{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. Hulpmiddelen ten behoeve van professionele verzorging zijn uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een woonvoorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen of u als een persoon met een beperking al dan niet in aanmerking komt voor een woonvoorziening en bij het selecteren van een noodzakelijke voorziening spelen de volgende factoren een rol: de aanwezigheid van alternatieve oplossingen; ernst en omvang van de beperkingen; het ziekteverloop/de prognose; de noodzaak van de voorziening(en); de intensiteit van het gebruik van de voorziening(en); bouwkundige situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een aanvraag om een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt ingediend, dan onderzoeken wij eerst of u kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning. Dit onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van het beslissingsmodel primaat verhuizing. Dit beslissingsmodel is als bijlage bij deze integrale beleidsregels gevoegd. Indien uit voornoemd onderzoek blijkt dat een verhuizing naar een adequate of makkelijker aan te passen woning te realiseren is en dit de goedkoopst adequate oplossing is, wijzen wij een aanvraag om een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met bepalen van de aard en omvang van de te verstrekken woningaanpassing gelden de volgende uitgangspunten: het niveau sociale woningbouw geldt als bovengrens van de geboden oplossing. Dit betekent dat wordt gekozen voor een sobere doch doelmatige oplossing; voor het kwaliteitsniveau van de aanpassingen wordt aangesloten bij de eisen zoals deze in het Bouwbesluit zijn geformuleerd; aanpassingen aan de eisen van de tijd kunnen geheel of gedeeltelijk voor eigen rekening van de bewoner dan wel de eigenaar van de woning komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-514\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Sanering huidige vloerbedekking en gordijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning U kunt wanneer er sprake is van een aantoonbare allergie voor huisstofmijt en dit aantoonbare beperkingen met zich meebrengt, in aanmerking komen voor sanering van de huidige vloerbedekking en gordijnen in de slaapkamer. Bij uitzondering kunnen ook de huidige vloerbedekking en gordijnen in de woonkamer worden gesaneerd, indien u bijvoorbeeld aantoonbaar een groot deel van de dag in de woonkamer doorbrengt (moet doorbrengen). Sanering van gestoffeerde meubels en dergelijke komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze hoeven niet acuut te worden vervangen en kunnen op termijn, passend binnen uw budget, worden vervangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-515\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.15</span><span class=\"lf-art-t\">Bezoekbaar maken woning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning Indien u uw hoofdverblijf hebt in een in de gemeente gelegen toegelaten instelling kan één woning waar u regelmatig op bezoek komt bezoekbaar gemaakt worden. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2Beleidsregels inzake een schone en leefbare woning 5.2.1Begripsbepalingen Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.2 Een schone en leefbare woning In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijke ondersteuning 1: huishoudelijke ondersteuning 1 is gericht op het schoon en leefbaar maken van het huis en signalering is gericht op relevante veranderingen in de gezondheidssituatie, de leefomstandigheden, de sociale omgeving, alsmede de vereenzaming van de cliënt. Relevante veranderingen zijn in dit verband veranderingen die kunnen leiden tot wijzigingen in de omvang van de verleende ondersteuning;</p>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijke ondersteuning 2: deze ondersteuning is gericht op het zelf structureren en het op orde houden van het eigen huishouden; schoon en leefbaar huis: onder een schoon huis wordt verstaan een schone huiskamer, een schone als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimte, een schone keuken, een schone douche en toilet en een schone gang. De woning moet op een aanvaardbaar niveau schoon zijn, dat wil zeggen dusdanig schoon is dat zij niet vervuilt. Dit kan betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan uw persoonlijke verwachtingen of uw eigen manier van schoonmaken. De ondersteuning wordt nooit ingezet voor de buitenkant van de woning, waaronder de tuin, de schuur, de stoep en de ramen aan de buitenzijde. Het begrip leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om gevaar voor de gezondheid te voorkomen; toegelaten instelling: zorginstellingen hebben een erkenning van de overheid nodig om zorg te geven die vergoed wordt vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) of het basispakket van de zorgverzekering. Deze instellingen heten 'toegelaten instellingen'.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-522\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Huishoudelijke ondersteuning 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.2 Een schone en leefbare woning Als u niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met hulp van mantelzorgers of met hulp van andere personen uit uw sociale netwerk uw woning schoon en leefbaar kunt houden, komt u in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijke ondersteuning omvat de volgende activiteiten: licht huishoudelijk werk: opruimen, afwassen, vaatwasser in- en uitruimen, stof afnemen (heuphoogte of hoog laag), beddengoed rechttrekken en huishoudelijke afval opruimen; zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, schrobben, ramenlappen (binnenkant), dweilen, sanitair en keuken schoonmaken, bedden verschonen; de was doen en strijken: het sorteren en wassen van kleding, was in de wasmachine doen, in- en uitruimen wasdroger, het ophangen en afhalen van de was, het vouwen en opbergen van het wasgoed en het strijken van kleding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Signalering bestaat uit het opmerken van, dan wel aandacht hebben voor: relevante veranderingen van uw gezondheidssituatie; relevante veranderingen van uw leefomstandigheden, onder andere door het controleren van houdbaarheidsdata van producten in de koelkast; relevante verandering van uw sociale omgeving; vereenzaming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Signalen van de zorgverlener worden neergelegd bij zijn of haar leidinggevende, waarna adequate actie wordt ondernomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij stellen de noodzaak en omvang van de huishoudelijke ondersteuning vast op basis van het ‘Normeringsoverzicht Hulp bij het huishouden’ en het ‘Afwegingskader gebruikelijke hulp bij het huishouden’. Beide documenten zijn als bijlagen bij deze beleidsregels gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van uw overlijden wordt huishoudelijke ondersteuning, ongeacht of deze maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb is verleend, gecontinueerd tot zes weken na het overlijden. Het vorenstaande is niet van toepassing ingeval er sprake is van een eenpersoonshuishouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-523\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Huishoudelijke ondersteuning 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.2 Een schone en leefbare woning Indien u niet in staat bent op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met hulp van mantelzorgers of met hulp van andere personen uit uw sociale netwerk een gestructureerd huishouden te voeren, komt u in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijke ondersteuning 2 omvat in ieder geval de volgende activiteiten: het proactief signaleren en in de gaten houden van veranderingen van uw zelfredzaamheid, gezondheidssituatie, uw leefomstandigheden, en uw sociale omgeving (indien nodig informeert de aanbieder ons hierover); het ondersteunen (coachen) van u bij het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur en/of het voeren van regie over eigen huishouden en/of de dagelijkse organisatie van het huishouden. Hieronder wordt verstaan: de ondersteuning bij het organiseren, het plannen van huishoudelijke taken, het regelen van lichte administratieve ondersteuning (verzamelen/openen van de post en indien nodig zorgdragen voor een structurele ondersteuning); maaltijdverzorging: opstellen boodschappenlijstje en ervoor zorgen dat de boodschappen in huis komen (bestellen boodschappen via bezorgservice van de (lokale) supermarkt), ondersteuning bij en of het zelf klaarmaken van broodmaaltijd en warme maaltijd of magnetronmaaltijd en zo nodig lichte ondersteuning bieden bij het nuttigen van de maaltijd; het (tijdelijk) overnemen van de zorg voor minderjarige kinderen; afstemming met ander ondersteuningsaanbod indien aanwezig; het helpen benutten en uitbreiden van de mogelijkheden van het sociaal netwerk, met als doel blijvende inzet te realiseren vanuit dat netwerk, waardoor praktische thuisondersteuning deels kan worden afgebouwd. Hierbij is er oog voor (dreigende) overbelasting van de mantelzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij stellen de noodzaak en omvang van de huishoudelijke ondersteuning 2 vast op basis van het ‘Normeringsoverzicht Hulp bij het huishouden’ en het ‘Afwegingskader gebruikelijke hulp bij het huishouden´. Beide documenten zijn als bijlagen bij deze beleidsregels gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van uw overlijden wordt de huishoudelijke ondersteuning 2, ongeacht of deze maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb is verleend, gecontinueerd tot zes weken na het overlijden. Het vorenstaande is niet van toepassing in het geval er sprake is van een eenpersoonshuishouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-524\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beschermd wonen/beschermd thuis</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.3 Beschermd wonen/beschermd thuis U kunt in aanmerking komen voor beschermd wonen of beschermd thuis als: u een psychiatrische en of psychosociale stoornis, hebt; u 18 jaar of ouder bent; u door uw beperkingen niet zelfstandig kunt wonen en als gevolg van uw beperkingen een mogelijk gevaar voor uzelf en anderen vormt; u niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen/ beschermd thuis kunnen opheffen; er sprake is van regiobinding conform de Handreiking en beleidsregels Landelijke toegang beschermd wonen 2016; en dak- en thuislozenopvang of klinische behandeling niet voorliggend is en u niet voldoet aan de criteria voor de Wet langdurige zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het mogelijke gevaar voor u of voor anderen, genoemd in het eerste lid, sub c, van dit artikel, ontstaat doordat u in het dagelijkse bestaan niet in staat bent een adequaat oordeel te vormen. U hebt vaak regieproblemen, mist vaardigheden of remmingen om u staande te houden in een zelfstandige woonomgeving, overziet de consequenties van het eigen handelen niet en/of bent niet in staat om op relevante momenten hulp in te roepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer niet direct een plaats beschermd wonen beschikbaar is, wordt aan u passende overbruggingszorg geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om beschermd wonen/beschermd thuis wordt ingediend bij en beoordeeld door het college van de centrumgemeente, in dit geval de gemeente Den Helder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Melding en vooronderzoek ten behoeve van de beoordeling door de centrumgemeente wordt door een van onze wijkteams uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-526\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kortdurend verblijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen Onder kortdurend verblijf wordt verstaan een tijdelijk verblijf van u in een instelling of in een gezin bedoeld om de mantelzorger(s) te ontlasten. Het kortdurend verblijf is in de regel planbaar. Uitgangspunt is dat de u na verblijf elders weer naar huis gaat. Het kortdurend verblijf omvat bed, bad, brood en welzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">U komt in aanmerking voor kortdurend verblijf indien: ontlasting van de persoon die (boven)gebruikelijke hulp levert aan u (de mantelzorger) noodzakelijk is; andere vormen van overname van de zorgtaken van de mantelzorger niet toereikend zijn; u niet