudige klusjes uit te voeren, bevorderen eveneens het zelfstandig wonen. Deze kosten vallen echter onder de noemer ‘vervanging of reparatie van duurzame gebruiksgoederen’ waardoor de categoriale bijzondere bijstand 65+ hierin voorziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.18 Bezoekkosten Wanneer een persoon is opgenomen in een inrichting voor geestelijke / lichamelijke verzorging of in detentie zit, wordt bijstand verleend aan gezinsleden voor bezoekkosten, voor zover het bezoekkosten betreffen buiten Spijkenisse, maar binnen Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de gezinsleden worden gerekend de inwonende partner en de inwonende kinderen voor zover deze jonger zijn dan 21 jaar, of ingeval van opname van een kind jonger dan 21 jaar, de ouders en bij de ouders inwonende broers/zusters tot 21 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijstand bij bezoek aan een persoon in een inrichting voor geestelijke/ lichamelijke verzorging, wordt berekend op basis van bezoek door twee gezinsleden eenmaal per week of door een gezinslid tweemaal per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijstand bij bezoek aan een persoon in detentie, wordt berekend op basis van bezoek door twee gezinsleden eenmaal per maand of door een gezinslid tweemaal per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een vergoeding via een ziektekostenverzekering niet van toepassing is, worden bezoekkosten in verband met een kortdurende ziekenhuisopname (korter dan 3 maanden) vergoed op basis van bezoek door een gezinslid om de dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergoeding vindt plaats op basis van de goedkoopste reismogelijkheid met het openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kosten van verblijf in verband met een bezoek aan een inrichting wordt geen bijstand verleend, tenzij vergoedingen op grond van de ziektekostenverzekering ontoereikend zijn en het verblijf medisch noodzakelijk is voor het in de inrichting verblijvend kind onder de 18 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opname in een inrichting vormt een bijzondere omstandigheid, waarvoor het wegens mentale ondersteuning noodzakelijk is een bezoekmogelijkheid te hebben. De bezoekmogelijkheid aan gezinsleden die in detentie verkeren is door de CRvB als noodzakelijk aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergoeding van kosten (binnen voorwaarden) is derhalve mogelijk. Bij verblijf buiten de gemeente kan een deel van de reiskosten (namelijk het deel binnen de gemeentegrenzen) in mindering worden gebracht op de bijstand, omdat dit in de algemene norm is inbegrepen. Vanwege uitvoeringsredenen is gekozen dit achterwege te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bezoekfrequentie waarvoor een vergoeding wordt verstrekt, is zodanig gekozen dat regelmatig persoonlijk contact ter ondersteuning mogelijk is. De noodzaak tot ondersteuning wordt bij opname in een inrichting voor verzorging anders opgevat dan in een detentie-inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar vervoer biedt een toereikende reisvoorziening, waardoor de kosten op basis van het goedkoopste OV-tarief kunnen worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezoek aan een kind in een jeugdhulpverleningsinstelling moet in eerste instantie worden bekostigd uit de kinderbijslag. Dit zijn namelijk kosten die voor de SVB meetellen bij het bepalen van het recht op kinderbijslag. Het vergoeden van dergelijke kosten kan leiden tot stopzetting van kinderbijslag. Indien voor het kind in een jeugdhulpverleningsinstelling geen kinderbijslag kan worden verkregen, of indien de kosten die de ouder maakt aantoonbaar hoger zijn dan de kinderbijslag (bewijs hiervan moet eveneens worden aangeleverd bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen), zou bijzondere bijstand kunnen worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor verblijfkosten wordt geen bijstand verstrekt. Uitzondering vormt het verblijf van een ouder wanneer een kind is opgenomen en het voor het kind medisch noodzakelijk is dat de ouder overblijft. In dat geval is de ziektekostenverzekering een voorliggende voorziening, die eerst moet worden aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.19 Begrafenis of crematie In de kosten van begrafenis of crematie wordt tot een vastgesteld maximaal bedrag bijstand verleend aan de langstlevende partner en de erfgenamen, die tijdens het leven van de overledene onderhoudsplicht jegens deze hadden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bijstand betreft het deel van de kosten dat overeenkomt met het erfrechtelijk deel van de aanvrager, voor zover de kosten van de begrafenis of crematie (tot het bepaalde maximumbedrag) niet worden gedekt door de gehele nalatenschap of een verzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De invulling van de wettelijke bepaling geschiedt bij dit artikel conform jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het geen kosten zijn waarin de norm voorziet, hoeft niet te worden gereserveerd voor deze kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet afsluiten van een begrafenis- of levensverzekering geldt niet als onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid (van de partner). Indien deze wel aanwezig is, wordt deze uiteraard beschouwd als voorliggende voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.20 Ouderbijdrage In de kosten van de ouderbijdrage ten behoeve van een minderjarig kind dat is opgenomen (voor dagbehandeling) in een jeugdhulpverleningsinstelling, wordt (gedeeltelijk) bijstand verleend indien: de ouderbijdrage door het LBIO als verplichting is opgelegd, en; belanghebbende geen kinderbijslag meer voor het betreffende kind ontvangt en het verlies van kinderbijslag belanghebbende niet te verwijten valt, of; de kinderbijslag voor het betreffende kind niet toereikend is om de kosten te dekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstandverlening in de kosten van de ouderbijdrage ten behoeve van een kind van18 tot en met 20 jaar is niet mogelijk, tenzij dringende redenen hiertoe aanleiding geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) geeft aan dat als het kind in een dagbehandeling verblijft, de ouder recht blijft houden op kinderbijslag. Dit kan veranderen als het kind uit huis is geplaatst. Toch is het ontvangen van kinderbijslag belangrijk om de ouderbijdrage te kunnen voldoen. Wanneer het kind uit huis geplaatst is, zal de Sociale Verzekeringsbank (SVB) onderzoeken of de ouder nog wel voldoende kosten voor het kind maakt om in aanmerking te (blijven) komen voor kinderbijslag. De SVB informeert regelmatig bij het LBIO of de ouderbijdrage wordt voldaan. Het daadwerkelijk betalen van de ouderbijdrage in het desbetreffende kwartaal is dus van groot belang voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ouder geen kinderbijslag (meer) ontvangt, kan deze opnieuw worden aangevraagd. De SVB onderzoekt of de ouder voldoet aan de onderhoudseis zoals is vastgelegd in de Algemene Kinderbijslagwet. Alle kosten die de ouder voor het kind maakt, tellen mee in deze onderhoudseis. In de eerste plaats natuurlijk de betaalde ouderbijdrage. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met schoolkosten en boekengeld, kleedgeld, kosten voor bezoek en verzekeringen, en de kosten die de ouder voor het kind maakt wanneer dit in weekenden en vakanties bij de ouder verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie geeft aan dat indien de daadwerkelijke kosten van belanghebbende de kinderbijslag overtreffen, de meerkosten vergoed moeten worden vanuit bijzondere bijstand. Wij sluiten hierbij aan. Verdere instructies zijn in uitvoeringsrichtlijnen vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ouder kan ook verplicht worden gesteld een ouderbijdrage te betalen voor een jong-meerderjarig kind (tot 20 jaar). In beginsel wordt hiervoor geen bijstand verstrekt, omdat het kind niet meer tot het gezin behoort. Wel dient individueel te worden bekeken of bijzondere omstandigheden noodzaken toch bijstand te verstrekken. De ouder blijft immers tot het 21e jaar van het kind financieel verantwoordelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.21 Dieetkosten Voor zover belanghebbende of een gezinslid noodzakelijkerwijs een dieet moet volgen, wordt in de meerkosten van dit dieet ten opzichte van reguliere voeding, bijstand verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van voeding behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de norm moeten worden voldaan. Voor zover een dieet noodzakelijk is, kunnen de meerkosten van het dieet worden vergoed. De noodzaak van een dieet en de meerkosten hiervan dienen aan de hand van objectieve criteria te worden vastgesteld. De bijzondere bijstand voor meerkosten geldt alleen voor het gezinslid dat het dieet moet volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.22 Uitgesloten kostensoorten De volgende kostensoorten worden beschouwd als algemeen gebruikelijke kosten die uit de algemene bijstandsnorm kunnen worden voldaan, waarin geen bijzondere bijstand kan worden verleend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Legeskosten en kosten in verband met het verlenen en verlengen van een vergunning tot verblijf in Nederland en naturalisatie; premiekosten voor een aanvullende ziektekostenverzekering (niet zijnde de gemeentelijke bijdrage aan de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering); premiekosten voor overige afgesloten algemeen gebruikelijke verzekeringen; niet-medische kosten in verband met of voortvloeiend uit zwangerschap en geboorte van een kind; gemeentelijke belastingen of heffingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Legeskosten worden niet gezien als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Het betreft reguliere kosten voor diensten van de overheid. Bij de vaststelling van leges wordt rekening gehouden met de zorgplicht voor mensen met een minimuminkomen. Aparte bijstandsverstrekking is daarom niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet afsluiten van een aanvullende ziektekostenverzekering en andere algemeen gebruikelijke verzekeringen (zoals een inboedel- en WA-verzekering) wordt gezien als onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid. Derhalve kunnen de kosten gezien worden als algemeen gebruikelijk en uit de norm te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een begrafenisverzekering (of levensverzekering) is niet noodzakelijk, omdat de kosten van begrafenis kosten zijn die uit de nalatenschap moeten worden voldaan, of door de erfgenamen moeten worden bekostigd (jurisprudentie CRvB 05-08-2003). De kosten hiervoor komen op de grond dat ze niet noodzakelijk zijn, niet in aanmerking voor bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwangerschap en geboorte van een kind is een situatie die over het algemeen ofwel gewenst was, ofwel te voorkomen was. De niet-medische kosten die hieruit voortvloeien, vallen te beurt aan iedere (nieuwe) ouder en zijn daarom niet bijzonder. Het is daarom de verantwoordelijkheid van de ouders de hieruit voortvloeiende kosten te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten die niet als algemeen kunnen worden gezien, zijn medische kosten die voortvloeien uit de zwangerschap en bevalling. Voor zover deze niet volledig worden gedekt door de ziektekostenverzekering kan bekeken worden of bijstand moet worden verstrekt. Wanneer er geen sprake is van zwangerschap die te voorkomen was, bijvoorbeeld omdat er sprake is geweest van een misdrijf of er een zeer jonge toekomstige ouder bij betrokken is, kan worden beoordeeld of bijstand moet worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gemeentelijke belastingen en heffingen is kwijtschelding te verkrijgen. Indien dit niet wordt verleend is er ruimte bevonden de aanslag te betalen. Derhalve kan geen bijstand worden verstrekt. De kwijtscheldingsprocedure is een wettelijke procedure, die met opzet vrij strak is gehouden. In Spijkenisse wordt het kwijtscheldingsbeleid reeds zo ruim als wettelijk mogelijk ingevuld. Het verlenen van bijstand (te zien als uitbreiding van het kwijtscheldingsbeleid) druist daarom in tegen een ander wettelijk voorschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.23 Zelfstandig wonende jong-meerderjarigen Aan jongeren van 18 tot en met 20 jaar wordt aanvullend op de inkomensvoorziening op grond van de Wet Investeren in Jongeren (Wij) bijzondere bijstand voor levensonderhoud verstrekt indien de jongere noodzakelijkerwijs zelfstandig woont en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van noodzakelijkerwijs zelfstandig wonen is sprake indien: beide ouders zijn overleden; beide ouders in het buitenland wonen; de jongere door een crisissituatie niet thuis kan wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat uit: de kosten die direct samenhangen met het uitwonen, en; een forfaitair bedrag voor de overige extra kosten voor levensonderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inkomensvoorziening Wij en de bijzondere bijstand die ingevolge deze beleidsregel wordt verstrekt, bedragen samen niet meer dan de geldende norm zoals bedoeld in artikel 30, eerste lid van de Wij voor een 21-jarige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (Wij) inwerking getreden. Jongeren tot 27 jaar die niet werken of leren, kunnen per laatstgenoemde datum via de gemeente een werkleeraanbod krijgen. Het betreft hier een afdwingbaar recht, waarbij het werkleeraanbod in principe voldoende inkomen moet opleveren zodat de jongere zelf in eigen levensonderhoud kan voorzien. Indien dit niet lukt of met het werkleeraanbod wordt onvoldoende inkomen gegeneerd, kan de jongere van de gemeente een inkomensvoorziening ontvangen. De normensystematiek Wij is gelijk aan die van de Wwb. Derhalve is ook ten aanzien van het gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid Wij aansluiting gezocht bij de gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid van de Wwb.</p>\n<p class=\"lf-p\">De norm voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar is onder de Wij niet afgestemd op zelfstandig wonen. Er wordt van uitgegaan dat de jongere bij ouders of verzorgers woont. Indien er sprake is van een bijzondere situatie waardoor dit niet mogelijk is, kan aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud worden verstrekt. Er mag geen sprake zijn van een gezamenlijke huishouding, omdat in dat geval over het algemeen reeds rekening is gehouden met woonkosten en kosten voor levensonderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is dit niet het geval, dan kan op basis van individualisering worden bepaald of (en hoeveel) bijzondere bijstand voor levensonderhoud noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere situaties waarbij sprake is van noodzakelijkerwijs zelfstandig wonen, zijn aangegeven in het tweede lid. Volgens artikel 12 Wwb kan alleen bijzondere bijstand worden verstrekt als de jongere geen middelen hiervoor bij de ouders kan claimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of sprake is van een crisissituatie wordt bepaald door de gemeente, na ontvangst van een advies hieromtrent van een onafhankelijke deskundige. Voor de bepaling van een eventuele crisissituatie is van belang dat een zo compleet mogelijk beeld is verkregen van de situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat enerzijds uit de kosten voor uitwonend zijn, zoals huur, gas, water en elektriciteit en eventuele andere kosten die met de bewoning van die woonruimte te maken hebben. Eventuele tegemoetkomingen in deze kosten, zoals huurtoeslag, worden op de bijzondere bijstand in mindering gebracht. Indien de kosten onredelijk hoog zijn, dient belanghebbende te worden verplicht andere woonruimte te zoeken. Anderzijds zal voor algemene kosten voor levensonderhoud extra bijzondere bijstand noodzakelijk zijn. Dit betreft een forfaitair bedrag, dat in uitvoeringsrichtlijnen is opgenomen. Berekening hiervan heeft plaatsgevonden op grond van kosten zoals gelden voor studenten (Nibudnormen minus kosten voor studie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet reëel de mogelijkheid aan te brengen dat een jongere van 18 tot en met 20 jaar meer inkomensvoorziening en bijzondere bijstand ontvangt voor diens levensonderhoud dan iemand van 21 jaar of ouder. Dit zou leiden tot ongelijkheid op grond van leeftijd en neigt naar inkomensbeleid, waartoe alleen de wetgever bevoegd is. Dit vierde lid voorkomt dat méér inkomensvoorziening en bijzondere bijstand wordt verstrekt dan aan een 21-jarige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.24 Taxatiekosten eigen woning Wanneer geen recent taxatierapport aanwezig is van de woning, woonwagen of het woonschip, en de vastgestelde WOZ-waarde biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van de huidige waarde van de woning, is een taxatie ten behoeve van beoordeling van de overwaarde in het kader van artikel 50 Wwb noodzakelijk. Voor de kosten verstrekken wij bijzondere bijstand om niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een goede recente taxatie is belangrijk voor het vaststellen van mogelijke overwaarde in de woning. Het is daarom van belang een taxatie te hebben van de woning. Veelal biedt de vastgestelde WOZ-waarde uitkomst. Wanneer er op basis van de WOZ-beschikking geen recente waardevaststelling is of wanneer de woning sterk afwijkt van de woningen waarop de WOZ-waardeberekening is gebaseerd, is een taxatierapport noodzakelijk. Van een nieuwe taxatie kan worden afgezien als er een recent taxatierapport is. Onder recent kan worden verstaan: niet ouder dan een jaar. Waar echter exact de grens ligt, is afhankelijk van de omstandigheden. Indien bijvoorbeeld een taxatierapport van 2 jaar oud aangeeft dat de hypotheek hoger is dan de waarde, kan bij een woning van gemiddelde waarde worden afgezien van nieuwe taxatie. De overwaarde zal immers niet zodanig zijn gestegen dat er bovenop de vrijlating nog ruimte zal zijn voor ‘intering’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer wij taxatie verplicht stellen, verstrekken wij hiervoor bijzondere bijstand. De wet biedt niet de ruimte om deze bijstand in de vorm van een lening te verstrekken. Derhalve verstrekken wij bijstand om niet. De kosten bedragen ongeveer 1,5 tot 2 promille van de waarde van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.2.25 Noodfonds Indien belanghebbende verkeert in een noodsituatie kan het college besluiten te voorzien in een financiële bijdrage waarmee de acute noodsituatie kan worden opgeheven of verminderd. Een noodsituatie wordt aanwezig geacht wanneer het uitblijven van noodhulp ernstige lichamelijke of psychische risico’s voor belanghebbende of leden van diens gezin met zich meebrengt, danwel wanneer bij het uitblijven van noodhulp hoge maatschappelijke kosten zijn te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze financiële bijdrage wordt verstrekt op grond van: artikel 18 Wwb voor personen die tot de kring van rechthebbenden binnen de Wwb behoren; artikel 16 Wwb voor personen die niet tot de kring van rechthebbenden binnen de Wwb behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen noodhulp wordt verleend indien: belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over voldoende middelen om de acute noodsituatie op te heffen of in voldoende mate te verminderen. Hierbij worden in afwijking van beleidsregel 3.1.1 eerste lid (draagkracht) ook de middelen in aanmerking genomen als bedoeld in artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid onder b, c, d, e en f van de wet, of het een situatie betreft die op een categorie van personen van toepassing is, zonder dat in dit geval sprake is van (aanvullende) bijzondere individuele omstandigheden, of de acute noodsituatie op een andere manier dan door de verstrekking van een bijdrage uit het noodfonds te verhelpen is, bijvoorbeeld door een beroep te doen op een voorliggende voorziening, tenzij de effectuering daarvan niet snel genoeg kan plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële bijdrage als bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal € 2500 en wordt verstrekt in de vorm van leenbijstand voor zover de verstrekking hoger is dan € 250 en artikel 48 tweede lid van de wet leenbijstand toelaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In alle andere gevallen betreft het bijstand om niet. Terugbetaling van de leenbijstand vindt plaats overeenkomstig beleidsregels 3.1.4 en 4.1.2 (aflossingshoogte en invordering), tenzij het college anders bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan aan de toekenning van een financiële bijdrage als bedoeld in het eerste lid verplichtingen en/of voorwaarden verbinden. Deze kunnen onder meer betrekking hebben op een structurele verbetering van de situatie van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn situaties denkbaar waarin zeer dringende redenen ertoe noodzaken bijstand te verlenen, ook al is daar bijvoorbeeld op grond van artikel 7, 13 of 35 geen mogelijkheid toe. In acute noodsituaties moet het mogelijk zijn toch bijstand te verlenen om het acute aspect op te heffen of te verminderen. De wetgever heeft dit mogelijk gemaakt door artikel 16 en 18 op te nemen in de Wwb. Artikel 16 maakt het mogelijk om in zeer dringende gevallen aan iemand die niet tot de kring van rechthebbenden binnen de Wwb behoort, toch bijstand te verlenen. Artikel 18 maakt het mogelijk de bijstand af te stemmen op de persoon, diens gezin en de persoonlijke omstandigheden. Alhoewel dit artikel meestal in verband wordt