{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In artikel 1 van de Wom wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). Deze definitie is in artikel 1:1 overgenomen (zie toelichting aldaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de artikelen 3 en 4 Wom volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 Wom kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 Wom kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 Wom bepaalt dat hij bevoegd is aan de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 Wom de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 5 Veiligheid, bruikbaarheid en aanzien van de wegArtikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervanDit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht kon komen te vervallen. De gemeente Zwolle kiest ervoor om breed gestelde algemene regels (zie lid 1) op te nemen in plaats van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. De vergunningplicht is vervangen door een meldingsplicht. De gemeenteraad maakt hiermee een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het nieuwe tweede lid krijgt het college de bevoegdheid nadere regels te stellen ten aanzien van uitstallingen en reclameborden. Deze bevoegdheid is opgenomen omdat ten aanzien van deze specifieke categorieën voorwerpen behoefte bestaat om meer gedetailleerde regels te kunnen formuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid wordt een opsomming gegeven van de gevallen waarin het verbod van lid 1 (en daarmee dus ook de meldingsplicht) niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit de melding blijkt dat een voorwerp niet op of aan de weg geplaatst zou mogen worden, wordt hiervan schriftelijk melding gedaan. Deze mededeling moet worden aangemerkt als een verbod waartegen bezwaar/beroep mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maken en veranderen van een uitwegIn het kader van de 1 loket gedachte van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is besloten om na drie jaar (2010-2013) de meldingsplicht gehanteerd te hebben, het maken en veranderen van een uitweg vergunningplichtig te maken. In artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo is geregeld dat als er een vergunningplicht geldt voor (het maken, hebben of veranderen van) een uitweg, deze vergunning een omgevingsvergunning is op grond van de Wabo Door de vergunningplicht te herintroduceren voor een uitweg hoeft een aanvrager bij meerdere activiteiten, (bijvoorbeeld het maken van een uitweg, het kappen van een boom en het bouwen van een garage of carport) slechts één vergunning aan te vragen: de omgevingsvergunning. De ongewenste situatie dat er wel een vergunning wordt verleend voor het bouwen en kappen, maar de melding voor de uitweg niet wordt geaccepteerd (of andersom, geen vergunning, maar wel acceptatie van de melding) wordt daarmee voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat sprake is van een omgevingsvergunning gelden de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening.De weigeringsgronden staan in het derde lid van artikel2:12 van de APV en zijn aanvullend aan de algemene weigeringsgronden uit artikel 1:8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat de vergunning op grond van 2.12 kan worden geweigerd indien het maken of veranderen van een uitweg: a.in strijd is met het bestemmingsplan; b.het veilig en doelmatig gebruik van de weg aantast; deze grond kan bijvoorbeeld worden gebruikt als een uitweg wordt aangelegd of veranderd binnen korte afstand van een kruispunt of een splitsing o.i.d. of als er sprake is van een doorgaande weg waar gevaar kan ontstaan voor het verkeer op de weg als er gebruik wordt gemaakt van een uitweg; c.c. ten koste gaat van een parkeerplaats; of d.d. het openbaar groen aantast; deze grond kan bijvoorbeeld gebruikt worden als er voor de aanleg of verandering van de uitweg een (gedeelte van een) gemeentelijk plantsoen moet wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop in principe moet toestaan. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:12 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen creëert. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van de weg) te veel belemmeren. Het maken of veranderen van uitwegen wordt uitgevoerd in opdracht van de gemeente. De houder van een vergunning mag dus niet zelf een uitweg aanleggen of veranderen. De kosten worden in rekening gebracht bij de vergunninghouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het artikel niet voorziet in het vergunningplichtig maken van het veranderen van het gebruik van een uitweg als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo. In de praktijk gaat het om het aanleggen of veranderen van uitwegen. Daar ziet het artikel dan ook op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-14-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Winkelwagentjes Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te verplichten om op de winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen en om achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen. Dit legt ook een verantwoordelijkheid bij winkelbedrijven om hier op toe te zien</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21-172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen voor verkeer en verlichting In beginsel biedt de Belemmeringenwet Privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. Deze wet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht dat het gebruik van de desbetreffende onroerende zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 7 EvenementenArtikel 2:24 Begripsbepalingen Eerste lidIn artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder a.In de eerste plaats is dit het geval bij de voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak die gehouden wordt in de besloten ruimte van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer voor zover het evenement past binnen de normale bedrijfsvoering van de inrichting. Dit betreft in feite een codificatie van de zogenaamde “Ghosthouse-jurisprudentie” (uitspraak van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AU9388). Uit deze uitspraak blijkt dat een in een inrichting gehouden feest dat niet tot de normale bedrijfsvoering van de inrichting hoort, valt aan te merken als een evenement. Hiervoor geldt derhalve een vergunningplicht. A contrario redenerend is een feest dat wél tot de normale bedrijfsvoering van een inrichting behoort, niet is aan te merken als een evenement. Hiervoor geldt derhalve geen vergunningplicht. Hoewel het strikt genomen niet nodig is om dit in de APV op te nemen, wordt dit voor de duidelijkheid toch gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde uitspraak van de Afdeling bevat aanwijzingen ten aanzien van de vraag wanneer een feest o.i.d. tot de normale bedrijfsvoering behoort. De Afdeling overweegt: “De burgemeester heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het feest vanwege de grootschaligheid, de muziekstijl, het soort publiek dat er komt, en de sluitingstijd - drie uur na de toegestane sluitingstijd - niet tot de normale bedrijfsvoering van de inrichting behoort. Daarbij is in aanmerking genomen dat het feest niet door de exploitanten van de inrichting, maar door een derde is georganiseerd en de exploitanten er geen blijk van hebben gegeven dat zij op de hoogte waren van hetgeen precies zou plaatsvinden in hun inrichting. Voorts is daarbij in aanmerking genomen dat volgens de burgemeester de ervaring heeft geleerd dat dit soort houseparty's vaak gepaard gaat met grootschalig drugsgebruik, met alle risico's van dien, en dat extra politie-inzet nodig is om de openbare orde te handhaven, terwijl dit niet het geval is bij een reguliere avond.