{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Aanpassingen aan de wastafel bij rolstoelafhankelijkheid.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.6 Bereikbaarheid/toegankelijkheid woningMogelijke aanpassingen zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verbreden van toegangsdeuren en -paden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Aanbrengen van automatische deuropeners;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Aanbrengen van drempelhulpen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verwijderen van drempels;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Bereikbaar maken van tuin of balkon.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.7 VerlichtingAls er een (medische) noodzaak is voor niet algemeen gebruikelijke verlichting, kunnen de extra kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat dan alleen om de ruimtes die door de inwoner veelvuldig worden gebruikt, zoals de woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.8 AanbouwAls voor het bereiken van het resultaat noodzakelijk is dat een aanbouw geplaatst wordt, besluit het college vanwege financieel-economische argumenten alleen tot een aanbouw als tevoren vast staat dat de aanbouw hergebruikt kan worden, zoals bij huurwoningen van woningcorporaties. Bij eigen woningen zal de kans op hergebruik miniem zijn. Daarom kiezen wij bij eigen woningen als het maar enigszins kan voor het plaatsen van een herbruikbare losse woonunit en hebben wij aandacht voor de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een noodzakelijke uitbreiding van ruimten worden de volgende maximale aantallen vierkante meters aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort vertrek Aantal m2 aanbouw nieuw vertrek Aantal m2 uitbreiding bestaand vertrek Woonkamer 30 m2 6 m2 Keuken 10 m2 4 m2 Eenpersoons slaapkamer 10 m2 4 m2 Tweepersoons slaapkamer 18 m2 4m2 Toiletruimte 2 m2 1m2 Badkamer wastafelruimte 2 m2 1 m2 Badkamer doucheruimte 3 m2 2 m2 Entree/gang/hal 5 m2 2 m2 Berging 6 m2 4 m2 8.3.3.9 Tuin en terrasAls de aanleg van een verhard terras, direct aansluitend aan de woonruimte, of de aanpassing van een bestaand terras noodzakelijk is, dan geldt hiervoor een maximum totaaloppervlakte van 6 m2. Als de aanleg van een verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een woonruimte, of tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort noodzakelijk is, geldt een maximum oppervlakte van 20 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.10 Mogelijk te vergoeden kostenDe kosten voor woningaanpassingen die meewegen bij de vaststelling van de financiële tegemoetkoming en getoetst worden op goedkoopst compenserend, zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanneemsom; Als de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten als subsidiabel aangemerkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten; met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling Woning- en Utiliteitsbouw (RWU 1991). De offerte moet minimaal 3 maanden van kracht te zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het architectenhonorarium;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit mag maximaal tien procent bedragen van de aanneemsom. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld, worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpendere woningaanpassingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor het toezicht op de uitvoering; als dit noodzakelijk is, tot een maximum van twee procent van de aanneemsom;</p>\n<p class=\"lf-p\">De leges; voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;</p>\n<p class=\"lf-p\">Renteverlies; in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald. Dit alleen voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De prijs van bouwrijpe grond als niet binnen de oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden; de door de gemeente (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet waren te voorzien;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">De administratiekosten die de verhuurder maakt maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de gehandicapte: tien procent van die kosten (inclusief BTW) met een maximum van € 500,- inclusief BTW. Deze kosten kunnen worden gezien als onderhandelingsfactor waarmee de medewerking van de verhuurder eerder kan worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De offertes kunnen worden getoetst door het team Gebouwen van de gemeente. Als een omgevingsvergunning noodzakelijk is, dan moet vooraf een onderzoek worden ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.11 Hoger uitrustingsniveau dan sociale woningbouwIedereen woont naar zijn inkomen. Iemand met een hoog inkomen kan in een groter huis wonen dan iemand met een laag inkomen. Bij de toekenning van voorzieningen is het niet mogelijk hier rekening mee te houden. Bij de toekenning van voorzieningen wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. Het hiervoor geldende niveau is vastgelegd in het meest actuele “Bouwbesluit”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit. Duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Als iemand een zwembad in de kelder van zijn huis heeft laten aanleggen, dan krijgt hij hier geen hulp bij het huishouden voor. Heeft iemand aanpassingen in zijn garage nodig, dan zal hij dit in principe zelf moeten oplossen. Behalve wanneer de garage bijvoorbeeld dienst doet als stalling voor een scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.12 Maximale vergoeding woonwagensAls de technische levensduur van een woonwagen minder dan vijf jaar is, of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt, bedraagt de vergoeding voor bouwkundige en niet-bouwkundige woonvoorzieningen, uitraasruimten en verwijdering van in bruikleen verstrekte voorzieningen maximaal € 1.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.13 OpstalverzekeringDe gemeente gaat ervan uit dat de eigenaar van de woning bij het vergroten van de woning zelf zorgt voor de aanpassing van de opstalverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.14 Anti-speculatiebedingBij het verstrekken van woningaanpassingen en in het bijzonder dure woningaanpassingen in de vorm van een aanbouw, is soms sprake van een waardestijging van de woning. Voor dure woningaan-passingen is een anti-speculatiebeding van toepassing. Op grond van de verordening en het besluit wordt voor woonvoorzieningen een terugbetalingsverplichting gehanteerd. De terugbetaling bedraagt in het eerste jaar na definitieve toekenning van de woonvoorziening honderd procent en wordt vervolgens jaarlijks verminderd met een afschrijvingspercentage van tien procent van de kosten van de aanpassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meerwaarde van de woning is gelijk aan de kosten van de woningaanpassing die voor vergoeding in aanmerking komen. Bij een meerwaarde van minder dan € 7000,- wordt afgezien van een eventuele terugbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.3.15 Gereedmelding woningaanpassingEen woningaanpassing, niet zijnde het aanbrengen van een traplift, moet uiterlijk binnen drie maanden na het verlenen van de voorziening gereed zijn. Als niet aan deze termijn wordt voldaan, kan het college besluiten om de eerder verleende voorziening in te trekken. Als de voorziening gereed is, moet door de inwoner aan de gemeente een schriftelijke gereedmelding worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.4 Vervangen vloerbedekking in verband met longklachten 8.3.4.1 Financiële tegemoetkoming voor vervanging vloerbedekkingDe cliënten met allergie of astma kunnen in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor het vervangen van de vloerbedekking als dat noodzakelijk is. Dit is alleen mogelijk wanneer een arts een duidelijke diagnose heeft gesteld. Of een voorziening noodzakelijk is, wordt mede beoordeeld aan de hand van het levenspatroon, de gehele woninginrichting, de ventilatiemogelijkheden en het ventilatiegedrag. De gemeente kan hierover advies inwinnen, bijvoorbeeld door het inschakelen van een gespecialiseerde astma/COPD-verpleegkundige. De inwoner moet zich bij de aanschaf van nieuwe materialen voortaan wel aan het programma van eisen voor de wooninrichting houden. Van de inwoner wordt verwacht dat hij zelf ook maatregelen neemt om klachten te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de regel krijgt de inwoner een vergoeding als:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Hij of zij bij de aanschaf van de oude materialen niet had kunnen weten dat hij longklachten zou krijgen of dat deze erger zouden worden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen vergoeding verstrekt als:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De voorziening niet tot verbetering van de situatie van de inwoner leidt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De inwoner bij aanschaf van de oude materialen redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig is voor bepaalde stoffen.</div>\n<p class=\"lf-p\">In principe gaat het bij woningsanering om het vervangen van de vloerbedekking in de slaapkamer. De woonkamer kan ook worden gesaneerd, maar alleen als de betreffende inwoner jonger dan vier jaar is. Voor het vervangen van gordijnen of behang in de slaap- of woonkamer worden geen saneringskosten verstrekt. Het nut hiervan is volgens het Longfonds nauwelijks aantoonbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.4.2 AfschrijvingstermijnDe inwoner komt alleen in aanmerking voor een vergoeding voor het vervangen van de vloerbedekking als de te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het artikel ouder dan acht jaar is, dan krijgt de inwoner geen vergoeding. Binnen de acht jaar worden de volgende afschrijvingen gehanteerd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>0% als het te vervangen artikel nieuwer is dan twee jaar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>25% als het te vervangen artikel tussen de twee en vier jaar oud is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>50% als het te vervangen artikel tussen de vier en zes jaar oud is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>75% als het te vervangen artikel tussen de zes en acht jaar oud is.</div>\n<p class=\"lf-p\">De financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget voor zeil of linoleum is € 50,- per meter, uitgaande van een gemiddelde breedte van 4 meter en inclusief legkosten en egalisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.4.3 VerhuizingBij verhuizing komt de inwoner niet in aanmerking voor een vergoeding. Bij een verhuizing is het immers gebruikelijk dat iemand zijn woning opnieuw inricht en stoffeert. Hierbij kan de inwoner alvast rekening houden met zijn klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.5 De uitraasruimteEen uitraasruimte is een kamer zonder prikkels van buitenaf waar de inwoner tot rust kan komen zonder dat hij een gevaar is voor zichzelf. De uitraaskamer is niet bedoeld als mogelijkheid voor naasten, buren en verdere omgeving om geen hinder van de inwoner te ondervinden. Vandaar dat geluidsisolatie niet onder de noodzakelijke elementen van een uitraaskamer valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verstrekking van een uitraaskamer geldt een aantal voorwaarden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De inwoner valt onder de Wmo-doelgroep of is iemand die als gevolg van een ziekte of gebrek aantoonbare belemmeringen heeft in zijn woonsituatie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De inwoner heeft een gedragsstoornis, waardoor hij ongeremd gedrag vertoont. Het gaat hierbij over stoornissen die bij voorkeur objectief moeten worden beoordeeld door een psychiatrisch of psychologisch expert;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Om tot rust te komen moet de inwoner zich kunnen terugtrekken in een ruimte zonder prikkels van buitenaf waar hij zonder lichamelijk gevaar tot rust kan komen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Van de ouders of begeleiders van de inwoner kan worden verwacht dat zij continu toezicht houden op de cliënt. Dit betekent zeven dagen per week, 24 uur per dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In veel gevallen kan de slaapkamer van de inwoner voldoen als ruimte zonder prikkels van buitenaf en is geen speciale uitraaskamer nodig. Een inwoner kan soms zo gewelddadig zijn dat hij het risico loopt zichzelf wat aan te doen. Een uitraaskamer moet dan aan bepaalde veiligheidseisen voldoen. Te denken valt aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verankerd bed;</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheidsglas of tralies voor de ramen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Afsluitbare deuren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zachte wand en vloerbedekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten de verstrekkingen voor uitraaskamers vallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Meubels;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rustgevende muziek en muziekinstallaties;</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreek- en luisterverbindingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Videobewakingssystemen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingselementen zoals ballenbaden, knuffelmuren, lichtprojectors en mobielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitraasruimte moet het belang van de persoon met de psychische beperkingen dienen. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen om de belangen van anderen, bijvoorbeeld hinder, of het tot rust komen van de ouders of verzorgers, dan is er geen sprake van een uitraasruimte in de zin van de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.6 VerhuiskostenvergoedingIemand die vanwege zijn beperkingen niet meer in zijn eigen woning kan wonen en daarom moet verhuizen, kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming: de verhuiskostenvergoeding. Deze bedraagt maximaal € 3.000,- (prijspeil 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.6.1 Mogelijke situatiesTe denken valt vooral aan de volgende drie situaties: -De inwoner gaat naar een nieuwe geschikte woning, omdat hij in zijn oude woning niet meer op een normale manier kan functioneren;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De inwoner vraagt om een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt dat een verhuizing de goedkoopst-compenserende oplossing is voor zijn probleem.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het kan ook zijn dat de huidige woning van de inwoner zich niet leent voor een aanpassing. Ook dan is verhuizing de meest voor de hand liggende oplossing;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Iemand zonder beperkingen die in een aangepaste woning woont, maakt deze op verzoek van de gemeente vrij.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een verhuiskostenvergoeding dient als alternatief voor een woningaanpassing als dit de goedkoopst-compenserende oplossing is voor het woonprobleem van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.6.2 Activiteiten van het Dagelijks Leven-woningDe voorwaarde voor een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten omdat een verhuizing de goedkoopst-compenserende oplossing is, geldt niet als het om een ADL-woning gaat. ADL staat voor Activiteiten van het Dagelijks Leven. Het gaat hierbij om woningen die zijn aangepast voor mensen met een bepaalde handicap.