in aanmerking komt voor een opname op grond van de Wet langdurige zorg; u geen beroep kunt doen op een vorm van respijtzorg op grond van uw aanvullende zorgverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De duur van het kortdurend verblijf is 1,2 of 3 etmalen per week, met dien verstande dat in specifieke situaties een langere aaneengesloten periode mogelijk moet zijn. Dit laatste kan voor zover de maximale periode op jaarbasis (52 weken x 3 etmalen) niet wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer kortdurend verblijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen U bent zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de locatie van het kortdurend verblijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3Mantelzorg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Maatwerk mantelzorgers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 5.3 Mantelzorg en artikel 5.3.1 ondersteuning mantelzorger De mantelzorger wil gezien, gewaardeerd en ontlast worden. Dit is een glijdende schaal: door de mantelzorger in beeld te brengen, is het mogelijk deze vervolgens te waarderen. Ook het ontlasten van de mantelzorger kan gezien worden als een indirecte vorm van waardering. De behoefte van iedere mantelzorger is verschillend. Om de mantelzorger daadwerkelijk te ontlasten is maatwerk noodzakelijk. De consulenten van het wijkteam zijn in staat om een afweging te maken welke ondersteuning daadwerkelijk noodzakelijk is, zodat uw zelfredzaamheid wordt bevorderd en u zo lang mogelijk thuis kunt wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De consulenten van het wijkteam krijgen het mandaat om maatwerk te leveren en de benodigde ondersteuning in te zetten. Hierbij wordt, zoals gebruikelijk is, eerst gekeken naar het eigen netwerk van de inwoner, de inzet van algemene voorzieningen (waaronder met name ook zorgvrijwilligers) en daarna pas de professionele ondersteuning. Maatwerk betekent in dit verband dat de consulent in beeld heeft welke behoefte er ligt en een professionele afweging maakt wat in iedere situatie passende ondersteuning is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6De vorm van ondersteuning Kernwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij maken de ondersteuning makkelijk bereikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1Krediethypotheek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vestigen krediethypotheek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Voor zover met inachtneming van artikel 34 lid 2 onder d van de Participatiewet en artikel 50 lid 1 en 2 van de Participatiewet, bijstand verleend wordt in de vorm van een lening, wordt aan de bijstand de verplichting verbonden om mee te werken aan het vestigen van het recht van hypotheek ter meerdere zekerheid voor de aan de lening verbonden aflossingsverplichting tenzij: de overwaarde in de woning, na toepassing van de vrijlating op grond van artikel 34 lid 2 onder d, niet meer bedraagt dan € 5.000,-- de verwachting is dat de bijstandsverlening kort duurt en/of het bruto bedrag aan verleende bijstand minder bedraagt dan € 5.000,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de te verlenen bijstand in de vorm van een lening wordt, indien dit in redelijkheid verlangd kan worden, de voorwaarde verbonden om de woning te verkopen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-612\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Geldlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld De geldlening, bedoeld in artikel 6.1.1 lid 1, is ten hoogste de waarde van de woning in het economische verkeer bij vrije oplevering verminderd met de daarop drukkende schulden en het vrij te laten vermogen, bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet. Voor de waardebepaling van de woning wordt uitgegaan van de WOZ-waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten verbonden aan de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek en de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-613\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden geldlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in artikel 6.1.4 van deze beleidsregel, tezamen met de bedingen zoals gebruikelijk in een hypotheekakte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-614\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aflossing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandverlening en vindt maandelijks plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de eerste tien jaren na aanvang van de aflossing wordt de maandelijkse aflossing ten hoogste bepaald op 1/120e deel van het bedrag van het openstaande saldo van de lening, tenzij op verzoek van belanghebbende een hogere aflossing wordt overeengekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van de aflossing wordt met inachtneming van lid 2 van dit artikel bepaald door de hoogte van het inkomen in die zin dat het aflossingsbedrag in ieder geval 35 procent bedraagt van het netto inkomen voor zover dit de van toepassing zijnde bijstandsnorm te boven gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van belanghebbende kan de aflossing periodiek of incidenteel lager vastgesteld worden in verband met de tot zijn last komende bijzondere kosten. Het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Schagen is uitgangspunt voor de beoordeling van de noodzaak van de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er na 10 jaar aflossen een saldo resteert, wordt de aflossing voortgezet onder toepassing van lid 3 en 4 van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen aflossing gevergd indien de hoogte van het inkomen dat niet toelaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens wordt geen aflossing gevergd indien belanghebbende een uitkering ter hoogte van de voor betrokkene van toepassing zijnde bijstandsnorm ontvangt en ook niet kan beschikken over andere middelen zoals bedoeld in artikel 31 van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-615\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Heronderzoek aflossing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van drie jaren vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eens per drie jaar, of vaker indien (eventueel te verwachten) omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt een onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van belanghebbende en overige omstandigheden, met het doel om de aflossingscapaciteit vast te stellen en het bedrag van de aflossing lager dan wel hoger vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door belanghebbende kan een verzoek tot wijziging van het aflossingsbedrag worden ingediend in geval van wijziging van zijn financiële en/of overige omstandigheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-616\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Incasso</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Bij het uitblijven van de aflossing wordt een herinnering en daarna, bij het verder uitblijven van de aflossing, een aanmaning verzonden. Bij hervatten van de aflossingsverplichting blijft dit zonder gevolgen tenzij er sprake is van in totaal een achterstand van meer dan 3 aaneengesloten maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbende schuldig nalatig is in het voldoen van de aflossing, wordt op grond van artikel 58 lid 1 onder b van de Participatiewet besloten tot terugvordering en is het openstaande saldo van de lening ineens opeisbaar. Na uitblijven van betaling wordt een dwangbevel verzonden. Dit dwangbevel heeft een executoriale titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op verzoek van belanghebbende wordt een opgave verstrekt van de stand van de geldlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-617\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Verkoop van de woning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond afgelost voor zover de opbrengst daartoe toereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verkoop van de woning kunnen wij wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard dan wel wegens werkaanvaarding elders door u, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat het bedrag volledig ingezet wordt voor de aankoop van een andere woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij verkoop van de woning, al dan niet na vererving, op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening, wordt het verschil kwijtgescholden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-618\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe aanvraag na beëindiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder verband van hypotheek wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Bbz 2004</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld In de beleidsregels onder 6.2 wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Awb: Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet: Participatiewet .</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder c, van de Participatiewet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Inlichtingenplicht: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 38 Bbz 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand: de als renteloze lening verstrekte algemene bijstand en bijzondere bijstand op grond van het Bbz en de Participatiewet die al dan niet geheel of gedeeltelijk kan worden omgezet in een bedrag “om niet” en de door het college in bijstand “om niet” omgezette bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfskapitaal: bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening of direct “om niet” verstrekt op grond van de artikel 24 en 26 Bbz 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Levensvatbaarheidsonderzoek: een onderzoek dat antwoord geeft op de vraag of de zelfstandige uit het bedrijf of zelfstandig beroep een inkomen zal verwerven dat samen met het overige inkomen naar verwachting toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondernemingsplan: een document waarin de plannen van een onderneming concreet zijn gemaakt. Voorts bevat het plan de doelstellingen, missie en visie van de onderneming, een planning, de kansen en eventuele uitdagingen van de ondernemer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-622\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag en advies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Wij vragen geen advies van een externe partij, indien: u als zelfstandige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, b, c of d van het Bbz uitsluitend algemene bijstand op grond van het Bbz aanvraagt; u als zelfstandige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, b of c, van het Bbz naast een aanvraag om algemene bijstand op grond van het Bbz een aanvraag ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van het Bbz indient, welke behoefte aan bedrijfskapitaal een bedrag van € 5.000,- niet overstijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen in het kader van het Bbz, bedoeld in het eerste lid, dienen te worden onderbouwd met een eenvoudig ondernemingsplan. U bent verplicht bij het opstellen van genoemd ondernemingsplan gebruik te maken van een door ons college vastgestelde format.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle andere aanvragen in het kader van het Bbz worden, onderbouwd met een uitgebreid ondernemingsplan, ter advisering voorgelegd aan een door ons gecontracteerde externe partij. U als aanvrager bent verplicht bij het opstellen van genoemd ondernemingsplan gebruik te maken van een door ons vastgestelde format.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van bezwaar of beroep kunnen wij een second opinion aanvragen bij een andere dan in het derde lid genoemde derde partij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-623\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen levensvatbaarheidsonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld De in artikel 6.2.2, derde lid, genoemde partij verricht een levensvatbaarheidsonderzoek dat uitmondt in een advies. Dit advies dient gegevens te bevatten over: de persoon van de aanvrager; de financiële situatie van de aanvrager; het bedrijf of beroep dat de aanvrager uitoefent of wil uitoefenen; de historische situatie en aanleiding en oorzaak van de aanvraag; ondernemerscapaciteiten; bedrijfsvoering; en bedrijfseconomische analyse.