gebracht met het opleggen van maatregelen, biedt het ook ruimte om bijstand te verstrekken daar waar het algemene beleid vanwege zeer dringende redenen onvoldoende uitkomst biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een noodsituatie als bedoeld in deze beleidsregel is slechts sprake indien het een acute situatie betreft, met het risico om ernstige schade toe te brengen aan de lichamelijke en/of psychische gezondheid van belanghebbende of een of meer leden van diens gezin. Ook wanneer de noodsituatie het risico vormt hoge maatschappelijke kosten met zich mee te brengen, kan sprake zijn van een noodsituatie als bedoeld in deze beleidsregel. Hoge maatschappelijke kosten hoeven niet persé te wijzen op financiële kosten, maar hiermee kan bijvoorbeeld ook verstoring van de openbare orde of ernstige maatschappelijke beroering worden bedoeld. De financiële bijdrage als bedoeld in deze beleidsregel wordt verstrekt om het acute aspect van de noodsituatie te verhelpen of verminderen, niet om structureel bijstand te verlenen in een langdurig schrijnende situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van een acute noodsituatie kunnen zijn een ernstig verstoorde relatie waardoor een gezinslid per direct verstoken is van alle middelen en nog geen duurzame vervolgsituatie is gecreëerd (bijvoorbeeld een relatie kind/ouders, of partners waarbij een van beide partners gewelddadig of bedreigend is), een door brand verwoeste woning en inboedel waarbij de verzekeraar nog niet is overgegaan tot uitkering, een (natuur)ramp in het buitenland waarbij naaste familie betrokken is waardoor een reis naar het getroffen gebied of een langer verblijf in het buitenland noodzakelijk wordt. Dit laatste voorbeeld laat zien dat van het territorialiteitsbeginsel kan worden afgeweken wanneer zeer dringende redenen daartoe noodzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens jurisprudentie is het college niet verplicht te ondersteunen indien tekortschietend besef van verantwoordelijkheid de oorzaak is van de noodsituatie; de mogelijkheid om ondersteuning te bieden is er echter wel. Dit zal dan moeten worden meegewogen in het besluit, bijvoorbeeld in de vorm van op te leggen voorwaarden of verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid zijn enkele situaties opgenomen wanneer geen noodhulp wordt verleend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er voldoende middelen zijn hoeft noodhulp niet te worden verstrekt. Onder de middelen wordt dan ook verstaan de bedragen die op grond van het draagkrachtbeleid buiten beschouwing worden gelaten, zoals het vrij te laten vermogen of de kinderbijslag. Het is de bedoeling dat iedere cent waarover men redelijkerwijs kan beschikken wordt ingezet om de noodsituatie te verminderen, alvorens het college een financiële bijdrage verstrekt. Van belanghebbende kan niet redelijkerwijs worden gevergd dat hij zijn noodzakelijke inboedel verkoopt. Ook geld dat vastzit in een woning hoeft niet te worden aangesproken via verkoop van de woning. Een woning is immers niet zodanig snel te verkopen dat een acute noodsituatie kan worden opgeheven. Aangezien de Wwb niet in de mogelijkheid voorziet bijzondere bijstand als lening te verstrekken wanneer sprake is van een eigen woning, wordt het vermogen dat vastzit in de eigen woning op een andere wijze meegenomen in de beoordeling, namelijk bij de beoordeling of de noodsituatie op een andere manier kan worden verholpen, bijvoorbeeld door hierop nog een hypotheek te vestigen via een bank (zie hieronder).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schrijnende situatie die niet aan unieke persoonlijke omstandigheden te wijten is, maar die bij een categorie van personen voorkomt, kan eveneens geen aanleiding zijn voor een beroep op het noodfonds. Een verstrekking uit het noodfonds is namelijk per definitie op grond van bijzondere individuele omstandigheden. Een combinatie van omstandigheden die op zich niet uniek zijn, kan echter wel leiden tot een individuele unieke situatie, die aanleiding kan zijn voor een verstrekking uit het noodfonds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de acute noodsituatie op een andere manier is op te lossen dan door een financiële bijdrage van het college, bestaat er geen recht op een bijdrage uit het noodfonds. Een voorbeeld hiervan kan zijn opvang door familie of vrienden, een beroep op een voorliggende voorziening of giften/leningen van derden. Ook indien er sprake is van een eigen woning, die nog als onderpand kan dienen voor een lening of (aanvullende) hypotheek, volgt geen bijdrage uit het noodfonds. Het kan zijn dat de voorliggende voorziening niet direct beschikbaar is, maar de noodsituatie wel direct ingrijpen vergt. In dat geval kan wel een beroep gedaan worden op het noodfonds. Omdat wel middelen worden verwacht uit die voorliggende voorziening, zal de bijdrage uit het noodfonds in dat geval een lening zijn. Voorbeeld is de situatie dat een verzekeraar, bijvoorbeeld na een brand, nog niet snel uitbetaalt of een hypotheek die gevestigd kan worden, maar waarvoor de formele handelingen nog moeten worden verricht. Blijkt achteraf dat toch geen beroep kon worden gedaan op een voorliggende voorziening, kan de leenbijstand worden omgezet naar bijstand om niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële bijdrage uit het noodfonds is bedoeld om de eerste acute nood te verzachten. Daarom is een maximum gesteld aan de bijdrage van € 2500. Daar waar de acute nood met een lager bedrag kan worden geledigd, wordt uiteraard een lager bedrag verstrekt. Het bedrag van € 2500 is tweemaal een maand uitkeringsnorm voor een echtpaar en wordt daarom als voldoende beschouwd om in acute situaties de ergste nood te lenigen. Aangezien het gaat om een noodvoorziening, wordt in eerste instantie uitgegaan van een lening, tenzij het bedrag lager is dan € 250 of wanneer leenbijstand niet mogelijk is. Aangezien invordering capaciteit en daarmee geldt kost, worden bedragen van maximaal € 250 in het kader van het noodfonds altijd om niet verstrekt. Bij bedragen boven de € 250 wordt leenbijstand verstrekt wanneer de Wwb dit toelaat. Aflossing van de lening vindt op dezelfde wijze plaats als andere leenbijstand. Mocht dit niet mogelijk/ wenselijk zijn, is in deze beleidsregel wel nadrukkelijk de mogelijkheid geschapen om daarvan af te wijken. Daar waar een lening wettelijk niet mogelijk is, wordt bijstand om niet verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de financiële bijdrage is om de noodsituatie op te heffen en vervolgens bij te dragen aan structurele oplossing van het probleem. Voor een structurele oplossing kan het gewenst zijn verplichtingen aan belanghebbende op te leggen of voorwaarden te verbinden aan de verstrekking. Een voorwaarde kan zijn dat de bijdrage rechtstreeks wordt doorbetaald aan een derde. Een verplichting kan zijn mee te werken aan een (schuld)hulpverleningstraject. Indien de financiële bijdrage is verstrekt in de vorm van een lening, kan de bijdrage uit het noodfonds worden teruggevorderd wanneer belanghebbende zich niet houdt aan de verplichting. Indien belanghebbende algemene bijstand ontvangt, kan de bijstand worden afgestemd op de gedraging indien belanghebbende zich niet houdt aan de opgelegde verplichting (maatregel). Indien belanghebbende geen algemene bijstand ontvangt en de bijdrage uit het noodfonds is om niet verstrekt, kan het nakomen van de verplichtingen niet worden afgedwongen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.3 Categoriale bijzondere bijstand</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.3.1 Criteria categoriale bijstand 65-plussers Aannemelijk wordt geacht dat de categorie minima van 65 jaar en ouder, die zelfstandig een woning bewonen, zonder inwonende medebewoner(s) of kamerhuurder(s), onvoldoende reserveringscapaciteit hebben om duurzame gebruiksgoederen aan te schaffen, te vervangen of te (laten) repareren. Ook wordt aannemelijk geacht dat, gezien het aantal duurzame gebruiksgoederen dat in een huishouden aanwezig is, jaarlijks kosten gemaakt worden voor aanschaf, vervanging of reparatie van duurzame gebruiksgoederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot deze categorie minima behoren 65-plussers die minimaal drie aaneengesloten jaren een inkomen hebben tot 110% van de geldende bijstandsnorm en op de peildatum een vermogen hebben dat niet hoger is dan het bedrag genoemd in artikel 34, derde lid Wwb.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het bedrag is gerelateerd aan het aantal personen waaruit een huishouden bestaat, met een maximumbedrag behorend bij een huishouden van zes personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gehanteerde criteria als gebruikt in het eerste lid van deze beleidsregel worden als volgt gemotiveerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het leeftijdscriterium vloeit voort uit een wettelijk voorschrift (artikel 35, derde lid Wwb). Hierdoor is het niet mogelijk mensen tot 65 jaar met deze categorie gelijk te stellen. Inhoudelijk gezien is het onderscheid te rechtvaardigen omdat voor ouderen (hier 65-plussers) meerkosten gelden voor duurzame gebruiksgoederen, die jongere personen niet hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouderen zijn in het algemeen minder in staat de goedkoopte aanschaf te realiseren. Daarbij spelen verschillende aspecten een rol. Zij zullen minder gebruik maken van internet voor het maken van prijsvergelijkingen en voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen via die weg. Verder zijn zij als regel minder mobiel en minder in staat van goedkopere aanbiedingen elders gebruik te maken (zij kunnen niet zo gemakkelijk gaan \"shoppen\" - kijken en vergelijken). Datzelfde aspect werkt door bij het verzorgen van het transport van de apparatuur (hoe krijg je het thuis). Verder is er de techniek, benodigd voor het instellen/aansluiten van apparaten. Kortom door al deze aspecten zijn zij aangewezen op (plaatselijke) leveranciers die meer service bieden. Dit sluit de goedkoopste leveranciers goeddeels uit. De extra kosten van bezorging, aansluiting, worden veelal in rekening gebracht, naast de al hogere aanschafprijs ten opzichte van de goedkoopste aanbieder. Daarnaast zijn ouderen vaker aangewezen op duurdere gebruikgoederen, vanwege hogere eisen aan het gebruiksgemak van de apparaten. Deze mogen niet moeilijk of zwaar te bedienen zijn of niet te groot in omvang. In die zin hebben zij meer kosten dan de gemiddelde burger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen op regelmatige basis (jaarlijks) is slechts aannemelijk voor zover belanghebbende zelfstandig een woning bewoont. Indien medebewoner(s) of kamerhuurder(s) aanwezig zijn, wordt geacht dat zij meedragen in de kosten van de huishouding zodat er