{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterstaatswerken als onderdeel van het watersysteem. Door het voorschrijven van deze beleidsregel kan de instandhouding van zowel de waterkwaliteit (ecologie) als de waterkwantiteit (berging en doorstroom) van het watersysteem worden gewaarborgd. Veiligheid speelt daarbij ook een belangrijke rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel Waterkwaliteit Wanneer stoffen, wat voor stoffen dan ook, in het watersysteem terecht komen, kunnen deze (zeer) negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit hebben. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid en de mate van schadelijkheid van de in het watersysteem gebrachte stof. De lozing van sommige stoffen op het oppervlaktewater kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de ecologie; niet alleen in het watersysteem, maar ook daarbuiten. Eén van de vele risico's van een lozing van schadelijke stoffen betreft bijvoorbeeld vissterfte, een goede indicatie dat er iets mis is met de waterkwaliteit. Vogels kunnen vervolgens schade ondervinden wanneer zij zieke vissen opeten, enzovoorts.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is de kwaliteit van het oppervlaktewater ook van belang voor agrariërs die het water gebruiken om het land te besproeien bij nachtvorstbestrijding of in tijden van droogte. Aangezien het daarbij vaak om de productie van voedsel gaat, is het van belang dat er bij het sproeien schoon oppervlaktewater wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stoffen kunnen ook voortkomen uit voorwerpen die met het water reageren. Gecreosoteerd hout of metalen kunnen, wanneer zij in het water terecht komen, mogelijke schadelijke stoffen uitscheiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroming Wanneer voorwerpen in een oppervlaktewaterlichaam terecht komen heeft dat uiteraard een effect op de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam. Hoe groot dat effect is, is afhankelijk van de vorm en de grootte van het voorwerp. In de regel worden er geen voorwerpen, anders dan daarvoor specifiek opgestelde algemene regels of beleidsregels, in de keurzone toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisdieren kunnen van invloed zijn op de doorstroming van een oppervlaktewaterlichaam, bijvoorbeeld doordat zij de oever vertrappen en daardoor het profiel van het oppervlaktewaterlichaam kleiner maken. Ook kan het voorkomen dat, bij afwezigheid van een veekerende constructie, vee in het oppervlaktewaterlichaam zelf terecht komt, met alle mogelijke gevolgen van dien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overleg met het waterschap kunnen drinkplaatsen voor vee wel worden toegestaan. Als het nodig is om voor de in richting van drinkplaatsen werkzaamheden uit te voeren, is daarvoor een watervergunning nodig. Deze vergunning moet aangevraagd worden voordat met de werkzaamheden wordt begonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkeringen Het hebben of houden van vee op primaire waterkeringen is niet toegestaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor die gedeeltes van de dijk, waar een gebruiks-/beheersovereenkomst met het waterschap is gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuurvriendelijke oevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op natuurvriendelijke oevers kan vee ecologische schade aanbrengen. Het hebben of houden van vee of het aanleggen van drinkplaatsen is daarom daar niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze beleidsregel zijn geen bijzondere criteria opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 Het (ver)graven van (nieuwe) oppervlaktewaterlichamen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2 onder 1, 2 en 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur een waterstaatswerk te wijzigen, te vervangen of te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen (met inbegrip van de daarin gelegen en daartoe ten dienste staande kunstwerken) aan te leggen of te graven met als bedoeling deze te verbinden met bestaande waterstaatswerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen Onder oppervlaktewaterlichamen worden in deze context wateren verstaan die onderdeel vormen van, of van invloed zijn op, het watersysteem. Er zijn verschillende soorten oppervlaktewaterlichamen:</p>\n<p class=\"lf-p\">A-wateren: zijn oppervlaktewaterlichamen met een primaire functie voor het waterhuishoudkundig systeem. Het water heeft deze functie als een landelijk gebied met een oppervlakte vanaf 50 ha. of als een stedelijk gebied met een oppervlak vanaf 25 ha. afhankelijk is van dit water voor de wateraanvoer en/of de waterafvoer en de waterberging;</p>\n<p class=\"lf-p\">B-wateren: zijn oppervlaktewaterlichamen met een secundaire functie voor het waterhuishoudkundig systeem. Het water heeft deze functie als een landelijk gebied met een oppervlakte tussen de 20 en 50 ha. of als een stedelijk gebied met een oppervlak tussen 10 en 25 ha. afhankelijk is van dit water voor de wateraanvoer en/of de waterafvoer en de waterberging;</p>\n<p class=\"lf-p\">C-wateren: zijn oppervlaktewaterlichamen met een tertiaire functie voor het waterhuishoudkundig systeem. Het water heeft deze functie als een landelijk gebied met een oppervlakte tot 20 ha. of als een stedelijk gebied met een oppervlak tot 10 ha. afhankelijk is van dit water voor de waterberging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke oppervlaktewaterlichamen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel heeft betrekking op alle oppervlaktewaterlichamen, voor zover deze onderdeel zijn of zullen worden van het watersysteem dat wordt beheerd door Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid Nieuwe oppervlaktewaterlichamen worden meestal gegraven als compensatie voor de demping van oppervlaktewaterlichamen en/of voor de versnelde afvoer van hemelwater ten gevolge van de uitbreiding van verhard oppervlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een demping van een oppervlaktewaterlichaam wordt getoetst aan de algemene toetsingcriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor nieuwe lozingen van hemelwater van verhard oppervlak geldt een aparte beleidsregel (5.16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het graven van oppervlaktewaterlichamen (voorkeursvolgorde compenseren, afmetingen) geldt een aparte beleidsregel (5.1) Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van het watersysteem. In dit geval gaat het om het voorkomen van stremming en stuwing in de aan- en afvoer van water, het waarborgen van een goede stabiliteit van het talud, het behouden van voldoende berging, het aanleggen van voldoende natuurvriendelijke oevers en ecologische verbindingszones en het uitvoeren van doelmatig onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel Voor bestaand stedelijk gebied worden bij de overname van het beheer van stedelijk water (stedelijke oppervlaktewaterlichamen) afspraken gemaakt over het onderhoud en de onderhoudsmogelijkheden. Voor nieuw stedelijk gebied zullen in de ontwerpfase al afspraken over het waarborgen van doelmatig onderhoud kunnen worden gemaakt. Beide vormen van afspraken kunnen vervolgens in de legger worden bevestigd, zodat daarmee ook de keur van toepassing is. Het maatwerk houdt daarbij in dat een eigenaar zoveel mogelijk gebruik kan blijven maken van zijn eigendom (geen onnodige gebruiksbeperkingen op andermans eigendom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanleg van een nieuw watersysteem in een nieuwbouwplan kan het voornemen bij gemeente of projectontwikkelaar bestaan om grond aan particulieren uit te geven tot aan het A-water. In dat geval moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden. De belangrijkste voorwaarden zijn dat doelmatige onderhoudsmogelijkheden en de bergingsfunctie voor water moeten worden gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder \"toetsingscriteria\" worden de bijzondere toetsingscriteria in verband hiermee vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dergelijke afspraken in het kader van het watertoetsadvies zijn gemaakt en vastgelegd, zal daarmee bij de watervergunningverlening rekening worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroming Als nieuwe oppervlaktewaterlichamen worden gegraven is het van belang dat de doorstroming van de oppervlaktewaterlichamen is gewaarborgd. Daarnaast heeft het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen een effect op de doorstroming van het reeds bestaande watersysteem. Negatieve gevolgen voor de doorstroming van bestaande oppervlaktewaterlichamen dienen te worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterberging Als een nieuwe of vergraven oppervlaktewaterlichaam is of wordt aangesloten op het bestaande watersysteem, moet het oppervlaktewaterlichaam voldoen aan minimale afmetingen, zodat de waterberging, als onderdeel van het totale watersysteem, kan worden gewaarborgd. Afhankelijk van de functie van het oppervlaktewaterlichaam kunnen aanvullende eisen worden gesteld. Zo moet bij nieuwe A-wateren in stedelijk gebied, 35% van de oeverlengte bestaan uit een natuurvriendelijke oever. In het kader van watertoets of vooroverleg kan deze 35% ook worden gerealiseerd in de vorm van alternatieve ecologische voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het graven van oppervlaktewaterlichamen in kwelgevoelige gebieden kan leiden tot een toename van de kwel. In die gevallen kan het waterschap aanvullende compensatie voorschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud Bij het graven van een nieuwe oppervlaktewaterlichaam of het vergraven van een bestaande oppervlaktewaterlichaam, moet rekening worden gehouden met de manier waarop het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij A-wateren wordt een beschermingszone van 4 meter (of 5 meter in de gebieden van Alm en Biesbosch en de Alblasserwaard) toegepast. Bij B-wateren is dat 1 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de afmetingen van de nieuwe oppervlaktewaterlichaam moet dus niet alleen rekening gehouden worden met de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zelf, maar ook met de beschermingszones. Dit is vooral belangrijk als er sprake is van meerdere perceelseigenaren. In het geval van B-wateren, bijvoorbeeld, zijn de eigenaren van de aangrenzende percelen verantwoordelijk voor het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam. Met deze onderhoudsplicht, evenals het instandhouden van de obstakelvrije beschermingszone, moet voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden door alle belanghebbenden zijn ingestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoeverre er van de onderhoudsroutes aan weerszijden van een oppervlaktewaterlichaam gebruik wordt gemaakt, hangt daarnaast af van de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam en het materieel dat bij het onderhoud wordt gebruikt. Een A-water met een bovenbreedte van meer dan 8 meter moet altijd tweezijdig onderhouden kunnen worden. Als een A-water in stedelijk gebied varend wordt onderhouden kan aan afwijkende beschermingszones worden gedacht. Deze moeten dan wel in de legger vastgelegd worden. De 'flexibele legger' kent mogelijkheden om van de minimale afmetingen van de beschermingszones in stedelijk gebied af te wijken. Dit moet echter per geval worden getoetst. In de ontwerpfase kunnen hierover afspraken met het waterschap worden gemaakt, indien en voorzover doelmatig onderhoud als beschreven in deze beleidsregel, mogelijk blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aansluiten van nieuwe oppervlaktewaterlichamen op A-wateren mag het doelmatig onderhoud aan de A-water niet hinderen. Doorgaande onderhoudsroutes mogen dus niet zomaar worden onderbroken. Het waterschap kan voor het doelmatig onderhoud dan ook aanvullende eisen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit Het is bij nieuwe en te vergraven oppervlaktewaterlichamen belangrijk dat de stabiliteit van het talud wordt gewaarborgd. Er worden daarom voorschriften gegeven over de taludverhouding en de afwerking van de oever. Ook het opbarsten van de bodem moet worden voorkomen. Afhankelijk van de status van het oppervlaktewaterlichaam kunnen aanvullende eisen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Aanvragen voor nieuwe waterstaatswerken worden getoetst aan de algemene toetsingscriteria. De afmetingen van A- en B-wateren zijn daarin als volgt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-wateren Het talud moet minimaal een schuinte hebben van 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodembreedte minimaal 0,70 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemhoogte 1,00 meter onder zomerpeil of boezempeil. Als de fysische gesteldheid van de bodem deze bodemhoogte niet toelaat, kan een geringere waterdiepte dan 1 meter worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebied en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze criteria gelden voor zowel nieuwe oppervlaktewaterlichamen als de verlenging en/of verbreding van bestaande oppervlaktewaterlichamen. Als in bestaande oppervlaktewaterlichamen het uit te voeren werk een lengte kent van minder dan 100 meter gelden deze eisen niet. In die gevallen moeten de bestaande leggerafmetingen worden toegepast en moet een bestaande bodemhoogte worden aangesloten om bodemvallen en drempels te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">B-wateren Talud: een schuinte van 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodembreedte 0,50 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemhoogte 0,50 meter onder zomerpeil of boezempeil. Als de fysische gesteldheid van de bodem deze bodemhoogte niet toelaat, kan een andere bodemhoogte worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebieden en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager moet er voor zorgen dat zich aan beide kanten van nieuwe oppervlaktewaterlichamen geen obstakels bevinden. Deze zones moeten de oppervlaktewaterlichamen vooral toegankelijk maken voor het onderhoud aan de oppervlaktewaterlichamen. Voor zowel rijdend als varend onderhoud moeten de zones langs A-wateren doorgaans 4,00 meter ( 5,00 meter in de gebieden van Alm en Biesbosch en Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden) breed zijn. Deze afmetingen worden in de legger bepaald. Als één zijde alleen voor handmatig onderhoud bereikbaar moet zijn, dan moet deze zone minimaal 1,50 meter breed zijn. Voor B-wateren geldt aan beide kanten een beschermingszone van 1 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifiek voor het stedelijk gebied geldt dat de volgende eisen worden gesteld: oppervlaktewaterlichamen moeten voldoende omvang hebben; de doorstroming in oppervlaktewaterlichamen moet gewaarborgd zijn; nieuw aan te leggen oppervlaktewaterlichamen, moeten zo worden uitgevoerd dat minstens 35% van de oeverlengte, natuurvriendelijk wordt uitgevoerd, tenzij in overleg met het waterschap voor een gelijke hoeveelheid alternatieve ecologische voorzieningen wordt gekozen; eenzijdig obstakelvrije zones (grondstroken voor machinaal onderhoud) zijn mogelijk als het onderhoud gewaarborgd blijft; als één zijde alleen voor handmatig onderhoud bereikbaar moet zijn, dan moet de zone minimaal 1,00 meter breed zijn; in beschermingszones van 4,00 m. of 5,00 m. breed kan incidentele beplanting als bossages en dergelijke worden toegelaten mits deze het doelmatig machinaal onderhoud niet belemmeren. Parallel aan het oppervlaktewaterlichaam mag zo’n bossage daarom geen grotere breedte dan 3,00 m. bereiken. Bovendien moet in die gevallen aan de landzijde van de bossage een obstakelvrije ruimte 4,00 m. respectievelijk 5,00 m. aanwezig blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het voornemen van een