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b.Daarnaast gelden de bepalingen niet voor markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet. Indien het college op grond van dit artikel een (waren)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c t/m e.Deze uitzonderingen zijn opgenomen om dubbele regelgeving te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHerdenkingsplechtigheidOmdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">BraderieOmdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement:</p>\n<p class=\"lf-p\">OptochtenHet houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso’s enz., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties (Wom) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feest, muziekWanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. (Met uitzondering van feesten die gehouden worden in de besloten ruimte van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer voor zover het feest past binnen de normale bedrijfsvoering van de inrichting, zie artikel 2:24, eerste lid, onder a.) Het feest kan als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is. Maar wanneer een feest een “besloten” karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een feest al dan niet besloten “op of aan de weg” plaatsvindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaatsvindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de APV geven het college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van de APV in de vergunning worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wedstrijd op of aan de wegVoor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist, krachtens het bepaalde in het eerste lid van artikel 2:25 en artikel 2:24, tweede lid, onder d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel 10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt: a.voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; b.voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:25 van toepassing. De evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven weigeren medewerking te verlenen aan het evenement. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van artikel 2:25. Op grond van de artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld “vossenjachten”, droppings e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klein evenementVoor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of het straatfeest is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het derde lid van artikel 2.25 is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Evenement Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk. Controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of een goed woon- en leefklimaat Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onder-handelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een klein evenement wordt volstaan met een meldingsplicht. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen. De ervaring leert namelijk dat een vergunning in dergelijke gevallen vrijwel altijd wordt verleend, waarbij standaardvoorschriften aan de vergunning worden verbonden. Indien er naar aanleiding van de melding echter aanleiding is te vermoeden dat de openbare orde, de openbare veiligheid, de volkgsgezondheid, het milieu of een goed woon- en leefklimaat in gevaar komt, kan de burgemeester het evenement op grond van het vierde lid binnen acht dagen na de melding alsnog verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">EvenementenbeleidAan de hand van de motieven neergelegd in de weigeringsgronden kan de burgemeester beleidsregels vaststellen.Het doel van een evenementenbeleid is enerzijds het vastleggen van wat er met betrekking tot evenementen in een gemeente wordt nagestreefd en onder welke voorwaarden dit is toegestaan. Anderzijds behelst het beleid de afstemming van processen binnen de vergunning-verlening zodat deze zo efficiënt en goedkoop mogelijk kan plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid: lex silencio positivoKleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betaald voetbalwedstrijden Ter regulering van betaald voetbalwedstrijden wordt gekozen voor een vergunningsstelsel, in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsbeschermingsmogelijkheden van derden. In deze bepaling wordt, kort samengevat, geregeld a.welke instantie als organisator wordt aangemerkt; b.de verplichting van de organisator tot opgave van de speeldata en overige relevante informatievolgens een daartoe door de burgemeester vast te stellen formulier; c.de mogelijkheid om voor meerdere wedstrijden tegelijk (bijvoorbeeld competitiehelft) vergunning aan te vragen; d.de mogelijkheid voor de burgemeester om per wedstrijd nadere voorschriften te geven in het belang van de openbare orde; e.de bevoegdheid van de burgemeester om op limitatief omschreven gronden de wedstrijd te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat speciaal voor betaald voetbalwedstrijden een vergunningsplicht geldt, kan deze worden beschouwd als een lex specialis ten opzichte van de algemene vergunningsplicht voor evenementen. Dit artikel is in overeenstemming met het afgesloten convenant betaald voetbal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26-175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">OrdeverstoringDeze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingenArtikel 2:27 BegripsbepalingenIn plaats van de term \"horecabedrijf\" wordt nu de term \"openbare inrichting\" gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk met \"horecabedrijf\" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de zogenaamde \"natte horeca\". De bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde \"droge horeca\": tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Exploitatie openbare inrichtingEerste lidOp grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien jaar, dan is het alleen op gronden ontleend aan dwingende redenen van algemeen belang geoorloofd een termijn te stellen Tweede lidAls het geldende bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of het voorbereidings-besluitvestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Om die reden wordt het noodzakelijk geacht om de verplichting op te nemen voor de vergunningaanvrager om een recente verklaring omtrent gedrag voor de leidinggevende te overleggen. Leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar ook iemand die bij hem in dienst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lidVoor een aantal categorieën van kleinschalige openbare inrichtingen waar geen alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het geding is, is geen vergunning nodig. Te denken valt aan een ontbijthoekje bij de bakker.