een zeker schaalvoordeel optreedt. Aangezien bij 65-plussers, in tegenstelling tot mensen jonger dan 65 jaar, de bijstandsnorm hierop niet wordt aangepast, zou er door verstrekking van categoriale bijstand aan deze groep een onevenredig voordeel ontstaan. Voor de medebewoners of kamerbewoners zelf geldt dat zij slechts voor een beperkt deel verantwoordelijk zijn voor hetgeen in de woning aanwezig is, derhalve kan bij hen niet worden aangenomen dat jaarlijks kosten voor (vervanging van) duurzame gebruiksgoederen worden gemaakt. Mensen die geen woning bewonen (daklozen/adreslozen/mensen met een briefadres) worden eveneens niet geacht jaarlijks kosten te hebben voor duurzame gebruiksgoederen die gelijkschakeling met zelfstandig wonenden rechtvaardigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het aantal duurzame gebruiksgoederen in een woning kan geacht worden dat jaarlijks goederen gerepareerd of vervangen zouden moeten worden. Het kan zijn dat dit het ene jaar meer voorkomt dan het andere. Belanghebbende wordt geacht zelf te reserveren van de categoriale bijstand, indien dit in een jaar niet volledig hoeft te worden gebruikt. Indien belanghebbende meer kosten heeft voor duurzame gebruiksgoederen en hiervoor bijzondere bijstand aanvraagt, dient naast de algemene reserveringscapaciteit ook de categoriale bijzondere bijstand van vorig jaar en dit jaar in aanmerking te worden genomen. Dit laatste alleen voor zover belanghebbende niet kan aantonen de categoriale bijzondere bijstand vorig jaar te hebben verbruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de grens van 110% van de bijstandsnorm als maximale inkomen, wordt aangesloten bij algemeen geldend minimabeleid in Spijkenisse. Ook het hanteren van de bovengenoemde vermogensgrens bevordert gelijkschakeling binnen het minimabeleid. De termijn van drie jaar is gekozen omdat na een dergelijke periode verwacht kan worden dat kosten voor (vervanging van) duurzame gebruiksgoederen structureel optreden, zonder dat voldoende capaciteit aanwezig is om deze structurele kosten te kunnen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is niet aan te sluiten met het bijzondere draagkrachtbeleid (alles boven de bijstandsnorm is draagkracht) dat normaal gesproken voor duurzame gebruiksgoederen geldt. Juist omdat bij deze groep sprake is van meerkosten ten opzichte van een reguliere burger, is het niet gerechtvaardigd hiervoor de bijzondere draagkrachtgrens te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe groter een huishouden, hoe hoger de kosten van (vervanging van) duurzame gebruiksgoederen is. De gebruiksgoederen worden intensiever gebruikt, waardoor de levensduur korter is en vaker vervanging of reparatie nodig is. Ook kan het zijn dat andere eisen aan een goed worden gesteld, vanwege het intensieve gebruik of de grootte van een huishouden. Hierdoor loopt het bedrag op met de grootte van het huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen worden vastgelegd in uitvoeringsrichtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.3.2 Nadere bepalingen categoriale bijstand 65-plussers Ingeval van gehuwden of een gezamenlijke huishouding, dient een van beide partners 65 jaar of ouder te zijn om in aanmerking te komen voor categoriale bijzondere bijstand. De niet-rechthebbende partner wordt bij de bepaling van de hoogte van het bedrag buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kalenderjaar waarin belanghebbende 65 jaar wordt, bestaat geen recht op categoriale bijstand als belanghebbende al langdurigheidstoeslag heeft ontvangen, waarvan de peildatum in dat kalenderjaar ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is met name bedoeld om samenloop met de langdurigheidstoeslag (eveneens bedoeld voor mensen die langdurig een minimuminkomen hebben) te voorkomen. Samenloop van deze regelingen past niet bij het vangnetkarakter van de bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.3.3 Categoriale bijstand chronisch zieken en gehandicapten Aannemelijk wordt geacht dat een groot deel van de minima met een chronische ziekte of handicap extra kosten heeft vanwege deze ziekte of handicap, die niet voldoende aantoonbaar en/of noodzakelijk zijn om in aanmerking te komen voor individuele bijzondere bijstand of belastingaftrek van buitengewone uitgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de categorie chronisch zieken en gehandicapten met extra kosten behoort de persoon vanaf 18 jaar, niet woonachtig in een inrichting als bedoeld in artikel 1 aanhef en onder g Wwb, die aan minimaal 2 van onderstaande criteria voldoet: heeft maximaal 12 maanden voor de peildatum een voorziening op grond van de Wmo ontvangen; is 65 jaar of ouder; ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 80-100%, of heeft een medische keuring ondergaan waaruit dezelfde duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid blijkt; heeft een geldige thuiszorgindicatie voor minimaal 6 maanden; heeft een gediagnosticeerde chronische ziekte of handicap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de categorie minima behoort voor deze regeling de persoon die een structureel gezinsinkomen heeft tot 115% van de geldende bijstandsnorm en op de peildatum een vermogen heeft dat niet hoger is dan het bedrag genoemd in artikel 34, derde lid Wwb. Vermogen dat in de woning is gebonden waarin de persoon woont, wordt buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de persoon die voldoet aan de criteria in het tweede en het derde lid, wordt op aanvraag eenmaal per kalenderjaar een bedrag verstrekt voor niet-aantoonbare kosten in verband met ziekte en/of handicap, ter hoogte van: € 200 voor huishoudens met 1 doelgroeplid; of € 300 voor huishoudens bestaande uit 2 of meer doelgroepleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt ingediend is het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 10, derde lid van de Invoeringswet Wwb is de gemeente bevoegd aan chronisch zieken en gehandicapten categoriale bijzondere bijstand te verstrekken als tegemoetkoming in de extra kosten in verband met ziekte of handicap. Op grond van artikel 35, derde lid Wwb mag categoriale bijzondere bijstand aan 65-plussers worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is in werking getreden per 1 mei 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het Nivel-onderzoek uit februari 2003 (‘Mogelijkheden van bestaande indicaties ter identificatie van chronisch zieken en gehandicapten met hoge ziektegerelateerde uitgave’) is voldoende aannemelijk dat chronisch zieken en gehandicapten extra kosten hebben, die niet worden gedekt door andere voorzieningen, zoals de belastingdienst (buitengewone aftrek), de (aanvullende) ziektekostenverzekering, individuele bijzondere bijstand, etc. Het betreft hier veelal de onzichtbare kosten; kosten die onvoldoende aantoonbaar zijn, of (volgens de Wwb-criteria of criteria van de belastingdienst) niet strikt noodzakelijk. Deze laatste categorie kosten is vaak ten behoeve van zaken die de kwaliteit van leven bevorderen of die bepaalde randvoorwaarden invullen. Voorbeelden hiervan zijn zelfzorgmedicijnen, alternatieve geneeswijzen, kosten voor klusjes die men niet zelf kan uitvoeren, kosten die in het kader van de Wmo als algemeen gebruikelijk zijn aangemerkt, legeskosten parkeervoorziening, hogere kosten wegens maatregelen binnen de Wmo en de kosten van het lidmaatschap van een patiëntenvereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De categorie chronisch zieken en gehandicapten met extra kosten is moeilijk in een doelgroep te vatten. Uit bovengenoemd Nivel-onderzoek is gebleken dat de groepen Wmo-gebruikers, gebruikers van langdurige thuiszorg en 80-100% arbeidsongeschikten de meest voorspellende waarde hebben voor hogere kosten in verband met ziekte of handicap. De groep ouderen op zich heeft geen indicatie voor hoge kosten voor ziekte of handicap. Echter, wanneer ouderen extra kosten hebben, zijn de kosten over het algemeen hoger dan gemiddeld bij chronisch zieken of gehandicapten. De groep chronisch zieken is zeer divers en de categorie hierbinnen die extra kosten heeft is vaak moeilijk te identificeren. Indien een belanghebbende aan een criterium genoemd onder a, c of d voldoet, voldoet hij eveneens aan criterium e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dilemma dat hieruit naar voren komt is dat keuze voor een beperkt aantal doelgroepen per definitie veel mensen met kosten uitsluit. Het vaststellen van een groot aantal groepen, leidt echter tot gebruik door mensen die geen extra kosten maken voor ziekte of handicap. Daarom is een breed aantal groepen benoemd als potentieel rechthebbend. De persoon die de regeling aanvraagt moet echter tot minimaal twee van de genoemde categorieën behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen die in een inrichting voor verpleging of verzorging verblijven komen niet in aanmerking voor de regeling, omdat deze personen beduidend minder kosten maken in verband met ziekte of handicap dan personen die zelfstandig wonen. In vele kosten of diensten wordt immers voorzien door de inrichting zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een grote groep van met name 65-plussers, blijkt regelmatig buiten de belangrijkste minimaregelingen te vallen (categoriale bijstand 65-plussers en collectieve ziektekostenverzekering). Deze groep heeft echter wel een beperkt inkomen. Het Nivel-onderzoek heeft uitgewezen dat met name chronisch zieke of gehandicapte ouderen zich geconfronteerd zien met extra hoge kosten voor ziekte of handicap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is daarom specifiek deze regeling voor chronisch zieken en gehandicapten toegankelijk te maken voor mensen met een gezinsinkomen tot 115% van de bijstandsnorm, gedurende minimaal drie achtereenvolgende maanden. Hierbij wordt de systematiek van de Wwb ten aanzien van inkomensberekening gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de doelgroep beter te bereiken, is gekozen het in de eigen woning gebonden vermogen buiten beschouwing te laten. Het betreft alleen de woning waarin het doelgroeplid/de aanvrager zelf woont. Voor het overige vermogen is, net als voor het overige minimabeleid, aansluiting gezocht met de criteria binnen de Wwb.