aanvrager om watervergunning om grond aan particulieren uit te geven tot aan het A-water, zonder dat er door middel van de legger publiekrechtelijke beperkingen op het eigendom van die particulieren zullen worden gelegd kan bij een watervergunning in principe worden meegewerkt als: aan de overkant van het oppervlaktewaterlichaam een beschermingszone met een breedte van respectievelijk 4,00 of 5,00 meter ligt op openbaar eigendom of op grond in eigendom bij het waterschap; de bergende functie van het oppervlaktewaterlichaam duurzaam gewaarborgd wordt door al bij de aanleg van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, parallel aan het oppervlaktewaterlichaam een overbreedte van 2,00 meter te realiseren. Deze overbreedte zal in de legger minimaal een C-status krijgen. Binnen deze overbreedte is het plaatsen van steigers toegestaan. Het doel is hierbij niet dat de overbreedte kan worden gedempt, of dat tuinen worden verlengd door het plaatsen van damwanden in de overbreedte, maar wel dat wensen met betrekking tot steigertjes en dergelijke zonder meer mogelijk zijn, en wel door middel van een melding in plaats van een watervergunning. De aangrenzende eigenaar zal door de verkoper geïnformeerd moeten worden over de instandhoudingsplicht van de overbreedte zoals die in het ontwerpprofiel (zie figuur 2) was opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een watervergunning om bij de aanleg van een nieuw watersysteem in een nieuwbouwplan de vereiste beschermingszone te combineren met een flauw talud, wordt in principe verleend als: de betreffende beschermingszone op een bovenwatertalud van 1:6 of flauwer wordt aangelegd; de beschermingszone een breedte heeft van 5,00 meter, gerekend vanaf een niveau van 0,30 meter boven het zomerpeil of boezempeil (zie figuur 3). Bovendien dient de oever goed toegankelijk te zijn voor onderhoudsmaterieel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als nieuwe oppervlaktewaterlichamen met plas-drasoevers worden aangelegd, gelden de volgende uitgangspunten (zie figuur 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondertalud: minimaal een schuinte van 1:2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plas-drasbanket: minimaal 2,00 m breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boventalud: minimaal een schuinte van 1:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diepte plas-drasbanket: 30 cm. tot 50 cm. onder het laagste waterpeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooroever: om te voorkomen dat maaisel of afval op het plas-drastalud terechtkomt, is het wenselijk om een vooroever aan te leggen, gelegen op 5-10 cm boven zomerpeil. De vooroever moet om ecologische redenen iedere 25,00 meter voorzien zijn van openingen van 1,00 meter breed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Peilfluctuaties: dit type oever is minder geschikt in oppervlaktewaterlichamen met grote peilschommelingen, vanwege de kans op ongewenste droogval van het plas-drasbanket.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stroming: in oppervlaktewaterlichamen met een sterke stroming is dit type oever minder geschikt dan een flauw talud, vanwege de grotere kans op erosie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Meld- en vergunningsplicht lozen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.5:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder vergunning van het bestuur is het verboden: water te brengen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam Verklaring van een aantal begrippen Deze beleidsregel gaat over het lozen van water op een oppervlaktewaterlichaam in het algemeen. Er is geen onderscheid gemaakt in tijdelijke en permanente lozingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke lozingen komen voor in gevallen waar, ten behoeve van bijvoorbeeld nieuwbouwwerkzaamheden, bronneringswerkzaamheden worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente lozingen komen vaak voor ter plaatse van (hemelwater)riooloverstorten en bij bedrijven die veel water verbruiken voor, bijvoorbeeld, de bloementeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke oppervlaktewaterlichamen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is van toepassing op alle door de legger vastgestelde oppervlaktewaterlichamen welke zijn gelegen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid Voor het lozen van bronneringswater geldt er een algemene regel (zie bijlage 1, WT 14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor nieuwe lozingen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak wordt verwezen naar beleidsregel 5.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het lozen van water in oppervlaktewaterlichamen die in onderhoud zijn bij Waterschap Rivierenland moet een uitstroomvoorziening worden aangebracht. Voor het maken en plaatsen van een uitstroomvoorziening geldt een algemene regel (zie Algemene Regel WT 14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk dat het geloosde water van een zodanige kwaliteit is dat de lozing ervan geen schadelijke gevolgen heeft voor de kwaliteit van het oppervlaktewater waarin wordt geloosd. Afhankelijk van de herkomst, hoeveelheid en de kwaliteit van het te lozen water, moet de aanvrager een melding doen op basis van één van de besluiten waarin algemene regels zijn opgenomen voor lozingen, of een watervergunning aanvragen bij de afdeling Vergunningen van Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het voorkomen van een overbelasting van het watersysteem. Het lozen van water op oppervlaktewaterlichamen heeft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt voornamelijk een effect op de bergingscapaciteit van die oppervlaktewaterlichamen, maar de doorstroming en de waterkwaliteit kunnen ook worden beïnvloed. Aan de hand van de afmetingen en de status van een oppervlaktewaterlichaam alsmede eventueel aanwezige lozingspunten en de staat van onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam, kan de maximaal toelaatbare hoeveelheid te lozen water worden bepaald. Ook zijn eventueel aanwezige lozingspunten en de staat van onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam hierbij van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel Waterberging Het watersysteem is van groot belang voor de waterberging. Oppervlaktewaterlichamen moeten zodanig worden aangelegd dat ze zijn berekend op piekbelastingen als het hard regent. Een lozing op een oppervlaktewaterlichaam mag de waterbergingscapaciteit van dat oppervlaktewaterlichaam niet verminderen. Daarnaast is het van belang dat grote peilschommelingen worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroming Een oppervlaktewaterlichaam moet voldoende doorstromen om een bepaalde hoeveelheid te lozen water af te kunnen voeren. De aanwezigheid van dammen met duikers, bijvoorbeeld, kan hierop van invloed zijn en dat moet dan ook in de berekeningen, met betrekking tot de maximaal toelaatbare hoeveelheid te lozen water, moeten worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stabiliteit van de oever De hoeveelheid te lozen water op een oppervlaktewaterlichaam kan van geval tot geval enorm verschillen. Afhankelijk van de hoeveelheid te lozen water en de snelheid waarmee het water op het oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd, kan de lozing schade aan het oppervlaktewaterlichaam veroorzaken. Waar een lozingspunt in het talud wordt aangebracht, zou aan de overliggende oever uitspoeling van grond kunnen plaatsvinden. Dit moet voorkomen worden. Daarom kan het waterschap hiervoor aanvullende eisen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke lozingen worden in principe alleen toegestaan in A- of B-wateren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een riool mag alleen overstorten in een A-water met voldoende doorstroming of in een retentievoorziening. Als het ontvangend oppervlaktewaterlichaam niet een A-status heeft, moet deze worden opgewaardeerd tot A-water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oppervlaktewaterlichaam waarin vanuit een riooloverstort wordt geloosd, mag niet doodlopend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per overstort zijn de volgende gegevens nodig voor de toetsing:</p>\n<p class=\"lf-p\">Detailkaart locatie (x,y), (zodat geen twijfel is over ligging ten opzichte van kunstwerken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal debiet (m3/s) uit overstort in de huidige en toekomstige situatie bij bovenvermelde neerslagsituatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totale hoeveelheid overstortwater (m3) en de duur van de overstort.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.4:Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen Nieuwe lozingen kunnen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw verhard oppervlak. Dit zijn alle oppervlakken die voor nieuwbouw, wegen, etc., verhard worden. Hierdoor kan het hemelwater ter plaatse niet langer in de (voorheen onverharde) grond infiltreren. Daardoor treedt er een versnelde afvoer van het hemelwater op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgekoppeld bestaand verhard oppervlak. Hier betreft het vaak de vervanging van een bestaand gemengd rioolstelsel door een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De 'extra' afvoer van hemelwater kan worden geneutraliseerd door het vergroten van de bergingscapaciteit van het watersysteem. De compensatiemaatregelen moeten zo dicht mogelijk bij het lozingspunt worden gemaakt en in ieder geval in hetzelfde peilgebied als waar het lozingspunt wordt aangebracht of aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke oppervlaktewaterlichamen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel heeft betrekking op de gebieden waar nieuwe lozingen van verhard oppervlak, in zowel stedelijk als landelijk gebied, van invloed kan zijn op de waterhuishouding van het watersysteem dat wordt beheerd door Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het toepassen van vegetatiedaken kan de benodigde bergingscapaciteit worden teruggebracht, indien wordt voldaan aan de toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een halfverhard oppervlak kan de benodigde bergingscapaciteit worden teruggebracht, afhankelijk van de aard van de verharding. Deze situaties zullen afzonderlijk moeten worden berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kunstgrasvelden kan de benodigde bergingscapaciteit worden teruggebracht, indien wordt voldaan aan de toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid De versnelde afvoer van hemelwater wordt meestal gecompenseerd door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen en/of het verbreden van bestaande oppervlaktewaterlichamen. Deze oppervlaktewaterlichamen moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze voorwaarden zijn beschreven in beleidsregel 5.14, \"Het (ver)graven van (nieuwe) oppervlaktewaterlichamen\" en in beleidsregel 5.1 “werkzaamheden in oppervlaktewaterlichamen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nieuwe lozingen van hemelwater van bestaand verhard oppervlak, zogenaamde afkoppeling, worden aanvragen getoetst aan de Beslisboom Afkoppelen en Compensatie van het waterschap. Per geval wordt getoetst of de afvoer van het hemelwater op oppervlaktewaterlichamen moet worden gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is ook raakvlak met beleidsregel 5.2 als de uitbreiding van verhard oppervlak plaatsvindt in het winterbed van de Linge, de Korne, Oude Zederik en het Merwedekanaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van uitstroomvoorzieningen in een A-water geldt een algemene regel (zie bijlage 1, WT 14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is om de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak in het beheersgebied te beperken tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet dus, vanuit waterhuishoudkundig oogpunt, waterbalans-neutraal plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel Waterberging en afvoer Regenwater dat op een onverharde bodem valt dringt voor een belangrijk deel in de bodem. Het komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in oppervlaktewater. (wegzijging en kwel). Slechts een klein deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van verhard oppervlak zal het regenwater nauwelijks of niet in de bodem dringen. Vrijwel al het water stroomt direct af naar het oppervlaktewatersysteem en/of naar het rioleringssysteem. Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat de aanvrager voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Dit kan onder andere bereikt worden door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen, het vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen of het aanleggen van wadi’s. De aanvrager moet bij de aanvraag zelf aangeven op welke manier en waar hij de compensatie gaat maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor landelijk gebied. (Voor kleinere oppervlaktes hoeft dus niet te worden gecompenseerd, bij grotere oppervlaktes mogen de vrijgestelde oppervlaktes daarop in mindering worden gebracht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur is bij de toetsingscriteria een afwijkende regeling opgenomen. Dit heeft te maken met het feit dat men (in de meeste gevallen) op grond van andere wettelijke eisen toch al een bassin moet bouwen voor goed gietwater. Zo'n bassin leent zich in een wat groter formaat ook voor het compenseren van uitbreiding van verhard oppervlak. Er geldt hierbij wel een hogere norm voor de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur dan voor andere sectoren. Als uitgangspunt voor de compensatieberekening wordt T=50 als maatgevende bui gehanteerd. Dit betekent dat de te hanteren vuistregel gesteld wordt op 580 m3/ha (in plaats van 436 m3/ha). Indien hemelwater in deze sectoren geborgen zal worden in waterbassin van minimaal 3500 m3/ha en zonder overloop, is er vrijstelling van compensatieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt geen compensatieverplichting in individuele gevallen als het verhard oppervlak op het omringende perceel loost en de afstand tot een oppervlaktewaterlichaam, binnen hetzelfde of een lager gelegen peilgebied, groter is dan 100 meter. In individuele gevallen geldt er ook geen compensatieplicht voor de in de agrarische sector gangbare koe- en kavelpaden (hieronder vallen niet de verharde inrit en erfverharding).</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale afvoer van water uit het plangebied mag niet meer zijn dan 1,5 l/s/ha (landelijke afvoernorm). Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Er wordt gerekend met twee ontwerpbuien namelijk: de T=10+10% neerslag; Daarbij mag het peil niet meer dan 20 cm stijgen in de deelgebieden die op bijlage 2 zijn aangegeven. In de overige gebieden bedraagt de maximale peilstijging 30 cm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak; de T=100+10%-neerslag; Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van een watertoetsadvies kan het waterschap om locatiespecifieke, waterhuishoudkundige redenen afwijken van de maximale peilstijging. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitbreiding van nieuw stedelijk gebied. In dat geval wordt de uitbreiding in het kader van de watertoets getoetst op een aantal maatgevende situaties en bijbehorende waterhuishoudkundige eisen. Deze staan beschreven in de Handreiking Watertoets van Waterschap Rivierenland. Aanvragen om watervergunning voor nieuw stedelijk gebied worden daarom aan een eventueel aanwezig positief watertoetsadvies getoetst. Bij het ontbreken van een dergelijk positief watertoetsadvies wordt voor deze gebieden een maximale peilstijging van 20 c.q. 30 cm gehanteerd (zie toetsingscriterium 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt een vrijstelling van de compensatieplicht voor lozen vanaf nieuw verhard oppervlak van 500 m2 binnen stedelijk gebied (bebouwde kom) en 1.500 m2 in landelijk gebied. De lozing op zich is op grond van de Keur wel vergunningplichtig. Indien er geen andere vergunningplichtig activiteiten worden ondernomen dan het maken van nieuw verhard oppervlak, is er voor de van compensatieplicht vrijgestelde oppervlaktes een algemene regel (WT 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het te verharden oppervlak kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m² en op zichzelf staat (door de aanvrager kan worden aangetoond dat niet te verwachten valt dat de verharde oppervlakte later veel groter zal worden door aanbouw of uitbreiding met kleinere delen), is geen compensatie nodig. Als het verharde oppervlak in eerste instantie weliswaar kleiner is dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², maar deel uitmaakt van een groter geheel, bijvoorbeeld een planologisch bepaalde mogelijkheid, zou er van latere aanbouw of uitbreiding een cumulatief effect kunnen uitgaan. In deze gevallen moet bij een volgende uitbreiding, die het totaal verharde oppervlak groter doet zijn dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², de meerdere oppervlakte alsnog worden gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij hemelwaterlozing van een verhard oppervlak groter dan 500 m², respectievelijk 1.500 m², moet de aanvrager voorzieningen treffen om de landelijk afvoer te realiseren door middel van: het creëren van extra waterberging op het eigen terrein door middel van het graven of vergroten van een oppervlaktewaterlichaam, en/of het creëren van extra retentie in het oppervlaktewaterlichaam waarop wordt geloosd door vergroten van het profiel van de oppervlaktewaterlichaam, en/of het graven van nieuw oppervlaktewaterlichaam binnen hetzelfde peilgebied en aangesloten op bestaande A- of B-wateren, en/of het creëren van extra berging door het aanleggen van wadi’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan onderscheid gemaakt worden in wadi’s met de volgende functie: berging met tevens infiltratie of, alleen berging (droogvallende retentie) waarbij aan de volgende uitgangspunten moet worden voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Berging met infiltratie Berging max. toegestane berging T=100+10% (tot aan maaiveld) T=100+10% (tot aan maaiveld) max. ledigingstijd 48 tot 96 uur 48 tot 96 uur GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) &gt; 50 cm onder bodem wadi gelijk aan of lager dan bodem wadi leggerstatus B, indien direct gekoppeld aan A-systeem, anders geen B, indien direct gekoppeld aan A-systeem, anders geen In het kader van duurzaam bouwen en bestrijding van verdroging, kan ook het infiltreren van schoon dakwater in de grond in principe als mogelijkheid worden geaccepteerd. Bij de aanvraag moet de afmeting en constructie van de infiltratievoorziening goed in beeld worden gebracht. Aanvrager moet aantonen dat de infiltratievoorziening goed kan functioneren en dat geen versnelde afvoer naar het oppervlaktewater zal ontstaan. In het grootste gedeelte van het beheergebied is infiltratie niet mogelijk, omdat de grondslag (klei, veen) niet geschikt is. Daarentegen kan het ook wenselijk zijn om uit waterkwaliteitsoverwegingen hemelwater van wegen, dat niet via het talud naar oppervlaktewater wordt afgevoerd, juist wel te infiltreren in wadi’s of andere infiltratievoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Compensatie voor verhard oppervlak kan zowel plaatsvinden in een nieuw oppervlaktewaterlichaam als in een bestaand oppervlaktewaterlichaam. De aanvrager moet bij de aanvraag zelf aangeven op welke manier en waar hij de compensatie gaat maken. Het waterschap toetst vervolgens of dat voldoende is. Soms heeft het waterschap om locatiespecifieke redenen een voorkeur voor compensatie in een nieuw dan wel bestaand oppervlaktewaterlichaam. Als er compensatie plaatsvindt in een bestaand oppervlaktewaterlichaam, dan gaat de voorkeur uit naar compensatie in B-wateren boven compensatie in A-wateren. Dit onder andere op basis van het veroorzakersbeginsel. Daarbij is compensatie in A-wateren minder gewenst vanwege optredende problemen in de sfeer van eigendom en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvrager kan aantonen dat compensatie in een B- of A-water redelijkerwijs niet mogelijk is, kan het waterschap ook compensatie in bestaande of nieuwe C-wateren toelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het stedelijk gebied kan een uitbreiding tussen 500 m² en 1.500 m² worden gecompenseerd door participatie in een waterbergingsbank. De aanvrager moet dan door middel van een verklaring van de gemeente welke een watervergunning heeft voor een waterbergingsbank, kunnen aantonen dat op deze manier wordt voldaan aan de compensatieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste instantie moet de berging bij het lozingspunt worden gemaakt. Als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, dan kan de berging elders in het peilgebied worden gerealiseerd. De aanvrager is in dat geval ook verantwoordelijk voor een voldoende aanvoer vanaf de lozing naar de berging. Daardoor kunnen tussen het lozingspunt en de berging geen problemen ontstaan. Als geloosd wordt op een ander oppervlaktewaterlichaam dan waar de compensatie wordt gemaakt, moet het watersysteem tussen het lozingspunt en de locatie van de gemaakte compensatie voldoende capaciteit hebben om te voorkomen dat door de lozing te grote peilstijging, opstuwing of stroomsnelheid kan ontstaan. De aanvrager moet dit door middel van een hydraulische berekening aantonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvrager aantoont dat compensatie in hetzelfde peilvak niet mogelijk of onwenselijk is, kan het waterschap op grond van waterhuishoudkundige argumenten toelaten dat compensatie in een benedenstrooms gelegen peilvak plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van duurzaam bouwen kan ook compensatie in de vorm van vegetatiedaken in principe worden geaccepteerd. Bij de aanvraag moet de effectiviteit van het vegetatiedak worden aangetoond door middel van een (berekenings-)rapport en een onderhoudsplan van het vegetatiedak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vegetatiedaken als nieuw verhard oppervlak moeten voor 70 % in open water worden gecompenseerd. Dit geldt alleen voor een vegetatiedakoppervlak van minimaal 1000 m².</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de compensatieplicht voor nieuw verhard oppervlak, kan de oppervlakte van recent gesloopte gebouwen worden afgetrokken. De sloop mag niet langer dan 5 jaar geleden zijn geweest en er moet gesloopt zijn met het doel om te herbouwen. De eigenaar die gesloopt heeft moet wel zelf de aanvraag indienen. Deze regel geldt niet voor rechtsopvolgers, omdat deze de gekochte grond zonder de gesloopte gebouwen aantreffen en voor nieuw verhard oppervlak met de gebruikelijke compensatie rekening moeten houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe kan voor overcompensatie watervergunning worden verleend, als de watervergunninghouder de overcompensatie binnen maximaal 5 jaar na de dag waarop de watervergunning werd verzonden zal inzetten. De watervergunninghouder kan gemaakte overcompensatie niet aan anderen overdragen. Deze regel geldt niet voor een gemeentelijke waterbergingsbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor nieuw verhard oppervlak in de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur geldt dat compensatie van hemelwater voor maximaal 75% in een te bouwen bassin mag plaatsvinden. Als uitgangspunt voor de compensatieberekening wordt T=50 als maatgevende bui gehanteerd. Dit betekent dat de te hanteren vuistregel gesteld wordt op 580 m3/ha.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er geldt een vrijstelling van de compensatieplicht voor nieuw verhard oppervlak in de glastuinbouw en/of pot- en containercultuur, indien het hemelwater wordt geborgen in een bassin van minimaal 3500 m3 per ha. en zonder aanwezigheid van een overloop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij pot- en containercultuur op lavabakken geldt dat lavabakken enerzijds als nieuw verhard oppervlak gelden, terwijl anderzijds de bakken zelf bergend vermogen bezitten. Voor de toepassing van het compensatiebeleid wordt het bergend vermogen van de lavabakken zelf, gesteld op 50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de compensatieberekening van lavabakken geldt daarom een vuistregel van 290 m3/ha. Deze compensatie mag ook voor maximaal 75% in een bassin plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de compensatie van minimaal 25% nieuw verhard oppervlak in de glastuinbouw (buiten het bassin) geldt de voorkeurreeks als vermeld onder punt 7 en het criterium als vermeld onder punt 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij nieuw aan te leggen sportvelden moet worden gecompenseerd voor versnelde afvoer van hemelwater naar het watersysteem. Afhankelijk van het type ondergrond moet voor een bepaald percentage worden gecompenseerd ten opzichte van 100% verhard oppervlak. Deze percentages zijn in onderstaande tabel weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Percentage compensatie sportvelden Huidige situatie Toekomstige situatie Sportveld Natuurgras (gedraineerd) Sportveld Kunstgras (gravel e.d.) Sportveld Verhard (beton, tegels e.d.) Onverhard (gedraineerde/ ongedraineerde weiland en grond) 20 % 50 % 100 % Sportveld Natuurgras (gedraineerd) - 30 % 80 % 5.17 Grondwateronttrekkingen Kader Inleiding In de Waterwet (art 6.5.b) is aangegeven dat het waterschap het bevoegd gezag is voor het onttrekken en infiltreren van grondwater. Uitzondering vormt een drietal categorieën waar de provincie bevoegd gezag is: drinkwaterwinning, open bodemenergie systemen en industriële onttrekkingen groter dan 150.000 m3/jaar. Voor gesloten bodemenergiesystemen in de gemeente bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beleid van het waterschap is afgestemd met het beleid van de provincies Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Utrecht en het Waterbeheersplan van het waterschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelmatige en duurzame benutting van het grondwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beeld (laten) brengen van gevolgen van de onttrekking en beëindiging en waar relevant laten toepassen van mitigerende maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via vergunningverlening stelt het waterschap eisen aan deze activiteiten. De basis hiervoor is de Keur. Voor bepaalde categorieën van grondwateronttrekkingen en infiltraties zijn beneden een bepaalde omvang grenzen gesteld waarbij kan worden volstaan met een melding. Deze omvangscriteria zijn vastgelegd in algemene regels. In deze algemene regels zijn ook voorwaarden opgenomen waaronder deze onttrekkingen mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikelen 2.12, 3.7, 3.8, 3.9 en 3.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen Er is sprake van infiltratie als er schoon water in de bodem wordt gebracht met als doel dit op een later tijdstip te onttrekken. Schoon water is water dat voldoet aan de chemische waterkwaliteitsnormen genoemd in de \"Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen oppervlaktewater\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Retourbemaling is het terugbrengen van schoon grondwater dat eerder aan de bodem was onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Waterwet biedt geen mogelijkheid het retourneren van grondwater te reguleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel kan de aanvrager een retourbemaling in de aanvraag voor een grondwateronttrekking meenemen als maatregel om de gevolgschade van de onttrekking te beperken. Nadeel hierbij is dat als tijdens de uitvoering van de onttrekking blijkt dat de retourbemaling niet uitvoerbaar is, geen inzicht meer bestaat op de gevolgen van de onttrekking. In dat geval wordt er grondwater onttrokken in afwijking van de watervergunning en moet de nieuwe situatie door middel van een nieuwe aanvraag inzichtelijk worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is van toepassing op het gehele beheergebied van Waterschap Rivierenland. In de algemene regels GW 1 t/m GW 5 is een gebiedspecifiek beleid uitgewerkt. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen de kwetsbare veen-weide gebieden en overige zand- en kleigebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid of regelgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen kan worden gesteld dat daar waar grondwater wordt onttrokken, ook grondwater moet worden afgevoerd. Dit kan door middel van retourbemaling in de bodem of als lozing van (verontreinigd)grondwater op oppervlaktewater of riool. Bij lozing op riool of oppervlaktewater is de regelgeving vanuit het Besluit Lozen buiten inrichtingen, het Activiteitenbesluit en de vergunningsplicht Waterwet van belang. Dit voor wat de kwalitatieve aspecten betreft. Ook deze regelingen kennen de mogelijkheden om de doelmatigheid van de activiteit te toetsen en te waarborgen. Bij vergunningverlening voor de grondwateronttrekkingen zullen ook deze toetsingscriteria integraal moeten worden meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor infiltratie van hemelwater met als doel dit vervolgens te onttrekken worden de eisen van de grondwaterkwaliteitsbeheerder (Wet Bodembescherming) gevolgd ten aanzien van de kwalitatieve aspecten zoals monitoring en behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het beleid Het doel van het beleid is om zo effectief mogelijk en zo weinig mogelijk grondwater te onttrekken aan het watersysteem. Daarnaast richt het beleid zich op het voorkomen van schade ten gevolge van deze onttrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pijlers zijn het borgen van duurzaam en doelmatige gebruik van grondwater, het in beeld (laten) brengen van effecten en het voorkomen van negatieve gevolgen. Daarbij zal de onttrekking/infiltratie en de gevolgen daarvan worden beschouwd vanuit het integrale watersysteem inclusief de beleidsdoelen zoals de verdrogingbestrijding, beheer strategische zoetwaterreserves en tegengaan van bodemdaling. Met name in het vooroverleg zal het waterschap actief inbrengen dat ook naar alternatieven moet worden gekeken om nadelige gevolgen voor het integrale watersysteem te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van bovengenoemde uitgangspunten is ook afhankelijk van het doel waarvoor de onttrekking wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Grondwateronttrekkingen moeten zo doelmatig en duurzaam mogelijk en met de laagst mogelijke hoeveelheid te onttrekken grondwater worden uitgevoerd. De criteria hiervoor zijn afhankelijk van het doel van de onttrekking. Hierbij worden de volgende typen onttrekkingen onderscheiden met hun bijbehorende toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koelwater en proceswateronttrekkingen Grondwater dat wordt toegepast als koelwater en proceswater wordt getoetst aan doelmatig gebruik. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagwaardig en hoogwaardig gebruik. Een nieuwe of uitbreiding van onttrekkingen ten behoeve van doorstroomkoeling wordt niet toegestaan. Er bestaat voorkeur voor hergebruik van koelwater als proces of spoelwater bij bestaande doorstroomkoelsystemen. Ook is er voorkeur voor hergebruik van (gezuiverd) proceswater als spoelwater boven het gebruik van grondwater. Bij de beoordeling van doelmatigheid en alternatieven zal een integrale afweging worden gemaakt tussen alle factoren zoals kosten, milieubelasting, volksgezondheid en natuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond- en grondwatersanering Een grondwateronttrekking moet voldoen aan de algemene zorgplicht van de Wet bodembescherming. Er moet een zorgvuldige afweging plaatsvinden van saneringstechnieken waarbij het belang van een minimale onttrekking evenredig wordt meegenomen. Een saneringsplan waarbinnen toestroming van schoon grondwater en verdunning van het ontrokken verontreinigde grondwater wordt voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bronneringen Bij bronbemalingen moet worden gestreefd naar minimalisatie van de onttrekking door het aanpassen van bouwtechnieken (onderwaterbeton, damwanden e.d.) en zorgvuldige planning van de bouwwerkzaamheden. Grondwateronttrekking tijdens hoogwater in kwelgebieden moet worden voorkomen. Variabele peilbeheersing door middel van dataloggers en gestuurde pompen wordt aanbevolen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beregening Bij beregening moet bij voorkeur gebruik worden gemaakt van oppervlaktewater. Als er niet voldoende (schoon) oppervlaktewater aanwezig is of als ten gevolge van langdurige droogte het onttrekken van oppervlaktewater niet is toegestaan kan onttrekking van grondwater worden toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente drooglegging Onderbemaling van onbepaalde tijd ten behoeve van drooglegging wordt, ongeacht de grootte van de onttrekking, niet toegestaan. Alleen als door de aanvrager wordt aangetoond dat dit redelijkerwijs niet is te voorkomen en als voldoende door de aanvrager is aangetoond dat het aangevraagde debiet niet aanmerkelijk zal toenemen (door bijvoorbeeld ondeugdelijke constructies of materialen) kan vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noodvoorzieningen en veedrenking Geen beleidsregels Een grondwateronttrekkingsvergunning is er op gericht om schade te voorkomen. Iedere voorgenomen onttrekking moet voor de volgende thema’s aan de daarbij horende criteria worden getoetst:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgschade Zetting Volgens NEN 6740 is een klink kleiner dan 0,05 meter onder gebouwen of een klinkverhang kleiner dan 1:300 acceptabel. Als de grondwaterstand niet wordt verlaagd tot onder het niveau van de gemiddelde laagste grondwaterstand wordt er geen ontoelaatbare zetting verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de verlaging niet toelaatbaar is kunnen de volgende maatregelen worden voorgeschreven: beperken onttrekking door plaatsen damwanden; retourbemaling toepassen; actuele staat van gebouwen opnemen; monitoren van de staat van bebouwing; monitoren van de verlaging van de grondwaterstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Landbouw In het algemeen is een verlaging tot 0,05 meter ten opzichte van de GLG grondwaterpeil ter plaatse van de landbouwgrond toelaatbaar. Bij verlagingen van meer dan 0,05 meter bij landbouwgronden met droogtegevoelige gewassen of grond, of bij kapitaalintensieve gewassen, zoals bij boom- en heesterteelt, kunnen de volgende maatregelen worden voorgeschreven: beperken onttrekking door plaatsen damwanden; retourbemaling toepassen; actuele staat van gewassen opnemen; monitoren van de staat van gewassen; monitoren van de verlaging van de grondwaterstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De noodzaak tot het nemen van maatregelen is ook afhankelijk van de duur van de onttrekking of peilverlaging en de periode van het groeiseizoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Archeologie In het algemeen is een verlaging tot 0,05 meter ten opzichte van de GLG ter plaatse van het archeologisch object toelaatbaar. Bij een verlaging van meer dan 0,05 meter ten opzichte van de GLG ter plaatse van het object vindt afstemming plaats met de Rijks Archeologische Dienst over de toelaatbaarheid van de onttrekking en de te voor te schrijven maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natuur Veel natte natuurgebieden (zie kaart 11 uit het bijlagenrapport van het Waterbeheerplan 2010-2015) lijden onder verdroging. Een eventuele grondwateronttrekking in (de nabijheid van) deze gebieden kan een negatieve invloed hebben op de grondwaterstand en/ of grondwaterstroming in die gebieden. Voor de natte natuurgebieden geldt in het algemeen dat een verlaging van de grondwaterstand in het gebied tot maximaal 0,05 meter toelaatbaar is voor tijdelijke onttrekkingen. Permanente onttrekkingen mogen geen negatieve invloed hebben op de grondwaterstand van natte natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specifieke regelgeving:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle Natura 2000 gebieden in het beheersgebied van WSRL geldt dat een grondwateronttrekking in de nabijheid hiervan geen (negatieve) invloed mag hebben op de zogenaamde instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied. Veelal betekent dit dat een grondwateronttrekking in (de nabijheid van) een Natura 2000 gebied geen gevolgen mag hebben voor de grondwaterstand en/of grondwaterstroming in het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Gelderland zijn beschermingszones natte landnatuur (zie kaart Provinciaal Waterplan) aangewezen. Voor deze beschermingszones geldt dat de inrichting en beheer van het waterhuishoudkundige systeem mede gericht is op: het instellen van een peilbeheer en het bepalen van de maximale omvang van grondwateronttrekkingen zó, dat de (benedenstrooms gelegen) natte natuur is veiliggesteld; het bewerkstelligen van een minimale nadelige invloed van menselijk handelen op de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater; het uitsluiten van nadelige effecten van grondwateronttrekkingen en oppervlaktewaterbeheer in de omgeving van de aangewezen gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie Noord-Brabant kent een specifiek beschermingsbeleid voor alle natte natuurparels (zie kaart 11 uit het bijlagenrapport van het Waterbeheerplan 2010-2015, alle natte natuurparels in Noord-Brabant zijn aangewezen als TOP lijst gebied). Ingrepen in de waterhuishouding (waaronder dus grondwateronttrekkingen) die niet gericht zijn op behoud of versterking van de natuurwaarden zijn niet toegestaan binnen de natte natuurparels én in een zone daaromheen van gemiddeld 75,00 meter in het kleigebied en gemiddeld 500 m. daaromheen in het zandgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemverontreinigingen In het algemeen zal een verlaging tot 0,05 ten opzichte van de GLG meter ter plaatse van de grondwaterverontreiniging (bepaald door de contouren van grenswaarde grondwater) geen nadelige gevolgen hebben. Bij een verlaging van meer dan 0,05 meter wordt in overleg met het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming bepaald of de onttrekking toelaatbaar is en de aanvullende maatregelen moeten worden voorgeschreven. Indien naar verwachting de verontreinigingscontour van de interventiewaarde meer dan 30 meter wordt verplaatst is eveneens toestemming nodig van de betreffende provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drinkwatervoorziening Grondwateronttrekkingen die plaats vinden binnen een grondwaterbeschermingsgebied vinden plaats na afstemming met de provincie en het betreffende drinkwaterbedrijf over de toelaatbaarheid van de onttrekking en de voor te schrijven maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor permanente onttrekkingen worden in deze gebieden geen vergunningen verleend. Uitsluitend voor tijdelijke onttrekkingen ten behoeve van grond(water)saneringen en civieltechnische bronneringen kan een vergunning worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere onttrekkingen binnen invloedssfeer De grondwateronttrekking mag geen nadelige invloed hebben op andere grondwateronttrekkingen die binnen de invloedssfeer liggen van de grondwateronttrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens van het Landelijk Grondwater Register zijn hiervoor bepalend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Retourbemaling Retourbemaling heeft vanuit waterkwaliteitsoverwegingen de voorkeur boven lozing van het onttrokken grondwater op oppervlaktewater. Retourbemaling wordt alleen toegestaan als de effecten van de retourbemaling in de vergunningsaanvraag zijn opgenomen en is vastgesteld dat de gevolgen acceptabel zijn. De gevolgen van een retourbemaling worden op de zelfde wijze beoordeeld als de onttrekking. Retourbemaling is dan ook alleen toegestaan als dit in de vergunning is voorgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Bouwwerken in en op een waterkering en bijbehorende beschermingszone Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2 onder 1 en 6:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen, te vervangen, te verwijderen of te behouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen en hebben van bouwwerken in/op de waterkering en bijbehorende beschermingszone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrip waterstaatswerk In de Keur is sprake van het begrip ‘waterstaatswerk’. Hieronder wordt verstaan zowel een waterkering als een oppervlaktewaterlichaam. Voor de leesbaarheid is in deze beleidsregel het begrip ‘waterstaatswerk’ daar waar het van toepassing is, vervangen door ‘waterkering’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen Onder werken worden ook bouwwerken en gebouwen verstaan. In de meeste gevallen gaat het om gebouwen waarin gewoond of gewerkt wordt, met de inrichtingselementen die daarbij horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt onderscheid gemaakt tussen: permanente bouwwerken/constructies; dit zijn bouwwerken die kapitaalintensief zijn en/of een normale/zware fundering hebben; tijdelijke en/of handmatig eenvoudig demontabele bouwwerken of constructies; deze moeten handmatig eenvoudig demontabel zijn. Zij zijn niet voorzien van een in de grond aangebrachte, gestorte, geslagen of soortgelijke fundatie. Het bouwwerk/ constructie heeft géén gemetselde of geïsoleerde wanden of een pannendak. Hierbij gaat het om bijvoorbeeld een kippenhok, een fietsenrek of een blokhut-tuinhuisje e.d.; tuinhekjes/tuinmuren. Deze hebben een lichte fundering en maken onderdeel uit van de tuininrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze beleidsregel staan toetsingscriteria voor alle typen bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen (primaire en regionale) binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid Bij nieuwbouw in/op een waterkering en bijbehorende beschermingszone worden bijna altijd kabels en leidingen aangelegd. Voor het aanleggen, hebben, houden en onderhouden van kabels en leidingen in de waterkering en bijbehorende beschermingszone en in oppervlaktewaterlichamen, geldt een algemene regel (bijlage 1, WW 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het leggen van kabels en leidingen in een waterkering en bijbehorende beschermingszone waarbij de werkzaamheden niet aan de algemene regels voldoen, geldt een aparte beleidsregel (5.19).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanbrengen van beplanting, wegen en aanbermingen gelden aparte beleidsregels (5.20 en 5.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het plaatsen, hebben en onderhouden van tijdelijke/semi-permanente objecten in de beschermingszone van waterkeringen geldt een aparte algemene regel, (bijlage 1, WK 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het uitvoeren van interne verbouwingen van bestaande panden en het plaatsen van dakkapellen op een pand op een waterkering of bijbehorende beschermingszone geldt een algemene regel (zie bijlage 1, WK 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het innemen van ruimtebeslag in de boezemgebieden van de Linge, de Korne, Oude Zederik en het Merwedekanaal en de boezemgebieden van de Alblasserwaard geldt een compensatieverplichting. Beleidsregels 5.2 en 5.3 beschrijven de criteria hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van diepe boringen voor Koude-Warmte-Opslag (KWO-systemen) geldt een aparte beleidsregel (5.24).</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Voor het plaatsen en hebben van bouwwerken op een waterkering en in de bijbehorende beschermingszone is het van belang dat de waterkerende functie en de stabiliteit van de waterkering is gewaarborgd, dat het doelmatig beheer en onderhoud aan de waterkering niet wordt bemoeilijkt en dat de waterkeringen in de toekomst versterkt kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel Waterschap Rivierenland wil in principe geen nieuwe permanente bouwwerken toestaan in de waterkeringen (het waterstaatswerk). De reden van dit verbod is dat bij een volgende dijkversterking vooral deze ruimte van groot belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw bouwen in de beschermingszone kan alleen als bij de bouwhoogte rekening gehouden wordt met de ruimte die nodig is voor toekomstige dijkversterking. Waterschap Rivierenland zal per geval op basis van de specifieke omstandigheden overwegen welke voorwaarden gesteld moeten worden. Hierbij worden zowel de constructie van de waterkering als de constructie en de functie van het bouwwerk beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tuinmuren en tuinhekjes in/op een waterkering en bijbehorende beschermingszone kunnen worden toegestaan als ze horen bij bestaande bebouwing. Dit omdat ze beschouwd worden als inrichtingselement van de woning. Voorwaarde is wel, dat ze bij toekomstige dijkversterking door of op kosten van de watervergunninghouder weggehaald worden. Ook mogen ze het bestaande leggerprofiel niet doorsnijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor regionale waterkeringen is het begrip “aaneengesloten bebouwing” in de beleidsregels opgenomen. Hieronder wordt verstaan een bebouwing die het niet mogelijk maakt om een toekomstige dijkversterking in grond uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkerende functie Eén van de onderdelen van de waterkering is het buitentalud. Het is van groot belang dat het buitentalud bestand is tegen alle vormen van erosie om de waterkerende functie van de waterkering te garanderen. Daarom zal geen watervergunning verleend worden om op het buitentalud bouwwerken aan te brengen. In specifieke situaties kan een uitzondering worden gemaakt. Hiervoor zijn speciale toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen een extra nadelige invloed hebben op de waterkering. Voor dit soort bouwwerken binnen de waterkering en bijbehorende beschermingszone wordt daarom geen watervergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instandhouding profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.) Het profiel van vrije ruimte geeft de contouren aan van een eventuele toekomstige dijkversterking. Bij het beoordelen van watervergunningsaanvragen voor bouwwerken binnen de in/op een waterkering en bijbehorende beschermingszone, is het belangrijk dat gebouwd gaat worden buiten het profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van verbouw van bestaande bebouwing zal het waterschap in het algemeen vergunning verlenen. Uiteraard worden daarbij wel voorwaarden gesteld om de waterkering te beschermen. Ook moet het mogelijk blijven om in de toekomst de waterkering te versterken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer en Onderhoud Om te zorgen dat de waterkering blijft voldoen aan de vereiste normen, is het nodig deze periodiek te inspecteren. Bij vergunningsaanvragen zal altijd de toets plaatsvinden of de realisatie van een bouwwerk belemmerend werkt voor de inspectie en toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap wil het dijkonderhoud op een doeltreffende en doelmatige manier uitvoeren. Objecten en/of veranderde inrichtingen van waterkeringen en onderhoudsstroken kunnen de bereikbaarheid voor het onderhoudsmaterieel belemmeren. Bij het toetsen van een watervergunningsaanvraag wordt beoordeeld of het uitvoeren van onderhoud nog op een goede