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevindingen van het in het eerst lid bedoelde onderzoek dienen te leiden tot conclusies over: het perspectief en de eventuele tekortkomingen van de ondernemer en hoe deze tekortkomingen te ondervangen zijn; de bijstand en krediet die de ondernemer nodig heeft; de voorwaarden en zekerheden om bij kredietverstrekkingen vast te leggen; noodzakelijke begeleiding of scholing; en eventuele aandachtspunten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-624\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Begeleiding startende ondernemers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Aan u als persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bbz, wordt, indien dit naar ons oordeel noodzakelijk is, gedurende een periode van maximaal één jaar begeleiding aangeboden door ons dan wel door een door ons aangewezen externe partij.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-625\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep voorbereidingsperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Een voorbereidingsperiode wordt niet aangeboden ingeval u: de mogelijkheid heeft binnen een jaar werk in loondienst te krijgen, waardoor uitstroom uit de uitkering mogelijk is; u in een schuldensituatie bevindt die de start van een eigen bedrijf of beroep feitelijk onmogelijk maakt, toegelaten bent tot de WSNP of de sanering korter dan een jaar geleden is afgesloten; in staat van surseance van betaling of faillissement verkeert en het faillissement voortduurt; niet beschikt over de benodigde vakkennis en vakvaardigheden; zodanige belemmeringen hebt dat zelfstandig ondernemerschap in de toekomst naar verwachting niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-626\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.26</span><span class=\"lf-art-t\">Begeleiding tijdens voorbereidingsperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Aan u als een persoon, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbz, kan begeleiding worden aangeboden door ons of een door ons aangewezen externe partij. De bijstand in de kosten van de begeleiding tijdens de voorbereidingsperiode bedraagt ten hoogste € 3.000,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-627\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.27</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbereidingskrediet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld De in artikel 29 van het Bbz bedoelde bijstand in de met de voorbereiding samenhangende kosten bedraagt ten hoogste € 3.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde bijstand heeft voorlopig de vorm van een renteloze geldlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u in aansluiting op de voorbereidingsperiode: geen bedrijf of beroep als zelfstandige begint, dan wordt de geldlening omgezet in een bedrag om niet, tenzij u niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de wet, of een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. een bedrijf of beroep als zelfstandige begint, dan wordt de geldlening omgezet in een rentedragende geldlening. Voor de hierover berekende rente wordt aansluiting gezocht bij het in artikel 15 van het Bbz genomen rentepercentage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-628\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoek naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Wij zijn bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij zijn bevoegd te onderzoeken of het bedrijf of zelfstandig beroep nog levensvatbaar is, indien daartoe naar ons oordeel aanleiding bestaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-629\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoeken ter zake van bijstand en bedrijfskapitaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Wij verrichten het heronderzoek, voor zover de heronderzoekstermijnen niet in het Bbz zijn vastgelegd, binnen 12 maanden: na de ingangsdatum van de uitkering; of indien de uitkering met terugwerkende kracht is toegekend, na de aanvraagdatum van de uitkering; na de datum waarop het besluit naar aanleiding van het laatst verrichte heronderzoek werd genomen; of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond, na de datum waarop blijkens een daartoe strekkende aantekening in jouw dossier het laatst verrichte heronderzoek werd afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onderzoeken wij, ingeval van verlening van algemene bijstand aan u als een persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Bbz (de beginnend zelfstandige), of het bedrijf of zelfstandig beroep nog levensvatbaar is:</p>\n<p class=\"lf-p\">12 maanden na aanvang van de bijstandsverlening en daarna telkens na een periode van twaalf maanden; bij de toekenning van algemene bijstand om redenen van medische en sociale aard, bedoeld in artikel 23, eerste lid, tweede volzin, van het Bbz en vervolgens telkens na een periode van 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid vindt de definitieve vaststelling van het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep door ons, bedoeld in artikel 12 van het Bbz, uiterlijk binnen 12 maanden na afsluiting van het boekjaar waarin de algemene bijstand voor levensonderhoud is verleend, plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid vindt de ambtshalve kwijtschelding van de verschuldigde rente en de terugbetaling van de reeds betaalde rente door ons, bedoeld in artikel 21 van het Bbz, binnen 12 maanden na afsluiting van het boekjaar t+ 1 en binnen 12 maanden na afsluiting van boekjaar t + 2 plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij nemen op basis van het beëindigingsonderzoek uiterlijk 12 maanden na de laatste maand waarin betaling van de uitkering heeft plaatsgevonden een besluit met betrekking tot de wederzijds tussen ons en uw resterende verplichtingen en de afwikkeling daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Heronderzoeken debiteuren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Wij verrichten het debiteurenonderzoek, in die gevallen dat de heronderzoekstermijn niet in het Bbz is vastgelegd, binnen twaalf maanden: na de datum waarop de vordering is ontstaan; na de datum waarop het besluit naar aanleiding van het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd genomen: of indien tot een zodanig besluit geen aanleiding bestond; na de datum waarop blijkens een daartoe strekkende aantekening in uw dossier het laatst verrichte debiteurenonderzoek werd afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van vorderingen waarvan de betalings- en aflossingstermijnen een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de eerste aflossingstermijn voldaan moet zijn, niet overschrijden, kunnen wij toepassing van het eerste lid achterwege laten zolang de belanghebbende zijn verplichtingen nakomt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Woonkostentoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Voor zover u als zelfstandige bent aangewezen op bijstand voor levensonderhoud op grond van het Bbz houden wij bij de vaststelling van de bijstand rekening met een woonkostentoeslag in verband met het hebben van een eigen woning die u in gebruik heeft voor eigen bewoning, als de hoogte van de woonkosten daartoe aanleiding geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde woonkostentoeslag wordt toegekend voor een periode van maximaal 12 maanden en wordt in principe “om niet” verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het verstrijken van deze periode van 12 maanden beoordelen wij of verlenging van de woonkostentoeslag noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Arbeidsongeschiktheidsverzekering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Wij kunnen aan u als persoon die bijstand voor levensonderhoud op grond van het Bbz ontvangt en die als zelfstandige een arbeidsongeschiktheidsverzekering aanhoudt dan wel wil afsluiten, bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de premie van de arbeidsongeschiktheidsverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere bijstand, bedoeld in het eerste lid, wordt in principe om niet verleend en bedraagt ten hoogste €300,- per maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Boekhouder of accountant</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.2 Ondersteuning in geld Wij kunnen aan u als persoon die bijstand voor levensonderhoud op grond van het Bbz ontvangt bijzondere bijstand voor de kosten van een boekhouder of accountant verlenen als dit noodzakelijk is voor het vaststellen van de jaarrekening of eindbalans en/of het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere bijstand voor de in het eerste lid genoemde kosten wordt verleend in de vorm van een rentedragende lening en bedraagt ten hoogste €2.000,- inclusief btw.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3Lage woonlasten en commerciële huur Participatiewet 6.3.1.Begripsbepalingen Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld In de beleidsregels onder 6.3 wordt onder de volgende begrippen het volgende verstaan: woning: een woning, woonwagen, stacaravan of woonschip met een eigen toegang, waarbij de was- en kookgelegenheid en het toilet niet gedeeld hoeven te worden met andere bewoners van het pand; hoofdbewoner: de belanghebbende die de woning bewoont en verplicht is de huur te betalen of de eigenaar van de woning die de woning bewoont en de hypotheekrente en/of zakelijke lasten verschuldigd is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekenhuur: het bedrag van de minimale rekenhuur per maand waarvoor op grond van de Wet op de huurtoeslag recht kan bestaan op huurtoeslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-632\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Verlaging van de normbijstand in verband met woonsituatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld De normen op grond van artikel 21 en 22 van de Participatiewet worden verlaagd met: de rekenhuur als de woning een huurwoning is waarvoor u als hoofdbewoner geen huur verschuldigd bent;</p>\n<p class=\"lf-p\">30% van de rekenhuur als de woning een huurwoning is waarvoor u als hoofdbewoner minder dan € 160,-- huur per maand verschuldigd bent;</p>\n<p class=\"lf-p\">30% van de rekenhuur als u als hoofdbewoner de woning in eigendom hebt en de woning niet belast is met hypotheek; de rekenhuur als u geen woning bewoont.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-633\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Commerciële huurprijs voor onderhuur en kostgangerschap en korting van inkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld Een minimale commerciële huurprijs voor de verhuur van een deel van een woning is de rekenhuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de korting van inkomsten uit onderhuur wordt op de uitkering van de hoofdbewoner een bedrag van € 75,-- per maand afgetrokken van de overeengekomen huurprijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een minimale commerciële huurprijs voor kostgangerschap is het bedrag genoemd in lid 1 van dit artikel verhoogd met een bedrag van minimaal € 150,-- per maand indien de warme maaltijden onderdeel uitmaken van de overeengekomen prijs en minimaal € 75,-- per maand indien de warme maaltijden zijn uitgesloten van de overeengekomen prijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de korting van inkomsten uit kostgangerschap blijven de bedragen voor de maaltijden buiten beschouwing en wordt van het resterende bedrag € 65,-- per maand afgetrokken van de overeengekomen prijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderverhuurder of kostgever die een huurwoning bewoont en die op grond van de huurovereenkomst met zijn verhuurder verplicht is om toestemming te vragen voor verhuur van een deel van de woning, is verplicht om de schriftelijke toestemming van de verhuurder in te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhuurder of kostnemer is eveneens verplicht de schriftelijke toestemming, bedoeld in sub a van dit artikel in te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de schriftelijke toestemming bedoeld in sub a en b van dit artikel ontbreekt, wordt uitgegaan van de kostendelersnorm, omdat er geen sprake is van een uitzondering op grond van artikel 22a lid 4 van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een overeengekomen prijs die lager is dan het minimale bedrag genoemd in lid 1 en 3 van dit artikel, wordt uitgegaan van de kostendelersnorm omdat er geen sprake is van een uitzondering bedoeld in artikel 22a lid 4 van de Participatiewet, tenzij ter plaatse in de woning onderzoek is gedaan en met behulp van de rekentool voor berekening kamerhuur op de website www.huurdersinfo.nl is vastgesteld dat er sprake is van een commerciële huurprijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4Vermogen Participatiewet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-641\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">De waarde van de bezittingen in het economische verkeer bij vrije oplevering (artikel 34 lid 1 Participatiewet)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld De waarde van de auto wordt vastgesteld op de inkoopwaarde op grond van de ANWB koerslijst. Er wordt van uitgegaan dat een auto van ouder dan 7 jaar geen waarde heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van motoren en caravans wordt vastgesteld aan de hand van de prijs die gangbaar is voor occasions van hetzelfde type en bouwjaar. Informatie daarover wordt ingewonnen bij dealers en sites op internet met tweedehands goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waarde van de woning wordt vastgesteld op de WOZ-waarde (zie beleidsregel krediethypotheek).