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is de vergunningplicht komen te vervallen voor een horecabedrijf waar tevens op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning is vereist. Gebleken is dat in Zwolle de horecaexploitatievergunning voor de natte horeca onvoldoende bijdraagt aan het verminderen van overlast en terugdringen van openbare orde problemen. De exploitatievergunning in stand laten voor de natte horecabedrijven is dan ook onevenredig belastend en is om die reden komen te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lidDit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn. Hier is er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning voor met name horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde vergunning kunnen openen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28a-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">TerrassenEerste lidDit artikel biedt de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waar de vergunningplicht niet geldt. Hiermee kan bereikt worden dat er een regulering van terrassen is zonder onnodige toename van administratieve lasten. Buiten de aangewezen gebieden blijft vergunningplicht gelden en kan per situatie maatwerk worden geleverd Tweede lidIn het tweede lid krijgt het college de bevoegdheid nadere regels te stellen ten aanzien van terrassen. Deze nadere regels gelden zowel voor vergunningsvrije terrassen als vergunningplichtingen terrassen. Deze bevoegdheid is opgenomen omdat ten aanzien van de spelregels met betrekking tot plaatsing, gebruik, en opruimen terrassen behoefte bestaat om meer gedetailleerde uniforme regels te kunnen formuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidIn aanvulling op de weigeringsgronden uit 1.8 zijn voor terrassen specieke weigeringgronden opgenomen om de vaak locale effecten van een terras mee te kunnen nemen in de belangenafweging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sluitingstijd Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor openbare inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.). Met het vastleggen van het sluitingstijdenregime in de APV zelf, wordt beleidsregel sluitingstijden horeca ingetrokken Derde en vierde lid In het derde en vierde lid van het artikel is de uitkomst van de pilot vrije sluitingstijden verankerd, waarbij de “natte” horeca sluit om 05:00 uur en de “droge” horeca om 06:00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Alle openbare inrichtingen die na 03.00 uur geopend zijn houden de verplichting tot het hebben van een gecertificeerde portier. Deze portier dient mede toe te zien op voorkoming van overlast voor de woon- en leefomgeving door komende en vertrekkende bezoekers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende t/m twaalfde lid Hierin zij geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht ten opzichte van de huidige situatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluitingEerste lidArtikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting Tweede lidHoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet \"Damocles\" (artikel 13b van de Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid behouden, omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een andere is, wordt door middel van het tweede lid buiten twijfel gesteld dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348). Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot onteigening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers. Deze inschrijvingsplicht geldt niet voor de sluitingen op grond van de APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedragingenOnder aDeze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder bOok het bepaalde onder b richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span><span class=\"lf-art-t\">Handel binnen openbare inrichtingenDit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goederen worden verhandeld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college als bevoegd bestuursorgaanHet begrip \"openbare inrichting\" als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34a-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking verstrekking alcoholhoudende drankenGelet op het belang van een matig alcoholgebruik in inrichtingen die primair voor andere doeleinden dan alcoholgebruik worden bezocht, wordt de beperking opgelegd dat daar geen sterke drank mag worden verstrekt. In dit artikel is daarom een verbod opgenomen voor het verstrekken van sterke drank in onder meer snackbars, cafetaria’s, jeugd-, onderwijs-, sportinstellingen of buurthuizen Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenhedenArtikel 2:39 Speelgelegenheden Eerste lidHet begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden waar de Wet op de kansspelen geen betrekking op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen, zoals poker, worden beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lidDe vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de kansspelen. Oogmerk van de Wet op de kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1:6 van de APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen)Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">KansspelautomatenBij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een vergunning vooraf wordt geëist. Dit vooral ook omdat een aanwezigheidsvergunning voor gokkasten met name wordt verdedigd door te wijzen op het risico van gokverslaving. Het valt moeilijk vol te houden dat een flipperkast een vergelijkbaar risico op verslaving oplevert als een fruitautomaat. Dat nog los van de vele verslavende spelen die op het internet gespeeld kunnen worden, al dan niet gratis Voor de APV betekent dit dat in artikel 2:40, tweede en derde lid, de term “speelautomaten”, die ook behendigheidsautomaten zoals flipperkasten omvat, wordt vervangen door “kansspelautomaten”, waarmee gokkasten worden aangeduid waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te pas komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheidArtikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Eerste lidDe burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, wordt dit in de APV geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHet tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder de toelichting bij het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidAangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidVanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Plakken en kladden Eerste lidIn het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR Tweede lidHet aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van meningsuiting zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik eens anders recht wordt geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde is wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43-186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer plakgereedschap e.d. Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden Door de gehanteerde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor winkeldiefstal Deze verbodsbepalingen beogen het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak en winkeldiefstal te bemoeilijken. Bij een voorwerp als bedoeld in het tweede lid kan gedacht worden aan geprepareerde tassen Teneinde de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 3 opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstel te gaan plegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44a-188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod tot het spelen om geldDit artikel beoogt overlast door gokken op straat tegen te gaan</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47-189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsenOp basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling in de APV vormt hierop een aanvulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 (zie daarvoor de toelichting op artikel 1:1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47a-190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verwijderingbevel Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om iemand te weren uit een bepaald gebied in het belang van de openbare orde. Artikel 172 a van de Gemeentewet biedt een soortgelijke bevoegdheid echter alleen in gevallen waar sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde en ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verboden drankgebruik