{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Voor u ligt de toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2009 van de gemeente Bergen. De APV is gebaseerd op de model-APV van de VNG. Bij die modelverordening behoort een uitgebreide toelichting. Uiteraard heeft die model-toelichting van de VNG uitsluitend betrekking op de modelbepalingen. Voor Bergen is een aparte toelichting opgesteld. In de model-toelichting van de VNG staan evenwel zeer veel verwijzingen naar jurisprudentie en literatuur en algemene beschouwingen over de toepasselijkheid van een bepaald artikel, dus in de praktijk heeft ook deze model-toelichting zeer veel nut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens maakt die toelichting (evenals de VNG-toelichting) formeel geen onderdeel uit van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorige APV was de APV van 2001, de APV die na de fusie van de voormalige gemeentes Schoorl, Egmond en Bergen was vastgesteld. Er waren in de loop van de tijd vijf wijzigingen op deelterreinen vastgesteld. Deze APV 2001 was aan integrale herziening toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve dat de APV na al die jaren en wijzigingen op deelterreinen aan integrale herziening toe was, was een andere aanleiding om deze integrale herziening op te starten ook dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna ‘de VNG’) in 2007 was begonnen met het herbeoordelen van alle VNG-modelverordeningen, waaronder de model-APV in het kader van het project “Vermindering regelgeving en toezicht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In juni 2008 heeft de VNG de model-APV aan de leden verstuurd. Deze model-APV van de VNG is de ‘onderlegger’ geworden van de APV van de gemeente Bergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deregulering Alle artikelen in de model-APV zijn door de VNG getoetst op dereguleringsmogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deregulering gaat niet alleen over de kwantiteit maar ook over de kwaliteit van regels. Allicht wilde men een aantal jaren geleden ook geen overbodige en/of slechte regels, maar de inzichten over regels en de wenselijkheid van regels en ook de ervaringen die men met regels opdoet leiden tot voortdurende aanpassingen van regels. Een APV is dan ook geen statisch document, regelgeving is een continu proces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de dereguleringsgedachte moet nog wel de volgende nuancering worden gemaakt. Hoewel getracht is zoveel mogelijk overbodige regels uit de APV te schrappen, blijft er toch een uitgebreide verordening bestaan. Natuurlijk moeten overbodige APV-regels worden geschrapt, dat lijkt een open deur. In de thans voorgestelde concept-APV wordt ook het een en ander geschrapt, maar toch blijft er een uitgebreide verordening bestaan. Dat is misschien teleurstellend voor degenen die de hoop hadden dat het aantal artikelen drastisch zou worden verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deregulering gaat echter niet alleen over het schrappen van het aantal regels, het gaat ook om de kwaliteit van die regels; regels moeten logisch zijn, regels moeten met elkaar overeenstemmen, regels moeten geen overlap hebben met elkaar. Deze punten hebben zeker de aandacht gekregen. Uiteraard is er bij deze herziening veel aandacht besteed aan het zoveel mogelijk verbeteren van de leesbaarheid van de artikelen en het voorkomen van doublures en tegenstrijdigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe dan ook blijft de APV toch een lijvig document met heel veel regels en bepalingen. Hierbij moet bedacht worden, dat de APV bij uitstek een verordening is met een groot aantal “kapstokartikelen”, dit zijn artikelen die slechts sporadisch gebruikt worden, maar wel paraat moeten zijn om (indien nodig) van de “kapstok” gehaald te kunnen worden. Veel artikelen uit de APV lijken “slapend” te zijn en worden enkel bij excessen gebruikt. Wanneer ze zouden worden verwijderd kunnen ze niet meer worden toegepast. Een aantal APV-artikelen heeft vaak betrekking op kleinere ergernissen waartegen de gemeente terughoudend optreedt. Echter, waneer een dergelijk probleem structureel wordt en mensen overlast ondervinden, is het goed dat de mogelijkheid bestaat om op te treden op basis van een artikel in de APV. Aangezien de totstandkoming van een APV-bepaling immers een maandenlange proceduretijd vergt, zou een al te uitgeklede APV de daadkracht bij het oplossen van eventuele problemen te zeer verzwakken en kan niet snel ingespeeld worden op actuele situaties. De APV wordt daarom ook wel eens een “excessenregeling” genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">NummeringEr is uitdrukkelijk voor gekozen de nummering van de artikelen uit de model-APV over te nemen en in tact te laten. Bij deze toelichting horen twee transponeringstabellen, van de nieuwe naar de oude artikelen en omgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de door de VNG gehanteerde nummering door ons wordt overgenomen, betekent dat u in de tekst geregeld het woord “vervallen” achter een artikel zult zien staan. Deze “vervallen” artikelen blijven dus wel in de nummering opgenomen; het opnieuw nummeren van artikelen kan leiden tot onduidelijkheid en het wijzigen van de artikelnummering brengt ook mee dat veel gebruikte standaardteksten moeten worden aangepast en dat levert veel werk op (ook in toekomstige wijzigen, op onderdelen, van de APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn evenwel ook artikelen die niet in de model-APV staan, maar die wel in de oude APV stonden en die in de nieuwe Bergense APV moeten terugkomen. Bij deze artikelen hebben we een letter achter het artikel geplaatst om toch de VNG-nummering te kunnen blijven volgen. Een voorbeeld hiervan is artikel 2:47A.</p>\n<p class=\"lf-p\">BeleidIn deze nieuwe APV heeft eerder door de raad vastgesteld beleid haar weerslag gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2008 is het Evenementenbeleid vastgesteld. Dit nieuwe evenementenbeleid is opgenomen in de relevante APV-artikelen 2:24, 2:25 en 2:26.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2008 is ook de Strandnota vastgesteld. Hoofdstuk 2, afdeling 16 (artikelen 2:78 t/m 2:92) vormt de juridische vertaling van hetgeen in de Strandnota 2008 is bepaald. Hierin zijn nieuwe gebruiksprofielen (het activiteitenstrand) met gebruiksmogelijkheden benoemd en zijn bepaalde regels. Deze zijn vertaald in voor de burgers naleefbare en voor de gemeente handhaafbare APV-regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV staat een flink aantal artikelen dat gaat over de ‘horeca’. De beleidsvorming op het gebied van de horeca is van start gegaan en dit moet in 2009 resulteren in nieuw gemeentelijk horecabeleid. Omdat het gemeentelijke horecabeleid ten tijde van het vaststellen van deze nieuwe APV nog niet was vastgesteld, kan dit onderwerp niet niet worden vertaald richting de APV. In afwachting van dit nieuwe horecabeleid zijn de artikelen in de APV die over ‘horeca’ gaan of ermee te maken hebben, ongewijzigd gebleven. Het gaat dan om de artikelen 2:27 t/m 2:34 en de artikelen 4:1 t/m 4:6. Wanneer het nieuwe horecabeleid zal zijn vastgesteld, zal de APV op dit deelterrein moeten worden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 1. Algemene bepalingenArtikel 1:1 BegripsomschrijvingenIn dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. a. CollegeHet college van burgemeester en wethouders. b. Een openbare plaatsDe definitie van ‘weg’ is in deze APV aanzienlijk beperkt. Dat brengt met zich dat de werking van artikelen in deze APV waar sprake is van de weg een (veel) beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van de gemeente gaat echter verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om zaken te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen voor de term “een openbare plaats”. Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen: al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. c. WegDe meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. In artikel 1:1 is de “weg” omschreven als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Dat verschilt aanzienlijk van de oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het begrip “weg” viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip “weg” op die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”: de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van de weg in te grijpen. d. Openbaar waterEen “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan “feitelijk voor het publiek toegankelijk”. e. Bebouwde komVoor het begrip “bebouwde kom” is aangesloten bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de Wegenwet. f. RechthebbendeHieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. g. BouwwerkDeze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening. h. GebouwDeze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet. i. HandelsreclameIn het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van gedrukte stukken e.d. j. door de wijziging van artikel 2:10 van de APV is het wenselijk in de begripsbepalingen een omschrijving op te nemen van het begrip \"voertuig\".</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-2-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn zoals aangegeven in lid 2 biedt dan uitkomst. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-3-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indiening aanvraagIn de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-4-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften en beperkingenIn literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is gesteld Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is vereist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-5-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffingZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-6-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-7-185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">TermijnenVoorheen kende de APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor een krachtens de APV verleende vergunning of ontheffing. Vergunningvoorwaarden konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden verlengd Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8-186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WeigeringsgrondenVergunningstelsels zijn in deze APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vergunningstelsels kenden voorheen vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid is binnen de APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd Europese Dienstenrichtlijn (Lex Silencio Positivo) Algemeen Op 28 december 2006 is de Europese Dienstenrichtlijn in werking getreden. Doel van deze richtlijn is het wegnemen van onrechtvaardige belemmeringen voor het verrichten van diensten in een ander dan het eigen EU-land.Vanaf de inwerkingtreding hebben de EU-lidstaten drie jaar de tijd gehad om de Dienstenrichtlijn in te voeren, dus tot 28 december 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet- en regelgeving die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt, dient op grond van de Dienstenrichtlijn te worden getoetst (gescreend) op de eisen waarmee dienstverrichters te maken hebben. Deze eisen worden getoetst op noodzakelijkheid, proportionaliteit en non-discriminatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienstenrichtlijn heeft betrekking op economische activiteiten. Diensten van algemeen niet-economisch belang (DAB) vallen niet onder de reikwijdte van de dienstenrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alle sectoren in de dienstenbranche vallen onder de Dienstenrichtlijn, zoals bijv.