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.6.3 Vrijmaken van een woningAls een woning wordt vrijgemaakt door iemand die buiten de Wmo-doelgroep valt, gaat de eis niet op dat het om de goedkoopst-compenserende oplossing gaat. In dit laatste geval heeft die persoon recht op een financiële tegemoetkoming wanneer hij de woning vrijmaakt op verzoek van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.6.4 AfwijzingsgrondenEr zijn vier mogelijke afwijzingsgronden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Algemeen gebruikelijk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Geen onverwacht optredende noodzaak;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verhuizing naar een zorginstelling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verhuizing heeft al plaatsgevonden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijk Een verhuiskostenvergoeding wordt alleen toegekend als de verhuizing voor de inwoner in kwestie, in zijn specifieke situatie, niet algemeen gebruikelijk is. Een verhuizing kan algemeen gebruikelijk zijn voor bijvoorbeeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Jongeren die op zichzelf gaan wonen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Jonge gezinnen die groter gaan wonen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Ouderen die naar een kleinere woning of seniorenwoning verhuizen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Bewoners van een Wlz-instelling die op een zeker moment zelfstandig gaan wonen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Geen onverwacht optredende noodzaak Mensen met een beperking dit al geruime tijd weten dat ze op enig moment zouden moeten verhuizen, komen ook niet in aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding. Als de inwoner weet dat hij bijvoorbeeld moeilijk trap loopt en hij dat binnen vijf jaar misschien helemaal niet meer zou kunnen, dan moet hij hiermee rekening houden. De inwoner moet op tijd op zoek naar een andere woning. Eén van de voorwaarden voor de verhuiskostenvergoeding, is namelijk de onverwacht optredende noodzaak. Hiervan is sprake zodra een situatie ontstaat die niet te voorzien was, waardoor iemand moet verhuizen. Hierbij moet het gaan om een medisch objectiveerbare aandoening waardoor de huidige woning niet meer adequaat is. Zie over het begrip “voorzienbaarheid” ook paragraaf 8.2.7 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhuizing naar een zorginstelling Als het gaat om een verhuizing naar een zorginstelling, wordt er over het algemeen geen financiële tegemoetkoming verstrekt. De ruimte die de betrokkene in de instelling zal betrekken, is immers over het algemeen al gestoffeerd en ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor verhuizing naar een woning die niet voor permanente bewoning is bedoeld, is geen financiële tegemoetkoming beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhuizing heeft al plaatsgevonden Wanneer de inwoner al is verhuisd en dan pas de aanvraag indient, komt hij niet meer in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting. Alleen als de gemeente achteraf nog kan vaststellen dat de inwoner in de oude woning belemmeringen ondervond in het gebruik ervan, behoort een toewijzing tot de mogelijkheden. Deze aanvraag moet wel binnen zes maanden en met vermelding van redenen worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.7 Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimtenBij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal het college ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen (zoals trapliften) op een voor een ieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt het college naar zaken als slijtage door weer en wind.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.8 Bezoekbaar maken woningAls de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of bij scheiding bij één ouder verblijft en de tweede ouder regelmatig bezoekt, kan voor de tweede woonruimte een voorziening worden getroffen om deze ruimte bezoekbaar te maken. Daarbij gaat het alleen om de volgende zaken:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het kunnen bereiken van de woning;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het kunnen bereiken en gebruiken van de woonkamer;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het kunnen bereiken en gebruiken van het toilet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij gaat het dus alleen om op bezoek gaan en niet over logeren, De hoogte van de financiële vergoeding om een woning bezoekbaar te maken bedraagt maximaal € 3.000,- (prijspeil 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpassingen kunnen bestaan uit:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het verbreden van toegangsdeuren en toegangspaden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het aanbrengen van drempelhulpen en vlonders;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het aanbrengen van sanitaire aanpassingen om toilet te kunnen gebruiken.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.3.9 Verwijderen van voorzieningen Voorzieningen worden zo min mogelijk verwijderd. In uitzonderingsgevallen is het echter mogelijk om het verwijderen van voorzieningen te vergoeden. Woonvoorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt, blijven eigendom van de gemeente. De kosten voor het verwijderen dan wel innemen, komen dan ook voor rekening van de gemeente. De verwijderingskosten van voorzieningen, die in eigendom zijn verstrekt aan de inwoner, komen voor rekening van de eigenaar, dus de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.10 HuurdervingDe gemeente heeft afspraken met de woningbouwcorporaties:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De Seyster Veste;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De Kombinatie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>RK Woningbouwvereniging; over het tijdelijk beschikbaar houden van aangepaste woningen.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.3.10.1 Huurderving in verband met het vrijhouden van aangepaste woningenWoningen die voor meer dan € 7.000,- zijn aangepast en waarvan de bewoner de woning verlaat, worden door de woningbouwcorporatie tot 6 maanden vrijgehouden voor een andere bewoner met beperkingen. De periode van zes maanden kan éénmalig met een periode van maximaal drie maanden verlengd worden als bekend is dat binnen deze drie maanden een persoon met beperkingen de woning zal betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente vergoedt de eerste maand van leegstand niet aan de woningbouwvereniging, omdat het bij reguliere verhuur ook regelmatig voorkomt dat een woning een dergelijke periode leeg staat. Voor de overige maanden waarin de woning op verzoek van de gemeente leegstaat, wordt de kale huur aan de woningbouwvereniging vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.10.2 Huurderving in verband met onderzoek gemeenteHet kan voorkomen dat een inwoner via de reguliere toewijzing van woningen in aanmerking komt voor een niet aangepaste, maar mogelijk wel geschikte of eenvoudig geschikt te maken woning. In een dergelijk geval moet de woning soms van te voren op geschiktheid worden getoetst door een Wmo-consulent. Dit om te voorkomen dat de betreffende inwoner verhuist naar een voor hem ongeschikte woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek van de gemeente kost tijd. De woningbouwvereniging moet de woning voor de betreffende kandidaat langer beschikbaar houden. Om de woningbouwvereniging hierin te compenseren, kan de gemeente maximaal een maand huurderving vergoeden. De gemeente vergoedt de kale huur over het aantal dagen tussen het moment dat de kandidaat in eerste instantie op zijn laatst had kunnen reageren op de woning en het moment dat de kandidaat de woning daadwerkelijk heeft geaccepteerd of geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Mantelzorg Ook bij mantelzorgers die helpen bij de verzorging van de inwoner, kan sprake zijn van problemen. Dit is dan het gevolg van de zorgtaak van de mantelzorger, waardoor hij of zij (te) zwaar belast wordt. In zo’n geval kan compensatie ook een optie zijn. Een tillift is een duidelijk voorbeeld van een hulpmiddel waar de mantelzorger ook veel baat bij heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4.1 MantelzorgwoningAls sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de inwoner die verzorgd wordt, had vóór het betrekken van de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen en zo nodig ook over een goede indeling van de woning, die past bij de bewoner en zijn of haar beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9 VERPLAATSEN IN EN OM DE WONING 9.1 Wat verstaan we hieronder?</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatsing in en om de woning kan voor mensen met een loopbeperking op verschillende manieren: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel of met een rolstoel. Van al deze voorzieningen valt alleen de rolstoel onder de Wmo. De andere genoemde voorzieningen worden niet meer vergoed (zoals rollator) of horen bij andere wettelijke regelingen en zijn daarom op grond van paragraaf 2.3 van de Wmo uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het verplaatsen in en om de woning gaat het dus om rolstoelen die iemand nodig heeft voor dagelijks zittend gebruik in en om de woning. Sportrolstoelen en rolstoelen voor incidenteel gebruik horen daar niet bij. Hiervoor verwijzen we naar hoofdstuk 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Afwegingskader 9.2.1 Niet anti-revaliderendEr wordt uiteraard geen rolstoel verstrekt als het gebruik van een rolstoel in strijd met een behandelplan van de aanvrager en nadelig is voor de revalidatie (oftewel: de voorziening mag niet anti revaliderend werken).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.2 Voorliggende voorzieningenInwoners met een blijvende zorgbehoefte (Wlz indicatie) krijgen een integraal pakket aan zorg. Integraal betekent dat alles wat iemand nodig heeft in het pakket zit. Dit pakket bestaat uit: verblijf, persoonlijke verzorging, verpleging, behandeling, het individueel gebruik van hulpmiddelen voor mobiliteit (zoals een rolstoel of een scootmobiel) en vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2015 is een overgangsjaar. Daarom zijn in 2015 gemeenten nog verantwoordelijk voor hulpmiddelen en woningaanpassingen voor mensen met een Wlz-indicatie vanuit de Wmo 2015. Vanaf 2016 zijn zorgkantoren verantwoordelijk voor hulpmiddelen en woningaanpassingen voor mensen met een Wlz-indicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.3 Goedkoopst-compenserendAls er meerdere soorten rolstoelen geschikt zijn voor de cliënt, dan wordt gekozen voor de goedkoopste variant. Hierbij moet echter ook rekening gehouden met de lange termijn. Een eenvoudige rolstoel kan nu misschien compenserend zijn. Maar het is misschien wel voordeliger om, met het oog op de toekomst, direct een rolstoel met wat meer mogelijkheden in te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.4 Tweede rolstoelAls één rolstoel niet volstaat voor de verplaatsingsbehoefte van de cliënt, dan kan eventueel een tweede (elektrische) rolstoel worden verstrekt. Dit gebeurt in de volgende gevallen: -Bij voornamelijk gebruik van elektrische rolstoelen kan een handbewogen of duwrolstoel worden verstrekt om mee te nemen in de auto en/of om bij anderen op bezoek te kunnen gaan. Hiervoor is een elektrische rolstoel vaak te groot;</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Als de woonsituatie geen gecombineerde elektrische binnen-/buitenrolstoel toelaat en met een combinatie van andere voorzieningen zoals een loophulpmiddel of een scootmobiel niet voldoende is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Als een tweede rolstoel wordt gebruikt op de bovenverdieping. Hierbij moeten alternatieven worden onderzocht zoals een rijdende douche-/toiletstoel. Ook hier wordt naar de goedkoopst compenserende oplossing gezocht.</div>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Wmo-voorzieningen 9.3.1 Programma van eisenAls er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal via een medisch en/of ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. In het programma van eisen kan informatie worden opgenomen over:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Maten van de cliënt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Benodigd zitkussen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Elektrisch of handbewogen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Wijze van bediening;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Opvouwbaar of niet.</div>\n<p class=\"lf-p\">9.3.2 Soorten rolstoelenRolstoelen worden onderscheiden in rolstoelen voor incidenteel, semipermanent en permanent gebruik. Ook is er verschil in actief en passief gebruik. Verder wordt onderscheid gemaakt tussen rolstoelen die uitsluitend voor binnen geschikt zijn en rolstoelen die zowel voor binnen als buiten kunnen worden gebruikt. Een voorziening die uitsluitend geschikt is voor vervoer buiten, kan niet als rolstoelvoorziening worden gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.2.1 Handbewogen rolstoelenBij handbewogen rolstoelen wordt onderscheid gemaakt tussen zelfbewegers (actief) en duwwandelwagens (passief). ). Zelfbewegers zijn handbewogen rolstoelen die door de gebruiker zelf door middel van hoepels (of soms hefbomen) kunnen worden voortbewogen. Duwwandelwagens worden voortgeduwd door een begeleider.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.2.2 Elektrische rolstoelenMensen voor wie een handbewogen rolstoel niet geschikt is en er geen transfermogelijkheden meer zijn, kunnen in aanmerking komen voor een elektrische rolstoel. Hiervan bestaan typen voor binnen, buiten of beiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een elektrische rolstoel voor binnen is bedoeld voor in en om de woning. De draaicirkel is kleiner, maar de accu’s ook, zodat er niet hele grote afstanden mee overbrugd kunnen worden. Een elektrische rolstoel voor buiten heeft grotere accu’s en fungeert ook als een vervoersmiddel voor kleine afstanden. Deze rolstoel wordt echter niet vaak verstrekt, omdat een scootmobiel meestal ook geschikt en goedkoper is. Een tussenoplossing voor binnen (kleinere draaicirkel) en buiten (grotere accu’s) is ook mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elektrische rolstoelen hebben standaard een joystick besturing. Naast deze vorm van besturing is vrijwel iedere denkbare vorm van besturing mogelijk. Het is mogelijk dat de gebruiker niet overweg kan met de elektrisch aangedreven rolstoel. In dat geval kan rolstoeltraining worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.3 Aanpassingen en accessoiresEr zijn diverse aanpassingen en accessoires voor op of aan rolstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.3.1 ZitorthesenZitorthesen zijn op maat gemaakte zitschalen voor in rolstoelen en duwwandelwagens. Ze kunnen worden toegepast voor mensen van wie de zitfunctie niet optimaal is, zoals bij spasticiteit. Zitorthesen worden door de gemeente op basis van de Wmo gefinancierd en verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaan ook zitvoorzieningen in de vorm van een nuage (soort zitzak) met daarin kleine piepschuimen balletjes. Deze voorziening kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor mensen met ernstige pijnklachten voor wie het belangrijk is dat er goede ondersteuning is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.3.2 Anti-decubituskussensAnti-decubituskussens worden regelmatig toegepast bij rolstoelen om doorzitten te voorkomen. Losse anti-decubituskussens, bijvoorbeeld voor op de bank of op een gewone stoel, kunnen via de Regeling Zorgverzekering worden vergoed als de gebruiker langdurig op het gebruik van dergelijke kussens is aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anti-decubituskussens die onderdeel (zullen gaan) uitmaken van de rolstoel, vallen echter niet onder de Regeling Zorgverzekering maar onder de Wmo. Als de toepassing van een anti-decubituskussen in een rolstoel nodig is om de rolstoel tot een adequate voorziening te maken, financiert de gemeente dit.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.3.3 AccessoiresTot accessoires worden bijvoorbeeld gerekend rolstoelhandschoenen, bandenpomp, regenpakken, spiegels, been- en voetenzak, schootskleed, winterbekleding, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen en spaakbeschermers. Alleen medisch noodzakelijke accessoires komen voor vergoeding in aanmerking. In alle andere gevallen is het aan de inwoner zelf om deze accessoires aan te schaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.4 Onderhoud en reparatieDe kosten van onderhoud en reparatie zijn bij de verstrekking van een rolstoel voor permanent en semipermanent gebruik inbegrepen. De gemeente sluit hiervoor een onderhoudscontract af bij de leverancier of verhoogt het pgb met een bedrag hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor rolstoelen voor incidenteel gebruik wordt geen onderhoudscontract afgesloten, omdat deze rolstoelen relatief weinig gebruikt worden en eenvoudig van constructie zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.5 Verzekering van de rolstoelDe gemeente verzekert gemotoriseerde rolstoelen en andere gemotoriseerde vervoermiddelen die in het kader van de Wmo worden verstrekt via een verzekeringscontract bij de leverancier. Het betreft een verzekering tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid. Niet gemotoriseerde rolstoelen en andere niet gemotoriseerde vervoermiddelen vallen onder de particuliere wettelijke aansprakelijkheidsverzekering van de bruiklener.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij rolstoelen die in de vorm van een pgb worden verstrekt, wordt het afsluiten van een verzekering aan de rolstoelgebruiker overgelaten. In het totale pgb is een bedrag opgenomen voor de kosten van een verzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.6 RolstoeltrainingHet goed kunnen omgaan met een (elektrische) rolstoel vereist een zekere vaardigheid die door middel van rolstoeltraining kan worden verkregen. De rolstoeltraining is in twee fasen te onderscheiden, namelijk basale en specifieke rolstoeltraining. Indien geïndiceerd kunnen deze trainingen worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Mantelzorg Het college houdt zo nodig rekening met de belangen van mantelzorgers. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is om de rolstoel te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening toegekend kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 VERVOER EN HET AANGAAN EN ONDERHOUDEN VAN SOCIALE CONTACTEN 10.1 Wat verstaan we hieronder?</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk gaat over:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vervoer, dus het zich verplaatsen per vervoermiddel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Sociale contacten, dus het hebben en onderhouden van contacten met medemensen en het deelnemen nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.</div>\n<p class=\"lf-p\">10.1.1 Verplaatsen per vervoermiddelHet lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Lokaal verplaatsen betekent verplaatsingen in een straal tot 20 kilometer rond de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.1.2 Sociale contacten aangaan en onderhoudenVoor het onderhouden van contacten met medemensen zijn naast vervoer per vervoermiddel ook andere zaken belangrijk:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Mogelijkheid om buiten te zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Mogelijkheid om te sporten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor kunnen bijvoorbeeld rolstoelen voor incidenteel gebruik en sporthulpmiddelen worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 Afwegingskader 10.2.1 Vervoer 10.2.1.1 Mogelijkheid om met het openbaar vervoer te reizenWat het vervoer betreft, moet in eerste instantie afgewogen worden of de persoon in kwestie nog met het openbaar vervoer kan reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redenen waarom iemand dat niet zou kunnen, kunnen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De loopafstand die de persoon met beperkingen kan overbruggen is minder dan achthonderd meter. Dit is de gemiddelde afstand die iemand moet afleggen tot een halte voor het openbaar vervoer;</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen kan niet langer dan tien minuten staan of wachten bij een bushalte;</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen kan de in/uitstap van het openbaar vervoer niet nemen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen is wegens bijvoorbeeld incontinentie niet in staat met het openbaar vervoer te reizen en incontinentiematerialen bieden onvoldoende uitkomst;</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen maakt langdurig (langer dan zes maanden) gebruik van een rollator of rolstoel;</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen vertoont sociaal storend gedrag zoals agressie, onrust of decorumverlies, dat door begeleiding niet te corrigeren is;</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen heeft aantoonbare fobische klachten die geen behandelingsoptie hebben;</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen heeft ernstige aangetoonde bronchiale hyperreactiviteit, waarbij de benauwdheidsklachten verergeren door luchtjes van andere passagiers en mogelijke aanwezigheid van honden;</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen heeft relatief frequent (één tot twee keer per week) een epileptische aanval bij optimaal ingestelde medicatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon met beperkingen kan visueel het voertuig niet onderscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze lijst is niet limitatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">OV-begeleiderskaart Personen met een beperking kunnen een OV-begeleiderskaart gebruiken om een begeleider gratis in het openbaar vervoer mee te nemen. De persoon die begeleid wordt, betaalt zelf wel voor zijn reis. De begeleider moet overigens wel daadwerkelijk alle begeleiderstaken op zich nemen. De begeleiders-kaart kan worden aangevraagd bij de Nederlandse Spoorwegen en is geldig voor alle vormen van het reguliere openbaar vervoer, inclusief de regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oefenen Voor personen met beperkingen, bijvoorbeeld visueel of verstandelijk, kan het mogelijk zijn om zelfstandiger te worden door te oefenen met het gebruik van het openbaar vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.1.2 Begeleiding bij het vervoerPrimair is de persoon in kwestie (of zijn vertegenwoordiger) zelf verantwoordelijk voor het vinden van oplossingen voor het begeleidingsvraagstuk bij vervoer. Bijvoorbeeld via het eigen netwerk of via vrijwilligers.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.1.3 Niet antirevaliderendEr wordt geen vervoersvoorziening verstrekt als het gebruik daarvan in strijd met een behandelplan van de aanvrager en nadelig voor de revalidatie is (oftewel: de voorziening mag niet antirevaliderend werken).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.1.4 Voorliggende en gebruikelijke voorzieningenVoor het oplossen van vervoersproblemen zijn er diverse voorliggende en gebruikelijke oplossingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het blijven gebruiken van de eigen auto Voor personen die zich altijd al verplaatsten met de eigen auto, wordt de situatie (wat vervoer betreft) niet anders als ze door beperkingen niet meer met het openbaar vervoer kunnen reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan, is er een compensatie mogelijk voor autokosten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Als vervoer met de auto de enige oplossing voor het vervoersprobleem is (openbaar vervoer, regiotaxi en taxi zijn ongeschikt);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Er veel meer autokosten worden gemaakt door de beperkingen dan voorheen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De inwoner de extra kosten (aangetoond) niet kan betalen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Taxivervoer of vervoer via familie en vrienden Voor vervoer kan misschien gebruik gemaakt worden van taxivervoer. Of er kan een vergoeding aan familie of vrienden betaald worden om te rijden. Dit is niet zozeer een afdingbare voorliggende voorziening, maar voor veel mensen is dit toch een prettig oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fiets met lage instap en/of hulpmotor Een fiets met een lage instap en/of een hulpmotor kan het fietsen voor mensen met een beperking gemakkelijker maken. Het opstappen wordt met een lage opstap beter mogelijk en door gebruik te maken van een hulpmotor, kan er verder gefietst worden. Een alternatief voor de fiets met hulpmotor is een brommer of scooter. Voor alle hier genoemde vervoersmiddelen heeft de gemeente als uitgangspunt dat deze in principe algemeen gebruikelijk zijn. Alleen als sprake is van een zeer laag inkomen (op of rond het bijstandsniveau), dan moet worden uitgezocht of deze middelen voor de persoon in kwestie bereikbaar zijn of dat er toch nog gecompenseerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tandem Een tandem kan personen met bijvoorbeeld een visuele handicap de gelegenheid geven om, met een begeleider, te fietsen. Tandems worden door de gemeente als algemeen gebruikelijke voorzieningen aangemerkt. Alleen als sprake is van een zeer laag inkomen (op of rond het bijstandsniveau), dan moet worden uitgezocht of een tandem voor de persoon in kwestie bereikbaar zijn en of dat er toch nog gecompenseerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.1.5 VerkeersveiligDe inwoner moet in staat zijn om het vervoermiddel waar hij eventueel voor in aanmerking komt, veilig te besturen. Hiervan wordt een inschatting gemaakt op basis van het verkeersverleden van inwoner (rijbewijs, fietservaring etc.) en zijn of haar beperkingen. Als het niet duidelijk is of de inwoner verkeersveilig is, dan kan de gemeente een aantal observatielessen laten plaatsvinden, onder leiding van een ergotherapeut.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.1.6 Goedkoopst-compenserendAls er meerdere adequate voorzieningen zijn waarmee inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien, dan wordt gekozen voor de goedkoopste. Het primaat hierbij ligt bij de collectieve vervoersvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk komt het echter ook vaak voor dat meerdere voorzieningen worden verstrekt om tot een adequate compensatie te komen. Bijvoorbeeld een pasje voor het collectief vervoer en een scootmobiel. De scootmobiel is dan voor de kortere afstanden die men normaal met de fiets aflegt. Het collectief vervoer is voor de langere stukken. Als of de scootmobiel of het collectief vervoer niet verstrekt zou worden, dan wordt er in een deel van de vervoersbehoefte van de inwoner niet voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.2 Naar buitenOok voor mensen met beperkingen moet het mogelijk zijn om naar buiten te kunnen voor bijvoorbeeld een ommetje of het bezoeken van mensen of activiteiten. Er zijn diverse (loop)hulpmiddelen om het buiten verplaatsen mogelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.2.1 Voorliggende en gebruikelijke voorzieningenLoophulpmiddelen zoals rollators, looprekken en stokken worden sinds 1 januari 2013 niet meer vergoed door de zorgverzekeraar. Over het algemeen zijn deze middelen echter gemakkelijk en goedkoop te verkrijgen via een thuiszorgwinkel of via internet. Ze vallen niet binnen de compensatieplicht van de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rolstoelen voor incidenteel gebruik kunnen voor kortere termijn (tot 6 maanden) geleend worden vanuit de zorgverzekeraar, via de thuiszorgwinkel. Daarna kan de inwoner ervoor kiezen om een eigen rolstoel voor incidenteel gebruik aan te schaffen of via de Wmo aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.3 SportOok personen met een beperking moeten de gelegenheid hebben om aan sport deel te nemen. Als iemand een rolstoel nodig heeft om te sporten, dan kan hij aanspraak maken op een sportrolstoel. Ook kunnen ander handicapgebonden sporthulpmiddelen verstrekt worden via de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanzelfsprekend is de inwoner vrij in zijn sportkeuze, ongeacht of hij daar een rolstoel of andere hulpmiddel bij nodig heeft. Wel is het zo dat veel sportverenigingen sportrolstoelen en/of andere hulpmiddelen uitlenen voor personen met een beperking die de sport wil beoefenen of wil uitproberen. Die mogelijkheid is voorliggend en voorkomt dat iemand een sporthulpmiddel aanvraagt en toegekend krijgt om dit vervolgens nauwelijks te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Wmo-maatwerkvoorzieningen Vervoer kan op meerdere manieren mogelijk gemaakt worden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Via collectief taxivervoer;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Via individueel taxivervoer;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Via een aangepast vervoermiddel (bijvoorbeeld aangepast fiets of scootmobiel).</div>\n<p class=\"lf-p\">10.3.1 Voorliggende voorzieningenOp dit moment bestaat er voor mensen met een mobiliteitsbeperking een veelheid aan regelingen met elk een eigen indicatietraject. Zo is er vervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo-vervoer), bovenregionaal vervoer gehandicapten (Valys), zittend ziekenvervoer, leerlingenvervoer en WIA-vervoer (arbeid).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.2 Beperkt tot lokaalDe plicht van het college tot compensatie van beperkingen op het gebied van vervoer is beperkt tot het zich lokaal verplaatsen. Dit betekent dat aan de aanwezigheid van voor de betrokkene belangrijke bovenregionale contacten op zichzelf geen, dan wel slechts in bijzondere situaties een beslissende betekenis toekomt. Van een dergelijke bijzondere situatie zal niet snel sprake zijn, gelet op de ruime regionale vervoersmogelijkheden. Het is dan niet aannemelijk dat men in een toestand van sociaal isolement of vervreemding zal raken.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.3 Rangorde van de voorzieningenBij het toekennen van voorzieningen is er een bepaalde rangorde tussen de verschillende voorzieningen. Aan de hand van toekenningscriteria wordt bepaald voor welke voorziening men in aanmerking komt. Voorzieningen kunnen als dat nodig is ook gecombineerd worden verstrekt. Rolstoelen vallen niet onder de vervoersvoorzieningen (die vallen onder ‘verplaatsen in en om de woning’), maar elektrische buitenwagens (boosters, scootmobielen) wel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het collectief vraagafhankelijk vervoer (regiotaxi) wordt als primaat (goedkoopst compenserende voorziening) beschouwd. Dat kan op gespannen voet staan met de bepaling dat de beperkingen van een inwoner het meest doelmatig moet worden gecompenseerd op het moment dat een inwoner een andere voorziening wenst. Uit de uitspraak van de CRvB is het volgende gedestilleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegang tegen gereduceerd tarief tot de regiotaxi dient een indivuele voorziening te zijn. Dat is in Zeist het geval omdat cliënten pas in aanmerking komen voor een vervoerspas na de beoordeling van de individuele situatie. Beoordeeld wordt of de betrokkene op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer zodat hij langdurig is aangewezen op een andere voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens dient uit het onderzoek te blijken dat het collectief vervoer de beperkingen die de betrokkene in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie ondervindt, voor zover dat betrekking heeft op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, compenseert. Indien dat het geval is komt betrokkene, in beginsel, niet in aanmerking voor een andere vervoersvoorziening dan collectief vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de onderzoeksbevindingen zal vervolgens vastgesteld moeten worden met welke individuele voorziening(en) betrokkene - ook over de zeer korte afstand - gecompenseerd is in de onderhavige beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.4 Taxivervoer 10.3.4.1 Collectief vervoer via RegiotaxiRegiotaxi is een collectief vervoerssysteem voor deur-tot-deurvervoer. Regiotaxi wordt gesubsidieerd door de overheid. Reizen met een regiotaxi lijkt op reizen met een gewone taxi of rolstoeltaxi, met een paar verschillen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Ritten van Regiotaxi kunnen gecombineerd worden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De regiotaxi's rijden van 6.00 uur tot 24.00 uur en op vrijdag en zaterdag tot 1.30 uur;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De inwoner moet een rit met een regiotaxi minimaal een uur van te voren reserveren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De regiotaxi mag in de periode van een kwartier voor tot een kwartier na de ingeplande vertrektijd vertrekken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor Wmo-cliënten kost de regiotaxi € 0,70 per zone, plus per rit een opstapzone van € 0,70 (prijspeil 2014). Dit tarief is ongeveer even hoog als dat voor het reguliere openbaar vervoer. Cliënten van de gemeente Zeist krijgen per jaar 600 zones toegekend. Hulpmiddelen, zoals rolstoelen, rollators en scootmobielen kunnen mee met de regiotaxi. Ook rolstoelvervoer is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regiotaxi Utrecht biedt de mogelijkheid voor “individueel vervoer”. Dit houdt in dat gemeenten een Wmo geïndiceerde pashouder een indicatie kunnen verstrekken voor “individueel vervoer” op medische indicatie of andere zwaarwegende redenen. De ritten van deze Wmo pashouders met een indicatie “individueel vervoer” mogen niet gecombineerd worden met andere ritten. Daarnaast geldt dat bij Wmo pashouders “individueel vervoer” ook nog specifiek kan worden gevraagd om vervoer met een “taxi” of “taxibus”. De extra kosten voor “individueel vervoer” komen voor rekening van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.4.2 Individueel taxivervoer (vervoerskostenvergoeding)Men komt uitsluitend in aanmerking voor een financiële vervoerskostenvergoeding, als door aantoonbare beperkingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk is en;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het gebruik van de collectieve vervoersvoorziening onmogelijk is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt rekening gehouden met de vervoersbehoefte in de directe woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van de berekening van de vervoerskostenvergoeding staat genoemd in het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.4.3 BegeleidingskostenDe compensatie in de vorm van begeleiding bij het vervoer van Wlz-bewoners, valt onder de Wlz. Voor niet-Wlz-bewoners moet er, voordat professionals worden ingezet voor de begeleiding, eerst ook worden afgewogen in hoeverre vrijwilligers de begeleiding kunnen verzorgen. Is dat niet het geval, dan kan een Wmo-voorziening worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.5 Vervoermiddelen 10.3.5.1 Scootmobiel Iemand die, in het kader van het leven van alledag, belemmeringen ondervindt in het bereiken van vervoersbestemmingen in de directe woonomgeving en voor middellange afstanden, kan in aanmerking komen voor een scootmobiel. Hierbij worden de volgende zaken in overweging genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager kan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zelfstandig op en van de scootmobiel stappen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Enkele meters zelfstandig, zonder loophulpmiddel lopen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De scootmobiel op een adequate wijze (technisch) bedienen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zelfstandig deelnemen aan het verkeer op de openbare weg op basis van voldoende verkeersinzichten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een inwoner een (elektrische) rolstoel heeft voor alleen binnengebruik, kan het gewenst zijn dat hij of zij ook beschikt over een elektrisch voertuig voor buiten, te gebruiken op korte afstand rond de woning. Voor deze verplaatsingen is het immers over het algemeen niet logisch of zelfs onmogelijk om een taxi te laten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de scootmobiel een mobiliteitsprobleem in de directe woonomgeving compenseert, wordt een scootmobiel niet verstrekt voor vervoersbestemmingen buiten dit vervoersgebied, bijvoorbeeld vakantiebestemmingen. Voorzieningen voor het meenemen van de scootmobiel in een taxibus (fixatie) worden daarom ook niet vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scootmobiellessen De mogelijkheid bestaat om lessen voor de scootmobiel toe te kennen. Er zijn twee soorten lessen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De observatielessen om te bekijken of een scootmobiel geschikt is voor de gebruiker. Deze lessen vinden plaats voordat de scootmobiel is toegekend;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De gewenningslessen om te leren omgaan en oefenen met de scootmobiel. Deze lessen vinden plaats nadat de scootmobiel is toegekend en voornamelijk in de eigen omgeving.