{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan in het IKB de spaarperiode beëindigen uiterlijk met ingang van de dag van de eerst volgende salarisverwerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-457\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Het levenslooptegoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: ten behoeve van de uitbetaling van levenslooploon, ten behoeve van het levenslooptegoed in een aanspraak als bedoeld in artikel 17.10.3 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, mits na de omzetting de aanspraak nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde grenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het levenslooptegoed wordt op geen enkele wijze afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding aangeboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-458\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Overboeken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek van de ambtenaar aan de werkgever om het levenslooptegoed dat is opgebouwd in een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen buiten het waterschap geheel of gedeeltelijk over te boeken naar een op grond van deze regeling geopende levens-looprekening of afgesloten levensloopverzekering wordt gehonoreerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-459\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verlofaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar dient een verzoek om verlof voor minder dan drie maanden tenminste drie maanden voor het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk bij de werkgever in. Bij een verlof van drie maanden of langer moet de aanvraag tenminste zes maanden voor het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk bij de werkgever worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in daartoe aanleiding gevende gevallen toestaan dat een kortere aanvraagtermijn in acht wordt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om toekenning van levensloopverlof bevat de volgende gegevens: de gewenste datum van ingang van de levensloopverlofperiode; het aantal uren levensloopverlof dat wordt opgenomen; de verdeling van de uren levensloopverlof over de weken; het percentage van het maandinkomen dat als uitkering moet worden betaald; een machtiging van de ambtenaar om een eenmalige of maandelijkse uitkering ter grootte van het in de aanvraag aangegeven bedrag ten laste van zijn levenslooptegoed aan de werkgever te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever stemt in met de aanvraag als bedoeld in het eerste lid van dit artikel tenzij de belangen van de dienst zich verzetten tegen toekenning op het voorgestelde tijdstip en/of de vorm van het verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval de werkgever niet instemt met de verlofaanvraag, deelt de werkgever dat schriftelijk en gemotiveerd binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het verzoek mee.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkeringen tijdens het levensloopverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende het levensloopverlof ontvangt de ambtenaar een maandelijkse uitkering als bedoeld in artikel 4.5.9, derde lid sub d. De uitkering is ten hoogste gelijk aan het maandinkomen dat de ambtenaar direct voorafgaand aan de verlofperiode ontving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het levensloopverlof voor een deel van de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur wordt toegekend bedraagt de uitkering samen met salaris en andere toegekende beloningen niet meer dan het maandinkomen dat de ambtenaar direct voorafgaand aan de verlofperiode ontving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Gevolgen voor arbeidsvoorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over de opgenomen uren levensloopverlof vindt geen opbouw van verlof en het IKB-collectief plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de opgenomen uren levensloopverlof bestaat geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging, toeslagen, toelagen, tegemoetkomingen, uitkeringen en vergoedingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.12</span><span class=\"lf-art-t\">Ziekte tijdens de verlofperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft in geval sprake er is van langdurige ziekte het recht om de opname van het levenslooploon stop te zetten. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit recht ontstaat vanaf het moment waarop de ambtenaar, na melding van de ziekte bij de werkgever, tenminste vier weken aaneengesloten ziek is geweest en de ziekte naar verwachting van de bedrijfsarts van langdurige aard zal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na herstel van de ambtenaar bepalen ambtenaar en werkgever in onderling overleg of, en zo ja op welke wijze, het resterende deel van het levensloopverlof wordt opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4513\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.13</span><span class=\"lf-art-t\">Zwangerschap- en bevallingsverlof</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duur van het zwangerschap- en bevallingsverlof wordt het levensloopverlof opgeschort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voortzetting aan de levensloopregeling waterschapspersoneel is vanaf 1 januari 2012 mogelijk voor de ambtenaar die op 31 december 2011 deelnemer aan de levensloopregeling is en een positief saldo van € 3.000,00 op de levenslooprekening en of polis heeft staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Activerend personeelsbeleid 5.1 Uitgangspunt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Activerend Personeelsbeleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de ambtenaar zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor duurzame inzetbaarheid en –loopbaanontwikkeling. Het dagelijks bestuur zorgt voor een activerend personeelsbeleid in het waterschap en de ambtenaar voor de eigen inzetbaarheid en loopbaanontwikkeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vraagt van partijen een actieve rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de ambtenaar maken afspraken gericht op optimale inzetbaarheid van de ambtenaar, die dan in staat is werk en inkomen te krijgen en te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gesprekscyclus en het Persoonlijk Ontwikkelingsplan zijn de centrale instrumenten om op individueel niveau activerend personeelsbeleid inhoud te geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-512\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">A&amp;O-fonds Waterschappen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het A&amp;O-fonds heeft ten doel het initiëren, stimuleren en bevorderen van (vernieuwende) activiteiten in de sector Waterschappen op het gebied van arbeidsmarkt en HRM-beleid. Op verzoek van het LAWA voert het fonds andere activiteiten uit die rechtstreeks verband houden met de SAW, de werkgelegenheid en van een adequate scholing en opleiding voor de sector waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het A&amp;O-fonds Waterschappen wordt gefinancierd door middel van een bijdrage van 0,12% van de loonsom per jaar van de waterschappen en van de aan de waterschappen gelieerde organisaties die de SAW volgen. Onder loonsom wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan: Loon voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen (kolom 14 van de modelloonstaat van de Belastingdienst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks doen de in lid twee bedoelde organisaties aan het A&amp;O-fonds Waterschappen opgaaf van de loonsom per 1 januari van het betreffende jaar. Een kopie van de loonstaat waaruit dit bedrag kan worden afgeleid wordt bijgevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Regeling Gesprekscyclus</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gesprekscyclus</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gesprekscyclus bestaat in beginsel uit drie gesprekken per jaar tussen het dagelijks bestuur en de ambtenaar. In deze gesprekken komen planning, voortgang en evaluatie- en beoordeling aan de orde. Het moment van evaluatie- en beoordeling kan, indien gewenst, samenvallen met het moment waarop planningsafspraken worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de gesprekscyclus komen ontwikkeling, loopbaan, mobiliteit, vitaliteit, opleiding, arbeidsomstandigheden en Tijd- en PlaatsOnafhankelijk Werken aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gesprekken in de cyclus kunnen uitgebreid worden met een Persoonlijk OntwikkelingsPlan, een vitaliteitgesprek, een loopbaangesprek artikel, tweede loopbaan of een afronding loopbaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Planningsgesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en ambtenaar maken ieder jaar, na gezamenlijk overleg, vóór 31 maart concrete planningsafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de ambtenaar brengen hun opvattingen over de te maken planningsafspraken vooraf en in het gesprek in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de ambtenaar kunnen afspreken dat andere personen aanwezig zijn bij het planningsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het planningsgesprek worden concrete afspraken gemaakt over de te behalen resultaten talent- en competentieontwikkeling. Afspraken over (te ontwikkelen) competenties worden pas gemaakt nadat de organisatie een competentiewoordenboek/systeem heeft vastgesteld waarover overeenstemming is bereikt met de Ondernemingsraad. Tevens komen de wensen, ambities, vitaliteit, loopbaan en ontwikkelmogelijkheden van de ambtenaar aan de orde en hierover worden concrete afspraken gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De planningsafspraken zijn Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De planningsafspraken worden schriftelijk vastgelegd. Het dagelijks bestuur en de ambtenaar tekenen de gemaakte afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het dagelijks bestuur en de ambtenaar het niet eens worden over de te maken planningsafspraken beslist het dagelijks bestuur. De ambtenaar kan schriftelijk zijn zienswijze kenbaar maken en tekent daarna de afspraken voor gezien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voortgangsgesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de ambtenaar bespreken halverwege het jaar tenminste eenmaal de voortgang van de gemaakte afspraken. Hierbij kan onder meer aandacht worden besteed aan de wijze waarop de werkzaamheden worden verricht, de randvoorwaarden om de resultaten te bereiken, de arbeidsomstandigheden en de wijze van leidinggeven. Ook de afspraken gemaakt in het kader van Persoonlijk OntwikkelingsPerspectief, loopbaan of vitaliteit worden besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de ambtenaar kunnen afspreken dat andere personen bij het voortgangsgesprek aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voortgangsgesprek heeft tot doel de realisering van de vastgelegde planningsafspraken te volgen en te ondersteunen. Zo nodig worden de afspraken nader ingevuld, aangevuld dan wel bijgesteld. Afspraken over nadere invulling, aanvulling of bijstelling worden schriftelijk vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het dagelijks bestuur en de ambtenaar het niet eens worden over de te maken afspraken beslist het dagelijks bestuur. De ambtenaar kan schriftelijk zijn zienswijze kenbaar maken en tekent daarna de afspraken voor gezien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Evaluatie- en beoordelingsgesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vóór 1 december van ieder jaar hebben het dagelijks bestuur en ambtenaar een evaluatie- en beoordelingsgesprek. Zo nodig vinden extra gesprekken plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minimaal één week voordat het evaluatie- en beoordelingsgesprek zal plaatsvinden, ontvangt de ambtenaar de concept evaluatie- en beoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar wordt uitgenodigd zijn opvattingen over de concept evaluatie- en beoordeling voor het evaluatie- en beoordelingsgesprek in te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het evaluatie- en beoordelingsgesprek evalueren het dagelijks bestuur en de ambtenaar de realisatie van de gemaakte afspraken uit het plannings- en voortgangsgesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kent een eindoordeel A, B, C, D, of E als bedoeld in artikel 3.1.8 SAW toe aan het totale functioneren van de ambtenaar. Deze score wordt vastgelegd in een evaluatie- en beoordelingsformulier. Een beslissing tot toekenning van een eindoordeel wordt de ambtenaar uiterlijk voor 31 december, schriftelijk meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de ambtenaar kunnen afspreken dat andere personen bij het evaluatie- en beoordelingsgesprek aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan voor het opmaken van de evaluatie- en beoordeling inlichtingen bij derden inwinnen. Ook de ambtenaar kan vragen om informatie bij derden in te winnen. Het dagelijks bestuur deelt de ambtenaar mee welke informatie hij van deze derden heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar weigert deel te nemen aan het evaluatie- en beoordelingsgesprek of de ambtenaar niet kan deelnemen, terwijl uitstel naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet verantwoord is, kan het dagelijks bestuur besluiten de evaluatie- en beoordeling buiten aanwezigheid van de ambtenaar uit te brengen. Het dagelijks bestuur stelt de ambtenaar hiervan tijdig schriftelijk en gemotiveerd in kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur ondertekent het evaluatie- en beoordelingsformulier voor akkoord. De ambtenaar ondertekent het evaluatie- en beoordelingsformulier voor gezien. Indien de ambtenaar het niet eens is met de evaluatie- en beoordeling kan hij binnen twee weken de geschilpunten op het evaluatie- en beoordelingsformulier vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar niet binnen twee weken zijn geschilpunten kenbaar heeft gemaakt wordt de evaluatie- en beoordeling, door het dagelijks bestuur vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die zijn geschilpunten als bedoeld in lid 9 kenbaar heeft gemaakt wordt binnen twee weken nadat hij dit heeft gedaan in de gelegenheid gesteld deze bezwaren mondeling toe te lichten bij het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur wijzigt de evaluatie- en beoordeling, voor zover hij de bezwaren van de functionaris deelt. Wanneer hij geheel aan de bezwaren tegemoet komt, stelt hij de evaluatie- en beoordeling vast. Indien het dagelijks bestuur de bezwaren niet deelt wordt de evaluatie- en beoordeling uiterlijk na 6 weken nadat deze is uitgebracht vastgesteld door het dagelijks bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop van evaluatie- en beoordeling en planning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In overleg tussen dagelijks bestuur en ambtenaar kan bepaald worden dat het evaluatie- en beoordelingsgesprek en het planningsgesprek samenvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Opleiding en ontwikkeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Opleidingsplan en opleidingsbudget</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt een opleidingsplan en een opleidingsbudget vast ter hoogte van een bedrag dat minimaal gelijk is aan 2,5% van de loonsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opleidingsplan