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bedragen sluit aan bij het forfait voor chronisch zieken van de fiscale buitengewone uitgavenaftrek (na verrekening bruto-nettotraject). Op basis hiervan is een bedrag in de orde van grootte van € 150 tot € 250 per jaar redelijk (Handreiking van het ministerie SZW). Wanneer twee of meer personen binnen een huishouden behoren tot de doelgroep, worden in verhouding minder kosten gemaakt dan twee alleenstaanden. Derhalve moet het bedrag hierop worden aangepast. In plaats van tweemaal het individuele bedrag, wordt anderhalf keer het individuele bedrag aan een huishouden verstrekt. Hieruit zijn de genoemde bedragen tot stand gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de bijdrage niet toegerekend kan worden aan specifieke kosten, is geen periode bekend waarop de aanvraag betrekking heeft. Daarom wordt vastgesteld dat de bijdrage betrekking heeft op het kalenderjaar waarin de aanvraag is gedaan. Dit houdt in dat bijvoorbeeld in januari geen aanvraag meer kan worden ingediend met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.4 Overige minimaregelingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 3.4.1 Bijdrage Sport en Cultuur Het college verstrekt op aanvraag aan belanghebbenden met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm een bijdrage in de kosten voor deelname aan sport- en culturele activiteiten en bijbehorende materiaalkosten ten behoeve van kinderen in de leeftijd van 3 tot en met 17 jaar, wanneer de activiteiten naar het oordeel van het college de ontwikkeling van de sociale, lichamelijke en/of geestelijke vaardigheden van het kind bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage als bedoeld in het eerste lid bedraagt per 1 januari 2008 maximaal € 200 per kind per kalenderjaar voor kinderen van 3 t/m 11 jaar of € 250 per kind per kalenderjaar voor kinderen van 12 t/m 17 jaar. Hierbij is de leeftijd van het kind op 1 januari van het lopende kalenderjaar bepalend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten als bedoeld in het eerste lid worden aangetoond door middel van nota’s. De kosten moeten betrekking hebben op het lopende kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeacht het bedrag van de gedeclareerde nota’s als bedoeld in het derde lid, verstrekt het college in één keer de voor belanghebbende geldende maximale bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het derde lid worden nota’s die betrekking hebben op het afgelopen kalenderjaar tot 1 februari van het jaar daaropvolgend in behandeling genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota’s die betrekking hebben op een seizoen dat overgaat van het lopende jaar op het volgende jaar kunnen slechts éénmaal volledig worden aangeboden: in het jaar dat het seizoen is gestart of in het jaar waarin het seizoen eindigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien gewenst kan de aanvrager vragen om rechtstreekse doorbetaling van de kosten tot het maximale bedrag aan de sport- en/of culturele organisatie. Wanneer de maximale bijdrage is verstrekt is de aanvrager zelf verantwoordelijk voor de betaling van de resterende kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college acht het noodzakelijk dat kinderen deelnemen aan sport- en culturele activiteiten teneinde zich te kunnen ontplooien, te leren samen met anderen activiteiten uit te voeren en de lichamelijke en psychische gezondheid en ontwikkeling te bevorderen. De hieruit voortvloeiende kosten worden, met een bepaald maximum, daarom als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan beschouwd. De bepalingen ten aanzien van draagkracht als bedoeld in beleidsregel 3.1.1 zijn voor de bijdrage sport en cultuur niet van toepassing. Deze bijdrage geldt voor huishoudens met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm. De inkomensgrens is hoger gelegd dan de reguliere draagkrachtgrens voor bijzondere bijstand, omdat kosten voor sport en culturele activiteiten niet tot de eerste levensbehoeften worden gerekend en daarom lagere prioriteit kennen. Pas wanneer de eerste basisbehoeften zijn voldaan, kan hiervoor financiële ruimte worden vrijgemaakt. Hiervan is pas sprake op een hoger inkomensniveau, te weten vanaf grofweg 120% van de bijstandsnorm (Armoedemonitor 2007).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bijdragen zijn vastgesteld in de nota armoedebeleid op grond van onderzoek onder klanten en verenigingen. Het onderscheid in leeftijden vloeit voort uit de hoogte van de kosten voor de verschillende leeftijdsgroepen. De leeftijdbepaling is gezet op 1 januari van het kalenderjaar, dit om duidelijkheid te creëren voor klant en uitvoerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een of meerdere nota(’s) of bankafschriften dienen als bewijs van sport-, culturele- en/of materiaalkosten en dienen betrekking te hebben op het lopende kalenderjaar. Hiervoor geldt wanneer een nota wordt ingediend, direct voor het gehele lopende kalenderjaar de volledige bijdrage wordt verstrekt. Dit betekent dat wanneer t.b.v. een kind van 8 jaar in de maand maart een nota wordt ingediend ten bedrage van € 50,-, een bijdrage van € 200,- wordt verstrekt. Deze bijdrage is bestemd voor het gehele lopende kalenderjaar. In dit jaar kan belanghebbende dan niets meer indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de aanvrager in de gelegenheid te stellen om zoveel mogelijk kosten tot de maximumbijdrage te kunnen aanvragen wordt de gelegenheid geboden om tot uiterlijk 1 februari van het daaropvolgende jaar kosten van het afgelopen jaar terug te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kunnen bijvoorbeeld kosten zijn die nog in de laatste week van december gemaakt zijn. De kosten worden dan nog toegerekend aan het voorgaande kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms hebben nota’s betrekking op een seizoen dat overgaat van het ene in het andere jaar. Als de bijdrage in het lopende jaar al (bijna) volledig is benut kan de aanvrager ervoor kiezen de nota volledig in het volgende jaar, waarin het seizoen nog loopt, in te dienen. De nota kan slechts in éénmaal volledig worden ingediend en dus niet worden opgedeeld in een deel voor het lopende jaar en het volgend jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het de aanvrager niet te belasten met het zelf voorschieten van kosten kan gebruik gemaakt worden van de rechtstreekse doorbetaling, tot het maximumbedrag, aan de sport- en of culturele instelling. Hiervoor is een éénmalige aanvraag per jaar nodig. De aanvrager weet dan ook van te voren wanneer de maximumbijdrage bereikt wordt en zelf de betaling moet worden overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Beleidsregels Handhaving De beleidsregels inzake handhaving vloeien voort uit de collegebevoegdheid tot het terugvorderen en verhalen van kosten van bijstand op derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel bij het onderwerp ‘terugvordering’ als bij ‘verhaal’ wordt gesproken over een financieel onderzoek naar de draagkracht van belanghebbende. Met een financieel onderzoek wordt bedoeld een onderzoek naar de draagkracht of aflossingscapaciteit op grond van de Trema-normen (normen die de rechterlijke macht hanteert bij het vaststellen van alimentatie). Dit financieel onderzoek moet niet worden verward met het vaststellen van de draagkracht ingeval van (bijzondere) bijstand. Dit zijn twee totaal verschillende berekeningswijzen met verschillende uitgangspunten en doelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.1 Terugvordering</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 4.1.1 Gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid Het college vordert de kosten van bijstand terug in de gevallen die in de artikelen 58 en 59 van de Wwb zijn aangegeven, voor zover zich daar geen andere wettelijke bepalingen of regelingen tegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college ziet af van (verdere) terug- en invordering in gevallen als bedoeld in beleidsregel 2.2.1, tweede lid aanhef en onder b (algemene leenbijstand).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college ziet af van (verdere) terugvordering van een niet-fraudegelieerde vordering, ingeval van een minnelijk schuldhulpverleningstraject door een NVVK-erkende schuldhulpverleningsinstelling. Daarbij geldt dat het afzien van verdere terugvordering gebeurt na betaling van een overeengekomen afkoopsom, dan wel het aflopen van een overeengekomen betalingsregeling. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: redelijkerwijs is te voorzien dat degene van wie wordt teruggevorderd niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs is te voorzien dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente zal ten minste worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan, onder de zelfde voorwaarden als genoemd in het derde lid onder a, b en c, afzien van (verdere) terugvordering van fraudegelieerde vorderingen in de volgende gevallen: de inschatting wordt gemaakt dat de debiteur voldoet aan de voorwaarden voor een wettelijke schuldsaneringstraject ingevolge de WSNP; de debiteur ontvangt nog een bijstandsuitkering en het bestaan van schulden vormt een zodanige belemmering richting arbeidsmarkt dat de debiteur niet kan uitstromen uit de bijstand. Er zijn, buiten het bestaan van een problematische schuldsituatie, geen andere belemmeringen richting uitstroom aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling overeenkomstig het derde lid tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het derde lid; de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college ziet af van (verdere) terugvordering indien een jaar na het eerste onderzoek naar inningsmogelijkheden één of meerdere vorderingen, die bij elkaar niet meer bedragen dan € 250, wederom oninbaar blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college ziet af van (verdere) terugvordering indien gedurende een periode van vijf jaar niets is afgelost op een of meerdere vorderingen, die bij elkaar niet meer bedragen dan € 5.000, en er in de toekomst geen mogelijkheden tot inning aanwezig lijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college ziet af van terugvordering indien door het ontstaan van recht op (aanvullende) ouderenkorting, in het jaar dat belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt alsnog teveel of ten onrechte uitkering is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering vindt in beginsel in alle mogelijke gevallen plaats. Uitgangspunt bij het terugvorderen van bijstand is het rechtvaardigheidsbeginsel. Bijstand geldt als sluitstuk van de sociale zekerheid. De Wwb laat dit ook zien, doordat vrijwel alle vergoedingen en ontvangsten tot de middelen moeten worden gerekend en die middelen slechts worden aangevuld tot het bijstandsniveau. De Wwb voorziet nauwelijks in mogelijkheden het bijstandsinkomen te verhogen. Bij dit beleid past het volledig terugvorderen van teveel of ten onrechte verstrekte bijstand. Zonder terugvordering zou het inkomen boven bijstandsniveau uitkomen en dat past niet bij een voorziening als de bijstand. Het niet terugvorderen zou rechtsongelijkheid veroorzaken ten opzichte van andere bijstandsgerechtigden en zou daarmee onrechtvaardigheid in de hand werken. Zeker wanneer sprake is geweest van fraude, mag dit