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-642\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Niet als vermogen in aanmerking nemen (artikel 34 lid 2 onder a Participatiewet)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld De scooter en fiets worden beschouwd als algemeen gebruikelijk. De waarde wordt niet tot het vermogen gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een positief saldo op bank- en spaarrekening wordt maximaal vrijgelaten tot het bedrag dat gelijk is aan de bijstandsuitkering per maand exclusief vakantietoeslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-643\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling van vermogen na verhuizing vanuit andere gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld Als u als aanvrager voorafgaand aan een aanvraag een uitkering ontving in een andere gemeente dan wordt – ook na een onderbreking van de bijstand van minder dan 30 dagen – het vermogen vastgesteld als gebruikelijk bij een aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u als aanvrager voorafgaand aan een aanvraag een uitkering ontving van ons en de uitkering wordt met minder dan 30 dagen onderbroken dan is er sprake van voortzetting van de bijstand en hoeft het vermogen niet opnieuw te worden vastgesteld (zie artikel 45 lid 3 van de Participatiewet).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-644\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling van vermogen bij wijziging van alleenstaande ouder naar alleenstaande</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld Op moment van wijziging van de gezinssituatie van alleenstaande ouder naar alleenstaande wordt het vermogen en de mogelijke vermogenstoename opnieuw vastgesteld aan de hand van de actuele situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als aantoonbaar is dat er door de ouder geld gespaard is tijdens de uitkering dan moet dat gespaarde bedrag buiten beschouwing blijven bij de nieuwe vermogensvaststelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-645\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Toename van vermogen tijdens de uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld Bij een vermogenstoename die binnen de grens van de mogelijke toename van het vermogen blijft, wordt de uitkering ongewijzigd voortgezet. Er wordt een beschikking verzonden met de mededeling dat de resterende mogelijke toename verlaagd is. Het bedrag van de mogelijke nieuwe toename wordt in de beschikking opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een vermogenstoename die tot een overschrijding van de grens van de mogelijke vermogenstoename leidt, wordt de uitkering beëindigd. Voordat tot beëindiging wordt overgegaan, wordt het vermogen opnieuw vastgesteld aan de hand van de feitelijke situatie. Alleen bij een feitelijk positief vermogen, wordt de uitkering beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5Normwijziging bij verblijf in een inrichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-651\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Ingangsdatum wijziging norm bij opname</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld Na opname in een inrichting wordt de norm gewijzigd naar de norm voor verblijf in een inrichting met ingang van de 1e van de maand nadat u een volle maand opgenomen bent geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verlaten van de inrichting wordt de norm gewijzigd naar de norm van een zelfstandig wonende met ingang van de dag van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6Bijstand aan minderjarigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-661\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Weggelopen minderjarigen die zelfstandig wonen (alleenstaand, alleenstaande ouders, echtparen of daarmee gelijkgesteld)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld 1.Een minderjarige die zich bij ons meldt voor een uitkering zal verwezen worden naar het wijkteam. Alleen in geval van zeer dringende redenen kan er bijstand verleend worden. Na een gesprek met de jongere zal allereerst bekend moeten worden of er een beroep gedaan kan worden op de jeugdhulpverlening en zo nee waarom niet. Vervolgens zal nagegaan moeten worden met welke hulpverleners er contact is en zal er informatie over de situatie ingewonnen moeten worden bij de hulpverleners. Als de jongere daar geen toestemming voor geeft, betekent het feitelijk dat er geen bijstand verleend kan worden. De jongere kan geen goed argument aanvoeren voor het weigeren van contact met een hulpverlener. Ook contact met de ouders is belangrijk. Het verhaal van de jongere is één kant van het verhaal. Er zullen jongeren zijn die niet willen dat er contact met de ouders wordt opgenomen, omdat zij bijvoorbeeld niet willen dat de verblijfplaats bekend wordt. De jongere kan daarvoor redenen hebben, maar dat moet dan wel met een geloofwaardig verhaal worden onderbouwd. Voordat bij wijze van hoge uitzondering tot bijstandsverlening wordt overgegaan, zal de gehele situatie goed in beeld gebracht moeten worden. De leeftijd van de jongere speelt natuurlijk ook nog een rol. Bijstandsverlening aan een jongere die bijna 18 is, is iets anders dan aan een jongere van 16 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand wordt verleend als algemene bijstand en is gelijk aan de norm voor een jongere van 21 jaar die zelfstandig woont. Een eventuele bijdrage van de ouders aan de minderjarige in de kosten van levensonderhoud wordt in mindering gebracht op de norm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders zijn onderhoudsplichtig voor minderjarige kinderen. De bijstand moet zoveel mogelijk worden verhaald. Als dat niet mogelijk is vanwege ernstig verstoorde verhoudingen dan wordt er voorlopig afgezien van verhaal vanwege dringende redenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-662\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Minderjarigen die bij hun ouders wonen, maar waarvan de ouders niet legaal in Nederland verblijven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld De vraag of sprake is van dringende redenen moet in dit geval worden bezien in het licht van artikel 3, lid 1 en lid 2, en artikel 27, lid 3, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Daarin staat kort gezegd dat de Nederlandse staat zich verbonden heeft om het kind te verzekeren van bescherming en zorg, waarbij rekening wordt gehouden met de rechten en plichten van de ouders. Allereerst moet worden nagegaan of de ouders, of het kind zelf, middelen hebben om te voorzien in de primaire levensbehoeften. Het enkele feit dat het kind legaal verblijf houdt in Nederland en de ouders niet, geeft nog geen recht op bijstand. De CrvB heeft in een zaak waarin de moeder (zonder verblijfsrecht) zwarte inkomsten had en geen inzicht gaf in haar financiële situatie, geoordeeld dat er geen recht op bijstand was voor het kind. Er is sprake van een acute noodsituatie als er geen of onvoldoende inkomsten zijn en het kind ook niet verzekerd is voor ziektekosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is redelijk om bij het bepalen van de hoogte van de uitkering uit te gaan van het normbedrag voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijstand wordt verstrekt als normbijstand. Punt is echter dat de norm laag is omdat er vanuit wordt gegaan dat ouders onderhoudsplichtig zijn en bijdragen aan het onderhoud van het kind. Als de ouders geen inkomsten hebben, kan dat niet het geval zijn. De bijstand kan dan worden verhoogd. Het bedrag van de aanvulling moet individueel worden bepaald en is afhankelijk van de situatie van het gezin waarin het kind woont. Tot de primaire levensbehoefte van het kind hoort onderdak, water, voeding en warmte. Als daarin voorzien is, doordat het kind bij de ouders woont, dan moet de aanvullende bijstand daarop worden afgestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7Giften en schadevergoedingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-671\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.7.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld In de beleidsregels onder 6.7 wordt verstaan onder: gift: een bijdrage met een onverplicht karakter. Boodschappen voor de algemene basisbehoeften van het bestaan ontvangen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk van belanghebbende, worden aangemerkt als een gift in voormelde zin.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-672\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.7.2</span><span class=\"lf-art-t\">Giften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld Voor alle giften wordt een drempelbedrag van € 1.200,- per kalenderjaar gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gift of giften die het drempelbedrag overstijgen, worden tot de middelen van de belanghebbende gerekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-673\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.7.3</span><span class=\"lf-art-t\">Giften voor bijzondere kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld Giften van instellingen en personen worden niet als middelen voor de bijstand aangemerkt, voor zover deze worden verstrekt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Giften van instellingen en personen worden niet als middelen voor de bijstand aangemerkt, voor zover deze voor vanuit medisch oogpunt wenselijke kosten worden verstrekt. Dit, voor zover de levensstandaard hierdoor niet wordt verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Giften van werkgevers voor werknemers worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend, voor zover deze onbelast zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor giften als bedoeld in bovenstaande leden geldt wel een meldingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Giften als bedoeld in bovenstaande leden tellen niet mee voor het drempelbedrag zoals bedoeld in artikel 6.7. 