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>diensten op het gebied van vervoer</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>gokactiviteiten</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>activiteiten voor de uitoefening van openbaar gezag</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>sociale diensten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast regelt de Dienstenrichtlijn ook niets op het gebied van strafrecht, arbeidsrecht, sociale zekerheidswetgeving, subsidiemaatregelen en belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uit de Dienstenrichtlijn voortkomende verplichtingen zijn voor Nederland vastgelegd in de Dienstenwet (Stb. 2009, 503). Deze wet is op 28 december 2009 in werking getreden (Stb. 2009,505). De Dienstenwet implementeert de verplichtingen van de Dienstenrichtlijn hetzij door wijzigingen aan te brengen in andere wetgeving, hetzij door deze verplichtingen zelfstandig te regelen in de Dienstenwet. Bij de verplichtingen uit de Dienstenrichtlijn die zelfstandig worden geregeld in de Dienstenwet moet worden gedacht aan wederzijdse erkenning van gegevens en bescheiden, centrale elektronische voorzieningen voor dienstverrichters en afnemers (centraal elektronisch loket), vergunningen en administratieve samenwerking. De wijzigingen in andere wetten betreffen een wijziging van de Algemene wet bestuursrecht om een kader te scheppen voor de Lex silencio positivo (vergunningverlening van rechtswege) en een aanpassing van het Burgerlijk Wetboek ter invoering van de verplichting voor dienstverrichters om afnemers van diensten bepaalde informatie te verschaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de Dienstenwet is om, in navolging van de Dienstenrichtlijn, onrechtvaardige belemmeringen voor een dienstverrichter weg te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Dienstenwet geeft een wettelijke basis aan de volgende verplichtingen uit de Dienstenrichtlijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Administratieve vereenvoudiging en inrichting van het elektronische Dienstenloket voor bedrijven en het consumentenloket 2. Enkele algemene voorschriften voor vergunningstelsels en vergunningen voor zover deze nog geen deel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde 3. Bescherming van afnemers van diensten door informatieverplichtingen voor de dienstverleners en een informatieloket voor zowel consumenten als ondernemers die diensten afnemen 4. Grensoverschrijdende administratieve samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde instanties (met behulp van het IMI, het Interne Markt Informatiesysteem).</div>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1. Via het Dienstenloket bieden overheden alle gegevens elektronisch aan die nodig zijn voor het doorlopen van procedures, zoals het aanvragen van vergunningen. Ook al het berichtenverkeer dat nodig is voor deze procedures – van aanvraag tot en met eindbeslissing – moet elektronisch kunnen plaatsvinden als de dienstverlener dit wenst. Dit elektronische berichtenverkeer moet zich afspelen in een beveiligde internetomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2. Het betreft hier een aanvullende eisen voor decentrale overheden met betrekking tot de vergunningstelsels. Voor wat betreft de algemene voorschriften voor vergunningstelsels bevat de Dienstenwet bepalingen dat, indien er geen andere wettelijke termijnen zijn voorgeschreven, de beschikking op een vergunningaanvraag zo snel mogelijk en in ieder geval binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag moet zijn gegeven. Alleen in ingewikkelde gevallen is eenmalig uitstel mogelijk voor het afgeven van een beschikking. De vergunningverlener moet een eventuele verlenging van de beslistermijn gemotiveerd aan de aanvrager meedelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook legt de Dienstenwet vast dat een verleende vergunning in beginsel onbeperkt geldig is en dus niet periodiek hoeft te worden aangevraagd, behalve als dwingende redenen van algemeen belang een beperkte geldigheidsduur rechtvaardigen Een andere belangrijk element is het regelen van de lex silencio positivo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lex silencio positivo is de rechtsfiguur die inhoudt dat de overschrijding van een beslistermijn door het bevoegde bestuursorgaan van rechtswege leidt tot een (fictieve) positieve beslissing op de vergunningaanvraag De lex silencio is geen onbekende figuur in Nederland.Zij bestaat al langere tijd bij de bouwvergunning, de monumentenvergunning en een aantal vergunningen in het kader van de mededingingswet en mijnbouwwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dienstenrichtlijn verplicht tot invoering van de lex silencio positivo.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Algemene wet bestuursrecht wordt de lex silencio positivo in een facultatieve regeling gegoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor vergunningstelsels die onder de Dienstenrichtlijn en Dienstenwet vallen is zij niet vrijblijvend. De lex silencio positivo is van toepassing tenzij de vergunningverlenende overheid in haar eigen wet- en regelgeving op grond van een dwingende reden van algemeen belang expliciet heeft bepaald dat voor een specifiek vergunningstelsel deze regeling niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Dienstenwet is wel een overgangsperiode opgenomen tot 1 januari 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor vergunningen die verleend zijn op grond van de autonome vergunningstelsels (vergunningen verleend krachtens de Provinciewet bijv. provinciale milieuverordening; wegenverordening; de Gemeentewet, bijv. de Algemene plaatselijke verordening; huisvestingsverordening; bouwverordening; afvalstoffenverordening; marktverordening; reclameverordening; brandbeveiligingsverordening; de Waterschapswet bijv. beleidsregels varen/vaartuigen, de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Wet op de bedrijfsorganisatie) én die vallen onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn c.q. Dienstenwet, geldt het wettelijke automatisme tot 1 januari 2012 nog niet. Wel dient de lex silencio expliciet te worden ingevoerd voor vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn c.q. Dienstenwet vallen en waarvoor geen dwingende reden van algemeen belang kan worden ingeroepen om daarvan af te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overige vergunningstelsels (vallend onder Dienstenrichtlijn) geldt dat het wettelijke automatisme van “lex silencio, tenzij” niet van toepassing is op vergunningstelsels die staan vermeld in het Tijdelijk besluit Lex silencio positivo Dienstenrichtlijn (Stb. 2009, 571). Deze AMvB vervalt per 1 januari 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Decentrale overheden zullen dus voor vergunningstelsels die vallen onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn een oordeel moeten vellen of afgeweken moet worden van het principe van de lex silencio. Vanaf 1 januari 2012 moet ook bij een geval van een dwingende reden van algemeen belang altijd de lex silencio positivo uitdrukkelijk worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De VNG heeft voor wat betreft de Model Algemene Plaatselijke Verordening(APV) aangegeven voor welke vergunningstelsels de lex silencio positivo van toepassing kan worden verklaard en bij welke hiervan om dwingende redenen van algemeen belang kan worden afgezien. De gemeente Bergen heeft het voorstel van de VNG met betrekking tot de APV grotendeels overgenomen met uitzondering van de voor Bergen specifieke vergunning-/ontheffingstelsels. Voorzover de gemeente Bergen afwijkende bepalingen kent, is genoemde afweging eveneens gemaakt. In de toelichting bij de artikelen wordt de keuze nader gemotiveerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-9-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichtingen bij de artikelen als genoemd in artikel 1:9 worden de volgende paragrafen toegevoegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2. Openbare ordeAlgemene toelichting afdeling 1, Orde en veiligheid op openbare plaatsenIn deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-1-188\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Samenscholing en ongeregeldhedenEerste lidHet begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo De burgemeester kan op grond van het bepaalde in lid 4 ontheffing verlenen van het verbod zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. Deze bepaling richt zich op de bescherming van de openbare orde en veiligheid en het beperken van overlast. Een lex silencio is niet gewenst wegens de openbare orde en veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">A VerblijfsontzeggingNieuw artikel voor de APV van Bergen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om de burgemeester de bevoegdheid te verlenen een persoon of personen uit een straat of bepaald gebied te weren is opname van een daartoe strekkend artikel in de nieuwe Algemene plaatselijk verordening noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verblijfsontzegging is gericht op iemand die de openbare orde heeft geschonden of de veiligheid in gevaar heeft gebracht. Om verdere verstoring tegen te gaan, kan de burgemeester gedurende een periode, die kan variëren van 2 tot 12 weken, het verbod uitvaardigen om zich gedurende in het verbod aan te geven tijden en op een in het verbod aan te geven plaats of plaatsen te begeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal aandachtspunten dient in acht te worden genomen: alvorens een verblijfsontzegging op te leggen, dient de verdachte te worden gehoord; duidelijk dient te worden aangegeven welke gedragingen tot de verblijfsontzegging aanleiding hebben gegeven; het bevel dient rechtmatig te zijn gegeven; vereiste van proportionaliteit (maatregel en doel van de maatregel moeten in redelijke verhouding tot elkaar staan) bij het opleggen van een dergelijke maatregel; er moet sprake zijn van een reële (dreigende) verstoring van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zal een gebruiksinstructie ten behoeve van het gebruik van deze bevoegdheid noodzakelijk zijn. In deze instructie wordt duidelijk gemaakt volgens welke regels te werk zal worden gegaan. Hierin ligt tevens vast welke sanctie past bij welke type herhaalde overtreding. Deze instructie zal in overleg met de Officier van Justitie tot stand moeten komen. Daarnaast zal er een besluit noodzakelijk zijn waarin het gebied, waarvoor de verblijfsontzegging kan gelden, wordt aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bestuursrechtelijke bevoegdheid van de burgemeester over ‘verblijfsontzegging’ moet niet worden verward met het ‘straat- of contactverbod’; een burger die wordt lastig gevallen kan door middel van een kort geding/civiele procedure op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (het artikel van de “onrechtmatige daad”) een straat of contactverbod ten aanzien van één of meer personen afdwingen. Het initiatief tot een dergelijke procedure moet liggen bij de burger die lastig wordt gevallen, de gemeente, of beter gezegd de burgemeester, kan hier geen rol in vervullen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-2-189\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Optochten (Vervallen)In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen onder de evenementenbepaling artikel 2:4. Zie verder de toelichting bij dat artikel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-3-190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsenDit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties (WOM)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-4-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking termijn (Vervallen)Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Te verstrekken gegevens (Vervallen)Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingenFolderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel 2:42 DaklozenkrantDe verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6 Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan Lex silencio positivo Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. De lex silencio positivo is hier mogelijk. Het betreft een eenvoudige aanvraag die weinig voorkomt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen)In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie het commentaar bij die artikelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-8-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dienstverlening (Vervallen)Artikel 2.1.4.2 (oud) bevatte een vergunningstelsel voor dienstverlening. Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen, zoals kruiers, de scharensliep, de reiniger van voertuigen en de glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld verdwenen, anderen hebben hun intrede gedaan. Denk bijvoorbeeld aan besteldiensten van pizza’s of de supermarkt en bewakingsdiensten. De VNG heeft het dienstverleningsartikel in 2007 geschrapt vanwege het streven naar vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven (deregulering). De deregulering is ingegeven door de opvatting dat de regeling niet (meer) voldeed aan het noodzaakvereiste zoals verwoord in de Europese Dienstenrichtlijn. Het risico van overlast of verstoring van de openbare orde en zedelijkheid is immers niet groot bij deze vormen van dienstverlening. Dit bleek al uit het optionele karakter van het oude artikel. Voorts geldt voor wat betreft de verkeersveiligheid artikel 5, van de Wegenverkeerswet 1994, dat bepaalt dat ieder zich zodanig dient te gedragen dat geen gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer wordt gehinderd. Als de dienstverlener optreedt als venter, dat wil zeggen dat hij ambulant is, gelden bovendien de artikelen over venten (5:14 e.v.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-9-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">StraatartiestHet oude artikel 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd) is in 2006 geschrapt. Feesten en wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:24. Echter het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht. Hetzelfde geldt voor straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:9 Lex silencio positivo Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest op te treden zal doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren en niet op aanvraag. Indien er wel sprake is van een aanvraag, bestaan er geen duidelijke bezwaren tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal vaker op aanvraag gegeven worden, maar ook een ambtshalve ontheffing kan voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van een lex silencio af te zien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een openbare plaats in strijd met de publieke functie van die weg of plaatsDit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of zuilen, containers of meubilair e.d. op een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan. Dit artikel is ook van toepassing op situaties waarin sprake is van gebruik van grond van stukjes plantsoen/openbaar groen in strijd met de publieke functie ervan Lex silencio positivo Aan de bepaling liggen de volgende motieven ten grondslag, te weten: de verkeersveiligheid, de welstand en het gevaar of de hinder die de stoffen of voorwerpen voor personen of goederen kunnen opleveren, openbare orde aspecten en het milieu (overlast).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de aspecten van de openbare orde, verkeersveiligheid en milieu in het geding zijn, dient er vooraf een risico-inventarisatie plaats te vinden. Controle achteraf is niet mogelijk. De lex silencio positivo is daarom niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegAlgemeenIn verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen is het niet gewenst dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het college is de relatie met de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het motief dat aan dit artikel ten grondslag ligt, is de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Aan de bepaling liggen de volgende motieven ten grondslag, te weten: de verkeersveiligheid, de welstand en het gevaar of de hinder die de stoffen of voorwerpen voor personen of goederen kunnen opleveren, openbare orde aspecten en het milieu (overlast).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de aspecten van de openbare orde, verkeersveiligheid en milieu in het geding zijn, dient er vooraf een risico-inventarisatie plaats te vinden. Controle achteraf is niet mogelijk. De lex silencio positivo is daarom niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Maken, veranderen van een uitwegAlgemeenIn het kader van de verkeersveiligheid is ervoor gekozen deze vergunningplicht te handhaven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in de eerste plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse. Daarnaast kan worden gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats of de bescherming van openbare groenvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het maatschappelijk belang van deze bepaling is gelegen in de verkeersveiligheid en het warborgen van het gebruik van de weg overeenkomstig de bestemming. Er bestaan geen bezwaren tegen de invoering van een lex silencio positivo. De uitwegvergunning gaat over enige tijd op in de omgevingsvergunning op basis van de Wabo waarop de lex silencio positivo ook naar verwachting van toepassing zal worden verklaard</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-13-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:13</span><span class=\"lf-art-t\">Veroorzaken van gladheid (Vervallen)Deze bepaling voegt niet toe aan de bepalingen in het wetboek van strafrecht en de Wegenverkeerswet</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-14-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WinkelwagentjesDeze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-15-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijke beplanting of voorwerpIndien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-16-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Openen straatkolken e.d.Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. (Vervallen)Dit artikel heeft overlap met de relevante bepalingen in het wetboek van strafrecht en de Wegenverkeerswet en kan worden geschrapt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-18-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rookverbod in bossen en natuurterreinenHet verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt zou van 1 maart tot 1 november kunnen zijn en kan bepaald worden na advies door de brandweercommandant</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span><span class=\"lf-art-t\">A Opslag licht-ontvlambare stoffenDit is een artikel uit de oude APV Bergen 2001</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Aan deze bepaling met betrekking tot de opslag van licht-ontvlambare stoffen liggen motieven van openbare orde en openbare veiligheid ten grondslag. Een controle achteraf is te risicovol. Gelet hierop is toepassing van de lex silencio positivo om dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-19-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerpArtikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen)Dit artikel voegde weinig toe aan privaatrechtelijke bevoegdheden om tegen gevaarzettende situaties op te treden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor verkeer en verlichtingArtikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn Lex silencio positivo</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan de bepaling “Objecten onder hoogspanning” liggen motieven van openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid ten grondslag. Een controle achteraf is te risicovol. Gelet hierop is toepassing van de lex silencio positivo om dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-23-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid op het ijs[vervallen]Afdeling 7 Toezicht op evenementenIn deze afdeling is het in 2008 vastgestelde evenementenbeleid vertaald.Artikel 2:24 BegripsomschrijvingEerste lidIn artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt Zie verder de uitgebreide toelichting bij de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">EvenementAlgemeenBij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder de uitgebreide toelichting bij de model-APV van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Privaatrechtelijke voorschriftenHet opnemen van privaatrechtelijke voorschriften in een vergunning is niet mogelijk omdat een vergunning eenzijdig van karakter is. Dergelijke voorschiften zouden niet kunnen worden afdwongen. Bovendien kan een vergunning niet worden geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de privaatrechtelijke vereisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen en bestemmingsplanEen vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in strijd is met een bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenementen en VuurwerkBij evenementen wordt regelmatig (professioneel) vuurwerk afgestoken. Het bedrijf dat de ontbranding verzorgt moet bij de provincie een vergunning aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Deze bepaling regelt een vergunningsverplichting voor (grotere) evenementen die plaats vinden in de openbare ruimte. Het gaat in deze om situaties waarbij de openbare orde en de openbare veiligheid, de volksgezondheid (persoonlijke veiligheid van de deelnemers), de verkeersveiligheid en milieu (overlast) een rol (kunnen) spelen. Soms worden operationele diensten ingezet, zoals brand-/verkeersveiligheidsdiensten, ambulancepersoneel (GHOR) en politie. Er dient een risico-inventarisatie vooraf plaats te vinden. Een controle achteraf is te is te risicovol. De lex silencio positivo is hier niet wenselijk om verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">OrdeverstoringDeze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">afdeling 8: Toezicht op openbare inrichtingen Algemeen Exploitatie openbare inrichtingen In de Uitgangspunten Horecabeleid van het district Noord-Kenemerland (2003) is vastgesteld dat de exploitatievergunning binnen de regio ingevoerd gaat worden. In 2005 is na interviews met verschillende partijen (burgemeester, politie, horeca, ambtelijke organisatie) een concept gemeentelijk standpunt bepaald, namelijk dat opname van een exploitatievergunningstelsel in de APV gewenst is. In vervolg hierop heeft de raad op 25 mei 2010 de Horecanota “Gastvrij Bergen” vastgesteld. In deze Horecanota is een exploitatievergunningstelsel opgenomen Europese Dienstenrichtlijn De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om vestiging van een openbare inrichting waarvoor artikel 9 van de richtlijn de bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; Zie verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een horecaondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet volstaat voor de regeling van de horeca kan worden gesteld dat een algemene regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de vergunning. Alleen door het stellen van vergunningvoorwaarden aan de ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natte en droge horeca De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip “horecabedrijf” zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, hebben een vergunning nodig ex artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Die vergunningplichtige bedrijven worden aangeduid met de term natte horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:27, sub a, van de APV wordt de term “openbare inrichting”gebruikt. Daaronder wordt ook de droge horeca verstaan: het schenken van niet-alcoholhoudende dranken en van licht alcoholische dranken voor gebruik elders, en het verstrekken van rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook coffeeshops onder de APV te laten vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester verplicht te stellen indien het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit, zoals de exploitatie van een koffiehoek. Indien het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt, is er geen vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bibob-toets en VOG Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank- en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. In het kader van de vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor de aanvrager van een vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. De horeca-exploitatievergunning is immers op grond van artikel 1:5 persoonsgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4, van het Besluit Bibob bepaalt in overeenstemming met de APV dat als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt, onder andere aangewezen worden: “inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt”. Dit zijn dus openbare inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 2:27, van de APV. Dit betekent dat voor openbare inrichtingen in de zin van de APV een Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke grondslag voor. De Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een Bibob-onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbepaaldheid van de duur Op grond van het bepaalde in artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Op grond van de vastgestelde Horecanota “Gastvrij Bergen” geldt de vergunning voor de exploitatie van een openbare inrichting en/of een terras voor onbepaalde tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige wet- en regelgeving Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wet ruimtelijke ordening en Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit) Op openbare inrichtingen zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Bij dit besluit is een aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur en afvalstoffen opgenomen. De tekst van het besluit is te vinden op: www.overheid.nl. Nadere informatie is te vinden op: www.vrom.nl, www.infomil.nl en www.horeca.org.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidsnormen Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen. Daarnaast kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit zijn overgangsbepalingen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente bij verordening afwijkende regels kan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor horecaconcentratiegebieden blijft dezelfde mogelijkheid als onder het oude Besluit bestaan, namelijk dat er meer geluid mag worden geproduceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie APV Voor jurisprudentie met betrekking tot het onderwerp van dit hoofdstuk wordt verwezen naar de Model-APV van de VNG, Artikelsgewijze toelichtingArtikel 2:27 Begripsbepalingen In plaats van de term “horecabedrijf” wordt nu de term “openbare inrichting” gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk met “horecabedrijf” alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de zogenaamde “natte horeca”. De bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde “droge horeca”: tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops. Voor de toelichting over de begripsomschrijving “ontnuchteringszaak” wordt verwezen naar het gestelde in de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Exploitatievergunning horecabedrijf Voor de toelichting bij dit artikel wordt verwezen naar het bepaalde in Bijlage 3 (Exploitatievergunning en terrasvergunning) behorende bij de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010 Lex silencio positivo De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een openbare inrichting zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. De vergunning richt zich voornamelijk op de bescherming van de openbare orde. De lex silencio positivo is hier niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">A Terrassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toelichting bij dit artikel wordt verwezen naar het bepaalde in Bijlage 3 (Exploitatievergunning en terrasvergunning) behorende bij de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">B Vrijstelling vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toelichting bij dit artikel wordt verwezen naar het bepaalde in Bijlage 3 (Exploitatievergunning en terrasvergunning) behorende bij de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SluitingstijdenVoor de toelichting bij dit artikel wordt verwezen naar het bepaalde onder punt 6 (Sluitingstijden) behorende bij de Horecanota \"Gastvrij Bergen\" van 29 juni 2010 Lex silencio positivo De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in dit artikel genoemde sluitingstijden voor openbare inrichtingen. Deze sluitingstijden zijn vastgesteld ter bescherming van het woon- en leefmilieu van een buurt en om overlast van openbare inrichtingen tegen te gaan. In verband hiermee is toepassing van de lex silencio positivo om dwingende redenen van algemeen belang, waaronder met name de openbare orde en de openbare veiligheid en de volksgezondheid, niet wenselijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluitingZie toelichting bij model-APV van de VNG</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">A Zwarte lijstOvergenomen uit oude APV Bergen 2001</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span><span class=\"lf-art-t\">B Kennelijke staat van dronkenschapOvergenomen uit oude APV Bergen 2001</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Onder a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b:</p>\n<p class=\"lf-p\">De sluitingsbepalingen richten zich tot de exploitant. Het tweede lid richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:30. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgenomen uit oude APV Bergen 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgenomen uit oude APV Bergen 2001.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Handel in horecabedrijven Dit artikel betreft een verbod van heling; het gaat om het oude artikel 2.5.5 uit afdeling 12 (betreffende heling) dat in 2008 naar deze afdeling verhuisd is, met de bedoeling om alle artikelen betreffende openbare inrichtingen bij elkaar te plaatsen. Met de term ‘gebruikte of ongeregelde goederen’ worden dezelfde goederen bedoeld als in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed wordt verhandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie Sluiting café i.v.m. heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. ABRS 15 07 1996, AB 1996, 414 m.nt. FM, JG 96.0267 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Terechte sluiting snackloket i.v.m. heling. Bekendmaking van de sluiting dient geen enkel doel. Pres. Rb Rotterdam 07 04 1995, JG 95.0202 .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-33-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ordeverstoring Het begrip “openbare inrichting” als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De tekst is in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college als bevoegd bestuursorgaanHet begrip “horecabedrijf” als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen (zie ook onder artikel 2.34). Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan Afdeling 9: Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijfArtikel 2:35 BegripsbepalingenInrichtingHet begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-36-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kennisgeving exploitatieArtikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-37-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">NachtregisterDe plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. De gemeente Bergen schrijft hiervoor een model voor</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-38-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verschaffing gegevens nachtregisterArtikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te verstrekken</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10: Toezicht op speelgelegenhedenArtikel 2:39 SpeelgelegenhedenLex silencio positivo</h3>\n<p class=\"lf-p\">Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is onwenselijk als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio is daarom niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en de volksgezondheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">SpeelautomatenZie de uitgebreide toelichting op deze artikelen bij de model-APV van de VNG</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 11: Maatregelen tegen overlast en baldadigheidArtikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaalEerste lidDe burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidLex silencio positivo De verbodsbepalingen beogen de bescherming van de openbare orde tegen overlast en baldadigheid. Het is onwenselijk als deze ontheffingen van rechtswege worden verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio is daarom niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Plakken en kladdenEerste lidIn het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR Zie verde de uitgebreide toelichting van bij de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer plakgereedschap e.d.Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod vergroot. ‘Poging tot’ plakken en kladden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigenDeze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. ‘Poging tot’</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreden van plantsoenen e.d. (Vervallen)Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.(vervallen)In de oude APV was deze bepaling al niet overgenomen, reeds afdoende geregeld in artikel 5:11</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in de publieke ruimteOp basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A Vervoer van brandbare materialenDit is een artikel uit de ‘oude’ APV. Het is een typisch Bergens APV-artikel, het staat ook niet in de model-APV van de VNG, en is destijds in de oude APV opgenomen op advies van de brandweercommandant en naar aanleiding van ervaring omtrent de jaarlijkse “Meidenmarkt” in Schoorl</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijk drankgebruikIn dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-49-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag bij of in gebouwenVoor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op of aan de weg)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimtenDeze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Neerzetten van fietsen e.d.Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden gebracht Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie heeft gelet op de klachten die zij over dit onderwerp krijgen, geadviseerd dit artikel uit de model-APV over te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-53-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span><span class=\"lf-art-t\">Bespieden van personen (vervallen)Het artikel heeft geen toegevoegde waarde ten opzichte van het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-54-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:54</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bewakingsapparatuur (vervallen)Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht. Hiermee is artikel 2.4.14 (oud) vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-55-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:55</span><span class=\"lf-art-t\">Nodeloos alarmeren (vervallen)In 2002 is deze bepaling vervallen omdat nodeloos alarmeren geregeld is in artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-56-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alarminstallaties (vervallen)De VNG heeft overwogen dat deze bepaling, als er al feitelijk invulling aan wordt gegeven, en zeker als ook de model vergunningsvoorschriften die in de toelichting waren opgenomen daarbij worden gebruikt, een aanzienlijke financiële en administratieve last voor burgers en bedrijven oplevert: volgens deze voorschriften zou de installatie bijvoorbeeld dienen te voldoen aan de Regeling BORG 1.1, er zouden jaarlijkse controles moeten plaatsvinden, en door of vanwege het college aangewezen deskundigen zouden op kosten van de vergunninghouder de deugdelijkheid van de installatie kunnen onderzoeken Nog los van de vraag of deze zware eisen überhaupt in verhouding staan tot het te dienen belang, is het risico van afschaffing van deze vergunning niet dermate groot dat de vergunning om die reden moet worden gehandhaafd. Een plotselinge epidemie van zelf gebouwde, lawaaiige en te pas en vooral te onpas afgaande alarminstallaties ligt niet voor de hand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-57-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Loslopende hondenArtikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-58-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verontreiniging door honden en rijdierenStraatverontreiniging door honden en rijdieren is voor velen een grote bron van irritatie; het is vies, lastig en onhygiënisch. Ook wordt via hondenpoep een voor honden gevaarlijk virus verspreid. De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) niet meevallen, het is te hopen dat er op den duur preventieve invloed van deze bepaling uit zal gaan .Overtreding van het verontreinigingsverbod door uitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-59-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke hondenZie de toelichting bij de model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-60-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Houden van hinderlijke of schadelijke dierenDoor in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd. Het (oude) vierde lid is daarmee vervallen Lex silencio positivo De verbodsbepaling beoogt de openbare orde en openbare gezondheid te beschermen tegen overlast of schade als gevolg van het houden van hinderlijke of schadelijke dieren. Het is onwenselijk als de ontheffing krachtens het derde lid van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio is daarom niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en de openbare gezondheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-61-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:61</span><span class=\"lf-art-t\">Wilde dieren (Vervallen)Doorkruist het Wetboek van Strafrecht</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-62-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Loslopend veeArtikel 2:62A Matige draf binnen de bebouwde komArtikel 2:62B Stieren en hengstenArtikel 2:62C Geleiden van veeDeze bepalingen dienen mede de verkeersveiligheid. Er gebeuren verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-63-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:63</span><span class=\"lf-art-t\">DuivenDit artikel werd in de oude APV al niet gehanteerd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-64-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:64</span><span class=\"lf-art-t\">BijenZie toelichting bij model-APV van de VNG</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om bijen te houden binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven of binnen een afstand van 30 meter van de weg. Hoewel deze bepaling is gericht op het voorkomen van overlast voor omwonenden, is er geen dwingende reden van algemeen belang om de lex silencio van toepassing te verklaren. De lex silencio is hier mogelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-65-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BedelarijOmdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling terzake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. In 2006 is daarom in de model-APV bovenstaand artikel opgenomen dat beoogt bedelarij tegen te gaan. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod, maar onder de regeling van artikel 2:9. Ook de verkoop van daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederenArtikel 2:66 BegripsbepalingAlgemeenDe bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder de toelichting bij de model-APV van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-67-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregisterZie verder de toelichting bij de model-APV van de VNG</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van de verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister. Het artikel is gericht op de bestrijding van heling van goederen. Er bestaat geen bezwaar tegen de lex silencio op de vrijstellingsbepaling wegens het geringe maatschappelijk risico daarbij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-68-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van StrafrechtZie verder de toelichting bij de model-APV van de VNG</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-69-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:69</span><span class=\"lf-art-t\">Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen)Het oude artikel 2.5.4 is nu opgenomen in artikel 2:68</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-70-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:70</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijven (Vervallen)Dit artikel is gewijzigd door de wijziging van artikel 2:32</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13. VuurwerkArtikel 2:71 BegripsomschrijvingenZie toelichting bij model-APV.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk (vuurwerk bestemd voor particulier gebruik) rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in werking getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels: een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een particulier (artikel 2.3.2 lid 1); dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2); een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen (artikel 2.3.4); een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel 2.3.5); een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop volgende jaar (artikel 2.3.6).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-72-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Verkoopvergunning consumentenvuurwerkOp basis van artikel 2:72 kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen Beleidsvisie Externe Veiligheid 2008-2011In mei 2008 is door de raad de beleidsvisie Externe Veiligheid 2008-2011 vastgesteld. Hierin is bepaald dat in de APV wordt opgenomen dat slechts per voormalige gemeente van de huidige gemeente Bergen, dus in de kernen Bergen, Egmond en Schoorl, een verkooppunt wordt toegestaan. Bij het vrijlaten van het aantal afleveringspunten is een toename van overlast en veiligheidsrisico’s te verwachten. Daarnaast moet een concentratie van afleveringspunten op bepaalde plaatsen worden voorkomen. Vuurwerkverkooppunten zijn in principe toegestaan in inrichtingen waar een bestemming detailhandel op rust en deze inrichtingen dienen uiteraard te voldoen aan de eisen die gesteld worden in het Vuurwerkbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel het voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lex silencio kan van toepassing worden verklaard. De vergunning is eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd. De technische eisen staan beschreven in het Vuurwerkbesluit. Het gaat meestal om dezelfde vergunningaanvragers, terwijl de activiteiten rond een éénduidig bepaalde periode spelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bezigen van vuurwerkIn het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 14. DrugsoverlastArtikel 2:74 Drugshandel op straat (= 4e wijziging ‘oude’ APV)Afbakening met de OpiumwetOm niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het bepaalde in de Opiumwet” opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drugshandel op straat en coffeeshopbeleidArtikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder toelichting bij model-APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-74-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74</span><span class=\"lf-art-t\">A</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is opgenomen om de overlast op straat als gevolg van hinderlijk gebruik van drugs tegen te gaan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsenArtikel 2:75 Bestuurlijke ophoudingNieuw artikel.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid in de openbare ruimte is een breed pakket aan juridische instrumenten beschikbaar. Het artikel van de bestuurlijke ophouding geeft de burgemeester de bevoegdheid om onder bepaalde omstandigheden bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, of bij ernstige vrees daarvoor een besluit te nemen tot het gedurende maximaal 12 uur laten vasthouden van groepen personen als nader genoemde artikelen uit de APV niet worden nageleefd. De toepassing van deze bevoegdheden moeten aan strenge eisen voldoen, bovendien staat tegen het besluit van de burgemeester om tot toepassing van deze artikelen over te gaan bezwaar en vervolgens beroep open.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:75 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a Van de Gemeentewet. De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:75 voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van “door hem [= de burgemeester] aangewezen groepen”. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...”. Verder kan de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen die de leden van de groep op dat moment verrichtten de grootte van de groep of door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de groep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding lenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheidsrisicogebieden(=2e wijziging ‘oude’ APV)Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Cameratoezicht op openbare plaatsenEerste lidVoor de handhaving van de openbare orde en veiligheid in de openbare ruimte is een breed pakket aan juridische instrumenten beschikbaar. Met de inwerkingtreding van artikel 151 c van de gemeentewet is dit pakket van instrumenten uitgebreid met de invoering van cameratoezicht. In dit artikel wordt bepaald dat de raad aan de burgemeester de bevoegdheid kan verlenen om gebieden in de openbare plaatsen voor een bepaalde duur aan te wijzen voor cameratoezicht Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel van het cameratoezichtGemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld. Uitsluitend op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden besloten tot langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de openbare orde en veiligheid dan het hiervoor bedoelde statische en langdurige gebruik, wordt door de regeling onverlet gelaten. Hierbij moet men met name denken aan kortstondig en/of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige ordeverstoringen. In die gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding bestaat, kan de bevoegdheid tot cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van de Politiewet 1993.