wijze mogelijk is Toetsingscriteria voor primaire waterkeringen Voor het plaatsen, hebben en onderhouden van semi-permanente objecten in de beschermingszone en voor het uitvoeren van interne verbouwingen van panden op een waterkering en bijbehorende beschermingszone gelden algemene regels. Als wordt voldaan aan deze algemene regel(s), is geen watervergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor initiatieven die niet aan de algemene regels voldoen, gelden de volgende toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw permanent bouwwerk Op de waterkering is nieuwbouw van bouwwerken in principe niet toegestaan. Vergunningsaanvragen zullen door het waterschap worden getoetst op de vraag of de veiligheid voor de komende 100 jaar is geborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente bouwwerken, speciale constructies en andere kapitaalsintensieve werken (bijvoorbeeld tennis/golfbanen), inclusief funderingen mogen het profiel van vrije ruimte en het leggerprofiel niet doorsnijden (zie figuur 5 en 6). Een uitzondering hierop zijn de palen van paalfundaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bouwwerken in/op een waterkering en bijbehorende beschermingszone mogen geen holle ruimtes (kruipruimten of ringbalken) worden gemaakt of aanwezig zijn, ook niet boven het profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bouwwerken binnen de beschermingszone, en buiten het profiel van vrije ruimte worden gerealiseerd, moet dat boven het bestaande maaiveld plaatsvinden. Daarbij mag het maaiveld niet worden verlaagd. Wel kan de aanleg van fundatie-/randbalken en vorstranden die horen bij plaatvloeren toegestaan worden als deze niet dieper dan de gebruikelijke vorstvrije (0,60 meter beneden maaiveld) grens worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijking van de beleidsregels ten aanzien van het aanbrengen van werken beneden het maaiveld is alleen mogelijk als aangetoond en eventueel berekend wordt dat hierdoor geen negatieve invloed op de stabiliteit en piping ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De daadwerkelijke aanleg van het profiel van vrije ruimte nu of in de toekomst moet mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het aan te brengen werk ontstaat. Ook moet voor toekomstige dijkversterking voldoende werkruimte aanwezig blijven. De aanvrager moet door middel van berekeningen aantonen dat de bebouwing en/of fundatie daarvan geen schade op zal lopen door de belasting van het grondlichaam conform het toekomstige profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de kabel- en leidingenstrook die beschikbaar moet zijn aan de dijkzijde na een eventuele dijkversterking, en de gronddekking die nodig is bij het leggen van kabels en leidingen, moet nieuwbouw op ten minste 4,00 meter uit het binnentalud van het profiel van vrije ruimte worden gerealiseerd (punt A in figuur 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Herbouw permanent bouwwerk Voor de vervanging van een bestaand bouwwerk door een (nagenoeg) geheel nieuwe constructie wordt geen watervergunning verleend tenzij wordt voldaan aan de beleidsregels voor nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als minder dan de fundering en 2 buitenmuren van een bouwwerk blijven staan, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de herbouw aanpassing van de fundering nodig is, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor ver- of herbouw van een bestaand bouwwerk wordt geen watervergunning verleend als het bouwwerk in het kader van een vastgesteld of al bekend dijkversterkingplan geheel of gedeeltelijk verwijderd moet worden, tenzij het bouwwerk voldoet aan de criteria voor nieuwbouw en de bouwwerkzaamheden de uitvoering van de dijkversterkingswerken niet hinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding permanent bouwwerk Een op zichzelf staand bouwwerk dat binnen het profiel van vrije ruimte staat, mag eenmalig worden uitgebreid met maximaal 100 m3. De inhoud van bij de verbouw/uitbreiding gesloopte stenen ruimtes, mogen hierbij worden opgeteld, mits deze niet zullen worden herbouwd of vervangen. Voor uitbreiding van bouwwerken binnen het profiel van vrije ruimte van de waterkeringen langs de Afgedamde Maas geldt in verband met overdimensionering geen beperking voor de grootte van de uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een uitbreiding van een bouwwerk moet de uitbreiding buiten het leggerprofiel van de waterkering worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitbreiding van een bouwwerk met meer dan 100 m³ binnen het profiel van vrije ruimte wordt beschouwd als nieuwbouw. tuinhekjes, tuinmuren en wegmeubilair met een lichte fundering In/op de waterkering zijn tuinhekjes, tuinmuren en wegmeubilair toegestaan als: de onderkant van de constructie niet dieper beneden maaiveld reikt dan 30 cm; het bouwwerk niet hoger is dan 1,00 meter. Een toegangspoort mag maximaal 2,00 meter hoog zijn; het bouwwerk hoort bij bestaande bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegmeubilair mag niet hoger zijn dan noodzakelijk voor de functie In de beschermingszone zijn tuinhekjes, tuinmuren en wegmeubilair toegestaan als: de onderkant van de constructie niet dieper in de bodem reikt dan 60 cm; de constructie (inclusief fundering) het leggerprofiel niet doorsnijdt; het bouwwerk niet hoger is dan 1,00 meter. Een toegangspoort mag maximaal 2,00 meter hoog zijn; het bouwwerk hoort bij bestaande bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegmeubilair mag niet hoger zijn dan noodzakelijk voor de functie Tijdelijke en/of handmatig eenvoudig demontabele bouwwerken in/op de waterkering zijn toegestaan als: het bouwwerk niet op het talud wordt geplaatst; de bekleding van het talud niet wordt aangetast (bijv door schaduwwerking); het bouwwerk ten dienst staat aan particulier tuingebruik; de fundering niet gestort, geslagen of anderszins in de grond is gefundeerd, dus bovenop het maaiveld staat; de grond waarop het semi-permanente bouwwerk staat, eigendom is van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitendijks bouwen, herbouwen of verbouwen Voor buitendijks (her)bouwen gelden de volgende regels: als er een profiel van vrije ruimte beschikbaar is, gelden dezelfde criteria als bij binnendijks (her)bouwen; als er geen profiel van vrije ruimte beschikbaar is, moet (her)bouw plaatsvinden buiten het profiel zoals aangegeven in figuur 6, maar in ieder geval buiten de kernzone. Hierbij mag het bouwwerk nooit dichter bij de waterkering gebouwd worden dan in de bestaande situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor buitendijkse verbouwing gelden dezelfde regels als voor binnendijkse verbouwingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen een extra nadelige invloed hebben op de waterkering. Voor dit soort bouwwerken op de waterkering en binnen de beschermingszone wordt daarom geen watervergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria voor regionale waterkeringen Voor het plaatsen, hebben en onderhouden van semi-permanente objecten in de beschermingszone en voor het uitvoeren van interne verbouwingen van panden in/op de waterkering en beschermingszone van regionale waterkeringen gelden algemene regels. Als wordt voldaan aan deze algemene regel(s), is geen watervergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor initiatieven die niet aan de algemene regels voldoen, gelden de volgende toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de volgende bijzondere criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw permanent bouwwerk Op de waterkering is nieuwbouw van bouwwerken in principe niet toegestaan. Vergunningaanvragen zullen door het waterschap worden getoetst op de vraag of de veiligheid voor de komende 100 jaar is geborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente bouwwerken, speciale constructies en andere kapitaalsintensieve werken (bijvoorbeeld tennis/golfbanen), inclusief funderingen mogen het profiel van vrije ruimte en het leggerprofiel niet doorsnijden, met uitzondering van de palen van paalfundaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van criterium 24 is nieuwbouw in het profiel van vrije ruimte, maar buiten het leggerprofiel toegestaan als: er geen vastgesteld profiel van vrije ruimte is en de Waterverordening “handhaven huidige situatie” voorschrijft, of er een vastgesteld profiel van vrije ruimte is, de nieuwbouw plaatsvindt tussen aaneengesloten bebouwing (een bebouwing waarbij het niet mogelijk is een toekomstige dijkversterking in grond uit te voeren) en de overige bebouwing binnen het profiel van vrije ruimte, maar buiten het leggerprofiel staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen het waterstaatswerk en bijhorende beschermingszones mogen geen holle ruimtes (kruipruimten of ringbalken) onder de bouwwerken worden gemaakt of aanwezig zijn, ook niet boven het profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bouwwerken binnen de beschermingszone, en buiten het profiel van vrije ruimte worden gerealiseerd, moet dat boven het aanwezige maaiveld plaatsvinden. Daarbij mag het maaiveld niet worden verlaagd. Wel kan de aanleg van fundatie-/randbalken en vorstranden die horen bij plaatvloeren toegestaan worden als deze niet dieper dan de gebruikelijke vorstvrije (0,60 m. beneden maaiveld) grens worden aangelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijking van de beleidsregels ten aanzien van het aanbrengen van werken beneden het maaiveld is alleen mogelijk als aangetoond wordt dat hierdoor geen negatieve invloed op de stabiliteit ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De daadwerkelijke aanleg van het profiel van vrije ruimte nu of in de toekomst moet mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het aan te brengen werk ontstaat. Ook moet voor toekomstige dijkversterking voldoende werkruimte aanwezig blijven. De aanvrager moet door middel van berekeningen aantonen dat de bebouwing en/of fundatie daarvan geen schade op zal lopen door de belasting van het grondlichaam conform het toekomstige profiel van vrije ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de kabel- en leidingenstrook die beschikbaar moet zijn aan de dijkzijde na een eventuele dijkversterking, en de gronddekking die nodig is bij het leggen van kabels en leidingen, moet nieuwbouw op ten minste 2,00 meter uit het binnentalud van het profiel van vrije ruimte worden gerealiseerd (punt A in figuur 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Herbouw permanent bouwwerk Voor de vervanging van een bestaand bouwwerk door een (nagenoeg) geheel nieuwe constructie wordt geen watervergunning verleend tenzij wordt voldaan aan de beleidsregels voor nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als minder dan de fundering en 2 buitenmuren van een bouwwerk blijven staan, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor de herbouw aanpassing van de fundering nodig is, wordt de herbouw beschouwd als nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor ver- of herbouw van een bestaand bouwwerk wordt geen watervergunning verleend als het bouwwerk in het kader van een vastgesteld of al bekend dijkversterkingplan geheel of gedeeltelijk verwijderd moet worden, tenzij het bouwwerk voldoet aan de criteria voor nieuwbouw en de bouwwerkzaamheden de uitvoering van de dijkversterkingswerken niet hinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding permanent bouwwerk Een op zichzelf staand bouwwerk dat binnen het profiel van vrije ruimte staat, mag eenmalig worden uitgebreid met maximaal 100 m3. De inhoud van bij de verbouw/uitbreiding gesloopte stenen ruimtes, mogen hierbij worden opgeteld, mits deze niet zullen worden herbouwd of vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een uitbreiding van een bouwwerk moet de uitbreiding buiten het leggerprofiel van de waterkering worden gerealiseerd. Doorsnijding van het beheerprofiel is alleen mogelijk wanneer de aanvrager aantoont dat de functie van de waterkering hierdoor niet wordt aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitbreiding van een bouwwerk dat binnen het profiel van vrije ruimte staat, met meer dan 100 m³ wordt beschouwd als nieuwbouw. tuinmuren, tuinhekjes en wegmeubilair met een lichte fundering In/op de waterkering zijn tuinhekjes, tuinmuren en wegmeubilair toegestaan als: de onderkant van de constructie niet dieper beneden maaiveld reikt dan 30 cm; het bouwwerk niet hoger is dan 1,00 meter. Een toegangspoort mag maximaal 2,00 meter hoog zijn; het bouwwerk hoort bij bestaande bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegmeubilair mag niet hoger zijn dan noodzakelijk voor de functie In de beschermingszone zijn tuinhekjes, tuinmuren en wegmeubilair toegestaan als: de onderkant van de constructie niet dieper in de bodem reikt dan 60 cm; de constructie (inclusief fundering) het leggerprofiel niet doorsnijdt; het bouwwerk niet hoger is dan 1,00 meter. Een toegangspoort mag maximaal 2,00 meter hoog zijn; het bouwwerk hoort bij bestaande bebouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wegmeubilair mag niet hoger zijn dan noodzakelijk voor de functie Tijdelijke en/of handmatig eenvoudig demontabele bouwwerken in/op de waterkering zijn toegestaan als: het bouwwerk niet op het talud wordt geplaatst; de bekleding van het talud niet wordt aangetast (bijv door schaduwwerking); het bouwwerk ten dienst staat aan particulier tuingebruik; de fundering niet gestort, geslagen of anderszins in de grond is gefundeerd, dus bovenop het maaiveld staat; de grond waarop het bouwwerk staat, eigendom is van de aanvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitendijks bouwen, herbouwen of verbouwen Voor buitendijks (her)bouwen gelden de volgende regels: als er een profiel van vrije ruimte beschikbaar is, gelden dezelfde criteria als bij binnendijks bouwen; als er geen profiel van vrije ruimte beschikbaar is, moet herbouw plaatsvinden buiten het profiel zoals aangegeven in figuur 8. Hierbij mag het bouwwerk nooit dichter bij de waterkering gebouwd worden dan in de bestaande situatie. voor buitendijkse verbouwing gelden dezelfde regels als voor binnendijkse verbouwingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Hoge bouwwerken en constructies (bijvoorbeeld windmolens en (zend)masten) die diep in de ondergrond verankerd zijn kunnen een extra nadelige invloed hebben op de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dit soort bouwwerken binnen de waterkering en bijbehorende beschermingszones wordt daarom geen watervergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Kabels en leidingen in een waterkering en/of bijbehorende beschermingszone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2 onder 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt ook verstaan het leggen van kabels en leidingen in een waterkering en/of bijbehorende beschermingszone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrip waterstaatswerk In de Keur is sprake van het begrip ‘waterstaatswerk’. Hieronder wordt verstaan zowel een waterkering als een oppervlaktewaterlichaam. Voor de leesbaarheid is in deze beleidsregel het begrip ‘waterstaatswerk’ daar waar het van toepassing is, vervangen door ‘waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen Het waterschap onderscheidt in het kader van deze beleidsregel een aantal groepen kabels en leidingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels: Onder kabels vallen voorzieningen voor het aanleggen, hebben en onderhouden van onder andere elektriciteits-, signaal en telecommunicatievoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelbuizen (drukloze leidingen): leidingen ter bescherming van (mediumvoerende) leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleine (druk)leidingen: Kleine (druk)leidingen (kleiner of gelijk aan Ø 110 mm en een inwendige druk lager en/of gelijk aan 10 Bar) zijn onder andere vrijvervalrioleringen, drainage, mantelbuizen en kleine industriële leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grote (druk)leidingen: Grote (druk)leidingen (groter dan Ø 110 mm en/of een inwendige druk hoger dan 10 Bar) zijn onder andere water- en gasleidingen, drukrioleringen, stadsverwarming en industriële leidingen, maar ook kabels en leidingen welke onderdeel uitmaken van het hoofdtransportnet. Met name de voorzieningen voor de hoofdtransportnetten worden veelal gezien als kapitaalintensieve werken voor een periode van 50 jaar of meer en/of zijn in de toekomst moeilijk aan te passen. Daarom zijn hiervoor specifieke toetsingscriteria van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt in deze beleidsregel onderscheid gemaakt tussen: kabels en leidingen die parallel aan de waterkering in de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone worden aangebracht; kabels en leidingen die een waterkering kruisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid Voor het aanleggen, hebben, houden en onderhouden van kabels en leidingen binnen het waterstaatswerk en bijbehorende beschermingszones van waterkeringen en oppervlaktewaterlichamen geldt een algemene regel (zie bijlage 1, WW 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maken van een Koude-Warmte-Opslag (KWO) systeem geldt een aparte beleidsregel ( nr. 5.24). Deze beleidsregel regelt zowel de horizontale als de verticale boringen van het systeem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van kabels en leidingen in de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone is het voornamelijk van belang dat de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel De aanleg en de aanwezigheid van kabels en leidingen kan de waterkerende functie van de waterkering aantasten. Waterschap Rivierenland is daarom terughoudend in het toestaan van kabels en leidingen binnen de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone. Het waterschap hanteert de 'nee, tenzij'-benadering bij het toetsen van deze watervergunningsaanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkerende functie Schade aan leidingen komt regelmatig voor. Dit kan grote gevolgen hebben voor de stabiliteit van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schade aan de waterkering door verweking of explosie moet worden voorkomen door de leidingen die dit effect kunnen veroorzaken en die niet noodzakelijk in de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone moeten liggen, buiten die zones aan te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruisingen van leidingen met de waterkering verdienen aparte aandacht. Een leiding die de waterkering kruist, vormt als het ware een tunnel (kwelweg) door of onder de waterkering. Daarom moeten deze kruisingen zo aangelegd worden, dat het risico van falen (van zowel de waterkering als de leiding) zo klein mogelijk wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drainage Voor de ontwatering van landbouw- of andere percelen, kan het soms wenselijk zijn drainage aan te leggen. Drainage binnen het leggerprofiel van de waterkering verhoogt echter het risico op het aantrekken van kwelwater. Soms kan drainage waterstaatkundig voordelig zijn, als het de afvoer van spanningswater uit de waterkering bevordert, of als het voorkomt dat hemelwater zich ophoopt tussen de waterkering en een aanberming tegen de waterkering. Voor het aanbrengen en hebben van drainage in de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone wordt daarom alleen watervergunning verleend als er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ontwerp, de aanleg en het beheer van leidingen in en nabij waterkeringen moet uitgevoerd worden zoals in de NEN 3650-serie is aangegeven (minimaal kwaliteit SDR 11).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kabels en leidingen moeten gelegd worden: buiten de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone; als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, in de beschermingszone; als ook dat niet mogelijk is, kan de kabel of leiding toch in de waterkering gelegd worden, waarbij deze in ieder geval uit de teen van de waterkering moet blijven en niet in het buitentalud gelegd mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gelegenheid zich voordoet, moeten de kabels en leidingen verlegd worden naar een tracé buiten de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande tracés in de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone kunnen benut blijven en eventueel uitgebreid wanneer: de kabel of de verwekingzone van de leiding (NEN 3650) boven het leggerprofiel ligt; de veiligheid van de waterkering door de aanleg voldoende gewaarborgd blijft en wijziging van het bestaande tracé niet in verhouding staat tot het effect wat die wijziging heeft op de veiligheid van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stabiliteit van de waterkering moet tijdens en na de uitvoering van kabel- en leidingwerkzaamheden worden gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zogenaamde \"rakettechniek\" is binnen de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij alle sleufloze technieken (persing of HDD techniek) moet een sterkte- en muddrukberekening conform NEN 3650 worden uitgevoerd. Deze berekening moet gebaseerd zijn op in de buurt van de aanleglocatie uitgevoerd grondmechanisch en hydrologisch onderzoek en/of lokaal bekende parameters en dient door het waterschap goedgekeurd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij grote (druk)leidingen moet ook bij een open ontgraving een sterkteberekening uitgevoerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassing van mantelbuizen parallel aan de waterkering wordt alleen toegestaan als het volgens de NEN 3650 serie noodzakelijk is. Deze situaties zijn: onder een afrit of zijweg; als er sprake is van bundeling van kabels bij horizontaal gestuurde boring (HDD techniek).</p>\n<p class=\"lf-p\">De mantelbuis moet dan buiten het leggerprofiel gelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidingen waardoor als gevolg van falen een verweking- en/of explosiekrater kan ontstaan, moeten volledig buiten het leggerprofiel van de waterkering (incl. bijbehorende veiligheidszone) aangelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruisingen Kruisingen van kabels en leidingen met waterkeringen moeten de waterkering haaks kruisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leidingkruising moet door middel van een open ontgraving aangelegd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een horizontaal gestuurde boring (HDD techniek) is alleen toegestaan als uit grondonderzoeken, kwelwegberekeningen en sterkteberekeningen volgens de NEN 3650-serie blijkt, dat de waterkerende functie van de waterkering gegarandeerd blijft. Toepassing van de gesloten front techniek is alleen toegestaan indien de kruising plaatsvindt op ten minste 1 meter boven het leggerprofiel van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van mantelbuizen bij dijkkruisingen is alleen toegestaan als dit voor de stabiliteit van de waterkering nodig is en wanneer sprake is van glasvezelverbindingen of bundeling van een groot aantal kabels. Hierbij worden speciale eisen gesteld aan mantelbuizen, afdichtingen en voorzieningen daarvan conform NEN 3650-serie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een leidingkruising moet zodanig ontworpen en aangelegd worden dat: de leiding als één stuk binnen de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone aangelegd wordt en bij een primaire waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de hele waterkering en bijbehorende beschermingszone minimaal 10,00 meter beneden het maaiveld ligt en 5,00 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij conform de NEN 3650-serie hiervan kan worden afgeweken; bij een regionale waterkering: bij een horizontaal gestuurde boring het tracé van de leiding onder de hele waterkering en bijbehorende beschermingszone minimaal 6,00 meter beneden het maaiveld ligt en 5,00 meter beneden dijktechnisch aangebrachte constructies, tenzij conform de NEN 3650-serie hiervan kan worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een leidingkruising moet drukloos gemaakt en afgesloten kunnen worden. Afsluiters dienen zowel aan de binnendijkse en de buitendijkse zijde geplaatst te worden en moeten ook tijdens hoogwaterperiodes bereikbaar en bedienbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen watervergunning verleend om binnen de waterkering aan een dijkkruisende kabel of leiding een aftakking en/of aansluiting te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diversen Voor de aanleg van lokale voorzieningen van het openbare verlichtingsnet in en nabij de binnenkruinlijn van de waterkering wordt een watervergunning verleend als de voorzieningen vanwege de verkeersveiligheid noodzakelijk zijn en er verlichtingtechnisch geen alternatief is. Dergelijke voorzieningen zijn in de buitenkruinlijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het aanbrengen en hebben van drainage binnen de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone wordt alleen een watervergunning verleend wanneer er waterstaatkundig geen negatieve effecten ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 Bomen en struiken en laagblijvende beplanting binnen de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2 onder 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt ook verstaan het planten van bomen, struiken en laagblijvende beplanting binnen de waterkering en/of bijbehorende beschermingszone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrip waterstaatswerk In de Keur is sprake van het begrip ‘waterstaatswerk’. Hieronder wordt verstaan zowel een waterkering als een oppervlaktewaterlichaam. Voor de leesbaarheid is in deze beleidsregel het begrip ‘waterstaatswerk’ daar waar het van toepassing is, vervangen door ‘waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen (hout)beplantingen Bomen, struiken en laagblijvende beplanting die worden geplant om de tuin in te richten of het landschap te verfraaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid Het planten van bomen, struiken en laagblijvende beplanting is vaak onderdeel van terreininrichting waarbij ook (semi-permanente) bouwwerken/objecten worden aangebracht. Voor het aanbrengen van semi-permanente bouwwerken in de beschermingszone geldt een algemene regel (zie bijlage 1, WK 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor permanente bouwwerken binnen de kern- en beschermingszones van waterkeringen geldt een aparte beleidsregel (nummer 5.18).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast geldt er een algemene regel voor het gebruik van percelen bij waterkeringen als tuin en bouwland (bijlage 1, WW 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen. Bij het planten van bomen en struiken is het vooral belangrijk dat de stabiliteit van de waterkering is gegarandeerd en dat er door de groei van wortelstelsels door een kleilaag geen 'piping' ontstaat. Bij het vervangen van het grastalud door laagblijvende beplanting gaat het om de bescherming van de erosiebestendigheid van het talud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel Waterkerende functie Bij de toetsing of bomen, struiken en planten invloed hebben op de waterkering, zijn drie aspecten belangrijk: schaduwwerking. Door schaduwwerking kan het gras, de standaard taludbekleding, onder bomen en struiken minder goed groeien. De erosiebestendigheid van het talud komt hiermee in gevaar. Daarom wordt er in de toetsingscriteria voor bomen en struiken een horizontale afstand tot het leggerprofiel aangehouden. stabiliteit. Om de stabiliteit van een dijk te garanderen, is een bepaalde afmeting (hoogte en breedte) van die dijk nodig. Dit heet het ‘leggerprofiel’. Doorsnijding van dit leggerprofiel met bijv. een wortelkluit van een boom of struik, maakt de dijk minder stabiel (en dus minder veilig). Omgewaaide bomen kunnen door het ontstane gat van de wortelkluit de dijk ernstig beschadigen. In de toetsingscriteria komt dit aspect tot uiting in de verticale afstand tot het leggerprofiel. piping. Piping is het verschijnsel dat water en zand onder de dijk door komt via waterdoorlatende lagen. Hierdoor ontstaan tunnels onder de dijk. Kleilagen in en onder de dijk voorkomen piping. Er bestaat gevaar dat het wortelstelsel van bomen en struiken door deze kleilagen heendringt. Hierdoor neemt de kans op piping toe. In de toetsingscriteria komt dit aspect tot uiting in de verticale afstand tot het leggerprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij boezemkades is er op dit moment geen invloed van piping bekend, bij primaire en andere regionale waterkeringen (zoals de Lingedijken) wel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer en onderhoud Het talud van de dijk is bekleed met erosiebestendig materiaal (gras of harde bekleding). Het waterschap wil de waterkeringen goed kunnen inspecteren. Medewerkers komen ter plaatse kijken of de dijk beschadigd is. Bijvoorbeeld door uitspoeling door regen of overslaand water of door graafactiviteiten van dieren. Bij gebruik van een andere vorm van bodembedekking is controle door medewerkers niet (goed) mogelijk. Daarom wordt geen watervergunning verleend voor het vervangen van de bestaande taludbekleding door een andere vorm van taludbedekking (bijv. anti-worteldoek). Ook niet in combinatie met een bodembedekker Toetsingscriteria Aanvragen worden allereerst aan de algemene toetsingscriteria getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de situatie gelden ook de volgende toetsingscriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Boom van nature &lt; 5 m of struik Boezemkades Overige regionale waterkeringen waarbij piping kan optreden * Primaire waterkeringen Waterkering Toetsingscriteria A Toetsingscriteria A Toetsingscriteria A Binnen pipinglijnen Buiten pipinglijnen Binnen pipinglijnen Buiten pipinglijnen Beschermingszone Algemene Regel WK 1 Toetsingscriteria B Algemene regel WK 1 Toetsingscriteria B Algemene Regel WK 1 Boom van nature &gt; 5 meter Boezemkades Overige regionale waterkeringen waarbij piping kan optreden* Primaire waterkeringen Waterkering Niet toegestaan Niet toegestaan Niet toegestaan Beschermingszone Toetsingscriteria C Toetsingscriteria D Toetsingscriteria D vervangende taludbeplanting Boezemkades Overige regionale waterkeringen waarbij piping kan optreden * Primaire waterkeringen Waterkering Toetsingscriterium E Toetsingscriteria E Toetsingscriteria E * pipinglijnen voor Lingedijken en compartimenteringsdijken zijn niet opgenomen in de legger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Toetsingscriteria A De aanwezigheid van de beplanting mag het doelmatig beheer en onderhoud op en nabij de waterkering niet belemmeren. in het buitendijkse gedeelte van de waterkering zijn bomen, heggen en solitaire struiken niet toegestaan. in het binnendijkse gedeelte van de waterkering zijn bomen en solitaire struiken alleen toegestaan als: de bomen van nature niet hoger worden dan 5 meter en het maaiveld ter plaatse van de beplanting minimaal 0,5 meter hoger is dan het leggerprofiel en de afstand van het leggerprofiel tot de beplanting minimaal 2 meter is bij een regionale kering of 4 meter uit het leggerprofiel bij een primaire kering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heggen en hagen zijn in het binnendijkse gedeelte van de waterkering toegestaan als: het maaiveld ter plaatse van de heg/haag minimaal 0,5 meter hoger is dan het leggerprofiel; en de heg/haag niet hoger wordt dan 1,00 meter; en het plantgat niet dieper wordt dan 25 cm beneden maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan om in plantgaten voorzieningen aan te brengen voor beluchting of watervoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aanplant van bomen kan vanwege het plantseizoen in overleg met het waterschap worden afgeweken van de zogenaamde dijksluitingsperiode. Voor aanplant in deze periode wordt een watervergunning verleend als de aanplant niet tijdens hoogwater plaatsvindt en plantgaten in één werkgang worden gegraven, voorzien worden van beplanting en met uitkomende grond worden aangevuld en voldoende worden verdicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria B De aanwezigheid van de beplanting mag het doelmatig beheer en onderhoud op en nabij de waterkering niet belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zowel de buiten- als de binnendijkse beschermingszone zijn bomen en struiken alleen toegestaan als: het maaiveld ter plaatse van de beplanting minimaal 0,5 meter hoger is dan het leggerprofiel en aaneengesloten beplanting (heg of haag) niet hoger wordt dan 1,00 meter Het is niet toegestaan om in plantgaten voorzieningen aan te brengen voor beluchting of watervoorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aanplant van bomen kan vanwege het plantseizoen in overleg met het waterschap worden afgeweken van de zogenaamde dijksluitingsperiode. Voor aanplant in deze periode wordt een watervergunning verleend als de aanplant niet tijdens hoogwater plaatsvindt en plantgaten in één werkgang worden gegraven, voorzien worden van beplanting en met uitkomende grond worden aangevuld en voldoende worden verdicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria C De aanwezigheid van de beplanting mag het doelmatig beheer en onderhoud op en nabij de waterkering niet belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zowel de buiten- als de binnendijkse beschermingszone zijn bomen die hoger worden dan 5 meter alleen toegestaan als: het maaiveld ter plaatse van de boom/bomen hoger is dan het profiel van vrije ruimte en de boom/bomen minimaal 2 meter uit de kernzone worden geplant .