{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Bij het aanvullen van de sleuf dient de aanvulling te bestaan uit tenminste 0,50m verdicht zand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgevoerd straatwerk dient te worden afgetrild en ingeveegd met brekerzand.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen dat het niet mogelijk dan wel wenselijk is om het herstel van de elementverharding in dezelfde kwaliteit uit te voeren als de kwaliteit van de verharding voordat er gegraven werd, dient de uitvoering en de daarbij behorende kostenverdeling van het herstel voorafgaande aan de werkzaamheden in overleg met burgemeester en wethouders te zijn overeengekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesloten verharding Werkzaamheden aan kabels en leidingen onder gesloten verharding worden uitgevoerd met behulp van een sleufloze techniek en worden voorzien van een mantelbuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebruik van een mantelbuis moet de mantelbuis minimaal 0,50m buiten de fundering van de gesloten verharding uitsteken. De ruimten tussen de mantelbuis en kabel of leiding moeten aan de uiteinden volledig worden afgedicht conform de daarvoor geldende normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een sleufloze techniek niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat de gesloten verharding gedeeltelijk verwijderd mag worden door middel van zagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ingraven wordt, na verdichting van de sleuf en herstel van de funderingslaag de sleuf tijdelijk dicht geblokt met standaard betonstenen. De betonstenen dienen te worden gelegd met de vlakke kant boven. Er mogen alleen hele betonstenen verwerkt worden. De bovenzijde van de stenen dient gelijk te zijn met de omliggende verharding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente stelt op aanvraag van de netbeheerder betonstenen ter beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere verharding Als uitgangspunt geldt dat kabels en leidingen niet worden gelegd onder bijzondere verharding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen dat aanleg onder bijzondere verharding onvermijdelijk is, dient aanleg plaats te vinden in overleg met burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lijnafwatering Als uitgangspunt geldt dat kabels en leidingen niet worden gelegd binnen 1,00 m afstand van lijnafwatering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen dat aanleg onder of nabij lijnafwatering onvermijdelijk is, dient aanleg plaats te vinden in overleg met burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen die hun functie verliezen Tijdelijke voorzieningen, waaronder damwanden en heipalen, dienen in beginsel te worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien leidingen definitief buiten gebruik worden gesteld en niet verwijderd kunnen worden, dienen deze te worden vol geschuimd en aan weerszijden te worden afgedicht ter voorkoming van indringend water, grond en vuil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het achterlaten van voorzieningen dient overeenstemming te zijn met burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 5.19 Aanvullende bepalingen voor de overdracht of de wijziging van de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels en leidingen Indien een instemmingsbesluit of vergunning wordt overgedragen aan een ander dan de aanvrager of de houder, meldt de aanvrager of houder dat ten minste een maand voordien aan burgemeester en wethouders, onder vermelding van de volgende gegevens: zijn naam en adres en contactgegevens; het nummer van het over te dragen instemmingsbesluit of vergunning; de naam en het adres van degene aan wie het instemmingsbesluit of de vergunning wordt overgedragen; een contactpersoon van degene voor wie het instemmingsbesluit of de vergunning zal gaan gelden; de beoogde datum van overdracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in artikel 5.19 en 5.29 vermeldt de netbeheerder de volgende gegevens: zijn naam en adres; het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van de kabel(s) of leiding(en) waarop de verandering betrekking heeft; een omschrijving van de verandering in eigendom of exploitatie; wanneer het om een verandering in de eigendom gaat: de naam en het adres van de nieuwe eigenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) Algemene toelichting Omgevingswet De Omgevingswet is in werking getreden. Deze wet bundelt wetgeving uit 26 wetten over de fysieke leefomgeving. Onderdelen die onder de fysieke leefomgeving vallen, zijn in ieder geval: bouwwerken, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit blijkt uit artikel 1.2 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke behoeften. Dit blijkt uit artikel 1.3 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving moeten samengebracht in het definitieve omgevingsplan. Het huidige tijdelijke omgevingsplan wordt in de komende jaren gefaseerd uitgewerkt. Het tijdelijke omgevingsplan is van rechtswege ontstaan en bestaat uit de bestemmingsplannen, beheersverordeningen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en de bruidsschat. De bruidsschat zijn regels die van het rijk overgaan naar de gemeente. Het rijk heeft ervoor gezorgd dat deze bruidsschatregels automatisch in het tijdelijke omgevingsplan zijn gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deel van de bruidsschatregels is inmiddels overgezet naar het definitieve omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad Omdat ook in verordeningen regels over de fysieke leefomgeving staan heeft Zaanstad als voorbereiding op de Omgevingswet de Verordening fysieke leefomgeving Zaanstad (VFL) gemaakt. Regels uit verschillende verordeningen zijn hierin samengebracht. De VFL is een tussenstap naar het definitieve omgevingsplan. De regels vanuit de VFL worden uiteindelijk opgenomen in het definitieve omgevingsplan. De gemeente heeft hiervoor tot eind 2031 de tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De VFL is sinds 1 januari 2020 van kracht en is in tranches aangevuld met regels uit verschillende verordeningen. Bij het omzetten zijn de regels geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst, die aansluit bij de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de VFL zijn de regels van een aantal verordeningen volledig opgenomen. Deze verordeningen zijn daarom ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwverordening Zaanstad 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening Bodemsanering Zaanstad 2017;</p>\n<p class=\"lf-p\">Erfgoedverordening 2010 gemeente Zaanstad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Brandbeveiligingsverordening 2012;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rioolaansluitingsverordening van de gemeente Zaanstad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene Verordening ondergrondse infrastructuur (AVOI).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de VFL is van een aantal verordeningen een deel van de regels opgenomen, omdat niet alle regels over de fysieke leefomgeving in de zin van de Omgevingswet gaan. Deze verordeningen zijn voor het overige van kracht gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats(en) voor de gemeente Zaanstad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikelen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De meeste begrippen die gebruikt worden in deze verordening worden niet gedefinieerd. Definiëren is niet nodig wanneer begrippen worden gebruikt conform het normale, algemeen gangbare spraakgebruik. Voor de invulling kan worden aangesloten bij het \"Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse Taal\". Ook een aantal begrippen uit de Omgevingswet, die minder gebruikelijk zijn in het algemeen gangbare spraakgebruik, zijn opgenomen in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beeldbepalende onroerende zaak Een beeldbepalende onroerende zaak is een pand, onroerend object of andere onroerende zaak in de openbare ruimte dat op zichzelf niet monumentwaardig is, maar door zijn verschijningsvorm of belevingswaarde draagt het wel bij aan de totale kwaliteit van die omgeving/de fysieke ruimte. Daarom zou het in enige vorm behouden moeten blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beeldbepalende zaak heeft een belangrijke cultuurhistorische waarde. Die draagt door de architectuur, de vormgeving van een ingenieurswerk of de aanleg van bijvoorbeeld een park en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur of landschappelijke setting bij aan het landschappelijk beeld of dorps- en stadsbeeld. Beeldbepalend heeft niet alleen betrekking op de esthetische kwaliteit van een gebouw of object. De term duidt ook op de beleving van een gebouw dat opvalt in zijn omgeving of nadrukkelijk het beeld van de omgeving bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beeldbepalende zaak heeft een lichtere vorm van bescherming dan een monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd gezag Het bestuursorgaan dat onder de Omgevingswet bevoegd is tot het nemen van een besluit op de aanvraag van een omgevingsvergunning. Vaak is dat het college van burgemeester en wethouders, maar niet in alle gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwwerk De Omgevingswet definieert het begrip bouwwerk als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Fysieke leefomgeving Het begrip fysieke leefomgeving is een belangrijk begrip in het stelsel van de Omgevingswet. Een afgebakende definitie van ‘fysieke leefomgeving’ is er niet. In de wet staat een opsomming van onderdelen die in ieder geval onder de fysieke leefomgeving vallen: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Een gebied in een stad of dorp met een bijzonder cultuurhistorisch karakter. De bescherming is bedoeld om de cultuurhistorische identiteit van een gebied te behouden en in te zetten bij ontwikkelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houtopstand Het begrip houtopstand wordt niet altijd op dezelfde manier gebruikt. In deze verordening valt ook een vrijstaande boom onder dit begrip houtopstand! Het wijkt dus af van de definitie in de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangewezen bebouwingscontour houtkap volgens artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is door de gemeenteraad vastgesteld op de gemeentegrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente is bevoegd houtopstanden te beschermen door regels hierover te stellen. De gemeente heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door voor houtopstanden en individuele bomen regels te stellen in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Infrastructuur Deze definitie is gebaseerd op de definitie die in de Omgevingswet is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichting De Omgevingswet gebruikt het begrip inrichting niet meer. Tijdens de overgangsperiode blijven wij in deze verordening met het begrip inrichting werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen Dit is een breed begrip. Het omvat kabels en leidingen én de daarbij behorende onderdelen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, zoals brandkranen, afsluiters, mantelbuizen, kasten en gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ligplaats voor vaartuigen Deze definitie is opgenomen, omdat dan op deze manier de verordening en het aanwijzingsbesluit ligplaatsen voor vaartuigen beter op elkaar aansluiten. In dit aanwijzingsbesluit worden door burgemeester en wethouders diverse categorieën van ligplaatsen voor vaartuigen aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsplan Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is van rechtswege voor elke gemeente een tijdelijk omgevingsplan ontstaan. Hierin zijn de regels van de bestemmingsplannen, beheersverordeningen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en de bruidsschat opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om het tijdelijke omgevingsplan om te vormen naar een definitief omgevingsplan met de regels over de fysieke leefomgeving. Binnen deze periode verwerkt de gemeente ook de regels uit deze VFL in het omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning Een vergunning om bepaalde activiteiten in de fysieke leefomgeving uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare grond Dit is een breed begrip. Het omvat de openbare weg en openbaar water en andere plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaats Plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoedeisende werkzaamheden Deze definitie is opgenomen om dat onder meer bij kabels en leidingen en bij bomen spoedeisende werkzaamheden nodig kunnen zijn waardoor een aangepast aanvraagprocedure noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telecomaanbieder Deze definitie verwijst naar de Telecommunicatiewet. Op deze telecomaanbieder zijn de rechten en plichten van hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet van toepassing. Paragraaf 5.3 A bevat bepalingen die slechts van toepassing zijn op telecomaanbieders en niet op andere netbeheerders zoals de nutsbedrijven. Dit zijn bepalingen die rechtstreeks voortvloeien uit de Telecommunicatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telecomkabel In de Telecommunicatiewet is een specifiek regime opgenomen voor telecomkabels. Dit regime ziet er onder andere op dat deze kabels gedoogd moeten worden in ‘openbare gronden’ en dat deze verlegd moeten worden indien de gedoog-plichtige daarom verzoekt. Dit dient wel te geschieden op basis van de bij de wet aangegeven redenen. Dit regime gaat alleen over kabels die vallen onder de definitie van ‘kabel’ zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vellen In lijn met de Omgevingswet wordt in deze verordening het begrip vellen als overkoepelend begrip gebruikt. Vellen omvat alle handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer Voor nu blijven we de regels baseren op het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet maken de milieuregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer plaats voor regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Dit zijn activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Dit is een totaal andere systematiek die in het omgevingsplan zal worden uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterstaatswerk Een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De Omgevingswet bundelt wetgeving over de fysieke leefomgeving. Het doel is dat ook gemeenten haar regels over de fysieke leefomgeving bundelt in het omgevingsplan. De VFL bevat regels over de fysieke leefomgeving en is een tussenstap naar het definitieve omgevingsplan. De regels uit de VFL worden uiteindelijk opgenomen in het definitieve omgevingsplan. De gemeente heeft hiervoor tot eind 2031 de tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Omdat de gemeente Zaanstad het definitieve omgevingsplan de komende jaren gefaseerd opbouwt, kan het voorkomen dat voor de ene locatie de regels uit deze verordening van toepassing zijn en voor een andere locatie de regels uit het definitieve omgevingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden is in dit tweede lid bepaald dat in dat laatste geval de regels uit het omgevingsplan voorrang hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Doelen van de verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit lid geeft het doel aan van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede is gebaseerd op de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geeft het overkoepelende doel van de regels in deze verordening aan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.6 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de fysieke leefomgeving vindt een breed scala aan activiteiten plaats, die door veel actoren worden uitgevoerd en die verschillend van aard, omvang en duur zijn. Ook de gevolgen van die activiteiten voor de fysieke leefomgeving lopen sterk uiteen. De algemene zorgplicht houdt in dat eenieder bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functies van de zorgplicht zijn: bewust maken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de behartiging of het ontzien van bepaalde belangen, bieden van een leidraad voor gedrag, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, bieden van een maatstaf voor de beoordeling van gedrag, en – bieden van een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnetfunctie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de verwachting dat de zorgplicht in de praktijk een beperkte, maar nuttige functie zal vervullen bij het waarborgen van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze artikelen de uit het burgerlijk recht voortvloeiende aansprakelijkheid en ook de mogelijkheden van overheden om als rechtspersoon met gebruikmaking van het privaatrecht de naleving van rechtsregels te bevorderen, onverlet laten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 1.7 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook toelichting bij artikel 2.