2 van deze beleidsregels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-674\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.7.4</span><span class=\"lf-art-t\">Giften in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld Een gift die wordt verstrekt in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag, en die niet meer bedraagt dan de voor de belanghebbende geldende maandelijkse netto bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld), wordt niet in aanmerking genomen als middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gedeelte van de gift dat de maandelijkse bijstandsnorm als bedoeld in bovenstaand lid overschrijdt, telt mee voor de opbouw van het drempelbedrag als bedoeld in artikel 6.7 2, lid 1 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Giften in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag dienen gemeld te worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-675\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.7.5</span><span class=\"lf-art-t\">Giften in verband met schulden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld Een gift die wordt ontvangen ter afbetaling van een problematische schuld, ontstaan in een periode voor aanvang van de bijstandsverlening, wordt niet in aanmerking genomen als middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een problematische schuld als op het moment van aanvang van de bijstandsverlening een negatief vermogen is vastgesteld en er een terugbetalingsverplichting rust op deze schuld, waarvan de termijn is overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor giften als bedoeld in bovenstaande leden geldt wel een meldingsplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-676\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.7.6</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: artikel 6.2 Ondersteuning in geld De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen, wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vaststellen van het vermogen na ontvangst van een immateriële schadevergoeding wordt buiten beschouwing gelaten: het bedrag genoemd in artikel 34, lid 3, onderdeel a van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de immateriële schadevergoeding meer bedraagt dan de vrijlating zoals genoemd in het vorige lid, wordt 2/3 deel van het meerdere van het bedrag van de immateriële schadevergoeding in aanmerking genomen als vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8Het pgb</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-681\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.8.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.3 Persoonsgebonden budget (pgb) In de beleidsregels onder 6.8 wordt verstaan onder: kostprijs van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening: de prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier en de daarin begrepen onderhoudskosten; pgb: persoonsgebonden budget.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-682\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Budgetplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.3 Persoonsgebonden budget (pgb) en artikel 6.3.1 Voorwaarden Indien u aanspraak kan maken op een hulpmiddel, huishoudelijke ondersteuning 1 of 2, begeleiding, groepsbegeleiding of kortdurend verblijf, kunt u aangeven of u deze voorziening in natura of in de vorm van een pgb wilt ontvangen. Ingeval u de voorziening in de vorm een pgb wenst te ontvangen, dan dient u een budgetplan aan te leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het budgetplan, bedoeld in het eerste lid, moet het volgende zijn opgenomen: uw motivatie waarom u de voorziening als een pgb geleverd wenst te krijgen; op welke wijze de diensten die tot de voorziening behoren, bijdragen aan uw participatie en zelfredzaamheid; welke resultaten met de van derden te betrekken diensten wordt beoogd; de wijze waarop de kwaliteit van de diensten wordt gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen zijn op grond van de Jeugdwet bevoegd om een individuele voorziening voor jeugdhulp in te zetten. Ditzelfde geldt voor een gecertificeerde instelling. Bij de inzet van jeugdhulp door een arts of gecertificeerde instelling kan gekozen worden voor inzet in de vorm van een pgb. De arts of gecertificeerde instelling dient de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een pgb te bespreken met u en uw ouders. Wanneer u en uw ouders voor een pgb willen kiezen, moeten jullie een aanvraag indienen bij ons. Wij zorgen ervoor dat de aanvraag in behandeling wordt genomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-683\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.8.3</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitseisen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.3 Persoonsgebonden budget (pgb) en artikel 6.3.1 Voorwaarden 1.De diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen behorende tot de ondersteuning-op-maat die u met inzet van het pgb van derden betrekt, dienen: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te zijn; te voldoen aan de professionele standaard; te zijn afgestemd op uw reële behoefte en op andere vormen van zorg en ondersteuning die u ontvangt; te worden verstrekt met respect voor de rechten van u als cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">U dient in het budgetplan inzichtelijk te maken dat aan de in het eerste lid genoemde kwaliteitseisen is voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-684\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.8.4</span><span class=\"lf-art-t\">De aan het pgb verbonden voorwaarden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.3 Persoonsgebonden budget (pgb) en artikel 6.3.1 Voorwaarden Als u een voorziening als pgb ontvangt, dient u te voldoen aan de volgende voorwaarden: u moet het pgb besteden aan het doel waarvoor het is verstrekt; u mag het pgb niet besteden aan een voorziening die algemeen gebruikelijk is; u mag uit het pgb geen administratiekosten en feestdagenuitkering betalen; u mag uit het pgb geen administratieve bemiddelingsbureaus, tussenpersonen of belangenbehartigers betalen; u mag het beheer van het pgb niet uitbesteden aan de persoon of het bedrijf dat de ondersteuning feitelijk levert.</p>\n<p class=\"lf-p\">U dient de uitgaven van het pgb volledig te verantwoorden, hetgeen impliceert dat door ons geen verantwoordingsvrij bedrag wordt gehanteerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-685\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.8.5</span><span class=\"lf-art-t\">Weigering pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.3 Persoonsgebonden budget (pgb) en artikel 6.3.1 Voorwaarden Wij kunnen een pgb weigeren: voor zover de kosten van het betrekken van de ondersteuning hoger zijn dan de kosten van de voorziening in natura. Als de kosten hoger zijn dan de kosten van een voorziening in natura, zal het pgb nooit hoger zijn dan 100% van de kostprijs van de goedkoopst adequate ondersteuning-op-maat in natura. als een pgb eerder is herzien of ingetrokken omdat: u onjuiste of onvolledige gegevens hebt verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; u niet voldoet aan de aan het pgb verbonden voorwaarden; het pgb niet of voor een ander doel is gebruikt. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zolang het onderzoek voor een voorziening nog niet is afgerond en er op basis hiervan nog geen besluit is genomen over de noodzaak, aard en omvang van de voorziening. De voorziening in natura kan nadien, als er voldoende rust is om een budgetplan te maken, worden omgezet in een pgb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-686\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.8.6</span><span class=\"lf-art-t\">Geen Pgb aan personen uit sociaal netwerk bij specialistische jeugdhulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 6.3 Persoonsgebonden budget (pgb) en artikel 6.3.2 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk Bij een indicatie voor ondersteuning-op-maat, in de vorm van specialistische jeugdhulp, is het niet toegestaan om het pgb te besteden aan uw ouder(s) en/of andere personen uit uw sociaal netwerk. Dit staat los van de vraag of zij daartoe beroepshalve gekwalificeerd zijn. Voor specialistische jeugdhulp is de inzet van een daartoe gekwalificeerde beroepskracht aangewezen met voldoende professionele afstand om zo objectief en onafhankelijk te kunnen handelen. Uw ouders en/of personen uit het sociaal netwerk hebben deze professionele afstand niet, omdat zij vanuit hun hoedanigheid (te veel) betrokken zijn bij u.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9Eigen bijdrage</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-691\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6.9.1</span><span class=\"lf-art-t\">Eigen bijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 6.4 Wat is de bijdrage in de kosten Voor de kosten in de volgende voorzieningen in het kader van de Wmo is geen eigen bijdrage verschuldigd: een rolstoel; de vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten; vervoersbudget, als bedoeld in artikel 3.6.3, tweede lid, onder a, van de Integrale Verordening Sociaal Domein Schagen; (rolstoel)taxivergoeding, als bedoeld in artikel 3.6.3, tweede lid, onder b, van de Integrale Verordening Sociaal Domein Schagen; sportvoorziening Als u de leeftijd van achttien jaar nog niet hebt bereikt, dan is op grond van artikel 3.8 lid 4 sub e van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen bijdrage in de kosten van een voorziening verschuldigd. Het vorenstaande lijdt uitzondering ingeval een voorziening of pgb is verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige. Op grond van artikel 6.4 van de Integrale Verordening Sociaal Domein Schagen is de bijdrage in de kosten van voornoemde maatwerkvoorziening of pgb verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen bijdrage in de kosten van een Wmo-ondersteuning-op maat is verschuldigd, indien: u in een schuldsaneringsregeling zit op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen; u in een minnelijke schuldregeling zit op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of in een stabilisatietraject dat aan voornoemde minnelijke regeling voorafgaat; of op uw inkomen op correcte wijze beslag is gelegd en u zich bij ons heeft gemeld voor schuldhulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingangsdatum van de bijdrageperiode waarover geen bijdrage verschuldigd is, wordt gesteld op de eerste dag van de bijdrageperiode die volgt op de bijdrageperiode waarin het college het besluit als bedoeld in het eerste lid bij het CAK bekend heeft gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarover een bijdrage in de kosten van een voorziening in het kader van de Wmo is verschuldigd, ziet bij de navolgende voorzieningen op de datum van toekenning van de voorziening tot het moment waarop de kostprijs van deze voorziening is bereikt: een vervoersvoorziening over de korte en middellange afstand die in de vorm van een pgb is verstrekt; een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening; een financiële tegemoetkoming in de kosten van het bezoekbaar maken van één woning; een niet- bouwkundige of een niet-woontechnische woonvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarover een bijdrage in de kosten van een Wmo-ondersteuning-op maat is verschuldigd, ziet bij de navolgende voorzieningen op de datum van toekenning van de maatwerkvoorziening tot het moment waarop de gebruiksduur van de voorziening in kwestie is verstreken: een vervoersvoorziening over de korte en middellange afstand die in natura is verstrekt; huishoudelijke ondersteuning 1; huishoudelijke ondersteuning 2; begeleiding; groepsbegeleiding; kortdurend verblijf; beschermd wonen/beschermd thuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk7Inkomen en schulden Kernwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij zetten ons in om armoede en schulden te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij zorgen voor een financieel vangnet.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1Bijzondere bijstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-711\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden bijzondere bijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 7.2 Bijzondere bijstand en artikel 7.2.1 Vangnet Aan het recht op bijzondere bijstand zijn de volgende voorwaarden gesteld: u heeft noodzakelijke kosten van het bestaan; deze kosten doen zich daadwerkelijk voor; deze kosten vloeien voort uit bijzondere omstandigheden; en deze kosten kunnen volgens ons niet worden voldaan uit: de bijstandsnorm (artikel 5 onderdeel c Participatiewet; de individuele inkomenstoeslag (artikel 36 Participatiewet); de individuele studietoeslag (artikel 36b Participatiewet); het vermogen (artikel 34 Participatiewet); en het inkomen (artikel 32 Participatiewet) voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het recht op bijzondere bijstand gelden ook de algemene voorwaarden voor bijstand die zijn neergelegd in paragraaf 2.2 van de Participatiewet (onder meer voorliggende voorziening en territorialiteitsbeginsel).