In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 3 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de verhoging van de leeftijdsgrens voor drinken in het openbaar naar achttien jaar is de tekst van dit artikel aangepast. Het aanwijzen van een gebied waar men geen open flesjes en blikjes met alcoholhoudende drank bij zich mag hebben kan immers geen gevolgen hebben voor jongeren onder de achttien. Zij mochten dat sowieso al niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-49-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedrag bij of in gebouwen Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimtenDeze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te beschermen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50a-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Slaapplaats op of aan een openbare plaats Het doel van dit artikel is om wildkamperen (kamperen buiten kampeerterreinen) tegen te gaan of te reguleren. Sinds de afschaffing van de Wet op de openluchtrecreatie bestaat daaraan behoefte. Het artikel kan ook gebruikt worden om zwervers te verwijderen uit gemeentelijke parken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span><span class=\"lf-art-t\">Neerzetten van fietsen e.d. Dit artikel beoogt overlast te voorkomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het neerzetten van fietsen, bromfietsen of soortgelijke voertuigen tegen panden, terwijl de eigenaar heeft aangegeven dat dit niet wordt gewenst, of waardoor de toegang tot het gebouw wordt gehinderd, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-53-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bespieden van personen Dit artikel is een aanvulling op artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Met deze bepaling in de APV wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk afluisteren is in verband met artikel 139a en verder en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-57-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Loslopende hondenArtikel 2:57 beperkt het loslopen van honden zonder dat de hond aangelijnd is. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: -de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht; -het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; -het voorkomen van hinder voor voetgangers; -het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.); -het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te achterhalen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken. De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige redenen is vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “gevonden dier”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-58-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verontreiniging door honden Straatverontreiniging kan gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Zo wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvovirus verspreid en kunnen bij mensen worm infecties worden overgebracht. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-59-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevaarlijke hondenDit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen Omdat een dergelijk besluit een sterk openbare orde-karakter heeft en daarbij vaak een snel handelen naar aanleiding van een incident vraagt, is besloten om deze bevoegdheid bij de burgemeester te beleggen (was voorheen het college).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-60-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen op de Flora en Faunawet, waarin regels worden gegeven ter bescherming van dieren Derde en vierde lidHet is niet eenvoudig aan te geven wanneer en waarom, als er eenmaal eisen en beperkingen zijn gesteld, daar met een ontheffing weer van zou worden afgeweken. Doorgaans zal vrij snel (en dan naar alle waarschijnlijkheid negatief) op een aanvraag om deze ontheffing kunnen worden beschikt. Toch is hier van het toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral omdat in gevallen waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen leeft over de in de buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane ontheffing en daardoor weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goede komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-62-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Loslopend vee Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57 Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-65-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bedelarij Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. Daarom is dit artikel in de APV opgenomen dat beoogt bedelarij tegen te gaan. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlast gevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod. Ook de verkoop van daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Dit kan immers niet verbonden worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederenArtikel 2:66 BegripsbepalingVoor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van dit artikel. Dit betreft het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, metalen, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-, radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie. In het tweede lid wordt bepaald dat onder metalen mede wordt verstaan: legeringen en metalloïden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-67-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Hoewel dit artikel in principe is opgesteld voor het inkoopregister is het voor de duidelijkheid en voor het overzicht gewenst voor het verkoopregister bij dit artikel aansluiting te zoeken. Het verkoopregister moet doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn In het eerste lid is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-68-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437 ter, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling beogen te voorkomen Bij de verplichting onder a, aanhef en onder 4, spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 13 VuurwerkArtikel 2:71 Begripsbepaling Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is ingedeeld in categorie F1, F2 of F3 en dat bij of krachtens dit besluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). In de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk is uitgewerkt welk vuurwerk ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-72-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagenOp basis van artikel 2:72 kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen, bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">KoopzondagIn de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag. Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidGezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien om hier een lex silencio positivo in te voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisselingIn het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73a-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Carbid Afgezien van de algemene zorgplicht van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, de regels omtrent aansprakelijkheid wegens onzorgvuldig handelen die uit het burgerlijk recht voortvloeien en de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht in verband met het toebrengen van schade of letsel, zijn er geen landelijke regels van toepassing op het carbidschieten Omdat carbid geen sas (een ontstekingsmiddel bestaande uit pyrotechnische stof) is en dus geen vuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit is, valt het afsteken daarvan niet onder het Vuurwerkbesluit. Hieruit volgt dat in gemeentelijke verordeningen regels kunnen worden gesteld met betrekking tot dit soort, veelal door plaatselijke gebruiken ingegeven festiviteiten. In onderhavig artikel wordt van deze regelgevende bevoegdheid gebruik gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 14 DrugsoverlastArtikel 2:74 Drugshandel op straatOm niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (“harddrugs”) en lijst II (“softdrugs”) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is onderhavig artikel in de APV opgenomen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsenArtikel 2:75 Bestuurlijke ophoudingArtikel 2:75 is gebaseerd op artikel 154a Van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:75 voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van “door hem [= de burgemeester] aangewezen groepen”. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...”. Verder kan de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen die de leden van de groep op dat moment verrichtten, de grootte van de groep of door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de groep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VeiligheidsrisicogebiedenOp grond van artikel 151b Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied -vervoermiddelen te onderzoeken; -een ieders kleding te onderzoeken; -te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: -feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan; -zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy); -subsidiariteit en proportionaliteit; -breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid en veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Cameratoezicht op openbare plaatsenEerste lidOp grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c, zevende lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 151c, vierde lid, van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c, eerste lid, van de Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doel gebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wet openbare manifestaties vallen. De wetgever heeft hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, straatprostitutie e.d.Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere wettelijke instrumenten Drank- en Horecawet: De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het regime van de Drank- en Horecawet ook van toepassing is op commerciële seksinrichtingen, indien er alcoholhoudende drank wordt geschonken. Noch de (zogenaamde) beslotenheid noch het feit dat de consumpties gratis geserveerd werden (de prijs was bij de entreeprijs inbegrepen) en dat er nog andere vormen van vermaak werden aangeboden, was voor de Hoge Raad reden om de Drank- en Horecawet niet van toepassing te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Planologische gebruiksvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een regulerend optreden door middel van het bestemmingsplan ten aanzien van bordelen is nu mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 1 Begripsbepalingen Artikel 3:1 Begripsbepalingen Deze omschrijving van het begrip \"prostitutie\" (onder a en b) is afgeleid het bepaalde in artikel 273f, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Het begrip seksinrichting (onder c) is het centrale begrip. Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Seksinrichtingen als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit om verdere discussie over de vraag of dit type inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Ook prostitutiehotels, die speciaal aan prostitué(e)s voor korte tijd kamers verhuren vallen onder deze definitie. Een café waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, valt niet onder de begripsbepaling. Zo'n optreden moet worden beschouwd als een evenement, waarvoor volgens artikel 2.24 en 2.25 vergunning van de burgemeester vereist is (aangezien de activiteit niet past binnen de normale bedrijfsvoering. Een escortbedrijf (onder d) is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen klanten en prostitué(e)s. De prostitué(e) bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, of zelf een website op Internet. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en een escortservice. Van het begrip bezoekers (onder g) zijn uitgesloten onder 6 personen wier aanwezigheid wegens dringende redenen noodzakelijk is. Hieronder wordt verstaan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd bestuursorgaanVan de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Om de uitvoering van het gemeentelijk prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, heeft het college zijn bevoegdheid gemandateerd aan de burgemeester (artikel 168, lid 1 Gemeentewet). Dit doet er niet aan af dat het goed moet worden bezien, of in een concreet te nemen besluit een besluit van de burgemeester zelf of van het college is. In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester te worden aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden In de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip \"ruimte\" opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare weg (tippelzone) is een bevoegdheid van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijkeArtikel 3.4 SeksinrichtingenUit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidIn lid 2 wordt een maximumstelsel geïntroduceerd. De peildatum is 1 januari 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidDit lid regelt een gedifferentieerd vergunningstelsel, zoals deze al gold in de Verordening op de seksinrichtingen. Het beleid t.a.v. de vestigingseisen blijft onverminderd van kracht inclusief het maximum aantal van 5 inrichtingen voor de Hof van Zwolle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidIn deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder omvattend zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de vergunningaanvraag zal zich beperken tot de toetsing van de antecedenten van de exploitant en beheerder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vreemdelingenwet geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen, voor zover die vergunningen en ontheffingen betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten. Het besluit schrijft dwingend voor dat voor de verlening van een vergunning en ontheffing die een beroeps- dan wel een bedrijfsmatig karakter heeft een verblijfsrechtelijke toets dient plaats te vinden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedragseisen exploitant en beheerderDe opheffing van het bordeelverbod is onder meer gericht op het decriminaliseren van de niet langer strafbare vormen van prostitutie. Daarom is het van belang dat bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s) In dit artikel wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet is vereist één antecedentenonderzoek kan worden verricht. Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding \"in enig opzicht slecht levensgedrag\" meer omvatten dan uitsluitend het gestelde in lid 2 tot en met 5.