{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In de huidige situatie bestaan er diverse organisaties die de toegang in smalle zin vormen. We noemen deze indicatieorganen. Elk indicatieorgaan hanteert eigen regels en criteria, die afkomstig zijn vanuit het bijbehorende wettelijk kader. Hieronder zijn de huidige organisaties opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het loket werk, inkomen en zorg (WIZ) is het indicatieorgaan voor de huidige Wmo voorzieningen. Westvoorne kent daarvoor het Wmo-loket en het loket WIS (Werk, Inkomen, Service).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Centraal Indicatieorgaan Zorg (CIZ) is het indicatieorgaan voor de huidige AWBZ voorzieningen die naar de gemeenten overkomen (begeleiding, beperkt gedeelte van de persoonlijke verzorging, beschermd wonen en kortdurend verblijf) Het Bureau Jeugdzorg (BJZ) is het indicatieorgaan voor de provinciaal gefinancierde jeugdzorg en heeft mandaat om namens CIZ ook indicaties af te geven voor AWBZ- voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huisarts is (naast BJZ) eveneens indicatieorgaan voor de jeugd-GGZ Het UWV is het indicatieorgaan voor toegang tot de Wsw (sociale werkvoorziening) en de Wajong Vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin wordt uitvoering gegeven aan de jeugdgezondheidszorg en het algemeen- en schoolmaatschappelijk werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toegang in brede zin spelen diverse organisaties en instellingen een rol. Zij zorgen bijvoorbeeld voor informatie en advies, signalering, cliëntondersteuning of doorverwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3Wat stellen we voor en waarom?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.1 Onderscheid in sturing tussen toegang smal en toegang breed In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de gemeente in zijn algemeenheid kiest voor het samenwerkingsmodel. Voor de toegang in smalle zin wordt gekozen voor het in eigen beheer nemen. Dit omdat we verwachten hiermee de financiële risico’s het meest te kunnen beheersen. Er ligt immers een grote bezuinigingsopgave op het sociaal domein (gemiddeld 25%) die onder andere moet worden gerealiseerd door een zorgvuldige afweging van de noodzaak van duurdere maatwerkvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toegang in brede zin kiezen we wel voor het samenwerkingsmodel. Dit omvat activiteiten die niet uitsluitend door de gemeente hoeven te worden uitgevoerd, omdat deze geen risico’s opleveren voor de financiële beheersbaarheid. Deze activiteiten kunnen samen met of door andere organisaties uitgevoerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.2 Twee loketten De gemeente heeft een wettelijk taak om inwoners te voorzien van informatie en advies over hulp en ondersteuning. De gemeenten willen een fysiek punt realiseren waar inwoners terecht kunnen met informatie- en adviesvragen, en waar de gemeenten tevens een eerste inschatting kunnen maken van de problematiek waar inwoners mee kampen om te bepalen of hier eventueel ondersteuning nodig zou kunnen zijn. De combinatie van deze twee wordt het ‘loket’ genoemd. Op basis van het eerste contact in het loket kan de gemeente een inwoner doorverwijzen naar de backoffice (toegang in smalle zin). Op dit moment hebben de gemeente al een WIZ-/WIS-loket waar deze functies worden uitgevoerd voor voorzieningen op het gebied van werk &amp; inkomen en de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten onderscheiden drie manieren waarop de loketfunctie in de toekomst kunnen worden vormgegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén loket waar alle inwoners terecht kunnen voor informatie, advies en een eerste screening van de problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén loket voor volwassen inwoners (‘sociaal loket’ genoemd) en één loket voor gezinnen en jeugdigen (het CJG) waar zij terecht kunnen voor informatie, advies en een eerste screening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opdoeken van de loketten en de informatie- advies- en screeningsfunctie beleggen bij de sociale wijkteams.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten kiezen in de vormgeving voor het tweede model. Het CJG vervult in de huidige situatie al een rol in informatie en advies, signalering en vraagverheldering en de verbinding met het huidige Bureau Jeugdzorg is gelegd. Het is een logische stap om het CJG als loket te behouden. Het geraamte voor het sociaal loket is ook al aanwezig in de vorm van het huidige WIZ-/WIS-loket.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sociale wijkteams kunnen inwoners eveneens voorzien van informatie en advies en een screening uitvoeren (zie paragraaf 4.3.2). De gemeenten achten het echter niet wenselijk om deze taak uitsluitend daar te beleggen, aangezien de sociale wijkteams nog moeten worden opgezet en de precieze vormgeving nog niet bekend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslispunt 9 – Er zijn per gemeente twee loketten waar inwoners terecht kunnen voor informatie, advies en een eerste screening. Dit is het CJG waar de doelgroep met name bestaat uit gezinnen en jeugdigen en het sociaal loket voor alle andere inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">De feitelijke bevoegdheid om indicaties te stellen en te beoordelen welke ondersteuning wordt geboden komt bij de backoffice te liggen (zie paragraaf 5.3.4). Deze diensten zijn echter wel rechtstreeks via het CJG en het sociaal loket te bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.3 Eerste taxatie middels screening in het sociaal loket en het CJG In het sociaal loket en in het CJG wordt een eerste taxatie gemaakt van de omvang en de strekking van de problematiek. Doel hiervan is:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepalen in hoeverre (mogelijk) een vorm van ondersteuning nodig is Bepalen in hoeverre (mogelijk) sprake is van meerdere problemen en/of benodigde ondersteuningsvormen Daarvoor zal op basis van de praktijk een checklist moeten worden opgesteld die door de loketmedewerkers kan worden gehanteerd. Veel eenvoudige en enkelvoudige informatie- en adviesvragen kunnen door loketmedewerkers worden beantwoord en enkelvoudige aanvragen kunnen direct voor beoordeling aan de backoffice medewerkers worden voorgelegd. Voor complexere vragen worden inwoners doorgeleid naar een vraagverhelderingsgesprek in de backoffice.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.4 Vormgeving van de toegang in smalle zin De uitgangspunten voor het organiseren van de toegang in smalle zin zijn het waarborgen van integraliteit en samenhang in het sociaal domein, conform de uitgangspunten zoals beschreven in hoofdstuk 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de backoffice worden daarom alle deskundigheden die nodig zijn om de indicatieorgaanfunctie voor Wmo en Jeugd te vervullen gebundeld. Kennis over het beoordelen van de ondersteuningsvraag van nieuwe doelgroepen (LVG, Psychiatrie en Jeugd) zoals die nu bij het CIZ en BJZ aanwezig is zal, waar dat doelmatig is, in eigen huis gehaald worden23Zeer specialistische kennis wordt niet in huis gehaald, maar ingekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de backoffice vinden de volgende activiteiten plaats:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraagverheldering Indicatiestelling Inzet van diagnostisch team Beslispunt 10 – Er is één backoffice waarin alle deskundigheden die nodig zijn om vraagverheldering en indicatiestelling voor Wmo en Jeugd te vervullen, worden gebundeld. De medewerkers zijn in dienst van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraagverheldering Onder de Wmo is de kanteling in gang gezet: een beweging om eerst helder in beeld te krijgen welke vraag er speelt en wat met eigen kracht is op te lossen. Het zogenaamde vraagverhelderingsgesprek is in de gemeenten ingevoerd en zal in 2014 verder worden ontwikkeld om de beleidskeuzes in het kader van de drie decentralisaties hierin op de juiste wijze te operationaliseren. De vraagverheldering is de basis voor de indicatiestelling. De gemeenten kiezen ervoor om de vraagverheldering en de indicatiestelling door dezelfde persoon uit te laten voeren. We beschrijven beide fasen in het proces hier wel apart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de huidige praktijk bestaan er veel verschillende instrumenten die gebruikt zouden kunnen worden om het vraagverhelderingsgesprek te voeren. Een eerste inventarisatie van mogelijke instrumenten leidt tot de voorlopige conclusie dat het niet wenselijk is om voor alle vraagverhelderingsgesprekken van één zelfde instrument gebruik te maken. Gedacht kan worden aan een differentiatie in instrumenten, gekoppeld aan de bevindingen uit de screening.</p>\n<p class=\"lf-p\">We kiezen er als gemeenten voor om in de gereedschapskist van het indicatieorgaan verschillende instrumenten te positioneren en het aantal tot een minimum te beperken. Integraliteit is het uitgangspunt: uniform waar het kan, specifiek waar het moet. De gemeenten zullen in 2014 overleg voeren met de huisartsen als ‘tweede indicatieorgaan’ over de te kiezen instrumenten en het gebruik hiervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicatiestelling Op basis van alle verzamelde gegevens in de vraagverheldering wordt door het indicatieorgaan in de backoffice een afweging gemaakt welke ondersteuning nodig is. Het indicatieorgaan volgt hierbij vastgesteld beleid en handelt overeenkomstig die keuzes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit moment gelden in de AWBZ en de wet op de Jeugdzorg vaste regels die bepalen op basis van welke criteria iemand aanspraak maakt op welke vormen van zorg. In de Wmo wordt op vergelijkbare wijze gewerkt met de lokale verordening en beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verhoudt zich op gespannen voet met het maatwerk en de resultaatgerichtheid die worden gevraagd in het kader van de drie decentralisaties. Tegelijkertijd zullen ook in de nieuwe situatie bepaalde criteria en afwegingsgronden nodig zijn, omdat de gemeenten objectief moeten kunnen beargumenteren waarom cliënt X arrangement A krijgt en cliënt Y arrangement B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat begrippen als ‘eigen kracht’ en ‘sociaal netwerk’ technisch geoperationaliseerd moeten worden, en dat er voorwaarden gesteld moeten worden aan het gebruik van algemene en maatwerkvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Complicerende factor bij het vormgeven van beleid rondom indicatiestelling is dat de wetteksten nog niet definitief zijn, de overgangsregelingen nog niet bekend en de beschikbare middelen nog niet duidelijk. Zodra daar meer duidelijkheid over is, zullen de criteria rondom indicatiestelling uitgewerkt worden en verwerkt worden in de benodigde verordeningen. Daarbij worden de besluiten en uitgangspunten gehanteerd voor arrangementen zoals die in hoofdstuk 4 zijn geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indicatiestellers hebben de mogelijkheid om aan een cliëntsysteem de module ‘casusregie’ toe te wijzen. Dit product wordt ingezet als het benodigd is om de afzonderlijke interventies en betrokkenen goed op elkaar af te stemmen (zie verder paragraaf 5.3.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Diagnostisch team: het inhuren van specifieke deskundigheid In de meeste situaties zullen de indicatiestellers voldoende kennis in huis hebben om tot een goede afweging te komen over wat nodig is. In sommige gevallen zal de gemeente deze deskundigheid niet in huis hebben, bijvoorbeeld wanneer het gaat om relatief weinig voorkomende problematiek. Regionaal is afgesproken dat er een regionaal diagnostisch team komt, waarin de kennis van specifieke deskundigheid voor jeugd- en volwassenenproblematiek (zoals de jeugdarts en gedragswetenschapper) gebundeld wordt. Dit diagnostisch team wordt voor alle leeftijden ingericht en kan dus ook voor de Wmo ingeschakeld worden. Welke deskundigheden in het diagnostisch team komen moet nog uitgewerkt worden. Het diagnostisch team wordt via de backoffice ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.5 Samenwerking met partners bij de toegang in brede zin De keuze om de toegang in smalle zin als gemeentelijke verantwoordelijkheid te beschouwen laat onverlet dat er een grote rol voor andere partners in de toegang wordt gezien. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om te zorgen dat cliënten de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meeste inwoners met een vraag komen binnen bij één van de twee loketten: het sociaal loket en het CJG. Maar inwoners kunnen ook via zorg- en welzijnsorganisaties worden doorverwezen naar de gemeentelijke backoffice voor de beoordeling van de noodzaak van geïndiceerde zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit de backoffice kan omgekeerd ook weer doorverwezen worden naar één van de partnerorganisaties, voor al dan niet geïndiceerde hulp en ondersteuning. Als een probleem opgelost kan worden met algemene voorzieningen wordt doorverwezen naar bijvoorbeeld het welzijnswerk of het maatschappelijk werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg- en welzijnsorganisaties maken dagelijks cliënten mee, bieden informatie en advies, signaleren en verwijzen. Zij zijn daarom partners in de vormgeving van toegang in brede zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende organisaties worden als partner bij de toegang in brede zin beschouwd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Welzijnsorganisaties Maatschappelijk werk Huisartsen Wijkverpleegkundigen Zorgaanbieders Sociale wijkteams De zorgnetwerken De taken die door deze organisaties kunnen worden uitgevoerd, zijn dezelfde als die van het loket: het verschaffen van informatie en advies, het uitvoeren van een eerste screening en indien nodig het “warm” overdragen aan de backoffice. Het onderstaande figuur geeft het netwerk van partners rond toegang weer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Screening door partners Naast de functie van het in kaart brengen van de (mogelijke) behoefte aan ondersteuning heeft de screening door partners nog een andere functie. Deze functie houdt verband met het geconstateerde knelpunt dat in de praktijk bij een uitvoerende organisatie soms het overzicht ontbreekt op eventuele andere problematiek die in een cliëntsysteem speelt. Dit kan de effectiviteit van de geboden hulp verminderen en dat kan de ondersteuningsduur onnodig lang en per saldo ook duurder maken Door partners te vragen om bij hun cliënten een screening uit te voeren, ontstaat snel een beeld van de gebieden waarop zich problemen voordoen. Als blijkt dat er meer speelt dan meldt de medewerker van de partnerorganisatie de cliënt met diens instemming aan bij de gemeentelijke backoffice voor een vraagverhelderingsgesprek en eventuele indicatiestelling. Zo werken gemeente en partners samen in de brede toegang en is de link naar de indicatiestelling gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voornemen is dat de gemeente deze samenwerking faciliteert door het beschikbaar stellen van het screeningsinstrument en het regelmatig organiseren van trainingen. Op 13 november 2013 is het idee van samenwerking in de screening getoetst aan de aanbieders en welzijnsorganisaties. Hier bleek dat er een bereidheid bestaat onder aanbieders om het screeningsinstrument te gebruiken. Van belang is wel dat dit instrument zorgvuldig gekozen wordt. Het effectief werken met een dergelijk instrument vraagt om duurzame samenwerking met de betrokken partners en zal niet vrijblijvend van karakter zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere positie huisartsen De eerstelijns gezondheidzorg speelt een vanzelfsprekende rol in de toegang. Veel cliënten wenden zich in eerste instantie tot hun huisarts. Het is daarom belangrijk om de eerstelijns gezondheidzorg te faciliteren om de informatie- en adviesfunctie goed te kunnen vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast behouden huisartsen in de toekomst hun bevoegdheid indicaties te stellen voor de jeugd- GGZ. De huisartsen vervullen dus ook een rol in de toegang in smalle zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeleidende rol van de zorgnetwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn verschillende zorgnetwerken actief in Hellevoetsluis en Westvoorne. In de zorgnetwerken werken organisaties samen om de zorg rond een cliëntsysteem te coördineren (zie paragraaf 5.3.7). In de zorgnetwerken worden cliënten gesignaleerd waarvoor geïndiceerde ondersteuning nodig is. Viahet zorgnetwerk wordt actie ondernomen om die ondersteuning te regelen en cliënten toe te leiden naar die ondersteuning.24De procesregisseur van de zorgnetwerken heeft ook bevoegdheden om bepaalde