</div>\n<p class=\"lf-p\">Er worden vier situaties onderscheiden, te weten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Scootmobiel is niet geschikt voor cliënt: Het kan zijn dat, op basis van het indicatieonderzoek of bij een eventuele passing, geconstateerd wordt dat een scootmobiel duidelijk niet geschikt is voor de betreffende cliënt, vanwege een gebrek aan rijvaardigheid en/of verkeersinzicht. Als lessen binnen korte termijn geen soelaas zullen bieden, dan wordt de aanvraag afgewezen. Geprobeerd wordt om de vervoersbeperkingen van de inwoner op een andere manier te compenseren. Het staat de inwoner vrij om in dat geval via de huisarts nog rijlessen vanuit de eerste lijn aan te vragen en later nogmaals een scootmobiel aan te vragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Twijfel over geschiktheid scootmobiel voor cliënt: Het kan ook zijn dat, op basis van het indicatieonderzoek of bij een eventuele passing, getwijfeld wordt aan de rijvaardigheid en/of het verkeersinzicht van de cliënt. Mogelijk kunnen lessen nog voor verbetering zorgen. In dat geval is er de mogelijkheid om observatielessen aan te bieden. Doel van de observatielessen is om duidelijk te krijgen of een scootmobiel een geschikte voorziening is. De observatielessen worden gegeven door een ergotherapeut. Het resultaat van de lessen (positief of negatief) wordt door de ergotherapeut aan de gemeente kenbaar gemaakt. De gemeente neemt daarna het besluit om een scootmobiel toe te kennen (eventueel met gewenningslessen) of af te wijzen. Er kunnen maximaal 3 observatielessen worden gegeven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Scootmobiel geschikt voor cliënt, gewenningslessen nodig: Als tijdens de passing blijkt dat een scootmobiel een passende voorziening is voor de cliënt, maar de inwoner nog extra oefening of les nodig heeft om de voorziening veilig en adequaat te besturen, is er de mogelijkheid om gewenningslessen aan te bieden. De leverancier geeft bij aflevering van het hulpmiddel al standaard een uitleg en een korte gewenningsles. Wanneer bij de indicatie of passing ingeschat wordt dat dit onvoldoende zal zijn, dan kan een aantal extra gewenningslessen worden geïndiceerd. Deze worden gegeven door een ergotherapeut. Het resultaat van de lessen wordt door de ergotherapeut aan de gemeente kenbaar gemaakt. Er worden maximaal 6 gewenningslessen gegeven. Als er nog meer lessen nodig zijn, is er nog de mogelijkheid voor de inwoner om extra lessen aan te vragen via een eerstelijns verwijzing via huisarts;</p>\n<p class=\"lf-p\">Scootmobiel geschikt voor cliënt Essentieel verschil met de observatielessen is dat bij de gewenningslessen al een scootmobiel wordt toegekend en de inwoner met die scootmobiel gaat oefenen. Bij observatielessen is er twijfel over toekenning en worden de lessen gebruikt om daar een advies over te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stalling scootmobiel Belangrijk is dat er een stallingmogelijkheid voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s. Als dit niet het geval is, komen ook de kosten voor de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt voor vergoeding in aanmerking. Als deze kosten erg hoog zijn, kunnen andere vervoersvoorzieningen worden overwogen. Als de stalling niet te realiseren is, kan aan de aanvrager eventueel een verhuisadvies worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat bij de toekenning van een scootmobiel, de stalling van de voorziening als onderdeel wordt meegenomen. De gemeente onderzoekt, indien van toepassing, in overleg met de woningeigenaar (bijvoorbeeld een woningbouwcorporatie) de stallingmogelijkheid. Vooropgesteld wordt dat het scootmobielverkeer in de woning of woongebouw veilig moet zijn. Hierdoor moet rekening worden gehouden met de brandveiligheid. Zie hiervoor www.scootmobielwegwijzer.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snelheid scootmobiel De scootmobiel is standaard afgesteld op twaalf kilometer per uur. Deze snelheid stelt de aanvrager nog net in de gelegenheid om met een fietser mee te rijden. Het is mogelijk dat wordt geadviseerd om de scootmobiel op een lagere maximumsnelheid in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.5.2 Fietsen Het meest gebruikelijke verplaatsingsmiddel is de fiets. De standaardfiets kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Om deze reden komt deze fiets nooit voor verstrekking in aanmerking. Dit geldt ook voor de bromfiets, de fiets met hulpmotor en de tandem (zie paragraaf 10.2.1.4). De redenering gaat niet op voor bijzondere fietsen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De driewielfiets. Het gemeentelijk beleid geeft mogelijkheden voor het verstrekken van een driewielfiets voor degenen die voor fietsvervoer daarop zijn aangewezen. Het gaat hierbij veelal om mensen met evenwichtsbeperkingen. Een driewieler voor kleine kinderen kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd en komt niet voor verstrekking in aanmerking. Alle driewielfietsen voor kinderen in bijzondere uitvoering, komen dat wel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De loopfiets. Een loopfiets stelt gehandicapten in staat om zich over grotere afstanden te verplaatsen. Het kan een geschikt hulpmiddel zijn voor gehandicapten die voor het dagelijks verplaatsen gebruik maken van krukken of een stok. Vooral mensen met versleten heup- en kniegewrichten komen in aanmerking voor een loopfiets. Een goede loopmotoriek en een goed evenwicht zijn noodzakelijk om van een loopfiets gebruik te kunnen maken. In het kader van de Wmo kan een loopfiets alleen worden verstrekt als verplaatsingsmiddel voor buiten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De side-by-sidefiets.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een side-by-sidefiets is een fiets waar twee mensen op kunnen, die naast elkaar zitten. Anders dan een tandem, is een side-by-sidefiets niet als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt worden. Een side-by-sidefiets kan worden ingezet als de inwoner door een begeleider vervoerd moet worden en tegelijkertijd in de gaten gehouden moet worden. Bij een reguliere tandem waar de inwoner achterop zit, gaat dat niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.5.3 Gesloten buitenwagen Een invalidenvoertuig wordt ook wel een gesloten buitenwagen genoemd. Het is een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een invalide. Het voertuig is niet breder dan één meter en is uitgerust met een elektrische motor of een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van maximaal vijftig cc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gesloten buitenwagen kan een adequate voorziening zijn als het collectieve vervoerssysteem, een scootmobiel of een tegemoetkoming in het gebruik van de eigen auto of taxi niet of onvoldoende adequaat zijn en er een medische indicatie voor een dergelijk voertuig bestaat.Hierbij kan worden gedacht aan ernstige beperkingen ten aanzien van wisselende weersomstandigheden. De gesloten buitenwagen is bedoeld voor de korte en de middellange afstanden. Het voertuig wordt in bruikleen verstrekt. De gemeente Zeist gaat zeer terughoudend om met het verstrekken van gesloten buitenwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.5.4 HandbikeEen handbike is een soort aankoppelfiets aan de rolstoel, waarmee iemand met behulp van armkracht de rolstoel kan voortbewegen. Een handbike kan gebruikt worden voor afstanden die normaal met de fiets afgelegd zouden worden.De handbike is alleen geschikt voor mensen die genoeg armkracht hebben om zich te kunnen voortbewegen. Over het algemeen zijn dat de jongere gehandicapten Bij het toekennen van de handbike wordt afgewogen of deze voorziening het goedkoopst compenserend is, ook in relatie tot de vervoerskostenvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.5.5 AutoaanpassingenIemand komt alleen voor een autoaanpassing in aanmerking als blijkt dat hij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer en verstrekking van een andere vervoersvoorziening niet in voldoende mate een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner levert. Het aanpassen van een auto vindt dus alleen plaats als dit de goedkoopst compenserende oplossing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de persoon in kwestie, gezien de aard van zijn beperking, niet van een taxi gebruik kan maken en zich om medische redenen wel in een eigen auto kan verplaatsen, dan is het verstrekken van vergoedingen voor aanpassingen aan de auto de enige oplossing. Aanpassingen aan de auto kunnen voor bestuurders of passagiers worden aangevraagd. Voor het aanbrengen van aanpassingen aan de auto voor passagiers gelden dezelfde richtlijnen als voor bestuurders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aanpassingen aan de auto gelden de volgende regels:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Voor de bestuurder moet er een noodzaak zijn voor de aanpassingen met betrekking tot de rijvaardigheid, blijkend uit de aantekening op het rijbewijs;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De belanghebbende moet beschikken over een, in het licht van de aanpassing, geschikte auto;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De aanpassingen mogen niet algemeen gebruikelijk zijn, zoals airco, automatische transmissie, elektrische ramen, stuur- en rembekrachtiging, et cetera;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Aanpassingen die voor vergoeding in aanmerking komen, moeten medisch- en ergonomisch noodzakelijk zijn zoals aanpassing:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Aan de besturing;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Aan de stoel van de chauffeur/passagier;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Voor het meenemen van een rolstoel (niet voor scootmobielen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Voor het vervoer van een rolstoelgebruiker;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Voor een zitvoorziening bij kinderen met beperkingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">10.3.5.6 BruikleenautoBinnen het gemeentelijk verstrekkingenbeleid is de auto in bruikleen het sluitstuk van de vervoers-voorzieningen. In alle gevallen is het verstrekken van een auto in bruikleen de duurste oplossing en deze optie komt dus alleen aan de orde als er geen andere vervoersvoorziening is die een oplossing biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt van de bruikleenauto is dat hiermee alle vervoersbehoeften worden gecompenseerd. De aanvrager kan geen gebruik maken van het openbaar vervoer. Ook andere goedkopere voorzieningen of een combinatie hiervan zijn niet adequaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.6 Rolstoelen voor incidenteel gebruikDe algemene rolstoelvoorziening biedt de inwoner de ruimte om een rolstoel voor één of meer dagen te lenen, zodat hij zijn activiteiten kan doen. Het is een verstrekking die van pas komt voor de inwoner die niet dagelijks gebruik maakt van een rolstoel, maar voor wie het zo af en toe een uitkomst is. Bijvoorbeeld als deze persoon een dagje wil gaan winkelen. De rolstoel moet dan wel in te klappen zijn, zodat de inwoner de rolstoel achter in de auto kwijt kan De gemeente kan er in de (nabije) toekomst tevens voor kiezen om op specifieke plekken in de stad dit soort rolstoelen te stallen. Dit kan zijn bij winkelcentra, stadscentra, stations, enzovoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan bewoners van een Wlz-instelling of verzorgingshuis wordt in principe geen rolstoel voor incidenteel gebruik verstrekt. Er mag van uit worden gegaan dat gebruik kan worden gemaakt van de rolstoelen die in het verzorgingshuis aanwezig zijn voor algemeen gebruik. Alleen als een speciale uitvoering van de rolstoel nodig is, kan er op deze regel een uitzondering worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.7 Sportrolstoel en aangepaste sportvoorzieningenSportrolstoelen en aangepaste sportvoorzieningen worden niet in natura verstrekt. De gemeente biedt in voorkomende gevallen een pgb aan voor de aanschaf. De inwoner krijgt dit pgb alleen wanneer hij kan aantonen dat hij of zij:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De sport beoefent waarvoor de voorziening is aangevraagd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Actief lid is van een sportvereniging;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zonder de sportrolstoel of de aangepaste sportvoorziening niet kan sporten door zijn of haar beperkingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij de afweging of iemand ook andere sporten zou kunnen beoefenen, worden de specifieke persoonskenmerken van de aanvrager meegewogen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is er een bestaand sociaal netwerk binnen de sport die de aanvrager wil beoefenen?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Maakt het uitoefenen van de sport een belangrijk deel uit van het leven van de aanvrager?</div>\n<p class=\"lf-p\">10.3.7.1 Hoogte pgbHet persoonsgebonden budget voor een sportrolstoel of -voorziening bedraagt maximaal € 2.750,- (prijspeil 2015). Dit bedrag is bedoeld voor de aanschaf, het onderhoud, de benodigde aanpassingen en andere kosten die samenhangen met het gebruik van de sportrolstoel of -voorziening. Voor een sportrolstoel of -voorziening wordt een afschrijvingstermijn van drie jaar aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij uitzondering kan de inwoner een beroep doen op de hardheidsclausule om een hoger bedrag voor de voorziening te krijgen. Hier kan behoefte aan bestaan als de inwoner voor zijn sport niet zonder elektrische rolstoel kan. De inwoner komt hiervoor in aanmerking als zijn inkomen niet hoog genoeg is om in combinatie met het pgb bijvoorbeeld de een elektrische sportrolstoel aan te schaffen. De beoordeling hiervan verlangt een uitgebreide individuele aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.7.2 Topsport in de WmoDe Wmo kent geen regeling voor topsporters. Aangepaste sporthulpmiddelen maken het sporten al snel duurder. Topsporters zoeken meestal sponsors om hun duurdere voorzieningen en overige kosten te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.8 Het bezoeken van “thuis” voor mensen uit een Wlz-instellingHet college heeft een compensatieplicht voor vervoer buiten de regio als de inwoner dreigt te vereenzamen en het vervoer binnen de regio en via Valys onvoldoende oplossingen biedt. Het gaat hierbij over het algemeen om cliënten die in een Wlz-instelling wonen en van wie bijvoorbeeld de ouders verder weg wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De compensatieplicht behelst maximaal het drie keer per twee maanden mogelijk maken van een bezoek aan “thuis”. Hierbij wordt bij de kostenberekening rekening gehouden met de goedkoopste wijze van vervoer. Dit kan bijvoorbeeld Valys zijn in combinatie met openbaar vervoer, waarbij een medewerker van de Nederlandse Spoorwegen assistentie verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 Mantelzorg Bij het verstrekken van hulpmiddelen voor bijvoorbeeld vervoer, wordt eventueel rekening gehouden met de behoeften van de mantelzorger(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">11 OVERIGE WMO-VOORZIENINGEN Een deel van de per 1 januari 2015 naar de Wmo overgehevelde taken wordt landelijk of regionaal georganiseerd. Hieronder vallen de volgende individuele voorzieningen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Beschermd wonen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Specialistisch begeleiding zintuigelijk gehandicapten (zie hoofdstuk 5 van deze beleidsregels);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Doventolk;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Maatschappelijke opvang.