{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">a. de activiteit draagt bij aan één of meer doelstellingen van het provinciale stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2004-2007’; 78[Toelichting: De doelstellingen van het stimuleringsprogramma als bedoeld in sub a zijn: • een bijdrage leveren aan de identiteit c.q. uitstraling van de specifieke (ruimtelijke) kwaliteiten van Overijsselse regio’s, steden, landschappen en dorpen door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed; • het economisch belang van stad en land versterken doordat deze eigen identiteit een grotere herkenbaarheid betekent en wervingskracht bezit; • innovatieve ontwikkelingen stimuleren. Vernieuwing van industrieel en agrarisch erfgoed vergt namelijk een grote mate van creativiteit. De specifieke opgaven verbinden diverse werkvelden/specialismen met elkaar; • bevorderen van duurzaamheid door hergebruik van gebouwen, terreinen en grondstoffen; • het vergroten van het inzicht in cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten bij zowel een breed publiek als ook bij bestuurders en (agrarische) ondernemers; • cultuurtoerisme versterken door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed, o.a. in de vorm van themaroutes en netwerken van ‘pleisterplaatsen’ van agrarisch en industrieel erfgoed.] b. de activiteit heeft betrekking op in cultuurhistorisch opzicht waardevol industriecomplex, fabriek of boerderij en bijbehorend erf; c. de activiteit vindt niet plaats in de landbouwontwikkelingsgebieden van het reconstructieplan Salland-Twente; 79[Toelichting: In het Reconstructieplan Salland-Twente zijn landbouwontwikkelingsgebieden aangewezen die bedoeld zijn voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. Om die reden is het ongewenst om in deze gebieden de transformatie van agrarische bedrijven gericht op niet agrarische functies te ondersteunen. De ligging van deze landbouwontwikkelingsgebieden vindt u op de website van de provincie.] d. bij agrarisch erfgoed gaat het om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing, dat wil zeggen gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn (geweest); e. er is sprake van instemming van de gemeente en van de eigenaar met het opstellen van het transformatieplan; f. ontwerpende partijen dienen aantoonbare ervaring te hebben met transformatieplannen en te beschikken over gedegen ontwerpkwaliteit. 80[Toelichting: Het transformatieplan dient te worden uitgevoerd door een ontwerper/architect die beschikt over een gedegen ontwerpkwaliteit. Voor diverse onderdelen van het transformatieplan kan hij/zij de hulp inroepen van andere deskundigen, bijvoorbeeld een cultuurhistoricus, een financieel deskundige, een constructeur, een stedenbouwkundige of een landschapsarchitect.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken bijdragen in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) transformatieplannen in de vorm van een prestatiesubsidie ten behoeve van de re-animatie van industrieel en agrarisch erfgoed in Overijssel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-516\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van een transformatieplan met betrekking tot industrieel erfgoed, met een maximum van € 15.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor een transformatieplan met betrekking tot agrarisch erfgoed bedraagt eveneens ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 10.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-517\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">81[Toelichting: Voor het indienen van een aanvraag is een aanvraagformulier opgesteld. Het aanvraagformulier dient volledig te worden ingevuld. Ook dienen de in dit artikel genoemde documenten te worden bijgevoegd. Een van de criteria voor subsidieverlening is dat gemeente en eigenaar geen bezwaar hebben tegen het opstellen van een transformatieplan. Hierbij gaat het er dus niet om of zij het al dan niet eens zijn met de resultaten. Voordat u het aanvraagformulier inlevert, is het raadzaam te overleggen met een van de medewerkers van het programmateam.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.11 bij de aanvraag tevens: a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen; b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden; c. documenten waaruit blijkt dar gemeenten en eigenaar instemmen met het opstellen van het transformatieplan; d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige(n) die het transformatieplan zal (zullen) opstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-519\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.19</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen één keer per jaar een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-520\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">82 [Toelichting: De aanvragen worden getoetst op volledigheid. De aanvrager krijgt de gelegenheid onvolledige aanvragen aan te vullen.De behandeling start als de aanvraag volledig is. Over de aanvraag brengt het programmateam advies uit aan Gedeputeerde Staten. Als regel krijgt de aanvrager uiterlijk na tien weken het besluit van Gedeputeerde Staten toegezonden.] Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-521\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.21</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan het programmateam, dat binnen acht weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten 2. Het programmateam is samengesteld uit één of enkele deskundigen op het gebied van cultuurhistorie, architectuur en landschap, de programmaleider en een provinciale beleidsmedewerker.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">83 [Toelichting: De werkzaamheden voor het transformatieplan moeten binnen drie maanden na het verlenen van de subsidie zijn gestart. In de rapportage(s) van het transformatieplan wordt duidelijk vermeld dat het plan mede mogelijk is gemaakt met een subsidie uit het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’.] 1. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidieontvanger stemt in met mogelijke publicatie van de projectresultaten door Gedeputeerde Staten.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.14 verstrekken Gedeputeerde Staten de aanvrager op verzoek een voorschot van 50% van de verleende subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag om subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">84[Toelichting: Het uitgevoerde transformatieplan dient binnen twee maanden na gereedkomen te worden aangeboden aan Gedeputeerde Staten. Dit gaat vergezeld met een verzoek tot vaststelling van de definitieve subsidie. Daartoe worden overzichten van de begrote en werkelijke uitgaven bijgevoegd. De financiële verantwoording wordt voorzien van bewijsstukken van inkomsten en uitgaven (kopieën van facturen, rekeningen, bankafschriften e.d.) Van het transformatieplan worden twee exemplaren toegezonden. Deze stukken worden eigendom van de provincie, die het recht heeft om het geheel of onderdelen te publiceren.] In afwijking van artikel 1.15 wordt een aanvraag om subsidievaststelling ingediend binnen twee maanden na afronding van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-525\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">85[Toelichting: Het uitgevoerde transformatieplan dient binnen twee maanden na gereedkomen te worden aangeboden aan Gedeputeerde Staten. Dit gaat vergezeld met een verzoek tot vaststelling van de definitieve subsidie. Daartoe worden overzichten van de begrote en werkelijke uitgaven bijgevoegd. De financiële verantwoording wordt voorzien van bewijsstukken van inkomsten en uitgaven (kopieën van facturen, rekeningen, bankafschriften e.d.) Van het transformatieplan worden twee exemplaren toegezonden. Deze stukken worden eigendom van de provincie, die het recht heeft om het geheel of onderdelen te publiceren.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.16 en 1.17 bij de aanvraag tevens twee exemplaren van het transformatieplan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Landelijke niet-reconstructie gebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag om subsidie voor projecten binnen landelijke niet-reconstructiegebieden moet voldoen aan de volgende criteria: a. het project of de activiteit draagt aantoonbaar bij aan het realiseren van de doelstellingen van het gebiedsprgramma in landelijke niet-reconstructiegebieden; b. het project past binnen de beschikbare kaders, zoals een gebiedsperspectief; c. aanvragen voor subsidie beneden € 5.000,-- worden niet in behandeling genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-527\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor projecten binnen landelijke niet-reconstructie-gebieden in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-528\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-529\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.29</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie voor landbouwbedrijven</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De hoogte van subsidie aan landbouwbedrijven wordt bepaald overeenkomstig artikel 4.11.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de aanvraag betrekking heeft op een subsidie voor een investering in een landbouwbedrijf, zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening van de Commissie (EG) 1/2004. PbEU 2004, L 1/1, overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.11 tevens de documenten of informatie genoemd in artikel 4.6.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-531\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-532\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.32</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>In afwijking van artikel 1.14 verlenen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening ambtshalve een voorschot van 80% van het subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien het subsidiebedrag minder bedraagt dan € 25.000,-- verlenen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid bij subsidieverlening ambtshalve een voorschot van 100% van het subsidiebedrag.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-533\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van het project start uiterlijk binnen twaalf maanden na verlening van de subsidie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Realisatie van verkeers- en vervoersprojecten</h3>\n<p class=\"lf-p\">86[Toelichting: Op grond van de Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer (Wet BDU) ontvangt de provincie van het Rijk financiële middelen voor de uitvoering van het verkeers- en vervoersbeleid op regionaal niveau. Daardoor wordt het mogelijk op het decentrale en regionale schaalniveau een integrale afweging te kunnen maken tussen verkeers- en vervoersprojecten en maatregelen en de daarvoor in te zetten middelen. Deze financiële middelen mogen op het gehele terrein van het verkeer en vervoer worden ingezet. Het betreft onder meer de verdeling over openbaar vervoer, bereikbaarheid en verkeersveiligheid. De provincie dient op grond van de Wet BDU jaarlijks een bestedingsplan op te stellen. Bij de voorbereiding daarvan worden de gemeenten betrokken. In het bestedingsplan worden de voorgenomen uitgaven, verdeling over de beleidssectoren en reserveringen met betrekking tot de BDU-middelen opgenomen. Het bestedingsplan bevat eveneens een verdeling van de BDU-middelen over: • maatregelen met betrekking tot het provinciaal verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door de provincie; • en maatregelen met betrekking tot het gemeentelijke en intergemeentelijk verkeers- en vervoersbeleid die worden uitgevoerd door een gemeente of door een samenwerkingsverband. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-534\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">87[Toelichting: De projecten moeten passen binnen de doelstellingen uit het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) en de in het jaarlijkse bestedingsplan opgenomen accenten voor de verdeling van bijdragen aan gemeenten of samenwerkingsverband. Bij de uitvoeringsgereedheid van een project voor niet-infrastructele projecten wordt gedacht aan uitvoering in het kalenderjaar waarin de subsidie wordt verleend. Bij de uitvoeringsgereedheid van infrastructurele projecten wordt gedacht aan de start van de uitvoering binnen twee jaren na subsidieverlening, tenzij er volgens Gedeputeerde Staten bijzondere redenen aanwezig zijn die een later tijdstip rechtvaardigen. Het aangaan van de juridische verplichting in de vorm van gunnen wordt als start van een project beschouwd.] 1. Gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden van gemeenten kunnen subsidie aanvragen voor het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: het project past in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Overijssel; het project past in het bestedingsplan als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer; het project is uitvoeringsgereed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt ten aanzien van een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat de subsidiabele kosten van het project ten minste € 25.000,-- moeten bedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op het eerste lid geldt dat een subsidieaanvraag voor de realisatie van niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat het project moet passen in een vastgesteld gemeentelijk verkeersveiligheidsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-535\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.35</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-536\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.36</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">88[Toelichting: Aangegeven wordt voor welke kosten wel en niet subsidie kan worden verkregen en tot welke hoogte. Het betreft hier maximale subsidiepercentages. De hoogte van de te verlenen subsidie is mede afhankelijk van de totale omvang van het project en het probleemoplossend vermogen van te leveren prestatie in relatie tot de beperkt beschikbare middelen. Planvorming, onderzoek/analyses alsmede kosten eigen dienst komen in principe niet voor subsidie in aanmerking. De verkeersongevallenconcentraties, die voor een subsidie van ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten in aanmerking komen, betreffen de ongevallenconcentraties waar in een aaneengesloten periode van 3 jaren zes of meer letselongevallen zijn gebeurd. Als basis wordt gehanteerd de meest recente periodiek door het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid (ROVO) en de provincie gezamenlijk uitgegeven lijst van Verkeersongevallenconcentraties Overijssel.] 1. De subsidie voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt: ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor openbaar vervoersprojecten en verkeersongevallenconcentratiepunten; ten hoogste 50% voor de overige infrastructuurprojecten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt ten hoogste 75% van de projectkosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid zijn: verwerving (voorzover direct voor het project nodig);</div>\n<p class=\"lf-p\">50% van het verleggen van kabels/leidingen/riolering; werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting; bijkomende voorzieningen om de betrokken infrastructuur zijn functie te kunnen laten vervullen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Ten aanzien van het eerste lid worden als niet-subsidiabele kosten aangemerkt: kosten die gemaakt zijn voordat de subsidieaanvraag wordt ingediend; voorbereiding en administratie; vervanging van kabels/leidingen/riolering; directievoering en toezicht; kosten voor eigen dienst of voor algemene bestuurslasten; vervanging en beheer en onderhoud.