trajecten in te zetten Signalering door de samenleving Signalering van inwoners die ondersteuning nodig hebben, gebeurt ook door andere personen en organisaties dan de gemeenten en de partners. Zo kunnen individuele inwoners, scholen, kinderdagverblijven, peuterspeelzalen, sportverenigingen en de politie ook signalen krijgen dat een bepaalde inwoner met problemen kampt en daar hulp bij nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze personen en organisaties moet duidelijk zijn waar zij met hun signaal naar toe kunnen. Hier zal de gemeente in haar communicatie dan ook aandacht aan besteden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfredzame inwoners Bij de inrichting van het netwerk van toegang wordt sterk rekening gehouden met kwetsbare inwoners die niet zelf de weg vinden of daar geen regie over hebben. Veel inwoners zijn echter heel zelfredzaam. Het systeem van toegang moet zo zijn ingericht dat inwoners ook zelfstandig hun weg kunnen vinden. Daar draait het in de decentralisaties juist ook om: de eigen verantwoordelijkheid van inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel inwoners zoeken in eerste instantie op internet. Naast de Wmo-site en die van het CJG zijn er tal van andere sites die informatie geven over voorzieningen. Wat van inwoners zelf gevraagd wordt, is daarin nog onderbelicht. Voor zelfredzame inwoners moet er een digitale screeningslijst komen, waarmee inwoners hun problemen kunnen analyseren en tips krijgen voor oplossingen in de vorm van vrij toegankelijke voorzieningen. In de online vragenlijst wordt ingegaan op de vraag wat inwoners al gedaan hebben om het probleem op te lossen (eigen kracht) en wat daar aanvullend op nodig is. Zo kunnen mensen zelf een inschatting maken of het verstandig is een (online) aanvraag in te dienen voor voorzieningen die niet algemeen toegankelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.6 Onafhankelijke cliëntondersteuning Zowel in de concept Wmo 2015 als de concept Jeugdwet zijn er diverse bepalingen opgenomen die gemeenten verplichten onafhankelijke voorzieningen in te richten die cliënten ter ondersteuning dienen. De cliëntondersteuning dient in elk geval te bestaan uit de volgende vier onderdelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wmo – de gemeente stelt voor ingezetenen met een psychosociaal probleem op ieder moment van de dag telefonisch of elektronisch anoniem een luisterend oor en cliëntondersteuning beschikbaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wmo – de gemeente stelt voor ingezetenen die maatschappelijke ondersteuning behoeven cliëntondersteuning beschikbaar, onder andere tijdens het vraagverhelderingsgesprek;</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdwet – De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen kosteloos en anoniem advies kunnen krijgen over vragen en problemen met betrekking tot opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdwet – De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders, pleegouders of netwerkpleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijk vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telefonische of digitale vraagbaak met 24-uurs bereikbaarheid (punt 1 en 3) De gemeenten stellen minimaal één telefonische of digitale ‘vraagbaak’ beschikbaar voor inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs een nieuw te realiseren voorziening te zijn. De gemeente kan mogelijk ook gebruik maken van bestaande voorzieningen. Belangrijk is wel dat het een onafhankelijk orgaan is en dat tevens kennis beschikbaar is over de lokale sociale kaart. Dit maakt het aanhaken bij een landelijke of regionale bestaande organisatie mogelijk lastig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onafhankelijke, individuele cliëntondersteuners (punt 2) De gemeente stelt cliënten die dit nodig hebben of prettig vinden, in staat gebruik te maken van een onafhankelijk cliëntondersteuner. Deze cliëntondersteuner kan de inwoner bijstaan bij het vraagverhelderingsgesprek, maar bijvoorbeeld ook bij het (eerste) contact met de professional of vrijwilliger. Ook kan de cliëntondersteuner een rol vervullen in de mantelzorgondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onafhankelijk vertrouwenspersoon (punt 3) De gemeenten zullen minimaal één onafhankelijke vertrouwenspersoon aanstellen. De vertrouwenspersoon dient op grond van de Jeugdwet werkzaam te zijn bij een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die onafhankelijk is van het college en de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of het AMHK en onafhankelijk van personen in dienst van het college of de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of het advies- en meldpunt opereert. Over taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon en de bijbehorende verplichtingen van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zullen bij amvb regels worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële middelen De middelen voor individuele en collectieve cliëntondersteuning worden op dit moment vanuit de AWBZ jaarlijks aan MEE verstrekt, die deze taak landelijk uitvoert. Per 2015 zullen de middelen voor cliëntondersteuning overgeheveld worden naar gemeenten. De gemeenten kiezen ervoor om deze middelen in te blijven zetten voor cliëntondersteuning en indien (financieel) mogelijk ook voor de overige onderdelen die hier genoemd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadere vormgeving van de drie onderdelen wordt – binnen de wettelijke kaders – in de implementatiefase bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.7 Zorgcoördinatie Eén van de centrale uitgangspunten van de decentralisaties zoals beschreven in hoofdstuk 3 is het integraal werken: één gezin, één plan, één regisseur. Ondersteuning die vanuit verschillende wettelijke kaders geleverd wordt (Wmo, Jeugdwet, Participatiewet) moet in samenhang bezien worden. Zorgcoördinatie is aan de orde als er op meer dan twee terreinen problemen zijn in een huishouden/gezinssysteem. Vaak gaat het om huishoudens met ernstige en complexe problematiek die vraagt om een gecoördineerde aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgcoördinatie bestaat uit twee componenten, namelijk proces en inhoud:</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesregie: de procesregisseur zet het proces tot coördinatie bij een melding in gang en houdt de procesgang van de casussen die in het zorgnetwerk spelen in de gaten en schaalt zo nodig op De casusregisseur25In de samenwerking in regio Rotterdam rondom de decentralisatie jeugdzorg is de term gezinsgeneralist geïntroduceerd. Hellevoetsluis en W estvoorne kiezen ervoor om de term casusregisseur te blijven hanteren om verwarring te voorkomen. In principe zijn de begrippen gezinsgeneralist en casusregisseur echter uitwisselbaar zorgt ervoor dat de inhoudelijke hulpvragen helder zijn en stelt samen met andere organisaties en met het systeem een systeemplan op. Samen wordt bepaald wie wat gaat doen. De casusregisseur coördineert alle hulp die geleverd wordt door uitvoerende partijen en stuurt op de voortgang. Hij/zij regisseert, maar kan zelf ook hulp verlenen. De casusregisseur is hét aanspreekpunt voor het gezin en neemt bij stagnatie contact op met de procesregisseur26Soms wordt de rol van procesregisseur ook aangeduid met de term zorgcoördinator..</p>\n<p class=\"lf-p\">In de huidige situatie bestaan al diverse zorgnetwerken: Centrum voor Jeugd en Gezin, Lokaal Zorgnetwerk, Lokaal Team Huiselijk Geweld en GOSA (gemeentelijke organisatie sluitende aanpak). In de huidige situatie wordt de procesregie door ambtenaren uitgevoerd, terwijl de casusregie bij de aanbieders is belegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de drie decentralisaties vindt er een toename plaats in de casuïstiek waar zorgcoördinatie benodigd is. Zowel Hellevoetsluis als Westvoorne kiezen er hierbij voor om de procesregie op de deze casuïstiek in eigen beheer uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het uitvoeren van casusregie zijn er twee modellen: in dienst van aanbieders of in eigen beheer. De keuze verschilt hier per gemeente. Gemeente Hellevoetsluis hanteert het uitgangspunt om zich te ontwikkelen tot een regiegemeente en een procesgerichte organisatie en kiest er daarom voor om de inhoudelijke component van zorgcoördinatie bij de aanbieders te beleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Westvoorne kiest er ook voor om de procesregie in eigen beheer te houden. De gemeentelijke zorgregisseur, die vanaf januari 2014 werkzaam is in Westvoorne, zal de rol van procesregisseur op zich nemen, maar zou in sommige gevallen ook inhoudelijke hulp kunnen verlenen. Dat betekent dat zij dan ook de casusregie op zich neemt. Echter, in de meeste gevallen zal de casusregie, net als in Hellevoetsluis, worden belegd bij een zorgaanbieder. Dat gebeurt nu ook al bij het CJG. Het verschil met Hellevoetsluis is dus dat het in gemeentelijk beheer uitvoeren van de casusregie niet geheel wordt uitgesloten in Westvoorne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koppeling toegang en zorgcoördinatie De indicatiestellers hebben de mogelijkheid om aan een cliëntsysteem de module ‘casusregie’ toe te wijzen (zie ook paragraaf 4.4.2 en bijlage 6). Een cliënt wordt dan aangemeld bij de brede zorgnetwerken. De procesregisseur zorgt vervolgens voor het aanwijzen van een inhoudelijke casusregisseur. Overwogen zal worden of de procesregisseur de bevoegdheid moet krijgen om een indicatie af te geven voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen die nodig zijn in het systeemplan. De casusregisseur is daarna verantwoordelijk voor het (gezamenlijk met het cliëntsysteem) opstellen van een integraal systeemplan. De procesregisseur heeft hierbij een monitorende en aanjagende rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslispunt 11 – De procesregie voor de zorgcoördinatie voor huidige en nieuwe doelgroepen zal in eigen beheer worden uitgevoerd. De casusregie zal voor de gemeente Hellevoetsluis worden belegd bij de aanbieders. De casusregie in gemeente Westvoorne zou zowel kunnen worden belegd bij aanbieders als bij de gemeente zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4Samenvatting en beslispunten Toegang in smalle zin omvat de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, aangezien deze niet vrij toegankelijk zijn (zie ook het onderstaande figuur). Het betreft hier de functies vraagverheldering en indicatiestelling. De toegang in smalle zin wordt georganiseerd in de gemeentelijke backoffice en is dus in eigen beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang in brede zin omvat alle taken die vooraf gaan aan het indienen van een aanvraag voor ondersteuning. Dit zijn in elk geval signalering, informatie en advies, onafhankelijke cliëntondersteuning en screening. Hierin spelen zowel gemeenten als partners een belangrijke rol. De informatie- en adviesfunctie geven de gemeenten vorm door middel van twee loketten: het CJG voor gezinnen en jeugdigen en het sociaal loket voor alle andere inwoners. De screening is bedoeld om een eerste indruk te krijgen en wordt door het loket uitgevoerd, maar kan ook door partners worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten organiseren onafhankelijke cliëntondersteuning die ten minste bestaat uit een telefonische of digitale vraagbaak, onafhankelijke cliëntondersteuners en een onafhankelijke vertrouwenspersoon. De nadere vormgeving van de drie onderdelen wordt – binnen de wettelijke kaders – in de implementatiefase bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgcoördinatie is aan de orde als er op meer dan twee terreinen problemen zijn in een huishouden/gezinssysteem. Vaak gaat het om huishoudens met ernstige en complexe problematiek die vraagt om een gecoördineerde aanpak. Met de drie decentralisaties vindt er een toename plaats in de casuïstiek waar zorgcoördinatie benodigd is. Zorgcoördinatie bestaat uit procesregie (gericht op het proces) en casusregie (gericht op de inhoud). De procesregie voor de zorgcoördinatie voor huidige en nieuwe doelgroepen zal in eigen beheer worden uitgevoerd. De casusregie zal voor gemeente Hellevoetsluis worden belegd bij aanbieders en voor gemeente Westvoorne zal dit soms ook in eigen beheer worden uitgevoerd, afhankelijk van de problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Visueel beeld van zorg/ondersteuning in combinatie met toegang Zoals ook is gesteld in hoofdstuk 4 is er een direct verband tussen de toegang en de wijze van de vormgeving van zorg en ondersteuning. In de samenvatting is in paragraaf 8.1.3 een visueel totaalbeeld opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslispunt 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn per gemeente twee loketten waar inwoners terecht kunnen voor informatie, advies en een eerste screening. Dit is het CJG waar de doelgroep met name bestaat uit gezinnen en jeugdigen en het sociaal loket voor alle andere inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is één backoffice waarin alle deskundigheden die nodig zijn om vraagverheldering en indicatiestelling voor Wmo en Jeugd te vervullen, worden gebundeld. De medewerkers zijn in dienst van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesregie voor de zorgcoördinatie voor huidige en nieuwe doelgroepen zal in eigen beheer wordenuitgevoerd. De casusregie zal voor de gemeente Hellevoetsluis worden belegd bij de aanbieders. De casusregie in gemeente Westvoorne zou zowel kunnen worden belegd bij aanbieders als bij de gemeente zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Financiën 6.1Inleiding</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6.2 beschrijft hoe de huidige taken op het sociaal domein zijn verankerd in de programmabegroting en welke budgetten hiermee gemoeid zijn.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 6.3 geeft een overzicht van de verwachte uitgaven voor nieuwe taken, benoemt de verwachte budgetten en bezuinigingen voor de nieuwe taken en gaat in op doorlopende indicaties en overgangsrechten. Tot slot geeft de paragraaf een globaal overzicht van de nieuwe gemeentelijke budgetten in het totale sociale domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 6.4 stelt voor om de financiële kaders voor de decentralisaties mee te nemen in de begroting voor 2015. Paragraaf 6.5 geeft een samenvatting van het hoofdstuk en een overzicht van de beslispunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Hoe is het nu?