</div>\n<p class=\"lf-p\">11.1 Beschermd wonen 11.1.1 Wat is beschermd wonen?Een beschermde woonvorm biedt mensen met langdurige psychiatrische of verslavingsproblemen een combinatie van begeleiding en wonen. Personen die vanwege psychische problematiek er niet in slagen zelfstandig te wonen zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag toezicht en ondersteuning komen in aanmerking voor beschermd wonen. De bewoners krijgen ondersteuning om de draad van het gewone leven weer op te maken. Sommige gaan naar hun werk en proberen weer een plekje in de maatschappij te verwerven. Het verblijf in de beschermde woonvorm kan een opstap zijn naar (begeleid) zelfstandig wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De SBWU, die beschermd wonen biedt in de stad Utrecht, is een omslag aan het maken naar zoveel mogelijk wonen in (geclusterde) eenpersoonseenheden. Op deze manier kan de inwoner zoveel mogelijk zijn eigen huishouden voeren maar zo nodig gebruik kan maken van de voordelen van geclusterd wonen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De Tussenvoorziening heeft Housing First voor zware (multi)problematische daklozen ontwikkeld. Het direct zelfstandig huisvesten is voor een deel van de daklozen zeer geschikt omdat zij niet goed passen in een groepsvoorziening. Deze vorm van werken is goedkoper dan het reguliere beschermd wonen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Stumass focust op de specifieke ondersteuningsvraag van studenten met ASS. Dit biedt de mogelijkheid om de dienstverlening volledig hier op te richten en medewerkers te specialiseren op de specifieke ondersteuningsbehoefte van deze groep jongeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Stichting de Grasboom heeft kleinschalige woonprojecten voor jongvolwassenen met een normale tot hoogbegaafde intelligentie en een autistische stoornis. Deze projecten zijn door de ouders opgezet en worden door hen beheerd waardoor de overhead minimaal is. De zorg wordt uitgevoerd door Kwintes en Reinaerde, betaald vanuit het PGB;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwintes heeft een verhuurorganisatie opgezet om ervaringen op te doen met het gescheiden aanbod van wonen en zorg. Daarnaast heeft Kwintes fasegericht wonen ontwikkeld, waarbij cliënten stap voor stap zelfstandig worden. Een andere relevante ontwikkeling is de verdubbeling van de inzet van vrijwilligers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Umah-hai is een cliënteninitiatief voor voornamelijk mensen met een verleden in de psychiatrie en verslavingszorg. De organisatie biedt woon/werkgemeenschap met de inzet van professionele ervaringsdeskundigen onder het motto “Samen zorgen voor elkaar”;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Leger des Heils heeft beschermd wonen geïntegreerd in het aanbod maatschappelijk opvang. Sinds kort is er een hostel plus waar, in samenwerking met Abrona, cliënten met een verstandelijke beperking in combinatie met verslaving en psychische problematiek worden begeleid. De aanpak is sterk gericht op doorstroom naar zelfstandigheid door middel van dagactiviteiten &amp; werk en sport &amp; vrije tijd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Plushome biedt zelfstandig wonen en begeleiding aan zorgmijders met dubbel en triple diagnostiek die vanwege hun problematiek niet in een intramurale setting passen of daar niet willen wonen. Er vindt multidisciplinaire afstemming plaats tussen alle ketenpartners;</p>\n<p class=\"lf-p\">De Heem biedt een beschermde woonomgeving aan cliënten met zowel GGZ als VG. Deze groep komt veel voor in de maatschappelijke opvang en is niet goed plaatsbaar in de reguliere woonvormen. De natuurlijke beslotenheid van de boerderij biedt ruimte om op eigen terrein wonen, dagbesteding/werken en recreëren plaats te laten vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wmo 2015 is beschermd wonen altijd een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.2 Centrumgemeente verantwoordelijkVanaf 2015 worden de centrumgemeenten verantwoordelijk voor beschermd wonen, inclusief de besteding van het budget. Utrecht is centrumgemeente voor alle gemeenten in de Wmo-regio's Utrecht-west, Lekstroom, Utrecht-zuidoost en Utrecht-stad. In totaal maken 16 gemeenten onderdeel van dit centrum.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.3 ToegangDe toegang tot beschermd wonen start onder andere bij de gemeente via het Sociaal Team. Als tijdens het gesprek met het Sociaal Team wordt geconcludeerd dat de inwoner beschermd wonen nodig heeft, dan wordt de aanvraag voor het beschermd wonen niet bij de gemeente Zeist, maar bij de centrumgemeente Utrecht gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere mogelijke toegangspoorten tot beschermd wonen zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De forensische zorg;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De behandelaars uit de GGZ;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De crisisopvang;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het CJG (voor jeugd en jongeren) Het Sociaal Team dient samen met inwoner een voorstel in, voorzien van een advies over de beoogde maatwerkvoorziening. Vanuit de Centrale Toegang vindt toetsing en plaatsing plaats. Aan de centrale toegang is een “veldtafel” gekoppeld waar complexe casussen geagendeerd kunnen worden en overleg kan plaatsvinden over de juiste plaatsing. Deelnemers aan deze veldtafel zijn: toeleiders, aanbieders en de gemeente Utrecht (als centrumgemeente en voorzitter van de veldtafel). Het uiteindelijke besluit (toewijzing dan wel afwijzing) wordt genomen door de gemeente Utrecht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd wonen is landelijk toegankelijk. Dat betekent dat burgers zich in principe tot iedere gemeente kunnen wenden voor opvang en beschermd wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.4 Beschermd wonen thuisHet is voor cliënten ook mogelijk om het beschermd wonen thuis in te vullen. Dat gaat via een pgb of via een Volledig Pakket Thuis (VPT). De zorg thuis word anders dan de zorg n natura geïndiceerd door de Wmo-specialisten van de gemeente Zeist. Bij de indicatie zal sterk geleund worden op de advisering van de Expertpoule (zie hoofdstuk 12).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Doventolk in de leefsituatie 11.2.1 Wat is de doventolk in de leefsituatie?De regeling Doventolk in de leefsituatie (dus niet voor werk of school) is onderdeel geworden van de Wmo. Dit was een AWBZ regeling. De VNG gaat de voorziening doventolk in de leefsituatie landelijk inkopen voor alle gemeenten. De doventolk in de leefsituatie is een voorziening waarbij doven en zeer slechthorenden een aantal uren per jaar hulp van een doventolk kunnen krijgen, bijvoorbeeld voor gesprekken met instanties en huisartsbezoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit de Landelijke politiek en cliëntorganisaties is er op aangedrongen om de doventolkvoorziening per 2015 als landelijke voorziening/inkoop overeind te houden. Ook de VNG vindt het, mede gezien de kleine doelgroep, beter om de doventolkvoorziening voorlopig landelijk te organiseren en uit te voeren. Dit is doelmatiger en kwaliteit blijft beter geborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels is de opdracht voor de voorziening doventolk leefdomein gegund aan Menzis. Tolknet is de partij die de bemiddeling uitvoert tussen tolk en tolkbehoevende. Bij de afspraken over de doventolk leefdomein, die vanuit de AWBZ overkomt, wordt ook de financiering en uitvoering van de doventolk vanuit de Participatiewet betrokken zodat één en ander efficiënt en doelmatig kan worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2.2 Een aanvraag doenDe aanvraag voor een doventolk kan worden ingediend bij Menzis. Zij beoordelen de aanvraag en melden de inwoner aan bij Tolknet. Overigens is het zo dat een indicatie voor hulp bij Tolknet levenslang geldig is. Herindicatie is dus niet nodig. Er zullen daarom jaarlijks zeer weinig inwoners komen met een verzoek om in aanmerking te komen voor een doventolk.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Maatschappelijke opvang Maatschappelijke zorg kan worden gezien als ketenzorg. Hierbij is preventie en nazorg een verantwoordelijkheid van de regiogemeente, terwijl de centrumgemeente de centrale opvang regelt. Het gaat hierbij om:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dak- en thuislozenopvang;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Blijf van mijn lijf huizen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verslaafdenzorg;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Opvang tienermoeders.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande voorzieningen zijn crisisvoorzieningen. Belangrijk is de uiteindelijke re-integratie van de cliënt in de gemeente van herkomst. Hierbij is de medewerking van wooncorporaties voor het verstrekken van woonruimte essentieel.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 DE EXPERTPOULE De Sociale Teams kunnen een expertpoule inschakelen om op diverse terreinen advies te geven. De leden van de expertpoule adviseren bij vraagverheldering en het maken van gezinsplannen. De expertises die zijn vertegenwoordigd in deze expertpoule zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>GZ-psycholoog;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Orthopedagoog.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kunnen er naar behoefte nog andere experts worden toegevoegd. De expertpoule faciliteert ook het CJG voor wat betreft jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van een Wmo-aanvraag, dan is het altijd de gemeente die uiteindelijk beslist. Uiteraard worden de ingewonnen adviezen daarbij zeer zorgvuldig meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.1 Medische advisering Als de medische beperkingen van een inwoner niet duidelijk zijn, dan wordt een advies opgevraagd bij een onafhankelijke arts.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.1.1 ICF Voor een medisch advies wordt gebruikgemaakt van de International Classification of Functioning, Disabilities and Health, de zogenaamde ICF. Dit is een classificatie van het menselijk functioneren. De ICF is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de domeinen die met de gezondheid samenhangen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken en vervolgens zijn ze in een logische ordening geplaatst. Van deze zeer uitgebreide ICF zijn vooral de lijsten met ‘functies’ en ‘activiteiten en participatie’ van belang. In de bijlagen 3 en 4 zijn deze lijsten opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviseur geeft aan om welke stoornissen het bij de inwoner gaat. Het gaat daarbij vooral om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau en dan vooral van de op dit niveau aangegeven functies. De adviseur geeft vervolgens aan tot welke beperkingen bij activiteiten en participatie de functiestoornissen leiden. Op dit niveau vindt eventuele compensatie op basis van de Wmo plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samengevat betekent dit dat de adviseur de stoornis en de daarbij horende beperkingen in het advies moet noemen. Dit geldt ook voor de mate van die beperkingen en de relatie tot de mogelijke oplossingen en eventueel te verstrekken voorzieningen. De terminologie van de ICF moet hierbij worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.1.2 OnderzoekMedische gegevens van de behandelaars mogen alleen met toestemming van de inwoner (of diens wettelijk vertegenwoordiger) worden opgevraagd. In het verzoek om deze informatie moet staan welke adviserende arts de gegevens nodig heeft, bij wie de gegevens worden opgevraagd, om welke informatie het precies gaat en welk doel de informatie dient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente, door het gebrek aan medewerking van de inwoner geen beoordeling van de aanvraag heeft kunnen doen, dan volgt buiten behandelingstelling. Wel moet helder zijn dat de gegevens die de inwoner niet verstrekt, of het onderzoek waar de inwoner niet aan meewerkt, absoluut van belang waren/was om de aanvraag te kunnen beoordelen. De gemeente moet dus altijd kijken of er alternatieven zijn om de gewenste informatie te verkrijgen. Daarbij geldt tevens een inspanningsverplichting voor de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de inwoner bepaalde zaken aangeeft maar vervolgens weigert om deze toe te lichten c.q. te bewijzen tijdens het medisch onderzoek, dan kan de gemeente niet anders dan deze aspecten buiten beschouwing laten. Mogelijk lijdt dit tot een afwijzing van het gevraagde.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 WIJZE VAN VERSTREKKEN 13.1 Inleiding Er zijn vier vormen waarin de gemeente kan compenseren:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In natura;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Als persoonsgebonden budget (pgb);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Als financiële tegemoetkoming;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Als mogelijkheid tot deelname aan een collectieve voorziening.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijke van het soort compensatie zijn één of meerdere van de hierboven genoemde vormen mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Compensatie Natura Pgb Financiele tegemoetkoming Collectieve voorziening Huishoudelijke hulp X X Begeleiding X X Kortdurend verblijf X X Bouwkundige woningaanpassingen X Trapliften X X Niet-bouwkundige voorzieningen X X Verhuizing X Rolstoelen (excl. sportrolstoelen) X X Sportrolstoel X Taxivervoer X X Vervoersmiddelen X X Beschermd wonen X X Doventolk X 13.2 Keuzemogelijkheid Cliënten kunnen voor sommige voorzieningen kiezen hoe zij deze wensen te ontvangen, in natura of als pgb. Om een zo goed mogelijke keuze te kunnen maken, wordt de inwoner geïnformeerd over de voor- en nadelen van de keuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot aan het moment van beschikken heeft de inwoner de mogelijkheid om zijn keuze bij te stellen. Bij de parlementaire behandeling van de Wmo 2007 is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn op deze keuzebepaling. Op individuele basis kan worden afgewogen of voor iemand met bijvoorbeeld regieproblemen, een pgb wel of niet geschikt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de inwoner liever een duurdere uitvoering van de voorziening wil dan de gemeente op basis van “goedkoopst compenserend” zal verstrekken, dan kan dat via het pgb. De inwoner krijgt het pgb op basis van de goedkoopst compenserende voorziening en betaalt de rest zelf bij. De risico’s die deze keuze met zich mee brengt, zijn voor de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3 In natura “In natura” betekent dat de gemeente een materiële voorziening of een dienst aan de inwoner levert. Als het een materiele voorziening betreft, dan wordt deze in bruikleen verstrekt. De gemeente blijft eigenaar. In bijzondere situaties (maatwerk) kan voorziening in eigendom worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3.1 Algemene voorzieningEr bestaat de mogelijkheid om een algemene voorziening (te gebruiken door een groep personen) te verstrekken met als doel om de procedure te versnellen en te vereenvoudigen. Tot aan het moment van beschikken heeft de inwoner de mogelijkheid om zijn keuze bij te stellen. Bij de parlementaire behandeling van de Wmo 2007 is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk zijn op deze keuzebepaling. Op individuele basis kan worden afgewogen of voor iemand met bijvoorbeeld regieproblemen, een pgb wel of niet geschikt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om voorzieningen die bijvoorbeeld:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Betrekking hebben op lichte, niet complexe zorg;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Betrekking hebben op een incidentele zorgbehoefte.