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proportionaliteit en subsidiariteitHet uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verlangen dat periodiek moet worden beoordeeld of de doelstelling(en), die aan het plaatsen van de camera’s ten grondslag hebben gelegen, zijn gerealiseerd en of er nog langer een noodzaak bestaat voor cameratoezicht. Daarom geldt op grond van artikel 151c lid 1 Gemeentewet dat de plaatsing van camera’s geschiedt voor een bepaalde duur. Na het verstrijken van deze termijn kan het cameratoezicht, bij gebleken noodzaak, worden verlengd. Het ligt daarom voor de hand om de duur van plaatsing te koppelen aan een evaluatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">KenbaarheidIn artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden gesteld van de precieze opnametijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 16. Het strand en de zeeBergen heeft in 2008 een nieuw strandbeleid gekregen, de Strandnota 2008. Dit strandbeleid is ‘vertaald’ naar deze APV-strandbepalingen. Er gelden verboden, gedifferentieerd naar de zomerperiode, welke loopt van 1 mei tot 1 oktober, en de winterperiode, welke loopt van 1 oktober tot 1 mei. Verder is een belangrijk onderscheid aangebracht in het ‘gebruiksprofiel’ van het strand; een aantal stukken strand is benoemd als ‘activiteitenstrand’. Op deze stukken strand is meer toegestaan dan op de stukken strand die niet het gebruiksprofiel ‘activiteitenstrand’ hebben gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de leesbaarheid en eenduidigheid beginnen de artikelen allemaal met een bepaald verbod. De genoemde ‘activiteit’ is verboden, maar dit verbod wordt in het vervolg van de artikelen genuanceerd, in die zin dat bepaalde uitzonderingen (naar plaats, tijd of onderwerp) worden opgenoemd en dat, indien aan de orde, de ontheffingsmogelijkheid wordt geboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-79-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:79</span><span class=\"lf-art-t\">Gedurende het gehele jaar, zomer- en winterperiode, is het niet toegestaan om met motorvoertuigen zoals bedoeld in het RVV 1990 op het strand te komen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op dit verbod geldt een aantal in lid 2 genoemde uitzonderingen en verder kan van dit verbod ontheffing worden verleend. Het verlenen van deze ontheffing is een zogenaamde discretionaire bevoegdheid (er staat: het college“kan” ontheffing verlenen) en het gebruik van een dergelijke bevoegdheid moet goed gemotiveerd worden. Bij het gebruik van deze ontheffingsbevoegdheid moet het college in ieder geval verwijzen naar het strandbeleid. In dit strandbeleid zijn immers over deze ontheffingsmogelijkheid kaders gegeven; de ontheffing is voorbehouden aan huurders van het strand. Het strandbeleid omschrijft het als volgt: huurders van het strand kunnen per huurovereenkomst en per huurperiode maximaal twee op kenteken (of in het geval van een vereniging op verenigingsnaam) gestelde ontheffingen aanvragen voor het rijden op het strand met een motorvoertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zomerperiode zijn motorvoertuigen, met ontheffing dus, toegestaan voor 10.00 uur en na 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de winterperiode zijn motorvoertuigen met ontheffing de gehele dag toegestaan, met uitzondering van de zon- en feestdagen. Op deze zon- en feestdagen zijn motorvoertuigen met ontheffing, net als in de zomerperiode, toegestaan voor 10.00 uur en na 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB: onder motorvoertuigen vallen ingevolge het RVV 1990 óók tractors.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om met motorvoertuigen op het strand te rijden, deze aldaar te brengen of te hebben. Aan de verlening of weigering van de ontheffing ligt een relatief eenvoudige afweging ten grondslag. De ontheffing is eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd. De lex silencio positivo kan daarom van toepassing worden verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-80-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:80</span><span class=\"lf-art-t\">Niet gemotoriseerde voertuigen zijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">in de zomerperiode niet toegestaan in de winterperiode slechts toegestaan op het ‘activiteitenstrand’ NB: van dit verbod kan geen ontheffing worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens zijn fietsen van dit verbod uitgezonderd: fietsen is in de zomer- en winterperiode overal toegestaan, waarbij in de zomerperiode wel een beperking geldt, namelijk slechts voor 10.00 uur en na 19.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-81-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gelijk aan dat van de oude APV; gedurende de zomer- en winterperiode is het verboden om motorvaartuigen op het strand en in zee binnen een afstand van 300 meter uit de kust te hebben Op dit verbod zijn uitzonderingen gemaakt en verder kan, onder voorwaarden, ontheffing van dit verbod worden verleend. In het strandbeleid wordt deze ontheffingsmogelijkheid geboden aan watersportverenigingen en rondvaartboten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het college kan ontheffing verlenen van het verbod een vaartuig op het strand te hebben en zich met een vaartuig van het strand af in zee te begeven of zich daarmee in de aan het strand grenzende zeestrook binnen een afstand van 300 meter vanaf het strand te bevinden of daarmee te varen. Aan de verlening of weigering van de ontheffing ligt een relatief eenvoudige afweging ten grondslag. De ontheffing is eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd. De lex silencio positivo kan daarom van toepassing worden verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-82-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:82</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet-gemotoriseerde vaartuigen (geen motor, geringe afmetingen, lichte constructie) zijn in de winterperiode overal toegestaan en in de zomerperiode slechts op het activiteitenstrand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-83-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:83</span><span class=\"lf-art-t\">In de oude APV was dit onderwerp geregeld in artikel 5.3A.2 onder het kopje ‘bescherming en bruikbaarheid van het strand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder de ‘attributen en voorwerpen’ van dit artikel moeten in ieder geval worden verstaan: een tent, windscherm, paal, (reclame)bord, afrastering, ligstoel en een volleybalnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit verbod zijn uitzonderingen gemaakt en verder kan ontheffing worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing kan in ieder geval worden verleend bij evenementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kan ontheffing ook worden verleend aan huurders van het strand voor het stallen van motorvoer- en motorvaartuigen en voor loopplanken.</p>\n<p class=\"lf-p\">En tenslotte kan ontheffing worden verleend aan hulpverleningsdiensten ten behoeve van het waarborgen van een vrije doorgang voor deze hulpdiensten van de strandafgang naar de vloedlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om attributen en voorwerpen op het strand te plaatsen of onbeheerd achter te laten. Aan de verlening of weigering van de ontheffing ligt een relatief eenvoudige afweging ten grondslag. De ontheffing is eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd. De lex silencio positivo kan daarom van toepassing worden verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-84-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:84</span><span class=\"lf-art-t\">Het uitoefenen van strand- en watersport is in de winterperiode overal toegestaan en in de zomerperiode slechts op het activiteitenstrand</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-85-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:85</span><span class=\"lf-art-t\">Zie artikel 2:84</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-86-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:86</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt het vissen in de zee bij en vanaf het Bergense strand. Uitgangspunt is het verbod: het is verboden in zee te vissen. Dit verbod wordt in het tweede lid genuanceerd; het vissen met losse vistuigen mag in de winterperiode overal; het vissen met losse vistuigen mag in de winterperiode alleen op het ‘activiteitenstrand; het vissen met vaste vistuigen mag in de winterperiode vanaf het strand tussen de km-palen 36.5 en 39.5 en tussen 40.25 en 41.0.</p>\n<p class=\"lf-p\">NB: in de zomerperiode is het vissen met vaste vistuigen dus overal verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het verbod kan geen ontheffing worden verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-87-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:87</span><span class=\"lf-art-t\">Honden op het strand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Honden zijn in de winterperiode overal toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zomerperiode gelden restricties: alleen toegestaan op het activiteitenstrand en op de overige stranden alleen toegestaan voor 10 uur en na 19 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-88-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:88</span><span class=\"lf-art-t\">Paarden en andere rijdieren op het strand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Paarden zijn in de winterperiode overal toegestaan, behalve op zon- en feestdagen tussen 12 uur en 19uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zomerperiode gelden dezelfde regels als voor honden: alleen toegestaan op het activiteitenstrand en op de overige stranden alleen toegestaan voor 10 uur en na 19 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-89-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:89</span><span class=\"lf-art-t\">Spreekt voor zich: overnachten op het strand is slechts toegestaan in de strandhuisjes in Egmond aan Zee</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-90-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:90</span><span class=\"lf-art-t\">De strandnota is hier helder over; “open vuur is gedurende zomer en winter nergens toegestaan”</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er kan overigens wel ontheffing van dit verbod worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van open vuur zijn vuurkorven, kampvuurtjes en barbecues. Hoewel een kampvuur op het strand gezellig kan zijn, zijn er altijd risico’s voor mens en omgeving aan verbonden. Ook blijft er vaak na afloop rommel achter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod om vuur te stoken op het strand is bij de meeste ‘strandgemeentes’ gebruikelijk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3, Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.Zie de uitgebreide toelichting bij de model-APV van de VNG.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Lex silencio positivo</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de aard van de te verrichten diensten kan prostitutie gevolgen hebben voor de (volks)gezondheid. Alleen al dat belang vraagt om bescherming. Daarnaast is prostitutie vanouds een branche waar uitwassen helaas voorkomen. Mensenhandel en loverboys zijn verre van denkbeeldig. Het is daarom in het belang van openbare orde, zedelijkheid en volksgezondheid dat de ondernemer aan de eisen van onder meer integriteit en hygiëne voldoet. De mogelijk ernstige gevolgen van overtredingen en het risico van malafide praktijken in deze branche maakt een voorafgaande vergunning noodzakelijk. Vergunning vooraf betekent dat de overheid bekend is met de identiteit van de ondernemer en de aard van diens activiteiten. In verband daarmee is het niet wenselijk dat de lex silencio van toepassing wordt verklaard wegens dringende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeenteAfdeling 1: Geluidhinder en VerlichtingNB: Een aantal van deze artikelen moet in het kader van het nog vast te stellen Horecabeleid worden aangepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepalingen Op 1 januari 2008 is het nieuwe Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in werking getreden. Het Besluit geeft, evenals het oude Besluit horeca-, sport- en receatie-inrichtingen, gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een gemeentelijke verordening ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-, trillings- of lichthinder. Tevens biedt het Besluit de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidshinder Een inrichting valt onder bovengenoemd Besluit tenzij de bedrijfsactiviteiten hiervan zijn uitgezonderd. In dat laatste geval dient de inrichting te beschikken over een milieuvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing collectieve festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid: In de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010 is opgenomen, dat de reeds bestaande collectieve festiviteiten in de diverse kernen worden gehandhaafd op basis van de reeds vastgestelde collectieve dagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid: Dit voorschrift is