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-712\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Gebonden bevoegdheid en beoordelingsruimte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 7.2 Bijzondere bijstand en artikel 7.2.1 Vangnet Wij hebben geen vrije bevoegdheid (discretionaire bevoegdheid) bij het verlenen van bijzondere bijstand, maar een gebonden bevoegdheid. Dit betekent dat als voldaan is aan de wettelijke voorwaarden, wij verplicht zijn bijzondere bijstand te verlenen De vragen in artikel 7.1.1, eerste lid, onder a, b en c moeten altijd door ons worden beantwoord. Pas als blijkt dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, komen wij toe aan beantwoording van de vraag in artikel 7.1.1, eerste lid, onder d. De rechter zal zonder terughoudendheid moeten toetsen hoe wij de vragen in artikel 7.1.1, eerste lid, onder a, b en c hebben beantwoord. Bij de beantwoording van de in artikel 7.1.1, eerste lid, onder d, genoemde vraag hebben wij beoordelingsruimte. Dit betekent dat wij zelf kunnen bepalen welk deel van het inkomen en vermogen als draagkracht wordt aangemerkt. De rechter zal de wijze waarop wij deze vraag hebben beantwoord slechts terughoudend mogen toetsen. Dit betekent dat de rechter slechts toetst of de manier waarop wij genoemde vraag hebben beantwoord in redelijkheid heeft kunnen leiden tot het besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-713\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Handboek Bijzondere Bijstand Schagen 2019</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 7.2 Bijzondere bijstand en artikel 7.2.1 Vangnet In het Handboek Bijzondere Bijstand worden in ieder geval beleidsregels gesteld over: welk deel van het inkomen en vermogen als draagkracht wordt aangemerkt; in hoeverre artikel 31 lid 2 (vrijgelaten middelen) en artikel 34 lid 2 Participatiewet (vrijgelaten vermogen) al dan niet op de bijzondere bijstand van toepassing zijn; de wijze waarop de draagkrachtperiode wordt vastgesteld; in welke situaties bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid genoemde Handboek wordt ook aangegeven welke kostensoorten wel en welke niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2Studietoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-721\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 7.3 Studietoeslag In deze paragraaf opgenomen beleidsregels wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten WSF: Wet studiefinanciering 2000 WTOS: Hoofdstuk 4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-722\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Structurele beperking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.3 Studietoeslag Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Structureel: als er binnen een periode van (12 maanden) na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is in ieder geval geen sprake van een structurele medische beperking bij: mantelzorg; een gebroken been; kortdurende beperkingen; beperkingen die niet dusdanig ernstig zijn dat iemand naast de studie niet meer kan werken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden studietoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.3 Studietoeslag Er bestaat recht op studietoeslag als u: als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat bent naast de studie inkomsten te verwerven; studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het levenlanglerenkrediet van de WSF valt niet hieronder; geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag studietoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">link met : 7.3 Studietoeslag U verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken: een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF of een tegemoetkoming op grond van de WTOS; bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kan bij de aanvraag een deskundigenverklaring verstrekken waarin staat waarom u niet kan werken naast de studie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-725\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Toekennen en uitbetalen studietoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">link met : 7.3 Studietoeslag Als door ons is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop u de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid wordt studietoeslag met terugwerkende kracht ook toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop u de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als: u daarom verzoekt; en u over deze periode voldoet aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het tweede lid wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen: voor 1 april 2022;</p>\n<p class=\"lf-p\">5 jaar voorafgaand aan de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-726\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging studietoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">link met : 7.3 Studietoeslag De studietoeslag wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin het recht op studietoeslag niet langer bestaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-727\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte studietoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">link met : 7.3 Studietoeslag De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt voor het bepalen van de hoogte van de studietoeslag geldt in de maand waarin een belanghebbende jarig wordt, het bedrag dat hoort bij de leeftijd die belanghebbende op de verjaardag heeft bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u ten tijde van de inwerkingtreding van deze beleidsregels (beleidsregels van paragraaf 7.2) een studietoeslag ontvangt die is toegekend op grond van de oude wettelijke regeling, dan blijft u deze studietoeslag - die hoger is dan de in het eerste lid bedoelde bedragen- ontvangen tot het moment waarop geen recht meer bestaat op studietoeslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-728\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Medisch advies</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">link met : 7.3 Studietoeslag Wij zijn verplicht een medisch advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of sprake is van een structurele medische beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij vragen het medisch advies aan bij de door ons gecontracteerde externe partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kunnen wij alleen in de navolgende situaties een medisch advies achterwege laten als: direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de ernst/aard van de structurele medische beperking; vaststaat dat door u geen studiefinanciering op grond van de WSF of tegemoetkoming op grond van de WTOS wordt ontvangen; u recht heeft op een Wajong uitkering; u werkt naast de studie, niet zijnde een stage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-729\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">link met : 7.3 Studietoeslag Wanneer het eerste medisch advies daartoe aanleiding geeft, bepalen wij dat binnen een bepaalde periode een nieuw medisch advies zal worden gevraagd om te beoordelen of u nog steeds niet in staat bent om naast de studie te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3Individuele Inkomenstoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-731\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze waarop rekening wordt gehouden met uw mogelijkheden om uw inkomen te verbeteren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 7.4 Individuele inkomenstoeslag en artikel 7.4.1 Doelgroep 1.Als u ontheven bent van de arbeidsverplichting op grond van de Participatiewet, de Ioaw en de Ioaz, heeft u geen mogelijkheid om uw inkomen te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u een uitkering heeft op grond van Wajong, de Wia, de WAO en de ZW en volledig arbeidsongeschikt bent, heeft u geen mogelijkheid om uw inkomen te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u gebruik maakt van de schuldhulpverlening en waarvoor is vastgesteld dat u niet in staat bent om uw inkomen te verbeteren, heeft u ook voor het recht op de individuele inkomenstoeslag geen mogelijkheid om uw inkomen te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor degene die niet genoemd wordt in lid 1, 2 of 3 van dit artikel, wordt de mogelijkheid om het inkomen te verbeteren op grond van de individuele situatie beoordeeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-732\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze waarop rekening gehouden wordt met uw inspanningen om uw inkomen te verbeteren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met: 7.4 Individuele inkomenstoeslag en artikel 7.4.1 Doelgroep U heeft geen recht op een individuele inkomenstoeslag, indien in het jaar voorafgaand aan de datum waarop recht bestaat op individuele inkomenstoeslag een besluit is genomen waarmee: uw uitkering op grond van de Participatiewet, de Ioaw en Ioaz is verlaagd in verband met het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichtingen; uw uitkering op grond van de werknemers- en volksverzekeringen is verlaagd in verband met het niet nakomen van arbeids- en re-integratieverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U heeft geen recht op een individuele inkomenstoeslag, indien in het jaar voorafgaand aan de datum waarop recht bestaat op individuele inkomenstoeslag een besluit is genomen waarmee de schuldhulpverlening is beëindigd of gewijzigd en waarvoor de oorzaak gelegen is in het feit dat u niet voldoende gedaan heeft om uw inkomen te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">U heeft geen recht op een individuele inkomenstoeslag, indien in het jaar voorafgaand aan de datum waarop recht bestaat op individuele inkomenstoeslag het WSNP- traject door uw toedoen is afgebroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor degene die niet in lid 1, 2 of 3 van dit artikel genoemd wordt, wordt de mate waarin hij zich ingespannen heeft om het inkomen te verbeteren op grond van de individuele situatie beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4Schuldhulpverlening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-741\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 Samenwerking en toegang en artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.9.3 Besluit In de beleidsregels onder 7.4 wordt verstaan onder: betalingsregeling: bij overeenkomst tussen schuldenaar en schuldeiser(s) vastgestelde regeling, waarin wordt bepaald dat de vastgestelde vordering(en) volledig wordt/worden terugbetaald in een vooraf vastgesteld aantal termijnen; budgetbeheer: geheel van activiteiten in het kader van beheren van de inkomsten van de belanghebbende en het in overeenstemming met het vastgestelde budgetplan verrichten van betalingen; budgetcoaching: geheel van activiteiten om de belanghebbende te leren op een verantwoorde wijze met zijn inkomen om te gaan; crisisinterventie: het geheel van maatregelen dat noodzakelijk is om een crisis af te wenden; diagnose-instrument: een wetenschappelijk gefundeerd assessmentinstrument op basis van een vragenlijst en een vaardighedentest die door u worden ingevuld. Het instrument meet gedrag en vaardigheden, bereidheid tot gedragsverandering, zelfregie en overtuiging, evenals aanwezige risicofactoren en mogelijke zelfoverschatting van belangrijke vaardigheden; duurzame financiële dienstverlening: geheel van activiteiten met als doel het in evenwicht brengen en houden van inkomsten en uitgaven van de belanghebbende, waarbij is vastgesteld dat het bestaande schuldprobleem door of in bij u gelegen omstandigheden (nog) niet kan worden opgelost; als dit evenwicht is bereikt en naar verwachting duurzaam is, kan de dienstverlening worden stopgezet; informatie en advies: het geven van informatie en advies over het zelfstandig bereiken van duurzaam financieel evenwicht zonder gebruik te maken van de producten stabilisatie, duurzame financiële dienstverlening, schuldregeling, budgetbeheer, budgetcoaching, begeleiding naar de WSNP en crisisinterventie. Onder informatie en advies wordt ook verstaan de doorverwijzing naar derden; intake: de fase waarin uw gegevens, waaronder uw inkomen, uitgaven, vermogens- en schuldposities, worden geïnventariseerd. Deze geïnventariseerde gegevens, de uitkomsten van een eventueel in zetten diagnose-instrument, alsmede het verslag van het keukentafelgesprek, vormen de input voor de analyse en het advies tot het volgen van een of meer vervolgstappen in het schuldhulpverleningsproces. Dit advies moet voorzien zijn van een plan van aanpak; keukentafelgesprek: een laagdrempelig gesprek waarin u uw (financiële) situatie weergeeft en geïnformeerd wordt over de schuldhulpverlening en de rechten en plichten. Daarnaast wordt tijdens dit gesprek de hulpvraag vastgesteld en uw zelfredzaamheid