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">SluitingstijdenEerste lidDe hier opgenomen sluitingsurenregeling heeft geen betrekking op sekswinkels. Deze winkels vallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">onder het regime van de Winkeltijdenwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Een seksinrichting als bedoeld in artikel 3.1. kan vergunningplichtig zijn op grond van de Wet milieubeheer of vallen onder het Activiteitenbesluit. Indien dit het geval is kunnen op grond wet milieubeheer al voorschriften worden verbonden ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De sluitingsbepalingen van de APV gelden daarom niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluitingAan een tijdelijke afwijking van het sluitingsuur moeten een of meer van de in artikel 3.13, tweede lid,genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en dergelijke In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is naast de mogelijkheid van bestuursdwang ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet, een bestuursrechtelijke sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk bepaalde. Bij het gebruik van de sluitingsbevoegdheid bezit de burgemeester een ruime beoordelings- en beslissingsvrijheid. De rechter toetst slechts marginaal. In een sluitingsbevel gebaseerd op artikel 174 van de Gemeentewet dient altijd de termijn van de sluiting te zijn opgenomen. Indien gesloten wordt op basis van dit artikel in de APV kan de sluiting niet alleen van langere duur zijn dan wanneer gesloten wordt op basis van artikel 174 van de Gemeentewet, maar lijkt in analogie met uitspraken ten aanzien van de sluiting van coffeeshops, onder omstandigheden, ook sluiting voor onbepaalde tijd mogelijk. Daarvan kan met name sprake zijn als de vestiging van de seksinrichting zonder meer in strijd is met het lokale beleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerderOm effectiever te kunnen optreden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid een verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht. Dit artikel schept voor de exploitant en de beheerder(s) een algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling, gewelddelicten en dergelijke. Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden. Om bestuursrechtelijk te kunnen optreden is niet vereist dat daaraan strafrechtelijke vervolging en/of veroordeling is voorafgegaan: vaststaan moet slechts dat geen of onvoldoende toezicht is uitgeoefend Aan het toezicht op de meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostitué(e)s kan worden voldaan door inzage te verlangen in hun identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare feiten betreft, zal regelmatig toezicht moeten worden gehouden en zo nodig handelend worden opgetreden. Naarmate de exploitant aantoonbaar en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de leeftijd en nationaliteit van de prostitué(e)s, vergemakkelijkt hij niet alleen het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat voldoende toezicht is uitgeoefend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Raam- en straatprostitutieIn Zwolle is geen raamprostitutie, geen straatprostitutie en derhalve ook geen tippelzone. Door middel van deze bepaling is dat ook verboden. Vooralsnog dient op grond van de jurisprudentie te worden aangenomen dat een gemeente waar tot op heden in het geheel niet wordt getippeld, dit in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat moet kunnen worden voorkomen. Wij achten het ook niet gewenst raam of straatprostitutie toe te staan. Het huidige voorzieningenniveau is voldoende om aan de vraag te voldoen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- pornografische goederen,afbeeldingen en dergelijkeDit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een verbod, maar slechts voor zover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook betrekking hebben op erotischpornografische foto's of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de daarin plaatsvindende voorstellingen Afdeling 3 Beslistermijn; weigeringsgronden; nadere regelsArtikel 3.12 BeslistermijnDe voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Derhalve is in dit artikel de beslissingstermijn van artikel 1.2 verlengd tot 12 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WeigeringsgrondenEerste lid .Een weigeringsgrond is het bestemmingsplan (onder b). De bestaande seksinrichtingen in de binnenstad zijn in het voorontwerp bestemmingsplan beschermd stadsgezicht opgenomen. Deze weigeringsgrond onder c is een bijzondere invulling van de weigeringsgrond vrees voor ernstige verstoring van de openbare orde. Als er aanwijzingen zijn dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 273f Wetboek van Strafrecht is vergunningverlening uitgesloten Onderdanen van niet-EU-lidstaten dienen als zij in Nederland arbeid in loondienst willen verrichten te beschikken over een vergunning tot verblijf die het verrichten van arbeid in loondienst toestaat. Houders van een vergunning tot vestiging, houders van de vluchtelingenstatus, houders van een vergunning tot verblijf om humanitaire redenen en houders van een vergunning tot verblijf bij (huwelijks)partner hebben in principe zo'n vergunning. Zij hebben vrije toegang tot de arbeidsmarkt en mogen dus ook in een seksinrichting werkzaam zijn. De werkgever behoeft in die gevallen niet te voldoen aan de verplichting van de Wav (Wet arbeid vreemdelingen) om een tewerkstellingsvergunning voor de desbetreffende werknemer aan te vragen. Voor het tewerkstellen van het overgrote deel van vreemdelingen van buiten de EU is een tewerkstellingsvergunning wel vereist. Ook na de opheffing van het bordeelverbod dient ingevolge artikel 3 van het Besluit ter uitvoering van de Wav een tewerkstellingsvergunning geweigerd te worden voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verrichten van seksuele handelingen met of voor derden. De komende tijd zullen er geen vergunningen tot verblijf voor arbeid in loondienst in een seksinrichting worden afgegeven aan personen van buiten de EU.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bestaat er de mogelijkheid dat een prostitué(e) van buiten de EU zich als zelfstandig ondernemer in Nederland vestigt. Daartoe moet worden aangetoond dat aan alle voorwaarden voor zelfstandig ondernemerschap is voldaan. Die voorwaarden zijn bijvoorbeeld het inbrengen van specifieke geschoolde kennis en expertise, eigen kapitaal en een ondernemersplan. Wordt er aan de voorwaarden voldaan en is de openbare orde niet in het geding en wordt er met de aanwezigheid van de prostitué(e) een Nederlands belang gediend, dan kan er sprake zijn van een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige. Als in een bordeel illegale prostitué(e)s worden aangetroffen en vast komt te staan dat er geen sprake is van een arbeidsverhouding, dan is er dus niet in strijd gehandeld met de Wav, maar wel met de Vreemdelingenwet. Ook daarvoor kan de exploitant of beheerder verantwoordelijk worden gehouden. Dit kan aanleiding zijn om tot (tijdelijke) sluiting van de inrichting of tot intrekking van de vergunning over te gaan op grond van 3.7 eerste lid onder b. Ingevolge artikel 3.4. lid 2 stellen burgemeester en wethouders een lijst vast, waarop het maximum aantal toe te stane seksinrichtingen en escortbedrijven wordt aangegeven. De peildatum is 1 januari 2000. Overschrijding van dit aantal is een weigeringsgrond. Op grond van artikel 3.9 is raamprostitutie niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid onder a De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend binnen een bepaald gebied aan een maximum te binden. Dit is gebeurd voor het gebied Hof van Zwolle, waar maximaal 5 seksinrichtingen zijn toegestaan. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de woon- en leefomgeving ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf zou worden aangetast. onder c Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid is ontleend aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid is het maximumbeleid en het concentratiebeleid ter onderlinge versterking van elkaar. Het concentratiebeleid geldt voor de binnenstad en de belangrijkste wegen naar de binnenstad. Hierdoor wordt de exploitatie van seksinrichtingen tegengegaan op plaatsen waar de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig kan worden beïnvloed. onder f Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook dat van de gezondheid van personen. In casu zal de behartiging van dit belang primair gericht zijn op de (positie van) de prostitué(e) en met name uitmonden in beleid dat is gericht op het voorkomen en tegengaan van seksueel overdraagbare aandoeningen. Een van de hoofddoelstellingen van de opheffing van het algemeen bordeelverbod is het verbeteren van de positie van de prostitué(e), waaronder de gezondheidssituatie. Het gezondheidsbeleid zal vooral flankerend en slechts in beperkte mate dwingend zijn. onder g Door opheffing van het algemeen bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) van toepassing. Deze wet is van toepassing als er sprake is van een arbeidsverhouding. De gemeente kan in aanvulling op de Arbowet voorschriften stellen ter bescherming van de veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid. Deze voorschriften kunnen ook betrekking hebben op vormen van prostitutie waarbij er geen arbeidsverhouding is. De voorschriften kunnen betrekking hebben op de afmeting en inrichting van de werkruimte, de hygiëne, verwarmings- en luchtverversingsvoorzieningen, vlucht- en alarmvoorzieningen, hulp bij ongevallen, preventie van agressie en geweld, risico-inventarisatie en -evaluatie, de beschikbaarheid en het gebruik vancondooms, de mogelijkheid tot geneeskundig onderzoek van de prostitué(e), en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheerArtikel 3.14 Beëindiging exploitatieDit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft beëindigd en/ of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Het derde lid staat het de rechtsopvolger van de exploitant toe de exploitatie van de inrichting voort te zetten totdat is beslist over de door hem ingediende aanvraag om vergunning, mits hij die aanvraag heeft ingediend binnen een week na de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid. In afwachting van de beslissing over de aanvraag dient hij de inrichting te exploiteren in overeenstemming met de voorschriften die verbonden waren aan de vergunning van zijn voorganger. De regeling staat niet toe dat een inrichting wordt geëxploiteerd door elkaar voortdurend opvolgende personen zonder vergunning. Indien er sprake is van exploitatie door een rechtsopvolger van een rechtsopvolger, kan tot sluiting van de inrichting worden overgegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.15</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging beheerDit artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeenteAfdeling 1 Geluidhinder en verlichting Artikel 4:1 Begripsbepalingen BesluitHet Activiteitenbesluit milieubeheer, hierna aangeduid als het Besluit, biedt de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">InrichtingOp grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), welke artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu bevat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing collectieve festiviteiten Eerste lidDe bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. Dit artikel van het Besluit voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidVolgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend noch onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 3.148, tweede lid, onder a, van het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan meedoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde tot en met het negende lidHet Besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij sportbeoefening is deze mogelijkheid niet in het Besluit opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het achtste lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn. Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm geldt. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de geluidsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het achtste lid de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continubedrijven. Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode. Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het negende lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kennisgeving incidentele festiviteitenEerste lidDe bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 3.148 van het Besluit. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met live muziek bij een café, een jubileum of een personeels- of straatfeest. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. In Zwolle wordt gekozen voor een maximum aantal van 4 incidentele festiviteiten per kalenderjaar. Dit aantal heeft tot op heden altijd voldaan. Er is daarom geen aanleiding dit aantal te verhogen Tweede lidVolgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. In Zwolle is ervoor gekozen het maximum aantal van 12 te hanteren. Tot op heden is er geen aanleiding van dit aantal af te wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde tot en met het tiende lidHet Besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onder b van het Besluit. Zie verder de toelichting bij artikel 4:2, zesde t/m negende lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het negende en tiende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onversterkte muziek Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f, juncto vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. De geluidwaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2 een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid is opgenomen om geluidsoverlast van straatmuzikanten te voorkomen. Door te bepalen dat deze zich elke vijftien minuten minstens 200 meter moeten verplaatsen, wordt beoogd te voorkomen dat men gedurende lange tijd op dezelfde plek last heeft van de muziek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overige geluidhinder Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel er zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: -een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een heidefeest, een braderie of een rally; -het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; -het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; -het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; -het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; -het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen; -overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidHet tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk. Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien om hier een lex silencio positivo toe te passen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreinigingArtikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Dit artikel bevat het verbod op het zogenaamde “wildplassen”.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlastArtikel 4:15 Verbod handelsreclame op of aan onroerende zaakEerste en tweede lidBinnenstadVoor de binnenstad van Zwolle is het vergunningenstelsel in stand gehouden. Gedachte hierachter is dat de gemeente Zwolle de binnenstad, als beschermd stadsgezicht, vooraf wil kunnen blijven toetsen op handelsreclame.