gesteld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid: De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen. Overigens is dit alleen mogelijk voor collectieve festiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid: Een dergelijke aanwijzing is een besluit van algemene strekking waardoor de bekendmakingsregels van artikel 3:42 Awb in acht dienen te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid: Deze bepaling ziet op feesten die niet waren te voorzien, bijvoorbeeld wanneer de plaatselijke voetbalclub landskampioen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde tot en met het negende lid: Dit betreffen de voorwaarden die worden gesteld aan de collectieve festiviteiten en activiteiten ter voorkoming van geluidhinder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kennisgeving incidentele festiviteitenEerste lid: Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden is, zoals een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een straatfeest. In het Besluit is een maximaal aantal incidentele festiviteiten bepaald van 12 dagen of dagdelen per jaar. De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om het aantal te verlagen. Op grond van de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010 heeft de gemeente Bergen ervoor gekozen maximaal drie incidentele festiviteiten toe te staan Tweede lid: Dit voorschrift is gesteld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Ook hier is een maximum aantal dagen van 12 dagen of dagdelen per jaar vastgesteld. Op grond van de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010 heeft de gemeente Bergen ervoor gekozen maximaal drie incidentele festiviteiten toe te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid: Het college dient minimaal twee weken voor de aanvang van de festiviteit met een kennisgevingsformulier op de hoogte te worden gesteld van de festiviteit. Deze termijn stelt het college in staat te beoordelen op welke wijze de houder van de inrichting zoveel mogelijk overmatige geluidhinder dan wel lichthinder tracht te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid: Deze bepaling ziet op een festiviteit in een inrichting die redelijkerwijs niet te voorzien was, bijvoorbeeld wanneer iemand de lotto heeft gewonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde tot en met het negende lid: Dit betreffen de voorwaarden welke gesteld kunnen worden aan de incidentele festiviteiten voor wat betreft geluidhinder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verboden incidentele festiviteiten (vervallen) In deze bepaling is aangegeven op welke gronden een incidentele festiviteit is verboden. In dat geval kan handhavend worden opgetreden door de burgemeester. Deze bepaling schept duidelijkheid naar de houder van een inrichting die een incidentele festiviteit organiseert. De burgemeester heeft daarnaast overigens een (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van de Gemeentewet waarin is bepaald, dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5-270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onversterkte muziek(gereserveerd) Dit artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Hiervoor zijn nu regels opgenomen in de APV</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinderZelfde gebleven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder de uitgebreide toelichting bij de toelichting van de model-APV van de VNG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Dit artikel heeft betrekking op de vormen van geluidshinder waarin andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluidsproducerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz.; overige handelingen waardoor geluidsoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft hier een overlastbepaling. De beoordeling van een ontheffingsaanvraag is specifiek en vereist maatwerk. De verzoeken om ontheffing op grond van dit artikel worden veelal gelijktijdig met een aanvraag op grond van artikel 2:25 APV. Een lex silencio positivo is derhalve niet gewenst om dringende redenen van algemeen belang zoals de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreinigingArtikel 4:7 StraatvegenArtikel 4:7 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen en uren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-8-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Natuurlijke behoefte doenDeze bepaling staat al sinds jaar en dag in de model-APV. Momenteel zijn er veel gemeenten die in het kader van een lik-op-stuk-beleid onderhavige bepaling strikt handhaven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwenDit artikel betreft een samenvoeging van de in de Model-bouwverordening geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de model-APV besloten Afdeling 3: Het bewaren van houtopstanden (gereserveerd)NB In bergen geregeld in de BomenverordeningAfdeling 4: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlastArtikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.Zie toelichting bij de model-APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen)Vanuit dereguleringsoogpunt is dit artikel in 2008 geschrapt. Via de Messtoffenwet wordt al veel geregeld. Op zandgronden mag maar zeer beperkt mest wordt uitgereden (ca 6 maanden per jaar). Veel mest wordt bovendien al emissie-arm aangewend, dus dan geldt het artikel niet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclameVanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van administratieve lasten is oude reclame-artikel herzien. Dat houdt in dat de reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden. De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:15</span><span class=\"lf-art-t\">A BewegwijzeringWas voorheen artikel 4.7.2a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling vult artikel 4:15 aan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-16-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vergunningplicht lichtreclame (Vervallen)In het per 1 januari 2008 van kracht geworden Activiteitenbesluit is een zorgplicht opgenomen die ertoe verplicht geen lichthinder te veroorzaken. Daarmee vervalt de noodzaak om dit onderwerp bij APV te regelen Afdeling 5: Kamperen buiten kampeerterreinenAlgemene toelichtingIn verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met ingang van 1 januari 2008 zijn deze artikelen opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-17-277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:17</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsbepalingIn de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-18-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinenZie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het college kan ontheffing verlenen van het verbod te kamperen buiten daartoe bestemde kampeerterreinen. De verbodsbepaling dient met name de bescherming van natuur en landschap. Het is onwenselijk als een ontheffing die toestaat dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt, van rechtswege zou ontstaan. In verband daarmee wordt de lex silencio positivo niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-19-279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing kampeerplaatsenZie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie. Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-20-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:20</span><span class=\"lf-art-t\">Overnachten in een voertuigDit is een bepaling uit de oude APV. Bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om te overnachten in een voertuig tussen 22.00 en 07.00 uur. De lex silencio positivo kan van toepassing worden verklaard. De ontheffing is eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeenteZie voor een uitgebreide toelichting op deze artikelen de model-toelichting van de VNG.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-1-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingenArtikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigenArtikel 5:4 Defecte voertuigenArtikel 5:5 VoertuigwrakkenArtikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.In de oude APV was de termijn erg lang, namelijk 7 dagen. Deze is teruggebracht tot een algemeen gebruikelijke termijn van 3 dagen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigenArtikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen Lex silencio positivo (Artikelen 5:2, 5:3, 5:6, 5:7 en 5:8)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikelen hebben betrekking op diverse verboden voor het parkeren van voertuigen binnen de bebouwde kom waarvoor ontheffing kan worden verleend. Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe met het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het aanzien van de gemeente. Het toepassen van de lex silencio positivo bij aanvragen om een ontheffing is bij deze bepalingen mogelijk. Het risico of de noodzaak van een eventuele ontheffing kan makkelijk en snel worden ingeschat. Het is een eenvoudig stelsel en een aanvraag om een ontheffing doet zich weinig voor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9-283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigenArtikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen[vervallen]. Geregeld in Wet milieubeheer. Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigenLex silencio positivo Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Het college kan ontheffing verlenen. De lex silencio positivo is hier mogelijk. Het betreft immers een eenvoudige aanvraag die zeer weinig voorkomt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12-284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfietsNieuw artikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2: CollecterenArtikel 5:13 Inzameling van geld of goederenLex silencio positivo</h3>\n<p class=\"lf-p\">De lex silencio positivo kan van toepassing worden verklaard. Voor de door het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) goedgekeurde collectes is de lex silencio zonder meer mogelijk omdat hierover al toestemming en afstemming heeft plaatsgevonden met het CBF. Voor de niet goedgekeurde collectes is eveneens afstemming met het CBF noodzakelijk. Hoewel een vergunning in een dergelijke situatie maatwerk betreft, kan dit voortijdig worden ingeschat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3: VentenArtikel 5:14 BegripsbepalingOnder venten met goederen wordt verstaan: de uitoefening van kleinhandel waarbij goederen of diensten aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. Venten moet worden onderscheiden van collecteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ 1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15-285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VentverbodHet oude artikel 5.2.2 ging uit van een algeheel verbod op venten, behalve als met een door het college verstrekte vergunning werd gehandeld. Wij hebben gekozen voor een algemene regel. Het is nog slechts verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de Europese Dienstenrichtlijn. Hieronder vallen de aloude motieven van overlast (in de meeste gevallen) en verkeersveiligheid. Zie voor nadere uitleg de toelichting onder artikel 1:8</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-16-286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Venten met gedrukte stukkenZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">DaklozenkrantDe verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het ventverbod (voorzover de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt) geldt niet voor wat betreft de vrijheid van meningsuiting. Het college kan deze vrijheid beperken door een verbod in te stellen op aangewezen openbare plaatsen of voor bepaalde dagen en uren. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. De lex silencio is hier niet van toepassing. Indien de vrijheid van meningsuiting al beperkt wordt, dienen hier dwingende redenen van algemeen belang aan ten grondslag te liggen. Een lex silencio positivo ten aanzien van de ontheffingsmogelijkheid is daarom niet gewenst.