wordt met de OR besproken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk OntwikkelingsPlan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijks bestuur en ambtenaar kunnen in overleg vaststellen dat er in aanvulling op de afspraken uit de reguliere gesprekscyclus, behoefte is aan een gesprek over opleiding, ontwikkeling, carrière, vitaliteit en mobiliteit. Het gesprek en de afspraken, het Persoonlijk OntwikkelingsPlan (POP) worden vastgelegd in het personeelsdossier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding en verlof bij verplichte opleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien uit de gesprekken van de gesprekscyclus volgt dat de ambtenaar een opleiding nodig heeft die direct of indirect van belang is voor een goede uitoefening van de huidige of toekomstige functie, worden de opleiding en de daaraan verbonden kosten en tijd volledig door het waterschap vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder opleiding wordt ook verstaan het doorlopen van een procedure bij een erkende EVC-aanbieder om te meten in welke mate getoonde competenties, of bewijzen daarvan, voldoen aan de (opleiding)standaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding en verlof bij opleiding voor ontwikkeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het POP kunnen opleidingsafspraken gemaakt worden die passen binnen de ontwikkelingsdoelstellingen van de ambtenaar en de waterschapsorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het POP wordt dit uitgewerkt in afspraken over de duur van de te volgen opleiding(en); wie welk deel van de studiekosten voor zijn rekening neemt; een eventuele terugbetalingsregeling; hoe om te gaan met de tijd die gemoeid is met de te volgen opleiding(en); de te verwachten voortgang en resultaten; de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden onderbroken of gestopt; de consequenties bij onderbreking of afbreking van de opleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Loopbaanfaciliteiten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vitaliteitgesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijks bestuur en ambtenaar kunnen in overleg vaststellen dat er in aanvulling op de afspraken uit de reguliere gesprekscyclus, behoefte is aan een vitaliteitgesprek over carrière, mobiliteit, tweede loopbaan, gezondheid, vitaliteit en welzijn. De afspraken en inzet van instrumenten worden vastgelegd in het personeelsdossier of persoonsdossier.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-542\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Tweede loopbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan voor de zogenoemde tweede loopbaan, eenmalig aanspraak maken op de faciliteiten van een in redelijkheid vast te stellen loopbaanbudget. Het loopbaanbudget kan ingezet worden om eenmalig de loopbaan een nieuwe wending te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken over een tweede loopbaan zijn onderdeel van in overleg met het dagelijks bestuur en de ambtenaar gemaakte afspraken in het vitaliteitgesprek of POP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-543\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Afronding loopbaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijks bestuur en ambtenaar kunnen in overleg vaststellen dat er in aanvulling op de afspraken uit de reguliere gesprekscyclus, behoefte is aan een gesprek met de leidinggevende over de afronding van zijn loopbaan. Het gesprek en de afspraken worden vastgelegd in het personeelsdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drie jaar voor het bereiken van de AOW leeftijd wordt standaard een gesprek gevoerd over de afronding van de loopbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijks bestuur en ambtenaar bespreken wensen als coachen, kennis overdracht, flexibele pensionering, deeltijdpensioen of op basis van artikel 8.1.3 lid 2 SAW de wens tot werken na de AOW gerechtigde leeftijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijks bestuur en ambtenaar bespreken welke instrumenten uit het activerend personeelsbeleid een bijdrage leveren aan de inzetbaarheid en vitaliteit van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-544\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene dienst en loopbaangesprek en loopbaanbudget</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de ambtenaar in algemene dienst wordt een loopbaangesprek gevoerd en de ambtenaar krijgt een individueel loopbaanbudget.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-545\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Het loopbaangesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de ambtenaar in algemene dienst hebben jaarlijks een loopbaan-gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het loopbaangesprek heeft tot doel de competenties van de ambtenaar verder te ontwikkelen en in te zetten waar dat in verband met de bedrijfsvoering en de loopbaanontwikkeling van de ambtenaar belangrijk is. Het loopbaangesprek is gericht op het bevorderen van de mobiliteit van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het loopbaangesprek worden de ontwikkeling van de ambtenaar, de mogelijkheden (functies), inspanningen (functioneren, inzet loopbaanfaciliteiten) en condities (van de aanstelling/benoeming) besproken. Dit in relatie tot: de ambities van de ambtenaar; de behoefte van de organisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-546\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Loopbaanbudget</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het loopbaanbudget bedraagt € 2.500,-. Het budget kan in de plaatsingsperiode zoals bedoeld in artikel 2.1.8 lid 3 SAW één keer in gezet worden voor loopbaanfaciliteiten om zicht te krijgen op de kwaliteiten, ontwikkeling, ambities, mogelijkheden etc. en vorm en sturing te geven aan de eigen loopbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de in te zetten loopbaanfaciliteiten worden tussen het dagelijks bestuur en ambtenaar afspraken gemaakt in het loopbaangesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De faciliteit loopbaanbudget is gekoppeld aan de plaatsingsduur in één functie. Er is opnieuw recht op het loopbaanbudget bij een volgende plaatsing in een andere functie op basis van artikel 2.1.8 lid 3 SAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Herplaatsing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-551\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Herplaatsing in het kader van reorganisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die op basis van een reorganisatie zoals genoemd in artikel 1.1.4 SAW boventallig is verklaard heeft recht op een herplaatsingtermijn van 1,5 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen twee maanden na het vaststellen van boventalligheid stelt het dagelijks bestuur in overleg met de boventallig verklaarde ambtenaar een actieplan ‘van werk naar werk’ vast. Het dagelijks bestuur en de ambtenaar komen daarbij een wederzijdse inspanningsverplichting overeen om het maximale te doen om betrokkene naar ander werk te begeleiden. In dit actieplan wordt vastgelegd welke re-integratie-instrumenten gedurende de herplaatsingtermijn zullen worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na afloop van de herplaatsingtermijn het actieplan voor de boventallige verklaarde ambtenaar niet heeft geleid tot het vinden van werk, komen partijen een vervolgplan overeen. In dit vervolgplan wordt vastgelegd of een wijziging van strategie nodig is, en welke instrumenten gedurende de WW- en bovenwettelijke WW-fase moeten worden ingezet om de re-integratie alsnog succesvol te laten verlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur betaalt, binnen redelijke grenzen, de kosten van het re-integratie-instrumentarium uit het actieplan en vervolgplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gelijke geschiktheid, of te maken geschiktheid, heeft de boventallige of de al ontslagen ambtenaar bij vacatures die na de reorganisatie binnen het waterschap ontstaan de voorkeur boven andere interne of externe kandidaten. Als er meerdere geschikte of geschikt te maken boventallige ambtenaren op de vacature solliciteren, heeft diegene die het langst boventallig is en een uitkering geniet, de voorkeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan op basis van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden besluiten: de in lid 1 bedoelde herplaatsingtermijn te verlengen met een termijn; het op basis van het in lid 4 bedoelde actieplan ‘van werk naar werk’ overeengekomen re-integratie-instrumentarium, uit te breiden; dat de boventallige of al ontslagen ambtenaar met een bovenwettelijke uitkering, geschikt, of geschikt te maken is voor de betreffende functie.Voordat het dagelijks bestuur een besluit neemt, wordt advies ingewonnen bij een derde. Deze derde is een paritaire commissie, bij voorkeur in het kader van een organisatiewijziging genoemd in artikel 1.1.4</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-552\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Re-integratiemaatregelen bij ontslag minder dan 35% arbeidsongeschikt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die op grond van artikel 8.1.5 lid 3 en 4 SAW (minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en zwaarwegend dienstbelang) wordt ontslagen heeft gedurende de WW- en bovenwettelijke WW-fase recht op het re-integratie-instrumentarium zoals beschreven in artikel 5.5.3 SAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de ambtenaar leggen vast welke instrumenten worden ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-553\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Re-integratie-instrumentarium</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikelen 5.5.1 en 5.5.2 SAW kunnen maatwerk afspraken worden gemaakt over het gebruik van re-integratie-instrumenten. Naast de in paragraaf 5.6 genoemde instrumenten zijn in ieder geval de volgende re-integratie-instrumenten beschikbaar: in kaart brengen van kennis, vaardigheden, belangstelling en mogelijkheden op de arbeidsmarkt, in verschillende vormen; om- her- en bijscholing; detachering, of indiensttreding bij een outplacementbureau of re-integratiebedrijf; begeleiding bij het opzetten van een eigen bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur heeft de mogelijkheid om het re-integratie-instrumentarium uit dit artikel aan te bieden aan groepen van ambtenaren die (nog) geen herplaatsingkandidaat zijn maar bij organisatie onderdelen werken waar boventalligheid dreigt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-554\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Sancties bij onvoldoende inspanning medewerker</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de boventallige of ontslagen ambtenaar als bedoeld in artikelen 5.1 of 5.2 SAW zich onvoldoende inspant kan het dagelijks bestuur aan hem de volgende sancties opleggen: een vermindering van het salaris zoals bedoeld in artikel 7.1.2 lid 1 sub e; geheel of gedeeltelijk terugbetalen van gemaakte kosten bij de toepassing van artikel 5.3 SAW; geheel of gedeeltelijk verlies van rechten als bedoeld in hoofdstuk 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het sanctieregime van de WW is van overeenkomstige toepassing op de bovenwettelijke WW-regeling uit paragraaf 8.3</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-555\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Sancties bij onvoldoende inspanning dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het dagelijks bestuur zich onvoldoende inspant op grond van deze paragraaf, kan de ambtenaar advies inwinnen bij een derde. Deze derde is een paritaire commissie bij voorkeur in het kader van een organisatiewijziging genoemd in artikel 1.1.4. Met dit advies kan hij het dagelijks bestuur verzoeken om de ontslagtermijn te verschuiven of de uitkeringsduur te verlengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur neemt een gemotiveerd besluit over de verzochte verlenging van de ontslagtermijn of uitkeringsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Instrumenten voor activerende personeelsbeleid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-561\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Individueel KeuzeBudget</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Individueel KeuzeBudget geeft de ambtenaar de mogelijkheid keuzes te maken die aansluiten bij de behoeften en de levensfase waarin de ambtenaar zich bevindt om zodoende zijn vitaliteit te bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-562\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Individuele employabilityscan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan een individuele employabilityscan gebruiken om zich te oriënteren op zijn inzetbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De individuele employabilityscan kan leiden tot maatregelen om de employability van de ambtenaar te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraken over in het vorige lid bedoelde maatregelen worden opgenomen in het POP, waarbij het dagelijks bestuur en de ambtenaar wederzijds zijn verplicht om zich maximaal in te spannen om uitvoering te geven aan het POP.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-563\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene instrumenten loopbaan en ontwikkeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan, in overleg met het dagelijks bestuur, binnen de in dit hoofdstuk genoemde gesprekken een diversiteit aan andere instrumenten inzetten. Gedacht kan worden aan: loopbaanadvies; coachen; mentor; assessment; psychologisch onderzoek; opleidingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">EVC meting bij een erkende EVC aanbieder; cursussen en trainingen; loopbaanscan; vitaliteitscan; medische keuring; fitheidtest.