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-537\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.37</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">89 [Toelichting: Ten behoeve van een goede beoordeling van de aanvraag hebben Gedeputeerde Staten een aanvraagformulier vastgesteld dat bij de aanvraag dient te worden overlegd. Dit aanvraagformulier is op te vragen bij het team verkeer en vervoer van de provincie.] 1. In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 januari van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 april van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-538\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.38</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">90 [Toelichting: In het jaarlijks door Gedeputeerde Staten definitief vast te stellen bestedingsplan BDU, (artikelen 6 t/m 9 Wet BDU), waarbij ook de gemeenten worden betrokken, zullen de financiële middelen worden opgenomen die beschikbaar zijn voor bijdragen in niet-infrastructurele en infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten van gemeenten of samenwerkingsverbanden. De vaststelling van het subsidieplafonds zal hiervan worden afgeleid.] Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Dit plafond kan worden onderverdeeld in deelplafonds voor infrastructurele en niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-539\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.39</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">91 [Toelichting: De in artikel 5.34 genoemde criteria zijn hiervoor richtinggevend. In het jaarlijks op te stellen bestedingsplan zullen voor de subsidieverlening de accenten worden aangegeven c.q. nader worden uitgewerkt. Onder meer zal in dat verband aan het bestedingsplan een educatielijst duurzaam veilig projecten worden toegevoegd ten behoeve van de subsidieverlening voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten.] Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.34 genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-540\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.40</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken de aanvrager op aanvraag een voorschot van maximaal 80% van de verleende subsidie, waarbij voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten de hoogte en het betalingsritme afhankelijk is van de werkelijke uitgaven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-541\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.41</span><span class=\"lf-art-t\">Accountantsverklaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">92 [Toelichting: De Wet BDU verplicht de provincie om over de besteding van de BDU-middelen verantwoording af te leggen en deze te voorzien van een verklaring van een accountant. Op basis van het controleprotocol opgenomen in Bijlage II behorende bij artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling en beleidsregel BDU verkeer en vervoer dient de controle zowel de getrouwe weergave van de financiële verantwoording alsmede de rechtmatige besteding van de ter beschikking gestelde bijdrage te omvatten.] 1. Artikel 1.17 is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager die een publiekrechtelijk rechtspersoon is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op artikel 1.17, tweede lid, betreft de accountantsverklaring eveneens de rechtmatige besteding van het beschikbaar gestelde subsidiebedrag.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen Water en Bodem</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Stimulering bodemonderzoek</h3>\n<p class=\"lf-p\">93 [Toelichting: Met de subsidie stimulering bodemonderzoek wordt beoogd dat derden (meer) initiatieven zullen ontplooien om bodemonderzoeken uit te voeren waardoor stagnatie van maatschappelijke ontwikkelingen op onder meer ruimtelijk, infrastructureel en economisch gebied wordt weggenomen of voorkomen. De subsidie stimulering bodemonderzoek is onder andere bedoeld voor bedrijven, overheden, organisaties, maar ook particulieren die met bodemverontreiniging te maken hebben en waarbij het onderzoek naar bodemverontreiniging een bijdrage kan leveren om een maatschappelijk knelpunt op te heffen. Het kan daarbij gaan om verontreiniging van zowel landbodems als waterbodems. Het doel van de subsidie is: “Het in het belang van het milieu stimuleren van initiatieven die leiden tot het doen van bodemonderzoek waardoor stagnatie van door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkelingen wordt voorkomen of opgeheven.”Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een aanvraag voor subsidie stimulering bodemonderzoek moet voldoen aan de volgende criterium: het betreft een bodemonderzoek op een locatie waar de provincie Overijssel bevoegd gezag is op grond van de Wet bodembescherming en waar de bodemverontreiniging de door het provinciaal bestuur gewenste ontwikkelingen belet of belemmert.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Onder bodemonderzoek wordt verstaan: oriënterend bodemonderzoek, nader bodemonderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van een saneringsplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie stimulering bodemonderzoek in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">94[Toelichting: De regeling is bedoeld voor projecten waar de initiatiefnemers zelf een belangrijk deel van de kosten van het onderzoek voor hun rekening nemen. Voor dat deel van de kosten dat niet door de initiatiefnemers wordt opgebracht, kan een beroep op deze subsidie worden gedaan. Onder project wordt verstaan: een onderzoeksproject van een bodemverontreiniging die in overwegende mate is veroorzaakt voor 1987. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de subsidiabele kosten van het bodemonderzoek. In de verleningsbeschikking zal het maximaal uit te keren bedrag worden vermeld. Vaststelling vindt achteraf plaats op basis van werkelijk gemaakte kosten. Indien de kosten lager uitvallen dan verwacht, zal de subsidie hierop lager worden vastgesteld overeenkomstig het vastgestelde percentage van de kosten. Tot de kosten van een onderzoeksproject worden gerekend: • de kosten van uitvoeren van een oriënterend onderzoek; • de kosten van uitvoeren van een nader onderzoek; • de kosten van uitvoeren van een saneringsonderzoek; • de kosten van het opstellen van een saneringsplan. Tot de kosten van een onderzoeksproject worden niet gerekend de interne kosten van de opdrachtgever.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de werkelijk gemaakte projectkosten, zulks met een maximum van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bedrag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Als werkelijk gemaakte projectkosten worden aangemerkt de na verlening van de subsidie door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde externe kosten, voorzover deze rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">95 [Toelichting: Ingediende aanvragen worden, na het verstrijken van de sluitingsdatum voor indiening, door een ambtelijke beoordelingscommissie in behandeling genomen. Gedeputeerde Staten beslissen welke projecten subsidie ontvangen.] In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag jaarlijks worden ingediend in de perioden 1 januari tot en met 30 april, 1 mei tot en met 31 augustus alsmede in de periode 1 september tot en met 31 december.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">96 [Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (www.provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld. Bij de aanvraag dient een goede beschrijving van het project te worden gegeven. Deze beschrijving is nodig voor het beoordelen en het rangschikken van de subsidieaanvragen. Gegevens over historie en bodemonderzoek maken deel uit van de beschrijving. Daarnaast moet inzicht worden gegeven in de ontwikkeling die tengevolge van de bodemverontreiniging wordt belet of belemmerd.] 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.11 bij de aanvraag tevens alle door Gedeputeerde Staten verlangde onderzoeksgegevens, het belang van het bodemonderzoek in maatschappelijke zin en een planning van het bodemonderzoek.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 1.11 hoeft de aanvrager bij de aanvraag geen statuten te overleggen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">97[Toelichting: Jaarlijks wordt bij de provinciale begroting het voor deze subsidie beschikbare subsidieplafond vastgesteld. Het bedrag wordt door Gedeputeerde Staten verdeeld over het aantal voor het betreffende jaar vastgestelde perioden. Bij het niet volledig benutten van het budget van een periode kan het resterende bedrag worden toegevoegd aan het budget van een volgende periode. De omvang hiervan kan pas na sluiting van een periode worden vastgesteld. Omdat bij sluiting van de ene periode direct een volgende periode begint, wordt het resterende bedrag niet aan deze direct volgende maar aan de hierop volgende periode toegevoegd. Bij het overhevelen van het budget wordt dus een periode overgeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze kan voor het openen van deze periode worden bekendgemaakt hoeveel geld voor de aanvragen beschikbaar is. Per periode kunnen Gedeputeerde Staten een thema of een projecttype vaststellen waarbinnen de in te dienen projecten moeten passen. Onder projecttype wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld type van project waarop het project gericht moet zijn. Onder projectthema wordt verstaan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld beleidsthema waarop het project gericht moet zijn. Deze thema’s of projecttypen worden ontleend aan een (onderdeel van een) beleidsplan. Ingediende projecten zullen worden beoordeeld op de mate waarin zij voldoen aan het thema of projecttype.</p>\n<p class=\"lf-p\">Projecten die niet voldoen aan het thema of het projecttype komen slechts voor subsidie in aanmerking indien na de prioriteitsvolgorde nog middelen beschikbaar zijn.] 1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het als subsidieplafond vastgestelde budget wordt gelijkelijk verdeeld over de drie in artikel 6.4 bedoelde perioden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In geval het beschikbare budget voor enige periode niet wordt uitgeput, wordt het resterende deel overgeheveld naar een volgende periode, ook als deze valt in een ander kalenderjaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten kunnen per periode zoals bedoeld in artikel 6.4 projecttypen vaststellen. Projecten die overeenstemmen met de vastgestelde projecttypen, komen bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen met voorrang in de bepaalde prioriteitsvolgorde voor subsidie in aanmerking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen per periode een thema vaststellen. Bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen komen uitsluitend projecten voor subsidie in aanmerking die passen binnen het vastgestelde thema.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Gedeputeerde Staten maken het voor een periode geldend thema of de prioriteitsvolgorde voor projecttypen drie maanden voor de aanvang van de betreffende periode bekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:42 Awb.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.7</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">98 [Toelichting: De criteria voor het rangschikken zijn:] Gedeputeerde Staten plaatsen volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 6.1 genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende aspecten: a. het milieuhygiënische voordeel dat met het project kan worden behaald;99[Toelichting: Wanneer er naar aanleiding van historie een ernstig vermoeden van bodemverontreiniging bestaat kan op basis van onderzoek beoordeeld worden wat de milieuhygiënische situatie is en of er een noodzaak bestaat tot het saneren van de bodem waardoor verontreinigende stoffen uit de bodem worden verwijderd of in de bodem geïsoleerd. Hiermee worden risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem weggenomen (risicoreductie);] b. de mate waarin het project een bijdrage levert aan de maatschappelijke ontwikkelingen die het provinciaal bestuur, onder meer blijkens provinciale beleidsplannen, wenst te stimuleren;100[Toelichting: De onderzoeken waar de subsidie voor wordt verleend, worden uitgevoerd om een door de provincie Overijssel gewenste maatschappelijke ontwikkeling mogelijk te maken. Het belang van deze maatschappelijke ontwikkeling dient door de aanvrager voor elk project duidelijk te worden aangegeven. Het belang van de maatschappelijke ontwikkeling zal worden getoetst aan het provinciale beleid. Naarmate een project meer aansluit bij door de provincie gewenste ontwikkelingen, zal het op een hogere plaats gerangschikt worden;] c. de hoogte van de eigen bijdrage (percentueel) van de deelnemer(s) aan het project;101[Toelichting: De initiatiefnemers dragen zelf een groot deel van de onderzoekskosten. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,--. Naarmate de initiatiefnemers om een (percentueel) kleinere bijdrage vragen, zal het project hoger scoren bij de rangschikking van het project. Het spreekt voor zich dat de noodzaak van de (omvang van de) bijdrage bij de aanvraag goed onderbouwd moet worden;] d. de kwaliteit van (de onderbouwing van) het projectvoorstel;102[Toelichting: Naarmate een projectvoorstel een hogere kwaliteit heeft, is de kans op tegenvallers en een uiteindelijk teleurstellend resultaat kleiner. Het provinciaal bestuur wil juist een bijdrage leveren aan veelbelovende projecten met een uitstralend effect. Bovendien moet ook achteraf blijken dat de middelen goed zijn besteed. Bij deze beoordeling wordt uiteraard de kwaliteit van het bodemonderzoek en het saneringsplan betrokken. Dit komt mede tot uiting in het toepassen van de diverse protocollen voor onderzoek en het toepassen van een juiste risicobeoordeling (NEN 5740, NVN 5725, protocol nader onderzoek, SUS). Op basis van het uitgevoerde onderzoek/risicobeoordeling moeten Gedeputeerde Staten een besluit kunnen nemen over ernst en spoedeisendheid van de verontreiniging of kunnen beoordelen of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Daarnaast is het van belang dat de initiatiefnemers kunnen laten zien dat ze op een doortastende wijze het project oppakken. De creativiteit kan tot uiting komen bij het betrekken van zoveel mogelijk financiers bij een project maar ook bij het opstellen van een saneringsplan; ]</p>\n<p class=\"lf-p\">e. de financiële onderbouwing van het projectvoorstel;103[Toelichting: Het moet bij indiening van een projectvoorstel vast staan dat de eigen bijdrage van initiatiefnemers werkelijk beschikbaar is. De eindafrekening vindt plaats op basis van gemaakte kosten waarbij de vastgestelde subsidie geldt als de maximale bijdrage. Gedeputeerde Staten houden rekening met andere subsidies. Dit om te voorkomen dat er strijd met het EG-verdrag (staatssteun) optreedt.] f. de mate waarin de verontreiniging is veroorzaakt voor 1987.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">104 [Toelichting: Het uitvoeren van het onderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van het saneringsplan moet binnen een jaar worden afgerond. Op gemotiveerd verzoek kan de termijn van een jaar worden verlengd met een jaar.] 1. De subsidieontvanger dient binnen een jaar na verlening van de subsidie de werkzaamheden te hebben afgerond.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Binnen een jaar na verlening van de subsidie kan deze termijn op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger met een jaar worden verlengd. Dit verzoek dient de redenen aan te geven waarom de gestelde afrondingstermijn van het project niet wordt gehaald.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">105 [Toelichting: Gedeputeerde Staten hebben hiervoor een aanvraagformulier vastgesteld. Dit formulier kan worden verkregen via de provinciale website (www.provincie.overijssel.nl) en dient volledig te worden ingevuld.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.16 bij de aanvraag tevens alle gespecificeerde rekeningen die betrekking hebben op het bodemonderzoek.