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.1 Huidige begrotingsprogramma(‘s) In de huidige situatie heeft de gemeente al diverse verantwoordelijkheden op het sociaal domein. Een groot gedeelte van deze taken vloeit voort uit de Wmo. Andere taken zijn bijvoorbeeld het in stand houden van het Centrum voor Jeugd en Gezin, het organiseren van zorgcoördinatie en het bieden van maatschappelijke begeleiding en advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande taken en bijbehorende budgetten zijn in de huidige Programmabegroting verwerkt en verantwoording vindt plaats binnen het huidige beheer- en beleidsinstrumentarium. In de huidige situatie vindt de verantwoording op het sociale domein binnen de Programmabegroting als volgt plaats:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hellevoetsluis Westvoorne De huidige taken voor de gemeente Hellevoetsluis op het sociale domein zijn ondergebracht in drie verschillende programma’s; Welzijn (6), Sociale zaken (7) en Onderwijs (8). Elk programma is onderverdeeld in meerdere producten, waarbij twee afdelingen budgetverantwoordelijk zijn. In de huidige situatie zijn er dus twee programma’s, twee programmamanagers en meerderebudgethouders verantwoordelijk voor de diverse budgetten binnen het sociale domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huidige taken voor de gemeente Westvoorne zijn ondergebracht in het programma 4: Maatschappelijke ondersteuning. Binnen dit programma is een onderverdeling tussen verschillende producten. In de huidige situatie is er één verantwoordelijke portefeuillehouder, één sectorhoofd, twee budgethouders en meerdere budgetbeheerders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen deze huidige systematiek is het voor Hellevoetsluis niet mogelijk programma overschrijdend geld uit te geven zonder toestemming van de gemeenteraad. Tevens mist door het versnipperd verantwoorden op het sociale domein een integraal beeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2 Huidige budgetten sociaal domein Tabellen 6.1 en 6.2 geven de hoogte van de huidige budgetten weer die in de huidige situatie zijn opgenomen in de programmabegrotingen (dit is exclusief 40% bezuiniging op huishoudelijke hulp). De dekking van deze budgetten vindt grotendeels plaats vanuit de algemene uitkering. Deze budgetten zijn “vrij” besteedbaar: er zit geen specifieke verantwoordingsverplichting op. Uitzondering hierop betreft het participatiebudget en de bijdrage voor de Sociale Werkvoorziening. Deze bijdragen worden bij de jaarrekening specifiek verantwoord aan het Rijk, waarbij strikte regels gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 6.1:Huidige budgetten Hellevoetsluis27Tabellen 6.1 en 6.2 geven het netto beslag (lasten -/- baten) dat deze programma’s op de totale begroting leggen. De uitvoeringskosten, de kosten van het ambtelijk apparaat, die op het desbetreffende programma drukken zijn in deze bedragen ook meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hellevoetsluis Programma 2014 2015 2016 2017 6.Welzijn 6.570.000 6.429.000 6.240.000 6.234.000 7. Sociale zaken 9.752.000 9.692.000 9.792.000 9.792.000 8. Onderwijs 6.306.000 6.227.000 6.199.000 6.181.000 Totaal budget Hellevoetsluis 16.322.000 16.121.000 16.032.000 16.026.000 Tabel 6.2: Huidige budgetten Westvoorne Westvoorne Programma 2014 2015 2016 2017 4. Maatschappelijke ondersteuning 4.190.419 4.107.339 4.001.549 4.008.855 Totaal budget Westvoorne 4.190.419 4.107.339 4.001.549 4.008.855 6.2.3 Twee typen budgetten Binnen de huidige begroting vallen er grofweg twee type budgetten te onderscheiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Taakstellende budgetten Budgetten met openeinde regelingen Taakstellende budgetten Taakstellende budgetten zijn budgetten die de Raad, via het college, beschikbaar stelt voor een bepaald (beleids)terrein. Binnen dit budget moet het beleid doelmatig en doeltreffend worden uitgevoerd. Indien gebruik wordt gemaakt van derden, gaat het hierbij vooral om subsidies voor de uitvoering van taken of instandhouding van een functie. Wanneer nieuw of geïntensiveerd beleid door het college of de raad wordt geambieerd zal hiervoor, door middel van een beleidsoptie, extra geld binnen de totale begroting beschikbaar dienen te worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budgetten met openeinde regelingen Budgetten met openeinde regelingen zijn budgetten waarvan, vooruitlopend op het begrotingsjaar, de verwachte uitgaven worden ingeschat en in de begroting opgenomen. Dit vinden we in de huidige begroting vooral terug in de Wmo (denk aan hulp bij het huishouden). De Raad stelt hiervoor een verordening vast op basis waarvan mensen aanspraak maken op de voorziening. Het gaat hier vaak om productiebekostiging. Deze budgetten zijn niet taakstellend, maar volgend op de vraag. Overschrijding van deze budgetten leiden tot beperktere ruimte voor alle andere activiteiten binnen de totale gemeentelijke begroting. Bijsturen is vaak lastig omdat er afspraken, vaak in de vorm van een verordening, aan ten grondslag liggen en deze dienen te worden aangepast om de prijs of de vraag te kunnen beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel slechts een deel van de gemeentelijke budgetten een openeinde regeling kennen, zijn de risico’s die openeinde regelingen met zich mee brengen groter dan die van taakstellende budgetten. Vooraf kan het lastig zijn om in te schatten hoeveel gebruik gemaakt gaat worden van de regeling en wat het financiële beslag op de totale begroting zal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3Verwachte budgetten voor nieuwe taken 6.3.1 Huidige budgetten voor nieuwe taken De nieuwe taken die op de gemeente afkomen zijn nu versnipperd georganiseerd en hierdoor ook versnipperd gefinancierd. De verantwoordelijkheden zijn verdeeld over de provincie/stadsregio, zorgverzekeraars en zorgkantoren. Daarmee is het zeer lastig goed zicht op de juiste cijfers te krijgen. Deze cijfers zijn wel relevant aangezien zij de basis vormen voor de verwachte benodigde budgetten voor de nieuwe taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om toch een beeld te geven van de verwachte financiële omvang van deze nieuwe taken, is onderstaand weergegeven wat de huidige uitgaven zijn (door derden als provincie/stadsregio, zorgverzekeraars en zorgkantoren). Onderstaande tabel is een samenvatting van de in hoofdstuk 2 gepresenteerde financieringsstromen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een groot gedeelte van de taken vanuit de Participatiewet worden ook nu al door gemeenten uitgevoerd maar krijgen per 1 januari 2015 een andere wettelijke basis. In de huidige begroting zijn dus ook al bedragen opgenomen. In de onderstaande tabel zijn de verwachte budgetten opgenomen die de gemeenten zullen ontvangen (zie verder paragraaf 6.3.5, tabel 6.8). In de startnotitie Participatiewet die eind 2013 aan het college wordt aangeboden, zit een uitgebreide toelichting op de financiële aspecten rondom de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 6.3:Huidige uitgaven voor nieuwe taken Hellevoetsluis en Westvoorne28Peiljaar is 2012 Domein Hellevoetsluis Westvoorne AWBZ (totale kosten begeleiding + 5% persoonlijke verzorging) € 3.592.743 € 1.340.935 Jeugdzorg € 6.862.885 € 3.880.238 Participatie € 3.497.608 € 519.952 Totaal € 13.953.236 € 5.741.125 6.3.2 Invoerings- en uitvoeringsmiddelen De voorbereiding op de drie decentralisaties is een forse taak, waar ook forse investeringen bij aan te pas komen. Inwoners moeten worden geïnformeerd, medewerkers moeten worden getraind, de ICT moet worden aangepast, de zorg moet worden ingekocht etc. Er is hier sprake van incidentele aanloopkosten en structurele hogere (loon)lasten. Het Rijk kan hiervoor invoerings- (incidentele aanloopkosten) en uitvoeringsmiddelen beschikbaar stellen (structurele uitvoeringslasten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Momenteel bestaat nog geen definitieve duidelijkheid over welke invoerings- en uitvoeringsmiddelen gemeenten krijgen voor de drie decentralisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bestuursafspraken tussen het Rijk en VNG is opgenomen dat op het gebied van uitvoeringskosten voor 2014 voor de decentralisatie Jeugd/AWBZ 35 miljoen beschikbaar wordt gesteld en in 2015 45 miljoen. Vanaf 2016 zou structureel 55 miljoen worden toegevoegd aan de algemene uitkering van het gemeentefonds (uitvoeringsmiddelen). Sinds het maken van de bestuursafspraken zijn er veel ontwikkelingen geweest rondom de drie decentralisaties en is er meer informatie bekend geworden over de invoeringsmiddelen. De meest recente stand van zaken is hieronder per decentralisatie weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Decentralisatie AWBZ Gemeenten hebben in 2012 al invoeringsmiddelen ontvangen voor de voorbereiding van de decentralisatie AWBZ. Nadat de decentralisatie controversieel werd verklaard is de decentralisatie vertraagd. De middelen van 2012 zijn daarom doorgeschoven naar 2013. In 2014 zullen gemeenten voor deze decentralisatie de tweede tranche aan invoeringsmiddelen ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het akkoord tussen het Kabinet en de VNG d.d. 19 december 2013 is afgesproken dat gemeenten landelijk 200 miljoen euro extra beschikbaar krijgen in 2015 voor het mogelijk maken van een zorgvuldige overgang van cliënten en een zorgvuldige transitie door aanbieders. Dit kan beschouwd worden als uitvoeringsmiddelen. Er is nog niet bekend wat de lokale budgetten zullen zijn voor Hellevoetsluis en Westvoorne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 2016 wordt structureel 200 miljoen euro extra aan het budget voor de Wmo 2015 toegevoegd zodat gemeenten vernieuwende ondersteuningsarrangementen kunnen ontwikkelen op het snijvlak van maatschappelijke ondersteuning, welzijn, werk en inkomen, wonen, jeugdzorg en onderwijs, met slimme verbindingen tussen formele en informele zorg. Het bestedingsdoel van deze middelen kan deels worden gezien als uitvoering, omdat het bedoeld is voor het ontwikkelen van nieuwe arrangementen. Het is nog niet bekend wat de lokale budgetten zullen zijn voor Hellevoetsluis en Westvoorne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zullen gemeenten een deel van de uitvoeringsmiddelen ontvangen die nu worden uitgekeerd aan de Zorgkantoren en CIZ. Op dit moment is nog niet duidelijk hoe groot dit bedrag zal zijn, verwacht wordt echter dat dit voor individuele gemeenten een klein bedrag zal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Decentralisatie Jeugdzorg In december 2013 hebben de VNG en het Rijk afspraken gemaakt over de financiële overdracht van de jeugdzorg. De gemeenten ontvingen in 2013 in totaal € 48 miljoen aan invoeringsmiddelen. In 2014 zal dit op macroniveau € 39,75 miljoen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2015 is € 16 miljoen en vanaf 2016 structureel € 26 miljoen beschikbaar als vergoeding voor de extra uitvoeringskosten. De kosten die in de huidige situatie worden gemaakt voor indicatiestelling en casemanagement door Bureaus Jeugdzorg zijn al opgenomen in de doeluitkering jeugdzorg. Dit geld zit dus al in het macrobudget en hier is logischerwijs dus geen structurele uitvoeringsbudget voor benodigd. Er zal door het Rijk nog verder onderzoek plaatsvinden naar de uitvoeringsbudgetten voor de decentralisatie jeugdzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Participatiewet Voor de Participatiewet worden naar verwachting geen incidentele en/of structurele uitvoeringskosten door het Rijk beschikbaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.3 Verwachte budgetten en bezuinigingen AWBZ/Wmo Rondom de lokale budgetten voor de decentralisatie AWBZ/Wmo is nog geen duidelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op macroniveau is bekend dat de functies kortdurend verblijf en begeleiding (incl. vervoer) met een korting van 25% zullen worden overgeheveld. Voor begeleiding bij dagelijkse levensverrichtingen zullen gemeenten 5% ontvangen van het huidige landelijke budget voor Persoonlijke Verzorging. Meer informatie over de lokale budgetten wordt verwacht in januari 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks de onzekerheden is op basis van de huidige uitgaven voor de nieuwe taken, de lokale cijfers over aantallen cliënten per zorgvorm en de landelijke taakstelling een voorlopige inschatting gemaakt van het toekomstig beschikbare budget voor nieuwe taken in de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 6.4: Verwachte budgetten en bezuinigingen AWBZ/Wmo AWBZ/Wmo 2015 2016 2017 2018 Huidige uitgaven derden 3.592.743 3.592.743 3.592.743 3.592.743 Rijksbezuiniging 898.186 898.186 898.186 898.186 Budget Gem. Hellevoetsluis:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.694.557 2.694.557 2.694.557 2.694.557 2015 2016 2017 2018 Huidige uitgaven derden 1.340.935 1.340.935 1.340.935 1.340.935 Rijksbezuiniging 335.234 335.234 335.234 335.234 Budget Gem. Westvoorne: 1.005.701 1.005.701 1.005.701 1.005.701 Bron: Decentralisatiemonitor van adviesbureau W mo-kantoor(geanalyseerde Vektis gegevens).</p>\n<p class=\"lf-p\">Inperking huishoudelijke hulp Zoals ook in paragraaf 2.1.7 is benoemd worden er ook bezuinigingen doorgevoerd op de huidige budgetten. De gemeenten krijgen 40% minder budget voor hulp bij het huishouden. In de concept tekst van de Wmo 2015 is in overleg met de VNG voor 2015 geen overgangsrecht opgenomen voor cliënten die hulp bij het huishouden ontvangen. Dat betekent dat gemeenten hier zelf maatregelen moeten nemen om de bezuiniging in 2015 te kunnen opvangen. Wettelijke eisen met betrekking tot de overgangstermijnen moeten daarbij gerespecteerd worden. Onderstaande tabel geeft de bezuinigingen weer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 6.5:Bezuiniging budget hulp bij het huishouden Hellevoetsluis Domein 2015 2016 2017 Huidig budget hulp bij het huishouden € 3.306.000 € 3.306.000 € 3.306.000 40% bezuiniging € 1.124.400 € 1.214.400 € 1.214.400 Nieuw € 1.821.600 € 1.821.600 € 1.821.600 Tabel 6.6: Bezuiniging budget hulp bij het huishouden Westvoorne Domein 2015 2016 2017 Huidig budget hulp bij het huishouden € 1.560.761 € 1.560.761 € 1.560.761 40% bezuiniging € 624.304 € 624.304 € 624.304 Nieuw € 936.457 € 936.457 € 936.457 6.3.4Verwachte budgetten en bezuinigingen Jeugdzorg Het in 2015 naar gemeenten over te hevelen bedrag voor jeugdzorg is in de meicirculaire 2013 vastgesteld op € 3,349 miljard. Op grond van nieuwe inzichten is dit budget in november 2013 bijgesteld naar € 3,534 miljard. Dit is € 185 miljoen hoger dan het budget waarmee gerekend werd in de meicirculaire 2013. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door een toevoeging van € 150 miljoen uit de Zvw aan de over te heven ggz-middelen om te voorzien in de behandeling van ouders van jeugdigen in zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de € 3,534 miljard is al een eerste tranche (€ 120 miljoen) van de uiteindelijke korting van 15% verwerkt. In 2016 wordt nog eens € 180 miljoen gekort en in 2017 wordt het laatste deel, een tranche van € 150 miljoen, in mindering gebracht op het te decentraliseren budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de meicirculaire 2013 is het budget per gemeente voor 2015 bekend gemaakt op basis van de meest recente gegevens en de nog te nemen besluiten. In december 2013 is, op basis van het nieuwe macrobudget, meer financiële duidelijkheid verschaft. Voor Hellevoetsluis bleek toen dat een bedrag is opgenomen van € 8.993.219 en voor Westvoorne een bedrag van € 3.241.009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaand overzicht geeft inzicht in de over te komen budgetten op basis van de gegevens die sinds december 2013 voor handen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 6.7: Verwachte budgetten en bezuinigingen Jeugdzorg JEUGDZORG 2015 2016 2017 2018 Rijksbudget 3.534.000.000 3.534.000.000 3.534.000.000 3.534.000.000 Rijksbezuiniging 120.000.000 300.000.000 450.000.000 450.000.000 Budget gem. Hellevoetsluis 8.993.219 8.519.060 8.123.927 8.123.927 2015 2016 2017 2018 Rijksbudget 3.534.000.000 3.534.000.000 3.534.000.000 3.534.000.000 Rijksbezuiniging 120.000.000 300.000.000 450.000.000 450.000.000 Budget gem. Westvoorne 3.241.009 3.070.130 2.927.730 2.927.730 Bron: Ministerie van VW S, kamerbrief 5 december 2013. Kenmerk 180316-114741-J.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in de volgende paragraaf verder zal worden toegelicht, hebben Hellevoetsluis en Westvoorne gezamenlijk met de andere gemeenten van de regio Rotterdam-Rijnmond een transitiearrangement opgesteld. In dit arrangement is afgesproken dat de landelijke bezuinigingen, die binnen de jeugdzorg verschillen voor de afzonderlijke subdomeinen, apart zullen worden doorgevoerd. Het betreft de subdomeinen Jeugd en Opvoedhulp, Jeugd-GGZ (inclusief AWBZ), Jeugd met een beperking en de vrijgevestigde J-GGZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het volgen van de landelijke bezuinigingen, passen de gemeenten in regio Rotterdam-Rijnmond een ombuiging toe van 1% in 2015 en een extra 1% in 2016 (in totaal 2%). Deze ombuiging is nodig voor het opvangen van risico’s bij plaatsingen van jeugdigen en/of voor innovatie en verschuivingen over domeingrenzen heen. In het beleidsplan jeugdzorg zal uitgebreid stil worden gestaan bij de precieze invulling van deze bezuinigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.5 Verwachte budgetten en bezuinigingen Participatiewet Gemeenten ontvangen in de huidige situatie twee doeluitkeringen die verbonden zijn met de nieuwe Participatiewet. Ten eerste betreft het hier het participatiebudget. Dit geld dient te worden ingezet voor het bevorderen van participatie op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld door het inzetten van een werkgeversteam of een werkcoach. Gemeenten verantwoorden jaarlijks aan het Rijk hoe zij deze middelen inzetten. Het participatiebudget is dus niet vrij inzetbaar. Dit budget blijft ook vanaf 2015 bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede stroom middelen betreft het Wsw-budget. De vijf gemeenten op Voorne-Putten zijn een Gemeenschappelijke Regeling aangegaan rondom het SW-bedrijf de Welplaat. In de GR is onder andere afgesproken dat voor alle gemeenten op Voorne-Putten 90% van de mensen die in de sociale werkvoorziening werken, instromen in de Welplaat. Met de invoering van de Participatiewet zal per 1 januari 2015 de instroom voor de sociale werkvoorziening verdwijnen. Zoals al toegelicht in hoofdstuk 2, blijft de Wsw bestaan voor de mensen die nu al in de Wsw werkzaam zijn. Op deze manier vindt een gefaseerde afbouw plaats van de Wsw-cliënten, gebaseerd op natuurlijk verloop. De GR rondom de Welplaat verliest door deze ontwikkelingen op lange termijn haar bestaansrecht. Momenteel wordt onderzocht of het mogelijk is om de Welplaat om te vormen. Op deze manier blijft de infrastructuur waarin al jaren in is geïnvesteerd ook behouden. Op het niveau van Voorne-Putten worden nadere afspraken gemaakt over de omgevormde Welplaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het participatie- en het Wsw-budget, zullen gemeenten vanaf 2015 compensatiemiddelen voor de voormalig Wajongers ontvangen. Onduidelijk is nog welke vrijheid gemeenten krijgen bij de besteding van deze middelen. In totaal komt er € 11 miljard beschikbaar voor de uitvoering van de Participatiewet door gemeenten. Dat bedrag bestaat voor circa € 7,8 miljard uit geld dat nu al via specifieke uitkeringen aan gemeenten wordt verstrekt voor de Wet werk en bijstand (Wwb) en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw).</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatregelen die in het regeerakkoord met betrekking tot de Participatiewet worden beschreven hebben financiële consequenties. Pas na definitieve vaststelling van de Participatiewet kan een definitieve berekening worden gemaakt van het beschikbare budget. De financiële effecten zijn doorberekend, resulterend in onderstaande tabel met de verwachte budgetten ‘nieuwe stijl’. In de startnotitie Participatiewet die eind 2013 aan het college wordt aangeboden, zit een uitgebreide toelichting op de financiële aspecten rondom de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 6.8: Rijksbudget en rijksbezuinigingen Participatiewet 2015 Geschat budget Hellevoetsluis Westvoorne Participatiebudget € 1.335.954 € 120.693 Wsw-budget € 2.161.654 € 399.259 Totaal € 3.497.608 € 519.952 6.3.6 Begrenzing in aanwendbaarheid budgetten Zowel voor de huidige als de toekomstige budgetten zijn er begrenzingen in de aanwendbaarheid. Deze worden vooral veroorzaakt door doorlopende indicaties en overgangsrechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorlopende indicaties (alleen hulp bij huishouden) In de huidige organisatie van het sociaal domein geven de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne alleen rondom hulp bij het huishouden indicaties af. Tot september 2013 kon de duur van de indicatie variëren van een doorlooptijd van een paar maanden tot maximaal vijf jaar. Vanaf september 2013 is de duur van de indicatie maximaal 1 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicaties die de gemeente al heeft afgegeven aan inwoners rondom de huishoudelijke hulp blijven logischerwijs van kracht na 2015. De budgetten die hiermee gemoeid zijn, zitten voor deze periode dus vast. Onderstaande grafieken geven het overzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrechten Overgangsrecht AWBZ/Wmo De cliënten die zorg ontvangen in het kader van de gedecentraliseerde AWBZ taken houden een jaar lang het recht om dezelfde zorg te ontvangen als in 2014 van dezelfde aanbieder, tenzij er met instemming van de cliënt een andere afspraak overeen gekomen wordt. Het beschermd wonen vormt hierop een uitzondering aangezien hier is voorzien in een overgangstermijn van minimaal vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrecht Jeugdzorg Gemeenten zijn door het Rijk verplicht gesteld in regionaal verband afspraken te maken met de aanbieders van jeugdzorg om bij de transitie in 2015 de zorgcontinuïteit voor bestaande cliënten te kunnen garanderen en frictiekosten te voorkomen. Deze afspraken zijn vastgelegd in een transitiearrangement. Het transitiearrangement heeft een bindend karakter, hoewel de afgesproken garanties met betrekking tot budgetten zijn gemaakt onder voorbehoud van goedkeuring door de individuele gemeenteraden. Het arrangement van de regio Rijnmond behoort tot de elf arrangementen (van de 41) die in november 2013 zijn goedgekeurd door de landelijke transitiecommissie. Dat betekent dat naar het oordeel van de commissie in de regio Rijnmond op een verantwoorde manier de zorgcontinuïteit van bestaande cliënten kan worden gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het arrangement is formeel een bestuurlijke afspraak tussen zestien gemeenten in de regio Rijnmond, maar ook aanbieders en huidige financiers hebben laten weten in te stemmen met de afspraken uit het arrangement. In het beleidsplan jeugdzorg wordt apart aandacht besteed aan de transformatie van zorg tijdens de overgangsperiode waarop het arrangement van toepassing is. Deze paragraaf gaat alleen in op de gevolgen van het arrangement voor de aanwendbaarheid van nieuwe budgetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De samenwerkende gemeenten hebben ervoor gekozen het transitiearrangement af te sluiten voor 2015 en 2016, met een mogelijke verlenging naar 2017 als individuele gemeenten hiertoe besluiten. In 2015 en 2016 zullen de zorginstellingen zoveel mogelijk hetzelfde budget ontvangen als in 2012 minus het definitieve percentage bezuinigingen per zorgdomein en een extra bezuiniging van 2% voor risicodekking. Het totaalbudget dat de gemeenten van regio Rotterdam-Rijnmond via de meicirculaire 2014 krijgen toebedeeld, zal dus worden aangewend voor de huidige aanbieders. De sturing vindt hierbij plaats op basis van inhoudelijke kaders uit lokale beleidsplannen en de daaraan verbonden prestatie-eisen op outcome en output niveau. De zorg is gelimiteerd aan het beschikbare budget, waarbij het uitgangspunt is: \"budget volgt cliënt\". De aanbieders hebben toegezegd met deze budgetten de continuïteit van zorg en de hiervoor benodigde infrastructuur te realiseren. Ook zorgen de aanbieders ervoor dat de frictiekosten tot een minimum beperkt blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het totale budget dat de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne ontvangen is met het transitiearrangement dus al besteed. De samenwerkende gemeenten hebben hierbij een tweedeling gemaakt in de zorg:</p>\n<p class=\"lf-p\">De samenwerkende gemeenten zullen gezamenlijk een bovenlokaal inkooporgaan realiseren voor de specialistische zorg (buitenwijkse zorg genoemd). De sturing voor de lokale gemeenten voor 2015 en 2016 is hierbij geborgd in een nog vast te stellen gemeenschappelijke regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De binnenwijkse voorzieningen zullen de gemeenten vanaf 2015 zelf inkopen/subsidiëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwending van budgetten voor binnenwijkse of buitenwijkse zorg zullen voor een groot deel bepaald worden door de bestaande trajecten (immers: budget volgt cliënt). Met de afspraken uit het transitiearrangement geven de bestaande specialistische aanbieders een deel van de ‘dure’ buitenwijkse zorg op voor meer preventieve vormen van zorg. Tijdens de duur van het transitiearrangement zal hierdoor de beweging van buitenwijkse zorg naar binnenwijkse zorg al voorzichtig op gang komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het beleidsplan jeugdzorg zal uitgebreid stil worden gestaan bij het transitiearrangement en de financiële en inhoudelijke gevolgen hiervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsrecht Participatiewet Als de concept wettekst openbaar is, is pas precies bekend van welke overgangsrechten sprake is rondom de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.7 Combinatie van de huidige plus toekomstige budgetten Voor een totaalbeeld van de beschikbare budgetten die de gemeenten tot hun beschikking krijgen om het sociale domein vorm te geven zijn in onderstaande tabellen de huidige plus toekomstige budgetten gecombineerd (combinatie van tabellen 6.1 t/m 6.8). Hierbij is rekening gehouden met de huidige en toekomstige bezuinigingen/taakstellingen die door het rijk zijn opgelegd. De Participatiewet is niet apart opgenomen aangezien deze budgetten al grotendeels zijn opgenomen in de huidige budgetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 6.9: Combinatie van de huidige plus toekomstige budgetten sociaal domein Hellevoetsluis Hellevoetsluis 2014 2015 2016 2017 Huidig budgetten 16.322.000 16.121.000 16.032.000 16.026.000 Minus bezuiniging op HH -1.214.400 -1.214.400 -1.214.400 AWBZ (nieuw) 2.694.557 2.694.557 2.694.557 Jeugdzorg (nieuw) 8.993.219 8.519.060 8.123.927 Totaal budget Hellevoetsluis 16.322.000 26.594.376 26.031.217 25.630.084 Tabel 6.10: Combinatie van de huidige plus toekomstige budgetten sociaal domein Westvoorne Westvoorne 2014 2015 2016 2017 Huidig budgetten 4.190.419 4.107.339 4.001.549 4.008.855 Minus bezuiniging op HH -624.304 -624.304 -624.304 AWBZ (nieuw) 1.005.701 1.005.701 1.005.701 Jeugdzorg (nieuw) 3.241.009 3.070.130 2.927.730 Totaal budget Westvoorne 4.190.419 7.729.745 7.453.076 7.317.982 6.4Wat stellen we voor en waarom?</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitieve wettelijke kaders voor de drie decentralisaties zijn nu nog niet bekend. Hetzelfde geldt voor de hoogte van de middelen die de gemeenten ontvangen vanuit het Rijk voor de decentralisaties. Dit maakt het nu niet mogelijk om een goed beeld te geven van de financiële kaders rondom de drie decentralisaties. De financiële kaders rondom de drie decentralisaties zullen daarom worden verwerkt in de begroting voor 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslispunt 12 – De financiële kaders rondom de drie decentralisaties zullen worden verwerkt in de begroting voor 2015 en volgende jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf geeft alvast input voor de financiële kaders. De intentie zal hierbij zijn om de decentralisaties taakstellend uit te voeren. Gelet op de forse bezuinigingen op het macrobudget zijn begrenzingen op lokaal niveau noodzakelijk. Paragraaf 6.4.2 benoemt hiervoor diverse opties. De wijze waarop de begrenzingen worden doorgevoerd zullen worden meegenomen in de financiële kaders die worden opgesteld voor de begroting 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.1 Intentie tot de taakstellende uitvoering van de decentralisaties Vanuit het Rijk worden de middelen beschikbaar gesteld aan de gemeenten voor de uitvoering van de decentralisaties. Zoals hiervoor is uiteengezet is nog voor geen van de drie decentralisaties momenteel duidelijk welk budget gemeenten zullen ontvangen. Zodra deze informatie voor handen is, zal een nadere analyse van de mogelijkheid tot taakstellende uitvoering worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de intentie om de budgetten die de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne ontvangen voor de drie decentralisaties als taakstellend te beschouwen. Zoals ook in hoofdstuk 4 is aangegeven is het de intentie om op langere termijn de duurdere 2e lijnszorg te verminderen. Om dit te bereiken zal eerst een omslag moeten worden bewerkstelligd bij de 0e en 1e lijn. Deze transformatie zal een langdurig proces zijn. Deze transformatie zal er op lange termijn voor zorgen dat het taakstellend uitvoeren van de decentralisaties een reële optie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn diverse risico’s die de taakstellende uitvoering van de decentralisaties in de eerste jaren na 2015 bemoeilijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste bestaat de mogelijkheid dat de verdeelsleutels die het Rijk gaat hanteren voor het toekennen van de gemeentelijke budgetten ongunstig uitvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft het Rijk besloten tot forse kortingen die direct in 2015 geëffectueerd zouden moeten worden, als taakstellende uitvoering het uitgangspunt is. In 2015 (en voor jeugdzorg ook in 2016) zijn de gemeenten echter verplicht tot het vormgeven aan de overgangsrechten. Hierdoor zit een groot gedeelte van de budgetten die overkomen al vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Hellevoetsluis heeft op dit moment geen specifieke reserves gevormd of een stelpost in de begroting opgenomen voor de risico’s rondom de decentralisaties. Eventuele financiële tegenvallers zullen dus via de algemene reserve moeten worden opgevangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Westvoorne heeft ook geen specifieke voorzieningen getroffen om de risico’s van de decentralisaties te beheersen. Wel is er een stelpost Rijksbezuinigingen opgenomen in de begroting en is er een Reserve Wmo om tegenvallers op te kunnen vangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.2 Uitwerken van bezuinigingsstrategie Zoals hiervoor is uiteengezet is het de intentie om de decentralisaties (op termijn) taakstellend uit te voeren. Het Rijk voert op de macrobudgetten forse bezuinigingen door en logischerwijs dienen op lokaal niveau dus ook bezuinigingen te worden doorgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten kunnen kiezen uit vier mogelijke bezuinigingsstrategieën, die elk weer op verschillende manieren kunnen worden uitgewerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verminderen van het aantal gebruikers van maatwerkvoorzieningen Beperken van de hoeveelheid geleverde producten/diensten De kosten per geleverde product/dienst omlaag brengen Controleren op geleverde hulpverlening / voorzieningen Een combinatie van bezuinigingsstrategieën is mogelijk en waarschijnlijk ook noodzakelijk, omdat verwacht wordt dat met de keuze voor één strategie niet de volledige benodigde bezuiniging kan worden behaald. Hieronder worden de bezuinigingsstrategieën toegelicht en wordt aangegeven welke strategieën al elders in dit beleidsplan zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verminderen van het aantal gebruikers van (dure) voorzieningen Wanneer een gemeente erin slaagt om het aantal gebruikers van (dure) voorzieningen te verminderen, leidt dit tot lagere uitgaven aan zorg. Het verminderen van de zogenoemde ‘instroom’ kan door de voorwaarden waaronder iemand van een voorziening gebruik kan maken aan te scherpen, door meer voorliggende (goedkopere) voorzieningen te creëren en door te investeren in preventie (waardoor problemen voorkomen kunnen worden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 4 is een aantal maatregelen benoemd die een uitwerking zijn van deze bezuinigingsstrategie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwillige inzet als maatschappelijke verantwoordelijkheid (4.3.1.) - vrijwilligers zorgen ervoor dat minder inwoners een voorziening nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schoonmaakservice als algemene voorziening (4.3.2.) – deze algemene voorziening is goedkoper dan de vroegere maatwerkvoorziening Laagdrempelige dagbesteding als algemene voorziening (4.3.2.) – deze algemene voorziening is goedkoper dan de vroegere maatwerkvoorziening Opzetten gebiedsgerichte sociale teams als algemene voorziening (4.3.2.) – deze algemene voorziening zorgt ervoor dat minder inwoners een maatwerkvoorziening nodig hebben. ‘Versterken eigen kracht’ als maatwerkvoorziening (4.3.3.) – deze maatwerkvoorziening zorgt ervoor dat minder inwoners een duurdere maatwerkvoorziening nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is er in de toegang een aantal maatregelen mogelijk die zorgen voor minder instroom. De criteria waaronder iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt, worden in de implementatiefase nader uitgewerkt (zie paragraaf 5.3.4.). Door de formulering van de criteria kan de gemeente bepaalde inwoners uitsluiten, bijvoorbeeld door het stellen van inkomensgrenzen of door een minimale zorgbehoefte te bepalen die nodig is om in aanmerking te komen voor ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperken van de hoeveelheid producten / diensten Wanneer een gemeente bepaalde voorzieningen niet langer in het pakket opneemt en/of de inzet van een bepaalde voorziening per gebruiker vermindert, dan leidt dit tot lagere uitgaven. In hoofdstuk 4 zijn twee maatregelen benoemd die een uitwerking vormen van deze bezuinigingsstrategie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheden voor alle leefgebieden terugleggen bij inwoners (4.3.1.) – de gemeenten zullen bepaalde huidige voorzieningen in de nieuwe situatie niet meer financieren, omdat deze verantwoordelijkheid wordt teruggelegd bij de samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén vervoersvoorziening voor alle doelgroepen (4.3.2) – de gemeente biedt minder diversiteit in het type vervoersvoorziening en bundelt verschillende doelgroepen zoveel mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan er bij de indicatiestelling voor gekozen worden om per cliënt (onder bepaalde voorwaarden) minder uren zorg of ondersteuning te verstrekken. Dan moet wel door de gemeente beargumenteerd kunnen worden waarom deze hoeveelheid zorg voldoende is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een tweede optie van het beperken van producten en diensten is het opleggen van beperkingen aan het assortiment en het aantal gecontracteerde aanbieders. Denk hierbij bijvoorbeeld aan hulpmiddelen waarbij nog maar gekozen kan worden tussen twee standaard modellen en bij maximaal twee verschillende aanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten per geleverde product/dienst omlaag brengen Wanneer een gemeente erin slaagt om de uitgaven die zij doet aan de levering van een bepaalde product of dienst omlaag te brengen, dan zorgt dit voor lagere uitgaven. Dit kan bijvoorbeeld door aanbieders te vragen hun producten / diensten anders vorm te geven. Daarnaast kunnen gemeenten aan cliënten een eigen bijdrage vragen voor het gebruik van een bepaalde voorziening. Dit kan zowel bij algemene voorzieningen als bij maatwerkvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoofdstuk 4 is een aantal maatregelen genoemd die een uitwerking zijn van deze bezuinigingsstrategie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwilligerswerk als onderdeel van een maatwerkvoorziening (4.3.3.) – het product wordt goedkoper omdat het aandeel dat geboden wordt door een professional, minder dan 100% wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt- en resultaatgerichte basisproducten (4.3.3.) – het product wordt goedkoper omdat aanbieders meer vrijheid krijgen in de vormgeving en makkelijker zorgvormen kunnen combineren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achter de vraag aan aanbieders om de kosten voor hun producten/diensten omlaag te brengen, gaat een aantal nadere inkoopkeuzes schuil. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het aanpassen van verantwoordings- of kwaliteitseisen. De inkoopkeuzes zullen worden meegenomen in de programma’s van eisen/wensen die worden opgesteld bij de voorbereidende aanbestedingen voor het sociaal domein. Hoofdstuk 7 gaat hier verder op in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Controleren op geleverde hulpverlening / voorzieningen Een andere mogelijkheid om te bezuinigen is het voorkomen van onnodige of onterechte kosten (kostenbeheersing). Dit kan door aanbieders te controleren of zij het gefactureerde ook daadwerkelijk geleverd hebben aan de cliënt, door bij de cliënt te controleren op het (doelmatige) gebruik van een voorziening en door het periodiek opnieuw beoordelen van de situatie van een cliënt zodat er niet meer zorg wordt ingezet dan nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noodzakelijke voorwaarde voor het goed uitvoeren van deze bezuinigingsstrategie is het opzetten van een adequaat controleapparaat. Dit brengt (mogelijk hoge) kosten voor ambtelijke inzet en faciliteiten met zich mee. Het is belangrijk om de kosten en baten van deze strategie in kaart te brengen alvorens hier een keuze in te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5Samenvatting en beslispunten Nog altijd is niet bekend welke budgetten gemeenten gaan ontvangen voor de drie decentralisaties. Wel is duidelijk dat het geld wordt ondergebracht in een deelfonds sociaal domein en dat gemeenten dit geld alleen voor het sociaal domein mogen uitgeven. Binnen het deelfonds komt verder geen toewijzing van geld naar de aparte onderdelen jeugd, werk of zorg. Dat betekent dat als er meer geld nodig is voor jeugd en bijvoorbeeld minder voor werk, de gemeente kan schuiven tussen de budgetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de intentie om de decentralisaties (op termijn) taakstellend uit te voeren. De forse bezuinigingen vanuit het Rijk hebben grote gevolgen voor gemeenten. Om alle taken uit te kunnen voeren met de beschikbare middelen zijn bezuinigingen noodzakelijk. Zo is er een mogelijkheid om het aantal gebruikers van maatwerkvoorzieningen te verminderen, de hoeveelheid geleverde producten/diensten te verminderen, de kosten per geleverd product/dienst omlaag te brengen en te controleren op geleverde hulpverlening/ voorzieningen. De keuze voor één bezuinigingsmogelijkheid zal er niet voor zorgen dat de bezuinigingen volledig worden gehaald. Daarom is in de op te stellen bezuinigingsstrategie een combinatie van meerdere bezuinigingsmogelijkheden wenselijk en noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de huidige situatie hebben gemeenten al verantwoordelijkheden op het vlak van welzijn, sociale zaken en onderwijs. De uitbreiding van de taken op het sociaal domein gaat gepaard met forse financiële verschuivingen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de (geschatte) optelsom van de huidige budgetten plus de nieuwe budgetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hellevoetsluis 2014 2015 2016 2017 Huidige budgetten € 16.322.000 € 14.996.600 € 14.817.600 € 14.811.600 Nieuwe budgetten € 0 € 11.687.776 € 11.213.617 € 10.818.484 Totaal € 16.322.000 € 26.684.376 € 26.031.217 € 25.630.084 Westvoorne 2014 2015 2016 2017 Huidige budgetten € 4.190.419 € 3.483.035 € 3.377.245 € 3.384.551 Nieuwe budgetten € 0 € 4.246.710 € 4.075.831 € 3.933.431 Totaal € 4.190.419 € 7.729.745 € 7.453.076 € 7.317.982 Elk van de decentralisaties gaat gepaard met forse bezuinigingen. Bovendien gelden er voor de AWBZ/Wmo en de jeugdzorg overgangsrechten waardoor de vrijheid voor de inzet van middelen in ieder geval in 2015 (en voor jeugdzorg ook 2016) fors is ingeperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële kaders rondom de drie decentralisaties zullen worden verwerkt in de begroting voor 2015 en volgende jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslispunt 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële kaders rondom de drie decentralisaties zullen wordenverwerkt in de begroting voor 2015 en volgende jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Bekostiging en inkoop 7.1Inleiding De gemeenten hebben de taak om hun inwoners hulp en ondersteuning te bieden wanneer zij deze nodig hebben. Om deze hulp en ondersteuning beschikbaar te kunnen stellen aan inwoners, dienen gemeenten afspraken te maken met aanbieders die deze ondersteuning leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de decentralisaties komen de gemeenten in nieuwe markten terecht. Op deze markten zijn ook aanbieders actief met wie de gemeente nu nog geen relatie heeft. De gemeenten hebben een eerste stap gezet om deze aanbieders verder te leren kennen door middel van een marktconsultatie. Bijlage 1 geeft hiervan een samenvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraken die de gemeente wil maken met aanbieders gaan enerzijds over wat de aanbieders leveren en anderzijds over de prijs die de gemeenten hiervoor betalen. De keuzes die de gemeenten hebben in de vormgeving hiervan vallen uiteen in twee onderdelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijze van bekostiging Wijze van inkoop Dit hoofdstuk behandelt beide onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.1 Begrippenkader Bekostiging Bekostiging betreft de afspraken die de gemeente maakt met aanbieders met betrekking tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">Leveren van prestaties/activiteiten/diensten door de opdrachtnemer (en verantwoording daarover) Eisen aan de prestaties/activiteiten/diensten (en de betaling daarvan) Deze afspraken zijn vastgelegd in een inkoopovereenkomst of subsidiebeschikking/-overeenkomst. De afspraken kunnen tevens gepaard gaan met verschillende prikkels die sturen op het gewenste gedrag, waaronder financiële prikkels. Het begrip bekostiging is hieronder grafisch weergegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bekostigingsmodellen Er zijn verschillende wijzen van bekostiging, welke zijn terug te voeren op drie basismodellen, met elk enkele varianten. Bijlage 7 geeft een totaaloverzicht van de verschillende bekostigingsmodellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productiebekostiging: een vorm van bekostiging waarbij de gemeente een aanbieder betaalt voor vooraf overeengekomen diensten, activiteiten of trajecten die voor een specifieke cliënt zijn uitgevoerd volgens een vaste prijs of tarief. Dit kan ook een verzameling van diensten, activiteiten of trajecten zijn. Het gaat hierbij om P (prijs) x Q (hoeveelheid). Deze vorm van bekostiging komt bij de gemeenten op dit moment vooral voor binnen de Wmo. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp bij het huishouden, vervoer en Wmo-voorzieningen (zoals trapliften).</p>\n<p class=\"lf-p\">Populatiegerichtebekostiging: een vorm van bekostiging waarbij de gemeente op basis van een vast budget met één of enkele aanbieders voor een afgebakende groep inwoners (deelpopulatie of geografische afbakening) een maatschappelijke taak of opdracht overeenkomt. De gemeente betaalt de aanbieder voor het behaalde en meetbare resultaat voor deze groep. Te denken valt aan het verantwoordelijk maken van een aanbieder voor het over een periode van vijf jaar realiseren van een meer vitale wijk of een meer zelfredzame ouderenpopulatie. Deze vorm van bekostiging komt op dit moment niet bij Hellevoetsluis en Westvoorne voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Functiegerichtebekostiging: een vorm van bekostiging waarbij een gemeente op basis van een vast budget voor een met een aanbieder overeengekomen functie betaalt voor de beschikbaarheid van deze functie. Deze vorm van bekostiging komt op dit moment bij beide gemeenten beperkt voor. Functiebekostiging wordt toegepast bij gesubsidieerde organisaties zoals de Mantelzorg Salon en de Vrijwilligerscentrale.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkoop Een algemene definitie van inkoop is ‘het van externe bronnen betrekken van goederen en diensten tegen tussen de inkopende en verkopende partij overgekomen voorwaarden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft hierbinnen keuze uit twee basisvormen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Contractering – het sluiten van een (privaatrechtelijke) inkoopovereenkomst Subsidiëring – het sluiten van een subsidieovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkoopmodellen - contractering In het geval van contractering zijn de volgende inkoopmodellen mogelijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeeuws model: De gemeente contracteert alle aanbieders die voldoen aan bepaalde criteria. De cliënt kiest vervolgens de aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dynamisch selectiemodel: De gemeente contracteert continu iedere aanbieder die voldoet aan bepaalde criteria. Elke cliënt wordt gezien als één separate opdracht. Aan de hand van de criteria zoals wachttijd, cliënttevredenheid en cliëntvoorkeur in het selectiemodel waarop de cliënt invloed kan hebben, volgt automatisch de keuze voor een bepaalde aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veilingmodel: Net als in het Zeeuws model wordt gewerkt met vaste kwaliteitseisen en een onbeperkt aantal aanbieders, maar nu juist met prijsconcurrentie. Het veilingmodel werkt ook met een maximumprijs in de aanbesteding en na gunning kunnen aanbieders met elkaar concurreren per hulpvraag/cliënt. Er is geen absolute keuzevrijheid voor cliënten. In het veilingmodel wordt sterker op prijs gestuurd dan in het dynamisch selectiemodel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuurlijk aanbesteden: De gemeente treedt in overleg met alle aanbieders die voldoen aan bepaalde criteria. In een onderhandelingsproces bepalen gemeente en aanbieders de voorwaarden voor prijs en kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dialoogmodel: De gemeente treedt in overleg met alle aanbieders die voldoen aan bepaalde criteria. Tijdens een dialoogproces bepaalt de gemeente in samenspraak met aanbieders de voorwaarden in de overeenkomst voor prijs en kwaliteit. Tijdens het dialoogproces kunnen aanbieders nog afvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Catalogusmodel: De gemeente contracteert alle (eventueel een beperkt aantal) aanbieders die voldoen aan bepaalde criteria. De cliënt krijgt vervolgens keuze-informatie (catalogus) en een ranking van aanbieders die volgt uit bepaalde prestatie indicatoren voorgelegd op basis waarvan hij een keuze voor een aanbieder maakt. Kiest de cliënt niet, dan kiest de gemeente aan de hand van de prestatie indicatoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén-op-één contract: De gemeente sluit een overeenkomst af met één aanbieder voor het leveren van verschillende vormen van ondersteuning. De gemeente nodigt geen andere aanbieders uit voor het uitbrengen van een voorstel. Dit model kan de gemeente ook in geval van enkele aanbieders toepassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraak per cliënt: De gemeente consulteert de aanbieders op hun competenties, maar sluit geen overeenkomst op voorhand af. Zodra een cliënt of groepen van cliënten zich aandienen, contracteert de gemeente een bepaalde aanbieder en maakt nadere afspraken over de invulling van de ondersteuning op cliënt of groepsniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkoop - subsidiëring In het geval van subsidiëring zijn de volgende inkoopmodellen mogelijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsgestuurdecontractfinanciering: De gemeente subsidieert één of meerdere aanbieders aan de hand van meetbare resultaten die bijdrage aan gemeentelijke doelstellingen. Tevens vindt periodiek bijsturing plaats aan de hand van de gemeentelijke beleidscyclus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidietender: De gemeente subsidieert één of meerdere aanbieders aan de hand van bepaalde toekenningcriteria. De aanbieders concurreren met elkaar voor het verkrijgen van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klassieke subsidie (al of niet in combinatie met een uitvoeringsovereenkomst): De gemeente subsidieert een aanbieder voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten. De gemeente kan een uitvoeringovereenkomst afsluiten met de gesubsidieerde aanbieder voor het maken van aanvullende afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.2 Leeswijzer Paragraaf 7.2 geeft een korte weergave van de huidige vormgeving van bekostiging en inkoop in de beide gemeenten. Paragraaf 7.3 geeft een overzicht van de voorstellen voor toekomstige vormgeving. Hierbij wordt begonnen met de kaders die hoofdstuk 3 en 4 hiervoor geven, waarna eerst de voorstellen rondom bekostiging en vervolgens de voorstellen rondom inkoop worden behandeld. De paragraaf sluit af met een aantal uitgangspunten voor inkoopafspraken. Paragraaf 7.4 bevat de samenvatting en belangrijkste beslispunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2Hoe is het nu?</p>\n<p class=\"lf-p\">Van alle huidige overheidsopdrachten in het sociaal domein (leveringen, diensten en voorzieningen) waarvoor de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne contractuele afspraken maken, wordt het grootste deel ingekocht met productiebekostiging door middel van een inkoopovereenkomst. Daarnaast wordt in beperkte mate functiebekostiging gehanteerd, meestal door middel van subsidie. Ten slotte wordt een deel gefinancierd door middel van bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3Wat stellen we voor en waarom?</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.1 Kaders vanuit de sturingsvisie (hoofdstuk 3) In hoofdstuk 3 is uiteengezet dat de gemeenten kiezen voor een zo gelijkwaardig mogelijke relatie tussen gemeente en aanbieders, waarin samenwerking centraal staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het centrale sturingsperspectief heeft het de voorkeur om te kiezen voor bekostigings- en inkoopmodellen die optimaal ruimte bieden aan deze samenwerking. Uiteraard willen de gemeenten daarbij voldoende mogelijkheden inbouwen om te kunnen sturen op het daadwerkelijk bereiken van de gewenste maatschappelijke effecten en op het voldoen aan de wettelijke verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bestaat de wens om meer te gaan sturen op de maatschappelijke effecten die met de diensten worden behaald in plaats van op de output. Het inzetten van een traject is immers geen doel op zich, maar moet een effect bewerkstelligen bij het gezin/cliënt dat bijdraagt aan het vergroten van de zelfredzaamheid of het bevorderen van participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om met organisaties toe te werken naar verantwoording op maatschappelijke effecten en een goede samenwerking moet nog meer ervaring worden opgedaan, zowel intern bij de gemeente als bij de aanbieders zelf. Het is belangrijk om dit groeiperspectief mee te nemen in de keuze voor een wijze van bekostiging en inkoop/subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.2 Kaders vanuit de vormgeving van zorg en ondersteuning(hoofdstuk 4) Zoals in hoofdstuk 4 uiteen is gezet, streven de gemeenten naar een andere vormgeving van het palet van zorg en ondersteuning. Dit willen de gemeenten onder andere bereiken door het aantal producten terug te brengen, wel en niet vrij toegankelijke producten duidelijk af te bakenen en producten open te definiëren zodat overlap en overeenkomsten in zorgvormen, gebruikers, deskundigheden en locatie benut kunnen worden. Op basis hiervan is gekozen voor het vormgeven van zorg en ondersteuning als een beperkt aantal basisproducten en modules.