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Ziekte en Arbeidsongeschiktheid 6.1 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en re-integratie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bijstand van deskundigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap laat zich met betrekking tot arbeidsgezondheidskundige begeleiding en verzuimbegeleiding bijstaan door deskundige begeleiding als bedoeld in de artikelen 13, 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet. In dit hoofdstuk de deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt nadere regels vast ten aanzien van de organisatie van de deskundige bijstand als bedoeld in het vorige lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd hetgeen ter zake is bepaald in of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, heeft de ambtenaar recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door de deskundigen overeenkomstig door het dagelijks bestuur te stellen regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Consultatie geneeskundige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft het recht om een deskundigen rechtstreeks te consulteren bij gezondheidsproblemen, die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Periodiek geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat dan wel voor een goede vervulling van zijn functie aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het dagelijks bestuur, na overleg met de deskundigen, noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur is bevoegd de deskundigen opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen; in gevallen als bedoeld in artikel 3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, als bedoeld in het vorige lid, te onderwerpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Buitendienststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 6.1.4 of artikel 6.1.5, blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de deskundigen de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of die van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn functie verzetten, dan wordt de ambtenaar door het dagelijks bestuur buiten dienst gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een buitendienststelling, als bedoeld in het vorige lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de deskundigen, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 6.2.3 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een buitendienststelling, als bedoeld in lid 1, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verplicht geneeskundig onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de deskundigen in te stellen geneeskundig onderzoek ter beantwoording van de vragen: of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn functie wegens ziekte; in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a; of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt; of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid; wanneer en in welke mate de vervulling van de functie kan worden hervat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geneeskundige die het onderzoek, als bedoeld in het vorige lid, heeft verricht, deelt na het afsluiten van het onderzoek de uitkomst daarvan terstond schriftelijk mede aan de ambtenaar en zendt het dagelijks bestuur zo spoedig mogelijk een afschrift van die mededeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Maatregelen en voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien daartoe naar het oordeel van de deskundigen aanleiding bestaat, verzoekt het dagelijks bestuur het UWV de ambtenaar in aanmerking te brengen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid. Van dit verzoek wordt de ambtenaar schriftelijk in kennis gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.1.9 re-integratie–inspanning en passende arbeid De werkgever zal zich, binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid, maximaal inspannen om de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, passende arbeid aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever zal daarbij trachten: de arbeidsplek en het werk zodanig aan te passen dat de ambtenaar zijn functie naar behoren kan blijven vervullen; en indien dit niet mogelijk is, passend werk in een andere functie aan te bieden, door wijziging van de aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval voor de ambtenaar uit het eerste lid, door het UWV een mate van arbeidsongeschiktheid van tussen de 35% en 80% wordt vastgesteld, zullen de inspanningen van de werkgever uit het tweede lid, er op gericht zijn om passende arbeid aan te bieden waardoor de ambtenaar minimaal 50% van zijn restverdiencapaciteit benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste en derde lid, in staat is passende arbeid te verrichten en hij door zijn werkgever of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de in dit artikel bedoelde term passende arbeid wordt verstaan passende arbeid als bedoeld in artikel 658a van boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste lid, zonder deugdelijke grond weigert de in het vorige lid bedoelde arbeid te verrichten, worden de inkomsten die hij uit deze arbeid zou hebben ontvangen indien hij deze arbeid wel zou hebben verricht, geheel in mindering gebracht op zijn bezoldiging, als bedoeld in artikel 6.2.1, eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 6.2.1a.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, geniet vanaf de eerste dag van die verhindering gedurende twaalf maanden de volle bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar geniet na afloop van de in sub a genoemde periode tot het einde van zijn dienstverband:</p>\n<p class=\"lf-p\">70% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, indien en voor zolang hij geen werkzaamheden noch re-integratieactiviteiten verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">80% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, indien en voor zolang hij 1 tot en met 12 uur per week werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">90% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, indien en voor zolang hij meer dan 12 maar minder dan 26 uur per week werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">100% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, indien en voor zolang hij 26 of meer uur per week werkzaamheden en/of re-integratieactiviteiten verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in sub b genoemde uren gelden voor deeltijders naar evenredigheid van het dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode van zwangerschap– en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 4.4.2, schort de periode uit sub a en b op.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode uit sub d, ziek is als gevolg van zwangerschap, schort de periode uit sub a en b op.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar geniet ook na afloop van de in het eerste lid, sub a genoemde periode van twaalf maanden tot aan het einde van zijn dienstverband de volle bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht en niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit artikel worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij: elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken volledige werkhervatting opvolgen of; direct voorafgaan en aansluiten op een periode van zwangerschap– en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 4.4.2, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn functie slechts weer zal mogen vervullen indien het dagelijks bestuur, gelet op het advies van de deskundigen of van het UWV, daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden. Deze toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn functie te vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste en tweede lid bedoelde doorbetaling van bezoldiging eindigt indien de ambtenaar wordt herplaatst in een andere functie, maar niet eerder dan 24 maanden na de eerste dag van verhindering wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.1a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvulling op de bezoldiging bij minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt verklaard, en die wordt herplaatst tegen een lagere bezoldiging dan de bezoldiging voor de eerste ziektedag, heeft recht op een aanvulling op de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft recht op de aanvulling vanaf het moment van herplaatsing en duurt tot het einde van zijn dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de aanvulling bedraagt 80% van het verschil tussen de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief voor de eerste ziektedag, en de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief zoals die geldt op het moment van herplaatsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop met andere inkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar gedurende de periode uit artikel 6.2.1, eerste of tweede lid, recht heeft op een ZW, WAO, IVA-, WGA–, WW–uitkering, of bovenwettelijke aanvulling op grond van het ABP pensioenreglement, wordt het bedrag van de uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij ingevolge de in artikel 6.2.1, eerste en tweede lid bedoelde bezoldiging recht heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar gedurende de periode uit artikel 6.2.1a, tweede lid, recht heeft op verhoging van het inkomen en/of een werkloosheidsuitkering, wordt het bedrag van de verhoging en/of werkloosheidsuitkering, met uitzondering van periodieke verhogingen van het salaris en collectieve loonstijgingen, op de aanvulling uit artikel 6.2.1a, eerste lid, in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen recht heeft op een in het eerste of tweede lid genoemde uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van het eerste respectievelijk tweede lid, toegerekend aan de dienstbetrekkingen waarvan zijn bezoldiging wordt doorbetaald, naar evenredigheid van de bezoldigingen uit de desbetreffende dienstbetrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de ambtenaar de in het eerste of tweede lid genoemde uitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor het vaststellen van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor toepassing van het vierde lid wordt, in geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid, uitgegaan van de uitkering waarop de ambtenaar recht zou hebben gehad in geval van volledige ziekte of arbeidsongeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de werkgever verleent de ambtenaar alle medewerking aan het via de werkgever tot uitbetaling laten komen van de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de werkgever verstrekt de ambtenaar alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Korting bezoldiging bij re-integratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn functie, op grond van een aan het dagelijks bestuur door de deskundigen of door het UWV uitgebracht advies, in het belang van zijn genezing of zijn re-integratie dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten in mindering gebracht op de bezoldiging, voor zover de inkomsten plus bezoldiging het niveau van de bezoldiging uit artikel 6.2.1, eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 6.2.1a overstijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-624\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanspraak bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging bestaat: indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 6.1.7, eerste lid, er sprake is van een in dat lid, sub c, bedoelde omstandigheid, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt; indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2.1.3, tweede lid, bedoelde geneeskundige keuring en als dan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doorbetaling van bezoldiging wordt gestaakt, indien en voor zolang: blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 6.1.7, eerste lid, zich een van de omstandigheden, bedoeld in dat lid, onder d of e, voordoet; de ambtenaar weigert de in de artikelen 6.1.5, tweede lid, en 6.1.7, eerste lid, neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de deskundigen in te stellen medisch onderzoek na te komen; de ambtenaar tijdens de verhindering om zijn functie te vervullen voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dit door de deskundigen in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het dagelijks bestuur daartoe toestemming heeft verleend; de ambtenaar in gebreke blijft op het door de deskundigen bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate zijn functie weer te vervullen, tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen – door deze geneeskundige dienst erkende – reden heeft opgegeven; de ambtenaar door zijn toedoen er de oorzaak van is dat controle bij ziekte niet kan plaats hebben; de ambtenaar weigert om – op verzoek van de werkgever – de noodzakelijke informatie te verstrekken, bedoeld in artikel 6.2.2, zevende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het in het vorige lid onder a en b bepaalde vindt doorbetaling van bezoldiging wel plaats indien een ambtenaar van het zich niet houden aan de voorschriften op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-625\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere omstandigheden bij ziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen dat de op grond van artikel 6.2.4 niet uitbetaalde bezoldiging geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het dagelijks bestuur van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge artikel 6.2.4 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 32, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (wet SUWI), heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-626\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoldiging bij ziekte ontstaan voor ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die: geen aanspraak kan ontlenen aan paragraaf 8.3 van de SAW; en wegens ziekte, ontstaan voor de datum van ingang van zijn ontslag, nadien nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet (ziekengeld) ontvangt; heeft recht op een aanvullende uitkering tot uiterlijk 52 weken na de aanvang van zijn ongeschiktheid. Deze aanvullende uitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering die de ambtenaar krachtens artikel 8.3.12 zou hebben genoten indien dit op hem van toepassing zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel vindt geen toepassing op degene die op of na het tijdstip van zijn ontslag in verband met de aanvaarding van een functie van tenminste een gelijke omvang als die waaruit hij is ontslagen, aanspraak kan maken op loon of bezoldiging dan wel op een uitkering krachtens de Ziektewet of een daarmee gelijk te stellen wettelijke regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering bij ziekte ontstaan na ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die: geen aanspraak kan ontlenen aan paragraaf 8.3 van de SAW; en tenminste twee maanden zijn functie heeft vervuld, en die binnen een maand na de datum van zijn ontslag wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet (ziekengeld) ontvangt; heeft recht op een aanvullende uitkering tot uiterlijk 52 weken na de aanvang van zijn ongeschiktheid. Deze aanvullende uitkering zal niet minder mogen bedragen dan die hij krachtens artikel 8.3.12 zou hebben genoten indien dit op hem van toepassing zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de aanvulling op het ziekengeld Dit artikel vindt geen toepassing in de gevallen genoemd in artikel 6.2.7, derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-628\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Uitkering wegens ongeschiktheid door dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WAO–uitkering wordt – indien de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten – een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WAO–uitkering vermeerderd met een hem toegekend invaliditeitspensioen ingevolge het pensioenreglement aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</p>\n<p class=\"lf-p\">80% of meer 90,02%;</p>\n<p class=\"lf-p\">65 tot 80% 65,27%;</p>\n<p class=\"lf-p\">55 tot 65% 54,01%;</p>\n<p class=\"lf-p\">45 tot 55% 45,01%;</p>\n<p class=\"lf-p\">35 tot 45% 36,01%;</p>\n<p class=\"lf-p\">25 tot 35% 27,00%;</p>\n<p class=\"lf-p\">15 tot 25% 18,01%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA– of IVA–uitkering wordt – indien de arbeidsongeschiktheid in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan hem opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten – een aanvullende uitkering verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar uit het eerste lid recht heeft op een IVA–uitkering, vult de aanvullende uitkering de IVA–uitkering plus bovenwettelijke aanvulling op grond van het ABP pensioenreglement aan tot 90% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief, waarop de ambtenaar recht had op de dag voor de periode zoals aangegeven in artikel 6.