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Water</h3>\n<p class=\"lf-p\">106 [Toelichting: Provinciale Staten hebben tussen 2004 en 2007 extra geld vrijgemaakt voor de wateropgave. De inzet van dit geld vloeit voort uit de verplichtingen die de provincies zijn aangegaan in het Nationaal Bestuursakkoord Water. Dit geld is primair bedoeld voor de uitvoering van waterprojecten in het kader van Water Beheer 21e Eeuw en de Europese Kaderrichtlijn Water. Deze paragraaf dient ervoor om dit geld zo effectief mogelijk te kunnen inzetten. Dit onderdeel richt zich exclusief op de subsidiëring van activiteiten die onder één of beide van de volgende aspecten van het waterbeheer vallen: verbetering van de veerkracht van watersystemen en verbetering van de waterkwaliteit.]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-610\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.10</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">107[Toelichting: De doelgroep van deze paragraaf is beperkt: subsidie kan uitsluitend worden verleend aan waterschappen en gemeenten. De projecten/activiteiten die voor subsidieverstrekking op grond van onderhavige regeling in aanmerking komen, moeten bijdragen aan de verbetering van de veerkracht van watersystemen of van de waterkwaliteit. Het eerste richtpunt van de provinciale watermissie is: voldoende water van de juiste kwaliteit, op de juiste plek en het juiste moment. Bij de verbetering van de veerkracht van het watersysteem gaat het erom dat het watersysteem beter in staat is om extremen van te veel, of te weinig water op te vangen. Van belang is in dit verband dat water beter kan worden vastgehouden in het gebied waarmee verdroging wordt tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij kan worden gedacht aan herinrichting van waterlopen, beekherstel en afkoppelprojecten riolering. Met het oog op extreme situaties is bergen van water een belangrijk thema. Hierbij kan gedacht worden aan retentieprojecten en inrichting van wateropvanggebieden. Bij waterkwaliteit gaat het om activiteiten die verband houden met de Europese Kaderrichtlijn Water. In het verlengde daarvan kan gedacht worden aan het verder saneren van riooloverstorten, verbetering van waterkwaliteit door vernieuwing van rioolwaterzuiveringsinstallaties en emissiebeperking uit diffuse bronnen, waaronder de landbouw. Doordat de eis wordt gesteld dat de aanvrager binnen een jaar na subsidieverlening aan het werk moet kunnen gaan, wordt voorkomen dat subsidiegelden vast komen te liggen in projecten waarvan nog onduidelijk is of de benodigde vergunningen verleend zullen worden en of de overige dekkingsmiddelen gefourneerd zullen worden.] Waterschappen en gemeenten in Overijssel kunnen een subsidie aanvragen voor waterprojecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: a. het project draagt in ieder geval bij aan de verbetering van de veerkracht van watersystemen zoals omschreven in het provinciaal Waterhuishoudingsplan en in het provinciale standpunt op de Stroomgebiedsvisie Vecht-Zwarte Water of aan de verbetering van de waterkwaliteit zoals bedoeld in de Europese Kaderrichtlijn Water; b. het in het uitvoeringsplan opgenomen project is niet strijdig met het vigerende provinciale ruimtelijke of waterhuishoudkundige beleid; c. het in het uitvoeringsplan opgenomen project gaat uiterlijk een jaar na subsidieverlening van start; d. het waterproject wordt niet of voor minder dan 40% gesubsidieerd via een andere paragraaf van dit uitvoeringsbesluit;108[Toelichting: Met het onder d gestelde wordt beoogd zoveel mogelijk aanvragen voor een provinciale subsidie in aanmerking te laten komen. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten de ingediende aanvraag om subsidie te behandelen op grond van een andere paragraaf indien de aanvraag tevens aan die paragraaf voldoet.] e. de aanvrager financiert minimaal 37,5% van de projectkosten uit eigen middelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.11</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken een watersubsidie in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.12</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">109[Toelichting: Met proceskosten worden de kosten bedoeld die noodzakelijk zijn om het project uitvoeringsgereed te maken en te begeleiden. Met name bij complexe samenwerkingsprojecten zijn met de voorbereiding extra kosten gemoeid om tot een succesvol verlopend proces te komen. De subsidie bedraagt 40% van de door Gedeputeerde Staten noodzakelijk geachte kosten met een maximum van € 500.000,--. Tot de noodzakelijk geachte kosten worden in beginsel niet gerekend de kosten van het eigen personeel van een organisatie. Tevens worden tot de noodzakelijk geachte kosten uiteraard niet gerekend bovenmatige voorzieningen.De provincie wil met deze paragraaf geen reguliere activiteiten zoals onderhoud en beheer subsidiëren. Dergelijke activiteiten dienen met eigen middelen te worden gefinancierd.] 1. De provinciale subsidie bedraagt 40% van de door Gedeputeerde Staten noodzakelijk geachte kosten tot een maximum van € 500.000,--.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het te verlenen subsidiebedrag is niet hoger dan het gevraagde subsidiebedrag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Subsidie wordt uitsluitend verleend voor uitvoeringskosten, grondverwervingskosten en proceskosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Grondverwervingskosten zijn uitsluitend subsidiabel indien de gronden maximaal twee jaar voor indiening van de subsidieaanvraag zijn verworven. Uitvoeringskosten en proceskosten zijn uitsluitend subsidiabel indien deze kosten gemaakt en betaald zijn na indiening van de aanvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Geen subsidie wordt verleend voor kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten zijn aan te merken als reguliere activiteiten van de subsidieaanvrager.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.13</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag ingediend vóór 1 april.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.14</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.15</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">110[Toelichting: Bij de prioriteitstelling spelen in elk geval een aantal wegingsfactoren een rol. Aanvragen krijgen voorrang indien: • de aanvraag voortkomt uit óf het geldende provinciale Waterhuishoudingsplan, het provinciale standpunt op de Stroomgebiedsvisie Vecht-Zwarte Water óf de Kaderrichtlijn Water; • de effectiviteit van de aanvraag aantoonbaar is; Hiermee wordt bedoeld dat de effectiviteit aan de hand van kwantitatieve gegevens in de aanvraag onderbouwd wordt. • de financiële haalbaarheid van de aanvraag aantoonbaar is; Hiermee wordt bedoeld dat de financiële dekking van de aanvraag aangetoond kan worden voor het deel waarover geen subsidie wordt aangevraagd. • de aanvraag innovatief is; • de aanvraag bijdraagt aan meer dan één doel van het provinciale waterbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee wordt bedoeld dat het project bijdraagt aan verschillende aspecten van zowel de vergroting van de veerkracht van het watersysteem vergroot als de verbetering van de waterkwaliteit. In jaarlijks vast te stellen aanvullende criteria kan worden ingespeeld op de voorkeuren of prioriteiten die er in bepaald jaar zijn voor de uitvoering van het provinciale waterbeleid. Het subsidieplafond wordt verdeeld volgens een tendersysteem. Een tendersysteem werkt als volgt: alle aanvragen moeten voor een bepaalde datum zijn ingediend. Op grond van deze verordening is dat voor 1 april. De aanvragen die aan de criteria uit deze paragraaf voldoen, worden vervolgens gelijktijdig behandeld. De beste aanvragen worden met voorrang gehonoreerd, dat wil zeggen de aanvragen die het hoogste scoren wat betreft de prioriteiten van artikel 1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen die afvallen in de tender, maar die wel voldoen aan de subsidiecriteria en de overige vereisten van de verordening, worden niet automatisch doorgeschoven naar de volgende tender. De aanvragers moeten, als zij alsnog voor subsidie in aanmerking willen komen, in het kader van een volgende tender opnieuw subsidie aanvragen. Hun aanvragen concurreren dan gewoon met de ‘nieuwe’ aanvragen.] 1. Gedeputeerde Staten plaatsten de subsidieaanvragen, die voldoen aan criteria genoemd in artikel 6.10 in een prioriteitsvolgorde, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de activiteiten: voortkomen uit het Waterhuishoudingsplan alsmede het provinciale standpunt over de Stroomgebiedsvisie Vecht-Zwarte Water of uit de Kaderrichtlijn Water; financieel haalbaar zijn; aantoonbaar effectief zijn; een innovatief karakter hebben; bijdragen aan meer dan één doel van het provinciale waterbeleid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien Gedeputeerde Staten van hun bevoegdheid in het vorige lid gebruikmaken, maken zij deze criteria bekend gelijktijdig met de bekendmaking van het subsidieplafond op grond van artikel 6.14, tweede lid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag zulks toestaat.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.16</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt geweigerd indien:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>het uitvoeringsplan betrekking heeft op activiteiten waartoe de aanvrager van de subsidie gehouden is bij of krachtens de wet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de door Gedeputeerde Staten noodzakelijk geachte kosten van het uitvoeringsplan minder bedragen dan € 10.000,--.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Besteding grondwaterheffing</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. antiverdrogingsproject: een geheel van waterhuishoudkundige maatregelen, gericht op het voorkomen of tegengaan van verdroging in de landbouw- en natuurgebieden zoals aangegeven op plankaart 2 behorende bij het waterhoudingsplan, met het oog op het voorkomen en tegengaan van de nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, Grondwaterwet; b. waterbesparingsproject: een geheel van waterhuishoudkundige maatregelen, gericht op het verminderen van het gebruik van grondwater met het oog op het voorkomen en tegengaan van de nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, Grondwaterwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.18</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">111[Toelichting: Uit de provinciale grondwaterheffing kunnen subsidies worden verstrekt voor antiverdrogingsprojecten en waterbesparingsprojecten. Deze projecten moeten direct verband houden met het voorkomen en/of tegengaan van nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen en infiltraties. De subsidies beogen het duurzaam maken van de grondwateronttrekkingen. Bij antiverdrogingsprojecten kan onder andere worden gedacht aan: • maatregelen in de waterhuishouding om de effecten van een waterwinning te compenseren (bijvoorbeeld wateraanvoerplannen); • maatregelen ter beperking van de waterbehoefte (bijvoorbeeld terugdringen beregening door herdimensionering van waterlopen); • omschakeling naar een andere beplanting of gewaskeuze/landbewerking. Bij waterbesparingsprojecten kan onder andere worden gedacht aan: • omschakeling op oppervlaktewater; • beperking van het gebruik van grondwater in het productieproces (de hoeveelheid water bij gelijk blijvende productie).] 1. Waterschappen in de zin van artikel 1 Waterschapswet en vergunninghouders in de zin van artikel 14 Grondwaterwet kunnen subsidie aanvragen voor antiverdrogingsprojecten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid kunnen vergunninghouders in de zin van artikel 14 Grondwaterwet eveneens subsidie aanvragen voor waterbesparingsprojecten.112[Toelichting: In lid 2 van dit artikel zijn de criteria opgenomen. Geen subsidie wordt verstrekt voor projecten die op het moment van subsidieverlening al feitelijk in uitvoering zijn of zelfs al gereed zijn. Het is verder niet de bedoeling subsidie te verlenen voor activiteiten, die conform de vergunningsvoorschriften al verplicht zijn. Ook kan afwijzend worden beslist op grond van artikel 4:35 van de wet. Afwijzing op grond van dit artikel is mogelijk indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden, dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen of dat de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen, indien de aanvrager onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt en dat geleid zou hebben tot een onjuiste beschikking, of indien de aanvrager failliet is verklaard of surséance van betaling aan hem is verleend dan wel een verzoek daartoe is ingediend.] 3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria: voorzover het een waterbesparingsproject betreft: de genomen maatregelen leiden tot een vermindering, anders dan de normale zorgplicht, van het gebruik van grondwater van ten minste 20% ten opzichte van de bestaande situatie; de maatregel is niet verplicht op grond van voorschriften verbonden aan een vergunning op grond van artikel 14 Grondwaterwet; het project is in overeenstemming met het vigerende provinciale Waterhuishoudingsplan; het project is ten tijde van het moment van subsidieverlening niet uitgevoerd of niet in uitvoering genomen. de aanvrager financiert minimaal 37,5% van de projectkosten uit eigen middelen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-619\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.19</span><span class=\"lf-art-t\">Prestatiesubsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">113[Toelichting: De subsidie wordt berekend als percentage van de projectkosten, maar bedraagt niet meer dan het genoemde maximum. Voor waterbesparingsprojecten is het subsidiepercentage afhankelijk gesteld van de mate van vermindering van het grondwatergebruik. Aangetoond moet kunnen worden dat de vermindering van het gebruik van grondwater het gevolg is van het waterbesparingsproject. Dit impliceert dat een vermindering van het gebruik van grondwater in verband met het in acht nemen van de normale zorgplicht niet meegenomen kan worden bij de bepaling van de mate van vermindering in verband met de hoogte van het subsidiepercentage. Onder de normale zorgplicht wordt in ieder geval verstaan een goed beheer en onderhoud, het voorkomen van lekkages etcetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de vermindering van het grondwatergebruik wordt als uitgangspunt genomen, de hoeveelheid onttrokken grondwater in de oorspronkelijke situatie, dus voordat het waterbesparingsproject is uitgevoerd (zie in dit verband ook artikel 2.1, lid 2, onder b). De kosten die in aanmerking worden genomen worden limitatief opgesomd. Voor de berekening van de loonkosten van de subsidieontvanger wordt een forfaitair bedrag per uur gehanteerd. Van de aanvarger wordt een eigen bijdrage verwacht van 37,5% van de projectkosten. Het totaal aan subsidies zal niet meer dan 62,5% bedragen dan de totale kosten van de activiteit. In sommige gevallen bevatten andere bijdrageregelingen ook nog anticumulatiebepalingen, die strakker zijn dan onderhavige verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval is de andere regeling in deze bepalend.] Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie besteding grondwaterheffing in de vorm van een prestatiesubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-620\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.20</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">114 [Toelichting: Dit artikel geeft een voorschrift over de wijze van verdeling van het subsidieplafond. Die komt neer op ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten, beginnend met de eerste aanvraag, subsidies verlenen tot het plafond is bereikt en dat zij aanvragen afwijzen voor zover het plafond door het totaal van de verleende subsidies zou worden overschreden. Daarbij is het moment van indiening van een aanvraag, die aan de wettelijke voorschriften voldoet, bepalend. Het betreft hier niet een regel over de volgorde van het nemen van besluiten. Het is zeer wel mogelijk om op een latere aanvraag eerder te beslissen dan op een eerdere, als toewijzing van de aanvraag maar niet tot gevolg heeft dat op de eerdere aanvraag afwijzend moet worden beschikt, omdat door subsidieverlening op latere aanvragen het plafond is bereikt. Dreigt dit te gebeuren, dan zal behandeling van de latere aanvraag worden opgeschort, totdat op de eerdere is beslist. Indien daardoor de beslistermijn dreigt te worden overschreden, zal de aanvrager daarvan in kennis worden gesteld.] 