niet worden beloond door (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering. Er wordt derhalve geen algemeen kwijtscheldingsbeleid geformuleerd, bijvoorbeeld in de vorm van kwijtschelding na enkele jaren correct aflossen. Slechts in bijzondere situaties kan worden afgezien van (verdere) terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een minnelijke schuldregeling wordt door een (erkende) schuldhulpverleningsorganisatie het verzoek gedaan mee te werken aan een schuldentraject tegen finale kwijting. De gemeente Spijkenisse kiest ervoor in het geval van niet-fraudegelieerde schulden mee te werken aan een minnelijk traject via een erkende schuldhulpverleningsorganisatie. Achterliggende reden is dat de cliënt de mogelijkheid moet hebben een nieuwe, schuldenvrije, start te maken. Een niet-fraudegelieerde vordering is in beginsel een vordering die niet voortkomt uit schending van de inlichtingenplicht (het geven van geen, onvolledige of onjuiste informatie) of uit een verwijtbare gedraging waarvoor een maatregel is opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er wel fraudegelieerde vorderingen bestaan, dient een individuele beoordeling plaats te vinden. De vraag of meegewerkt kan worden aan een minnelijk schuldentraject door een erkende schuldhulpverleningsorganisatie, kan niet zonder meer positief worden beantwoord. Met name twee overwegingen zijn hierbij van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een minnelijke schuldenregeling kan worden meegewerkt als wordt ingeschat dat de cliënt voldoet aan de eisen die de rechter stelt bij toelating tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). Een van de eisen is dat bij fraudegelieerde schulden er sprake moet zijn van oude schulden (meestal ouder dan 5 jaar), waarop reeds correct wordt afgelost. Overwegingen voor de keuze zijn dat mensen door het reeds voldoen aan de terugbetalingsverplichting hebben laten zien te willen rehabiliteren. Daarnaast is van belang dat in een WSNP-situatie het door de gemeente te ontvangen bedrag beduidend lager ligt dan bij een minnelijk traject. Het verschil wordt met name veroorzaakt door de loonkosten van de bewindvoerder in een WSNP-situatie, die moeten worden betaald uit de aflossingsbedragen. Wanneer de inschatting is dat een cliënt zal worden toegelaten tot de WSNP, wordt gekozen voor de hogere opbrengsten binnen een minnelijk traject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van nieuwe fraudeschulden kan in sommige situaties eveneens worden meegewerkt aan een minnelijk traject. Medewerking vindt plaats indien het bestaan van de schuldsituatie een dusdanige belemmering vormt richting arbeidsmarkt, dat de cliënt door het bestaan van de schulden niet kan uitstromen naar werk. Tegelijkertijd zijn er geen andere belemmeringen aanwezig die de cliënt langdurig belemmeren in zijn uitstroommogelijkheden (zoals ernstige medische of psychische beperkingen). De overweging bij deze keuze is dat cliënten die niet kunnen uitstromen de gemeente zeer veel geld kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de enige (ernstige) belemmering wordt gevormd door schulden, die vervolgens niet kunnen worden afgelost omdat de gemeente niet meewerkt aan een schuldenregeling, werkt de gemeente zichzelf tegen. Een uitgestroomde cliënt levert de gemeente grote besparingen op qua (niet) verstrekte uitkering. Daarnaast zal bij uitstroom binnen drie jaar (maximale duur van het schuldtraject), de hoogte van het aflossingsbedrag stijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inkomen stijgt immers en al het meerinkomen boven de beslagvrije voet komt ten goede aan de schuldeisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor cliënten zonder uitstroomperspectief geldt dat de gemeente voor hen kosten van bijstand blijft dragen, waardoor de gemeente ook de mogelijkheid moet houden aflossing van de recente fraudevordering maandelijks op de uitkering in mindering te brengen. Bij deze groep cliënten zal dus niet worden meegewerkt aan een minnelijke regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in het zesde lid genoemde situaties wordt het besluit tot afzien van (verdere) terugvordering herzien. Het afzien van (verdere) terugvordering is een met voorwaarden omkleed recht. In de genoemde situaties is een schuldregeling ofwel niet langer van toepassing, ofwel belanghebbende heeft onvoldoende besef van verantwoordelijkheid betoond, waardoor niet aan de voorwaarden voor kwijtschelding wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeveer 30% van het aantal vorderingen is lager dan € 250, maar dit betreft slechts 1,4% van het totaalbedrag aan openstaande vorderingen. Het gemiddelde vorderingsbedrag in de categorie tot € 250 is € 85. Een vordering kan oninbaar blijken, bijvoorbeeld door afwezigheid van een adres of van inkomsten. Het merendeel van de oninbare vorderingen worden binnen een jaar alsnog inbaar. Er kan dan bijvoorbeeld beslag worden gelegd. Indien na een jaar de vordering wederom niet inbaar blijkt, is de kans klein dat de vordering in de periode daarna nog inbaar wordt. Gezien het beperkte bedrag van de vordering, worden oninbare vorderingen na een jaar afgeboekt indien de vordering bij een heronderzoek na een jaar wederom niet inbaar blijkt. Dit vanwege effectieve en efficiënte uitvoering van de gemeentelijke sociale zekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien terugvordering binnen de Wwb een bevoegdheid van het college is geworden, is het afzien van verdere terugvordering mogelijk. Voor vorderingen tussen de € 251 en € 5000 geldt een strenger regime. Indien gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum van het terugvorderingsbesluit, danwel vijf jaar na de laatst gepleegde aflossing niets is afgelost en geen mogelijkheden tot inning in de toekomst worden gezien, is het niet kostenefficiënt om deze vorderingen langer open te laten staan (gemiddeld bedrag € 1380). Er wordt op dat moment afgezien van verdere terugvordering. Wanneer er voor de toekomst wel mogelijkheden tot inning worden gezien, blijft de vordering open staan. Voor vorderingen boven de € 5000, waarbij er veelal sprake is geweest van fraude, wordt op principiële gronden niet afgezien van terugvordering, zolang de wettelijke mogelijkheid tot terugvordering en inning open staan. Het totaalbedrag aan vorderingen boven de € 5000 betreft ruim 50% van het totaalbedrag aan openstaande vorderingen. De mogelijkheid bestaat dat in die 20 jaar iemand alsnog bekend wordt en dat mogelijkheden voor inning ontstaan. Bij grote vorderingen kan het daarom lonend zijn de mogelijkheid voor terugvordering open te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bepaling of een vordering al dan niet kan worden afgeboekt om kostenefficiënte redenen, geldt het totaalbedrag van alle openstaande vorderingen van de debiteur als vorderingsbedrag. Indien er twee vorderingen open staan van € 150 kunnen de vorderingen niet na een jaar worden afgeboekt; deze vallen onder het regime van vorderingen tussen € 251 en € 5000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vast te stellen of voor de toekomst mogelijkheden voor inning bestaan, wordt tenminste het Suwi-net geraadpleegd en eventueel nog de belastingdienst aangeschreven met de vraag of er sprake is van een eigen bedrijf. Indien belanghebbende een eigen bedrijf heeft, biedt dat kansen om de vordering alsnog te innen. Ook kan eventueel het kadaster met hulp van de sociale recherche aangeschreven worden om te bezien of dat er een eigen woning op naam van de debiteur staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bepaling of een vordering al dan niet kan worden afgeboekt om kostenefficiënte redenen, geldt het totaalbedrag van alle openstaande vorderingen van de debiteur als vorderingsbedrag. Indien er twee vorderingen open staan van € 150 kunnen de vorderingen niet na een jaar worden afgeboekt; deze vallen onder het regime van vorderingen boven de € 250.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste lid heeft betrekking op het recht op ouderkorting. Bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, ontstaat namelijk recht op (aanvullende) ouderenkorting, een heffingskorting van de belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze heffingskorting heeft echter met terugwerkende kracht betrekking op het gehele kalenderjaar. Indien iemand tot zijn 65e jaar bijstand of Ioaw/Ioaz ontvangt, moet de uitkering alsnog worden herzien. Dan moet namelijk de ouderenkorting die betrekking heeft op de maanden dat uitkering is verstrekt, in mindering worden gebracht op de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit leidt tot herziening en terugvordering van uitkering. In de praktijk wordt deze uitgebreide werkwijze in vrijwel geen enkele gemeente gehanteerd, met name omdat het voor klanten onbegrijpelijk is waarom wordt teruggevorderd en omdat de hoeveelheid werk niet in verhouding staat tot de hoogte van de ouderenkorting. Vrijwel altijd wordt de ouderenkorting vrijgelaten. De praktijk wordt met deze beleidsregel geformaliseerd. In het kalenderjaar volgend op het jaar dat iemand 65 is geworden, wordt de korting in de regel verrekend met de AOW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 4.1.2 Invordering Het aflossingsbedrag betreft voor een uitkeringsgerechtigde het gehele bedrag ineens. Indien dit niet mogelijk is betreft het: het maandelijks voor beslag vatbare bedrag, en; de volledige vakantietoeslag, wanneer deze betaalbaar wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aflossingsbedrag betreft voor een debiteur zonder uitkering op grond van de Wwb, Wij, Ioaw of Ioaz het gehele bedrag ineens. Indien dit niet mogelijk is betreft het: een bedrag van € 150 per maand, voor zover de bruto vordering binnen 36 maanden volledig kan worden afgelost; indien de onder a genoemde mogelijkheid vervalt, een bedrag naar draagkracht vastgesteld naar aanleiding van een financieel onderzoek, waarbij belanghebbende geacht wordt minimaal een inkomen op bijstandsniveau te verwerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste en tweede lid onder a, kan op gemotiveerd verzoek van de debiteur, alsnog een draagkrachtonderzoek worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dwanginvordering maakt de gemeente bij vorderingen boven de € 250 in de regel gebruik van de diensten van een gerechtsdeurwaarder, uitgezonderd de gevallen waarin verrekening mogelijk is, of dat het bedrijfsmatig aantrekkelijker is om zelf tot vereenvoudigd derdenbeslag over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslag op roerende zaken vindt plaats wanneer dit in het individuele geval het meest adequate instrument tot invordering is. Tot verkoop van de roerende zaken door de deurwaarder mag pas worden overgegaan na schriftelijke toestemming