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook toelichting bij artikel 2.2.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 13.11 en 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 13 model Erfgoedverordening 2016 en is ter vervanging van een deel van de artikelen 10, 17 en 23 van de Erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit verbod geldt ook voor een voorlopig aangewezen gemeentelijk monument of beeldbepalende onroerende zaak. Zie artikel 4.9. over de voorlopige aanwijzing van een gemeentelijk monument of beeldbepalende onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid Deze zorgplicht geldt voor al het onroerend cultureel erfgoed, te weten gemeentelijke, provinciale en rijksmonumenten, beeldbepalende onroerende zaken, beschermd stads- en dorpsgezicht en archeologische monumenten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke zorgplicht voor toestand van niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ter vervanging van een deel van artikel 4:9 APV. Vooruitlopend op de opname in het omgevingsplan is artikel 4:9 APV gesplitst in artikel 2.6 en 2.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel was opgenomen in artikel 3.3 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft een algemene vangnetfunctie en verwoordt dat een netbeheerder of een telecomaanbieder primair verantwoordelijk is voor een goede staat en onderhoud van (telecom)kabels of leidingen. Wanneer (telecom)kabels en leidingen als gevolg van een slechte staat en onderhoud een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid of voor de overige belangen die paragraaf 5.3A en paragraaf 5.3B behartigen, biedt dit artikel aan de gemeenten een handvat om de netbeheerder hierop aan te spreken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Gedoogplicht en zorgplicht voor voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met een gedoogplicht kan de gemeente werkzaamheden in het kader van het algemeen belang uitvoeren zonder toestemming van een eigenaar of rechthebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van algemeen belang zijn: het belang van de openbare veiligheid; het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving; zwaarwegende maatschappelijke belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gedoogplicht maakt inbreuk op het eigendomsrecht van anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer, de openbare verlichting, huisnummering en wijk-, buurt- of straatnaamgeving het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de gedoogplicht is ook een zorgplicht opgenomen om er voor te zorgen dat de objecten ook daadwerkelijk zichtbaar blijven en hun functie kunnen uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingswet staan ook regels voor gedoogplichten. De meeste gedoogplichten staan in hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Oplaten van ballonnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ter vervanging van artikel 4:9a APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is wenselijk het oplaten van ballonnen te verbieden. Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer op het aardoppervlak en veroorzaken op de bodem en in het water schade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder dieren. Daarnaast leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, ook een risico op schade en brand op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier dus zowel om met gas gevulde ballonnen als om ballonnen met een brandertje die onder allerlei fantasienamen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon enzovoorts).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat ook weerballonnen en heteluchtballonnen onder het verbod vallen is opgenomen dat het alleen ballonnen betreft die zonder sturing wegdrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:22 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanleg van een hoogspanningslijn wordt veelal in het omgevingsplan een strook grond aangewezen en worden gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van de functie van de hoogspanningslijn voorkomen moet worden. Hierbij kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een vangnet voor het geval in het omgevingsplan regels hiervoor ontbreken. Het biedt een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod dumpen van stoffen of voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 15 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de natuur en het milieu te beschermen. Het geeft de gemeente een instrument om illegale dumpingen en het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit algemene verbod is belangrijk om de fysieke leefomgeving te kunnen beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit lid geeft aan wanneer dit artikel niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent niet dat de activiteit niet verboden en strafbaar is. Maar de handhaving gebeurt op basis van een andere gemeentelijke wet of hogere wet- of regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Deze bepaling zorgt ervoor dat de handhaving en de bewijslast makkelijker wordt, omdat niet altijd te achterhalen is wie de stoffen of voorwerpen heeft gedumpt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 16 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen en aantrekkelijk te houden. Het legt aan alle gebruikers van de openbare ruimte een zorgplicht op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat vooral over afval dat onderweg in de openbare ruimte ontstaat. Er moet worden voorkomen dat afval als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om afval dat buiten een perceel ontstaan. Huishoudelijke afval, dat ontstaat op of binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens de bepalingen in de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het achterlaten van afval van grotere omvang en gewicht valt niet onder de reikwijdte van dit artikel. Dit wordt beschouwd als het dumpen van een voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving zwerfafval. Dit afval moet in alle gevallen via de daarvoor opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met dit lid wordt de algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving specifieke gemaakt, omdat zwerfafval te vaak voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In de openbare ruimte zijn afvalbakken en andere algemene of specifieke inzamelvoorzieningen aanwezig. Denk aan voorzieningen voor het inzamelen van papier, plastic, glas en wijkcontainers voor meerdere huishoudens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het komt vaak voor dat materiaal wordt aangeboden. Naast de zorgplicht van degene die dat materiaal aanneemt, heeft ook degene die het aanbiedt de zorgplicht dat niets wordt achtergelaten in de openbare ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Ook dit lid heeft het doel om zwerfafval te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 17 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen en aantrekkelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Bij de verkoop van eet- of drinkwaren ontstaat heel vaak afval. De verkoper is ervoor verantwoordelijk dat er geen zwerfafval ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkoper van eet- en drinkwaren moet er daarom voor zorgen dat er voorzieningen voor de inzameling van het afval en het verpakkingsmateriaal aanwezig zijn. Bijvoorbeeld afvalbakken of (verzamel)containers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Ook uitpuilende afvalbakken veroorzaken zwerfafval. Daarom heeft de verkoper ook de plicht om de afvalbakken op tijd te legen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Ook deze zorgplicht draagt bij aan het voorkomen van zwerfafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit lid geeft aan wanneer dit artikel niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent niet dat de activiteit niet verboden en strafbaar is. Maar de handhaving gebeurt op basis van de Afvalstoffenverordening en in de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod verontreinigen van de weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 18 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving te beschermen, veilig en aantrekkelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bij het vervoeren, laden en lossen regelmatig verontreiniging optreedt geeft het de gemeente de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruimen te dwingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod opslaan afval in de openlucht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 19 van de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft als doel om de fysieke leefomgeving aantrekkelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het verbod gaat over het langdurig opslaan van afval, waardoor de fysieke leefomgeving wordt ontsierd en er (reuk)overlast kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat dus niet om het tijdelijk bewaren van afval voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit artikel is niet van toepassing op situaties die zijn geregeld in de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of de Afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het richt zich dus niet op bedrijven die handelen met een vergunning op basis van de genoemde wetgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.21</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod plaatsen van autowrakken in de openbare ruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het artikel 20 van de Afvalstoffenverordening. Maar artikel 20 is ook van kracht gebleven, want het heeft ook andere motieven dan bescherming van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel is om de fysieke leefomgeving aantrekkelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden om autowrakken in de openbare ruimte te plaatsen, omdat daardoor de fysieke leefomgeving wordt ontsierd en er overlast kan ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is een aanvulling op de Afvalstoffenverordening en het Besluit beheer autowrakken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Proces, procedure en adviescommissie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd gezag onder de Omgevingswet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening kent een aantal vergunningen die op grond van de Omgevingswet als omgevingsvergunning worden beschouwd. Hiervoor gelden dan de regels uit de Omgevingswet en daaruit voortvloeiende regelgeving. Het college van burgemeester en wethouders is onder de Omgevingswet niet in alle gevallen het bevoegd gezag dat beslist over de aanvraag. Voor de leesbaarheid van de verordening is ervoor gekozen om in plaats van bevoegd gezag altijd burgemeester en wethouders op te nemen. Als er sprake is van een andere bevoegd gezag voor burgemeester en wethouders, dan wordt gelezen: het bevoegd gezag volgens de Omgevingswet. Als hiervan bij een vergunningplicht sprake is, dan is dit in de toelichting bij het artikel vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen kunnen worden ingediend bij burgemeester en wethouders. Zij zenden de aanvraag door aan het bevoegd gezag en stellen de aanvrager daarvan op de hoogte. De behandeling van de aanvraag wordt dan voortgezet door het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de doorzendplicht die is geregeld in artikel 2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Indienen aanvraag en melding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beschrijft de procedure voor het indienen van een aanvraag van een vergunning of een melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag wordt gestart op de website van Zaanstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Voor aanvragen en meldingen die geregeld zijn via de Omgevingswet is een nieuw landelijk systeem ingericht, het Omgevingsloket. Via de website van Zaanstad kan een initiatiefnemer (burger of bedrijf) in het Omgevingsloket, via het onderdeel ‘Aanvragen’, een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een melding indienen. Alle gegevens die de initiatiefnemer invult en bijvoegt, worden opgeslagen in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). De gemeente laadt aanvragen en meldingen vanuit deze landelijke voorziening in het eigen vergunningensysteem en neemt deze verder in behandeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze termijnen zijn gelijk aan de termijnen genoemd in artikel 16.64 van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over beslistermijnen zijn ook regels opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat de aanvraag is ingediend. De beslistermijn wordt opgeschort als de aanvraag niet volledig is. De aanvrager krijgt hiervan bericht van burgemeester en wethouders met het verzoek om de aanvraag aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene wet bestuursrecht kent 2 voorbereidingsprocedures: de korte voorbereidingsprocedure (titel 4.1) de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) Vierde lid Op omgevingsvergunningen zijn de regels van dit artikel niet van toepassing, omdat de regels van de Omgevingswet rechtstreeks van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB Geadviseerd wordt om een aanvraag tijdig in te dienen, bij voorkeur veertien weken voordat de aanvrager wil (of: van plan is om te) beginnen met de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften wil zeggen: bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden of beperkingen, bijvoorbeeld naar plaats of naar tijdsduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften kunnen ook beperkingen inhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanzelfsprekend is het verplicht de voorschriften na te komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze algemene weigeringsgronden kennen de wet en deze verordening ook specifieke weigeringsgronden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 1:6 APV, artikel 5.40 Omgevingswet en artikel 15 VNG model Erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze algemene wijzigings- en intrekkingsgronden kent de Omgevingswet en deze verordening ook andere, meer specifieke wijzigings- en intrekkingsgronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op omgevingsvergunningen zijn de regels van dit artikel niet van toepassing, omdat de regels van de Omgevingswet rechtstreeks van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Gemeentelijke adviescommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel betreft de gemeentelijke adviescommissie van de gemeente Zaanstad als bedoeld in artikel 17.9 Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze adviescommissie vervangt de voormalige adviescommissie welstand en monumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad een commissie in te stellen die in ieder geval tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college van burgemeesters en wethouders is verplicht de commissie advies te vragen in door de gemeenteraad aangewezen gevallen. Dit heeft de gemeenteraad in deze verordening gedaan in onder meer de artikelen 4.2, 4.6, 4.8 en 5.73.