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden hiervan zijn de inzet van rolstoelpools en gemeenschappelijke (woon)voorzieningen. Voor een algemene voorziening hoeft door de gebruiker geen eigen bijdrage betaald te worden via het CAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4 Als persoonsgebonden budget Als de gemeente een pgb verstrekt, dan betekent dat dat de gemeente via trekkingsrecht een geldbedrag aan de inwoner ter beschikking stelt, waarmee de inwoner zelf de benodigde voorziening kan inkopen. Het pgb kan alleen bij individuele voorzieningen worden toegekend en dus niet bij algemene voorzieningen (zie de vorige paragraaf).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Zeist verstrekt in principe geen pgb aan personen van wie verwacht kan worden dat zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. Deze cliënten kunnen alleen een pgb krijgen als er een familielid, vriend of iemand anders (bijvoorbeeld een bewindvoerder) is die met instemming van de inwoner het pgb kan beheren en besteden. De gemeente zal hier een schriftelijke bevestiging van opvragen. Als de gemeente signalen krijgt dat het beheer van het pgb niet goed gebeurd of zal gebeuren, dan is er de mogelijkheid om het pgb alsnog om te zetten in een voorziening in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.1 Hoogte van het pgb In de Verordening staat vermeld wat het percentage is van de kosten van de betreffende dienst of voorziening in natura, dat aan pgb kan worden toegekend. Van pgb-cliënten wordt bij bepaalde diensten verondersteld dat ze de zorg goedkoper kunnen inkopen, omdat er, als de zorg bijvoorbeeld wordt uitgevoerd door een kennis, geen overheadkosten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van wat de dienst of voorziening in natura gekost zou hebben, wordt uitgegaan van de goedkoopst compenserende voorziening zoals de gemeente die had kunnen inkopen. Dat kan worden afgeleid uit bijvoorbeeld een offerte of van de prijzen uit het kernassortiment die de gemeente met haar leverancier heeft afgesproken. Daarbij is veelal sprake van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het pgb. Het is immers niet de bedoeling dat een pgb de gemeente meer geld kost dan een verstrekking in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het algemeen kan ervan uitgegaan worden dat ook met een pgb een voorziening met korting kan worden aangeschaft. De inwoner kan ook kiezen voor een tweedehands exemplaar. Een verstrekking in natura is immers ook niet altijd nieuw. Voor de inwoner is dit misschien een punt van aandacht bij de afweging voor welke voorzieningsvorm wordt gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag voor de aanschaf van een voorziening kan zo nodig worden verhoogd met een bedrag voor onderhoud, verzekering, keuring en reparatie van de voorziening of een bedrag van 5% van het aanschafbedrag (indien de eerder genoemde kosten niet gespecificeerd kunnen worden).</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.2 Trekkingsrecht Het pgb-bedrag dat de gemeente aan een inwoner toekent, wordt in de vorm van “trekkingsrecht” via de Sociale Verzekeringsbank (SVB) aan de inwoner beschikbaar gesteld. Met het trekkingsrecht krijgt de inwoner het pgb niet meer uitgekeerd, maar krijgt hij of zij een tegoed waarmee hij/zij de rekening van de zorgaanbieder of leverancier kan laten uitbetalen. Met dit landelijk opgelegde systeem wordt pgb-fraude voorkomen en wordt de administratieve last voor de budgethouder verlicht. De SVB geeft eventuele betalingsgegevens aan dienstverleners door aan de belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.2.1 Bemiddelingskosten huishoudelijke hulpVia het pgb is het mogelijk om tot maximaal € 250,- per jaar aan bemiddelingskosten te declareren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe werkt het:</p>\n<p class=\"lf-p\">Klanten mogen per jaar maximaal € 250,- euro aan bemiddelingskosten declareren. Dat doen ze bij de gemeente en niet bij de SVB;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat mag alleen als er voor bemiddeling een apart contract is met de hulporganisatie en er daadwerkelijk kosten zijn betaald;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het declareren gebeurt aan het einde van het kalenderjaar, nadat duidelijk is of er nog pgb over dat jaar bij de SVB over is. De inwoner moet namelijk nog minimaal het gedeclareerde bedrag aan onbesteed pgb over hebben op 31 december (na betaling van laatste zorgkosten);</p>\n<p class=\"lf-p\">De klant declareert dan dus bij de gemeente en de gemeente betaalt uit. De declaratie moet plaatsvinden via een wijzigingsformulier met daarbij een kopie van het bemiddelingscontract met de zorgaanbieder en een nota van de gemaakte bemiddelingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.2.2 Pgb’s voor voorzieningen (geen diensten)Het is de bedoeling dat pgb’s voor voorzieningen, zoals trapliften en scootmobiels, ook via het trekkingsrecht aan de rechthebbende inwoners beschikbaar worden gesteld. De SVB is hier echter systeemtechnisch nog niet klaar voor. De gemeente houdt zich daarom het recht voor om pgb’s voor voorzieningen direct aan de cliënt uit te betalen, totdat de SVB aangeeft dat dat ook via trekkingsrecht kan. Controle op deze pgb’s zal plaatsvinden aan de hand van door de inwoner ingediende facturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.3 Voorkomen van het kapitaliseren van mantelzorgHet vragen van geld voor zorg die anders in het kader van mantelzorg gratis geleverd zou worden, wordt “het kapitaliseren van mantelzorg” genoemd. Dit te gelde maken van mantelzorg willen we voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om gekapitaliseerde mantelzorg te voorkomen, wordt met de inwoner die pgb aanvraagt en zijn of haar mantelzorgers besproken:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Of tot dan toe al sprake is geweest van (onbetaalde) mantelzorg;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Waarom de mantelzorger er eventueel mee stopt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Waarom een eventuele nieuwe mantelzorger de zorg niet gratis wil verlenen.</div>\n<p class=\"lf-p\">In bepaalde gevallen kan het kapitaliseren van mantelzorg billijk zijn. Bijvoorbeeld als een familielid minder gaat werken om de zorg uit te kunnen voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake lijkt te zijn van gekapitaliseerde mantelzorg, dan kan ervoor gekozen worden om geen pgb te verstrekken, maar hulp in natura. Een andere mogelijkheid is om wel een pgb te verstrekken maar hierbij in de beschikking een clausule op te nemen dat het pgb niet mag worden ingevuld door een persoon waarvan verwacht zou kunnen worden dat deze de hulp als mantelzorger kan verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.4 Duur pgbHet pgb voor huishoudelijke hulp, begeleiding, kortdurend verblijf en beschermd wonen wordt voor een periode van maximaal drie jaar verstrekt. Voor andere voorzieningen hangt de duur van het pgb af van de afschrijvingstermijn van de betreffende voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.5 BeschikkingIn de beschikking wordt vermeld wat de omvang van het pgb is en voor hoeveel jaar het bedoeld is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat een verkeerde voorziening wordt aangeschaft, wordt zo nauwkeurig mogelijk beschreven aan welke eisen de voorziening moet voldoen (het programma van eisen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt aan de inwoner gemeld dat een eigen bijdrage verschuldigd is. Omdat de eigen bijdrage vastgesteld en geïnd wordt door het Centraal Administratie Kantoor (CAK), zal niet de hoogte van de eigen bijdrage in de beschikking worden opgenomen. Hiervoor wordt verwezen naar het CAK. Het is om die reden ook niet mogelijk om de eigen bijdrage bij voorbaat met het pgb te verrekenen.De inwoner moet in de beschikking ook worden gewezen op het feit dat het pgb binnen een periode van zes maanden moet worden aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.6 Beëindiging pgb voor in bruikleen toegekende voorzieningenAls een inwoner een Wmo-indicatie heeft gekregen voor een hulpmiddel, dan kan hij ervoor kiezen om dit middel in natura of in de vorm van een pgb te krijgen. Bij hulpmiddelen in natura geldt dat als ze, om wat voor reden dan ook, niet meer gebruikt worden, de gemeente de indicatie voor het hulpmiddel intrekt en het betreffende hulpmiddel laat ophalen. Het middel kan dan eventueel herverstrekt worden aan een andere cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.6.1 Terugvordering pgb voor hulpmiddelen in geldHulpmiddelen die via een pgb zijn aangeschaft, wijken meestal af van het assortiment van de vaste leveranciers van de gemeente. Daarom is het voor de gemeente lastig om het middel in te nemen en her te verstrekken. Daarom wordt, als de inwoner het met het pgb aangeschafte hulpmiddel niet meer gebruikt en de toegekende voorziening wordt ingetrokken, een deel van het verstrekte pgb (dus een geldbedrag) van de inwoner teruggevraagd. De gemeente verwacht daarbij dat de inwoner het hulpmiddel zelf te gelde maakt. De gemeente houdt daarbij rekening met een realistische afschrijving en met het feit dat zeer specifieke, persoonlijke aanpassingen aan het hulpmiddel bij verkoop weinig tot niets opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.6.2 AfschrijvingstabellenDe gemeente hanteert de volgende afschrijvingstabellen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 1 Voorzieningen: Sportrolstoelen Vanaf 0,5 jaar 1 jaar 1,5 jaar 2 jaar 2,5 jaar 3 jaar Percentages 20% 40% 60% 75% 90% 100% Tabel 2 Voorzieningen: Vervoermiddelen en roerende woonvoorzieningen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld scootmobielen, rolstoelen, tilliften, douchestoelen en kindervoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 0,5 jaar 1 jaar 2 jaar 3 jaar 4 jaar 5 jaar 6 jaar 7 jaar Percentages 10% 20% 35% 50% 65% 80% 90% 100% Tabel 3 Voorzieningen: Niet-roerende woningaanpassingen en autoaanpassingen Bijvoorbeeld trapliften, onderrijdbare keukens enautoaanpassingen Vanaf 0,5 jaar 1 jaar 2 jaar 3 jaar 4 jaar 5 jaar 6 jaar 7 jaar 8 jaar 9 jaar 10 jaar Percentages 10% 15% 27,5% 40% 52,5% 65% 75% 85% 92,5% 97,5% 100 De vaststelling van de afschrijvingstermijn gebeurt op basis van de periode tussen de datum van de toekenning van het pgb en de datum van de intrekking van de indicatie voor het betreffende hulpmiddel. Er wordt hierbij afgerond naar boven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld: een traplift van 3 jaar en 8 maanden oud wordt afgerond naar 4 jaar. Hierbij hoort (voor een traplift) een afschrijving van 52,5%. De inwoner moet dus 47,5% van het pgb terugbetalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het deel van het pgb dat nog bij de SVB openstaat (nog niet gebruikt is), wordt uiteraard van het terug te betalen bedrag afgetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.6.3 Wat hoeft niet terugbetaald te wordenIn een aantal gevallen hoeft (een deel van) het pgb niet terugbetaald te worden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Als het oorspronkelijke pgb lager is dan € 500,-, dan wordt niet teruggevorderd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Als het terug te betalen bedrag lager is dan € 50,-, dan wordt niet teruggevorderd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Een (deel van een) pgb dat is besteed aan niet-standaard aanpassingen van een hulpmiddel wordt niet teruggevorderd. Van bijvoorbeeld een op maat gemaakte zitorthese in een rolstoel, verwachten wij niet dat een inwoner die later nog te gelde kan maken.</div>\n<p class=\"lf-p\">13.4.6.4 RekenformuleHet terug te betalen bedrag wordt als volgt berekend: ((pgb minus het bedrag besteed aan niet-standaard aanpassingen) x (100% minus het percentage uit de afschrijvingstabel)) minus het niet besteedde pgb-bedrag dat nog bij de SVB openstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.6.5 Hoe te gelde maken (omzetten in geld)De inwoner kan het hulpmiddel te gelde maken door:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het particulier te verkopen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het terug te verkopen aan de leverancier. Het is dan wel verstandig om daar van te voren afspraken over te maken.</div>\n<p class=\"lf-p\">13.4.6.6 Verhuizing en overlijdenAls de inwoner verhuist voordat de afschrijvingstermijn van het hulpmiddel is verstreken, dan zal ook een deel van het pgb worden teruggevraagd. De inwoner kan hiervoor bij zijn of haar nieuwe gemeente een nieuw pgb aanvragen. Op die manier betaalt de nieuwe gemeente voor de restwaarde van de voorziening. Immers, de nieuwe gemeente heeft dan zorgplicht voor de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de inwoner is overleden, dan eindigt de indicatie voor het hulpmiddel automatisch. Ook dan moet een deel van het pgb worden terugbetaald door de nabestaanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.6.7 ProcedureAls een indicatie voor een hulpmiddel dat in pgb-vorm is verstrekt, wordt beëindigd, dan wordt in de beëindigingsbeschikking meegedeeld of sprake is van terugvordering, hoe hoog het terug te betalen bedrag is en binnen welke termijn dit bedrag betaald moet worden. Over het algemeen is deze termijn 2 maanden. Bij terugvordering naar aanleiding van overlijden, houdt de gemeente 4 maanden aan om de terugbetaling te regelen. Dit om de nabestaanden van de overledene wat respijt te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.7 ControleDoor het gebruik van het systeem van trekkingsrecht via de SVB, wordt automatisch al veel gecontroleerd. Omdat er direct aan de hulpverlener of leverancier wordt uitbetaald aan de hand van facturen of werkbriefjes is het voor de gemeente gemakkelijk zichtbaar of het pgb (goed) wordt besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budgethouders die een pgb voor een dienst ontvangen zijn verplicht om binnen drie maanden na de uitbetaling van het eerste pgb een zorgovereenkomst met hun hulpverlener in te dienen. Is de overeenkomst tussen budgethouder en hulp niet binnen 3 maanden aan de SVB toegestuurd, dan heeft de gemeente het recht om het pgb op te schorten totdat de betreffende overeenkomst alsnog is ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budgethouders die een pgb voor een middel ontvangen zijn verplicht om binnen drie maanden na de uitbetaling van het pgb een (deel van) het pgb te besteden aan een passend middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er minder wordt uitgegeven dan het volledige pgb, dan blijft dat staan op de rekening van de SVB. Aan het einde van elk jaar worden die overgebleven bedragen terugbetaald aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5 Als financiële tegemoetkoming Een financiële tegemoetkoming is een tegemoetkoming in de kosten. De financiële tegemoetkoming is onder andere bedoeld voor bouwkundige aanpassingen aan een woning. De gemeente betaalt de kosten van de bouwkundige woonvoorziening over het algemeen aan de woningeigenaar uit. De eigenaar van de woning is niet altijd degene voor wie de voorziening is bedoeld. Om die reden gaat het om een tegemoetkoming en niet om een pgb. Een pgb wordt namelijk altijd aan de betreffende inwoner ter beschikking gesteld en niet aan een derde. Bij een financiële tegemoetkoming in de kosten voor een woningaanpassing, kan aan de cliënt een eigen bijdrage worden opgelegd, ook als de tegemoetkoming bijvoorbeeld aan de woningbouwvereniging uitbetaald wordt om de voorziening te realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term financiële tegemoetkoming komt ook terug bij een taxi- of rolstoeltaxivergoeding. Aangezien het een tegemoetkoming is in de kosten van vervoer, kan ook dit geen pgb genoemd worden. Het betreft hier namelijk een tegemoetkoming en niet het vergoeden van een “totale voorziening”. Dit is bij een pgb wel het geval. Ook voor verhuiskosten wordt over het algemeen een financiële tegemoetkoming verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.1 Verschil financiële tegemoetkoming en pgbHet onderscheid tussen de begrippen financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget is niet altijd even duidelijk. Dat wordt nog ingewikkelder gemaakt, doordat soms een financiële tegemoetkoming als forfaitaire financiële tegemoetkoming verstrekt wordt. Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de werkelijke kosten vastgesteld wordt. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.2 VerantwoordingOok bij een financiële tegemoetkoming moet verantwoording afgelegd worden over de besteding van de tegemoetkoming, tenzij het om een forfaitair bedrag gaat. Een forfaitair bedrag voor bijvoorbeeld een verhuizing, kan vrij worden besteed, mits er daadwerkelijk verhuisd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.3 Juridische houdbaarheidIn de Wmo 2015 wordt de financiële tegemoetkoming niet als zodanig genoemd. Er zijn echter ook geen werkbare alternatieven genoemd om bijvoorbeeld een verhuiskostenvergoeding als zijnde precies kostendekkend te verstrekken. Een mogelijkheid is om bijvoorbeeld contracten met verhuisbedrijven en stoffeerders af te gaan sluiten. Dit gaat echter vrij ver. Daarom heeft de gemeente Zeist ervoor gekozen om de financiële tegemoetkoming voorlopig te handhaven, totdat er een bindende juridische uitspraak over dit onderwerp is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.6 Als collectieve voorziening Collectieve voorzieningen zijn voorzieningen die door meerdere mensen gebruikt kunnen worden, maar waarvoor wel een indicatie nodig is om te kunnen deelnemen. Collectief vervoer via de regiotaxi is voor de gemeente Zeist het belangrijkste voorbeeld van een collectieve voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een collectieve voorziening wordt geen eigen bijdrage via het CAK geïnd. Wel kan een bijdrage aan de inwoner gevraagd worden op het moment dat hij of zij van de voorziening gebruik maakt. Bijvoorbeeld een (niet kostendekkende) bijdrage voor de regiotaxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 EIGEN BIJDRAGE 14.1 Waarvoor geldt de eigen bijdrage?</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verstrekken van individuele voorzieningen wordt in sommige gevallen een inkomensafhan-kelijke eigen bijdrage opgelegd. Het gaat hierbij om:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Hulp bij het huishouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Begeleiding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Kortdurend verblijf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Woonvoorzieningen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vervoersmiddelen, waaronder de scootmobiel en de aangepaste fiets;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Autoaanpassingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Beschermd wonen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Specialistisch begeleiding zintuigelijk gehandicapten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Doventolk.</div>\n<p class=\"lf-p\">De eigen bijdrage is niet van toepassing op rolstoelvoorzieningen en hulpmiddelen voor jeugdigen jonger dan 18 jaar. Voor woningaanpassingen ten behoeve van jeugdigen onder de 18 jaar kan er wel een eigen bijdrage geheven worden, op basis van het inkomen van de ouders en te betalen door de ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigen bijdrage wordt berekend en geïnd door het CAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.2 Inkomen en vermogen Sinds 2013 wordt naast het inkomen ook het vermogen meegenomen bij de berekening van de maximale eigen bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.2.1 Peiljaar Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit een peiljaar dat twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is noodzakelijk om over de verzamelinkomens te kunnen beschikken. Deze verzamelinkomens zijn afkomstig van de belastingdienst. In 2015 doet men aangifte over 2014, dus het verzamelinkomen van dat jaar is in 2015 nog niet altijd bekend. Vandaar dat het verzamelinkomen over 2013 in 2015 wordt gebruikt (jaar t-2). Dit betekent dat soms een voorlopige vaststelling plaatsvindt en achteraf een definitieve vaststelling. Is het inkomen over het desbetreffende jaar nog niet definitief vastgesteld, dan wordt de maximale eigen bijdrage voorlopig vastgesteld op het minimale bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het inkomen over het huidige jaar aanzienlijk afwijkt van het inkomen van twee jaar geleden, dan kan bij het CAK een verzoek worden ingediend tot verlegging van het peiljaar. De maximale eigen bijdrage wordt dan voorlopig berekend aan de hand van het huidige inkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de meest actuele informatie en berekeningen, zie: www.hetcak.nl 14.2.2 Toetsingsinkomen De eigen bijdrage wordt berekend op basis van het inkomen en het vermogen van de persoon in kwestie:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Inkomen: Met het inkomen wordt het verzamelinkomen of belastbaar loon bedoeld. Is er een partner? Dan hangt de maximale periodebijdrage af van het gezamenlijk inkomen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vermogen: Als er vermogen is in box 3 (sparen en beleggen), dan telt 8% van de “grondslag sparen en beleggen” extra mee bij de berekening van de maximale periodebijdrage. De “grondslag sparen en beleggen” is het deel van het vermogen boven het heffingsvrije vermogen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Inwonende kinderen en ouders tellen niet mee voor de samenstelling van het huishouden. Hun inkomen wordt dus niet meegenomen bij de berekening van de eigen bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.2.3 Maximale eigen bijdrage De maximale eigen bijdrage bestaat uit twee delen (prijspeil 2014):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Een vast gedeelte;  € 19,- per vier weken voor ongehuwde personen;  € 27,20 per vier weken voor gehuwde personen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Een variabel gedeelte van 15% per jaar (= 15%/13 per 4 weken) over het toetsingsinkomen boven:  Eenpersoons huishoudens, jonger dan 65: € 23.295,-;  Eenpersoons huishoudens, 65 jaar of ouder: € 16.456,-;  Meerpersoonshuishoudens, één of beiden jonger dan 65 jaar: € 29.174,-;  Meerpersoonshuishoudens, beiden 65 jaar of ouder: € 22.957,-.</div>\n<p class=\"lf-p\">Formule:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximale eigen bijdrage per 4 weken = vast gedeelte + (toetsingsinkomen - norminkomen) * (15%/13) De door de inwoner te betalen eigen bijdrage kan nooit hoger zijn dan de maximale eigen bijdrage. Bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden kan het door deze systematiek wel voorkomen dat bij een hoog inkomen de inwoner de volledige kostprijs van de voorziening als eigen bijdrage krijgt opgelegd. De eigen bijdrage mag echter nooit hoger zijn dan de kostprijs van de voorziening, ook als de maximale eigen bijdrage hoger is.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.3 Duur en hoogte eigen bijdragel 14.3.1 Diensten Voor hulp bij het huishouden, begeleiding, kortdurend verblijf, beschermd wonen, specialistisch begeleiding zintuigelijk gehandicapten en de doventolk wordt een eigen bijdrage gevraagd zolang er hulp wordt geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat bij hulp bij het huishouden in natura gewerkt wordt met een toewijzingssysteem waarbij de zorgaanbieders korting kunnen geven op de prijs, wordt slecht 85% van de maximale uurprijs doorgegeven aan het CAK als zijnde de kostprijs per uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle andere diensten in natura en pgb wordt aan het CAK de werkelijke uurprijs of het toegekende pgb doorgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.3.2 Hulpmiddelen Voor overige voorzieningen wordt ook een vierwekelijkse eigen bijdrage gevraagd zolang de voorziening in bruikleen of bezit van de inwoner is. De eigen bijdrage wordt opgelegd over de kosten voor de aanschaf van de betreffende voorziening zelf en ook over bijkomende kosten, zoals eventuele onderhoudskosten en verzekeringskosten van de voorziening. Voor het berekenen van de eigen bijdrage de volgende rekenformule:</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen bijdrage per 4 weken = (Aanschafprijs + aanvullende kosten over de hele afschrijvingsperiode) / afschrijvingsperiode in jaren * 13 14.4 Ondersteuning minima Tot 2015 kregen personen die een eigen bijdrage betaalden, een compensatie van 33% in het kader van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg). Deze regeling is afgeschaft en een deel van de Wtcg-gelden zijn naar de gemeente gegaan voor ondersteuning voor specifieke groepen die dat nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Zeist heeft ervoor gekozen om de Wtcg-gelden in te zetten voor de minima met een inkomen tot 110% van het bijstandsniveau en met hoge zorgkosten. Zij kunnen een bijdrage krijgen voor een aanvullende ziektekostenverzekering en in specifieke gevallen aan beroep doen op bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 POSITIE VAN DE INWONER 15.1 Klachten Bij de afhandeling van klachten in het kader van de Wmo wordt onderscheid gemaakt tussen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Klachten over de gevoerde procedure;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Klachten over de bejegening;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Klachten over een voorziening of de dienstverlening van een aanbieder daarvan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Klachten over de gevoerde procedure kunnen bij de gemeente worden ingediend. Een cliëntondersteuner kan een inwoner hierbij helpen. Klachten over de bejegening door een medewerker van de gemeente of een professional uit het wijkteam, kunnen ingediend worden bij de organisatie waarvoor de persoon in kwestie werkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten over een voorziening of over de dienstverlening van de aanbieder daarvan, kunnen worden ingediend bij de aanbieder in kwestie. De gemeente verplicht elke aanbieder om een regeling vast te stellen voor de afhandeling van klachten van cliënten. Als de klager en de aanbieder niet tot een vergelijk komen, bemiddelt de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten die bij de gemeente worden ingediend en die bij een andere organisatie thuishoren, worden warm overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten die door de gemeente worden afgehandeld, worden behandeld volgens de in hoofdstuk 9 Algemene wet bestuursrecht beschreven procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze procedure kent de volgende stappen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indiening klacht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontvangstbevestiging;</p>\n<p class=\"lf-p\">Horen van de klager en horen van de medewerker tegen wie de klacht is gericht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling klacht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Registratie klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe deze stappen uiteindelijk gevolgd worden, hangt voornamelijk af van de wensen van de betrokkenen. Het horen kan bijvoorbeeld telefonisch of op locatie plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het klagen bij de gemeente heeft men het recht om de ombudsman schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan (in dit geval de gemeente) zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2 Medezeggenschap De gemeente stelt aanbieders van diensten, zoals huishoudelijke hulp en begeleiding, verplicht om een regeling vast te stellen voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten. Tijdens periodieke overleggen met de aanbieders wordt ook de medezeggenschap besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.3 Mediation en bezwaar Iedere aanvrager heeft het recht om, als hij het met een besluit op een aanvraag niet eens is, in bezwaar te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente is volgens de Algemene wet bestuursrecht verplicht, om voordat een negatief of afwijkend besluit valt, de betrokken inwoner in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Hierdoor is de kans groter dat door de gemeente eventueel gemaakte fouten hersteld kunnen worden voordat de beschikking wordt afgegeven. Dit zou moeten leiden tot minder bezwaarschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van de binnengekomen bezwaarschriften wordt beleid en worden procedures zonodig aangepast en wordt eventueel bijgeschoold.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.3.1 BezwaarHet kan zijn dat de inwoner het niet eens is met een besluit van de gemeente en hiertegen bezwaar wil maken. De inwoner kan dan op grond van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na verzending van het besluit een bezwaarschrift indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de gemeente start met de juridische inhoudelijke behandeling van het bezwaarschrift, wordt eerst geprobeerd om via premediation tot een oplossing van het geschil te komen. Premediation houdt in dat een medewerker van de gemeente Zeist met de inwoner in gesprek gaat en onderzoekt of de bezwaren zonder juridische behandeling kunnen worden opgelost. Op die manier kan een tijdrovende procedure worden voorkomen. Mocht premediation voor de cliënt niet tot een bevredigend resultaat leiden, dan staat voor cliënt nog altijd de juridische behandeling van het bezwaar open wat resulteert in een besluit op het bezwaarschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.3.2 Voorlopige voorzieningHet indienen van een bezwaarschrift schort de werking van het besluit niet op, daarvoor kan de inwoner een voorlopige voorziening aanvragen bij de voorzieningenrechter. De inwoner kan, na het indienen van het bezwaarschrift en als spoedeisende belangen van de inwoner dit vragen, schriftelijk een verzoek om een voorlopige voorziening indienen bij de Rechtbank Midden-Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.3.3 BeroepMocht de inwoner niet tevreden zijn het met het besluit op zijn bezwaarschrift, dan kan hij of zij een beroepschrift indienen bij de Rechtbank Midden-Nederland. Het gemotiveerde beroepschrift moet binnen zes weken na de dag waarop het besluit op bezwaar verzonden is, ingediend zijn. Aan deze procedure zijn griffiekosten verbonden. Mocht de inwoner het niet eens zijn met de uitspraak van de rechtbank, dan kan hij of zij tot slot nog in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 KWALITEIT 16.1 Kwaliteit van hulp en voorzieningen De gemeente Zeist vindt het belangrijk dat de voorzieningen die ze via de Wmo aanbiedt, passend en kwalitatief goed zijn. De gemeente stelt in haar contracten met aanbieders van goederen en diensten die bestemd zijn voor de Wmo-cliënten eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. Deze beroepskrachten moeten in staat zijn tot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Het handelen in overeenstemming met de professionele standaard.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de soort voorzieningen kunnen nadere kwaliteitseisen aan de aanbieders en de deskundigheid van hun medewerkers gesteld worden. Deze kwaliteitseisen zijn verwoord in de contracten die met de betreffende aanbieders zijn afgesloten. Per 1 januari 2015 zijn er bijvoorbeeld inkoopcontracten voor huishoudelijke hulp, begeleiding en hulpmiddelen. Voor de kwaliteitsafspraken over deze onderwerpen verwijzen wij naar deze documenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door mensen ervaren kwaliteit is bepalend voor de kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning. Het is daarom belangrijk de ondersteuning te richten op de persoon en diens omgeving in plaats van uitsluitend op diens aandoening, beperking of indicatie. Het welbevinden van mensen dient centraal te staan. Een samenhangend aanbod van zorg en ondersteuning draagt hieraan bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2 Kwaliteit en inzet van niet-professionals De Wmo 2015 brengt de mogelijkheid met zich mee om een lager tarief te hanteren voor het persoonsgebonden budget ten aanzien van personen die behoren tot het sociale netwerk van cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2.1 InformatieplichtOp grond van artikel 2.3.6 lid 6 Wmo 2015 is de gemeente verplicht om cliënt goed voor te lichten. De consulent moet cliënt in begrijpelijke taal uitleg geven over de mogelijkheden van een pgb en de gevolgen hiervan. Hieronder valt ook het informeren over de voorwaarden waaronder de cliënt zelf informele zorg kan inkopen via een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2.2 Pgb en kwaliteitIn het geval van een persoonsgebonden budget krijgt de budgethouder zelf de regie over de ondersteuning die hij contracteert, waardoor hij ook de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning krijgt en waarop hij indien nodig kan bijsturen. Het is dus belangrijk dat de budgethouder hiertoe in staat is. Hij of zij kan hiervoor aansluiting zoeken bij (de voor hem of haarrelevante) de kwaliteitseisen die aan de aanbieders voor zorg in natura worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2.3 AansprakelijkheidHet kan gebeuren dat de zorgverlener tijdens het werk schade bij cliënt veroorzaakt. Het is ook mogelijk dat de zorgverlener tijdens het werk schade oploopt waarvoor de budgethouder wettelijk aansprakelijk is. De SVB heeft voor beide risico’s een regeling: een collectieve regeling zaakschade en een aansprakelijkheidsverzekering. Als de eigen verzekering van cliënt of die van de zorgverlener de schade niet dekt, dan kan cliënt bij de SVB terecht. Houdt de zorgverlener zich niet aan de afspraken die zijn vastgelegd in de zorgovereenkomst? Of heeft cliënt een ander conflict met de zorgverlener of zorginstelling? Als cliënt en zorgverlener er samen niet uitkomen, dan kan cliënt gebruik maken van de rechtsbijstandverzekering via de SVB.