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisproducten zijn globaal beschreven zodat aanbieders veel ruimte krijgen om hierbinnen zelf praktisch vorm te geven aan de in te zetten zorg of ondersteuning. De gemeente als opdrachtgever definieert het gewenste resultaat (het ‘wat’) en stuurt hier op in de financiering en verantwoording. Omdat het bij de meeste vormen van hulpverlening/ondersteuning (mogelijk) nog een brug te ver is om op resultaten te sturen, is het voorstel om richting aanbieders te sturen op een ontwikkeling van prestatie (inspanning) naar resultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisproducten zijn onderverdeeld in algemene voorzieningen enerzijds en maatwerkvoorzieningen anderzijds. Een algemene voorziening is voor iedereen die hiervan gebruik wil maken en is vrij toegankelijk. Zodra specifieke (persoons-)kenmerken van de individuele aanvrager bepalen of iemand gebruik mag maken van een voorziening en/of de voorziening naar haar aard is afgestemd op de kenmerken van de individuele aanvrager, dan is sprake van een maatwerkvoorziening. Gelet op de verschillende aard van de twee soorten voorzieningen en de wensen van de gemeenten rondom de vormgeving is een differentiatie in wijze van bekostiging en inkoop/subsidie passend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.3 Toekomstige vormgeving bekostiging De definitieve keuze voor de bekostigingsvorm van de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen wordt gemaakt op basis van een nadere uitwerking van de inhoud van de producten, welke in de implementatiefase plaatsvindt. Dit beleidsplan bevat dus nog geen beslispunt hieromtrent. Wel zien we vooralsnog de volgende ‘voorsorteringen’ rondom bekostiging:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene voorzieningen met productie- en functiebekostiging Maatwerkvoorzieningen met productiebekostiging Modules met productiebekostiging Doorontwikkeling naar populatiebekostiging Algemene voorzieningen: combinatie van productie- en functiebekostiging Zoals in hoofdstuk 4 is aangegeven, is het de doelstelling van de gemeenten dat algemene voorzieningen zoveel mogelijk voor én door inwoners worden vormgegeven, uitgevoerd en/of bekostigd. Dit betekent concreet dat inwoners een (al dan niet kostendekkende) bijdrage wordt gevraagd voor het gebruik en dat inwoners mede zelf vorm en inhoud geven aan de voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn vooralsnog zes algemene voorzieningen gedefinieerd door de gemeenten: schoonmaakservice, collectief vraagafhankelijk vervoer, laagdrempelige dagbesteding, empowerment in de wijk, vrijwilligerssupport en mantelzorgsupport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Laagdrempelige dagbesteding en empowerment in de wijk zijn primair functies die de gemeente beschikbaar wil stellen aan inwoners, onafhankelijk van een bepaald aantal gebruikers op een specifiek moment. Bij deze producten is het logisch om te kiezen voor functiebekostiging. Vrijwilligerssupport en mantelzorgsupport bestaan deels uit functies die de gemeente beschikbaar wil stellen aan haar inwoners (zoals een vrijwilligersvacaturebank en een adviespunt voor mantelzorgers), en deels uit producten en diensten waar individuele inwoners naar behoefte gebruik van maken. Een combinatie van functie- en productiebekostiging lijkt hierbij de meest passende bekostigingsvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het collectief vraagafhankelijk vervoer is de inzet van de producten en diensten afhankelijk van het aantal mensen dat er gebruik van maakt. Dit leidt tot productiebekostiging als geschikte bekostigingsvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de schoonmaakservice geldt dat de wijze van bekostiging afhankelijk is van de vormgeving (zie paragraaf 4.3.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorzieningen: productiebekostiging Er zijn vooralsnog zeven maatwerkvoorzieningen gedefinieerd door de gemeenten: versterken eigen kracht, zelfstandig wonen, leren participeren, ondersteuning bij arbeidsinschakeling, zware en acute problematiek beheersbaar maken, hulp in gedwongen kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle maatwerkvoorzieningen zijn, naar de aard van het productcluster, toegespitst op de individuele kenmerken en behoeften van de inwoner die het product nodig heeft. Hierdoor valt functiebekostiging af als geschikte vorm. Uitzondering hierop is mogelijk het product ‘ondersteuning bij arbeidsinschakeling’, waarin bepaalde voorzieningen kunnen zitten die beschikbaar moeten zijn voor inwoners, ongeacht de omvang van het gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het bij maatwerkvoorzieningen vaak gaat om specifieke trajecten met een duidelijk begin en einde, lijkt productiebekostiging de meest geschikte vorm. Productiebekostiging biedt de mogelijkheid om de prestatie die de aanbieder moet leveren duidelijk te formuleren en te koppelen aan de resultaten (effecten) die zijn bereikt. Het mogelijke negatieve effect van productiebekostiging in de vorm van een volumeprikker wordt beheerst doordat de gemeenten de toegang beheren. Dit is met name wenselijk voor complexe zorg en langdurige zorg die vaak relatief duur is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productiebekostiging biedt tevens de mogelijkheid om financiële middelen efficiënt in te zetten en gewenste keuzevrijheid te organiseren. Ten slotte biedt deze bekostigingsvorm ruimte aan het stimuleren van innovatie en de inzet van vrijwilligers door aanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Modules: productiebekostiging Er zijn vooralsnog vier modules gedefinieerd door de gemeenten: Activeren sociale netwerk, diagnose, casusregie, begeleiding bij vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Modules zijn in hun aard vergelijkbaar met maatwerkvoorzieningen: individueel in te zetten en toegespitst op de individuele kenmerken en behoeften van de inwoner die het product nodig heeft. Dezelfde argumenten zijn daarom van toepassing, wat leidt tot een voorlopige voorkeur voor productiebekostiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorontwikkeling naar populatiebekostiging Zoals ook in paragraaf 7.4 is benoemd, bestaat de wens om meer te gaan sturen op maatschappelijke effecten van de ingezette diensten en producten in plaats van op de output. De meeste passende bekostigingsvorm hierbij is populatiebekostiging. Zowel de gemeenten als de aanbieders die deelnamen aan de marktconsultatie staan positief tegenover het principe van populatiebekostiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke voorwaarden voor het toepassen van populatiebekostiging zijn het hebben van inzicht in de effectiviteit van producten en diensten en in de omstandigheden waaronder deze effecten bereikt kunnen worden. Ook moet de relatie tussen investering (kosten) en de grootte van het effect bekend zijn, evenals de manieren om deze effecten te meten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit moment hebben de gemeenten en aanbieders hier onvoldoende zicht op om de omschakeling naar populatiegebonden bekostiging te kunnen maken. Daarom valt deze wijze van bekostiging voor de komende jaren af en wordt vooralsnog gekozen voor functie- en productiebekostiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het idee is om vanaf 2015 te starten met een gezamenlijke verkenning van de mogelijke toepassing van populatiebekostiging voor met name maatwerkvoorzieningen. Dit idee wordt verder uitgewerkt in de implementatiefase.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.4 Toekomstige vormgeving inkoop Nadat een keuze ten aanzien van het bekostigingsmodel (of bekostigingsmodellen) gemaakt is (in de implementatiefase) kan vervolgens worden bepaald welk(e) inkoopmodel(len) het meest geschikt is/zijn voor de algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en modules die de gemeenten wil aanbieden aan haar inwoners. In het maken van deze keuze worden de volgende aspecten meegewogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewenste relatie met aanbieders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewenste hoeveelheid te contracteren aanbieders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootte van de te ondersteunen groepen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewenste wijze van ontwikkelen van contractuele voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooralsnog zien we de volgende ‘voorsorteringen’ voor de toekomstige vormgeving van de inkoop. De definitieve keuze voor de inkoopmodellen wordt in de implementatiefase gemaakt, nadat de keuze voor de bekostigingsmodellen definitief is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene voorzieningen met functiebekostiging Voor algemene voorzieningen streven gemeenten in mindere mate naar samenwerking, aangezien het uitgangspunt is dat deze voorzieningen in de toekomst worden opgepakt door de samenleving zelf. Voor de algemene voorzieningen vallen daarom de inkoopmodellen ‘dialoogmodel’, ‘bestuurlijk aanbesteden’ en ‘beleidsgestuurde contractfinanciering’ af.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van algemene voorzieningen voor de samenleving, die volgens functiebekostiging worden bekostigd, is het raadzaam het aantal te contracteren aanbieders sterk te beperken en concurrentie in de inkoopfase te stimuleren om zo de kosten te verlagen. Hiervoor lenen zich de inkoopmodellen ‘dynamisch selectiemodel’, ‘catalogusmodel’, ‘veilingmodel’, ‘klassiek aanbesteden’, ‘mini-competitie’, ‘subsidietender’ en ‘dialoogmodel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene voorzieningen met productiebekostiging Voor algemene voorzieningen streven gemeenten in mindere mate naar samenwerking. Daarmee vallen de inkoopmodellen ‘dialoogmodel’, ‘bestuurlijk aanbesteden’ en ‘beleidsgestuurde contractfinanciering’ af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze algemene voorzieningen streven gemeenten meer naar marktwerking en concurrentie tussen aanbieders gecombineerd met resultaat- of outputsturing. Hiervoor lenen zich het ‘catalogusmodel’ en ‘klassiek aanbesteden’. Ook subsidiëring is hierbij een mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de algemene voorzieningen voor specifieke groepen/individuen hoeft het aantal te contracteren aanbieders niet per se beperkt te worden, omdat de cliënt kan zorgen voor de concurrentieprikkel (door vrije keuze). Hiervoor lenen zich de inkoop/subsidiemodellen ‘Zeeuws model’, ‘dynamisch selectiemodel’ en ‘catalogusmodel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorzieningen en modules (productiebekostiging) Voor maatwerkvoorzieningen en modules streven de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne naar een samenwerkingsmodel tussen aanbieders. Hiervoor lenen zich de inkoopmodellen ‘dialoogmodel’ en ‘ één-op-één-contract’. Gezien de wens om meer op resultaten / output te gaan sturen zijn subsidiemodellen hier minder geschikt voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens streven de gemeenten naar behoud van de bestaande infrastructuur en het toelaten van nieuwe aanbieders. De gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne kiezen er op voorhand niet voor om het aantal te contracteren aanbieders voor maatvoorzieningen te beperken. Het contracteren van meerdere aanbieders zorgt immers voor een concurrentieprikkel op kwaliteit, creativiteit bij de aanbieders en meer keuzevrijheid voor de cliënt. Een concurrentieprikkel is wel wenselijk, maar dan pas wanneer ze eenmaal gecontracteerd zijn. Dit is dan een concurrentieprikkel vanuit de cliënt (keuzevrijheid in aanbieder). Hiervoor lenen zich de inkoopmodellen ‘één-op-één contract’, ‘afspraak per cliënt’, ‘bestuurlijk aanbesteden’, ‘beleidsgestuurde contractfinanciering’ en ‘klassieke subsidie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wens tot samenwerking creëert de behoefte aan een mogelijkheid om samen met aanbieders de voorwaarden voor ondersteuning te bepalen. Er is een aantal inkoopmodellen dat de mogelijkheid biedt om tijdens het inkoopproces met elkaar hierover in gesprek te blijven, namelijk het ‘dialoogmodel’, ‘bestuurlijk aanbesteden’ en ‘beleidsgestuurde contractfinanciering’. Deze gaan uit van een dialoog of onderhandeling tussen gemeente en aanbieder(s) om te komen tot sluitende afspraken over inhoud, kwaliteitseisen en tariefstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor ondersteuning op maat is voor de gemeenten redelijk goed in te schatten hoeveel cliënten er ongeveer moeten worden ondersteund (op basis van de huidige situatie of de gegevens van derden). In het geval van een kleine groep cliënten (bijvoorbeeld de meest kwetsbare inwoners binnen de gemeenten, die in aanmerking komen voor vangnet voorzieningen) kan het handig zijn om niet op voorhand een overeenkomst af te sluiten of subsidie te verlenen, maar pas wanneer een cliënt zich aandient. De gemeenten kiezen daarmee voor het inkoopmodel ‘afspraak per cliënt’. De gemeente dient zich wel enigszins voor te bereiden door te inventariseren welke aanbieders hieraan willen meewerken en wat de belangrijkste voorwaarden zijn voor het afsluiten van de overeenkomst op cliëntniveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.5 Uitgangspunten voor inkoopafspraken In de inkoopafspraken die de gemeenten met de aanbieders maken, krijgen de bijdragen van aanbieders aan het realiseren van de transformatie en bezuinigingen een centrale plaats. De gemeenten verwachten van aanbieders dat zij proactief:</p>\n<p class=\"lf-p\">Producten ontwikkelen die gericht zijn op het vergroten van de zelfredzaamheid en indien mogelijk het afbouwen van zorg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoeken naar mogelijkheden om meer gebruik te maken van een lagere tariefmix en meer informele zorg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstellen doen voor het slim en efficiënt organiseren en combineren van ondersteuning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hun eigen organisatie efficiënt en slank inrichten, opdat de overhead zo laag mogelijk is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hun kennis en expertise onderling delen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de specificatie van de inspanning en prestatie willen de gemeenten aan de afspraken met de aanbieders een stevige resultaatscomponent en -prikkel toevoegen. Het ontwikkelen van deze componenten en prikkels is een gezamenlijk proces waar de gemeenten de medewerking van aanbieders in zullen vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslispunt 13 – De wijze van bekostiging en inkoop wordt begin 2014 verder uitgewerkt in een inkoopstrategie voor het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4Samenvatting en beslispunten Het begrip bekostiging gaat over de afspraken die de gemeente maakt met aanbieders over de te leveren prestaties/activiteiten en de eisen aan deze prestaties/activiteiten. Er zijn hierbij drie mogelijke bekostigingsmodellen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Productiebekostiging: de gemeente betaalt naar hoeveelheid productie/prestatie volgens een vaste prijs of tarief;</p>\n<p class=\"lf-p\">Populatiebekostiging: de gemeente betaalt een vast budget voor het behalen van een maatschappelijke effect voor een afgebakende groep inwoners;</p>\n<p class=\"lf-p\">Functiebekostiging: de gemeente betaalt een vast budget voor de beschikbaarheid van een functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip inkoop gaat over de manier waarop de gemeente de gewenste goederen en diensten betrekt van aanbieders. Ook hiervoor zijn diverse modellen zoals bijvoorbeeld het Veiligmodel en het Zeeuws model.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het centrale sturingsperspectief heeft het de voorkeur om te kiezen voor bekostigings- en inkoopmodellen die optimaal ruimte bieden aan deze samenwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in hoofdstuk 4 uiteen is gezet, streven de gemeenten naar een andere vormgeving van het palet van zorg en ondersteuning. Dit heeft geresulteerd in een voorlopig palet van twaalf basisproducten en vier modules. De basisproducten zijn onderverdeeld in algemene voorzieningen enerzijds en maatwerkvoorzieningen anderzijds. De modules zijn naar hun aard vergelijkbaar met maatwerkvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijze van bekostiging Het voorlopige voorstel is om voor de algemene voorzieningen te werken met een combinatie van productie- en functiebekostiging, en voor maatwerkvoorzieningen te werken met productiebekostiging. Daarbij wordt voor maatwerkvoorzieningen gestreefd naar een doorontwikkeling tot populatiebekostiging. De definitieve keuze voor de toe te passen bekostigingsvormen wordt gemaakt op basis van een nadere uitwerking van de inhoud van de producten in de implementatiefase.