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar uit het eerste lid recht heeft op een WGA–uitkering, vult de aanvullende uitkering de WGA–uitkering plus bovenwettelijke aanvulling op grond van het ABP pensioenreglement aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de loongerelateerde WGA–uitkering, in geval de restverdiencapaciteit volledig wordt benut, tot 90% van het verschil tussen de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief op de dag voor de periode zoals aangegeven in artikel 6.2.1 en de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief tijdens de loongerelateerde WGA–uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de loongerelateerde WGA–uitkering, in geval de restverdiencapaciteit niet volledig wordt benut, tot 80% van het verschil tussen de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief op de dag voor de periode zoals aangegeven in artikel 6.2.1 en de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief tijdens de loongerelateerde WGA–uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de WGA Loonaanvulling, tot 90% van het verschil tussen de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief op de dag voor de periode zoals aangegeven in artikel 6.2.1 en de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief die de ambtenaar zou kunnen verdienen tijdens de WGA Loonaanvulling, indien hij zijn restverdiencapaciteit volledig zou benutten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de WGA vervolguitkering, maar maximaal 10 jaar, tot 75% van de bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief maal het arbeidsongeschiktheidspercentage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende uitkering eindigt op het moment dat de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste of derde lid genoemde voorwaarden en in ieder geval met ingang van de eerste van de maand, volgend op die waarin de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene op het moment van overlijden recht heeft op een uitkering als bedoeld in het eerste of derde lid en zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in het eerste of derde lid, wordt aan degenen die in verband met dit overlijden uit hoofde van dit dienstverband een nabestaandenpensioen genieten, een uitkering verleend ten bedrage van 18% van dit pensioen, zonder dat daarop de bepalingen inzake inbouw van AOW/AWW respectievelijk bepalingen inzake vermindering met de franchise zijn toegepast. De uitkering eindigt op de dag van de maand, waarop de overledene de AOW gerechtigde leeftijd zou hebben bereikt dan wel – indien de weduwe of de weduwnaar aan wie een pensioen werd toegekend hertrouwt– met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die van het hertrouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar aan wie een uitkering als bedoeld in het eerste of het derde lid is toegekend, is verplicht gedurende de termijn van de uitkering het dagelijks bestuur op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, of zijn bovenwettelijke aanvulling op grond van het ABP pensioenreglement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-629\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding bij ziekte in en door de dienst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In geval van ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten, worden hem vergoed de te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van het dagelijks bestuur noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan omtrent het bepaalde in lid 1 nadere voorschriften geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Berekeningsbasis bij bijzondere beloning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande artikelen van dit hoofdstuk worden de vergoeding, bedoeld in artikel 3.1.20 de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning slechts geacht te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de drie kalendermaanden of in de dertien kalenderweken, voorafgaande aan de datum waarop de verhindering tot het vervullen van de functie is ontstaan, gemiddeld per maand of per week is toegekend aan die vergoeding of die beloning, al naar gelang de bezoldiging van de ambtenaar per maand of per week wordt uitbetaald. Voor zover de ambtenaar op even bedoelde datum minder dan drie kalendermaanden of dertien kalenderweken zijn functie heeft vervuld, wordt gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld per maand of per week is toegekend over het tijdvak waarin hij vóór het ontstaan van de verhindering in dienst is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Disciplinaire maatregelen 7.1</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Plichtsverzuim</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel der Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Disciplinaire straffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De disciplinaire straffen die door het dagelijks bestuur kunnen worden toegepast zijn: schriftelijke berisping; arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uur met een maximum van drie uur per dag en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen; vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft; geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris per jaar; niet–betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag overeenkomende met het salaris over een halve maand; stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van verhoging als gevolg van algemene loonmaatregelen, een herwaardering van de functie daaronder begrepen, voor ten hoogste vier jaar; vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de laatste twee verhogingen, of, indien aan de door de ambtenaar beklede functie geen schaal is verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee jaar; plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief; schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk genot van bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief; ongevraagd ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De straf wordt niet eerder opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich mondeling of schriftelijk te verantwoorden ten overstaan van het gezag dat bevoegd is tot oplegging van de straf of ten overstaan van een door dat bevoegd gezag aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het dagelijks bestuur of ten overstaan van een door het dagelijks bestuur aangewezen vertegenwoordiger. De verantwoording vindt niet eerder dan zes maal 24 uur en niet later dan twaalf maal 24 uur plaats nadat aan de ambtenaar is kennisgegeven van het voornemen de straf op te leggen. Op verzoek van de ambtenaar kan van deze termijn worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen 36 uur proces–verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het proces–verbaal, zo mogelijk met vermelding der redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het proces–verbaal wordt de ambtenaar uitgereikt. Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden die op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Strafuitvoering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd, zolang de ambtenaar zich niet heeft kunnen verantwoorden zoals bedoeld in artikel 7.1.3, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Ontzeggen toegang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar kan door of namens het dagelijks bestuur, met een schriftelijk besluit, de toegang tot netwerken, de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen dan wel het verblijf daar worden ontzegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar levert bij ontzegging van de toegang direct alle eigendommen van de werkgever in.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Schorsing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsingsgronden en –besluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 7.1.2 kan de ambtenaar door het dagelijks bestuur worden geschorst: wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan; wanneer tegen hem volgens de ter zake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt gelegd; wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld; in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval: een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat; een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur der schorsing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsing en bezoldiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de schorsing ingevolge artikel 7.2.1, lid 1 onder b of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de schorsing ingevolge 7.2.1, lid 1 onder a, kan tot de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in lid 3. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premie voor pensioen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingevolge lid 1 niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingevolge lid 2 niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Ontslag, herplaatsingtermijn en werkloosheid 8.1 Ontslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-811\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid en ingangsdatum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de functie, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het besluit tot het verlenen van ontslag wordt de datum van ingang van het ontslag vermeld dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-812\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Eigen verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ontslag wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar dit verzoekt, kan van het bepaalde in lid 2 worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf, kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-813\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderdomsontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar wordt eervol ontslag verleend, met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het bepaalde in lid 1 kan in bijzondere gevallen worden afgeweken. Dit ter beoordeling van het bestuursorgaan dat bevoegd is het ontslag te verlenen. De ambtenaar moet hiermee instemmen. In deze gevallen wordt het dienstverband beëindigd door het verlenen van eervol ontslag met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de ambtenaar wordt het ouderdomsontslag vanaf de in artikel 7.4 van het pensioenreglement ABP genoemde leeftijd geheel of voor een gedeelte van de voor hem geldende werktijd verleend. De omvang van de overblijvende functie, c.q. werktijd bedraagt tenminste 10% van de oorspronkelijke aanstellingsduur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-814\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag bij reorganisatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag op één van de in het vorige lid genoemde gronden kan, met inachtneming van het bepaalde in lid 4, slechts plaatsvinden na afloop van de in artikel 5.5.1 SAW benoemde herplaatsingtermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het dagelijks bestuur, op basis van artikel 5.5.1, lid 6 SAW besluit dat de herplaatsingtermijn wordt verlengd, kan het ontslag met inachtneming van het bepaalde in lid 4, op grond van één van de in het eerste lid genoemde gronden slechts plaatsvinden na afloop van de verlengde herplaatsingtermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aan een ambtenaar op grond van dit artikel ontslag wordt verleend, wordt een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar aan wie ontslag is verleend op grond van dit artikel, verkrijgt met ingang van de datum van ontslag aanspraak op een uitkering krachtens paragraaf 8.3 SAW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-815\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag bij arbeidsongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van arbeidsongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte. Het ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontslag als bedoeld in lid 1 mag slechts plaatsvinden indien: er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden; herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde periode van 24 maanden is te verwachten; het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de openbare dienst van het waterschap andere arbeid op te dragen dan wel indien de ambtenaar zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen ontslag vindt plaats, indien de ambtenaar door het UWV, in het kader van de uitvoering van de WIA, minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, tenzij sprake is van een zwaarwegend dienstbelang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een zwaarwegend dienstbelang is in ieder geval sprake indien: de huidige arbeidsplek en het werk, in alle redelijkheid en billijkheid, niet zodanig kan worden aangepast dat de arbeidsongeschikte zijn functie naar behoren kan blijven uitoefenen; én er geen andere passende arbeid bij het waterschap aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van het tijdvak van 24 maanden als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt niet in aanmerking genomen afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens door de zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het bevallingsverlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte van de ambtenaar samen geteld: indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen; indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het einde van de zwangerschap; indien een onder b bedoelde afwezigheid wordt voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van arbeidsgeschiktheid, die in totaal minder dan vier weken bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuursorgaan betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, sub a, b en c het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en een door het bestuursorgaan of de ambtenaar aangevraagd deskundigenoordeel van het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de WIA–beschikking zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van het door het bestuursorgaan of de ambtenaar bij het UWV aangevraagde deskundigenoordeel, komen ten laste van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar een WAO uitkering ontvangt, is dit artikel op gelijke wijze van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-816\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag bij onbekwaamheid en ongeschiktheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van ontslag op grond van dit artikel heeft betrokkene, indien er recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, aanspraak op een aanvullende uitkering als bedoeld in paragraaf 8.3 SAW. In uitzonderlijke gevallen, gelegen binnen de werksfeer, kan besloten worden tot het verlenen van een aansluitende uitkering als bedoeld in paragraaf 8.3 SAW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-817\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Overige ontslaggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van: verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie geldt; aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de functie zou uitsluiten; staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf; het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve in het geval als bedoeld in lid 1, onder e, wordt een ontslag op grond van dit artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-818\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Onverenigbaarheid van karakters</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op voordracht van het dagelijks bestuur kan het algemeen bestuur bepalen dat een ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij zijn besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van deze paragraaf genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van ontslag op grond van dit artikel treft het algemeen bestuur, op voordracht van het dagelijks bestuur, een regeling waarbij de gewezen ambtenaar een uitkering wordt verzekerd welke naar het oordeel van het algemeen bestuur, met het oog op de omstandigheden, redelijk is te achten. Deze uitkering zal niet minder mogen bedragen dan die welke hij krachtens paragraaf 8.3 SAW zou hebben genoten indien dit op hem van toepassing zou zijn geweest. Indien geen recht bestaat op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet is artikel 8.3.8, lid 3 SAW van overeenkomstige toepassing. Indien een uitkering krachtens de werkloosheidswet gedeeltelijk wordt geweigerd is artikel 8.3.8, lid 2 SAW van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grond waarop het ontslag berust, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van ontslag op grond van dit artikel kunnen het dagelijks bestuur en de betrokken ambtenaar afspraken maken over de inzet van het re-integratie-instrumentarium uit artikel 5.5.3 SAW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-819\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag na functie in publiekrechtelijk college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslag bij FPU</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van FPU wordt ontslag verleend, indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht op evengenoemde uitkering ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van de ambtenaar wordt het in het eerste lid genoemde ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem geldende werktijd verleend, tenzij de omvang van de overblijvende functie zodanig beperkt is dat de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. De overblijvende werktijd bedraagt tenminste 10% van de omvang van de dienstverhouding. Ontslag voor een gedeelte uit een dienstverhouding waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op de in het eerste lid bedoelde uitkering heeft plaatsgevonden bedraagt tenminste 10% van de oorspronkelijke functieomvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in artikel 8.1.2 tweede tot en met vierde lid SAW is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Einde van rechtswege van de aanstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege op de datum waarop die tijd verstrijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor het verstrijken van de termijn ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na het einde van rechtswege het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd, zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht nogmaals voor dezelfde periode en dezelfde omvang te zijn aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanstelling van de ambtenaar eindigt van rechtswege op de dag van overlijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Opzegtermijn bij tijdelijke aanstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien aan de ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, omdat de omstandigheid die tot die aanstelling leidde is vervallen, wordt een opzegtermijn in acht genomen: van drie maanden, indien de betrokkene bij het begin van de opzegtermijn laatstelijk twaalf maanden onafgebroken in dienst was; van twee maanden, indien de betrokkene bij het begin van de opzegtermijn laatstelijk zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden onafgebroken in dienst was; van één maand, indien de betrokkene bij het begin van de opzegtermijn laatstelijk korter dan zes maanden onafgebroken in dienst was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de tijd die aan de in lid 1 bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling der bezoldiging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Ontslagbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opzegging of ontslag als bedoeld in dit hoofdstuk kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar geplaatst is op de kandidatenlijst van de Ondernemingsraad, lid is van de Ondernemingsraad of van een commissie van de Ondernemingsraad of korter dan twee jaar geleden lid is geweest van de Ondernemingsraad of van een commissie van de Ondernemingsraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzegging of ontslag als bedoeld in dit hoofdstuk kan niet plaatsvinden wegens het feit dat de ambtenaar door een centrale als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Overleg-regeling of door een daarbij aangesloten vereniging, is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten vereniging, dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten verenigingen te ondersteunen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in de voorgaande leden geldt tevens voor de plaatsvervangers van de genoemde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 Aanspraken tijdens herplaatsingtermijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-821\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Inkomen tijdens herplaatsingtermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de herplaatsingtermijn, zoals vastgelegd in artikel 5.5.1, lid 1 en lid 6 SAW heeft de boventallig verklaarde ambtenaar recht op zijn salaris en het IKB-collectief.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-822\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toelagen en vergoedingen tijdens herplaatsingtermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur en de organisaties van overheidspersoneel maken in een sociaal plan, zoals bedoeld in artikel 5.5.1 SAW afspraken over toelagen en vergoedingen van de boventallig verklaarde ambtenaar gedurende de herplaatsingtermijn. Dit voor zover de SAW niet voorziet in een afbouw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-823\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Afkoop rechten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De boventallig verklaarde ambtenaar kan binnen een maand na aanvang van de herplaatsingtermijn ervoor kiezen om zijn rechten op basis van de SAW af te kopen tegen de helft van het aantal maandsalarissen van de herplaatsingtermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe dient de boventallig verklaarde ambtenaar te verzoeken om zijn ontslag op grond van artikel 8.1.2 SAW. Het tweede lid van artikel 8.1.2 SAW blijft voor deze gevallen buiten toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boventallig verklaarde ambtenaar verliest indien hij gebruik maakt van de afkoop de rechten zoals neergelegd in paragraaf 5.5 SAW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-824\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Re-integratiepremie herplaatsingtermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De boventallig verklaarde ambtenaar die gedurende de herplaatsingtermijn een functie vindt, ontvangt een re-integratiepremie van één maandsalaris.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-825\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Salarisgarantie en perspectief</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanvaarding van een passende lagere functie, binnen de eigen organisatie of binnen de sector waterschappen, wordt het salaris aangevuld tot het niveau van het oude salaris op het moment van boventalligheid. Indien de boventallig verklaarde ambtenaar nog niet ingeschaald was op het maximum van de betreffende schaal, behoudt hij het recht op doorgroei op basis van de regeling gesprekscyclus (paragraaf 5.2 SAW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanvaarding van een functie tegen een lager salaris buiten de sector waterschappen, wordt het salaris aangevuld tot het niveau van het oude salaris op het moment van boventalligheid, gedurende de uitkeringsduur waarop de boventallig verklaarde ambtenaar recht zou hebben gehad indien hij geen andere functie had gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 Bovenwettelijke regeling bij werkloosheid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-831\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden voor recht op aanvullende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op een aanvullende uitkering heeft de gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en is ontslagen op grond van: artikel 8.1.4 SAW; artikel 8.1.5 lid 3 SAW; artikel 8.1.6 SAW; artikel 8.1.7 lid 1 sub a of c; artikel 8.1.8 SAW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-832\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aanvullende uitkering: berekeningsgrondslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de dag voorafgaande aan het ontslag waarvan de gewezen ambtenaar recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de functie waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-833\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aanvullende uitkering: indexering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt telkens aangepast aan de indexering van de WW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-834\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aanvullende uitkering: bedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering bedragen samen een percentage van de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in lid 1 genoemde percentage bedraagt: gedurende de eerste 6 maanden 90%; gedurende de daarop volgende 6 maanden 80%; daarna tot het einde van de WW-uitkering 70%.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-835\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-836\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Herleving van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering vastgelegd in de Werkloosheidswet zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-837\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verlenging van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering vastgelegd in de Werk-loosheidwet zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-838\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen en sancties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Werkloosheidwet is van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2 gestelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gewezen ambtenaar ontslagen wordt op grond van artikel 8.1.4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het dagelijks bestuur een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering samen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gewezen ambtenaar ontslagen wordt op grond van artikel 8.1.4 SAW, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het dagelijks bestuur een waterschapswerkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen. Deze waterschapswerkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van artikel 8.3.1 SAW wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende uitkering. Op deze waterschapswerkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt de waterschapswerkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-839\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.9</span><span class=\"lf-art-t\">Anticumulatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Scholing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten zoals beschreven in artikel 75 tot en met 78 van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvulling op ziekengeld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 8.3.1 van deze paragraaf als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen samen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van artikel 8.3.4 SAW zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.12</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvulling op uitkering Arbeid en zorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die: conform deze paragraaf een aanvulling op de werkloosheidsuitkering zou ontvangen als zij niet wegens zwangerschap– en bevallingsuitkering verhinderd zou zijn om arbeid te verrichten, en daarom een uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg ontvangt heeft recht op een aanvulling van de Arbeid en zorg–uitkering als deze uitkering minder bedraagt dan de uitkering die zij op grond van artikel 8.3.4 SAW zou hebben ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvulling bedraagt het verschil tussen de uitkering op grond van artikel 8.3.4 SAW en het bedrag van de Arbeid en zorg–uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Wet arbeid en zorg is van toepassing op deze aanvulling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aansluitende uitkering: diensttijd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aansluitende uitkering wordt verstaan onder diensttijd: de aan het ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede de tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de functie waaruit ontslag is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van even genoemde regeling niet is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijven buiten beschouwing: diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar; diensttijd die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid; diensttijd die in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8.1.14 of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling; tijd bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement; tijd in een aangehouden functie, dan wel in een functie welke de betrokkene had kunnen aanhouden, maar uit die hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.14</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden voor recht op aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recht op een aansluitende uitkering heeft de gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en ontslagen is op grond van: artikel 8.1.4 (reorganisatie); artikel 8.1.5 lid 3 (ontslag wegens een zwaarwegend dienstbelang bij arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%; artikel 8.1.8 (onverenigbaarheid karakters).