van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslag op onroerende zaken vindt plaats wanneer dit in het individuele geval het meest adequate instrument tot invordering is. Beslag op onroerende zaken vindt niet plaats voordat het college hiervoor schriftelijke toestemming heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inning van het vorderingsbedrag ineens is de meest wenselijke vorm van terugbetaling, zowel voor de klant (er is geen lange weg van aflossing), als voor de gemeente (de vordering is direct betaald). Indien betaling ineens niet mogelijk is, wordt de vordering in maandelijkse termijnen afgelost. Wettelijk gezien moet een debiteur minimaal blijven beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet. Bij een aflossingsbedrag ter hoogte van het voor beslag vatbare bedrag, blijft de debiteur altijd beschikken over de beslagvrije voet. Bij hanteren van een ander bedrag, of een percentage van de bijstandsnorm, wordt ofwel het risico gelopen dat de debiteur minder overhoudt dan de beslagvrije voet, ofwel dat een vordering met vertraging wordt afgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dit risico ter vermijden, is gekozen voor het voor beslag vatbare bedrag (zonder vakantietoeslag) als aflossingsbedrag. Dit bedrag wijzigt minimaal twee maal per jaar, wanneer de uitkeringsbedragen worden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de gemeente zelf de uitkeringen betaalt, is dit uitvoeringstechnisch te overzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het beslagrecht is huursubsidie/huurtoeslag geen passende en toereikende voorliggende voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit heeft tot gevolg dat kosten van huur boven een bepaald normbedrag, waarin de huurtoeslag niet voorziet van invloed zijn op de hoogte van het voor beslag vatbare bedrag. Bij de berekening van de aflossingscapaciteit wordt dus rekening gehouden met de kosten van huur boven de normhuur, minus de toegekende huurtoeslag of woonkostentoeslag. Op deze wijze wordt de werkwijze die voortvloeit uit het beslagrecht gevolgd. Voor de kosten van de ziektekostenverzekering geldt dat eveneens de werkwijze die voortvloeit uit het beslagrecht wordt gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor mensen zonder gemeentelijke uitkering geldt dat zij op dit onderwerp op eenzelfde wijze worden behandeld als mensen met een bijstandsuitkering. De werkwijze die hiermee is verbonden, is opgenomen in het handboek en in werkinstructies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de vakantietoeslag wordt als aflossingsbedrag aangemerkt, op het moment dat deze betaalbaar zou worden gesteld. Dit betekent in de maand mei of binnen drie maanden na beëindiging van de uitkering. Voordeel van aflossing via de vakantietoeslag, boven een maandelijks bedrag waarin de vakantietoeslag reeds is meegenomen, is dat de uitkeringsgerechtigde maandelijks over iets meer geld beschikt. Met het bedrag aan vakantietoeslag kan daarnaast een groot deel van de vordering ineens worden afgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook vakantietoeslag opgebouwd in een periode voor het ontstaan van de vordering kan, mits nog niet uitbetaald, worden gebruikt voor aflossing van de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor debiteuren zonder gemeentelijke uitkering kost het veel uitvoeringscapaciteit om een aflossingsbedrag te berekenen. Aangezien het inkomen niet bekend is, noch de noodzakelijke uitgaven, moet een volledige draagkrachtberekening worden gemaakt om de maximale aflossingscapaciteit te berekenen. Een eenvoudiger methode is het standaard vaststellen van een aflossingsbedrag. Gekozen is voor € 150 per maand, dit is beperkt hoger dan het voor beslag vatbare bedrag ingeval van de gehuwdennorm. Op deze wijze kan het voor beslag vatbare bedrag enkele jaren worden geïndexeerd, zonder dat het aflossingsbedrag voor mensen zonder uitkering hoeft te worden aangepast. Een beperking hieraan is dat de aflossing maximaal 36 maanden mag duren. Is de vordering hoger dan 36 maanden maal € 150 = € 5400 bruto, dan wordt direct een financieel onderzoek gedaan om de maximale aflossingscapaciteit vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke handelwijze is overeenkomstig het Besluit TICA, een besluit over onder andere terugvordering voor andere sociale zekerheidswetten zoals de WW, WAO en ZW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de debiteur gemotiveerd verzoekt om een financieel onderzoek, kan dit worden uitgevoerd. In de situatie genoemd in het tweede lid onder a, zal echter niet zonder meer om een financieel onderzoek worden verzocht, omdat dit voor de debiteur met zich meebrengt dat hij vele inlichtingen moet overleggen. Indien toch een verzoek wordt gedaan, is vrijwel altijd sprake van een te hoog aflossingsbedrag, zo leert de ervaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het financieel onderzoek worden de TREMA-normen als richtlijn gehanteerd, zodat het onderzoek landelijk toetsbare kaders kent. In individuele gevallen kan hier wel gemotiveerd van worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dwanginvordering wordt over het algemeen overgedragen aan de deurwaarder. Dit kent als voordelen dat geen sprake is van versnipperde werkzaamheden in de uitvoering en dat invordering, door de kennis en kundigheid van de deurwaarder, doeltreffender plaatsvindt. Uitzondering op overdracht aan de deurwaarder is de situatie dat het college zelf makkelijk kan invorderen, bijvoorbeeld doordat er een stabiele inkomstenomgeving is, die via het Inlichtingenbureau makkelijk is te achterhalen. In ieder geval wordt de invordering zelf afgehandeld indien de gemeente de uitkeringsverstrekkende instantie is, waarbij verrekening met een lopende uitkering kan plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslag op roerende en/of onroerende zaken kan resultaat geven als alle andere vormen van beslag gefaald hebben; gezien de zwaarte van het middel vindt er (naast een bedrijfsmatige afweging en in samenspraak met de deurwaarder) een individuele afweging met een afzonderlijk besluit plaats. Bij verkoop van de roerende goederen of voorafgaand aan beslaglegging op onroerende goederen is vooraf toestemming nodig van het college om dit voor de debiteur ingrijpende besluit met extra waarborgen te omkleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 4.1.3 Rente en kosten Indien de debiteur na twee betalingsherinneringen de vordering niet volledig heeft voldaan, zonder dat hij heeft verzocht om een (andere) betalingsregeling, wordt de vordering overgedragen aan de deurwaarder, tenzij dringende redenen zich daartegen verzetten. Vanaf de datum van overdracht worden op de terugvordering betrekking hebbende rente en kosten in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde kosten bedragen in ieder geval de kosten volgens de staffel Voorwerk II - buitengerechtelijke kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het reguliere terugvorderingsproces (uitgaande van een betalende debiteur), behoort tot de reguliere werkzaamheden van de afdeling Werk Meedoen en Inkomen, die door de gemeente bekostigd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een debiteur weigert te betalen (zonder daarvoor legitieme redenen aan te voeren), wordt de afdeling gedwongen extra kosten te maken ter uitvoering van het invorderingsproces. Ten opzichte van (overige) inwoners van de gemeente, is het niet te rechtvaardigen dat hiervoor publieke middelen worden gebruikt. Indien de debiteur zonder legitieme reden weigert te betalen, of niet reageert op betalingsverzoeken, behoort hij hiervoor zelf de financiële lasten te dragen. Vanaf het moment van overdracht aan de deurwaarder, worden daarom verdere kosten bij de debiteur in rekening gebracht. Overigens zal deze situatie vrijwel nooit voorkomen bij debiteuren met een gemeentelijke uitkering, aangezien daarbij de voorkeur wordt gegeven aan (maandelijkse) verrekening van het aflossingsbedrag met de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de kostenberekening efficiënt en effectief vorm te geven en er zeker van te zijn dat de in rekening gebrachte kosten in rechte standhouden, wordt uitgegaan van de staffel Voorwerk II – buitengerechtelijke kosten. Deze staffel is samengesteld door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en wordt algemeen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een debiteur niet voldoet aan de betalingsverplichting, loopt de gemeente inkomsten (rente) mis. Deze rente mag ingevolge artikel 58 Wwb in rekening worden gebracht bij de debiteur. Dit vindt plaats vanaf het moment van overdracht aan de deurwaarder (overdrachtsdatum). Het in rekening brengen van de rente gebeurt alleen door de deurwaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zelf berekenen van de wettelijke rente kost namelijk veel uitvoeringscapaciteit, mede omdat er in de gemeente (in tegenstelling tot bij deurwaarders) geen systeemtechnische ondersteuning aanwezig is. De kosten zijn voor de gemeente daarom hoger dan de opbrengsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 4.1.4 Brutering van de vordering Het college gaat niet over tot terugvordering van loonbelasting en premies volksverzekeringen, als bedoeld in artikel 58, vierde lid van de Wwb, tenzij:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering waarop de loonbelasting en premies volksverzekeringen betrekking heeft (mede) is ontstaan door tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorzieningen in het bestaan, of;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering waarop de loonbelasting en premies volksverzekeringen betrekking heeft (mede) is ontstaan door het niet, niet tijdig of onvoldoende nakomen van de verplichtingen uit de Wwb en/of uit de gemeentelijke verordeningen als bedoeld in de artikelen 8 en 8a Wwb, of;</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Wwb beschikt of kan beschikken, waardoor belanghebbende redelijkerwijs had kunnen weten dat teveel of ten onrechte bijstand is verstrekt, en belanghebbende deze middelen niet heeft aangewend ter aflossing van teveel of ten onrechte verstrekte bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 58, vierde lid Wwb kan het college ook de verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen over teveel of ten onrechte verstrekte bijstand terugvorderen, voor zover het college dit niet meer kan verrekenen met de belastingdienst of het UWV WERKBEDRIJF. Verrekening kan plaatsvinden wanneer de vordering van teveel of ten onrechte verstrekte bijstand in het kalenderjaar dat het is verstrekt, nog wordt terugbetaald. Het terugvorderen van verschuldigde loonbelasting of premies volksverzekeringen wordt ook wel brutering van de vordering genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De