1. De subsidie als bedoeld in artikel 6.18, eerste lid, bedraagt 40% van de projectkosten, tot een maximum van € 500.000,--.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 6.18, tweede lid, bedraagt voor een waterbesparingsproject waarbij ten opzichte van de bestaande situatie: het gebruik van grondwater tot 20% wordt verminderd: 20% van de projectkosten tot een maximum van € 20.000,--; het gebruik van grondwater met 20% tot 30% wordt verminderd; 30% van de projectkosten, tot een maximum van € 30.000,--; het gebruik van grondwater met 30% of meer wordt verminderd: 40% van de projectkosten, tot een maximum van € 40.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten: kosten van uitvoering van het project in eigen beheer door de aanvrager, waarbij voor de loonkosten van het betrokken personeel wordt uitgegaan van een vast bedrag van € 50,-- per uur; kosten van uitvoering van het project indien de uitvoering is uitbesteed; kosten van de evaluatie van het project; kosten van onderzoek ter voorbereiding van het project voorzover deze kosten zijn gemaakt door een derde en bij de aanvrager in rekening zijn gebracht; grondverwervingskosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Projectkosten als bedoeld in het derde lid, onder a tot en met c, worden in aanmerking genomen indien deze zijn gemaakt en betaald na indiening van de aanvraag. De kosten bedoeld in het derde lid, onder d en e, zijn subsidiabel voorzover deze kosten zijn gemaakt maximaal twee jaar voor indiening van de subsidieaanvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Tot projectkosten worden niet gerekend: voorbereidingskosten anders dan genoemd in het voorgaande lid; beheers- en onderhoudskosten; de schadevergoeding die vergunninghouder op grond van artikel 35 Grondwaterwet verschuldigd is; door de aanvrager verrekenbare BTW.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.21</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.22</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.23</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7. Bijzondere bepalingen Zorg en Cultuur</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Algemeen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">115 [Toelichting: Er wordt slechts subsidie verleend voor de kosten van activiteiten die passen binnen het uitvoeringsprogramma. In het uitvoeringsprogramma staan de activiteiten die voor subsidiëring in aanmerking komen opgenomen.] Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 en het daarop gebaseerde uitvoeringsprogramma.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten verstrekken de onderstaande subsidies in de vorm van een prestatiesubsidie, tenzij anders bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Niet-subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">116 [Toelichting: Dit artikel geeft aan welke kosten niet subsidiabel zijn en dus niet in de begroting mogen worden opgenomen. Wanneer dit wel het geval is dan worden ze als niet subsidiabel beschouwd en wordt er geen subsidie voor verleend.] In aanvulling op artikel 1.4 zijn de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden op het moment van de subsidieaanvraag niet subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">117 [Toelichting: Aanvragen dienen voor de start van het project ingediend te zijn. Indien de aanvrager besluit eerder te starten met het project zonder het afwachten van de subsidiebeschikking, dan is dat geheel op eigen (financiële) risico van de aanvrager. Het aanvragen van subsidie betekent niet automatisch dat de aanvrager de subsidie krijgt, maar dat de subsidie ook geweigerd kan worden. Indien men geen (financiële) risico wil lopen zullen aanvragers moeten wachten met het starten van het project totdat ze een beschikking tot subsidieverlening hebben ontvangen. Geadviseerd wordt om een subsidieaanvraag tijdig in te dienen, de behandeltijd van een volledig ingediende aanvraag beslaat maximaal 13 weken.] a. Een aanvraag om prestatiesubsidie kan worden ingediend vanaf 1 oktober 2005 en vervolgens gedurende het hele kalenderjaar 2006, tenzij elders in dit Uitvoeringsbesluit anders is bepaald. b. In afwijking van artikel 1.10 van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005 wordt de aanvraag om prestatiesubsidie voor de start van het project ingediend, tenzij elders in dit Uitvoeringsbesluit anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Gedeputeerde Staten stellen een subsidieplafond vaststellen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid kan worden onderverdeeld in deelplafonds.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van behandeling van de aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.7</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn verlening prestatiesubsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.13 beslissen Gedeputeerde Staten in het geval dat advies moet worden gevraagd op een aanvraag binnen 13 weken nadat het advies is ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">118 [Toelichting: Om tot een tijdige start van de uit te voeren activiteiten te komen is in dit artikel geregeld dat binnen 6 maanden na de datum van de beschikking tot verlening van de subsidie de gesubsidieerde activiteiten inderdaad moeten zijn gestart. In de Awb is geregeld dat de subsidieontvanger elke vertraging hierin onmiddellijk bij de provincie moet melden.] Activiteiten moeten starten binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend, tenzij elders anders is bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.9</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschotverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">119 [Toelichting: De subsidieontvanger ontvangt een voorschot tot 50% van de verleende subsidie. Indien men aantoonbaar voor minimaal 50% van de verleende subsidie heeft besteed, kan men een (aanvullend) voorschot aanvragen tot 80% van de verleende subsidie. De maximale bevoorschotting bedraagt 80%. De laatste 20% wordt, bij vaststelling van de subsidie op het maximaal te verlenen bedrag, betaalbaar gesteld.] a. In afwijking van artikel 1.14 verlenen Gedeputeerde Staten de aanvrager bij subsidieverlening een voorschot van 50% van het verleende subsidiebedrag. b. Indien de subsidieaanvrager heeft aangetoond dat de tot dan toe gedane uitgaven in relatie tot de totale uitgaven het in het vorige lid genoemde voorschot hebben overstegen, kunnen Gedeputeerde Staten op schriftelijk verzoek een tweede voorschot verstrekken tot ten hoogste 30% van het verleende subsidiebedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-710\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.10</span><span class=\"lf-art-t\">Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">120 [Toelichting: Dit artikel geldt in aanvulling op de algemeen geldende regels voor per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie zijn onder meer ook te vinden in hoofdstuk 1 van het Uitvoeringsbesluit Overijssel 2005. Op onze website is in het digitaal subsidieloket het formulier te vinden dat moet worden gebruikt voor het aanvragen van een per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidie.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen een in het Uitvoeringsprogramma opgenomen organisatie een per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het behalen van de in Sociale Actie en het Uitvoeringsprogramma geformuleerde provinciale doelen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van artikel 4:60 Awb kunnen subsidieaanvragen voor het boekjaar 2006 uiterlijk 1 november 2005 worden ingediend.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Culturele Ontwikkeling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.11</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Jonge makers: dit zijn kunstenaars die niet langer dan 5 jaar geleden zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten. Degenen die niet zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten hebben een aantoonbaar vergelijkbare kwaliteit en zijn niet ouder dan 35 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.12</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">121 [Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.] 1. Subsidieaanvragen voor culturele ontwikkeling moeten in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria: a. Amateurkunst: samenwerking met professionele instellingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van samenwerking tussen amateurkunstinstelling(en) en professionele instelling(en);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;</div>\n<p class=\"lf-p\">Amateurkunst: vitaal platteland:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>in het project of de activiteit werken verschillende disciplines samen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het project of de activiteit wordt op minimaal twee locaties voor publiek uitgevoerd gedurende meer dagen achtereen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;</div>\n<p class=\"lf-p\">Jonge makers:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is sprake van samenwerking met afnemers en/of met een bestaande culturele instelling (voor productie en afzet);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;</div>\n<p class=\"lf-p\">Beeldende kunst:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag komt van een Overijsselse gemeente, met uitzondering van de 5 grote Overijsselse gemeenten (Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo, Zwolle);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aanvraag is een plan dat zich richt op de integratie van beeldende kunst in de ruimtelijke ontwikkeling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de gemeente maakt hierbij gebruik van de deskundigheid die aanwezig is bij steuninstellingen in de provincie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvulling op het eerste lid moet de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsvinden in de provincie Overijssel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.13</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">122 [Toelichting: Alleen kosten die betrekking hebben op daadwerkelijk verrichte uitgaven (betalingen) kunnen voor subsidie in aanmerking komen. Van de in de financiële verantwoording/afrekening opgenomen uitgaven dient te worden vastgesteld, dat dit door de subsidieontvanger uitgevoerde betalingen zijn, die blijken uit facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen of uit boekhoud bescheiden met vergelijkbare bewijskracht. Zelfwerkzaamheid en bijdragen in natura zijn daarom niet subsidiabele kosten, omdat dit geen werkelijk gedane uitgaven c.q ontvangsten zijn.] Alleen kosten die betrekking hebben op daadwerkelijk verrichte uitgaven (betalingen) zijn subsidiabel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-714\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.14</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">123 [Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen culturele ontwikkeling inwinnen bij de adviescommissie cultuur.] 1. Over de artistiek-kwalitatieve aspecten van subsidieaanvragen culturele ontwikkeling kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Deze commissie van deskundigen brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek advies uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>In afwijking van het eerste lid wordt geen advies ingewonnen bij de commissie van deskundigen: voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.12, onder a, waarbij de gevraagde subsidie minder dan € 5.000,-- bedraagt; voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.12, onder d.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Cultuurbereik</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-715\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.15</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">124 [Toelichting: Dit artikel noemt alle vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen. Voor de steden Deventer, Hengelo en Zwolle gelden aanvullende criteria. Er moet aantoonbaar worden voorzien in cofinanciering door bijvoorbeeld een begrotingsdocument, schriftelijke toezegging door B&amp;W, collegebesluit of raadsbesluit. Aan de hoogte van de gemeentelijke cofinanciering worden geen eisen gesteld. Echter de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente.] 1. Rechtspersonen kunnen een subsidie cultuurbereik aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria: er is sprake van publieksbereik, waarin nieuwe inzichten worden verkregen over de relatie (potentieel) publiek en cultuur; de methode van publieksbereik wordt beschreven; het project levert een aantoonbare bijdrage aan de doelen van het provinciaal programma cultuurbereik 2005-2008 ‘Vuur en Vlam’; er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag voor de steden Deventer, Hengelo en Zwolle moet in aanvulling op het eerste lid tevens voldoen aan de volgende criteria: er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering door de betrokken gemeente; de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bij meerjarige subsidies voor bewezen projecten toetsen Gedeputeerde Staten de betreffende subsidieaanvraag, naast de in het eerste en tweede lid genoemde criteria, ook aan de mate waarin het project gedurende de looptijd geïntegreerd wordt in de werkwijze van de instelling.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met derde lid moet de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsvinden in de provincie Overijssel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-716\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.16</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">125 [Toelichting: In dit artikel is de adviescommissie cultuur opgenomen. Gedeputeerde Staten kunnen adviezen over subsidieaanvragen cultuurbereik inwinnen bij de adviescommissie cultuur.] 1. Over de artistiek-kwalitatieve aspecten van subsidieaanvragen Cultuurbereik kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Deze commissie van deskundigen brengt binnen 6 weken na ontvangst van het verzoek advies uit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Monumentenzorg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-717\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bijzondere regels wordt verstaan onder: a. herstel van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan historische gebouwen: onderhoud rieten daken, herstel voegwerk (knipvoeg, snijvoeg, platvol), inboetwerk (vervangend metselwerk invoegen in bestaand), herstel gepleisterde plint, herstel kozijnankers, herstel/vervanging luiken/kozijnen/deuren, herstel oorspronkelijke kozijnindeling, herstel/vervanging houten gevelbeschieting, herstel/vervanging dakkapel, herstel/vervanging goot/gootomtimmering/windveren, herstel cultuurhistorische elementen op een erf, zoals stookhok/bakhuis/hooiberg; b. vooronderzoek: bureauonderzoek, het maken van proefsleuven en het doen van grondboringen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-718\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.18</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">126[Toelichting: Eigenaren van cultuurhistorische gebouwen dienen zich te wenden tot de rechtspersonen die de zich ten doel stellen om landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behartigen. Deze rechtspersonen worden via de provinciale website bekendgemaakt. Deze rechtspersoon dient een integrale projectaanvraag bij de provincie in te dienen, waar de projecten van de eigenaren onderdeel van zijn. Gedeputeerde Staten streven naar grotere en robuuste projecten. Daarom kunnen eigenaren zich niet meer direct wenden tot de provincie Overijssel.In lid 1, onderdeel e, is geregeld dat de projectplannen van de eigenaren van cultuurhistorische gebouwen, voor de herstel van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan historische gebouwen, voor 20% of meer deel uit maken van het projectplan met een integraal omgevingsgericht karakter.] 