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan het college van burgemeester en wethouders de commissie advies vragen over het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingswet gebruikt het begrip fysieke leefomgeving. Dit omvat de openbare ruimte, maar ook onderdelen als lucht, water, bodem en natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De organisatorische regels worden geregeld in de gemeentelijke verordening voor de gemeentelijke adviescommissie. De inhoudelijke regels voor welstand en monumenten staan in het (tijdelijke) omgevingsplan, in deze verordening en in de gemeentelijke welstandsnota.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Gemeentelijk erfgoedregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Via het erfgoedregister is het voor belanghebbenden en geïnteresseerden kenbaar wat door de gemeente is aangewezen als gemeentelijk beschermd erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit lid bepaalt dat voor het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk erfgoed dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de Erfgoedwet blijkt dat cultureel erfgoed de overkoepelende term is. Hieronder vallen zowel het roerende cultuurgoed, als onroerend cultureel erfgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter alleen onroerend cultureel erfgoed valt onder de reikwijdte van de Omgevingswet, want is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Roerend cultuurgoed (verzamelen, boeken e.d.) heeft geen betrekking tot de fysieke leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">(Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is grotendeels gebaseerd op de artikelen 5 en 6 van de model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de toekenning van de status als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beeldbepalende onroerende zaak. Een tuin, een park en (elementen van) cultuurlandschap vallen binnen het begrip ‘monument’. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument, het archeologisch monument of de beeldbepalende onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve concreet worden onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak. Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de over onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Erfgoedwet bevat niet een begrip als beeldbepalend pand of beeldbepalende onroerende zaak in haar definities of bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten kunnen onroerende zaken als beeldbepalend of karakteristiek aanduiden vanwege hun cultuurhistorische waarde, zonder dat deze de status van rijks- of gemeentelijk monument hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten mogen dus op basis van hun eigen erfgoedbeleid regels stellen voor beeldbepalende zaken, bijvoorbeeld bij sloop of verbouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Omgevingswet biedt gemeenten ruimte om dit soort aanduidingen in hun omgevingsplannen op te nemen of gedurende de overgangsperiode in een verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging in artikel 16.58 lid van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet. Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitzondering voor kerkelijke monumenten geldt niet voor kerkelijke beeldbepalende onroerende zaken, omdat bij beeldbepalende panden alleen het uiterlijk / de buitenkant beschermd wordt. Daarbij is bescherming van het interieur uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen dan geen wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat pand in het geding zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbescherming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 7 van de model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten en beeldbepalende onroerende zaken in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 9 van de model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 10 van de model Erfgoedverordening 2016 Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monumentof beeldbepalende onroerende zaak</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Voorlopige aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 11 van de model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument aan te wijzen en daarmee snel een beschermde status te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 8 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 18 van de VNG model Erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft de regels voor het aanwijzen van gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten. Het doel van de Omgevingswet is dat uiteindelijk ook het aanwijzen van gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten via het definitieve omgevingsplan verloopt. Gedurende de overgangsperiode, waarin het plan wordt aangepast aan de regels van de Omgevingswet, is het nog niet altijd mogelijk om direct een definitief omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 van de VNG model Erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt onder andere dat bij wijziging van een aanwijzing en bij intrekking van de status als gemeentelijk beschermd stads- en dorpsgezicht in beginsel dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan bijvoorbeeld gedacht worden aan wijzigingen in verband met de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Hierin is bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of provincie Noord-Holland wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van aanwijzen van beschermde bomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het doel van deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing als beschermde boom</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:11 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In dit lid wordt de bevoegdheid om een boom aan te wijzen als beschermde boom door de raad overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder geeft dit lid de redenen (gronden) aan waarom een boom kan worden aangewezen als beschermde boom. Vanaf dat moment is het vellen van de boom alleen toegestaan wanneer daarvoor door de gemeente een omgevingsvergunning is afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing gebeurt op eigen initiatief of op verzoek. Het college zal dit verzoek beoordelen aan de hand van criteria zoals genoemd in het bomenbeleidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De lijst van beschermde bomen geeft een overzicht van de door de raad en het college aangewezen bomen. Voor deze bomen is een omgevingsvergunning voor het vellen van één of meerdere bomen nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In dit lid wordt de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen door de raad gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. In de aangewezen gebieden zijn alle bomen beschermd. De gebieden worden opgenomen in de gebiedenkaart beschermde bomen. Het gevolg is dat voor bomen in die aangewezen gebieden een vergunningsplicht geldt voor het kappen van bomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiermee wil de gemeente ook het kappen van bomen tegengaan op terreinen die niet of gedeeltelijk openbaar toegankelijk zijn, zoals op het Hembrugterrein of terreinen bij het spoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de gebiedenkaart is een balans gevonden tussen de wens om invloed te hebben op het grootschalig kappen van bomen in Zaanstad en de wens om administratieve lasten te beperken voor bewoners en bedrijven. De gebiedenkaart richt zich onder meer op: bermen en terreinen grenzend aan wegen en spoorwegen; natuurgebieden; bijzondere locaties met veel houtopstand, zoals het Hembrugterrein; schoolpleinen; sportcomplexen; volkstuinen; begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB de gebiedenkaart beschermde bomen wordt ook wel gebiedenkaart kapvergunning genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit is een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor het vellen van een houtopstand zoals bedoeld in artikel 22.8 Omgevingswet en artikel 2.1a Omgevingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms zal naast deze vergunning nog een vergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving nodig zijn voor flora en fauna-activiteiten in verband met de bescherming van bijvoorbeeld broedende vogels, verblijfplaatsen of foerageerroutes van vleermuizen en verblijfplaatsen van kleine zoogdieren. Het is mogelijk om dit in één aanvraag te doen, maar het is ook toegestaan om een vergunning van het Besluit activiteiten leefomgeving apart aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Omgevingsregeling zijn indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Doel aanwijzen ligplaatsen voor vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel staat het doel van de regels in deze paragraaf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing van ligplaatsen voor vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:25 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In dit lid wordt bepaald dat de raad aan burgemeester en wethouders (B&amp;W) de bevoegdheid verleent om ligplaatsen aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheid hadden B&amp;W ook onder de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W hebben op basis van die bevoegdheid al ligplaatsen aangewezen. Deze aanwijzingsbesluiten zijn “omgehangen” naar de VFL.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In dit lid wordt bepaald dat de raad aan burgemeester en wethouders (B&amp;W) de bevoegdheid verleent om nadere regels te stellen voor ligplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bevoegdheid hadden B&amp;W ook onder de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W hebben op basis van die bevoegdheid al nadere regels gesteld. Deze zijn “omgehangen” naar de VFL.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere regels zijn aanvullende regels die nodig zijn vanuit de uitvoeringspraktijk. Ook nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften. Dus iedereen moet zich aan deze regels te houden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Regels voor activiteiten</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5.2</h3>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Bodemonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Melden en aanvragen beschikking bodemsanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Het Bodemsaneringsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Melding wijziging bodemsaneringsplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Melding start en einde bodemsanering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Het bodemevaluatieverslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-510\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Het bodemnazorgplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-511\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.11</span><span class=\"lf-art-t\">Bodemsanering in opdracht van burgemeester en wethouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen] Algemene toelichting op paragraaf 5.3A en 5.3B Er is voor gekozen om de regels voor telecomkabels en de overige kabels en leidingen in twee aparte paragrafen op te nemen. Dit is gedaan om opname van de regels voor de overige kabels en leidingen in het omgevingsplan gemakkelijker te maken. Hierin mogen slechts regels worden opgenomen die vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Op dit moment valt de Telecommunicatiewet daar buiten, zodat de regels over de telecomkabels niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. De overige kabels en leidingen vallen wel onder de reikwijdte en moeten uiteindelijk dus in het omgevingsplan worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.12 en 5.22 Aanleggen, instandhouden, opruimen van (telecom)kabels en leidingen Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.1, eerste tot en met derde lid van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Paragraaf 5.3A en paragraaf 5.3B zijn van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van (telecom)kabels of leidingen in of op openbare gronden. Voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen, geldt de vergunningplicht slechts voor openbare gronden die in beheer zijn bij de gemeente. Voor telecomkabels zijn de regels van toepassing op alle openbare gronden, ongeacht wie deze beheert. Zo is de gemeente bijvoorbeeld voor gronden waar de provincie haar beheergebied heeft, toch het bevoegde gezag om voor werkzaamheden in die gronden een instemmingsbesluit af te geven. Dit vloeit voort uit artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. Zoals gezegd gaat dit dus niet op voor werkzaamheden van andere netbeheerders (zoals Gasunie, TenneT, etc.), zodat er buiten het beheergebied van de gemeente geen vergunningplicht op basis van de VFL geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing op kabels en leidingen waarvoor reeds een ander bestuursorgaan zoals het Rijk of de provincie op grond van haar beheertaak de vergunningverlenende instantie is. Dit vloeit voort uit het vierde lid van artikel 5.22. Hierbij dient wel bedacht te worden dat beheergebieden elkaar kunnen overlappen. Van belang is dus dat bij regelgeving van andere bestuursorganen voorzien wordt in hetzelfde onderwerp. De overlap van beheergebied bij de vergunningverlening van een waterschap en de gemeente ten aanzien van kabels en leidingen, raakt elkaar vaak. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer er een gemeentelijke openbare weg over een waterkering loopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval zal de netbeheerder zowel bij de gemeente als bij het waterschap een vergunning dan wel ontheffing aan dienen te vragen. De uit te voeren toets van het waterschap ziet namelijk op het belang van het waterstaatswerk, de toetsing van de gemeente op het belang van de weg. In dat kader wordt door beide bestuursorganen voorzien in een verschillend onderwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van deze artikelen ziet op kleine werkzaamheden. Het gaat hierbij om werkzaamheden van niet ingrijpende aard. Het definiëren van het onderscheid tussen werkzaamheden van al dan niet ingrijpende aard vloeit voort uit artikel 5.4, vijfde lid van de Telecommunicatiewet, maar geldt ook voor kabels en leidingen die niet onder de Telecommunicatiewet vallen. Het betreffen werkzaamheden waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning hoeft te worden aangevraagd, maar waarbij kan worden volstaan met een melding aan burgemeester en wethouders. Om welke categorieën van werkzaamheden het gaat, is in bijlage 5.12 nader uitgewerkt. Naast werkzaamheden aan huisaansluitingen worden andere kleine werkzaamheden aan een lichter regime onderworpen, zolang de werkzaamheden voldoen aan de vastgestelde eisen en randvoorwaarden. Dit kan omdat deze werkzaamheden veelal slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk worden verricht, en de impact relatief beperkt en kortstondig is. Voor deze kleine werkzaamheden geldt een verkorte meldingsprocedure. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat voor werkzaamheden die vallen binnen een aangegeven categorie van kleine werkzaamheden, maar welke zijn gesitueerd binnen een bepaald aangewezen gebied, niet met een melding kan worden volstaan, maar altijd een vergunning of een instemmingsbesluit moet worden aangevraagd. Hierbij moet gedacht worden aan gebieden als de ‘oude’ binnenstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In het vijfde lid van artikel 5.22 wordt bepaald dat paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de zogenaamde lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen), niet van toepassing is. Dat betekent dat bij het verstrijken van de beslistermijnen de vergunning niet van rechtswege wordt geacht te zijn verleend. Gelet op de grote publieke belangen die in het geding kunnen zijn, zoals het waarborgen van bereikbaarheid voor politie, brandweer en ambulance en de veiligheid voor het publiek, is het niet verantwoord dat zonder meer met de werkzaamheden mag worden begonnen als de gemeente verzuimd zou hebben binnen de gestelde termijn te beslissen. Dat laat natuurlijk onverlet dat, indien de gemeente in gebreke is, daartegen rechtsmiddelen openstaan. Hierbij moet gedacht worden aan de beroepsmogelijkheden die de Awb in artikel 6:12 biedt bij het niet tijdig nemen van een besluit door een overheidsinstantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.13 en 5.23 Spoedeisende werkzaamheden Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.1, vierde lid van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spoedeisende werkzaamheden vallen uiteen in twee verschillende onderdelen, namelijk de calamiteit en de ernstige belemmering of storing in de dienstverlening. Hiervoor is gekozen vanwege de (potentiële) gevolgen die aan de gebeurtenis kleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term calamiteit is overgenomen uit het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten, artikel 7. Daar worden bepaalde verplichtingen uit de wet (WIBON) buiten toepassing verklaard op het moment dat er sprake is van graafwerkzaamheden die noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen. Het belang van het expliciet opnemen van de calamiteit is gelegen in de wijze waarop door een netbeheerder melding gedaan dient te worden en bij wie. De termen 'ernstige belemmering' en 'storing', die volgen uit de Telecommunicatiewet maar door opname in de VFL voor elke netbeheerder geldt, staan niet specifiek omschreven in de wet, maar gedacht moet worden aan een kabelbreuk (Vgl. Kamerstukken II 2004/05, 29 834, nr.3, p.55). Verder zal het gemeentebestuur moeten beoordelen of een ernstige belemmering of storing in de communicatie voldoende reden is om als spoedeisend te worden aangemerkt. Bij spoedeisend dient vanwege opname van de ernstige belemmering of storing in de dienstverlening dus niet alleen gedacht te worden aan calamiteiten waarbij de openbare orde en veiligheid in het gedrang zijn. Ook storingen die financiële of economische consequenties tot gevolg hebben, kunnen een storing spoedeisendheid geven. Het is van belang dat de netbeheerder het gemeentebestuur adequaat inlicht over de (potentiële) gevolgen van een storing, zodat het gemeentebestuur zich een beeld kan vormen van de omvang en spoedeisendheid ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In geval van calamiteiten, ernstige belemmeringen of storingen waarbij reparatie geen uitstel kan lijden, kan uiteraard vooraf geen vergunnings- of meldingsprocedure gelden. Deze dienen wel onmiddellijk te worden gemeld. Zo is het voor het gemeentebestuur mogelijk om de melding te toetsen op spoedeisendheid. Werkzaamheden die door een netbeheerder zijn ingepland leveren in ieder geval geen spoedeisendheid op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De burgemeester kan om redenen van openbare orde en veiligheid besluiten dat de werkzaamheden op een ander tijdstip moeten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.14 en 5.24 Aanvraag en melding Deze artikelen waren opgenomen in de artikelen 2.2 en 2.3 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van voorgenomen werkzaamheden moet de melding of aanvraag bij de gemeente plaatsvinden. In afwijking van artikel 3.2 wordt een aanvraag voor een instemmingsbesluit of een vergunning ingediend bij burgemeester en wethouders via het daarvoor bestemde digitale systeem op de website ‘Meldpunt Openbrekingen Openbare Ruimte’. Op het verlenen van een vergunning of instemmingsbesluit zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zoals het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Een uitvoerende partij, de (onder)aannemer, vraagt in voorkomende gevallen namens de netbeheerder, de initiatiefnemer van werkzaamheden voor het aanleggen, in stand houden of verwijderen van kabels en leidingen, een vergunning of een instemmingsbesluit aan. Hoewel de uitvoerende partij feitelijk de aanvraag indient, is het de netbeheerder of de telecomaanbieder die als aanvrager van de vergunning of het instemmingsbesluit moet worden beschouwd. De netbeheerder of de telecomaanbieder is ook de partij op wiens naam de beschikking is gesteld en die aangesproken dient te worden bij besluiten over het wijzigingen of intrekken van een eerder afgegeven beschikking. Meldingen voor kleine werkzaamheden, dus van niet ingrijpende aard, dienen minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden te zijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.15, 5.25 en 5.26 Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.5 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De artikelen 5.15 en 5.25 bieden de basis om aan respectievelijk een instemmingsbesluit en een vergunning voorschriften en beperkingen te verbinden. Daarnaast biedt artikel 5.26 de grondslag om een vergunning te weigeren. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de voorschriften en beperkingen slechts mogen strekken tot bescherming van die belangen die paragraaf 5.3A en 5.3B beogen te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meestal kan door het verbinden van voorschriften en beperkingen aan het instemmingsbesluit of de vergunning worden bereikt dat aan hetgeen in paragraaf 5.3A en 5.3B is gesteld kan worden voldaan en de belangen waartoe deze paragrafen strekken voldoende worden beschermd. Als ook door het stellen van voorschriften en beperkingen de genoemde belangen niet voldoende kunnen worden beschermd dan moet een vergunningaanvraag op basis van artikel 5.26 worden geweigerd. Een instemmingsbesluit kan vanwege de uit de Telecommunicatiewet voortvloeiende gedoogplicht formeel niet worden geweigerd. Aan een instemmingsbesluit kunnen wel voorschriften en beperkingen worden verbonden. Daarnaast geldt dat een telecomaanbieder, ondanks het ontbreken van een vergunningplicht, ingevolge artikel 5.2, elfde lid van de Telecommunicatiewet gebonden is aan voorschriften die gelden bij of krachtens andere wetten zoals de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid van artikel 5.15 en artikel 5.25 beperkt de werkingsduur van het instemmingsbesluit of de vergunning om uitvoering geruime tijd na afgifte te voorkomen. Een gewijzigd gebruik van gronden kan de werkzaamheden inmiddels onwenselijk maken. Zo nodig kan in het instemmingsbesluit of de vergunning de werkingsduur van het besluit worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid van artikel 5.15 en artikel 5.25 biedt de basis voor de uitwerking van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan (telecom)kabels en leidingen. De werkzaamheden moeten overeenkomstig de in bijlage 5.15-I en 5.15-II beschreven bepalingen worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.16 en 5.27 Wijziging en intrekking Deze artikelen waren opgenomen in artikel 2.6 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Artikel 5.16 en artikel 5.27 geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om een vergunning of instemmingsbesluit in te trekken of te wijzigen indien sprake is van één of meer van de in het eerste lid genoemde situaties. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor een vergunning vier gronden zijn benoemd en voor een instemmingsbesluit enkel twee gronden zijn benoemd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat een instemmingsbesluit vervalt nadat de werkzaamheden zijn voltooid. Daardoor kan een instemmingsbesluit alleen worden gewijzigd of ingetrokken voor of gedurende de werkzaamheden. De gronden in artikel 5.27 eerste lid onder c en d zien op situaties na de uitvoering van de werkzaamheden en hebben daarom geen betrekking op een instemmingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderdeel a en b van het eerste lid wordt aangegeven dat een vergunning of een instemmingsbesluit kan worden ingetrokken of gewijzigd indien de netbeheerder niet binnen zes maanden, of binnen een eventueel in de vergunning of instemmingsbesluit opgenomen afwijkende termijn, is begonnen met het werk en in de situatie waarin de werkzaamheden langer dan een periode van zes maanden stilliggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer kabels of leidingen definitief buiten gebruik worden gesteld, kan de vergunning worden ingetrokken. Dit is verwoord onder c van het eerste lid. Dit geldt niet voor telecomkabels, omdat het instemmingsbesluit vervalt na de werkzaamheden. In gevallen waarin kabels of leidingen nog wel worden onderhouden of in reserve worden gehouden zal er in beginsel geen sprake zijn van het intrekken van een vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel d van het eerste lid is van toepassing wanneer de gemeente vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak van oordeel is dat aanpassing van kabels of leidingen noodzakelijk is. Dit is het geval wanneer de gemeente werken uitvoert die het algemeen belang dienen, waardoor deze kabels of leidingen niet kunnen blijven liggen of moeten worden aangepast. In de meeste gevallen zal hierbij sprake zijn van een gedeeltelijke verlegging van de bestaande kabel of leiding. Per situatie zal door burgemeester en wethouders worden beoordeeld of met het wijzigen van de bestaande vergunning kan worden volstaan, of dat er een nieuwe vergunning afgegeven wordt. Bij deze keuze houden burgemeester en wethouders rekening met de gerechtvaardigde belangen van de vergunninghouder. Hierbij dient opgemerkt te worden dat voor wijzigingen in kabels of leidingen die in het verleden zijn gelegd en waarvoor geen expliciete vergunning is verleend, een nieuwe vergunning dient te worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om aan het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning de verplichting te koppelen om de betreffende kabel of leiding te verleggen/verplaatsen of deze zelfs in zijn geheel te verwijderen. Indien dit voortvloeit uit een intrekking van de vergunning vanwege de rechtmatige uitoefening van de publiekrechtelijke taak van de gemeente (onderdeel d van het eerste lid van artikel 5.27) dan geeft dit de netbeheerder vervolgens de mogelijkheid om een beroep te doen op de nadeelcompensatieregeling, waarin de procedure en voorwaarden voor tegemoetkoming in de schade die de netbeheerder door de opgelegde verplichting lijdt, is geregeld. Een telecomaanbieder kan geen beroep doen op de nadeelcompensatieregeling. Voor deze partijen geldt de vergoedingssystematiek van de Telecommunicatiewet. Overigens zal per geval ook altijd worden bezien of verwijdering van leidingdelen wel wenselijk is en ook technisch mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemeente puur handelt als private/commerciële partij is geen sprake van een publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. Uit jurisprudentie blijkt echter wel dat een zeker commercieel belang niet in de weg staat aan de toepassing van de verordening (ABRvS 5 december 2012, 201108899/1/A3, rechtsoverweging 6.1). Het is echter op een dergelijk moment ter beoordeling aan burgemeester en wethouders hoe wordt omgegaan met het al dan niet toekennen van nadeelcompensatie, althans vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.17 en 5.28 Overleg en afstemming tijdens planvorming Deze artikelen waren opgenomen in artikel 3.5 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikelen benadrukken de regisserende rol die de gemeente kan hebben bij projecten. De gemeente zal als beheerder van de openbare ruimte de belangen van diverse gebruikers van die openbare ruimte trachten te behartigen en voor zover mogelijk ook proberen samen te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente zal periodiek een strategisch overleg initiëren tussen alle betrokken partijen over alle uit te voeren projecten in de gemeente. Daarnaast nemen burgemeester en wethouders het initiatief tot overleg met alle betrokken partijen in de planfase dan wel voorafgaand aan de start van een specifiek door of vanwege de gemeente uit te voeren werk met mogelijke gevolgen voor de ondergrondse infrastructuur. Deze uitwisseling van informatie voorafgaand aan uit te voeren werkzaamheden moet leiden tot een betere afstemming tussen het boven- en ondergrondse werk en tussen netbeheerders onderling. Alle partijen hebben hier belang bij en kunnen profiteren van deze informatie-uitwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op initiatief van de