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebied buiten de binnenstadVoor het gebied buiten de binnenstad is de reclamevergunning voor onverlichte reclame geheel verdwenen en vervangen door een vergunningplicht voor verlichte handelsreclame die zichtbaar is vanaf de weg. In aanvulling op de weigeringsgronden uit 1.8 zijn voor lichtreclame specifieke weigeringgronden opgenomen om ook het directe effect voor de gebruiker van een pand en welstand mee te kunnen nemen in de belangenafweging. Dit is een aanvulling op het Activiteitenbesluit omdat dat besluit alleen toeziet op het voorkomen van lichthinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidOp de vergunningen van het eerste en tweede lid is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing (zie artikel 2.2 van de Wabo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidHet college is ingevolge het vierde lid bevoegd nadere regels te stellen. Het college heeft dan de mogelijkheid meer gedetailleerde regels op te stellen ten aanzien van de eisen die worden gesteld aan handelsreclame en bijvoorbeeld bepaalde vormen van handelsreclame uit te zonderen van de vergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeenteAfdeling 1 ParkeerexcessenArtikel 5:1 BegripsbepalingenDe definitie van “weg” in artikel 1:1 van deze verordening is ook op deze afdeling van toepassing. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder aOm te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen de definitie van “voertuigen” die in artikel 1 van het RVV 1990 wordt gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen. Verder wordt expliciet benoemd en daarmee buiten twijfel gesteld dat ook aanhangwagens onder het begrip “voertuigen” vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder bDe omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in artikel 1 van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van het doen of laten staan van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1 zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan” een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van voertuigen van een autobedrijf e.d. Eerste lidAangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het eerste lid daarom expliciet bepaald dat onder “verhuren” mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden Tweede en derde lidDeze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid, onder b, is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidHet verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lidGezien de mogelijke milieugevolgen is een lex silencio positivo hier niet wenselijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-4-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Defecte voertuigenVeelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kampeermiddelen e.a. Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van reclamevoertuigen Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In dit geval is ervoor gekozen een lex silencio positivo op te nemen. Deze situatie is veel zeldzamer dan die in het vorige artikel (kampeermiddelen e.a.). Ook vergt het toekennen of afwijzen van deze ontheffing geen langdurige of complexe afweging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van grote voertuigen en grote aanhangwagensEerste lidDeze bepaling beoogt om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werking van het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod is beperkt in tijd. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidDit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid zouden vallen, toch voor maximaal 3 dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-11-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in het tweede lid, onder a, bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen in gebruik bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld in het tweede lid, onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overlast van fiets of bromfiets In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het derde lid is het verboden (brom)fietswrakken op of aan de weg te laten staan. Zowel in de stallingsruimte als op de weg kunnen deze wrakken veel overlast, ontsiering van de gemeente of schade veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2 CollecterenArtikel 5:13 Inzameling van geld of goederenEerste lidVoor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor een commercieel doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidIn het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidIn het vierde lid is een uitzondering op de vergunningplicht opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. De uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake kunnen zijn van een besloten kring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lidGezien het ideële belang van collectes, die doorgaans voor een bepaald moment zijn gepland en waarbij voor dat moment vrijwilligers e.d. zijn aangezocht, is het van belang dat er tijdig op een aanvraag wordt beslist. Er is daarom voor gekozen een lex silencio positivo op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3 VentenArtikel 5:14 BegripsbepalingHet uitoefenen van de ambulante handel (het venten) moet onderscheiden worden van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen venten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VentverbodIn het kader van de deregulering is het slechts verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord of de openbare veiligheid of de volksgezondheid in gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de Europese dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de motieven van overlast (in de meeste gevallen) en verkeersveiligheid Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 4 StandplaatsenArtikel 5:17 BegripsbepalingArtikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen. Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHet tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze regels zijn in de marktverordening neergelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Standplaatsvergunning en weigeringsgrondenEen vergunning voor het hebben van een standplaats wordt noodzakelijk en evenredig geacht.De standplaatsvergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. Verder kunnen door middel van een vergunning de beschikbare standplaatsen worden verdeeld en is het mogelijk een maximumstelsel in te stellen WeigeringsgrondenBestemmingsplan: als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijke eisen van welstand: deze weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijk verzorgingsniveau: in het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentie-verhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toestemming rechthebbendeDit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat Afdeling 6 Openbaar waterArtikel 5:25 Ligplaatsen recreatievaartuigen In dit artikel wordt bepaald dat het innemen van een ligplaats met een “recreatievaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die door het college zijn aangewezen. Met de onder lid 3 genoemde “verhuurbedrijven van kleine vaartuigen” wordt gedoeld op de voorraad van deze verhuurbedrijven. Zodra de kleine vaartuigen daadwerkelijk verhuurd zijn en worden gebruik door de huurder, vallen ze onder de uitzondering van lid 4. Zo lang de vaartuigen nog ter verhuur worden aangeboden, mogen zij alleen op de aangewezen locaties liggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzingen geven en opvolgenHet kan wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt daarvoor de grondslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31a-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:31a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overlast kleine snelle vaartuigenHet verschijnsel \"snelle kleine vaartuigen\" heeft zich de laatst jaren snel ontwikkeld, evenals de hoeveelheid waterscooters. In verband met de snelheid waarmee de waterscooter zich over het water begeeft is deze ook ingedeeld onder de noemer snelle kleine vaartuigen. Het verbod in het tweede lid is opgenomen, omdat steeds meer hinder van deze vorm van recreatie wordt ondervonden</p></div>", "next": 239337}