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen als bijdrage in de kosten van herstel van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan historische gebouwen. Een subsidieaanvraag moet in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria: de rechtspersoon stelt zich mede ten doel om landschappelijke en cultuurhistorische waarden te behartigen; het betreft een project met een integraal omgevingsgericht karakter; de werkzaamheden zijn noodzakelijk voor het behoud van objecten; de objecten zijn meer dan 50 jaar oud; per object dat is opgenomen in het totale projectplan dient de subsidie voor minimaal 20% van de subsidiabel kosten van het object beschikbaar gesteld te worden voor het herstel van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen van het object; er is in voldoende mate sprake van advisering door een deskundige organisatie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen als bijdrage in de kosten voor archeologisch vooronderzoek op locatie, indien dit wordt uitgevoerd door een erkende instantie.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-719\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.19</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, bedraagt ten hoogste 20% van de kosten van het totale projectplan met een maximum van € 45.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per projectplan.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-720\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.20</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij aanvragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.11 overlegt de aanvrager voor de subsidie als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, tevens een integraal projectplan waarvan de (deel)projecten van eigenaren van historische gebouwen deel uit maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.21</span><span class=\"lf-art-t\">Adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan de monumentencommissie van Het Oversticht, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.22</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 7.8 dienen projecten als bedoeld in artikel 7.18 binnen een jaar na indiening van de aanvraag van start te gaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Molens</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.23</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">127 [Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen met inachtneming van deze regeling een incidentele subsidie verlenen in de kosten van naar het oordeel van Gedeputeerde Staten sober en doelmatig uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden aan molens.] Een aanvraag voor subsidie in de kosten van onderhoudswerkzaamheden in het jaar 2005 aan molens moet in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria: a. de molen is uit cultuurhistorisch oogpunt van belang, b. de molen is niet bestemd en ingericht voor commerciële doeleinden of het opwekken van elektriciteit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.24</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 100,-- en een maximum van € 1.000,-- per aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-725\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.25</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">128 [Toelichting: Uit een oogpunt van vereenvoudiging voor de aanvrager en efficiency voor de provincie blijft verlening van de subsidie achterwege. Gedeputeerde Staten beslissen na afloop van de onderhoudswerkzaamheden over de vaststelling van de subsidie. De subsidie wordt op basis van aantoonbaar gemaakte kosten in één keer verleend en vastgesteld.] In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 paragraaf 3 gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 7.23 niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-726\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.26</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.15 wordt een subsidieaanvraag ingediend bij Het Oversticht, nadat de onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd, maar uiterlijk voor 1 april 2006.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Zorg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-727\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.27</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Informele zorg: zorg die onbetaald en niet beroepshalve wordt verricht: te onderscheiden in gebruikelijke zorg, mantelzorg, zelfhulp en vrijwillige zorg. b. Mantelzorg: zorg, die mensen vrijwillig en onbetaald verlenen aan mensen met fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen in hun familie, huishouden of sociale netwerk; het gaat om zorg die meer is dan in een persoonlijke relatie gebruikelijk is. c. Maatschappelijke opvang: opvang die gericht is op het bieden van tijdelijke huisvesting, zorgverlening, hulpverlening en begeleiding aan dak- en thuislozen. Centrumgemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het organiseren van deze opvang. d. Centrumgemeente: één van de volgende Overijsselse gemeenten Almelo, Deventer, Enschede, en Zwolle. (Dit zijn de gemeenten die op grond van artikel 10a van de Welzijnswet van het Rijk een specifieke opdracht ontvangen ten behoeve van activiteiten op het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid). e. ICT-voorzieningen: elektronische voorzieningen die informatie en communicatie bevorderen (bijvoorbeeld kringsysteem); f. Zorgpost-plus: een of meer Overijsselse huisartsenpraktijken, gekoppeld aan een andere zorgvoorziening (tandarts, apotheek, verloskundige, thuiszorg, fysiotherapie, polikliniek, zorgloket, etc.) of aan een andere welzijnsvoorziening (zoals bijv. een ontmoetingsruimte, peuteropvang, etc). g. Woonzorgzone: een woonzorgzone is een (deel van een) wijk of dorp waarin optimale condities zijn geschapen voor wonen met zorg en welzijn, tot en met niet-planbare 24-uurs zorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-728\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.28</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">129 [Toelichting: In dit artikel wordt beschreven welke activiteiten in aanmerking komen voor een subsidie. Deze activiteiten staan tevens beschreven in het Uitvoeringsprogramma.] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten op het gebied van: de gehandicaptenzorg; de geestelijke gezondheidszorg; de verpleging en verzorging; de curatieve zorg en 1e lijnszorg; maatschappelijke opvang en verslavingszorg; de keten wonen, zorg en welzijn; cliënt- en zorgvragersparticipatie; zorg en technologie; onderzoek ten behoeve van oplossing knelpunten in de zorgsector.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van planontwikkeling, uitbreiden of opplussen van ruimtelijke voorzieningen of ICT-voorzieningen van de Zorgpost-plus.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op: de belangenbehartiging van mantelzorgers; de realisatie van aanbod voor (jonge) mantelzorgers; de vernieuwing van het aanbod van de informele zorg gelet op de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 4. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op: de totstandkoming van woonzorgzones met aandacht voor de onderdelen wonen, zorg en welzijn; de totstandkoming, inrichting of verbreding van WMO-loketten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor het organiseren van symposia, (werk)conferenties, voorlichtingsbijeenkomsten etc. zonder winstoogmerk gericht op activiteiten zoals benoemd in dit artikel.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-729\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.29</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 7.28, eerste tot en met vierde lid, moeten in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria:</div>\n<p class=\"lf-p\">130 [Toelichting: Het eerste lid van dit artikel 1 noemt de twee vereisten waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen.] er wordt een aantoonbare bijdrage geleverd aan het opheffen van knelpunten in de zorgsector in Overijssel en; er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering 2. In aanvulling op de criteria genoemd in het eerste lid moeten aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7.28, eerste tot en met vierde lid, tevens voldoen aan minimaal drie van de hieronder genoemde vijf criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">131[Toelichting: Artikel 7.29, lid 2, noemt de aanvullende criteria, hiervan moet aanvullend op het voorgaand lid aan minimaal 3 van de 5 genoemde criteria worden voldaan. Het artikel is niet van toepassing op de subsidiering van de kosten voor het zonder winstoogmerk organiseren van symposia, (werk)conferenties, voorlichtingsbijeenkomsten etc. gericht op activiteiten zoals benoemd in artikel 7.28, vijfde lid.] er wordt een bijdrage geleverd aan de vergroting van de vraaggerichtheid van het zorgaanbod in Overijssel; de resultaten zijn overdraagbaar; het initiatief is aantoonbaar positief beoordeeld door de betrokken Overijsselse (centrum)gemeente; er zijn ten minste twee partijen uit de betreffende sector betrokken; vernieuwende vormen van zorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-730\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.30</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De in artikel 7.28, tweede lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 25.000,-- per project.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De in artikel 7.28, vierde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 50.000,-- per gemeente.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De in artikel 7.28, vijfde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 1.000,-- per activiteit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidie voor activiteiten waarvan subsidiering door de provincie in de plaats zou treden van bestaande reguliere financiering van andere overheden of instellingen (zorgkantoor, zorgverzekeraar).</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7. Wonen-zorg-welzijn (domoticaregeling)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.31</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. Zorgwoning: een woning in de sociale huursector die specifiek bedoeld is voor en individueel geïndiceerd/toegewezen wordt aan personen uit de volgende doelgroepen: ouderen (55+) met een zorgbehoefte, personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, personen met geestelijke gezondheidsproblematiek. Een zorgwoning is minimaal rolstoeltoegankelijk. b. Domotica: de integratie van ICT-technologie en diensten binnen de woning, met het doel betere kwaliteit van wonen van de bewoner te bevorderen door middel van meer en betere veiligheid, alarmering, comfort, en dergelijke waardoor wordt bevorderd dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen wonen. c. Woonzorgcomplex: Een woonzorgcomplex is een complex zelfstandige woningen met een bouwwijze die gericht is op beschut wonen, met een complexgewijs overeengekomen zorg- en servicearrangement. De woningen voldoen aan eisen van Woonkeur. d. Woonplan: een plan waarin de gemeentelijke woonopgave is geformuleerd en de manier waarop dit wordt uitgewerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.32</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">132[Toelichting: Dit artikel beschrijft de activiteiten die in aanmerking komen voor een subsidie. Lid 2 beschrijft alle criteria waaraan de subsidieaanvraag moet voldoen. Subsidieaanvragen moeten aan alle hier genoemde criteria voldoen.] Een gemeente, woningbouwcorporatie, zorgaanbieder, organisatie (met rechtspersoonlijkheid) van zorgvragers of hun belangenbehartigers (bijvoorbeeld ouders) kunnen voor het jaar 2006 subsidie aanvragen voor uitsluitend domotica-aanpassingen in zorgwoningen in woonzorgcomplexen of woonzorgzones die een bijdrage leveren aan het vergroten van de zelfredzaamheid waardoor mensen met een zorgbehoefte zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Subsidieaanvragen moeten in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria: a. het project levert een bijdrage aan het vergroten van de zelfredzaamheid van mensen met een zorgbehoefte; b. er dient sprake te zijn van samenwerking tussen de woningcorporatie en minimaal een zorgaanbieder en daarnaast is er sprake van afstemming met alle betrokken partijen (zorgvragers, aanbieders, woningcorporatie en de gemeente); c. er is een garantie voor 24-uurs beschikbaarheid of achtervang van zorg- en dienstverlening en 50% van de doelgroep doet ook daadwerkelijk een beroep op het zorg- en dienstverleningsaanbod; d. er dient een aantoonbare aansluiting te zijn op het woonplan van de betreffende gemeente; e. er dient sprake te zijn van actieve steun aan het project van de betreffende gemeente en dit wordt schriftelijk door de gemeente ondersteund; f. er dient een evenwichtige spreiding over de diverse regio ’s in Overijssel plaats te vinden; g. projecten die starten binnen een jaar na indienen van de aanvraag hebben de voorkeur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-733\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.33</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.32 bedraagt per zorgwoning maximaal 25% van de totale kosten tot een maximum van € 5.000,--.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie als bedoeld in artikel 7.32 bedraagt per woonzorgcomplex of woonzorgzone maximaal 25% van de totale kosten tot een maximum van € 50.000,--.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-734\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.34</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 7.8 vindt de start van de uitvoering van het project uiterlijk binnen 18 maanden na subsidieverlening plaats.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 8. Maatschappelijke Ontwikkeling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-735\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.35</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">133[Toelichting: De subsidiabele kosten en de vereisten (criteria), waar subsidieaanvragen aan moeten voldoen om voor honorering in aanmerking te komen worden in deze artikelen beschreven. Subsidieaanvragen moeten aan alle hier genoemde criteria voldoen.] 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor het bekostigen van activiteiten op het gebied van: vrijwilligers; dagindeling; huiselijk geweld; de keten wonen, zorg en welzijn; participatie van jongeren; dienstverlening op het platteland; sociale cohesie op het platteland.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een subsidieaanvraag moet in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria: de activiteit draagt aantoonbaar bij aan de in het Uitvoeringsprogramma benoemde resultaten; de activiteit vervult een voorbeeldfunctie op regionaal niveau; de resultaten van de activiteit zijn aantoonbaar overdraagbaar; er is sprake van cofinanciering; er zijn ten minste twee relevante partijen betrokken; de doelgroepen participeren in de activiteit.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-736\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.36</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">134[Toelichting: Omdat Gedeputeerde Staten streven naar grotere, robuuste projecten worden subsidieaanvragen beneden de € 10.000,-- niet in behandeling genomen. De projectsubsidie bedraagt maximaal € 75.000,-- per project.] 