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3 Klanttevredenheid De gemeente laat jaarlijks een onafhankelijk cliëntervaringsonderzoek houden, volgens een vooraf vastgesteld format. De resultaten van en de aanbevelingen naar aanleiding van dit onderzoek, worden op de website van de gemeente Zeist gepubliceerd. De uitkomsten van het onderzoek wordt gebruikt om het Wmo-beleid desgewenst zo nodig bij te sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.4 Calamiteiten Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan deze toezichthoudend ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.5 Privacy Het college stelt een protocol vast over de verwerking van persoonsgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 PROCEDURELE BEPALINGEN In deze paragraaf staan de procedures rondom advies, besluitvorming, intrekking, beëindiging en terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.1 Onderzoek en advies Als er een aanvraag is binnengekomen en er moet een oordeel gegeven worden over het al dan niet toekennen van een Wmo-voorziening, dan is zorgvuldig onderzoek nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.1.1 Zorgvuldig onderzoekArtikel 9 van de Verordening biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang om het juiste wettelijke kader te nemen en geldige argumenten te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste instantie dient een grondig onderzoek te worden gedaan naar:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zijn persoonskenmerken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zijn behoeften.</div>\n<p class=\"lf-p\">17.1.2 Gegevens verstrekkenOm de gemeente de gelegenheid te geven om tot een goede afweging te komen, moet belanghebbende die gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag aan het college verschaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij kan gedacht worden aan medische, maar ook aan financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van de Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de behandelende sector noodzakelijk is. Dit kan, zeker als dit schriftelijk moet, geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de doorlooptermijn van de aanvraag. In dit soort situaties kan met inschakeling van de aanvrager vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, vooral als de aanvrager aangeeft welk (groot) belang hij heeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie aan de medische adviseur. Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector uitsluitend plaatsvinden door een medisch adviseur (arts) met toestemming van de aanvrager. Daarbij moet in de verklaring opgenomen te worden welke adviserende arts de gegevens opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college beoordeelt het medisch advies en besluit tot (gedeeltelijke) toekenning of afwijzing van de aangevraagde compensatie/voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.1.3 Advies vragenHoewel door het Sociaal Team in de meldingsfase al onderzoek is gedaan en er een verslag is opgeleverd, kan het zijn dat er in de aanvraagfase nog vragen zijn. De Wmo-specialist kan dan (eventueel nogmaals) de Expertgroep (zie hoofdstuk 12) om advies vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redenen om de Expertgroep om advies te vragen, kunnen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft een nieuwe inwoner die nog niet eerder een aanvraag heeft ingediend, dus niet bekend is bij het college. Ook tijdens de meldingsfase zijn nog niet genoeg gegevens boven tafel gekomen. Het belang van deze regel is dat er voor het college een uitgangssituatie geschapen wordt, waarin medisch geobjectiveerd is vastgesteld wat er met de aanvrager (medisch) aan de hand is, welke problemen ervaren worden en wat de prognose is;</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo-specialist wil dat de aanvraag om medische reden afwijzen. Zonder een medisch advies is in deze situatie het besluit onvoldoende gemotiveerd. De rechter kan een dergelijk besluit vernietigen als onvoldoende gemotiveerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een progressief ziektebeeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij twijfel wordt altijd advies gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2 Besluitvorming 17.2.1 ToekenningBij een toekenning van de aangevraagde voorziening wordt in ieder geval vermeld welke mogelijkheden de inwoner dankzij de voorziening krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.2 Gedeeltelijke toekenningDe compensatieplicht kan ook leiden tot het toekennen van een andere voorziening dan de voorziening die de inwoner heeft aangevraagd. In dat geval moet de keuze van de te verstrekken voorziening duidelijk worden gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2.3 AfwijzingAls de gemeente de aanvraag afwijst, dan moet dit gemotiveerd gebeuren. Aangegeven moet worden waarom een voorziening niet noodzakelijk is. Zijn er voorliggende (wettelijke en niet-wettelijke) voorzieningen? Dan is het zorgvuldig om dit niet alleen te noemen, maar de inwoner ook informatie te geven over deze voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.3 Intrekking De gemeente kan op grond van artikel 15 van de verordening het recht op een toegekende voorziening in bepaalde situaties intrekken en de toegekende voorziening eventueel terughalen. Hierbij gaat het om de volgende situaties:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Indien niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet en de Verordening;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Indien beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat het budget binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4 Beëindiging De gemeente kan op grond van gewijzigde omstandigheden het recht op een toegekende voorziening beëindigen en de voorziening eventueel terughalen. Hierbij gaat het primair om het feit dat iemand, om welke reden dan ook, deze voorziening niet meer gebruikt. Dit geldt bijvoorbeeld in het geval van verhuizen of overlijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.1 OverlijdenAls de ontvanger van de voorziening overlijdt, dan wordt de voorziening ingetrokken. Hulpmiddelen die zijn toegekend in natura, laat de gemeente innemen door haar leverancier. Een voorziening die in de vorm van een pgb of financiële tegemoetkoming is toegekend, wordt ook teruggevorderd. Als het om een hulpmiddel gaat, dan wordt dat alleen gedaan als er redelijkerwijs vanuit gegaan kan worden dat de inwoner de voorziening nog te gelde kan maken zodat de gemeente terugbetaald kan worden. Ook hiervoor wordt een afschrijvingstabel gehanteerd (zie paragraaf 13.4.7.2 van deze beleidsregels).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor huishoudelijke hulp geldt dat de levering na het overlijden wordt stopgezet. Blijft er een huisgenoot achter, dan wordt de hulp nog 6 weken doorgeleverd. De achterblijvende partner heeft dan de gelegenheid om huishoudelijke hulp voor zichzelf aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een inwoner met de indicatie “begeleiding” overlijdt en sprake is van een achtergebleven huisgenoot, dan wordt deze huisgenoot binnen zes weken na het overlijden van de inwoner door het Sociaal Team benaderd voor een gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.2 VerhuizenAls de inwoner verhuist naar buiten de gemeente, dan wordt voor de in natura verstrekte hulpmiddelen een overnamevoorstel neergelegd bij de gemeente waar de inwoner naartoe verhuist. Voorzieningen die in de vorm van een pgb zijn verstrekt, worden bij de inwoner teruggevorderd (zie paragraaf 13.4.6). De inwoner kan vervolgens weer een aanvraag doen bij zijn nieuwe gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.4.3 Geen gebruik meer maken van de voorzieningUiteraard kan de gemeente de voorziening ook terughalen als de inwoner zelf aangeeft dat hij of zij de voorziening niet meer gebruikt. Cliënten hebben op grond van artikel 15 lid 1 van de Verordening de plicht om een gewijzigde situatie (met betrekking tot de voorziening) aan de gemeente te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.5 Terugvorderen Artikel 15 lid 4, 5 en 6 van de verordening in combinatie met hoofdstuk 13 van deze beleidsregels geldt als grondslag voor het terugvorderen van een geldbedrag dat aan inwoner is uitbetaald, maar waar hij of zij geen recht meer op heeft. Met de gemeente kan de inwoner zo nodig een betalingsregeling afspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvordering van roerende voorzieningen in natura, vindt plaats door de voorziening aan het college ter beschikking te stellen. Indien de terugvordering niet meer feitelijk kan worden overgedragen, wordt de omvang van de terugvordering bepaald op de hoogte van de oorspronkelijke investerings- of aanschafwaardeHet college kan naast het opeisen van de voorziening ook een bedrag in rekening brengen voor de afschrijvingskosten gebaseerd op de economische levensduur van de verstrekte voorziening. De omvang daarvan is gebaseerd op de duur van het onrechtmatig gebruik van de voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE 1 - HANDREIKING NORMERING HULP BIJ HET HUISHOUDEN Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en met 4 personen 60 minuten per week voor worden toegekend. Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend. Als de afstand tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden toegekend. Dat betekent dat voor boodschappen de marge voor toekennen bedraagt 60 tot 150 minuten. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet gehonoreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In veel gevallen is de boodschappenbezorgservice van de plaatselijke supermarkt voorliggend aan een indicatie voor het doen van de boodschappen. Alleen als om medisch omstandigheden deze boodschappenservice niet geschikt is, kan de indicatie voor het doen van boodschappen worden afgegeven. De boodschappenservice is bijvoorbeeld niet geschikt als inwoner een zeer specifiek dieet heeft waarvan de ingrediënten niet in de supermarkt (of in een andere winkel die thuisbezorgt) verkrijgbaar zijn. Het niet kunnen doorgeven van de bestelling is geen reden om de boodschappenservice als niet geschikt te beoordelen. De huishoudelijke hulp kan deze taak op zich nemen in het kader van “organisatie van het huishouden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en koken) tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten worden toegekend en voor de warme maaltijd per keer 30 minuten. Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar, dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per dag kan het dus gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd, waarbij de variatie kan liggen tussen 60 en 120 minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht poetswerk in huis, kamers opruimen Hieronder vallen de volgende activiteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen;  - Handmatig 15-30 minuten per keer;  - Machine in- en uitruimen 10 minuten per keer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning) en bij ernstige beperkingen in armen en handen die leidt tot extra rommel, kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. De extra toegekende tijd is in principe maximaal 3 maal per week 20 tot 30 minuten. Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwaar huishoudelijk werk Hieronder vallen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Stofzuigen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Schrobben;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dweilen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Soppen van sanitair en keuken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Bedden verschonen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Opruimen huishoudelijk afval.</div>\n<p class=\"lf-p\">De omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers is 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week. Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers geldt de omvang van 3 uur hulp per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning en bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren worden toegekend, afhankelijk van de situatie. Voor verzorging van huisdieren wordt geen tijd geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzorging kleding/linnengoed Hier wordt onder gerekend:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Sorteren en wassen kleding met behulp van een wasmachine;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vouwen, strijken en opbergen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen is dit 90 minuten per week. Bij kinderen onder de 16 jaar, bij bedlegerige personen en bij extra wassen door overmatige transpiratie, incontinentie of speekselverlies kan 30 minuten per week extra worden geïndiceerd. Bij huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van eenmaal per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderen helpen bij zelfverzorging Hiertoe worden gerekend:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Anderen helpen bij het bereiden van maaltijden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van deze indicatie gaat tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, te besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen en opvoedingsactiviteiten. Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek en/of samenvallende activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijkse organisatie van het huishouden Hiertoe worden gerekend:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Administratieve werkzaamheden ten behoeve van de klant (alleen in combinatie met andere huishoudelijke activiteiten, valt bij beperkt regelvermogen onder de functie begeleiding);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Organisatie huishoudelijke activiteiten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere problematiek bij meerdere huisgenoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen Hieronder kan vallen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Observeren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Formuleren doelen met betrekking tot huishouding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Helpen verkrijgen en handhaven van structuur in het huishouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Helpen verkrijgen en handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Begeleiden van ouders bij de opvoeding (beperkt en in combinatie met andere onderdelen);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Begeleiden van kinderen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De omvang is maximaal 30 minuten per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden Hieronder kan instructie voor het omgaan met hulpmiddelen, het licht huishoudelijk werk, textielverzorging, het boodschappen doen en het koken vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 3 keer per week 30 minuten, maximaal 6 weken. Bij communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet van kinderen binnen het huishouden Een 18- tot 23-jarige wordt geacht om 5 uur per week van de geïndiceerde taken overnemen. Hierbij geldt als beperking dat het zware werk maximaal 2 uur mag zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Zwaar (max. 2 uur);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Licht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Was;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Boodschappen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Maaltijden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onder geïndiceerde taken verstaan we de taken die de inwoner niet kan doen en die anders geïndiceerd zouden worden. Boodschappen doen geldt dus niet als geïndiceerde taak als een boodschappenservice ingezet kan worden als voorliggende voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1 Moeder woont met haar 18-jarige zoon in een eengezinswoning. Moeder kan niets doen in het huishouden. De indicatie is dan als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nodig in het huishouden Over te nemen door zoon Wmo-indicatie Zwaar 3 uur 2 uur (maximum) 1 uur Licht 1,5 uur 1,5 uur Was 1,5 uur 1,5 uur Boodschappen Voorliggende voorz, Maaltijden Voorliggende voorz.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOTAAL 6 uur 5 uur 1 uur Voorbeeld 2 Moeder en dochter van 20 wonen samen in een eengezinswoning. Moeder kan niets doen in het huishouden. Door incontinentie van de moeder moet er extra gewassen worden. Ook knoeit de moeder veel waardoor er een half uur extra zwaar werk en een half uur extra licht werk nodig is. Gelukkig is er een buurvrouw die het zware werk overneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nodig in het huishouden Over te nemen door dochter Wmo-indicatie Zwaar 3,5 uur (buurvrouw)</p></div>", "next": 239953}