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4: StandplaatsenArtikel 5:17 BegripsbepalingZie toelichting bij model-APV.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18-287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsvergunning en weigeringsgrondenZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfvuil. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere aanvraag tot het innemen van een standplaats moet afzonderlijk beoordeeld worden. Op grond van de in de APV vastgestelde weigeringsgronden en het aan de hand hiervan geformuleerde dan wel gehanteerde beleid moet een afweging plaatsvinden of de aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden. In verband daarmee is toepassing van een lex silencio positivo ongewenst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19-288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:19</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbendeZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-20-289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:20</span><span class=\"lf-art-t\">AfbakeningsbepalingenZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-21-290\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanhoudingsplicht (Vervallen)Afdeling 5: SnuffelmarktenArtikel 5:22 Begripsbepaling AlgemeenBij de algehele herziening van 2008 is het oude artikel 5.2.4 in twee artikelen opgesplitst en tevens hernummerd. Artikel 5:24 geeft een begripsbepaling, terwijl artikel 5:25 de vergunningplicht en de weigeringsgronden beschrijft Zie verder de toelichting bij de model-APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-23-291\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarktZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Een snuffelmarkt is een markt, niet in de open lucht, waarbij hoofdzakelijk tweedehands of incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. De vergunningplicht is gehandhaafd, met name omdat een snuffelmarkt voor overlast kan zorgen in de omgeving (bijvoorbeeld door extra verkeer en parkeerdrukte). Nu aan de verlening of weigering van de vergunning een relatief eenvoudige afweging ten grondslag ligt en de gevolgen van een snuffelmarkt doorgaans beperkt zullen zijn, zijn er geen dwingende redenen van algemeen belang aanwezig om van een lex silencio positivo af te zien.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6. Openbaar waterArtikel 5:24 Vergunning voor voorwerpen op, in of boven openbaar waterZie toelichting bij model-APV.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25-292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats woonschepen en overige vaartuigenZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het college kan vergunning verlenen om met een woonboot of een ander vaartuig ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een woonboot of ander vaartuig beschikbaar te stellen. Deze bepaling dient ter bescherming van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. In verband met deze belangen is het onwenselijk als een vergunning op grond van deze bepaling van rechtswege zou ontstaan. In verband daarmee wordt de lex silencio positivo niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26-293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen ligplaatsZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27-294\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:27</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaatsZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28-295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerkenZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29-296\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:29</span><span class=\"lf-art-t\">ReddingsmiddelenZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30-297\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het waterZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31-298\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigenZie toelichting bij model-APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebiedenArtikel 5:32 CrossterreinenOp het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s, motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">AfbakeningVoor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing kunnen zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33-299\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebiedenTen opzichte van de oude APV is de strekking hetzelfde, maar de verbodsbepaling is anders opgenomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de oude APV was het “verboden op aangewezen plaatsen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze APV is het “slechts toegestaan op aangewezen plaatsen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het is onwenselijk als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat dat in een natuurgebied vernielingen plaats vinden door deze voertuigen. In verband daarmee wordt de lex silencio positivo niet van toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 8. Verbod vuur te stoken Artikel 5:34 Verbod vuur te stokenAan het modelartikel van de VNG, dat is overgenomen, is nog toegevoegd de uitzondering ten aanzien van het verbranden van bollenloof en stro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder de uitgebreide toelichting bij de model-APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen indien het gaat om vreugdevuren, paasvuren, kampvuren en oudejaarsvuren. Deze bepaling leent zich bij uitstek niet voor de lex silencio positivo. Deze bepaling biedt de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Tevens heeft het college de mogelijkheid om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. Dit betekent dat de verbranding van afvalstoffen of het anderszins vuur stoken afdoende gereguleerd dient plaats te vinden. In verband daarmee is een lex silencio positivo hier niet gewenst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34-300\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A In deze bepaling is in het kader van de openbare orde en veiligheid ter bescherming van de natuurgebieden in de gemeente Bergen en ter voorkoming van bos- en duinbranden een verbod opgenomen om zogenoemde wens- of ufoballonnen, door middel van hete lucht afkomstig van vuur op te laten Afdeling 9. Verstrooiing van asArtikel 5:35 BegripsomschrijvingIn het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het terrein was bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als wel om het gegeven dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). Zie verder voor een uitgebreide toelichting Lbr. 97/232 omtrent het verstrooien van crematieas.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36-301\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verboden plaatsenAsverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin verstorend kunnen werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder “volgende plaatsen” kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen het openbare water of delen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien. Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het college kan op verzoek van een nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod van incidentele asverstooiing op verharde delen van de weg of voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte of aangeduide kinderspeelplaatsen, zandbakken, speelweides, ligweides of sportterreinen. Gelet op het ethische aspect, maar zeker ook de bijzondere omstandigheden die aan de ontheffing ten grondslag dienen te liggen, is een lex silencio positivo niet gewenst om dwingende redenen van algemeen belang, te weten de openbare orde, de volksgezondheid en milieu.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37-302\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinder of overlastHet verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 10. Bescherming van flora en faunaArtikel 5:38 Beschermde planten; hout sprokkelen[vervallen] Deze bepaling is erop gericht om op te kunnen treden tegen personen die met metaaldetectoren op zoek zijn naar archeologische vondsten, zoals bijvoorbeeld explosieven, wapens, munitie en dergelijke. Dit komt met regelmaat voor in het duingebied hetgeen in het belang van de openbare orde en veiligheid ongewenst is. De burgemeester heeft de bevoegdheid om gebieden, waaronder het duingebied, aan te wijzen waarin dit verboden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod om in daartoe door de burgemeester aangewezen gebieden een metaaldetector of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van explosieven, wapens, munitie en dergelijke , te gebruiken of voor gebruik voorhanden te hebben. Deze bepaling dient ter bescherming van de openbare orde, veiligheid en de woon- of leefomgeving. In verband met deze belangen is het onwenselijk als een ontheffing op grond van deze bepaling van rechtswege zou ontstaan. In verband daarmee wordt de lex silencio positivo niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:39</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van bossen en duinen[vervallen]Was artikel 4.6.3 APV</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-40\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:40</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod tot het plukken van bloemen c.a. in het duingebied[vervallen]Was artikel 4.6.4APV</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingenZie de uitgebreide toelichting bij de model-APV.</h3>\n<p class=\"lf-p\">TransponeringstabellenDe nummering van deze APV Bergen 2009 wijkt op enkele plaatsen sterk af van de nummering van de vorige APV. Om de aansluiting tussen de versies gemakkelijker te maken, zijn hieronder transponeringstabellen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van deze versie naar vorige versieartikel huidige versie vorige versie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-1-305\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.1</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.4</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span><span class=\"lf-art-t\">Indiening aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.5</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften en beperkingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.9</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:5</span><span class=\"lf-art-t\">Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.10</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.11</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.15</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.1.1</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">A Verblijfsontzegging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">nieuw</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:2</span><span class=\"lf-art-t\">Optochten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.1</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.3</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking termijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.4</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Te verstrekken gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2.5</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.3.1</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span><span class=\"lf-art-t\">Feest, muziek en wedstrijd e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.1</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8</span><span class=\"lf-art-t\">Dienstverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.2</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.3</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.5.1</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.5.2</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">Maken, veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.1.5.3</p></div>", "next": 239468}