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de gewezen ambtenaar die door het dagelijks bestuur op basis van artikel 8.3.8 derde lid SAW een waterschapswerkeloosheidsuitkering is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op een aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de werkloosheid waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de uitkering krachtens de Werkloosheidwet en de aanvullende uitkering zijn geëindigd op grond van artikel 20, lid 1 onderdeel e van de Werkloosheidswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.15</span><span class=\"lf-art-t\">Duur van de aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De duur van de aansluitende uitkering is een aantal hele maanden. Dit aantal wordt berekend door het aantal dienstjaren te vermenigvuldigen met de correctiefactor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De correctiefactor bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">1,4 voor dienstjaren die voor de leeftijd van 40 jaar van betrokkene hebben plaatsgevonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 voor dienstjaren die vanaf de leeftijd van 40 jaar tot de leeftijd van 50 jaar van de gewezen ambtenaar hebben plaatsgevonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">3 voor dienstjaren die vanaf de leeftijd van 50 jaar van de gewezen ambtenaar hebben plaatsgevonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.16</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aansluitende uitkering: berekeningsgrondslag</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">SAW is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.17</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de aansluitende uitkering: indexering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">SAW is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.18</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de uitkering: bedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aansluitende uitkering bedraagt 70% van de berekeningsgrondslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.19</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging van het recht op aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op WW zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de Ziektewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde geldt niet in geval het recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1 onderdeel e van de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering berekend overeenkomstig artikel 8.3.16 SAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aansluitende uitkering eindigt uiterlijk met ingang van de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8320\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.20</span><span class=\"lf-art-t\">Nawerking Ziektewet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien op grond van artikel 46 van de Ziektewet na aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de Ziektewet, wordt deze uitkering krachtens de Ziektewet in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.21</span><span class=\"lf-art-t\">Herleving van het recht op uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 43 en 50 van de Werkloosheidswet met betrekking tot verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.22</span><span class=\"lf-art-t\">Pensioenpremie bij reorganisatieontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die op grond van artikel 8.1.4 SAW (reorganisatie) is ontslagen, heeft recht op vergoeding van het werkgeversdeel van de pensioenpremie op basis van de doorsneepremie, voor de pensioenopbouw van 50% tot 100% bij het ABP, gedurende de WW-fase en aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.23</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen en sancties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verplichtingen– en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens ziekte is het verplichtingen– en sanctieregime van de Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.24</span><span class=\"lf-art-t\">Anticumulatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 20 en 35 van de Werkloosheidswet zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.25</span><span class=\"lf-art-t\">Scholing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.26</span><span class=\"lf-art-t\">Re-integratiepremie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die tijdens de WW-fase of aansluitende uitkering een baan vindt ontvangt een re-integratiepremie van één maand uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.27</span><span class=\"lf-art-t\">Grensarbeiders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bovenwettelijke regeling als bedoeld in deze paragraaf wordt ook toegepast op de gewezen ambtenaar die in het buitenland woont en werkte in de sector waterschappen in Nederland. Hij heeft recht op een aanvullende uitkering, die de buitenlandse wettelijke werkloosheidsuitkering aanvult tot de in de SAW genoemde niveaus, en op een aansluitende uitkering na afloop van deze buitenlandse werkloosheidsuitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.28</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsregeling duur aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 8.3.16 SAW wordt de duur van de aansluitende uitkering, voor de ambtenaar die op 1 januari 2008 een aanstelling heeft bij een organisatie in de sector waterschappen, en op die datum 20 of meer dienstjaren heeft, op de ontslagdatum als volgt vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">19,5% van de diensttijd plus vervolgens 1,5% van de diensttijd per leeftijdsjaar dat de ambtenaar ouder is dan 21 jaar, met in totaal een bovengrens van 78% van de diensttijd; verminderd met 1 jaar en 9 maanden en; verminderd met de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de dag van werkloosheid en; verminderd met het verschil tussen de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet zoals deze van kracht was op 31 september 2006 en de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet zoals deze van kracht was op 1 oktober 2006, zoals weergegeven in bijlage VI.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewezen ambtenaar die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 58,5 jaar of ouder heeft bereikt en een aaneengesloten diensttijd van tenminste twintig jaren heeft, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8329\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3.29</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien wettelijke wijzigingen leiden tot een neerwaartse wijziging in de hoogte en de duur van de uitkering zal in het LAWA worden overlegd over de wijze waarop deze wijziging invloed heeft op de bovenwettelijke aanspraken. Indien dit overleg zes maanden na publicatie in het Staatsblad van de wetswijziging niet tot overeenstemming heeft geleid zullen de wettelijke wijzigingen integraal gelden voor het wettelijke en bovenwettelijke deel van de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 Integriteit 9.1 Arbowet Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor het naleven van de Arbowet en voert daartoe een beleid om de arbeidsomstandigheden zo goed mogelijk in te richten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur zet hier de volgende drie instrumenten voor in:</p>\n<p class=\"lf-p\">De risico inventarisatie en evaluatie (RIE) Een plan van aanpak Preventiemedewerker 9.2 Gedrag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-921\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtelijke ethiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar vervult zijn functie met inzet en gedraagt zich als een goed ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet is voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die voor het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-922\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk gebruik van goederen en diensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden voor persoonlijk gebruik of bate: diensten te laten verrichten door personen in waterschapsdienst; eigendommen van het waterschap te gebruiken; gebruik te maken van wat hem in zijn functie ter kennis is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen toestemming geven voor het persoonlijk gebruik van goederen en diensten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-923\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Accepteren van geschenken en gelden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden conform artikel 362 en 363 Wetboek van Strafrecht: in verband met zijn functie vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of te accepteren, die bedoeld zijn om zijn gedrag in een bepaalde richting te beïnvloeden. steekpenningen te accepteren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-924\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Nevenwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar is verplicht aan het dagelijks bestuur opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die betaald worden en of die de belangen van de dienst kunnen raken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een registratie gevoerd van de opgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten, waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Over dit verbod kan het dagelijks bestuur nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde nevenwerkzaamheden van de secretaris-directeur en overige directeuren, en ook van andere ambtenaren die zijn aangesteld in een functie waarvoor openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-925\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aannemingen van werken, leveringen en diensten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-926\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Melding financiële belangen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten, waardoor de goede vervulling van zijn functie of het goede functioneren van de organisatie, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt vast welke ambtenaren aangesteld zijn in een functie met een risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het dagelijks bestuur worden voorschriften vastgesteld hoe deze ambtenaren financiële belangen respectievelijk het bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst kunnen raken, kunnen melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Vertrouwenspersoon</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-931\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vertrouwenspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren kunnen op het werk geconfronteerd worden met vormen van ongewenst gedrag, zoals pesten, seksuele intimidatie, discriminatie en agressie. Het dagelijks bestuur stelt een vertrouwenspersoon aan bij de organisatie waar de ambtenaar terecht kan met meldingen of klachten over ongewenst gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkgever benoemt een vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon is voor de uitvoering van de taken uitsluitend verantwoording schuldig aan de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon brengt jaarlijks schriftelijk verslag uit aan de werkgever over de betreffende werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een door het dagelijks bestuur aangewezen interne vertrouwenspersoon wordt op geen enkele wijze benadeeld als gevolg van het uitoefenen van zijn taken als vertrouwenspersoon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-932\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Het indienen van een klacht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een klacht wordt in eerste instantie ingediend bij de door de werkgever benoemde vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het indienen van een klacht kan zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. Van de schriftelijk ingediende klacht krijgt de klager binnen een week een bericht van ontvangst. Van de mondeling ingediende klacht wordt direct proces–verbaal opgemaakt. De klager en de vertrouwenspersoon ondertekenen het proces–verbaal. De klager krijgt binnen een week nadat het proces–verbaal is opgemaakt een afschrift daarvan toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anonieme klachten worden niet in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-933\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtenprocedure bij de vertrouwenspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon stelt de klager en de aangeklaagde in de gelegenheid te worden gehoord. Het horen wordt geacht plaats te vinden binnen twee weken nadat de klacht bij de vertrouwenspersoon is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klager en aangeklaagde kunnen zich ieder laten bijstaan door een derde. Van het horen bedoeld in lid 1 stelt de vertrouwenspersoon een verslag op dat door klager, aangeklaagde en vertrouwenspersoon voor gezien wordt ondertekend. Weigert een gehoorde ondertekening, dan wordt daarvan, onder vermelding van redenen, door de vertrouwenspersoon op het verslag melding gemaakt. Klager en aangeklaagde ontvangen binnen een week na het horen een afschrift van het verslag van de vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de klacht door de vertrouwenspersoon, na het horen van tenminste de klager en de aangeklaagde, niet kan worden afgehandeld, verwijst hij de klager naar de klachtencommissie. In dat geval worden de benodigde stukken door de vertrouwenspersoon direct naar de klachtencommissie verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien klager zich niet kan verenigen met de afhandeling door de vertrouwenspersoon, kan de klager zich – onder gelijktijdige kennisgeving aan de vertrouwenspersoon – rechtstreeks wenden tot de klachtencommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-934\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtencommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is een klachtencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze commissie bestaat uit drie leden, waarvan er bij voorkeur één een vrouw is, te weten:  één lid aan te wijzen door de leden van de Medezeggenschapscommissie, of bij het ontbreken daarvan, namens het personeel;  één lid aan te wijzen door het dagelijks bestuur;  en één lid aan te wijzen door de Medezeggenschapscommissie of het personeel en het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de klachtencommissie hebben zitting voor een periode van vier jaar. Zij treden na hun zittingsperiode af en zijn herbenoembaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie beraadslaagt in voltalligheid en in beslotenheid. Over haar bevindingen verstrekt de commissie noch haar leden, anders dan als bedoeld in artikel 9.3.6, lid 2 SAW, geen informatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-935\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverzameling en –bewaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon respectievelijk de commissie is bevoegd informatie in te winnen bij de klager en de aangeklaagde, evenals bij getuigen en anderen, voor zover de uitvoering van zijn taken daartoe noodzaakt. Hij neemt daarbij de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht ter bescherming van de privacy van de direct–betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vertrouwenspersoon respectievelijk de commissie houdt van de door haar behandelde klachten een archief bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van gegevensverzameling en privacy–bescherming worden de bepalingen van de Wet persoonsregistratie in acht genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-936\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtenprocedure bij de commissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De commissie stelt de klager, de aangeklaagde, de vertrouwenspersoon en eventuele getuigen in de gelegenheid te worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het horen gebeurt binnen uiterlijk twee weken nadat de klacht bij de commissie is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van haar bevindingen brengt de commissie schriftelijk rapport uit aan het dagelijks bestuur, aan de klager en aan de aangeklaagde, uiterlijk drie weken nadat het horen van klager, aangeklaagde en eventueel getuigen is afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klachtencommissie geeft in het rapport een gemotiveerd oordeel over de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie brengt in haar rapport tevens advies uit betreffende