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijze van inkoop Na de keuze voor een bekostigingsvorm wordt de wijze van inkoop uitgewerkt. Het is daarom nog niet mogelijk om hier een definitieve keuze in te maken. Wel is duidelijk welke criteria meewegen in de uiteindelijke keuze:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen bekostigingsmodel Gewenste relatie met aanbieders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewenste hoeveelheid te contracteren aanbieders;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootte van de te ondersteunen groepen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gewenste wijze van ontwikkelen van contractuele voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van bekostiging en inkoop wordt begin 2014 verder uitgewerkt in een inkoopstrategie voor het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslispunt 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van bekostiging en inkoop wordt begin 2014 verder uitgewerkt in een inkoopstrategie voor het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Samenvatting en vervolg 8.1Samenvatting Met de overheveling van taken en bevoegdheden van de Rijksoverheid naar de gemeente per 1 januari 2015 worden gemeenten verantwoordelijk voor vrijwel de gehele maatschappelijke ondersteuning van onze inwoners, van jong tot oud. Dit beleidsplan schetst de integrale toekomstvisie van gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne op het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste zorg is het goed overnemen van de taken per 1 januari 2015 (transitie) en ten tweede het geleidelijk realiseren van de soms ingrijpende beleidswijzigingen (transformatie). De decentralisaties gaan gepaard met ingrijpende bezuinigingen van gemiddeld 20 %. Voortzetten van de huidige praktijk is dus geen optie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na vaststelling van dit beleidsplan zal een implementatieplan worden opgesteld met daarin specifieke aandacht voor de gevolgen van de decentralisaties op de ambtelijke organisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.1Decentralisaties De komende jaren krijgt de gemeente er een aantal grote taken bij in het sociaal domein. Ten eerste worden de aanspraken op extramurale begeleiding (dagbesteding en individuele begeleiding), kortdurend verblijf en vervoer vanuit de AWBZ overgeheveld naar het gemeentelijke domein. Ongeveer 5% van de aanspraken op de functie persoonlijke verzorging worden eveneens overgeheveld. Ook worden gemeenten verantwoordelijk voor de cliëntondersteuning en de inloopfunctie GGZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede worden gemeenten per 1 januari 2015 ook verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp (inclusief specialistische hulp zoals jeugd-ggz, jeugd-vb en gesloten jeugdhulp in het kader van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen), de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot zal per 1 januari 2015 de Participatiewet van kracht zijn. Met de Participatiewet komt er één regeling voor iedereen die in staat is om te werken, ook de mensen met een arbeidsbeperking die ondersteuning nodig hebben bij hun werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat diverse ‘nieuwe’ doelgroepen onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten komen te vallen. Bijna alle inwoners zijn voor hun ondersteuning bij beperkingen die zij ervaren, aangewezen op de gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.2Uitgangspunten en sturingsvisie Het hoofddoel van de decentralisaties is dat alle inwoners, ongeacht hun beperking, zoveel mogelijk mee doen aan de samenleving en dat zij zelfredzaam zijn. De hieraan gekoppelde sturingsopgave is om een groter beroep te doen op de eigen kracht van inwoners en meer taken in de samenleving terug te leggen. Ook de relatie met aanbieders moet veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn vier basismodellen om de relatie vorm te geven tussen gemeenten en aanbieders: eigen beheer, inkoopmodel, samenwerking en samenleving. De algemene voorkeur gaat uit naar het model samenwerking, maar wel onder bepaalde voorwaarden en condities die ontleend zijn aan het inkoopmodel. Dit kan worden benoemd als een ‘geclausuleerd samenwerkingsmodel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.3 Totaalbeeld toegang en aanbod Dit beleidsplan geeft kaders weer voor de vormgeving van de toekomstige zorg en ondersteuning en de wijze van toegang hiertoe. Deze kaders worden in de onderstaande figuur visueel weergegeven en hierna in de paragrafen 8.1.4 en 8.1.5 tekstueel verder uiteengezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.4Vormgeving zorg en ondersteuning Omdat de gemeenten verantwoordelijk worden voor de ondersteuning van inwoners met problemen op heel diverse leefgebieden en tegelijkertijd minder middelen krijgen om deze ondersteuning te organiseren, is het belangrijk om goede beleidskeuzes te maken over de vormgeving van deze ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt toegewerkt naar arrangementen in plaats van losse producten. Een arrangement is een pakket bestaande uit één of meerdere typen van oplossingen die de inwoner samen passende ondersteuning bieden voor de beperkingen die hij ervaart in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk terwijl voor een maatwerkvoorziening een indicatie nodig is om hiervan gebruik te kunnen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de bezuinigingsopgave van de gemeente die gepaard gaat met de decentralisaties is het zaak om de kosten in de komende jaren te verlagen. De besparing zit in het verkleinen van de instroom door preventie, één van de centrale uitgangspunten van dit beleidsplan. De focus ligt daarom op het hervormen van de zorg en ondersteuning in het brede deel van de piramide (de huidige 0e en 1e lijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten doen hiertoe drie beleidsvoorstellen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugleggen in de samenleving - alleen als een inwoner onvoldoende zelfredzaam is en oplossingen niet in het sociaal netwerk of met vrijwillige inzet kunnen worden gevonden, ligt er een taak voor de gemeente Investeren in preventie en tijdige inzet – het aanbod van algemene voorzieningen wordt uitgebreid. Deze ondersteuning is vrij toegankelijk voor inwoners Hervormen van het aanbod - De gemeenten zetten in op drie sporen. Ten eerst zullen diensten en producten worden vernieuwd en ontwikkeld door te kiezen voor een hervormd palet van zorg en ondersteuning dat bestaat uit een beperkt aantal basisproducten en modules. Ten tweede wordt gestimuleerd dat aanbieders vrijwilligers en mantelzorgers inzetten als onderdeel van professionele zorg. Tot slot zal inwoners de mogelijkheid worden geboden om hun indicatie voor een maatwerkvoorziening te verzilveren in de vorm van een persoonsvolgend budget (PVB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte realiseren de gemeenten een maatwerkvoorziening om inwoners financieel te compenseren als zij niet in staat zijn om de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.5Toegang Toegang in smalle zin omvat de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, aangezien deze niet vrij toegankelijk zijn. Het betreft hier de functies vraagverheldering, indicatiestelling en het inzetten van het diagnostisch team voor specialistisch advies. De toegang in smalle zin wordt georganiseerd in de gemeentelijke backoffice en is dus in eigen beheer. We verwachten hiermee de financiële risico’s die gepaard gaan met de decentralisaties het beste te kunnen beheersen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang in brede zin omvat alle taken die vooraf gaan aan het indienen van een aanvraag voor ondersteuning. Dit zijn in elk geval signalering, informatie en advies, onafhankelijke cliëntondersteuning en screening. Hierin spelen zowel gemeenten als partners een belangrijke rol. De informatie- en adviesfunctie geven de gemeenten vorm door middel van twee loketten: het CJG voor gezinnen en jeugdigen en het sociaal loket voor alle andere inwoners. De screening is bedoeld om een eerste indruk te krijgen en wordt door het loket uitgevoerd, maar kan ook door partners worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten organiseren onafhankelijke cliëntondersteuning die ten minste bestaat uit een telefonische of digitale vraagbaak, onafhankelijke cliëntondersteuners en een onafhankelijke vertrouwenspersoon. De nadere vormgeving van deze drie onderdelen wordt – binnen de wettelijke kaders – in de implementatiefase bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgcoördinatie is aan de orde als er op meer dan twee terreinen problemen zijn in een huishouden/gezinssysteem. Vaak gaat het om huishoudens met ernstige en complexe problematiek die vraagt om een gecoördineerde aanpak. Met de drie decentralisaties vindt er een toename plaats in de casuïstiek waar zorgcoördinatie benodigd is. Zorgcoördinatie bestaat uit procesregie (gericht op het proces) en casusregie (gericht op de inhoud). De procesregie voor de zorgcoördinatie voor huidige en nieuwe doelgroepen zal in eigen beheer worden uitgevoerd. De casusregie zal voor gemeente Hellevoetsluis worden belegd bij aanbieders en gemeente Westvoorne organiseert de casusregie zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.6 Financiën Nog altijd is niet bekend welke budgetten gemeenten gaan ontvangen voor de drie decentralisaties. Wel is duidelijk dat het geld wordt ondergebracht in een deelfonds sociaal domein en dat gemeenten dit geld alleen voor het sociaal domein mogen uitgeven. Binnen het deelfonds komt verder geen toewijzing van geld naar de aparte onderdelen jeugd, werk of zorg. Dat betekent dat als er meer geld nodig is voor jeugd en bijvoorbeeld minder voor werk, de gemeente kan schuiven tussen de budgetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de intentie om de decentralisaties (op termijn) taakstellend uit te voeren. De forse bezuinigingen vanuit het Rijk hebben grote gevolgen voor gemeenten. Om alle taken uit te kunnen voeren met de beschikbare middelen zijn bezuinigingen noodzakelijk. Zo is er een mogelijkheid om het aantal gebruikers van maatwerkvoorzieningen te verminderen, de hoeveelheid geleverde producten/diensten te verminderen, de kosten per geleverd product/dienst omlaag te brengen en te controleren op geleverde hulpverlening/ voorzieningen. De keuze voor één bezuinigingsmogelijkheid zal er niet voor zorgen dat de bezuinigingen volledig worden gehaald. Daarom is in de op te stellen bezuinigingsstrategie een combinatie van meerdere bezuinigingsmogelijkheden wenselijk en noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële kaders rondom de drie decentralisaties zullen worden verwerkt in de begroting voor 2015 en volgende jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.7 Bekostiging en inkoop Het begrip bekostiging gaat over de afspraken die de gemeente maakt met aanbieders over de te leveren prestaties/activiteiten en de eisen aan deze prestaties/activiteiten. Het begrip inkoop gaat over de manier waarop de gemeente de gewenste goederen en diensten betrekt van aanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het centrale sturingsperspectief heeft het de voorkeur om te kiezen voor bekostigings- en inkoopmodellen die optimaal ruimte bieden aan de gewenste samenwerking tussen de gemeenten en aanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten streven naar een andere vormgeving van het palet van zorg en ondersteuning. Dit heeft geresulteerd in een voorlopig palet van twaalf basisproducten en vier modules. De basisproducten zijn onderverdeeld in algemene voorzieningen enerzijds en maatwerkvoorzieningen anderzijds. De modules zijn naar hun aard vergelijkbaar met maatwerkvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit beleidsplan geeft nog geen definitieve invulling aan de wijze van bekostiging en inkoop, maar geeft alvast wel wat denkrichtingen. Dit zal begin 2014 verder uitgewerkt worden in een inkoopstrategie voor het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijze van bekostiging Het voorlopige voorstel is om voor de algemene voorzieningen te werken met een combinatie van productie- en functiebekostiging en voor maatwerkvoorzieningen te werken met productiebekostiging. Daarbij wordt voor maatwerkvoorzieningen gestreefd naar een doorontwikkeling tot populatiebekostiging. De definitieve keuze voor de toe te passen bekostigingsvormen wordt gemaakt op basis van een nadere uitwerking van de inhoud van de producten in de implementatiefase.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijze van inkoop Na de keuze voor een bekostigingsvorm wordt de wijze van inkoop uitgewerkt. Diverse criteria zullen meewegen in de uiteindelijke keuze:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen bekostigingsmodel Gewenste relatie met aanbieders Gewenste hoeveelheid te contracteren aanbieders Grootte van de te ondersteunen groepen Gewenste wijze van ontwikkelen van contractuele voorwaarden 8.2Overzicht beslispunten In het beleidsplan zijn in totaal dertien beslispunten geformuleerd. Onderstaande tabel geeft al deze beslispunten weer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslispunt</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het beleidsplan ‘De krachten gebundeld’ wordt als kader voor de ontwikkeling en uitvoering van beleid op de domeinen Zorg, Jeugd en Participatie voor de periode van 2014-2017 vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De intentie is te komen tot een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie voor de drie decentralisaties voor Hellevoetsluis en Westvoorne. Het is mogelijk dat op langere termijn tot uitbreiding van deze samenwerking wordtovergegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De relatie tussen de gemeente en professionele organisaties kenmerkt zich door samenwerking. Dit gebeurt wel onder voorwaarden en condities die ontleend zijn aan het inkoopmodel. Dit kan worden benoemd als een ‘geclausuleerd samenwerkingsmodel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten gaan uit van de kracht en zelfredzaamheid van de samenleving. Als logisch gevolg hiervan legt de gemeente bepaalde voorzieningen uit de huidige 0e en 1e lijn terug bij de samenleving. De gemeenten hebben blijvend een taak in signalering, gezamenlijk met aanbieders en inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle inwoners kunnen gebruik maken van de algemene voorzieningen. Deze voorzieningen wordenzoveel mogelijk voor én door inwoners vormgegeven, uitgevoerd en/of bekostigd. Als algemene voorzieningen worden in elk geval vormgegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Schoonmaakdienst B. Laagdrempelige dagbesteding C. Eén vervoersvoorziening voor alle doelgroepen D. Gebiedsgerichte sociale teams 4 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners kunnen uitsluitend van maatwerkvoorzieningen gebruik maken wanneer zij hiervoor een indicatie hebben. De producten worden door de gemeente bekostigd en door professionele organisaties uitgevoerd, waar mogelijk met ondersteuning van vrijwilligers en/of mantelzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten zetten in op het vernieuwen en ontwikkelen van diensten en producten, door:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Te kiezen voor een hervormd palet van zorg en ondersteuning dat bestaat uit basisproducten en modules.