1. De subsidie bedraagt maximaal € 75.000,--.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Aanvragen voor subsidies beneden de € 10.000,-- worden niet in behandeling genomen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 9. Vitaliteit kleine kernen en Kulturhusen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-737\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.37</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">135[Toelichting: De kern van de regeling ‘vitaliteit kleine kernen’ is het begrip basisvoorziening. Basisvoorzieningen zijn voorzieningen die de multifunctionaliteit van het voorzieningenniveau versterken en/of meerdere doelgroepen bedienen en die openbaar toegankelijk zijn. Dus sectorale basisvoorzieningen, zoals bijvoorbeeld de renovatie of aanpassing van peuterspeelzalen of een verenigingsgebouw van een tennisvereniging komen op basis van deze definitie niet voor subsidiëring in aanmerking.] a. Kulturhus: een project gericht op het investeren in een voorziening die direct verbonden is met de leefbaarheid en de sociale cohesie van een kern, dorp of stadswijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een Kulturhus is een combinatie van non-profit en zakelijke dienstverlening op het terrein van cultuur, zorg, maatschappelijke ontwikkeling en educatie vanuit één gebouw en aangestuurd door een gezamenlijk beheersmanagement. Minimaal drie van de vier genoemde terreinen, gezamenlijke programmering en gemeenschappelijk beheersmanagement zijn in het project opgenomen. b. Vitaliteit kleine kernen: projecten gericht op het handhaven en verbeteren van de leefbaarheid in kleine kernen, in de vorm van basisvoorzieningen, evenals van organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan de basisvoorzieningen voor kleine kernen. c. Basisvoorziening (als bedoeld in het voorgaande lid): een voorziening op het gebied van de economische, de fysieke en sociale infrastructuur die de multifunctionaliteit van het voorzieningenniveau versterkt en/of meerdere doelgroepen bedient en die openbaar toegankelijk is. d. Inwoneraantal: aantal inwoners in kernen en steden (peildatum 01-01-2005).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-738\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.38</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">136[Toelichting: Gehuchten, buurtschappen, kernen die onderdeel uitmaken van het buitengebied van minder dan 4000 inwoners vallen onder het onderdeel vitaliteit kleine kernen.Stadswijken die onderdeel uitmaken van een stedelijke kern van 4.000 inwoners of meer vallen onder het onderdeel Kulturhusen. Ondersteuning bij het aanjagen/uitwerken van het Kulturhusen-concept wordt door het Projektbureau Kulturhusen beschikbaar gesteld. Dit geldt eveneens voor de ontwikkeling van Kulturhusen in kleine kernen. De criteria waar subsidieaanvragen aan moeten voldoen om voor honorering in aanmerking te komen worden in de leden 3 en 4 beschreven. Subsidieaanvragen moeten aan alle hier genoemde criteria voldoen.] 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor projecten in kernen met minder dan 4.000 inwoners gericht op het handhaven en verbeteren van de vitaliteit en leefbaarheid van kernen en dorpen door middel van een financiële impuls aan basisvoorzieningen, dat wil zeggen voor de zogenaamde ‘stenen’/harde infrastructuur, en voor organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan deze basisvoorzieningen (Vitaliteit kleine kernen).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor projecten in kernen, dorpen en/of steden van 4.000 en meer inwoners gericht op het stimuleren tot bouw of verbouw van een kulturhus in het belang van de vitaliteit en leefbaarheid van die kernen, dorpen of steden (Kulturhusen).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een subsidieaanvraag moet in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria: er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, in ieder geval door de betrokken gemeente; de aanvraag heeft geen betrekking op reguliere activiteiten van de aanvragende instelling; de exploitatie na realisatie van het project is veiliggesteld voor minimaal één jaar; bewoners zijn aantoonbaar betrokken bij de voorbereiding van het initiatief uit hun kern/buurtschap/stadsdeel; initiatiefnemers hebben hun aanvraag vooraf ter toetsing voorgelegd aan hun gemeente en hebben het oordeel van deze gemeente aantoonbaar bij hun aanvraag betrokken; de totale gestapelde provinciale en Europese bijdragen voor een projectvoorstel bedragen hooguit 75% van de subsidiabele kosten. In uitzonderlijke gevallen kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van deze verdeling.</div>\n<p class=\"lf-p\">137[Toelichting: Lid 3, onderdeel f, beschrijft dat aan de stapeling van provinciale middelen geen andere beperkingen gesteld worden dan dat tenminste één andere partij voor minimaal 25% bijdraagt in de investeringskosten voor het totale project. Doorgaans is een (gedeeltelijke) Europese dekking nog niet beschikt op het moment dat er vanuit ‘vitaliteit’ beschikt wordt. Op basis van een informele toetsing door het Europaloket en het naar aanleiding hiervan kansrijk achten voor Europese subsidiëring, bestaat er begrotingstechnisch geen beletsel de aanvraag te honoreren vanuit ‘vitaliteit’. Omdat de informele toetsing door het Europaloket geen zekerheid biedt, worden in de toekennende beschikking ‘vitaliteit’ enkele kaderstellende voorschriften opgenomen.] 4. In aanvulling op het derde lid moeten aanvragen om subsidie als bedoeld in het tweede lid tevens voldoen aan de volgende criteria: uit de aanvraag blijkt dat bij het initiatief tot oprichting/vestiging en functioneren van het kulturhus ten minste drie van de terreinen van cultuur, zorg, maatschappelijke ontwikkeling en educatie betrokken zullen zijn en een aantoonbare plek krijgen in het op te richten kulturhus; er moet sprake zijn van gezamenlijke programmering tussen de betrokken instellingen die gesitueerd worden in het op te richten kulturhus. De organisatorische en inhoudelijke kwaliteit van de gemeenschappelijke programmering wordt verwoord in de aanvraag; er moet sprake zijn van een gezamenlijk beheersmanagement, dat in ieder geval verantwoordelijk is voor het beheer van de accommodatie. Uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van een gezamenlijk beheersmanagement door de betrokken instellingen die gesitueerd worden in het op te richten kulturhus.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-739\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.39</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">138[Toelichting: De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot ten hoogste € 100.000,-- per project voor investeringskosten in bouw, verbouw en samenhangende herinrichtingskosten van de basisvoorziening. Van deze bijdrage mag per project maximaal 10% tot ten hoogste € 10.000,-- worden besteed aan organisatorische kosten. Dit geldt voor zowel het onderdeel vitaliteit kleine kernen als voor het onderdeel ‘Kulturhusen’. Er dient een gespecificeerde begroting voor de eventueel opgevoerde organisatie-/programmeringskosten bijgevoegd te worden.De instandhoudings-/exploitatiekosten zijn niet honorabel. Exploitatiekosten en kosten voor het voortbestaan van de voorziening onderscheiden zich weliswaar van elkaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De scheidslijn ligt bijvoorbeeld bij beheersmatige inspanningen, regulier onderhoud (exploitatie) in tegenstelling tot een volledige renovatie/herinrichting van het pand (voortbestaan).Declaratie achteraf van haalbaarheidsonderzoeken voor ‘vitaliteit’, alsmede voor ‘Kulturhusen’ is toegestaan. Deze declaratie kan ten laste komen van de 10% organisatie-/programmeringskosten, indien er tenminste sprake is van honorering. De kosten zullen, onder het voorbehoud van honorering, gemaakt moeten worden voor risico van de aanvrager.Zelfwerkzaamheid is niet subsidiabel omdat het geen kosten zijn en kan daarom niet opgevoerd worden in de begroting van de aanvraag. De zelfwerkzaamheid kan weliswaar inzichtelijk gemaakt worden door de bespaarde kosten af te trekken binnen het lastenoverzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten die gemaakt worden door of voor vrijwilligers zijn wel subsidiabel.] 1. De subsidie Vitaliteit kleine kernen bedraagt per project maximaal 50% tot ten hoogste € 100.000,-- voor investeringskosten in bouw, verbouw en samenhangende herinrichtingskosten van de basisvoorziening. Van deze bijdrage mag per project maximaal 10% tot ten hoogste € 10.000,-- worden besteed aan organisatorische capaciteit.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie Kulturhusen bedraagt per project maximaal 50% tot ten hoogste € 100.000,-- voor investeringskosten in bouw, verbouw en samenhangende herinrichtingskosten. Van deze bijdrage mag per project maximaal 10% tot ten hoogste € 10.000,-- besteed worden voor planvorming en programmering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op artikel 7.3 wordt zelfwerkzaamheid als niet subsidiabel beschouwd en mag daarom niet in de begroting en financiële verantwoording worden opgevoerd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-740\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.40</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">139[Toelichting: Cofinanciering door de gemeente moet aantoonbaar gemaakt worden door een begrotingsdocument, schriftelijke toezegging door B&amp;W, collegebesluit of raadsbesluit. Aan de hoogte van de gemeentelijke cofinanciering worden geen eisen gesteld. De exploitatie dient na realisatie van het project minimaal 1 jaar veiliggesteld te zijn. Dit dient aannemelijk te worden gemaakt. Een exploitatiebegroting voor het eerste jaar moet bij de aanvraag worden ingediend. In bepaalde gevallen kan ook een huurovereenkomst duidelijkheid geven (de verhuurder/eigenaar van de investering hoeft geen (mede)aanvrager te zijn).] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.11 bij de aanvraag tevens: a. een aantoonbaar bewijs van cofinanciering door de gemeente en b. een exploitatieoverzicht van het eerste jaar na realisatie van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-741\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.41</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichting subsidieontvanger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 7.8 vindt de start van de uitvoering van de investeringsplannen uiterlijk binnen één jaar na subsidieverlening plaats.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 10. Vrijwilligersorganisaties</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-742\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.42</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">140[Toelichting: Vanaf 2003 subsidiëren wij uitsluitend in Overijssel gevestigde vrijwilligersorganisaties. In dit artikel staat gedefinieerd wat wij hieronder verstaan. Als bewijs dat aan deze definitie wordt voldaan moet bij de aanvraag een aantal stukken worden meegestuurd.] Vrijwilligersorganisatie: een instelling voor vrijwilligerswerk, niet zijnde een landelijke organisatie, die: a. op basis van de statuten een zetel heeft in Overijssel en b. op 31 december 2004: over ten hoogste een halve betaalde formatieplaats (20 werk uren per week) beschikt en c. die hoofdzakelijk in Overijssel op regionaal niveau werkzaam is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-743\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.43</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidievorm</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 7.3 verstrekken Gedeputeerde Staten deze subsidie in de vorm van een stimuleringssubsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-744\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.44</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">141[Toelichting: Een subsidieaanvraag moet voldoen aan 2 criteria. In de eerste plaats dient de subsidieaanvrager van ons voor 2005 niet al een budgetsubsidie te ontvangen. Wij zijn van mening dat dergelijke budgetsubsidies voldoende zijn om daaruit de bestuurs- en activiteitenkosten en de kosten van kadertraining te dekken.In de tweede plaats dient de subsidieaanvrager zelf onvoldoende in staat te zijn de zojuist genoemde kosten te betalen. Wij meten dit af aan de hoogte van de liquiditeitspositie. Hierin mogen reserveringen voor een specifiek eenmalig doel of een eenmalige gebeurtenis – over een periode van maximaal 2 jaar – toegerekend worden aan de kortlopende schulden. Bedoeling hiervan is de vrijwilligersorganisaties in staat te stellen reserveringen te treffen voor bijvoorbeeld de viering van een jubileum, het organiseren van een symposium e.d. Wanneer de liquiditeitspositie volgens de meegestuurde jaarrekening tenminste € 4.200,-- bedraagt zal de subsidie worden geweigerd.] Een aanvraag om stimuleringssubsidie van een vrijwilligersorganisatie moet in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria: a. de organisatie ontvangt van de provincie Overijssel geen per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie; b. de organisatie is naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in staat de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining uit eigen middelen te betalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-745\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.45</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">142[Toelichting: Voor 2006 is bepaald dat het subsidiebedrag maximaal € 2.100,-- bedraagt.] Gedeputeerde Staten kan een vrijwilligersorganisatie voor het jaar 2006 een stimuleringssubsidie verstrekken van € 2.100,-- voor de financiering van de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-746\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.46</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.7 wordt een subsidieaanvraag voor het jaar 2006 uiterlijk op 1 november 2005 ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-747\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.47</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">143[Toelichting: Bij het indienen van een aanvraag voor subsidie vrijwilligersorganisaties dienen de statuten en jaarrekening over 2004 meegestuurd te worden.] In aanvulling op artikel 1.8 dient de aanvraag van vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de vastgestelde jaarrekening over het jaar 2004, vergezeld van een accountantsverklaring of een door de kascommissie ondertekend verslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-748\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.48</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">144[Toelichting: De subsidie wordt in één keer verleend en vastgesteld. Er hoeft dus niet, zoals dat met andere subsidies wel het geval is, verantwoording te worden afgelegd over de besteding van de subsidie.] In afwijking van artikel 1.9 beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken omtrent de subsidieaanvraag na ontvangst van de aanvraag.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 11. Integratie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-749\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.49</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zelforganisatie: elke bovenlokale organisatie van minderheden in Overijssel waarvan de doelstelling is bij te dragen aan integratie en participatie van hun achterban in de samenleving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-750\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.50</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor subsidiëring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">145[Toelichting: In dit artikel is aangegeven aan welke criteria het project moet voldoen waar subsidie voor wordt aangevraagd. Subsidieaanvragen moeten aan alle hier genoemde criteria voldoen. Er moet aantoonbaar sprake zijn van samenwerking tussen meerdere partijen. Ook is cofinanciering verplicht gesteld en projecten dienen een bovenlokaal karakter te hebben tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.Zelforganisaties hoeven niet aan het criterium van cofinanciering te voldoen. Wel dient een zelforganisatie een financiële eigen bijdrage te leveren. Het totaal daarvan dient minimaal 25% van de subsidiabele kosten te zijn.] 