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan om in plantgaten voorzieningen aan te brengen voor beluchting of watervoorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aanplant van bomen kan vanwege het plantseizoen in overleg met het waterschap worden afgeweken van de zogenaamde dijksluitingsperiode. Voor aanplant in deze periode wordt een watervergunning verleend als de aanplant niet tijdens hoogwater plaatsvindt en plantgaten in één werkgang worden gegraven, voorzien worden van beplanting en met uitkomende grond worden aangevuld en voldoende worden verdicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria D De aanwezigheid van de beplanting mag het doelmatig beheer en onderhoud op en nabij de waterkering niet belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zowel de buiten- als de binnendijkse beschermingszone zijn bomen die hoger worden dan 5 meter alleen toegestaan als: de boom/bomen minimaal 2 meter uit de kernzone worden geplant en er 1 meter overhoogte ten opzichte van het leggerprofiel is, of de boom/bomen minimaal 5 meter uit de kernzone en buiten de invloedslijnen van piping worden geplant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet toegestaan om in plantgaten voorzieningen aan te brengen voor beluchting of watervoorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aanplant van bomen kan vanwege het plantseizoen in overleg met het waterschap worden afgeweken van de zogenaamde dijksluitingsperiode. Voor aanplant in deze periode wordt een watervergunning verleend als de aanplant niet tijdens hoogwater plaatsvindt en plantgaten in één werkgang worden gegraven, voorzien worden van beplanting en met uitkomende grond worden aangevuld en voldoende worden verdicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria E De aanwezigheid van de beplanting mag het doelmatig beheer en onderhoud op en nabij de waterkering niet belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van anti-worteldoek is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervangen van de buitendijkse taludbekleding is niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het maaiveld binnendijks hoger ligt dan het Maatgevend Hoog Water (MHW) is laagblijvende beplanting als taludbedekking op het binnendijkse talud toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij regionale waterkeringen mag de erosiebestendige binnendijkse taludbekleding vanaf een afstand van 1 meter vanaf de binnenteen vervangen worden door andere laagblijvende beplanting mits er minimaal 0,50 m overhoogte is ten opzichte van het leggerprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij primaire waterkeringen mag de erosiebestendige binnendijkse bekleding vanaf een afstand van 2 meter vanaf de binnenteen (namelijk op het vlakke deel van de berm) vervangen worden door andere laagblijvende beplanting mits er minimaal 1,00 m overhoogte is ten opzichte van het leggerprofiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 Wegen, parkeerplaatsen en perceelsontsluitingen (op- en afritten, trappen en aanbermingen) in de waterkering en bijbehorende beschermingszones Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2 onder 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt ook verstaan het aanbrengen van werken, zoals wegen, op- en afritten en aanbermingen op het waterstaatswerk en bijbehorende beschermingszones.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrip waterstaatswerk In de Keur is sprake van het begrip ‘waterstaatswerk’. Hieronder wordt verstaan zowel een waterkering als een oppervlaktewaterlichaam. Voor de leesbaarheid is in deze beleidsregel het begrip ‘waterstaatswerk’ daar waar het van toepassing is, vervangen door ‘waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen Wegen, op- en afritten, trappen en aanbermingen dienen in het algemeen voor de ontsluiting van (bebouwde) gebieden, de bereikbaarheid van bebouwing en de toegang tot landbouwgronden en natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parkeerplaatsen zijn nodig om te voorkomen dat auto's in de wegberm parkeren en daarbij de waterkering beschadigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen en bijbehorende beschermingszones binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid Wegen en ontsluiting worden vaak gerealiseerd ter plaatse van (nieuw)bouw. Voor bouwwerken in de waterkering en bijbehorende beschermingszones geldt een aparte beleidsregel (5.18).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan de openbare wegen op en nabij de waterkering, geldt een algemene regel (bijlage 1, nr. 27).</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterkeringen zijn (meestal) eigendom van het waterschap. Daar waar wegen, parkeerplaatsen, op- en afritten op eigendom van het waterschap liggen, is naast een watervergunning ook een privaatrechtelijke overeenkomst met het waterschap nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij het aanbrengen van wegen, op- en afritten op de waterkering en bijbehorende beschermingszone is het voornamelijk van belang dat de stabiliteit[1] , en dus ook de waterkerende functie van de waterkering, evenals het doelmatig onderhoud is gewaarborgd. [1] Betreft: extra zetting (vooral inwendig), erosiebestendigheid binnentalud, extra kapitaal bij dijkversterking Toelichting op de beleidsregel Waterkerende functie Wegen, op- en afritten, trappen en aanbermingen hebben door hun aanwezigheid en het transport hierover een negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bovendien zorgen op- en afritten voor een vergroting van het dijkprofiel, wat aan de ene kant extra stabiliteit betekent, maar aan de andere kant extra belasting voor het bestaande grondlichaam oplevert. Bovendien kan door de toegankelijkheid van verkeer een aanzienlijke verkeersbelasting ontstaan. Trillingen door verkeer kunnen bij met water verzadigde waterkeringen leiden tot verweking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De fundering en verharding mogen geen nadelige invloed hebben op de dijkbekleding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beheer en onderhoud Trappen, parkeerplaatsen, op- en afritten en aanbermingen tegen het talud van de waterkering maken doelmatig beheer en onderhoud moeilijker. In maaivakken zal de maaimachine voor ieder obstakel moeten wijken en moet handwerk uitgevoerd worden. Bestaande beweidingsvakken kunnen door aanbermingen, trappen en op- en afritten opgedeeld worden. Ook dit is niet wenselijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast vormen aanbermingen, op- en afritten een extra belasting voor eventueel aanwezige leidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterschap Rivierenland is daarom terughoudend in het toestaan van nieuwe aanbermingen, op- en afritten en trappen. Een watervergunning voor de aanleg van aanbermingen, trappen en op- en afritten tegen het talud van de waterkering kan alleen worden verleend als de constructie zo aangelegd wordt dat deze geen belemmering vormt voor het uit te voeren beheer en onderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor perceelontsluitingen Per perceel gelegen aan de waterkering is in principe één ontsluiting voldoende. Bovendien geldt dat als redelijkerwijs gebruik gemaakt kan worden van bestaande aanbermingen, op- en afritten en/of trappen, al dan niet met een kleine aanpassing daarvan, gebruik daarvan de voorkeur verdient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij splitsing van percelen moet naar handhaving van de bestaande ontsluiting worden gestreefd. Een nieuwe ontsluiting is slechts vergunbaar bij een aangetoond zwaarwegend belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe ontsluitingen kunnen worden toegestaan als er sprake is van inbreidingsplannen binnen de bebouwde kom. Het aantal ontsluitingen naar de dijk binnen het plan moet dan tot een minimum worden beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op- en afritten en trappen moeten buiten het leggerprofiel van de waterkering aangelegd worden en mogen de stabiliteit en de taludbekleding van de waterkering niet negatief beïnvloeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op- en afritten mogen worden voorzien van een wegverharding ter breedte van maximaal 2,50 meter met aan weerszijden een berm van maximaal 0,50 meter. De taluds moeten glooiend worden aangelegd in een schuinte van 1:2,5 tot 1:3. Voor bedrijfsmatig gebruik kan (na een goede motivering van de aanvraag) de wegverharding breder worden aangelegd tot maximaal 4,50 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor op- en afritten aan de buitendijkse zijde die haaks op de waterkering zijn gesitueerd, wordt geen watervergunning verleend. Buitendijkse op- en afritten moeten zo worden aangelegd dat zij niet stromingbelemmerend of erosiebevorderend werken. Ook mogen zij geen aanleiding geven tot ophoping van drijfvuil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de op- en afrit in wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij Waterschap Rivierenland, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de op- en afrit geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de op- en afrit of de trap en bijbehorende voorzieningen. Als Waterschap Rivierenland eigenaar is van het perceel, moet voor het onderhoud van de op- en afrit een onderhoudsovereenkomst met het waterschap worden afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor parkeerplaatsen Voor het maken van een parkeerplaats op de waterkering wordt alleen vergunning verleend als parkeren op eigen terrein niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De parkeerplaats moet voorzien zijn van een halfopen verharding en zodanig groot zijn, dat veilig parkeren mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanleg van de parkeerplaats mag geen aanberming aan de waterkering worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de parkeerplaats wordt aangelegd op een waterkering die in onderhoud is bij Waterschap Rivierenland, moet de constructie zodanig worden opgebouwd dat de parkeerplaats geen schade ondervindt als het gangbaar onderhoudsmaterieel bij onderhoud van de waterkering door of namens het waterschap hiervan gebruik maakt. De vergunninghouder moet zelf zorgen voor het onderhoud aan de parkeerplaats en bijbehorende voorzieningen. Als Waterschap Rivierenland eigenaar is van het perceel, moet voor het onderhoud van de parkeerplaats een onderhoudsovereenkomst met het waterschap worden afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wegen Bij de aanleg van een nieuwe weg of pad moet rekening gehouden worden met toekomstige dijkversterking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wegverharding en onderliggende fundering dient zodanig aangelegd te worden dat de verkeersbelasting voldoende wordt verspreid naar het onderliggende dijklichaam en zonder dat er negatieve effecten op kunnen treden met betrekking tot de constructie en functie van de waterkering. Dit is van toepassing op zowel wegreconstructies als voor aanleg van nieuwe wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkeersvoorzieningen, zoals verkeersborden, komportalen en openbare verlichting, worden gezien als een noodzakelijk deel van de openbare weg. Bij de toetsing of een watervergunning verleend kan worden, zal hiermee rekening gehouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er worden nadere eisen gesteld aan de plaats en manier van uitvoering. Zo wordt voor voorzieningen in het buitentalud of in de buitenkruinlijn geen watervergunning verleend, tenzij de verkeersveiligheid dit nadrukkelijk vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In gebieden waar door de aanleg van grondophogingen grote zettingen verwacht worden, moet de initiatiefnemer door middel van berekeningen aantonen dat de ophoging geen nadelige gevolgen heeft voor, of kan veroorzaken aan de waterkering en bijbehorende of inliggende voorzieningen (bijv. kabels en leidingen) en/of belendende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plaats van aan te leggen trappen, op- en afritten, aanbermingen en wegen, moet worden afgestemd op het regulier beheer en onderhoud van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De breedte, talud helling, bekleding en samenstelling van de aanberming, op- en afritten en trappen moeten in overeenstemming zijn met de bestemming/functie van het aangevraagde werk en mogen geen afbreuk doen aan LNC-waarden[1] . Nieuwe taludhellingen moeten geleidelijk aansluiten op dijktaluds. [1] de dijk moet hierbij als herkenbaar landschappelijk element bewaard blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23 Afgravingen in (buiten)beschermingszones van waterkeringen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2 onder 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt ook verstaan het uitvoeren van afgravingen (grote ontgrondingen) in de (buiten)beschermingszone.