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Te stimuleren dat aanbieders vrijwilligers en mantelzorgers inzetten als complementair onderdeel van professionele zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Inwoners de mogelijkheid te bieden om hun indicatie voor een maatwerkvoorziening te verzilveren in de vorm van een persoonlijk budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten zullen inwoners financieel compenseren als zij niet in staat zijn om de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn per gemeente twee loketten waar inwoners terecht kunnen voor informatie, advies en een eerste screening. Dit is het CJG waar de doelgroep met name bestaat uit gezinnen en jeugdigen en het sociaal loket voor alle andere inwoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is één backoffice waarin alle deskundigheden die nodig zijn om vraagverheldering en indicatiestelling voor Wmo en Jeugd te vervullen, worden gebundeld. De medewerkers zijn in dienst van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesregie voor de zorgcoördinatie voor huidige en nieuwe doelgroepen zal in eigen beheer worden uitgevoerd. De casusregie zal voor de gemeente Hellevoetsluis worden belegd bij de aanbieders. De casusregie in gemeente Westvoorne zou zowel kunnen worden belegd bij aanbieders als bij de gemeente zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële kaders rondom de drie decentralisaties zullen worden verwerkt in de begroting voor 2015 en volgende jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van bekostiging en inkoop wordt begin 2014 verder uitgewerkt in een inkoopstrategie voor het sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 8.3Vervolg Van beleidsplan naar implementatieplan Dit beleidsplan is een belangrijke stap richting 1 januari 2015, wanneer de decentralisaties van kracht worden. Veel beleidsvoorstellen die in dit beleidsplan genoemd zijn, moeten in 2014 echter nog (verder) worden uitgewerkt. Het gaat onder andere om de basisproducten en modules, de werkwijze in de toegang, de begroting, de bezuinigingsstrategie en de inkoopstrategie. Ook moet nog aandacht worden besteed aan de wijze waarop de gemeenten de kwaliteit van de geleverde zorg willen borgen en bewaken en zijn er nog veel uitwerkingstaken rondom het klachtrecht, cliëntenparticipatie en een medezeggenschapsraad. In de implementatiefase zal ook worden ingegaan op de wijze waarop de raad de monitorende rol kan vervullen en over hoe de aanbieders aan de gemeenten verantwoording dienen af te leggen over hun resultaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zijn er veel randvoorwaarden die nodig zijn om de decentralisaties goed te kunnen uitvoeren. Het gaat hierbij in elk geval om het inrichten van de interne organisatie, de benodigde ICT- infrastructuur, het inkopen van de benodigde voorzieningen, het organiseren van de toegang en brede communicatie over de aanstaande wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste kwartaal van 2014 zal een implementatieplan worden opgesteld waarin zowel de nadere uitwerking van de beleidsvoorstellen als de randvoorwaarden een plek krijgen. Dit plan is de leidraad voor de voorbereidende werkzaamheden die in 2014 zullen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de brede communicatie zal een apart communicatieplan worden opgesteld, eveneens aan het begin van 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluitvorming in 2014 Vanuit haar kaderstellende en controlerende rol stelt de gemeenteraad het onderhavige beleidsplan vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het implementatieplan en het communicatieplan ligt de nadruk op de uitvoering van de voorbereidende werkzaamheden. Deze plannen zullen in nauw overleg met de CIE ZWO/CIE IZ en de adviesraden worden opgesteld. In Hellevoetsluis gebeurt dit via de klankbordgroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals eerder vermeld wordt het financiële kader voor het sociale domein gepresenteerd in de begroting 2015. Deze zal door de gemeenteraad worden vastgesteld in het 4e kwartaal van 2014. Daarnaast zullen in 2014 ook de diverse benodigde verordeningen het besluitvormingstraject ingaan. Ook deze worden door de gemeenteraad vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Planning implementatie Bijlage1– Samenvatting marktconsultatie Deze bijlage geeft een samenvatting van de marktconsultatie. Het gehele rapport is als aparte bijlage bij dit beleidsplan opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitkomsten uit de marktconsultatie onder lokale/regionale aanbieders (uitgevoerd door adviesbureau Significant) De drie gemeenten op Voorne hebben gezamenlijk een marktconsultatie laten uitvoeren door Significant onder een groot aantal lokale/regionale aanbieders, die nu al in deze gemeenten actief zijn op het terrein van jeugd en AWBZ/Wmo. Uit deze consultatie komt het onderstaande beeld naar voren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieders De aanbieders geven aan dat de decentralisatie ook van hen een transformatie verwacht. Zo zien zij een verandering in de manier waarop zij samenwerken met de gemeenten. De meeste aanbieders willen groeien naar een partnerrol waarin de gemeenten en de aanbieders gezamenlijk nadenken over het te voeren beleid en de inzet van ondersteuningsarrangementen bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanbieders zelf is het van belang om producten en diensten te ontwikkelen die voldoen aan de (financiële) middelen die beschikbaar zijn. Deze nieuwe producten en diensten faciliteren de zelfredzaamheid of verbreden het in te zetten netwerk. Ook staan de aanbieders ervoor om meer producten te ontwikkelen die als collectieve voorziening ingezet kunnen worden. Daarnaast gaat er ook meer geïnvesteerd worden in meer preventieve producten en diensten om de groei naar de doelgroep met de zwaarste zorgvraag voor te zijn of af te remmen. Het mixen van doelgroepen bij collectieve voorzieningen is ook een mogelijkheid van slimmer organiseren. Hier geven de aanbieders aan dat dit wel precair is, maar het heeft wel meerdere (schaal)voordelen in zich die de producten en diensten meer betaalbaar maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De organisatie van de aanbieders zelf moeten vaak ook veranderen. Dit betekent voor de meeste aanbieders snijden in de eigen organisatie. Vooral van management- en staffuncties wordt momenteel afscheid genomen. Dit verlaagt de overheadkosten en stimuleert het meer autonome handelen van de professionals welke na de decentralisatie verder zal toenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten De aanbieders verwachten dat de gemeenten ook een transformatie ondergaan. De gemeenten gaan namelijk regievoeren op aanbieders die op een nieuwe manier gaan samenwerken. Tegelijkertijd gaan de gemeenten verantwoordelijkheid dragen voor een aantal complexe doelgroepen met als randvoorwaarden dat er met minder geld eenzelfde kwaliteit van zorg en hulpverlening tot stand komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dit te realiseren geven verschillende aanbieders het advies om sociale wijkteams op te zetten, die nauw samenwerken met lokale aanbieders en kennis hebben van de specialistische aanbieders, om zo zorg op maat aan te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenten versnellen de transformatie naar een haalbaar eindresultaat wanneer zij gebruik maken van de kennis van bestaande aanbieders. Hierdoor wordt bij de gemeenten duidelijk welke verschillende zorgvragen er zijn en dat zij op een andere manier georganiseerd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemeenten hun visie op basis van bestaande kennis en kunde combineren met de taak- en doelstellingen van de decentralisaties is het uitdragen van deze boodschapde volgende stap. De verwachtingen van cliënten richting gemeenten is in de loop der jaren gegroeid naar een positie waarin de cliënten de gemeenten kunnen benaderen voor voorzieningen en producten waar zij ‘recht’ op hebben. Dat dit niet meer zo is moge duidelijk zijn, maar de houding van de cliënten richting de gemeenten en vice versa moet nog wel veranderen. De gemeenten groeien naar een rol waarin zij duidelijk aangeven wat de cliënt van hen kan verwachten, maar ook wat de gemeenten van hen verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de veranderende verhouding tussen cliënt en gemeenten verandert ook de verhouding tussen de gemeenten en de aanbieder. De klassieke verhouding bestaat eruit dat de gemeenten tot op een ‘laag’ niveau de verwachtingen heeft uitgeschreven. Dat resulteerde erin dat de gemeenten tot op zeker niveau altijd voorschreef wat de aanbieders leverden. Dit is bij deze decentralisatie niet houdbaar vanwege het ongekende karakter waar nieuwe vormen van samenwerken, nieuwe producten en een veranderende houding van alle aanbieders alleen plaatsvinden wanneer de gemeenten hier ruimte voor geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De korting die gemoeid is met de decentralisaties betekent dat aanbieders efficiënter moeten werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieders geven aan dat de gemeenten dit kunnen regelen door de verschillende pijlers van het sociale domein integraal aan te pakken en door samen te werken met andere gemeenten wanneer dit mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt De aanbieders verwachten ook dat de cliënt een grote transformatie moet ondergaan. De cliënt is de afgelopen jaren aan een situatie gewend geraakt waarin de zorgvraag vervuld wordt door professionals en dat deze zorg een recht is. Door de transitie gaat dit veranderen en is het niet meer vanzelfsprekend dat iedereen eenzelfde product of dienst krijgt wanneer hierom gevraagd wordt. Er wordt middels maatwerk gekeken hoe de vraag zo goed mogelijkte beantwoorden is met als insteek om eerst te kijken wat de cliënt zelf kan. Voor deze transformatie is het nodig dat cliënten een goede begeleiding krijgen bij het ontwikkelen van zelfredzaamheid, het inzetten van de eigen omgeving, het accepteren van maatwerken de inzet van meer mantelzorgers en vrijwilligers in plaats van professionals. Kortom, de cliënten worden gestimuleerd onderdeel te zijn van de participatiesamenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Transformatie door cultuuromslag en met concrete instrumenten Het veranderen van de verschillende aanbieders begint bij het uitdragen van een visie. Deze visie brengt de verschillende effecten samen (ander gedrag van de professionals en inwoners, een andere cultuur bij instellingen en professionals, een andere werkwijze en een ander manier van samenwerken tussen de betrokken partijen) en is de stip op de horizon. Het geeft antwoord op de vraag waarom de transformatie nodig is. Deze visie is opgesteld door de gemeenten en de uitwerking is idealiter in afstemming met de aanbieders en cliënten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De transformatie betekent voor de aanbieders dat zij slimmer moeten werken en beter moeten samenwerken met andere partijen en aanbieders. Naast het samenwerken met de gemeenten en andere aanbieders is het van belang dat belanghebbende partijen in het sociale domein ook ingezet worden. Onderwijsinstellingen, woningbouwcorporaties, huisartsen en bedrijven zijn onmisbaar voor het slagen van de decentralisaties. (Het voorbereiden op) de transformatie is het moment om deze samenwerkingsverbanden op te zetten en te borgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cultuuromslag die nodig is om de nieuwe samenwerkingsverbanden en nieuwe rollen te borgen, starten en bestendigen de gemeenten door de visie in praktijk te brengen. Het opstarten hiervan middels experimenten, proeftuinen en pilots tijdens de transitie, is niet voltooid op 1 januari 2015. Het verder doorvoeren van de cultuuromslag tijdens transformatieperiode is te borgen door te sturen op heldere beleidsdoelstellingen die gelden voor de doelgroepen. Het inzetten van doelstellingen per doelgroep, aanbieder of een sociaal wijkteam is een oplossing. Het is van belang om te zorgen dat de doelstellingen meetbaar zijn en door middel van een meetinstrument zichtbaar worden gemaakt. Denk hierbij aan het inzetten van de zelfredzaamheidmatrix, de participatieladder, de eigenkrachtconferentie of de recoverystar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele aanbieders geven aan dat dit niet voldoende het resultaat weergeeft van de behaalde resultaten voor de trajecten, producten of diensten die zij bieden. Dit is te verhelpen door resultaatdoelstellingen in stand te houden en tijdens de verantwoording rekening te houden met de onvolledigheid van de terugkoppeling op behaalde resultaten. Of door de resultaatdoelstellingen te vertalen naar concrete activiteiten en als gemeenten accepteren dat dit geen volledig beeld geeft van het effect van de activiteiten op de resultaatdoelstellingen. Voor sommige doelgroepen is het moeilijker om de cliënttevredenheid in beeld te krijgen dan voor andere doelgroepen. Het onder woorden brengen blijkt soms lastig te zijn. De aanbieders geven aan dat de gemeenten niet op eenzelfde manier klanttevredenheidsonderzoeken kunnen afnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieders geven aan dat wanneer de gemeenten de transformatie geleidelijk doorvoeren er de minste frictiekosten ontstaan. Dit wordt met name gemeld door de grotere aanbieders die de afgelopen jaren dusdanig hebben geïnvesteerd in de bestaande infrastructuur dat een snelle verandering ten koste gaat van de organisatie. Nieuwe of kleine aanbieders hebben minder moeite en kosten met betrekking tot de transitie en geven aan dat een geleidelijke transitie ten koste gaat van een mogelijk marktaandeel van de organisatie en van een efficiëntiewinst die uitgesteld wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer kwaliteit met minder budget is realistisch De aanbieders begrijpen dat de gemeenten de ondersteuning met minder budget moeten organiseren. De meeste aanbieders zien ook verschillende mogelijkheden om financiële middelen te besparen, efficiënter te organiseren of effectiever te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele denkrichtingen die aanbieders noemen:</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Door afschaling van ondersteuning waarbij ondersteuning wordt uitgevoerd door minder hoogopgeleid personeel. Deze denkrichting bevat verschillende lagen die zowel separaat als in samenhang kunnen worden opgepakt: · Een grote bezuinigingsslag ontstaat door bepaalde vormen van ondersteuning die nu door betaalde krachten wordt uitgevoerd, door vrijwilligers of mantelzorgers uit te laten voeren; · Ook door buurten, wijken en sociale netwerken te activeren en in te zetten, kunnen gemeenten de inzet van betaalde en professionelekrachten terugschroeven. Enkele voorbeelden zijn het buurthuis voor en door buurtbewoners onder begeleiding van een enkele betaalde kracht en de vrijwillige buurtmedewerkers die gecoacht worden door een mbo of hbo geschoolde betaalde kracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Door meer in te zetten op preventiekunnen gemeenten de inzet van zwaardere vormen van ondersteuning voorkomen. Verschillende aanbieders van specialistische ondersteuning geven hierbij aan dat kortdurende preventieve inzet van specialistische inzet soms wenselijk is om langdurige inzet van zwaardere en duurderevormen van ondersteuning te voorkomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">C. Door aanbieders te sturen op resultaten en niet op inspanning of activiteiten. Dit geeft aanbieders de ruimte om ondersteuning efficiënt en slim te organiseren;</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Door de resultaatsafspraken met aanbieders direct af te leiden uit de gemeentelijke beleidsdoelstellingen. Dit betekent dat de gemeenten met aanbieders afspraken maken over bijvoorbeeld het vergroten van zelfredzaamheid: aanbieders kunnen bij elke uitgegeven euro vaststellen in hoeverre deze bijdraagtaan het vergroten van de zelfredzaamheid van cliënten;</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Door via de bekostiging aanbieders te prikkelen efficiënter en effectiever te werken. Zowel populatiebekostiging als prestatiebekostiging biedt mogelijkheden voor deze prikkel. Wel is het zo dat aanbieders meer ruimte hebben om slim te organiseren en effectief te werken naar mate de afspraken op minder gedetailleerd niveau vastliggen. Eén van de aanbieders opperde de mogelijkheid dat gemeenten een budget in de markt zetten waarop aanbieders kunnen inschrijven met een plan om zoveel mogelijk maatschappelijke waarde te leveren;</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Door de decentralisaties integraal te organiseren. Door de decentralisaties in samenhang te organiseren en uit te voeren is het enerzijds mogelijk om de juiste oplossing voor het juiste probleem aan te dragen (binnen de aanpak van één gezin één plan) en is het anderzijds mogelijk om verschillende vormen van ondersteuning die in één gezin of in de nabijheid geleverd worden, gecombineerd uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage2– Overzicht huidige en nieuwe taken AWBZ/Wmo en jeugd Bijlage3– Nieuwe doelgroepen en grondslagen AWBZ Derapportage van het Wmo-kantoorbevat een analyse van de kengetallen voor begeleiding, persoonlijke verzorging, ZZP’s en de jeugd-GGZ. Deze rapportage is als aparte bijlage toegevoegd aan dit beleidsplan (‘Rapportage decentralisatiemonitor AWBZ’). Onderstaand is achtergrondinformatie opgenomen over de nieuwe doelgroepen en de grondslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschrijving nieuwe doelgroepen Met de decentralisatie van een deel van de AWBZ krijgen de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne te maken met een diversiteit aan doelgroepen, die nu nog relatief onbekendvoor gemeenten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de te decentraliseren functie extramurale begeleiding (BG) gaat het om mensen die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van: a. de sociale redzaamheid,</p></div>", "next": 239927}