de zo nodig te treffen maatregelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-937\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Besluitvorming door het dagelijks bestuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen drie weken na ontvangst van het rapport van de klachtencommissie neemt het dagelijks bestuur een gemotiveerd besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-938\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Rehabilitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een klacht ten onrechte bij de commissie blijkt te zijn gedeponeerd, voorziet het dagelijks bestuur op verzoek van en in overleg met de aangeklaagde in een passende rehabilitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Klokkenluidersregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-941\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Klokkenluider</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die te goeder trouw de bij hem levende vermoedens van misstanden uit volgens de procedure, bedoeld in deze paragraaf zal als gevolg van het uiten van die vermoedens geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie ondervinden tijdens en na het volgen van de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interne procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-942\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Interne melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar die een vermoeden van een misstand wil melden, doet dit bij zijn direct leidinggevende of, indien hij melding aan zijn direct leidinggevende niet wenselijk acht, bij diens leidinggevende of bij de door het algemeen bestuur aangewezen vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidinggevende of de vertrouwenspersoon draagt er zorg voor dat het dagelijks bestuur direct op de hoogte wordt gesteld van een gemeld vermoeden van een misstand en van de datum waarop de melding ontvangen is. Indien de ambtenaar het vermoeden bij de vertrouwenspersoon heeft gemeld, brengt de vertrouwenspersoon tevens de leidinggevende van betrokkene op de hoogte. De ambtenaar kan de vertrouwenspersoon verzoeken zijn identiteit bij het dagelijks bestuur of de leidinggevende niet bekend te maken. De ambtenaar kan dit verzoek te allen tijde herroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand stelt het dagelijks bestuur direct een onderzoek in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur zendt aan de ambtenaar die een vermoeden van een misstand heeft gemeld, een ontvangstbevestiging. De ontvangstbevestiging bevat het gemelde vermoeden van een misstand en het moment waarop de ambtenaar het vermoeden aan de leidinggevende of de vertrouwenspersoon heeft gemeld. Indien de ambtenaar verzocht heeft zijn identiteit niet bekend te maken aan het dagelijks bestuur, zendt het dagelijks bestuur een ontvangstbevestiging aan de vertrouwenspersoon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-943\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Standpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt de ambtenaar dan wel, indien de ambtenaar heeft verzocht zijn identiteit niet bekend te maken aan het dagelijks bestuur, de vertrouwenspersoon binnen zes weken schriftelijk op de hoogte van zijn standpunt betreffende het gemelde vermoeden van een misstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het standpunt niet binnen zes weken kan worden gegeven, kan het dagelijks bestuur de afhandeling voor ten hoogste vier weken verdagen. Het dagelijks bestuur stelt de ambtenaar dan wel de vertrouwenspersoon hiervan schriftelijk in kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Externe procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-944\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Het Meldpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het algemeen bestuur wijst een of meer personen aan die het Meldpunt vormt of vormen. Zij worden benoemd voor de werkingsduur van de regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Meldpunt heeft tot taak een door de ambtenaar gemeld vermoeden van een misstand te onderzoeken en het dagelijks bestuur wat dat betreft te adviseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Meldpunt uit meerdere personen bestaat, is dit altijd een oneven aantal, inclusief de voorzitter. Tevens kunnen in dat geval een secretaris, een plaatsvervangend voorzitter en andere plaatsvervangende leden worden benoemd. Zij beslissen bij gewone meerderheid van stemmen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-945\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Melding bij het Meldpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan het vermoeden van een misstand binnen een redelijke termijn melden bij het Meldpunt, indien: hij het niet eens is met het standpunt bedoeld in artikel 9.4.3 SAW; hij geen standpunt ontvangen heeft binnen de termijnen bedoeld in artikel 9.4.3. SAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan het Meldpunt verzoeken zijn identiteit niet bekend te maken. Hij kan dit verzoek te allen tijde herroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-946\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtstreekse melding bij het Meldpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het geval zwaarwegende belangen de toepassing van de interne procedure in de weg staan, kan de ambtenaar in afwijking van de artikelen 9.4.2, 9.4.3 en 9.4.5, eerste lid, van de SAW het vermoeden van een misstand rechtstreeks melden bij het Meldpunt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-947\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Ontvangstbevestiging en onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Meldpunt bevestigt de ontvangst van een melding van een vermoeden van een misstand aan de ambtenaar die het vermoeden heeft gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Meldpunt dit voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk acht, stelt het een onderzoek in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van het onderzoek betreffende een melding van een vermoeden van een misstand is het Meldpunt bevoegd bij het dagelijks bestuur alle inlichtingen in te winnen die het voor de vorming van zijn advies nodig acht. Het dagelijks bestuur verschaft het Meldpunt de gevraagde inlichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Meldpunt uit meerdere personen bestaat kan het onderzoek of gedeelten daarvan door het Meldpunt worden opdragen aan één van de leden of een deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de inhoud van bepaalde door het dagelijks bestuur verstrekte informatie vanwege het vertrouwelijke karakter uitsluitend ter kennisneming van het Meldpunt dient te blijven, wordt dit aan het Meldpunt meegedeeld. Het Meldpunt beveiligt informatie met een vertrouwelijk karakter tegen kennisneming door onbevoegden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-948\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Niet ontvankelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Meldpunt adviseert het dagelijks bestuur gemotiveerd de melding niet ontvankelijk te verklaren indien: de misstand niet van voldoende gewicht is; de ambtenaar de procedure bedoeld in artikel 9.4.2 SAW niet heeft gevolgd en artikel 9.4.6 SAW niet van toepassing is; of de ambtenaar de procedure bedoeld in artikel 9.4.2 SAW wel heeft gevolgd, maar de termijnen bedoeld in artikel 9.4.3 SAW nog niet zijn verstreken. de melding niet binnen een redelijke termijn is geschied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-949\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoudelijk advies van het Meldpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het gemelde vermoeden van een misstand ontvankelijk is, legt het Meldpunt binnen zes weken zijn bevindingen betreffende de melding van een vermoeden van een misstand neer in een advies aan het dagelijks bestuur. Het Meldpunt zendt een afschrift van het advies aan de ambtenaar met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van de aan het meldpunt verstrekte informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het advies niet binnen zes weken kan worden gegeven, wordt dit door het Meldpunt aan het dagelijks bestuur meegedeeld, en kan deze termijn met ten hoogste vier weken worden verlengd. Het Meldpunt stelt het dagelijks bestuur evenals de ambtenaar hiervan schriftelijk in kennis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies wordt in geanonimiseerde vorm en met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van aan het Meldpunt verstrekte informatie en de ter zake geldende wettelijke bepalingen openbaar gemaakt op een wijze die het Meldpunt geëigend acht, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. Kosten van de openbaarmaking komen ten laste van het waterschap. Het advies wordt niet eerder openbaar gemaakt dan nadat het dagelijks bestuur zijn nadere standpunt aan de ambtenaar die het vermoeden van een misstand heeft gemeld, heeft meegedeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Nader standpunt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt binnen twee weken na ontvangst van het advies bedoeld in artikel 8 de ambtenaar evenals het Meldpunt, schriftelijk op de hoogte van zijn nader standpunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de ambtenaar die het Meldpunt heeft verzocht zijn identiteit niet bekend te maken geschiedt de berichtgeving van het nader standpunt via het Meldpunt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9411\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarverslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jaarlijks wordt door het Meldpunt een verslag opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat verslag wordt in geanonimiseerde zin en met inachtneming van de ter zake geldende wettelijke bepalingen gemeld: het aantal en de aard van de meldingen van een vermoeden van een misstand; het aantal meldingen dat niet tot een onderzoek heeft geleid; het aantal onderzoeken dat het Meldpunt heeft verricht; en het aantal adviezen en de aard van de adviezen die het Meldpunt heeft uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit jaarverslag wordt aan de het algemeen bestuur en de Ondernemingsraad gestuurd en openbaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 Overleg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.1</span><span class=\"lf-art-t\">Commissie voor georganiseerd overleg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur zal een commissie voor georganiseerd overleg instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, kunnen in de commissie voor georganiseerd overleg afspraken worden gemaakt, voor zover daarin niet is voorzien door het LAWA.</p>\n<p class=\"lf-p\">De samenstelling, bevoegdheid en werkwijze van de commissie, bedoeld in het eerste lid, worden bij afzonderlijke regeling geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen commissie als bedoeld in het eerste lid is ingesteld, moeten de vakorganisaties worden gehoord conform artikel 10.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10.2</span><span class=\"lf-art-t\">Formeel overleg met vakorganisaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de organisaties, waarbij de ambtenaren zijn aangesloten, vindt overleg plaats over de aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin niet wordt voorzien door het centraal arbeidsvoorwaardenoverleg in het Landelijk Arbeidsvoorwaardenoverleg Waterschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de landelijke verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van overheidspersoneel, toegelaten tot het centraal arbeidsvoorwaardenoverleg in het vorige lid bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien dagen zal zijn, het dagelijks bestuur schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken. Indien de organisatie dit verlangt, wordt zij tot mondelinge toelichting toegelaten. Mocht een der deelnemers aan dit overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, dan kan een beroep worden gedaan op de Advies– en Arbitragecommissie voor de lagere overheden. De voorzitter van de Advies– en Arbitrage-commissie bepaalt als dan de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de bepaling van lid 1 wordt geacht te zijn voldaan, indien de organisatie in gebreke is gebleven binnen de in het vorige lid bedoelde termijn van haar gevoelen te doen blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoort het nemen van het in lid 3 bedoelde besluit tot de bevoegdheid van het algemeen bestuur, dan vermeldt het dagelijks bestuur bij het ontwerp van het besluit tevens het gevoelen van de organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur zendt een afschrift van zijn besluiten en van de besluiten van het algemeen bestuur, binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen, aan de organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien met de vakorganisaties overlegd wordt volgens dit artikel moeten de volgende artikelen in de SAW als volgt worden gelezen: in artikel 1.1.4 en artikel 2.1.12, lid 5 van de SAW zullen de woorden ‘in de commissie volgens 10.1’ moeten worden gelezen als ‘met de organisaties’ Bijlage I Salaristabel Bijlage II Transponeringstabel SAW Transponeringstabel SAW (oud) naar SAW (nieuw) SAW 1 januari 2013 SAW 1 juli 2013 2.3.1 5.1.1 2.3.1 lid 4 5.6.2 2.3.2 5.5.1 2.3.3 5.5.2 2.3.4 8.1.8 lid 4 2.3.5 5.5.3 2.3.6 5.5.4 3.1.13 3.1.14 3.1.14 3.1.15 3.1.15 3.1.16 3.1.16 3.4.8 3.1.17 3.4.9 3.1.18 3.4.10 3.1.19 3.4.11 3.1.20 3.6.5 3.1.21 3.6.6 3.1.22 3.6.7 3.1.23 3.1.17 3.1.24 1.1.2 3.2.11 1.1.2 3.2.12 3.2.11 3.3.7 1.1.2 3.3 3.4 3.3.8 3.4.7 4.4.4 4.4.5 4.4.5 4.4.6 4.4.6 4.4.7 4.4.7 4.4.8 4.4.8 4.4.9 4.4.9 4.4.10 4.4.10 4.4.11 5 6 6.1.3 3.6.2 6.1.5 3.6.2 lid 3 6.1.6 3.1.13 6.1.8 4.4.4 6.2.1 9.2.1 6.2.2 9.2.2 6.2.3 9.2.3 6.2.5 9.2.4 6.2.6 9.2.6 6.2.7 9.2.5 6.2.8 2.1.12 6.2.9 2.1.13 6.2.10 3.6.3 6.2.11 3.6.4 6.2.12 3.6.1 6.2.15 7.1.5 6.2.17 3.5.1 6.3.1 9 6.3.2 9.3.1 6.3.3 9.3.2 6.3.4 9.3.3 6.3.5 9.3.4 6.3.6 9.3.5 6.3.7 9.3.6 6.3.8 9.3.7 6.3.9 9.3.8 6.4 9.4 8.2 7.2 9.1 8.2 9.2 8.3 10.1.1 3.3.1 10.1.2 3.3.2 10.1.3 3.3.3 10.1.4 3.3.4 10.2.1 3.3.5 10.2.2 3.3.6 10.3.1 3.5.1 10.3.2 3.5.2 10.3.4 3.5.3 10.3.6 3.5.4 10.3.7 3.5.5 10.3.8 3.5.6 11.1 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 11.2.1 5.3.2 11.2.2 5.6.4 11.2.3 5.4.2 11.2.4 5.3.3 11.2.5 1.1.2 11.3.1 5.4.5 11.3.2 5.4.6 11.3.3 5.4.7 12.1 10.1 12.2 5.1.2 Bijlage II 10.2 Bijlage III Bijlage II Bijlage IV Bijlage III Bijlage V Bijlage IV Bijlage VI Bijlage V Bijlage VII 5.2 Bijlage VIII Bijlage VI Bijlage III Procedure FuWater</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze regeling wordt verstaan onder: ambtenaar: degene zoals bedoeld in artikel 1.2.1, van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (SAW); bezwarencommissie: de commissie bedoeld in artikel 7 van deze regeling; conversietabel: de tabel in bijlage V die de resultaten van het waarderingsproces vertaald naar functieschalen; functiebeschrijving: een generieke of specifieke taakomschrijving van een organieke functie; functieboek: een weergave van alle functies binnen (een samenhangend deel van) de organisatie; functiefamilie: dit is een verzameling van functies die een grote verwantschap met elkaar hebben en vergelijkbare eisen stellen aan de competenties van de functiehouders; functiewaardering: het proces van het waarderen van functies volgens de in artikel 3.1.4 SAW genoemde methodiek FuWater; functiewaarderingsdeskundige: een FuWater gecertificeerde adviseur;</p>\n<p class=\"lf-p\">FuWater: het functiewaarderingssysteem zoals bedoeld in artikel 3.1.4 van de SAW; generieke functiebeschrijving: een beschrijving van taken die een weergave is van aard, karakter, niveau en complexiteit: logisch voortvloeiend uit de organisatiestructuur en verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen het waterschap; management: de ambtena(a)r(en) die verantwoordelijk is/zijn voor het organisatie- en personeelsbeleid van het waterschap; organieke functie: een taak of groep van taken, logisch voortvloeiend uit de organisatiestructuur en verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen het waterschap, die door of namens het dagelijks bestuur is vastgesteld om door een ambtenaar te worden vervuld; plaatsingsbesluit: het besluit waarin vastgelegd wordt welke functiebeschrijving voor de ambtenaar geldt; specifieke functiebeschrijving: een expliciete beschrijving van taken die de organisatie van een bepaalde medewerker verwacht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Het opmaken van nieuwe functiebeschrijvingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Functiebeschrijvingen worden opgemaakt: voor alle organieke functies: die bij de invoering van FuWater bij het waterschap bestaan; bij het ontstaan van nieuwe functies; bij een niveaubepalende wijziging van de taakinhoud van één of meer functies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het management is verantwoordelijk voor de actualiteit van de functiebeschrijvingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure functiebeschrijving is opgenomen in de artikelen 2.1 en 3.