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor integratie. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: er is sprake van samenwerking tussen meerdere partijen; bij het project is sprake van cofinanciering; het project heeft een regionaal karakter, tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien de subsidieaanvraag is ingediend door een zelforganisatie is het bepaalde in het eerste lid, sub b, niet van toepassing.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-751\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.51</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">146[Toelichting: Alleen aanvragen vanaf € 10.000,-- worden in behandeling genomen. De provincie subsidieert maximaal 75% van de subsidiabele kosten.] 1. Aanvragen van subsidie kleiner dan € 10.000,-- worden niet in behandeling genomen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De subsidie bedraagt per project maximaal 75% van de totale kosten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvulling op artikel 7.3 worden de volgende kosten als niet subsidiabel aangemerkt: kosten met betrekking tot catering; post onvoorziene kosten</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 12 Jeugdzorg</h3>\n<p class=\"lf-p\">147[Toelichting: De provincie heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het subsidiëren van de activiteiten van Bureau Jeugdzorg Overijssel (BJzO) en het zorgaanbod jeugdhulpverlening. Vanuit deze verantwoordelijkheid stelt de provincie de subsidie en de daarvoor te leveren prestatie vast. BJzODe provincie ontvangt van het Rijk een ‘doeluitkering bureau jeugdzorg’.Voor de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a van het Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg stelt het Rijk normprijzen per taak vast. Het betreft hier de zogenaamde justitiële taken van het bureau jeugdzorg in het kader van het uitvoeren van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering.In de doeluitkering is hiervoor een bedrag opgenomen dat resulteert door vermenigvuldiging van deze landelijke normprijzen (P) met het aantal uitgevoerde justitiële taken (Q) in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de doeluitkering betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het eerste jaar na inwerkingtreding van de WJZ is dit deel van de doeluitkering nog gebaseerd op basis van het eerste jaar voorafgaand aan het inwerkingtreden van de WJZ.Voor de overige niet justitiële taken van BJzO is in de doeluitkering een bedrag begrepen dat is gebaseerd op de bedragen die hiervoor in 2004 beschikbaar waren op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening. Met ingang van 2007 wordt voor het bepalen van de doeluitkering voor deze overige taken een gelijke subsidiemethodiek gehanteerd als die voor de justitiële taken van het bureau jeugdzorg. Dit betekent dat hiervoor ook landelijke normprijzen zullen worden vastgesteld.De provinciale subsidiesystematiek van BJzO is op hoofdlijnen gelijk aan de landelijk gehanteerdeP-maal-Q-systematiek bij het vaststellen van de doeluitkering bureau jeugdzorg.De landelijke normprijzen die het Rijk hanteert zijn in relatie tussen Rijk en provincie een vast gegeven en vormen de basis voor de vaststelling van de provinciale subsidie aan BJzO.Echter, de provincie kan op basis van de regionale situatie en in het kader van haar verantwoordelijkheid voor een zo efficiënt mogelijke inzet van de doeluitkering bij het subsidiëren van taken van BJzO besluiten tot het vaststellen van een afwijkend tarief per taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt een marge aangehouden van maximaal 3%.Gedurende de periode waarin nog geen sprake is van landelijk vastgestelde normprijzen voor de niet-justitiële taken van het bureau jeugdzorg, stellen Gedeputeerde Staten de normprijzen en daarbij te hanteren eenheden vast. Deze overgangsregeling is opgenomen in artikel 7.64.De taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, vormen een uitzondering op deze algemene subsidiesystematiek (zie hieronder).In de subsidieaanvraag geeft BJzO onder meer aan voor welke omvang van de verschillende taken zij subsidie aanvraagt. Op basis van de subsidieaanvraag, het inzicht in het benodigde volume en de omvang van de doeluitkering bepaalt de provincie voor welke omvang zij de taken van BJzO wil subsidiëren.In de subsidiebeschikking stelt de provincie deze omvang en het daarbij te hanteren tarief per taak vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals eerder is aangegeven kan dit tarief maximaal 3% afwijken van het landelijke normtarief.De op deze manier totstandgekomen maximale prestatiesubsidie wordt alleen verleend voorzover de taken waarop de subsidie betrekking heeft worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaande aan de zorg duurzaam verbleven in Overijssel.BJzO moet bij het uitvoeren van de taken zoveel mogelijk in staat worden gesteld aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de behoefte gedurende het jaar. Daarom moet de subsidieaanvraag gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten omvang van de verschillende taken van het bureau.Afhankelijk van de vraagontwikkeling kan de werkelijke kwantitatieve inzet van taken hiervan afwijken.Bij het vaststellen van de prestatiesubsidie gaat de provincie uit van de werkelijke omvang van de uitgevoerde taken en de daarvoor bij de subsidieverlening gehanteerde tarieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde taken, vermenigvuldigd met de vastgestelde tarieven overeenkomen met de maximaal verleende prestatiesubsidie. Alleen wanneer het langs deze weg totstandgekomen totale bedrag lager is dan de maximaal verleende subsidie, kan een lagere prestatiesubsidie worden vastgesteld.Met deze systematiek wordt een maximale flexibiliteit voor BJzO gerealiseerd, om bij de inzet van de beschikbare middelen optimaal aan te sluiten bij de behoefte aan de verschillende taken.BJzO wordt daarmee uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om die taken uit te voeren die gelet op de vraag noodzakelijk zijn, binnen de grenzen van de aan haar door de provincie maximaal verleende subsidie.Uitzondering hierop vormt de subsidiëring van de taak als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ, waaronder advies en deskundigheidsbevordering, het onderhouden van contacten met algemene voorzieningen voor jeugdigen en het door vrijwilligers per telefoon laten adviseren van jeugdigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenals dit het geval is bij de bepaling van de doeluitkering door het Rijk wordt vanaf het moment dat hiervoor de landelijke normtarieven bekend zijn door de provincie voor deze taak een prestatiesubsidie berekend op basis van een bedrag per jeugdige inwoner in de provincie.ZorgaanbodVoor de subsidiëring van het zorgaanbod ontvangt de provincie een ‘doeluitkering zorgaanbod’ van het Rijk. Het Tijdelijk besluit uitkeringen jeugdzorg vormt hiervoor gedurende de eerste twee jaren na inwerkingtreding van de WJZ de basis. Tijdens deze overgangsperiode is nog sprake is van een vooraf vastgesteld budget voor de provinciale doeluitkeringen. Dit vloeit voort uit het Bestuursakkoord Financieel kader WJZ op de Jeugdzorg, zoals dit in 2003 tussen provincies, grootstedelijke regio’s, de staatssecretaris van VWS en de minister van Justitie is overeengekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende deze overgangsperiode wordt geleidelijk een nieuwe bekostigingswijze voor de doeluitkeringen zorgaanbod geïmplementeerd op basis van het advies van Deloitte (‘Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod’).In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg zijn afspraken gemaakt over de invoering van deze landelijke bekostigingssystematiek voor het zorgaanbod, welke naar verwachting met ingang van 2007 volledig wordt ingevoerd. Op hoofdlijnen is daarmee de toekomstige door het Rijk te hanteren bekostigingssystematiek gegeven. Voor de doeluitkering zorgaanbod betekent dit het volgende: deze uitkering wordt gebaseerd op de te verwachten aantallen geïndiceerde zorgeenheden, vermenigvuldigd met een landelijke normprijs voor die zorgeenheden/bekostigingseenheden: prijs (p) x benodigde kwantiteit (q).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zorgeenheden worden landelijk omschreven en vastgesteld en vormen daarmee de basis voor de bij provinciale subsidiëring te hanteren bekostigingseenheden.Met de invoering van de WJZ is onder meer beoogd te komen tot meer marktwerking in het zorgaanbod, onder andere met als doel een zo efficiënt en effectief mogelijk zorgaanbod te bereiken. Daarom zijn de landelijke normprijzen voor de te leveren zorgeenheden niet bindend voor de te hanteren tarieven bij de subsidiëring van de zorgeenheden door de provincie. De uiteindelijk door de provincie gehanteerde tarieven per zorgaanbieder kunnen verschillen. Hiermee wordt een prikkel voor een zo efficiënt mogelijke uitvoering van zorg gerealiseerd.Wel vormt het – op basis van de landelijke normprijzen vastgestelde – provinciale totaalbudget voor het zorgaanbod het financiële kader, waarbinnen een op de vraag afgestemd zorgaanbod door de provincie gesubsidieerd moet worden.Binnen de doeluitkering zorgaanbod moet de provincie voldoende zorgaanbod ‘inkopen’ bij zorgaanbieders, om de aanspraken op zorg van cliënten te kunnen waarborgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt daarbij is dat de provincie over adequate informatie beschikt over de omvang van de door BJzO geïndiceerde zorgeenheden en over de ontwikkeling hiervan.Bij het invoeren van de landelijke systematiek voor zorgeenheden wordt deze ook gebruikt voor de provinciale subsidiëring van het zorgaanbod. Deze nieuwe landelijke bekostigingssystematiek vormt daarom het vertrekpunt voor onderhavige regels.Via pilots wordt tijdens het implementatietraject onderzocht hoe de uiteindelijke zorgeenheden het best kunnen worden toegepast. Er vindt een praktijktoets plaats op de geadviseerde normprijzen voor de verschillende zorgeenheden. Een en ander krijgt waarschijnlijk in 2006 zijn beslag. Dit betekent dat in 2006 in veel gevallen de landelijk te hanteren zorgeenheden nog niet de grondslag kunnen vormen voor de subsidiëring van het zorgaanbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband hiermee is in artikel 7.52, onder d, opgenomen dat Gedeputeerde Staten vaststellen welke zorgeenheden als eenheid voor de subsidiëring van het zorgaanbod worden gehanteerd.Tot het invoeren van de systematiek van zorgeenheden in het kader van de berekening door het Rijk van de doeluitkering zorgaanbod, kunnen Gedeputeerde Staten andere zorgeenheden als bekostigingseenheid vaststellen. Gedeputeerde Staten heeft ervoor gekozen om daarbij aan te sluiten op de bekostigingseenheden als gehanteerd in het jaar voorafgaand aan de invoering van de WJZ en de bekostigingseenheden zoals die gehanteerd zijn in de systematiek van de normharmonisatie. Omdat deze uitgaat van tarieven voor variabele kosten is in de overgangsregeling (7.63) in het 3e lid opgenomen dat Gedeputeerde Staten in de subsidie een bedrag voor accommodatiekosten bepaalt.Voor het overige wordt met deze regels aangesloten op de uitgangspunten van de WJZ en de daarop gebaseerde toekomstige landelijke bekostigingssystematiek.In de subsidieaanvraag geeft de zorgaanbieder aan, voor welke zorgeenheden de subsidie wordt aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook geeft de zorgaanbieder aan voor hoeveel en tegen welk tarief voor de verschillende zorgeenheden subsidie wordt aangevraagd. Daarmee heeft de aanvraag het karakter van een offerte.Mede op basis van de subsidieaanvraag en het inzicht in de benodigde zorg bepaalt de provincie welke, hoeveel en tegen welk tarief zij zorgeenheden wenst in te kopen bij de zorgaanbieder. Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de prijs die de zorgaanbieder in de aanvraag/offerte heeft opgenomen. De zorgaanbieder en provincie kunnen hierover onderhandelen. Uiteindelijk stellen Gedeputeerde Staten het tarief vast waartegen zij de desbetreffende zorgaanbieder wenst te subsidiëren. Daarbij zal onder meer de gerealiseerde kostprijs van de zorgaanbieder in de voorgaande jaren betrokken worden.In de beschikking tot subsidieverlening geeft de provincie aan welke, hoeveel en tegen welk tarief zorgeenheden worden gesubsidieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit tarief hoeft niet gelijk te zijn aan de normprijzen die het Rijk hanteert voor de vaststelling van de doeluitkering zorgaanbod en kunnen ook voor de verschillende zorgaanbieders verschillen. Ook de mate van detaillering van de zorgeenheden kan afwijken van de landelijk vastgestelde eenheden.Wel moeten de tarieven van de eenheden gedetailleerder zijn opgebouwd en op een transparante en controleerbare manier vertaald kunnen worden naar het niveau van de eenheid van het Rijk.De op deze manier totstandgekomen maximale subsidie wordt in principe alleen verleend voor de taken, waarop de subsidie betrekking heeft, die worden uitgevoerd voor cliënten die voorafgaand aan de zorg duurzaam verbleven in de provincie Overijssel.Uitgaande van een bepaling van de doeluitkering op basis van die hiervoor weergegeven P-maal-Q-systematiek, sluit de omvang van de doeluitkering zorgaanbod aan op de kwantiteit van de aanspraken van cliënten uit de eigen provincie op geïndiceerde zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan de provincie desgewenst zorg inkopen bij zorgaanbieders buiten haar grenzen. Daarmee ligt subsidiëring van zorg voor cliënten uit andere provincies niet langer in de rede.Gedurende de overgangsperiode naar de nieuwe financieringssystematiek wordt een overgangsregeling gehanteerd op grond waarvan in uitzonderingssituaties zorgaanbieders de verleende subsidie, onder bepaalde voorwaarden, ook kunnen aanwenden voor het verlenen van zorg voor cliënten die voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleven in een andere provincie (zie artikel 7.63).De subsidieaanvraag van een zorgaanbieder moet gebaseerd zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachten inzet van de verschillende zorgeenheden.Om zorgaanbieders bij het uitvoeren van de zorg zoveel mogelijk in staat te stellen om gedurende het jaar aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de vraag, geldt de kwantitatieve basis bij toekenning van de subsidie primair als middel ter bepaling van het totaal toe te kennen subsidie voor de uitvoering van zorgeenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de feitelijke vraagontwikkeling gedurende het jaar kan de werkelijke inzet van zorg hiervan afwijken.Bij het vaststellen van de subsidie gaat de provincie uit van de werkelijk geleverde aantallen zorgeenheden en de daarvoor bij de verlening van subsidie vastgestelde tarieven. Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde aantallen eenheden, vermenigvuldigd met de vastgestelde prijzen overeenkomen met de maximaal verleende subsidie. Wanneer het langs deze weg totstandgekomen totale bedrag lager is dan het maximaal toegekende subsidie, wordt een lagere subsidie vastgesteld.Met deze systematiek wordt maximale flexibiliteit voor de zorgaanbieder gerealiseerd om bij de inzet van zorg optimaal aan te sluiten bij de door BJzO in de indicatie vastgestelde behoefte aan zorg.Een zorgaanbieder wordt daarmee, binnen de grenzen van de hen door de provincie maximaal verleende subsidie, uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om, mede gelet op haar zorgplicht, die zorg te bieden die gelet op de vraag nodig is.Wel is het zo dat zorgaanbieders in beginsel slechts die zorgeenheden kunnen uitvoeren, die bij de subsidieverlening door de provincie zijn aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met andere woorden indien bij een zorgaanbieder geen zorgeenheden in het kader van pleegzorg worden gesubsidieerd, dan komt het uitvoeren van dergelijke eenheden in beginsel niet voor subsidiëring door de provincie in aanmerking. Voor het uitvoeren van voor de zorgaanbieder nieuwe zorgvormen is vooraf toestemming van de provincie nodig, die zich hierbij laat adviseren door BJzO.Ten slotte komen alleen zorgeenheden in aanmerking voor subsidie indien hieraan een geldige indicatie van BJzO aan ten grondslag ligt en die zijn uitgevoerd ten behoeve van een cliënt uit de subsidiërende provincie, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie zoals bepaald in artikel 7.63. ]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-752\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.52</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">148[Toelichting: Dit artikel bevat de begripsbepalingen. De begrippen zoals opgenomen in de Wet op de jeugdzorg zijn hier niet herhaald. Het onderdeel d heeft betrekking op het begrip zorgeenheid. In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg is op basis van het advies van Deloitte ‘Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het jeugdzorgaanbod’, besloten tot invoering van een bekostigingsstelsel voor de provinciale doeluitkering zorgaanbod op basis van een systematiek van zorgeenheden. Op grond van de WJZ zijn in het Besluit jeugdzorgaanspraken drie aanspraken op jeugdzorg vastgesteld: jeugdhulp, verblijf en observatiediagnostiek. Deze algemeen geformuleerde aanspraken worden door middel van een indicatiebesluit van een Bureau Jeugdzorg gevestigd. Het indicatiebesluit geeft daarbij een nadere concretisering van de aanspraken op basis van de eisen die daaraan in het Besluit indicatiestelling zijn gesteld. Dit kan leiden tot meerdere concrete pakketjes van zorg die door de zorgaanbieder dienen te worden geleverd en die tevens als eenheid dienen voor de subsidiëring van het zorgaanbod.Naar verwachting wordt in 2007 de systematiek ingevoerd dat het Rijk de doeluitkering zorgaanbod berekent op basis van deze zorgeenheden. Tot dat moment stelt Gedeputeerde Staten andere eenheden vast. Zie verder de algemene toelichting. ] a. WJZ: de Wet op de Jeugdzorg. b. Uitvoeringsprogramma: het Uitvoeringsprogramma jeugdzorg, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WJZ. c. Tarief: het door Gedeputeerde Staten vastgestelde bedrag, bedoeld voor de subsidiëring van een zorgeenheid. d. Zorgeenheid: een eenheid van jeugdzorg waarop op grond van de WJZ en het Besluit jeugdzorgaanspraken, aanspraak bestaat en die door Gedeputeerde Staten als eenheid voor bekostiging van jeugdzorgaanbod zijn aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-753\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.53</span><span class=\"lf-art-t\">Beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 niet van toepassing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7.1 is niet van toepassing op subsidies op grond van de WJZ en deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-754\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.54</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">149[Toelichting: Dit artikel bevat de criteria voor het verlenen van prestatiesubsidies voor experimenten.] Gedeputeerde Staten beoordelen bij het verlenen van een prestatiesubsidie voor experimenten of en in welke mate het experiment past in en bijdraagt aan de uitvoering van het door Gedeputeerde Staten gevoerde beleid op het terrein van de jeugdzorg als omschreven in het vigerende uitvoeringsprogramma.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-755\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.55</span><span class=\"lf-art-t\">Grondslag subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">150[Toelichting: Dit artikel bevat de grondslag/titel voor de subsidieverlening.Voor subsidiëring van BJzO komen in aanmerking de taken zoals genoemd in de artikelen 5 en 10 van de WJZ. De subsidiëring van de overige taken voortvloeiende uit de WJZ maakt onderdeel uit van de tarieven voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ.In het derde lid van dit artikel wordt bepaald dat in principe alleen subsidie wordt verleend voorzover de uitvoering van taken betrekking heeft op cliënten afkomstig uit Overijssel. De laatste zin van dit artikel maakt hierop een uitzondering mogelijk. Deze is gedurende een overgangsfase noodzakelijk in verband met de landelijke afspraken over het kader voor de decentralisatie van de voorheen landelijk werkende instellingen die taken van een bureau jeugdzorg uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de inrichting van deze overgangsfase voor de afzonderlijke instellingen worden nadere afspraken gemaakt tussen de desbetreffende instellingen en provincies. In de subsidiebeschikking worden de hieruit voortvloeiende aanvullende subsidievoorwaarden vastgesteld.Voor subsidiëring van het zorgaanbod komen in aanmerking de uitvoering van zorgeenheden c.q. bekostigingseenheden die door de ministers worden gehanteerd voor het vaststellen van de landelijke normbedragen. Op basis van deze landelijke normbedragen wordt de provinciale doeluitkering zorgaanbod door het Rijk berekend. Dit is opgenomen in het Besluit uitkeringen jeugdzorg. Deze zorgeenheden komen alleen dan voor subsidiëring in aanmerking indien deze worden uitgevoerd op basis van een daartoe strekkend indicatiebesluit van het BJzO.Het zesde lid leidt ertoe dat de subsidiëring slechts betrekking heeft op de uitvoering van zorgeenheden voor cliënten die voorafgaand aan het uitvoeren hiervan duurzaam verbleven in Overijssel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat de zorgplicht van de zorgaanbieder op grond van de WJZ alleen betrekking heeft op cliënten uit een provincie waarvan Gedeputeerde Staten van die provincie de betreffende zorgaanbieder ook een subsidie hebben verleend voor het uitvoeren van zorgeenheden. Omdat provincies bij het inkopen van jeugdzorg niet gehouden zijn deze in te kopen bij zorgaanbieders in de eigen provincie, kan een zorgaanbieder ook zorg verlenen aan cliënten uit een andere provincie dan de provincie van vestiging van de zorgaanbieder, als de betreffende provincie ook bij deze zorgaanbieder zorg heeft ingekocht. Als dit niet het geval is dan kan deze zorgaanbieder geen zorg voor dergelijke cliënten uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betreffende cliënt zal zijn aanspraak op zorg daarom slechts tot gelding kunnen brengen bij een zorgaanbieder, die hiervoor wordt gesubsidieerd door de provincie waarin hij of zij voorafgaand aan het totstandkomen van de aanspraak duurzaam verbleef.Gedurende de overgangsperiode tot aan invoering van de P-maal-Q-systematiek, is echter een uitzonderingsbepaling (artikel 7.63) van kracht, die ertoe strekt het bieden van zorg aan cliënten uit een provincie die geen zorg heeft ingekocht bij de zorgaanbieder, onder bepaalde voorwaarden mogelijk te maken. Dit kan noodzakelijk zijn als gevolg van een nadere uitwerking van de gemaakte landelijke afspraken over de overgangsperiode voor de decentralisatie van enkele voorheen landelijk werkende en landelijk gesubsidieerde zorgaanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt bij deze afspraken is dat één provincie gedurende deze overgangsperiode als inkoper en daarmee als subsidiënt van deze zorgaanbieders voor meerdere provincies optreedt. De voorwaarden waaronder een dergelijke uitzondering mogelijk is worden in de subsidiebeschikking opgenomen.] De stichting 1. Het bedrag van de aan de stichting per boekjaar te verlenen prestatiesubsidie wordt bepaald op basis van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten stellen deze tarieven vast op basis van de door de minister vastgestelde normbedragen, met een afwijking tot ten hoogste drie procent.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend wanneer de taken en/of de functies waarop de subsidie betrekking heeft, worden uitgevoerd voor cliënten die bij aanvang van de bemoeienis van de stichting duurzaam verblijven in Overijssel. Wanneer Gedeputeerde Staten dit noodzakelijk achten kan zij hiervan afwijken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder 4. Het bedrag van de aan de zorgaanbieder per boekjaar te verlenen prestatiesubsidie voor het uitvoeren van zorgeenheden wordt bepaald op basis van het door Gedeputeerde Staten vastgesteld tarief per zorgeenheid, dat per zorgaanbieder verschillend kan zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>De subsidie als bedoeld in het vierde lid wordt alleen verleend wanneer het Bureau Jeugdzorg Overijssel voor het uitvoeren van de zorgeenheid een indicatiebesluit heeft vastgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De op basis van een indicatiebesluit uit te voeren jeugdzorg komt alleen voor subsidie in aanmerking indien er een subsidierelatie bestaat tussen de zorgaanbieder en de provincie waarin de cliënt duurzaam verblijft. Wanneer Gedeputeerde Staten dit noodzakelijk achten kan zij hiervan afwijken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen 7. De subsidie als bedoeld in het eerste en vierde lid bedraagt ten hoogste het bedrag dat Gedeputeerde Staten hiervoor hebben opgenomen in het Uitvoeringsprogramma van het jaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft. Dit bedrag kan worden aangepast op basis van de voor het jaar door de minister vastgestelde indexering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-756\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.56</span><span class=\"lf-art-t\">Indieningstermijn aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">151[Toelichting: Dit artikel regelen wanneer een aanvraag voor prestatiesubsidie voor experimenten kan worden ingediend.] Een aanvraag om subsidie voor experimenten als bedoeld in artikel 7.54 kan gedurende het hele jaar, maar uiterlijk drie maanden voor aanvang van het experiment, bij Gedeputeerde Staten worden ingediend,</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-757\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.57</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende stukken bij de aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">152[Toelichting: Hierin is bepaald welke gegevens in de aanvraag moeten zijn opgenomen en welke documenten moeten worden gevoegd bij de subsidieaanvraag.] 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.11 bij de subsidieaanvraag tevens het vigerende meerjarenbeleidsplan voor de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In aanvullend op het eerste lid overlegt de stichting bij de subsidieaanvraag in ieder geval: het bedrag van de aangevraagde subsidie en de opbouw daarvan op basis van de tarieven in overeenstemming met artikel 7.56, tweede lid, voorzien van een gedetailleerde toelichting en de onderbouwing daarvan; de wettelijke taken en/of functies die de stichting zal uitvoeren; de geraamde aantallen cliënten voor het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft per taak en/of functie als bedoeld in artikel 5 en 10, eerste lid van de WJZ; het aantal cliënten per taak en/of functie waarvoor de betreffende taak en/of functie is uitgevoerd in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft; de activiteiten die zullen worden uitgevoerd voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ; de adressen van de locaties waar de taken en/of functies worden uitgeoefend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In aanvullend op het eerste lid overlegt de zorgaanbieder bij de subsidieaanvraag in ieder geval: de verschillende zorgeenheden waarop de aanvraag betrekking heeft; het bedrag waarvoor de zorgaanbieder de verschillende zorgeenheden wil uitvoeren; de verschillende aantallen zorgeenheden waarvoor de zorgaanbieder subsidie aanvraagt; de adressen van de locaties waar de zorgeenheden worden uitgevoerd.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-758\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.58</span><span class=\"lf-art-t\">Verzekeringen en administratie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">153[Toelichting: In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen over het afsluiten van bepaalde verzekeringen en het voeren van de administratie. Zo zal het boekjaar samen moeten vallen met het kalenderjaar en zal een betrouwbaar beeld moeten ontstaan over de gegevens van cliënten, de omvang van de uitgevoerde zorgeenheden en financiële gegevens.] 1. De stichting/zorgaanbieder aan wie een subsidie is verleend, zorgt voor een voldoende verzekering tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, brand, diefstal en andere vergelijkbare risico’s.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De administratie wordt zo gevoerd dat op ieder moment een betrouwbaar beeld bestaat over het functioneren op de volgende punten: gegevens over de cliënten; financiële gegevens; aanvullend hierop:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voor de stichting gegevens over de omvang en individuele duur van de uitgeoefende taken en/of functies;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>voor de zorgaanbieder gegevens over omvang en individuele duur van de uitgevoerde zorgeenheden.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-759\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.59</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag van de prestaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">154[Toelichting: Dit artikel regelt de inhoud waaraan het (inhoudelijke) verslag van de geleverde prestaties minimaal dient te voldoen.Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende gegevens vragen over de uitgevoerde activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Deze vragen mogen geen wezenlijke verstoring van de dagelijkse werkzaamheden teweegbrengen. ] 1. In afwijking van artikel 1.16, eerste lid, bevat het prestatieverslag van: de stichting ten minste gegevens over de realisatie van het bij de subsidieaanvraag ingediende uitvoeringsplan en over de uitvoering van de overige activiteiten als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ. de zorgaanbieder ten minste gegevens over de realisatie van het bij de subsidieaanvraag ingediende uitvoeringsplan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor de inhoudelijke verantwoording de stichting, in aanvulling op de gegevens die zijn opgenomen in het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg, nadere gegevens vragen over de taken en/of functies, als bedoeld in artikel 5 en 10 van de WJZ.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Gedeputeerde Staten kunnen voor de inhoudelijke verantwoording van de zorgaanbieder nadere gegevens vragen.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-760\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.60</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag van de kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">155[Toelichting: Dit artikel regelt aan welke voorwaarden de financiële verantwoording minimaal dient te voldoen en uit welke onderdelen deze bestaat. Ook wordt bepaald dat de verantwoording moet worden voorzien van een accountantsverklaring.De jaarrekening van de subsidieontvanger moet voldoen aan de ministeriële richtlijnen.In onderdeel e wordt bepaald dat het BJzO ook informatie verschaft over het aantal gestelde indicaties die gedurende het verantwoordingsjaar zijn verzilverd bij een daartoe niet door de provincie Overijssel gesubsidieerde zorgaanbieder. Dit vloeit voort uit de overgangsregeling met betrekking tot de provinciale subsidiëring van zorgaanbieders, die provincies zijn overeengekomen gedurende de periode waarin nog geen sprake is van een vraaggestuurde berekening door het Rijk van de provinciale uitkering zorgaanbod op basis van de P-maal-Q-systematiek.</p></div>", "next": 238408}