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrip waterstaatswerk In de Keur is sprake van het begrip ‘waterstaatswerk’. Hieronder wordt verstaan zowel een waterkering als een oppervlaktewaterlichaam. Voor de leesbaarheid is in deze beleidsregel het begrip ‘waterstaatswerk’ daar waar het van toepassing is, vervangen door ‘waterkering’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen Onder afgravingen worden ook ontgrondingen verstaan. Ontgrondingen in buitenbeschermingszones van waterkeringen worden veelal uitgevoerd ten behoeve van zandwinning. Maar ook het maken van een (diepe) parkeerkelder in de beschermingszone valt onder deze beleidsregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterkeringen binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland, waarlangs zich buitenbeschermingszones bevinden, zoals in de legger van Waterschap Rivierenland is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid Om voor de ontgrondingsbedrijven uniformiteit in het toetsingskader aan te brengen, sluit Waterschap Rivierenland aan bij de CUR-aanbeveling 'Oeverstabiliteit bij zandwinputten', die is opgesteld voor ontgrondingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen als onderdeel van het totale waterstaatkundige systeem. Bij ontgronding is het van belang dat er geen verschuivingen van de oever en/of het dijklichaam optreden, waardoor de stabiliteit en daarmee de waterkerende functie van de waterkering negatief zou kunnen worden beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel Waterkerende functie Ontgrondingen kunnen op een aantal manieren gevaar opleveren voor de waterkering. Het heeft vooral invloed op de stabiliteit van de waterkering. Bij een ontgronding is het mogelijk dat een groot deel van de oever of de wand van een bouwput instort. Als deze instortingen in de buurt van waterkeringen zijn, kunnen ze een negatieve invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ontgrondingen buitendijks moet de volgende afstand tot de waterkering aangehouden worden: binnen 50 meter van de buitenteen van de waterkering is geen ontgronding toegestaan; tussen 50 en 100 meter van de buitenteen van de waterkering is alleen een ondiepe ontgronding toegestaan mits de ontgronding boven de gemiddelde zomerwaterstand plaatsvindt en een minimaal kleidek van 1,50 meter aanwezig blijft, of verdicht wordt aangebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de buitenbeschermingszone zijn (diepe) ontgrondingen alleen toegestaan, als door het hydrologisch en geotechnisch onderzoek is aangetoond dat er geen negatief effect is op de algehele standzekerheid van de waterkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor alle (diepe) ontgrondingen geldt dat de CUR-aanbeveling 130 gehanteerd wordt bij het ontwerpen en toetsen van de uit te voeren ontgronding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de (buiten)beschermingszone zijn ontgravingen alleen toegestaan, nadat uit onderzoek is gebleken of er toename van kwel zal zijn en in het bevestigende geval, nadat die kwel is gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 Boringen voor bodemenergiesystemen in de waterkering en bijbehorende beschermingszones (inclusief de buitenbeschermingszone) Kader Keur Deze beleidsregel gaat over keurartikel 3.2 onder 1 en 6:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functies, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te leggen, te laten staan, te vervangen, te verwijderen of te vervoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen, te vervangen, te verwijderen of te behouden Waterschap Rivierenland krijgt in toenemende mate te maken met aanvragen voor het maken van boringen voor bodemenergiesystemen in de vorm van Koude Warmte Opslag (KWO) voor gebouwen van bedrijven en particulieren die in de nabijheid van de waterkering staan. Voor het aanbrengen van bodemenergiesystemen moeten allerlei voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waterkerende functie van de waterkering wordt aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrip waterstaatswerk In de Keur is sprake van het begrip ‘waterstaatswerk’. Hieronder wordt verstaan zowel een waterkering als een oppervlaktewaterlichaam. Voor de leesbaarheid is in deze beleidsregel het begrip ‘waterstaatswerk’ daar waar het van toepassing is, vervangen door ‘waterkering’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen Onder werkzaamheden worden in dit geval activiteiten verstaan waardoor waterstaatswerken en hun beschermingszones veranderen. Ook activiteiten die geen verandering tot doel hebben, maar waardoor er toch veranderingen in de waterstaatswerken of hun beschermingszones optreedt, vallen onder dit begrip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn 2 typen koude-warmte opslag (KWO) systemen: open systeem; hierbij wordt daadwerkelijk water opgepompt en teruggevoerd in de bodem. De warmteoverdracht vindt boven de grond plaats; gesloten systeem of bodemwarmtewisselaars; hierbij wordt vloeistof rondgepompt in een gesloten systeem in de bodem. Warmte overdracht vindt dus in de bodem plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel gaat ook over ondiepe grondwateronttrekkingen, bijvoorbeeld voor veedrenking en beregening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke waterkeringen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel geldt voor alle waterkeringen (primaire en regionale waterkeringen) en de bijbehorende beschermingszones binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid KWO systemen maken gebruik van diepe boringen, maar uiteindelijk moeten ook leidingen naar de woning aangelegd worden. Voor het leggen van leidingen geldt een aparte beleidsregel (5.19).</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms is de KWO systeem onderdeel van een nieuwbouwproject. Voor het realiseren van bouwwerken in de waterkering en bijbehorende beschermingszones geldt een aparte beleidsregel (5.18).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor grondwateronttrekking ten behoeve van beregening, bevloeiing en veedrenking geldt Algemene Regel GW 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de vergunning op grond van de Keur Waterschap Rivierenland 2014 is voor het plaatsen van een KWO systeem een Watervergunning op grond van art. 6.5.b Waterwet (onttrekken van grondwater) nodig. Dit geldt voor zowel open- als gesloten KWO-systemen. De provincie is bevoegd gezag voor open systemen, de gemeente voor gesloten KWO systemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat een aanvraag om vergunning gaat over een activiteit waarvoor meer dan één bestuursorgaan bevoegd is, is er sprake van samenloop. Het hoogste gezag beslist in principe op de aanvraag, tenzij anders is overeengekomen. Voor KWO systemen in de waterkering en bijbehorende beschermingszones zal in het algemeen het waterschap een beslissing nemen op de aanvraag. De provincie heeft dan een adviserende rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van waterkeringen. Met betrekking tot het uitvoeren van verticale boringen is het met name van belang dat de stabiliteit en de waterkerende functie van de waterkering is gegarandeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het waterschap beoordeelt de gevolgen van de werkzaamheden. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel Waterkerende functie en stabiliteit Voor een KWO moet er meestal een fors boorgat worden gemaakt, moeten er leidingen in het boorgat worden gemaakt, moeten de afdichtingen tussen boorbuis en bodem betrouwbaar zijn en moet dit alles aan het eind van de levensduur van het bodemenergiesysteem weer afgedicht worden. Deze constructie mag per definitie de werking van de waterkering niet aantasten. Daarom zijn er toetsingscriteria en zullen er aan de vergunning voorschriften worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingscriteria Aanvragen worden aan de algemene toetsingscriteria voor waterkeringen getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast gelden de volgende bijzondere toetsingscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Alle leidingen dienen te voldoen aan NEN 3650 en minimaal te bestaan uit HDPE, SDR 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vergunning zullen voorschriften worden opgenomen voor het buiten gebruik stellen van het KWO systeem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor inspectie bij hoogwater moeten de bronnen te allen tijde bereikbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">KWO boringen zijn ook in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering vergunningplichtig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaats van de boringen KWO boringen in de waterkering (het waterstaatswerk) zijn niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boringen moeten zo ver mogelijk uit de waterkering plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boringen mogen het profiel van vrije ruimte (p.v.v.r.) wel doorsnijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afwerking van de boring (zie principetekening), de warmtewisselaar, de ontvang- en verdeelput moeten worden geplaatst buiten het p.v.v.r.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige horizontale onderdelen, zoals kabels, toevoerleidingen en dergelijke naar het gebouw, mogen in het profiel van vrije ruimte worden aangebracht. Deze leidingen mogen niet dieper in het maaiveld ingegraven worden, dan strikt noodzakelijk (maximaal 80–100 cm).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van een KWO–installatie, bestaande uit meerdere diepe boorgaten, met een grote diameter dicht bij elkaar, evenwijdig aan de lengterichting van de waterkering, verhoogt het risico op instabiliteit van de waterkering. Daarom moet de richting van de bronnenlijn altijd loodrecht op de referentielijn van de waterkering worden uitgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het KWO systeem moet altijd aan dezelfde zijde van de waterkering worden geplaatst als het object waarvoor het geïnstalleerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boren en afdichten De boormethode moet zo zijn, dat er een minimale hoeveelheid grond wordt opgeboord in verhouding tot de omvang van het boorgat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een boormethode toegepast worden waarbij een boorspoeling (bijvoorbeeld bentoniet) wordt gebruikt, waarmee ook in onsamenhangende grond (zand- en grintlagen) de standzekerheid van de boorgatwand gegarandeerd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het opvangen van de boorvloeistof mogen geen ontgravingen worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruimte tussen de boorgatwand en de verticale filterleiding moet worden opgevuld met een uithardende boorvloeistof, zoals bentoniet-cement of gelijkwaardig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gesloten systemen moet bij voorkeur geen filtergrind worden gebruikt. Als dit wel wordt gebruikt, mag dit tot maximaal 15,00 meter boven het “geluste”deel van de buis. Daarna moet het boorgat verder worden opgevuld met uithardende boorvloeistof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij open systemen mag maximaal vanaf 3,00 meter filtergrind worden gebruikt boven het geperforeerde deel van de filterbuis. Daarna moet het boorgat verder worden opgevuld met uithardende boorvloeistof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als na het boren de mantelbuis blijft staan, moet deze vanaf maaiveld een lengte van 2,00 meter langer dan de deklaagdikte hebben, met een minimum van 4,00 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rondom de mantelbuis moet een kleikist en kunststof kwelscherm worden aangebracht. De kleikist moet van categorie I klei zijn met een minimale dikte en breedte rondom van 1,00 meter. Het kwelscherm moet ook een breedte hebben van 1,00 meter rondom de mantelbuis en worden vastgezet met een klem.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de situatie dat na het boren de mantelbuis wordt gelicht, moet het resterende boorgat verder worden opgevuld met de uithardende boorvloeistof. Een kleikist of kwelscherm is dan niet nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extern professioneel toezicht op en schriftelijke verslaglegging van de uitvoering is op kosten van de aanvrager verplicht. Het toezicht moet minimaal bestaan uit: directe betrokkenheid bij de beoordeling van het werkplan; aanwezigheid bij de 1e boring. Controle of het aangeleverde werkplan gevolgd wordt (beoordeling kwaliteit, controle boorprofiel, inschatten voorraden); controle op samenstelling boorvloeistof tijdens het boren en samenstelling bentoniet-cement mengsel tijdens het opvullen (ook controle op inbrengen HDPE-buis, trekken mantelbuis); steekproefsgewijze aanwezigheid voor controle of er gewerkt wordt conform de vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verslaglegging van het toezicht op het werk moet uiterlijk 2 weken na beëindiging van het werk bij het waterschap te zijn aangeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor open systemen De mate van risico op de waterkering moet gekwantificeerd worden met een 3-dimensionaal grondwatermodel waarbij rekening wordt gehouden met variatie van de dikte van de bodemlagen, doorlaatfactoren en situering van de onttrekkings- en retourfilters. Dergelijke berekeningen zijn verplicht. Het risico als gevolg van temperatuursverandering is klein en hoeft niet meegenomen te worden in de berekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de kans op fluctuaties in het freatisch grondwater door het gebruik van de KWO-installatie tot een minimum te beperken, moeten de filters van open KWO-systemen op grote diepte in het tweede of nog dieper gelegen watervoerend pakket worden geplaatst, onder dikke scheidende lagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningaanvrager moet in het grondwatermodel ook aantonen dat de freatische grondwaterstand als gevolg van het KWO-systeem niet hoger dan 0,50 m onder maaiveld, niet hoger dan het heersend polderpeil en niet lager dan de laagst gemeten freatische grondwaterstand komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25 Objecten, werkzaamheden en wijzigingen in gebruik van wegen Kader Keur Deze beleidsregel gaat over artikel 5.4 van de Keur Waterschap Rivierenland 2014:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder vergunning van het bestuur is het verboden om een weg te gebruiken in strijd met het doel daarvan, veranderingen in de weg aan te brengen en/of om enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in of onder de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaring van een aantal begrippen De begripsomschrijvingen zijn opgenomen in de toelichting van de keur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor welke wegen geldt deze beleidsregel?</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregel heeft betrekking op alle wegen en wat daartoe behoort zoals fietspaden, wegbermen, kunstwerken e.d. die onder beheer vallen van het waterschap. Dat wegbeheer valt buiten de bebouwde kom in het gebied van Alblasserwaard en Vijfheerenlanden binnen het beheersgebied van het waterschap met uitzondering van de wegen in beheer bij het rijk en de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raakvlakken met ander beleid Het aanbrengen van veranderingen in de weg of wegberm en/of plaatsen of verwijderen van werken in de wegberm binnen de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen of waterkeringen kan ook vergunningsplichtig zijn op grond van artikel 3.1 van de keur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het beleid Het doel van deze beleidsregel is om de gevolgen van de wijzigingen in het gebruik van de weg en het plaatsen en houden van werken en objecten op en nabij de weg binnen een aanvaardbaar niveau te houden voor wat betreft de veiligheid en het gebruik van de wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op de beleidsregel Algemeen In artikel 5.4 van de Keur wordt voor 3 activiteiten een relatief verbod vastgesteld. Voor deze verboden activiteiten kan een vergunning worden verleend of kan het bestuur algemene regels opstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub a: Verbod een weg te gebruiken in strijd met doel daarvan Volgens deze bepaling mag de weg niet gebruikt worden voor iets waar de weg niet voor bedoeld is. Primair is de weg bedoeld om de noodzakelijke mobiliteit voor de samenleving mogelijk te maken. Echter naast dit verkeersdoel is er in de samenleving behoefte om de weg voor andere doeleinden te gebruiken. Een voorbeeld hiervan zijn evenementen.</p></div>", "next": 239767}