gemeente wisselen alle betrokken partijen tevens voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit. De gemeente zoekt met de netbeheerder naar geschikte tracés, maar is hierin niet leidend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">Medegebruik van voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel was opgenomen in artikel 3.1 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De in dit artikel neergelegde bepalingen over medegebruik zijn met name ontleend aan artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet en de WIBON. Omdat het artikel gebaseerd is op de Telecommunicatiewet is er van dit artikel geen equivalent opgenomen in paragraaf 5.4 van deze verordening. Medegebruik van bestaande voorzieningen beperkt het graven in de openbare gronden. Zodoende wordt een aanbieder verplicht zoveel als mogelijk medegebruik te maken van bestaande voorzieningen van een andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van de gemeente aangelegde voorzieningen. Als de telecomaanbieder echter aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is, geldt de in dit lid opgenomen verplichting niet. Voorschriften bij het instemmingsbesluit kunnen het medegebruik van voorzieningen bevorderen. Het medegebruik kan aan de orde komen in het vooroverleg over het af te geven instemmingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.19 en 5.29 Verplichtingen telecomaanbieder en netbeheerder Deze artikelen waren opgenomen in artikel 3.2 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De verplichtingen in deze artikelen zijn er op gericht dat de gemeente over de actuele informatie beschikt die zij nodig heeft om de doelstellingen van de verordening te kunnen behartigen. Het in of uit gebruik nemen van telecomkabels is van belang in verband met artikel 5.2, negende lid van de Telecommunicatiewet, waarin is bepaald dat een aanbieder verplicht is om aangelegde kabels, die gedurende periode van tien jaar geen deel uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, op te ruimen wanneer de gedoogplichtige (de gemeente) de aanbieder daartoe een redelijk verzoek doet. De gedoogplicht vervalt dan op het moment dat een redelijk verzoek is gedaan. Om die reden is het van belang dat de gedoogplichtige de gemeente in kennis stelt van het in- of uit gebruik stellen van telecomkabels om bij overschrijding van die termijn over te kunnen gaan tot een verzoek tot verwijdering van de kabel. Dit geldt ook voor overige kabels en leidingen. Als blijkt dat deze niet meer in bedrijf zijn kunnen burgemeester en wethouders besluiten deze te laten verwijderen op basis van artikel 5.27. Daarnaast is het van belang welke partij verantwoordelijk is voor welke (telecom)kabel of leiding. Het is daarom essentieel dat burgemeester en wethouders in kennis worden gesteld bij wijzigingen van eigendom of exploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het tweede lid informatie over specifieke kabels of leidingen bij de netbeheerder en de telecomaanbieder opvragen. Dit gebeurt echter alleen als dit noodzakelijk wordt geacht. Burgemeester en wethouders kunnen vragen om informatie over het al dan niet in gebruik zijn, de diameter, het materiaal, of de leeftijd van kabels of leidingen. Deze informatie is doorgaans niet bij het Kadaster geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.20 en 5.30 Meldplicht verontreiniging, gevaar, schade en hinder Deze artikelen waren opgenomen in artikel 3.4 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Deze artikelen hebben betrekking op het voorkomen of bestrijden van verontreiniging, gevaar, schade of hinder die veroorzaakt wordt door kabels en leidingen. De kosten voor deze maatregelen komen in beginsel ten laste van de netbeheerder of de telecomaanbieder. In situaties waarbij het niet redelijk is om alle kosten bij de netbeheerder of de telecomaanbieder te leggen, kan worden afgeweken van dit uitgangspunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Vanzelfsprekend is het noodzakelijk dat de telecomaanbieder storingen waarbij verontreiniging, gevaar, schade of hinder kunnen optreden onmiddellijk te melden aan burgemeester en wethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Van de bevoegdheid van het derde lid zal de gemeente slechts gebruik maken wanneer de belangen die de verordening behartigt in het gedrang (dreigen te) komen. Deze bepaling is aanvullend ten opzichte van sectorale wetgeving, zoals de Wet bodembescherming of de Erfgoedwet. Als sluitstuk kunnen burgemeester en wethouders opschorting van de werkzaamheden vorderen. Bij het opleggen van dergelijke maatregelen vormen de belangen die beschermd worden met deze verordening het beoordelingskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.21 en 5.32 Herstraat- en degeneratiekosten Deze artikelen waren opgenomen in artikel 3.7 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor het herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde (graaf)werkzaamheden worden bij de netbeheerder of de telecomaanbieder in rekening gebracht. De herstraat- en degeneratiekosten voor elementverhardingen en bermen worden berekend op basis van de “Richtlijn tarieven (graaf-) werkzaamheden” van de VNG. De herstraat- en degeneratiekosten voor gesloten verharding worden berekend op basis van ‘Straatwerktarieven Noord-Holland’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen zullen de netbeheerder en burgemeester en wethouders vooraf vaststellen wat er wordt verstaan onder ‘de oude staat’. Dit zal zeker in die gevallen moeten gelden waar de gemeente streeft naar een vorm van graafrust. Dit kan het geval zijn indien binnen een termijn van bijvoorbeeld vijf jaar na oplevering van een project wederom werkzaamheden in de ondergrond zullen gaan plaatsvinden. Dit wordt niet wenselijk geacht, zodat de term ‘de oude staat’ ruim kan worden geïnterpreteerd. Een gestelde termijn kan als ‘richtgetal’ fungeren, maar ‘de oude staat’ moet altijd per geval worden bekeken. Hetgeen wat onder ‘de oude staat’ wordt verstaan, kan dan als bijzondere voorwaarde bij een instemmingsbesluit of vergunning worden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.31</span><span class=\"lf-art-t\">Nadeelcompensatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel was opgenomen in artikel 3.6 van de AVOI.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is nadeelcompensatie (ofwel schadevergoeding voor rechtmatig overheidshandelen) voor aanpassingen aan kabels en leidingen geregeld. Hierbij is zoveel mogelijk geanticipeerd op de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb, waarin nadeelcompensatie in het algemeen is gecodificeerd. Het artikel 5.31 vormt tot de inwerkingtreding van titel 4.5 van de Awb de invulling van de ongeschreven verplichting om onevenredige – boven het normaal maatschappelijk risico uitstijgende – schade te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van aanpassingen aan kabels en leidingen zijn er twee situaties waarin een netbeheerder in aanmerking komt voor nadeelcompensatie: de intrekking of wijziging van een vergunning op grond van artikel 5.27 eerste lid onder d; de rechtmatige uitoefening door burgemeester en wethouders van de publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, waarbij geen vergunning wordt gewijzigd of ingetrokken (bijvoorbeeld omdat de aan te passen kabel of leiding niet in openbare gronden van de gemeente ligt, de zogenaamde buitenleidingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In algemene termen bestaat nadeelcompensatie uit schade die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico en die een netbeheerder in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft. De concrete toepassing en procedure van nadeelcompensatie voor aanpassingen aan kabels en leidingen wordt uitgewerkt in de Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen die door burgemeester en wethouders worden vastgesteld. Voor kabels die onder de Telecommunicatiewet vallen is geen sprake van nadeelcompensatie, maar van het regime van de Telecommunicatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van een project is niet afhankelijk van een verzoek tot nadeelcompensatie. Een project kan derhalve van start gaan en de uitvoering van een werk hoeft niet uitgesteld te worden tot het moment dat een dergelijk verzoek tot nadeelcompensatie is afgehandeld. Sterker nog; bij burgemeester en wethouders kunnen een aanvraag tot nadeelcompensatie pas na de melding dat het plangebied functievrij is en de kabels of leidingen op de definitieve plek liggen, ingediend worden. Wel is het verstandig om tijdens de planvorming een risicoanalyse van de eventueel te verwachten nadeelcompensatie op te stellen. De hoogte van het te verwachten bedrag kan dan opgenomen worden in het projectbudget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting op paragraaf 5.4 Aansluiten op gemeentelijke riolering Gemeenten hebben op grond van de Wet milieubeheer een zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater en op grond van de Waterwet een zorgplicht voor hemelwater en grondwater. De wijze waarop een gemeente invulling geeft aan de zorgplichten wordt weergegeven in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 10.33 Wet Milieubeheer staat de zorgplicht ten aanzien van de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater. Onder stedelijk afvalwater wordt afvalwater verstaan dat bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Deze zorgplicht dient mede ter implementatie van de EU-richtlijn stedelijk afvalwater en sluit aan bij de zorgplicht van de waterschappen voor het zuiveren van stedelijk afvalwater zoals vastgelegd in artikel 3.4 van de Waterwet. In de praktijk wordt hier invulling aan gegeven door de aanleg en beheer van een openbaar vuilwaterriool.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Zaanstad houdt de aansluiting op het gemeentelijke vuilwaterriool in eigen beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bouwbesluit 2012, met name artikel 6.18, geeft technische eisen voor de op het eigen perceel gelegen riolering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.33</span><span class=\"lf-art-t\">Doel van de regels in deze paragraaf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Goede voorzieningen voor de opvang en het beheer van stedelijk afvalwater zijn een voorziening waarmee grote gezondheidswinst behaald wordt. De financiële investeringen van de gemeente in het rioolstelstel zijn enorm. Daarom is het van groot belang dat de voorziening beschermd wordt. In de lijn van de Omgevingswet wordt zoveel als mogelijk het doel van de regels belicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.34</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen rioolaansluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De rioolaansluiting op de gemeentelijke riolering bestaat voor een deel uit een rioolleiding in de openbare ruimte en voor een deel uit een leiding op het perceel dat wordt aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rioolaansluiting tot aan de perceelgrens wordt door of in opdracht van de gemeente aangelegd. Deze aanleg gebeurt op kosten van de rechthebbende op het perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanleg van het riool en het leidingdeel op het perceel van de rechthebbende gebeurt op kosten van de rechthebbende op het perceel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aansluiting op het gemeentelijke rioolstelsel dient aangevraagd te worden via de website van de gemeente Zaanstad via het online formulier (Rioolaansluiting aanvragen - Gemeente Zaanstad).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.35</span><span class=\"lf-art-t\">Eigendom rioolaansluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 5:20 lid 2 BW ligt de eigendom van een net bij de bevoegde aanlegger van dat net of zijn rechtsopvolger. Op grond hiervan is de gemeente, als bevoegd aanlegger van de gemeentelijke voorziening voor het beheer van afvalwater en regenwater, eigenaar van het gehele rioolstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per leidingnetwerk verschilt wat er toe behoort (hoe het net is begrensd). Dit is met name van belang voor de grens tussen het leidingnetwerk en de aansluiting van degene die op dat leidingnetwerk is aangesloten. In de toelichting bij de wijziging van het Burgerlijk Wetboek is aangegeven dat de begrenzing van een leidingnetwerk bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald. In dit artikel wordt van die mogelijkheid gebruik gemaakt, door te bepalen wat tot de gemeentelijke riolering behoort en waar de particuliere rioolaansluiting, die eigendom is van de huiseigenaar, begint (zie Kamerstukken II 2005-2006, 29 834, nr. 9, Tweede nota van wijziging, p. 7). Die grens wordt in principe gelegd bij het ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting. Dit ontstoppingsstuk is vereist op grond van artikel 6.16 en 6.17 van het Bouwbesluit 2012. In die artikelen is bepaald dat de leidingen voor huishoudelijk afvalwater en voor hemelwater moeten voldoen aan NEN 3215. In die NEN - norm staat dat in de aansluitleiding een inspectie- of ontstoppingsmogelijkheid aanwezig moet zijn. Deze inspectie- of ontstoppingsmogelijkheid moet nabij de perceelgrens zijn gesitueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er niet via leidingen onder vrij verval wordt aangesloten, maar via een rioolwaterpomp, dan is de uitstroomopening van de rioolwaterpomp de grens tussen de gemeentelijke riolering en de particuliere huisaansluiting. De rioolwaterpomp is dus geheel in particulier eigendom. Rioolwaterpompen zijn nodig als de lozingstoestellen in een gebouw lager zijn gelegen dan 150 mm boven straatpeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen is de grens tussen het gemeentelijke deel van de aansluiting en het particuliere deel van de aansluiting het punt in de rioolaansluiting dat 0,5 m buiten de perceelgrens ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het vastleggen van de eigendomssituatie is duidelijk wie er verantwoordelijk is voor het verhelpen van verstoppingen en het herstellen van lekkages of andere beschadigingen aan de rioolaansluiting. De perceeleigenaar is verantwoordelijk voor het particuliere deel van de rioolaansluiting en de gemeente is verantwoordelijk voor het deel dat behoort tot de gemeentelijke riolering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat de aanwezige septic tanks na de rioolaansluiting op de gemeentelijke riolering worden verwijderd door en op kosten van de perceeleigenaar. Deze verplichting sluit aan op de rijksregelgeving: in artikel 6.18, derde lid, onder e, van het Bouwbesluit 2012 is geregeld dat een terreinleiding, waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid, geen beer- of rottingput bevat. Een septic tank valt ook onder een beer- of rottingput.