CRvB heeft reeds diverse uitspraken gedaan op grond waarvan de mogelijkheden van brutering voor het college zijn ingeperkt. Dit houdt in dat in diverse gevallen niet tot brutering mag worden overgegaan, of slechts een deel van de openstaande vordering mag worden gebruteerd. Er bestaat behoefte de jurisprudentie aan te vullen met beleid vanwege een tweetal redenen (uiteraard zonder de jurisprudentie aan te tasten). Ten eerste zijn er situaties waarin volgens jurisprudentie tot brutering mag worden overgegaan, waarbij dit in verhouding tot die gevallen waarin niet gebruteerd mag worden, door het college als onredelijk worden beschouwd. Ten tweede is brutering een arbeidsintensief traject. De jurisprudentie omtrent brutering heeft dit slechts versterkt. Efficiencyoverwegingen liggen daarom mede ten grondslag aan het instellen van dit beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt van het beleid is dat het college de kosten van verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen voor zijn rekening neemt, tenzij het ontstaan van de vordering belanghebbende te verwijten valt. Bij brutering wordt immers een hoger bedrag teruggevorderd dan oorspronkelijk aan die persoon verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan niet altijd volledig worden gecompenseerd via de aangifte inkomstenbelasting. Indien de vordering (of het niet tijdig aflossen) belanghebbende niet te verwijten valt, wordt het daarom als onredelijk gezien tot brutering over te gaan. De situaties waarin toch wordt overgegaan tot brutering van de vordering zijn in het kader van rechtszekerheid voor de belanghebbende in deze beleidsregel omschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder punt 1 is genoemd dat indien een vordering (mede) is ontstaan vanuit onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid vanuit de zijde van belanghebbende, de vordering wordt gebruteerd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien een maatregel vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid met terugwerkende kracht is opgelegd. In dergelijke gevallen is de vordering aan belanghebbende te verwijten en acht het college het reëel dat belanghebbende zelf de extra kosten draagt die brutering met zich meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is hierbij niet van belang of de vordering had kunnen worden voorkomen door handelen van het college. Het feit dat belanghebbende in deze iets te verwijten valt is doorslaggevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2 geeft aan dat brutering plaatsvindt van een vordering die is ontstaan omdat belanghebbende aan de Wwb verbonden verplichtingen en/of verplichtingen voortvloeiend uit de gemeentelijke verordeningen in het kader van de Wwb heeft geschonden. Zie voor verdere motivering punt 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder punt 3 is aangegeven dat indien belanghebbende achteraf middelen ontvangt, hij deze moet reserveren en aanwenden voor het aflossen van een vordering van het college op grond van de Wwb. Indien hij dit niet doet, leidt dit immers tot een langere aflossingstermijn en daarmee benadeling van het college. In deze situatie is het niet relevant of brutering voorkomen had kunnen worden indien het ontvangen bedrag was gereserveerd voor aflossing. Reden is dat ook wanneer loonbelasting en premies niet meer verrekend kunnen worden het college wordt benadeeld, omdat een langere aflossingstermijn leidt tot renteverlies aan de zijde van het college en extra uitvoeringskosten (verwerking en monitoring van de aflossingen) in verband met een langere aflossingstermijn. Het is ook niet noodzakelijk dat er reeds een terugvorderingsbeschikking is afgegeven op het moment dat belanghebbende de middelen ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbende redelijkerwijs had kunnen weten dat ontvangst van die middelen zou betekenen dat hij bijstand moet terugbetalen aan het college, wordt hij geacht die middelen te reserveren en aan te wenden voor de aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4:84 Awb kan uiteraard worden afgeweken van de bepalingen in deze beleidsregel, indien dat voor belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.2 Verhaal</h3>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 4.2.1 Gebruikmaking van de verhaalsbevoegdheid Het college verhaalt de kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 61 tot en met 62i van de Wwb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen verhaal vindt plaats:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op ouders van jong-meerderjarigen in de gevallen waarin aan de jong-meerderjarige bijzondere bijstand is verstrekt, als bedoeld in artikel 62 van de Wwb; wanneer een schenker als bedoeld in artikel 62f sub a van de Wwb in de afgelopen twaalf maanden in totaal minder dan € 1000 heeft geschonken; op nalatenschap als bedoeld in artikel 62f sub b van de Wwb tenzij de persoon op wie het college een vordering had op het tijdstip van overlijden een woning, woonwagen of woonschip (gedeeltelijk) in eigendom had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 van de Invoeringswet van de Wwb verklaarde de artikelen 92 tot en met 105 van de Abw nog van toepassing. Dit was bedoeld als tijdelijke maatregel in afwachting van inwerkingtreding van het nieuwe kinderalimentatiestelsel. Dit nieuwe stelsel is er niet gekomen en derhalve is het overzichtelijker om de verhaalsbepalingen op te nemen in een nieuwe paragraaf van de Wwb. Verhaal kan derhalve plaatsvinden op grond van de artikelen 61 tot en met 62 i van de Wwb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is niet van alle mogelijkheden die de nieuwe verhaalsparagraaf in de Wwb biedt gebruik te maken. Geen verhaal vindt plaats op ouders van jong-meerderjarigen wanneer bijzondere bijstand is verstrekt (artikel 62 aanhef en onder c van de Wwb). Voordat bijzondere bijstand wordt verstrekt, wordt de mogelijkheid van de ouders om bij te dragen al onderzocht. Uit jurisprudentie blijkt dat de ouders vaak al geacht worden het maximaal haalbare te hebben bijgedragen (hierbij wordt de historie in acht genomen), waardoor verhaal niet meer mogelijk is. Om te voorkomen dat eerst een verhaalsonderzoek plaats moet vinden, op grond waarvan vervolgens om dringende redenen wordt afgezien van verhaal, is de bepaling opgenomen dat in situaties als bedoeld in artikel 62 aanhef en onder c van de Wwb geen verhaal (en dus ook geen verhaalsonderzoek) plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhaal bij schenking vindt slechts plaats, voor zover de schenker meer dan € 1000 heeft weggegeven in de laatste 12 maanden (veelal voorafgaand aan de bijstandsperiode). Dit voorkomt dat een verhaalsonderzoek moet worden gestart voor kleine bedragen die niet of nauwelijks leiden tot verminderde uitkeringsverstrekking. Het bedrag van € 1000 is grofweg gerelateerd aan een maand netto bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhaal op nalatenschap is alleen zinvol wanneer in de nalatenschap een bepaald vermogen beschikbaar is. Bij personen op wie het college een vordering heeft op grond van de Wwb, blijkt dit vermogen veelal niet aanwezig. Uitzondering hierop vormt de situatie waarbij vermogen in een woning (of woonwagen/woonschip) aanwezig kan zijn. Derhalve is ervoor gekozen alleen een verhaalsonderzoek te starten indien de persoon voor zijn overlijden een woning, woonwagen of woonschip (gedeeltelijk) in eigendom had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregel 4.2.2 Afzien van verhaal Het college kan afzien van (een) verhaal(s)(onderzoek) op grond van dringende redenen. Van een dringende reden is in ieder geval sprake indien een verhaalsonderzoek een gevaar kan opleveren voor de bijstandsgerechtigde en/of diens kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college legt geen verhaalsbijdrage op, indien na berekening is gebleken dat het voor verhaal beschikbare bedrag lager is dan € 50 per maand of € 600 per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college besluit, op verzoek van degene op wie verhaald wordt en die deelneemt of deel wil nemen aan een minnelijk schuldhulpverleningstraject door een erkende schuldhulpverleningsinstelling, gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien: redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling overeenkomstig het derde lid tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer in een schuldhulpverleningstraject van de onderhoudsplichtige, uitgevoerd door een erkende schuldhulpverleningsinstelling, wegens dringende redenen geen rekening kan/mag worden gehouden met betaling van een onderhoudsbijdrage, kan worden afgezien van verhaal voor de duur van het schuldhulpverleningstraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het derde lid; de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motivering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het afzien van een verhaalsonderzoek wegens dringende redenen heeft veelal te maken met een mogelijk gevaar voor de bijstandsgerechtigde of diens kinderen. Een dergelijke situatie zal wel objectief aannemelijk gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld door een verklaring van een vertrouwenspersoon, aangiftes of meldingen bij de politie of een verblijf op een geheim adres. Andere dringende redenen, bijvoorbeeld gelegen bij de degene op wie wordt verhaald, kunnen vanwege het individuele karakter ervan niet worden toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet efficiënt om kleine verhaalsbijdragen te moeten incasseren. Daarom worden in het tweede lid minimale bedragen vastgesteld waaronder geen verhaalsbijdrage wordt opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf het derde lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">De opeisbare bedragen betreffen de vastgestelde verhaalsbedragen voor zover er een betalingsachterstand is (bij schenking en nalatenschap betreft het totale vastgestelde bedrag, niet de maandelijkse aflossingstermijnen) Ingeval van verhaal dient te worden meegewerkt aan een minnelijk schuldhulpverleningstraject, aangezien de ontstaansgeschiedenis van de onderhoudsplicht vrijwel nooit te maken heeft met frauduleus gedrag van de onderhoudsplichtige. Ook zijn voor de onderhoudsplichtige de consequenties van gedrag van hemzelf of een ander, dat heeft geleid tot verhaal, niet altijd te overzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij komt de overweging dat een minnelijk traject over het algemeen meer geld oplevert dan een wettelijk traject. Dit is de reden waarom geen onderscheid wordt gemaakt (zoals bij terugvordering) maar in alle gevallen kan worden meegewerkt aan een minnelijk schuldhulptraject (mits uitgevoerd door een erkende organisatie).</p></div>", "next": 239875}