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Waarderen en conversie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder de verantwoordelijkheid van het management wordt de beschreven functie met behulp van FuWater, door de functiewaarderingsdeskundige gewaardeerd en wordt, aan de hand van de door het LAWA vastgestelde conversietabel de daarbij behorende functieschaal toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt de waardering en de functieschaal op basis van het bepaalde in het vorige lid vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Schriftelijke mededeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur deelt tegelijkertijd schriftelijk aan de ambtenaar het volgende mede: de functiebeschrijving; de waardering van de functie en de bijbehorende functieschaal; de ingangsdatum van de functiebeschrijving en de waardering.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Specifieke functiebeschrijvingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure specifiek functiebeschrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van iedere specifieke functie wordt door een functiewaarderingsdeskundige, onder verantwoordelijkheid van het management, een functiebeschrijving opgesteld op basis van FuWater.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functiebeschrijving wordt ter beschikking gesteld aan de ambtenaar die de betreffende functie vervult. De ambtenaar kan zijn opmerkingen over de functiebeschrijving schriftelijk, of indien hij dit wenst mondeling, kenbaar maken. De opmerkingen worden schriftelijk vastgelegd. De ambtenaar ontvangt hiervan een kopie. De opmerkingen van de ambtenaar maken onderdeel uit van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het management beoordeelt of de gemaakte opmerkingen al dan niet worden verwerkt in de functiebeschrijving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar tekent de functiebeschrijving daarna voor gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functiebeschrijvingen worden door het dagelijks bestuur vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functie van de secretaris–directeur wordt beschreven onder de verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bezwaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan gemotiveerd bezwaar aantekenen tegen de functiebeschrijving en/of waardering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedures en termijnen inzake bezwarenprocedures zoals neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen zes weken na de schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 1.4, kan de ambtenaar een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft bij het indienen van het bezwaarschrift recht op inzage in de onderliggende stukken die hebben geleid tot de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar conform het bepaalde in het tweede lid bezwaar heeft gemaakt bij het dagelijks bestuur vraagt het dagelijks bestuur onverwijld na ontvangst van het bezwaar daaromtrent advies aan de in artikel 4.1 bedoelde commissie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Generieke functiebeschrijvingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure generiek functie beschrijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van iedere generieke functie wordt door een functiewaarderingsdeskundige, onder verantwoordelijkheid van de secretaris directeur van het waterschap een generieke functiebeschrijving opgesteld. De secretaris directeur stelt deze beschrijving voorlopig vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorlopig vastgestelde generieke functiebeschrijving wordt als voorgenomen besluit ter advisering (artikel 25 Wet op de Ondernemingsraden) aan de OR voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat de OR heeft geadviseerd stelt het dagelijks bestuur de generieke functiebeschrijving vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functie van de secretaris–directeur wordt beschreven onder de verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het functieboek wordt gewijzigd voor nieuwe functiefamilies en/of bandbreedtes bij wijziging of aanpassing van de organisatiestructuur, taken of doelstellingen van de organisatie die duurzaam moeten worden vervuld en die niet op basis van het vigerende functieboek kunnen worden vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verantwoordelijkheid van de directie zal door het managementoverleg jaarlijks worden bezien in hoeverre de noodzaak tot herbeschrijven aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek tot herbeschrijven kan ook worden ingediend door de Ondernemingsraad. Het verzoek wordt tenminste eenmaal besproken in een overlegvergadering. De WOR bestuurder beslist binnen acht weken na ontvangst van een verzoek tot herbeschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar geplaatst op een generieke functie kan verzoeken tot herziening van het eigen plaatsingsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bezwaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar kan gemotiveerd bezwaar aantekenen tegen de functiebeschrijving en/of waardering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedures en termijnen inzake bezwarenprocedures zoals neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen zes weken na de schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 1.4, kan de ambtenaar een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het dagelijks bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar heeft bij het indienen van het bezwaarschrift recht op inzage in de onderliggende stukken die hebben geleid tot de beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar conform het bepaalde in het tweede lid bezwaar heeft gemaakt bij het dagelijks bestuur vraagt het dagelijks bestuur onverwijld na ontvangst van het bezwaar daaromtrent advies aan de in artikel 4.1 bedoelde commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een generieke functiebeschrijving kan de ambtenaar gemotiveerd bezwaar aantekenen tegen het plaatsingsbesluit. Met dit bezwaar dient de ambtenaar zich te richten tot de eigen personele bezwarencommissie van het Waterschap.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Bezwaarprocedure</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bezwarencommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is een door het LAWA ingestelde landelijke bezwarencommissies gebaseerd op artikel 7.13 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bezwarencommissie uit lid 1 brengt aan het dagelijks bestuur van het waterschap dat het bezwaar bij de commissie heeft aangebracht advies uit over de haar voorgelegde bezwaren van een ambtenaar tegen de functiebeschrijving en/of –waardering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De taak van de bezwarencommissie met betrekking tot functiewaardering bestaat uit: vaststellen van de ontvankelijkheid van het bezwaar; toetsen of de functiebeschrijving en –waardering op een correcte wijze tot stand zijn gekomen conform de procedure functiebeschrijving en –waardering; toetsen van de vastgestelde functiebeschrijving en –waardering. het dagelijks bestuur adviseren met betrekking tot de punten a t/m c van dit lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie zal de functie in de volle omvang bezien. Zij zal zich niet beperken tot het gezichtspunt waartegen bezwaar is ingediend. Indien wordt overwogen de waardering voor een niet bestreden gezichtspunt te verlagen, stelt zij in elk geval de indiener van het bezwaarschrift en het bestuursorgaan in de gelegenheid hierover hun zienswijze naar voren te brengen. Tevens stelt zij de indiener in de gelegenheid het bezwaarschrift in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De commissie is paritair samengesteld en bestaat uit acht leden. Drie leden namens de vakbonden, drie leden namens de werkgever en twee onafhankelijke door het LAWA aangewezen voorzitters. De commissie laat zich bijstaan door een door het LAWA benoemde secretaris. De secretaris is geen lid van de commissie. De commissie vergadert met twee leden, één namens de vakbonden en één namens de werkgever onder leiding van één voorzitter. De voorzitters en leden rouleren. Getracht wordt om het werkaanbod evenredig over de voorzitters en leden te verdelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Werkwijze bezwarencommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bezwarencommissie stelt de ambtenaar en zijn eventuele raadsman, alsmede de door het dagelijks bestuur aangewezen vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid in elkaars aanwezigheid te worden gehoord. De commissie kan ook andere personen horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergaderingen van de bezwarencommissie zijn niet openbaar. De leden zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen uit de stukken of de beraadslagingen bekend is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bezwarencommissie behandelt een bezwaarschrift in voltallige vergadering en brengt haar advies bij meerderheid van stemmen uit. Indien een advies niet unaniem is, wordt ook het minderheidsadvies vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bezwarencommissie draagt er zorg voor dat het advies zo tijdig wordt vastgesteld en uitgebracht dat het dagelijks bestuur kan beslissen binnen de termijn bedoeld in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beslissing op bezwaar</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur neemt, met inachtneming van het advies van de bezwarencommissie, binnen de in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn een beslissing op bezwaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt aan de indiener van het bezwaarschrift bekendgemaakt met overlegging van het uitgebrachte advies van de bezwarencommissie. Eveneens wordt dit besluit in voorkomende gevallen bekend gemaakt aan de raadsman van de indiener van het bezwaarschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur zendt een afschrift van zijn besluit aan de bezwarencommissie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Slot</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling wordt aangehaald als procedure FuWater.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet, beslist het dagelijks bestuur in de geest van deze regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage IV Conversietabel FuWater Functieschaal Punten 1 14 t/m 16 2 17 t/m 20 3 21 t/m 24 4 25 t/m 27 5 28 t/m 30 6 31 t/m 34 7 35 t/m 37 8 38 t/m 41 9 42 t/m 44 10 45 t/m 48 11 49 t/m 51 12 52 t/m 54 13 55 t/m 58 14 59 t/m 61 15 62 t/m 64 16 65 t/m 67 17 68 t/m 69 18 70 Bijlage V Tabel verschil duur uitkering oude en nieuwe WW In artikel 9.2.30 is in lid 1e bepaald dat het verschil tussen de duur van de oude en nieuwe WW-uitkering berekend dient te worden. Onder de oude WW wordt verstaan de Werkloosheidswet zoals deze van kracht was op 31 september 2006. Onder de nieuwe WW wordt verstaan de Werkloosheidswet zoals deze van kracht was op 1 oktober 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de oude en nieuwe WW is de duur van de uitkering afhankelijk van het arbeidsverleden van de ambtenaar. Het arbeidsverleden is een combinatie van fictieve en feitelijke arbeidsverleden. De systematiek verschilt iets onder de nieuwe en oude WW. De duur van de WW-uitkering bij een bepaald arbeidsverleden verschilt onder de nieuwe en oude WW. In onderstaande tabel is in de laatste kolom aangegeven wat bij een bepaalde leeftijd het verschil in WW-duur is, zoals bedoeld onder artikel 9.2.30, lid 1e van de SAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel verschil uitkeringsduur oude en nieuwe WW Leeftijd (jaren) Arbeidsverleden oude WW (jaren) Duur oude WW (maanden) Arbeidsverleden nieuwe WW (jaren) Duur nieuwe WW (maanden) Verschil WW-duur (maanden; gelijk of groter dan nul) 38 19 18 20 20 0 39 20 24 21 21 3 40 21 24 22 22 2 41 22 24 23 23 1 42 23 24 24 24 0 43 24 24 25 25 0 44 25 30 26 26 4 45 26 30 27 27 3 46 27 30 28 28 2 47 28 30 29 29 1 48 29 30 30 30 0 49 30 36 31 31 5 50 31 36 32 32 4 51 32 36 33 33 3 52 33 36 34 34 2 53 34 36 35 35 1 54 35 48 36 36 12 55 36 48 37 37 11 56 37 48 38 38 10 57 38 48 39 39 9 58 39 48 40 40 8 Bijlage VI Herkomst middelen IKB-collectief Alfabetisch trefwoordenregister Aannemen van geschenken en gelden 9.2.3 Aannemingen en leveringen 9.2.5 Aansluitende uitkering 8.3 –anticumulatie 8.3.24 –beëindiging 8.3.19 –berekeningsgrondslag 8.3.16 –duur 8.3.15 –herleving 8.3.21 –hoogte uitkering 8.3.18 –indexering 8.3.17 –overlijden 3.1.23 –scholing 8.3.25 –verplichtingen en sancties 8.3.23 –en nawerking ziektewet 8.2.20 Aanspraken op tegemoetkoming in verhuiskosten 3.5.3 Aanstelling 2.1.2 Aanstelling, vast of tijdelijk 2.1.4 Aanvullende uitkering bij werkloosheid –anticumulatie 8.3.9 –berekeningsgrondslag 8.3.2 –bedrag 8.3.4 –beëindiging 8.3.5 –herleving 8.3.6 –indexering 8.3.3 –overlijden 3.1.23 –recht 8.3.1 –scholing 8.3.10 –verlening 8.3.7 –verplichtingen en sancties 8.3.8 Aanvullende voorwaarden (arbeidsovereenkomst) 2.2.3 Aanzuiveringsplicht rekenplichtige ambtenaar 3.6.4 Activerend personeelsbeleid 5.1.1 –instrumenten 5.6 Adoptie en pleegzorg 4.4.5 Afkoop rechten 8.2.3 Alternatieve samenlevingsvormen 2.1.13 Ambtelijke ethiek 9.2.1 Ambtsjubilea 3.1.21 Arbeidsduur en werktijden 4.1 –arbeidsduur 4.1.1 –jaarlijkse keuze meerwerk 4.1.2 –jaarlijkse keuze minderwerk 4.1.3 –werktijden 4.1.4 Arbeidsmarkt- en Ontwikkelingsfonds Waterschappen 5.1.2 Arbeidsmarkttoelage 3.1.14 Arbeidsovereenkomst 2.2.2 Arbeidsovereenkomst, voortzetting 2.2.6 Arbeidsovereenkomst, voorwaarden en duur 2.2.1 A&amp;O fonds 5.1.2 Basisrecht (vakantie) 4.2.1</p></div>", "next": 239970}