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.36</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten rioolaansluiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikelen is overgenomen uit de voormalige Rioolaansluitingsverordening en regelt dat de kosten die de gemeente maakt voor het aanleggen van een rioolaansluiting moeten worden vergoed door de eigenaar van het perceel dat wordt aangesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.37</span><span class=\"lf-art-t\">Verwijderen septic tanks</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijk afvalwater mag niet ongezuiverd geloosd worden. In principe wordt huishoudelijk afvalwater opgevangen in de openbare vuilwaterriolering en gezuiverd in een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Er zijn plekken waar geen gemeentelijke riolering aanwezig is en dan moet de perceeleigenaar het huishoudelijke afvalwater zelf verwerken. Hiervoor wordt vaak een septic tank gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.40</span><span class=\"lf-art-t\">(Aanwijzing) collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:2 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel de Omgevingswet als het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geven gemeenten de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De voorwaarden kunnen bijvoorbeeld gaan over beperking of uitbreiding van het toegestane geluidsniveau of de sluitingstijden. In dit artikel is deze bevoegdheid toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet moest dat geregeld worden in of krachtens een gemeentelijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van overgangsrecht kan de gemeente in de periode tot 31 december 2031 nog gebruik maken van deze systematiek. Vooralsnog zijn de regels in deze verordening gebaseerd op het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op enig moment, gedurende de overgangsperiode van de Omgevingswet, zullen de regels over dit onderwerp worden aangepast aan het systeem van de Omgevingswet en worden opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Zaanstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De uitvoering van de regeling is neergelegd bij B&amp;W.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W hebben collectieve feestdagen aangewezen. Zie ook artikel 8.3, derde lid Derde lid Het maximale aantal aan te wijzen collectieve festiviteiten is door de raad vastgelegd in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W is zeer terughoudend met het gebruik van de mogelijkheid om de collectieve festiviteit terstond aan te wijzen als de festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De aanwijzing kan dus ook voor een beperkt aantal locaties of beperkt soort inrichtingen gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en ook wanneer er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Zaanstad geldt deze beperking niet bij collectieve festiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.41</span><span class=\"lf-art-t\">Incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:3 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel de Omgevingswet als het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geven gemeenten de mogelijkheid om voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten en activiteiten. De voorwaarden kunnen bijvoorbeeld gaan over beperking of uitbreiding van het toegestane geluidsniveau, de sluitingstijden of het maximaal aantal incidentele festiviteiten per jaar. In dit artikel is deze bevoegdheid toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet moest dat geregeld worden in of krachtens een gemeentelijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van overgangsrecht kan de gemeente in de periode tot 31 december 2031 nog gebruik maken van deze systematiek. Vooralsnog zijn de regels in deze verordening gebaseerd op het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op enig moment, gedurende de overgangsperiode van de Omgevingswet, zullen de regels over dit onderwerp worden aangepast aan het systeem van de Omgevingswet en worden opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Zaanstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Volgens het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het maximum aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. De raad heeft voor Zaanstad het maximum op 9 keer per jaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde en zevende lid B&amp;W hebben nadere regels gesteld voor incidentele festiviteiten op het Hembrugterrein. Zie artikel 8.3, eerste lid van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.42</span><span class=\"lf-art-t\">Het ten gehore brengen van onversterkte muziek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:5 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel de Omgevingswet als het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geven gemeenten de mogelijkheid om voorwaarden of maatwerkvoorschriften vast te stellen voor onversterkte muziek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet moest dat geregeld worden in of krachtens een gemeentelijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van overgangsrecht kan de gemeente in de periode tot 31 december 2031 nog gebruik maken van deze systematiek. Vooralsnog zijn de regels in deze verordening gebaseerd op het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op enig moment, gedurende de overgangsperiode van de Omgevingswet, zullen de regels over dit onderwerp worden aangepast aan het systeem van de Omgevingswet en worden opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Zaanstad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In dit lid is een maatwerkvoorschrift opgenomen Tweede lid Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen de mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In dit lid wordt gesproken over oefenen. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Wanneer onversterkte muziek wordt gecombineerd met versterkte muziek dan is dit artikel niet van toepassing. Dan gelden de regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voor versterkte muziek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.43</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 4:5b en 4:6 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Geluidoverlast kan op allerlei manieren veroorzaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden zijn: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een braderie, een rally; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluid producerende recreatietoestellen het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen; het beoefenen van hobby’s die veel lawaai geven; het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten; het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur; het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagen; andere handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooral voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder. En welke maatregelen vervolgens kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder onvermijdelijk is en zal moeten worden aanvaard. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering hierop zijn wegonderhoudswerkzaamheden en onderhoud aan spoorwegen. Deze werkzaamheden mogen dan niet langer dan 5 dagen duren. De uitzondering geldt dus niet voor grotere projecten, waarbij binnen het project meerdere keren de geluidsnormen door dit soort werkzaamheden worden overschreden. Daarvoor moet men wel een ontheffing aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk dat omwonenden op tijd worden geïnformeerd over de mogelijke geluidhinder, de uit te voeren werkzaamheden en maatregelen die worden genomen om ernstige hinder en/of overlast zoveel mogelijk te beperken. Dit gaat in ieder geval om de omwonenden die zich binnen een afstand van 50 m van de geluidsbron bevinden. Wat op tijd betekent, is afhankelijk van de omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk. Vanwege de overlast die geluidsoverlast oplevert wordt de lex silencio positivo niet toegepast. Dus de handeling is alleen toegestaan als er schriftelijk een ontheffing op het verbod is gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.44</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidshinder als gevolg van het luiden van (kerk-)klokken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zowel de Omgevingswet als het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geven gemeenten de mogelijkheid om voorwaarden of maatwerkvoorschriften vast te stellen voor geluid, zoals in dit artikel voor het luiden van onversterkt geluid als gevolg van het luiden van kerkklokken tijdens nachtelijke uren van 23.00 uur en 07.00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet moest dat geregeld worden in of krachtens een gemeentelijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van overgangsrecht kan de gemeente in de periode tot 31 december 2031 nog gebruik maken van deze systematiek. Vooralsnog is de geluidsnorm in deze verordening gebaseerd op het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op enig moment, gedurende de overgangsperiode van de Omgevingswet, zullen de regels over dit onderwerp worden aangepast aan het systeem van de Omgevingswet en worden opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Zaanstad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.50</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:10 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting op artikel 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de gemeenteraad is voor het plaatsen van gedenktekens ‘Beleidskader plaatsing gedenktekens langs wegen in Zaanstad’ vastgesteld. In dit beleidskader zijn 10 randvoorwaarden gesteld voor de plaatsing gedenktekens langs wegen in Zaanstad, die bij de gemeente in beheer zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers. Het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel is niet van toepassing op het kortdurend plaatsen van voorwerpen, wanneer dat past bij de functie en bestemming van de openbare plaats. Het is toegestaan zolang de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en ook aan andere gestelde voorwaarden en eisen wordt voldaan. De burger moet dat zelf afwegen. Daarbij geldt een algemene zorgplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Door het gebruik van het begrip openbare plaats kan het artikel ook worden toegepast bij de aanpak van het illegaal in gebruik nemen van stukjes gemeentegrond door burgers. Dit artikel geeft een rechtsgrond om op te treden tegen het zonder toestemming in gebruik nemen van stukjes gemeentegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Op basis van de Omgevingswet wordt bepaald of het een vergunning of een omgevingsvergunning betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Met deze bepaling wordt door de gemeenteraad aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid verleend om nadere regels te stellen. Nadere regels om te bereiken dat bepaalde gebieden de gewenste uitstraling krijgen en houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn door burgemeester en wethouder bijvoorbeeld nadere regels gesteld voor de plaatsing van voorwerpen, zoals tijdelijke bouwobjecten, uitstallingen en plantenbakken en banken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een te plaatsen object voldoet aan de criteria uit de nadere regels, kan volstaan worden met een melding. Deze melding kan via een digitaal formulier op de website van Zaanstad worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Om te bereiken dat bepaalde gebieden de gewenste uitstraling krijgen en houden, kunnen burgemeester en wethouders gebieden aanwijzen waar het verboden is om voorwerpen of bepaalde voorwerpen te plaatsen. Als voorbeelden worden in dit artikel genoemd: uitstallingen, bouwobjecten, plantenbakken of banken. Het kan dus ook om andere voorwerpen of objecten gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders hebben op basis van deze bevoegdheid al diverse gebieden aangewezen als gebied waarin bepaalde voorwerpen niet geplaatst mogen worden. Bijvoorbeeld in het centrum van Zaandam en de straten rondom de Bloemkorf in de wijk Poelenburg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de lex silencio positivo alleen van toepassing is als dit in een wettelijk voorschrift is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de overlast en de onveiligheid, die het plaatsen van objecten op openbare plaatsen kan geven wordt de lex silencio positivo niet toegepast. Dus de handeling is alleen toegestaan als er schriftelijk toestemming is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is voor omgevingsvergunningen al geregeld in de Omgevingswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.51</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:11 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting bij artikel 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aan dit artikel ligt als motief ten grondslag om de bruikbaarheid van die weg te borgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip “weg” uit de Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor alle wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogeheten “eigen wegen” die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan voor hulpdiensten voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze van verharding, breedte e.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Nutsbedrijven, zoals energie- of waterbedrijven, moeten op grond van artikel 2:11 van deze verordening een omgevingsvergunning hebben voor het aanleggen van leidingen e.d. in een weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten mogen geen omgevingsvergunning eisen voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is dwingend geregeld in de Telecommunicatiewet dat telecommunicatiebedrijven een instemmingsbesluit dienen aan te vragen bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Hiermee is aangesloten bij de Omgevingswet. In deze wet is bepaald dat op de omgevingsvergunning paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg veroorzaakt immers gevaarlijke situaties als er niet extra (voorzorg)maatregelen worden getroffen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.52</span><span class=\"lf-art-t\">Maken of veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 2:12 APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders (zie verder toelichting artikel 3.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer ontstaan of dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar groen of de schaarse parkeerruimte in Zaanstad, is een vergunningplicht opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B&amp;W hebben vastgesteld ‘Beleidsregels Uitwegen Gemeente Zaanstad 2008.’ Deze beleidsnotitie geeft een uitwerking van criteria voor vergunningverlening van uitwegvergunningen. Deze beleidsnotitie heeft als doel een eenduidig beleidskader te hebben bij het beoordelen van aanvragen voor vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. B&amp;W kunnen in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming nodig heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.53</span><span class=\"lf-art-t\">Maken en onderhouden geveltuintjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente moedigt het aanleggen van geveltuintjes aan, omdat geveltuintjes bijdragen een aantrekkelijke woonomgeving en ook helpen dat water bij regenbuien sneller wordt afgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente maakt als kan worden voldaan aan de algemene regels op verzoek ruimte vrij in het trottoir. Daarbij wordt wel van verwacht dat de bewoner van het pand de beplanting aanlegt en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de algemene regels gegeven voor de gemeente en de bewoners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke reden om niet aan het verzoek te kunnen voldoen is dat het trottoir al erg smal is en daarom de bruikbaarheid van het trottoir een geveltuintje niet toelaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene toelichting op paragraaf 5.7 Activiteiten bij of op openbaar water Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan verschillende overheden opgedragen. De centrale overheid beheert de belangrijkste rivieren en rijkskanalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincies, gemeenten en waterschappen beheren de overige openbare wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan op grond van artikel 149 van de Gemeentewet regels stellen over het openbaar water in haar beheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf gaat over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving en is daarom vanaf 1 januari 2021 opgenomen in deze verordening. Daarvoor had de gemeente vergelijkbare regels opgenomen in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening gaat niet over de scheepvaart. De scheepvaart wordt gereguleerd door de Scheepvaartverkeerswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verordening is niet van toepassing op het Noordzeekanaalgebied. Hier geldt de Regionale Havenverordening met het bijbehorende reglement.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.60</span><span class=\"lf-art-t\">Doel en reikwijdte van regels over openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In dit artikellid staat het doel van de regels in deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Ook de Algemeen plaatselijke verordening van Zaanstad (APV) kent regels over openbaar water. De regels in de APV hebben een ander motief. Zij beogen vooral de openbare orde te beschermen. De regels in de APV zijn onverkort van toepassing op openbaar water.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.61</span><span class=\"lf-art-t\">Plaatsen objecten in, bij, boven of op openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:24 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit artikel verbiedt objecten die het gebruik, het onderhoud of het beheer van openbaar water nadelig kunnen beïnvloeden, die hinder kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het artikel is in aanvulling op diverse andere wetten en regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veiligheid op het water is volledig geregeld in de artikelen 162, 163 en 427, sub 6 van het Wetboek van Strafrecht en in artikel 1.15 van het Binnenvaartpolitiereglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. De vergunning wordt bij niet tijdig beslissen niet van rechtswege verleend, omdat het hinder, gevaar of schade kan opleveren voor de (fysieke) leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.62</span><span class=\"lf-art-t\">Innemen ligplaats voor vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 5:25 en 5:25a van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Door de gemeente worden ligplaatsen en pleisterplaatsen aangewezen, die bedoeld zijn voor tijdelijk gebruik door vaartuigen. Deze worden zo gekozen dat de scheepsvaart er geen hinder van ondervindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aangewezen ligplaatsen zijn opgenomen in het geldende Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Pleisterplaatsen bieden voor recreatievaartuigen een tijdelijke ligplaats. Bijvoorbeeld om de Zaanstreek te bekijken. Om dit gebruik voor iedereen te borgen is de maximale aanleg duur per pleisterplaats 3 x 24 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Om het recreatieve gebruik voor iedereen te borgen is het maximale gebruik per pleisterplaats in Zaanstad beperkt tot 9 dagen per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Deze ligplaatsen voor vaartuigen zijn niet bedoeld voor woonschepen en woonarken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor woonschepen zijn bij (woonschepen)verordening specifieke regels gesteld en worden specifieke ligplaatsen aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Het doel van dit artikellid is het verbieden van wonen op recreatieschepen die niet bedoeld zijn om permanent op de wonen. Recreatieschepen zijn hier niet op ingericht. Het is zelfs levensgevaarlijk om erop te wonen. Denk hierbij aan koolmonoxidevergiftiging en ontploffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod is niet van toepassing op woonschepen en woonarken. Woonschepen en woonarken zijn geen recreatieschepen. Voor woonschepen zijn bij (woonschepen)verordening specifieke regels gesteld en worden specifieke ligplaatsen aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.63</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:28 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken en infrastructuur die in beheer zijn bij de gemeente. Het begrip waterstaatswerken wordt gebruikt conform de definitie in de Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder waterstaatswerken en infrastructuur wordt in ieder geval verstaan: vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast legt artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement aan degene die een kunstwerk beschadigt een meldingsplicht op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.64</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiken vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:37 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaanstad wil zicht houden op activiteiten die op vaartuigen in het openbaar water plaatsvinden. Om de fysieke leefomgeving te beschermen, verrommeling en risicovolle activiteiten tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In uitzonderlijke gevallen kunnen burgemeester en wethouders een tijdelijke ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. De ontheffing wordt bij niet tijdig beslissen niet van rechtswege verleend, omdat het hinder, gevaar of schade kan opleveren voor de (fysieke) leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.65</span><span class=\"lf-art-t\">Breken van ijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:38 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod om ijs met een dikte vanaf 3 centimeter te breken heeft meerdere redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste het voorkomen van hinder of schade aan de vaarwegen, de oevers en walkanten, de waterstaatswerken en aan vaartuigen en woonschepen die aan de walkanten liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede wil Zaanstad, als waterrijke gemeente met een schaatstraditie, het ijs in de polders veilig houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet wanneer het ijs dunner is dan 3 centimeter. Dan mag het ijs wel worden gebroken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.66</span><span class=\"lf-art-t\">Opleggen vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:39 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het opleggen van vaartuigen betekent: dat schip niet beschikt over de vereiste certificaten; dat er beslag is gelegd op dat schip, de lading of de bunkers; of dat schip is onttrokken aan het nautische of economisch verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit heeft tot gevolg dat een vaartuig niet verder vaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt regelmatig voor dat vaartuigen door de eigenaar worden onttrokken aan het economisch verkeer of stilliggen, omdat er geen nieuwe opdrachten zijn ontvangen. Ook komt het regelmatig voor dat een vaartuig een vaarverbod krijgt of dat er beslag wordt gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ligplaatsen hebben algemene gebruiksvoorwaarden. Deze moeten altijd worden nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén deze voorwaarden is de maximaal toegestane gebruiksduur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een schip dat is opgelegd langer dan de maximaal toegestane gebruiksduur een ligplaats inneemt, moet een vergunning worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel maakt het mogelijk om het opleggen van (beroeps)vaartuigen op ligplaatsen te voorkomen. Hiermee wordt de veiligheid en bruikbaarheid van de infrastructuur, het openbaar water, het milieu en het uiterlijk aanzien van de omgeving beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien is het niet wenselijk dat een vaartuig langere tijd aangemeerd is. Hierdoor worden aanmeervoorzieningen voor andere vaartuigen beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. De vergunning wordt bij niet tijdig beslissen niet van rechtswege verleend, omdat het hinder, gevaar of schade kan opleveren voor de (fysieke) leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:67</span><span class=\"lf-art-t\">Baggeren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:40 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Om te mogen baggeren of te vissen naar voorwerpen is een vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ter bescherming van de fysieke leefomgeving en het milieu. Want baggeren en het vissen naar voorwerpen (dreggen) kan hinder of schade geven aan de vaarwegen, de oevers en walkanten, de waterstaatswerken en aan vaartuigen en woonschepen, die aan de walkanten liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is het van belang eisen te stellen aan en zicht te kunnen houden op de afvoer van de opgebaggerde grond, omdat deze vaak verontreinigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Burgemeester en wethouders kunnen personen aanwijzen om te baggeren of om voorwerpen op te duiken. In dat geval is geen vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. De ontheffing wordt bij niet tijdig beslissen niet van rechtswege verleend, omdat het hinder, gevaar of schade kan opleveren voor de (fysieke) leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.68</span><span class=\"lf-art-t\">Locaties voor bouwen, herstellen, droogzetten of slopen van vaartuigen en woonschepen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 5:41 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het is verboden een vaartuig of woonschip of een onderdeel daarvan te bouwen, herstellen, droog te zetten of te slopen buiten de locaties die voor deze activiteiten zijn bedoeld. Deze activiteiten zijn verboden omdat hierbij de veiligheid en het milieu en de leefomgeving in het geding kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze activiteiten worden op een werf uitgevoerd met een vergunning op basis van de Wet milieubeheer of op basis van de Omgevingswet. Dat hangt af van de aard van de activiteit. De Wet milieubeheer is grotendeels geïntegreerd in de Omgevingswet en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten op een werf kunnen dus vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer, maar sinds de invoering van de Omgevingswet vallen veel activiteiten onder de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In de omgevingsvergunning kunnen voorwaarden, voorschriften en beperkingen worden gesteld aan werkzaamheden, die niet vallen onder de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De vergunning van het tweede lid is niet nodig als geen gevaar, schade of hinder te verwachten is voor de fysieke leefomgeving bij kleine, kortdurende reparaties en werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Burgemeester en wethouders kunnen de verplichting opleggen tot periodieke droogzetting van het vaartuig voor een inspectie van het vaartuigen onder de waterlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Voor het Noordzeekanaalgebied gelden de regels van een specifieke verordening. Namelijk de Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied. De regels van dit artikel zijn dan niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. De vergunning wordt bij niet tijdig beslissen niet van rechtswege verleend, omdat het hinder, gevaar of schade kan opleveren voor de (fysieke) leefomgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.69</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiken hoofdmotor of hulpmotor op ligplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare regeling was opgenomen in artikel 5:43b van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het is verboden om een motor in werking te hebben bij het aangemeerd liggen van een vaartuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is verboden om overlast van motoren van vaartuigen voor omwonenden te beperken en om het milieu niet onnodig te belasten. Op veel ligplaatsen stelt de gemeente walstroom beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ligplaatsen en ook wachtplaatsen bij bruggen en sluizen zijn voorzien van een walstroominstallatie om de vaartuigen van stroom te voorzien. Zelfstandig stroom opwekken is dus niet meer noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Vanzelfsprekend is het verbod niet van toepassing tijdens het aanmeren of afmeren van het vaartuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In uitzonderlijke gevallen kunnen burgemeester en wethouders kunnen tijdelijke ontheffing verlenen van het verbod. Bijvoorbeeld voor vaartuigen, die koelinstallaties voor bederfbare waar hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. De ontheffing wordt niet van rechtswege verleend, omdat het hinder oplevert voor de omgeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.72</span><span class=\"lf-art-t\">Wijzigen of slopen gemeentelijk (archeologisch) monument of beeldbepalende onroerende zaak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is deels gebaseerd op het voormalige artikel 14 van het model Erfgoedverordening 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie toelichting bij artikel 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het besluit bouwwerken leefomgeving zijn bouwwerkzaamheden opgenomen waarvoor geen vergunning nodig is. Anders dan bij een gemeentelijk monument zijn beeldbepalende onroerende zaken niet uitgezonderd van dit vergunningvrij bouwen. Dit volgt uit de artikelen 2.29 en 2.30 van het besluit bouwwerken leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid onder b In gevallen waarin herbouw onontkoombaar is, is vergunning mogelijk voor herbouw in andere stijl, maar met vergelijkbaar beeld. Hiervoor is geen subsidie van toepassing. Per geval kan worden beoordeeld of de status van beeldbepalende onroerende zaak dan gehandhaafd kan of moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een vergunning voor de activiteit slopen van een beeldbepalende onroerende zaak te kunnen afgeven, moet onomstotelijk vaststaan dat behoud van het pand of object technisch niet mogelijk is binnen verantwoorde financiële randvoorwaarden. Aan de vergunning kan de voorwaarde worden verbonden van het uitgebreid documenteren van de te slopen zaak, met bouwtekeningen en foto’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid onder c Zoals het woord al zegt wordt bij beeldbepalende onroerende zaken het uiterlijk beschermd. Wijziging van interieur en materiaal(soort) zijn bij beeldbepalende onroerende zaken daarom vergunningvrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoever de bescherming zich uitstrekt is bepaald in de redengevende omschrijving per aangewezen beeldbepalende onroerende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 16.58 Omgevingswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling voor kerkelijke monumenten geldt niet voor kerkelijke beeldbepalende onroerende zaken, omdat daarbij bescherming van het interieur is uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen dan geen wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging in dat pand in het geding zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.73</span><span class=\"lf-art-t\">Advies omgevingsvergunning gemeentelijk of provinciaal monument of beeldbepalende onroerende zaak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders zenden een volledige aanvraag voor een omgevingsvergunning voor advies aan de adviescommissie als bedoeld in artikel 3.7.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.74</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 18 van de VNG model Erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit artikel borgt dat het stads- of dorpsgezicht ook al beschermd is in de periode dat het definitieve omgevingsplan wordt voorbereid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de aanwijzing van het gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht is verwerkt in het omgevingsplan vindt handhaving plaats op basis van het omgevingsplan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.75</span><span class=\"lf-art-t\">Slopen in gemeentelijke beschermd stads- of dorpsgezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 20 van de VNG model Erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de in dit artikel bedoelde vergunning kan sprake zijn van een ander bevoegd gezag dan burgemeester en wethouders. Zie ook toelichting bij artikel 3.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.76</span><span class=\"lf-art-t\">Vangnet archeologie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op artikel 23 van de VNG model Erfgoedverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Deze bepaling is een vangnet voor als in het tijdelijke omgevingsplan nog geen beschrijving is opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Bij nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels met betrekking tot een programma van eisen of een plan van aanpak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.77</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik bouwwerk als nachtverblijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 7.3.1. van de Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is opgenomen met het oog op de brandveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De algemene normen voor brandveiligheid staan sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is op basis van artikel 6.6 Bbl gebruiksmelding verplicht bij nachtverblijf in zorginstellingen voor meer dan 10 personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om deze verplichting al op te leggen bij nachtverblijf voor meer dan 5 personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.78</span><span class=\"lf-art-t\">[Vervallen]</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.80</span><span class=\"lf-art-t\">Vellen van boom</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:11 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit het vellen van een houtopstand zoals bedoeld in artikel 22.8 Omgevingswet en artikel 2.1a Omgevingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals uit de begripsbepaling ook blijkt vallen zowel een individuele boom als een groep van bomen onder het begrip houtopstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms zal naast deze vergunning nog een vergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving nodig zijn voor flora en fauna-activiteiten in verband met de bescherming van bijvoorbeeld broedende vogels, verblijfplaatsen of foerageerroutes van vleermuizen en verblijfplaatsen van kleine zoogdieren. Het is mogelijk om dit in één aanvraag te doen, maar het is ook toegestaan om een vergunning van het Besluit activiteiten leefomgeving apart aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dus alleen voor bomen vanaf deze dikte en omvang geldt de verplichting om een omgevingsvergunning aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning afhankelijk van de feitelijke situatie voorschriften verbinden. Bijvoorbeeld dat pas gebruik mag worden gemaakt van de vergunning als de daarmee samenhangende vergunning is verleend en de bezwaartermijn of beroepstermijn van de samenhangende vergunning verstreken is zonder dat de samenhangende vergunning is geschorst. Hiermee wordt voorkomen dat bomen al worden gekapt voordat daadwerkelijk uitvoering kan worden gegeven aan het (bouw)plan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbenden kunnen voor het einde van de bezwaar- of beroepstermijn de mogelijkheid om een schorsing te vragen van de samenhangende vergunning. Daarmee wordt dan ook de werking van de omgevingsvergunning voor het kappen uitgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feitelijk betekent dit dat voor aanvragen, die regulier worden voorbereid, het einde van de bezwaartermijn geldt. Voor aanvragen die worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uitgebreide procedure) geldt het einde van de beroepstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel is te voorkomen dat bomen op een locatie al gekapt worden en dat vervolgens op de locatie nog geen (bouw)activiteiten gestart worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Omdat het vellen van een boom door omwonenden vaak als ongewenst wordt gezien, is het belangrijk dat het tijdsverloop tussen het onherroepelijk worden van de vergunning en het feitelijk vellen van de boom niet te lang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In deze gevallen volstaat een melding, omdat de handeling de levensvatbaarheid van de boom niet verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Het is niet altijd haalbaar om een melding te doen voorafgaande aan het vellen van een boom. Bij acuut gevaar (bijvoorbeeld bij stormschade) wordt in de praktijk eerst de boom gekapt, daarna gemeld bij Burgemeester en wethouders. Bij deze melding achteraf wordt aangegeven welke bomen zijn gekapt en wordt een herplantplan aangeleverd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.81</span><span class=\"lf-art-t\">Herplantplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:12 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste Lid Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt ook een plan ingediend over de herbeplanting ter vervanging van de boom. In dit plan wordt opgenomen wanneer, op welke locatie en welke soort bomen ter vervanging worden geplant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door te herbeplanten wordt de schade voor de fysieke leefomgeving beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijnen hiervoor worden opgenomen in het bomenbeleidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Aan een vergunning kunnen burgemeester en wethouders op basis van artikel 3.4 van deze verordening voorschriften en beperkingen verbinden. De vergunning zal in ieder geval voorschriften bevatten over de termijn van (her)planten, het soort en het aantal bomen of andere gewassen en de locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleid en de criteria voor het herbeplanten zijn opgenomen in het door de raad vastgestelde bomenbeleidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Wanneer niet (volledig) kan worden voldaan aan de herplantplicht kunnen burgemeester en wethouders een financiële bijdrage opleggen. Deze bijdrage zal gebruikt worden om op een andere locatie bomen te planten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Met deze regel wordt geborgd dat in geval een boom geveld wordt zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is verleend dat burgemeester en wethouders de verplichting op kunnen leggen binnen een gestelde termijn nieuwe bomen te planten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.82</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke indieningsvereisten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand moet concrete informatie worden aangeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook moet de reden voor het vellen worden aangegeven. Die reden wordt betrokken bij de belangenafweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe groter de waarde van de boom is voor de omgeving, des te zwaarder moet het belang van de aanvrager zijn bij het vellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.83</span><span class=\"lf-art-t\">Specifieke weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:11 lid 3 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde specifieke weigeringsgronden gelden naast de algemene weigeringsgronden. Deze belangen worden afgewogen tegen het belang van de aanvrager bij het vellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.84</span><span class=\"lf-art-t\">Snoeien, knotten en kandelaberen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op de voormalige artikelen 4:10 en 4:11 van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd boom voor meer dan 20% te snoeien. Dit geldt voor zowel bovengronds als ondergronds snoeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt dus niet voor het reguliere snoeien van bomen tot 20% wat nodig is voor het onderhoud en de instandhouding ervan. Hierbij kan gedacht worden aan het verwijderen van takken of het uitdunnen van de kroon, om de groei te bevorderen of om de kans op schade bij harde wind te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is voor het eerste keer knotten of kandelaberen een vergunning nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.85</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijden iepziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gebaseerd op het voormalige artikel 4:11a van de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opnemen van een artikel ter bestrijding van de iepziekte is een belangrijke wens van de provincie Noord- Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het verbod van artikel 5.80 geldt niet wanneer de boom op grond van de Plantenziektenwet moeten worden geveld. In dat geval is het vellen geboden om verdere verspreiding van ziekten te voorkomen. De eigenaar of een andere rechthebbende van het perceel is hiervoor verantwoordelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie verleent de vergunning bij bestrijden van de iepziekte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is noodzakelijk geworden sinds het ministerieel Besluit Bestrijding Iepziekte vanaf 1991 is ingetrokken en gemeenten zelf de bevoegdheid hebben om tegen deze ziekte regelend op te treden. Optreden is dringend gewenst om de overgebleven iepen binnen de gemeente in stand te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid en de verplichting om maatregelen te nemen voor iepen die mogelijk een gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen bestuursdwang toepassen als niet binnen de gestelde termijn is voldaan aan de maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit lid verbiedt het vervoer en het voorhanden hebben van bebaste iepen. Iepen mogen niet zonder ontheffing worden vervoerd om te worden versnipperd. Dit moet zoveel als mogelijk gebeuren op de plaats waar de iep geveld wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het transport is een transportvergunning nodig van de provincie. Veelal werken boomverzorgingsbedrijven die iepen afvoeren voor meerdere overheidsinstanties en hebben deze bedrijven al een transportontheffing van een andere instantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing is een gedelegeerde bevoegdheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-586-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.86</span><span class=\"lf-art-t\">Beplanting nabij grenslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Zaanstad streeft naar behoud en versterken van de biodiversiteit in de gemeente en het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering zoals verdroging en wateroverlast. Hiervoor heeft de gemeente ambities vastgesteld op het gebied van onder andere boomkroonbedekking en aantallen bomen in de openbare ruimte. Dat algemene belang is door Europa erkend en daar is de Natuurherstelwet voor aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke maatregelen van deze Natuurherstelwet zijn het vermijden van nettoverlies aan stedelijke groene ruimte en boomkroonbedekking tot eind 2030.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bomen in de openbare ruimte staan in veel wijken al decennia binnen de afstand van 2 meter tot de erfgrens. De ruimte is in de meeste wijken van Zaanstad niet voldoende om een grotere afstand aan te houden. Daarom wordt in dit artikel gebruik gemaakt van de mogelijk in artikel 5:42 van het Burgerlijk wetboek om deze plaatselijke gewoonte bij verordening vast te leggen. In dit artikel wordt geregeld dat de afstand van de grenslijn van eens anders erf 0,5 meter bedraagt voor bomen in de openbare ruimte. Hierbij wordt gerekend vanaf het midden van de voet van de boom.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Zaanstad geldt voor de kap van particuliere houtopstanden geen vergunningplicht. Om die reden blijven voor particulieren onderling de standaard afstanden gelden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Toezicht en Handhaving</h3>\n<p class=\"lf-p\">De werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om na te gaan of voorschriften worden nageleefd, worden aangeduid als ‘toezicht op de naleving’ van die voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder handhaving wordt verstaan de werkzaamheden om in concrete gevallen vast te stellen of een feit is gepleegd of een overtreding is begaan waarop straf staat, een bestuurlijke boete of een andere bestraffende sanctie, op basis van een redelijk vermoeden dat dit het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op toezicht en handhaving is hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening bevat geboden en verboden. Op de naleving hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door onder andere het opleggen van een last onder bestuursdwang of onder dwangsom - en strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden aangewezen met toezichthoudende of opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in deze verordening. De opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbaarstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</p></div>", "next": 239841}