getoetst. Wanneer u tijdens het keukentafelgesprek aangeeft een aanvraag voor schuldhulpverlening te willen indienen, maakt het keukentafelgesprek onderdeel uit van de intake;</p>\n<p class=\"lf-p\">kredietbank: Stichting Kredietbank Nederland; nazorg: geheel van activiteiten, dat plaatsvindt na de succesvolle beëindiging van schuldhulpverlening en dat gericht is op het voorkomen van recidive; netto besteedbaar inkomen: het netto inkomen (het inkomen dat overblijft nadat van het bruto-inkomen belasting en premies zijn afgetrokken) minus de verwervingskosten, voor zover deze niet dan wel niet volledig zijn vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">NVVK: (oorspronkelijk de afkorting voor Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet) de vereniging van schuldhulpverlening en sociaal bankieren; problematische schuldsituatie: een situatie waarin van een natuurlijk persoon redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, of waarin hij heeft opgehouden te betalen; recidive: hernieuwde aanvraag van dezelfde aanvrager; schuldregeling: bemiddeling (voor een problematische schuldsituatie waarbij een betalingsregeling niet mogelijk blijkt) door de schuldhulpverlenersorganisatie tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers om een minnelijke regeling tegen finale kwijting voor de totale schuldenlast te bewerkstelligen; saneringskrediet: een van de twee soorten van een schuldregeling, te weten een krediet dat wordt verstrekt door de kredietbank en is gericht op het aflossen van een schuld. Bij een saneringskrediet wordt door middel van een krediet (een percentage van) de totale schuldenlast afgekocht tegen finale kwijting; schuldbemiddeling: een van de twee soorten van een schuldregeling, te weten een overeenkomst tussen cliënt en schuldeiser(s) waarin wordt afgesproken dat de totale schuldenlast gedeeltelijk wordt terugbetaald in termijnen naar draagkracht tegen finale kwijting; schuldpreventie: is een mix van maatregelen, activiteiten en voorzieningen die erop gericht zijn dat mensen financieel vaardig worden en zich zo gedragen dat zij hun financiën op orde houden; stabilisatie: geheel van activiteiten met als doel het in evenwicht brengen en houden van inkomsten en uitgaven van belanghebbende; als dit doel is bereikt kan een betalingsregeling of schuldregeling worden opgestart; verwervingskosten: kosten die een persoon moet maken bij het verrichten van arbeid, waaronder in ieder geval is begrepen de reiskosten voor woon-werkverkeer en de kosten van kinderopvang; wet: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);</p>\n<p class=\"lf-p\">WSNP: Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (als bedoeld in Titel III van de Faillissementswet);</p>\n<p class=\"lf-p\">Begrippen die in deze beleidsregels voorkomen en niet nader worden toegelicht, hebben dezelfde betekenis als in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, Algemene wet bestuursrecht, Gemeentewet, Faillisementswet, Participatiewet en de modules van de NVVK.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7422\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4.22</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep gemeentelijke schuldhulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 samenwerking en toegang en artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.8.3 Besluit Als u een inwoner bent van 18 jaar of ouder kunt u zich tot ons wenden voor schuldhulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij kunnen als u een inwoner bent van 12 tot 18 jaar maatregelen treffen in het kader van schuldpreventie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-743\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag tot schuldhulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 samenwerking en toegang en artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.9.3 Besluit Indien u zich wendt tot ons voor schuldhulpverlening, dan vindt binnen 4 weken een keukentafelgesprek plaats, waarin onder meer de hulpvraag wordt vastgesteld. In geval van een bedreigende situatie of een situatie waarin minderjarige inwonende kinderen zijn betrokken vindt dit keukentafelgesprek binnen drie werkdagen respectievelijk 2 weken plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een keukentafelgesprek zal eveneens binnen 4 weken plaatsvinden nadat u in bent gegaan op een aanbod van ons voor een gesprek die wij hebben gedaan naar aanleiding van een signaal over betalingsachterstanden die wij van een schuldeiser hebben ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen een week na het in het eerste lid genoemde keukentafelgesprek verstrekken wij aan u een verslag van de uitkomsten van voornoemd gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">U tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 5 werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon met wie u het gesprek hebt gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer wij tijdens het keukentafelgesprek tot de conclusie komen dat uw schuldprobleem met een eenmalig advies kan worden opgelost, kunnen wij volstaan met een beknopt verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer wij tijdens het keukentafelgesprek tot de conclusie komen dat ter oplossing van uw schuldprobleem schuldhulpverlening van gemeentewege noodzakelijk is, dan zullen wij binnen 8 weken na het keukentafelgesprek een beschikking afgeven zoals hieronder is omschreven in artikel 7.4.4. Het plan van aanpak kan achterwege blijven indien uw aanvraag tot schuldhulpverlening alsnog wordt geweigerd. Als u tijdens het keukentafelgesprek aangeeft dat u afziet van een traject schuldhulpverlening zullen wij geen beschikking afgeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien uw omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan een crisisinterventie of uitgebreider informatie- en adviesgesprek leiden tot een intake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover informatie noodzakelijk en relevant is voor het kunnen opstellen van een plan van aanpak, zoals bedoeld in artikel 7.4.4 lid 6, zullen wij dit intern hiervoor verwerken als dit reeds beschikbaar was vanwege de uitvoering van de Jeugdwet, de Participatiewet, of de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015. Wij kunnen in individuele gevallen dus gebruik van onze bevoegdheid zoals bedoeld is in artikel 8d van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij maken, gelet op artikel 8 lid 2 van de wet gecombineerd met artikel 17 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening, geen gebruik van onze bevoegdheid om bij de BKR het gegeven te registreren dat u schuldhulpverlening ontvangt. Wel zullen wij later in het traject bij de BKR moeten registreren als er een schuldregeling wordt opgestart. De grondslag daarvan ligt in dat geval in een privaatrechtelijke overeenkomst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-744\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbod van schuldhulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 samenwerking en toegang en artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.9.3 Besluit Wij verlenen schuldhulpverlening aan u, indien wij schuldhulpverlening noodzakelijk achten. De noodzaak voor schuldhulpverlening wordt in een beschikking vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbod van schuldhulpverlening kan bestaan uit het volgende product of producten: (uitgebreid) informatie- en advies; schuldhulpverleningstraject met als mogelijke onderdelen: duurzame financiële dienstverlening stabilisatie schuldbemiddeling, inclusief eventueel dwangakkoord saneringskrediet, inclusief eventueel dwangakkoord betalingsregeling (traject beheersbare schulden) budgetbeheer budgetcoaching begeleiding naar de WSNP crisisinterventie Nazorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welk product of combinatie van producten kan worden aangeboden is van meerdere factoren afhankelijk en kan dus per situatie verschillen. De factoren die een rol kunnen spelen zijn: aard en zwaarte van de schulden; psychosociale situatie; uw houding en gedrag; uw financiële vaardigheden en de mate van leerbaarheid; eerder gebruik van schuldhulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter oplossing van een problematische schuldensituatie staan ons twee instrumenten ter beschikking, namelijk de schuldbemiddeling en het saneringskrediet. Het saneringskrediet wordt uitsluitend ingezet, indien u op het moment dat u zich tot ons wendt voor schuldhulpverlening een inkomen hebt dat lager is dan 120% van de voor u geldende bijstandsnorm en die, gelet op uw leeftijd, opleidingsniveau, gezondheidstoestand, afstand tot de arbeidsmarkt, werkervaring en de mate van uw employability, geen reëel perspectief hebt om gedurende de aflosperiode van 36 maanden met arbeid een netto besteedbaar inkomen te verdienen dat hoger is dan 130% van de voor u geldende bijstandsnorm. Voor het saneringskrediet is een maximumbedrag ingesteld van € 5.000,- .</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij kunnen aan de stabilisatie, betalingsregeling, schuldbemiddeling en het saneringskrediet de voorwaarde verbinden dat u medewerking verleent aan budgetcoaching, budgetbeheer of beschermingsbewind.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het plan van aanpak dat onderdeel uitmaakt van de beschikking, wordt het aanbod van schuldhulpverlening gemotiveerd en aangegeven wat de doorlooptijd en het beoogde doel van het betreffende schuldhulpverleningstraject is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de inzet van de in lid 2 genoemde producten conformeren wij ons aan de richtlijnen en voorwaarden van de NVVK.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-745\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Budgetbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 samenwerking en toegang, artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.9.3 Besluit Budgetbeheer kan onderdeel uitmaken van het plan van aanpak, bedoeld in artikel 7.4.4 lid 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor budgetbeheer kan ook separaat een aanvraag worden ingediend vanwege preventie als er geen sprake is van een verder traject voor schuldhulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij beoordelen in het geval als bedoeld onder lid 2 in de eerste plaats de noodzaak van het budgetbeheer en of dit een passende voorziening is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het beslissen of wij de kosten van het budgetbeheer betalen maken wij de volgende afweging:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens een WSNP, en ook tijdens een schuldregeling, is conform artikel 295 Faillissementswet een het Vrij Te Laten Bedrag (hierna: VTLB) beschikbaar voor levensonderhoud en vaste lasten. Het VTLB wordt vastgesteld op de wettelijke beslagvrije voet, vermeerderd met diverse correcties afhankelijk van de situatie van werk/inkomen en bepaalde lasten. Als er sprake is van budgetbeheer, en dit noodzakelijk en passend is, dan kunnen de kosten van het budgetbeheer worden gecorrigeerd in de berekening van het VTLB als de gemeente deze kosten niet financiert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er fictief wel wordt gecorrigeerd voor de kosten van het budgetbeheer in de berekening van het VTLB, en er dan evengoed sprake zou zijn van een afloscapaciteit in een al dan niet fictieve schuldregeling, dan zullen de kosten van het budgetbeheer niet door ons worden betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het wel of niet corrigeren van de kosten van het budgetbeheer in de berekening van het VTLB niet of nauwelijks invloed heeft op de hoogte van de afloscapaciteit in een al dan niet fictieve schuldregeling, dan kunnen de kosten wel door ons worden betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de hoogte van uw netto inkomen met of zonder het corrigeren van de kosten van het budgetbeheer in de berekening van het VTLB lager is dan het VTLB dan betalen wij de kosten van het budgetbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Los van de afwegingen die volgen uit het derde lid en het vierde lid betalen wij de kosten van het budgetbeheer alleen als dit wordt uitgevoerd of gaat worden uitgevoerd door budgetbeheerders die door de gemeente Schagen zijn gecontracteerd. De betreffende samenwerking met deze gecontracteerde aanbieders volgt uit een aanbestedingsprocedure. Tijdens de intake leggen wij samen met u vast bij welke budgetbeheerder u zich kunt aanmelden indien wij uw aanvraag waarschijnlijk gaan toekennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als wij de kosten van het budgetbeheer niet betalen, kan dit evengoed onderdeel gaan uitmaken van het plan van aanpak. U zal dan echter zelf moeten zorgen voor de betaling van de kosten, maar wij corrigeren de kosten dan in de berekening van het VTLB zodra er een schuldregeling wordt opgestart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als in een geval als bedoeld onder lid 2 er geen noodzaak is voor budgetbeheer, dit geen passende voorziening is, en/of wij de kosten van het budgetbeheer gelet op lid 4 niet zullen betalen, zullen wij de aanvraag weigeren. U kan dan evengoed wel gebruik maken van budgetbeheer, met dien verstande dat u dan zelf moet zorgen voor de betaling van de kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-746\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 Samenwerking en toegang, artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.9.3 Besluit U doet aan ons op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op de schuldhulpverlening. Van een onverwijlde informatieverstrekking als bedoeld in voormelde zin is sprake als u binnen 10 werkdagen nadat het voor de schuldhulpverlening relevante feit en/of omstandigheid zich heeft voorgedaan ons hierover informeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">U bent verplicht aan ons de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van schuldhulpverlening. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: het nakomen van gemaakte afspraken in het kader van schuldhulpverlening; het beschikken over een basisbankrekening; geen nieuwe schulden aangaan; het zich houden aan alle bepalingen en voorwaarden als genoemd in het plan van aanpak en in de overeenkomsten tot schuldregeling; het actief deelnemen aan een cursus of cursussen, financiële coaching en training die gericht zijn op het voorkomen van (nieuwe) schulden; zoveel mogelijk afloscapaciteit creëren door het verruimen van inkomen, inzetten van beschikbaar vermogen en het minimaliseren van uitgaven, en deze afloscapaciteit te gebruiken ter delging van de schulden; mee te werken aan de uitvoering van het diagnose-instrument; het ondertekenen van een plan van aanpak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-747\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeren verzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 samenwerking en toegang, artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.9.3 Besluit Wij weigeren de schuldhulpverlening, indien: u verplichtingen als bedoeld in artikel 7.4.6, eerste en tweede lid, niet of onvoldoende bent nagekomen; u meerdere keren, zonder geldige reden, niet verschijnt op een afspraak met de schuldhulpverlener; er geen sprake is van een stabiel inkomen op minimaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm; u niet bereid bent de beschikbare aflossingscapaciteit in middelen en vermogen te gebruiken voor delging van uw schulden; u niet heeft aangetoond gemotiveerd te zijn om de onderliggende oorzaak van de schulden te willen oplossen, bijvoorbeeld door niet de naar ons oordeel benodigde hulpverlening te zoeken en te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">U zich ernstig misdraagt ten opzichte van medewerkers die zijn belast met de uitvoering van schuldhulpverlening; u in staat bent om uw schulden zelf te regelen; u zich meldt voor schuldhulpverlening binnen 3 jaar na afwijzing van de WSNP, tenzij de afwijsreden van de WSNP- aanvraag ten tijde van een nieuwe aanvraag niet meer van toepassing is; u geen stabiele woon- of leefsituatie hebt en er geen zicht is op een verbetering van de situatie binnen 3 maanden; u een gezamenlijke huishouding voert met een niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner en/of kinderen; u bezig bent met een echtscheidingsprocedure en de echtscheiding nog niet staat opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie; u in staat van faillissement verkeert dan wel de WSNP van toepassing is verklaard op u; er overige omstandigheden zijn waardoor een traject schuldhulpverlening in redelijkheid onuitvoerbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-748\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiginggronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 samenwerking en toegang, artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.9.3 Besluit Wij besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening, indien: u niet of in onvoldoende mate hebt voldaan aan één of meerdere verplichtingen als genoemd in artikel 7.4.6, eerste en tweede lid; u door de rechter tot de WSNP bent toegelaten, met uitzondering van budgetbeheer en budgetcoaching indien dit noodzakelijk is; het besluit is genomen op grond van gegevens die nadien blijken onjuist te zijn en, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; u bent komen te overlijden; u niet langer inwoner bent van de gemeente Schagen en er nog geen schuldbemiddeling of betalingsregeling tot stand is gekomen; u zich misdraagt ten opzichte van medewerkers die zijn belast met de uitvoering van schuldhulpverlening; u in staat bent om uw schulden zelf te regelen dan wel in staat de schulden zelfstandig te beheren; de geboden hulp, gelet op uw persoonlijke omstandigheden, niet (langer) passend is; u zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen; u zelf verzocht heeft om het traject schuldhulpverlening te beëindigen; het beoogde doel is bereikt: u uw beschikbare aflossingscapaciteit niet wilt gebruiken voor de aflossing van schulden; u meerdere keren, zonder geldige reden, niet verschijnt op een afspraak met de schuldhulpverlener; er overige omstandigheden blijken waardoor een verder traject schuldhulpverlening in redelijkheid onuitvoerbaar is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-749\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.49</span><span class=\"lf-art-t\">Nazorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 samenwerking en toegang, artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.9.3 Besluit Wij bepalen na afloop van de schuldhulpverlening het aanbod en de duur van de nazorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorm waarin de gemeente nazorg aanbiedt, is gebaseerd op een analyse van het daaraan voorafgaande traject, de onderliggende problematiek en de verdere prognose.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichtingen, zoals neergelegd in artikel 7.4.5 van deze beleidsregels, blijven gedurende de nazorg onverminderd van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7410\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7.4.10</span><span class=\"lf-art-t\">Recidive</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met : 7.9 Schuldhulpverlening, 7.9.1 samenwerking en toegang, artikel 7.9.2 schuldhulpverlening en 7.9.3 Besluit Wij doen geen aanbod tot schuldhulpverlening, indien minder dan zes maanden voorafgaand aan het verzoek de schuldhulpverlening is geweigerd of voortijdig beëindigd: op grond van artikel 7.4.6 onder a en b; op grond van artikel 7.4.7 onder a, b, en/of h en er nog geen schuldregeling dan wel betalingsregeling tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij doen geen aanbod tot schuldhulpverlening, indien minder dan drie jaar voorafgaand aan het verzoek de schuldhulpverlening voortijdig is beëindigd op grond van artikel 7.4.7 onder a, h en er al sprake was van een schuldregeling dan wel betalingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij doen evenmin een aanbod tot schuldhulpverlening, indien minder dan drie jaar voorafgaand aan het verzoek de schuldhulpverlening op uw verzoek is beëindigd en er al sprake was van een schuldregeling dan wel betalingsregeling .</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid van dit artikel kunnen wij wel een aanbod tot schuldhulpverlening doen, indien iedere vorm van verwijtbaarheid bij de beëindiging of weigering ontbrak of als u in een acute noodsituatie verkeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij doen geen aanbod tot schuldhulpverlening, indien u binnen drie jaar voorafgaand aan het verzoek tot schuldhulpverlening een traject in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen hebt doorlopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk8Afspraken tussen inwoners en gemeente Kernwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij zien u als volwaardige partner.</p>\n<p class=\"lf-p\">U bent zelf verantwoordelijk, wij ondersteunen als dat nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">U geeft de informatie die nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1Terugvordering, invordering en verhaal Participatiewet, Ioaw, Ioaz</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-811\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso In de beleidsregels onder 8.1 wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</p>\n<p class=\"lf-p\">IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet Suwi: Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen Awb: Algemene wet bestuursrecht; bijstand: de uitkering ingevolgde de Participatiewet, IOAW of IOAZ; verwijtbare vordering: een vordering die het gevolg is van het niet nakomen van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 van de Participatiewet, artikel 13 lid 1 van de IOAW en artikel 13 lid 1 van de IOAZ.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-812\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruikmaken van diverse bevoegdheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij maken gebruik van de navolgende bevoegdheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Participatiewet Herzien en intrekken De bevoegdheid om tot herziening en intrekking van de bijstand over te gaan, zoals opgenomen onder artikel 54 lid 3 (tweede volzin) en 4 van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering De bevoegdheid om tot terugvordering van de bijstand over te gaan zoals opgenomen onder artikel 58 lid 2 onder a tot en met f en artikel 59 van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invordering De bevoegdheid om tot invordering over te gaan zoals opgenomen onder artikel 60 lid 2, 3, 4 en 5 en 6 artikel 60a lid 4 van de P-wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">IOAW Herzien en intrekken De bevoegdheid om tot herziening en intrekking van de uitkering over te gaan zoals opgenomen onder artikel 17 lid 3 en 4 van de IOAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering De bevoegdheid om tot terugvordering van de uitkering over te gaan zoals opgenomen onder artikel 25 lid 2, 3 en 4, 5 en 6 en artikel 26 lid 2 van de IOAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invordering De bevoegdheid om tot invordering over te gaan zoals opgenomen onder artikel 28 lid 1, 3, 5, 6 en 7 van de IOAW.</p>\n<p class=\"lf-p\">IOAZ Herzien en intrekken De bevoegdheid om tot herziening en intrekking van uitkering over te gaan zoals opgenomen onder artikel 17 lid 3 en 4 van de IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering De bevoegdheid om tot terugvordering van de uitkering over te gaan zoals opgenomen onder artikel 25 lid 2, 3, 4, 5 en 6 en artikel 26 lid 2 van de IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invordering De bevoegdheid om tot invordering over te gaan zoals opgenomen onder artikel 28 lid 1, 3, 5, 6 en 7 van de IOAZ.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-813\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening en intrekking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij herzien of trekken een besluit tot toekenning van bijstand in op de wijze zoals dat in de in artikel 8.1. 2 genoemde wetten is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dringende redenen kunnen wij van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit afzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-814\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij gaan over tot terugvordering van bijstand op de wijze zoals dat in de in artikel 8.1.2 genoemde wetten is opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-815\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van terugvordering of invordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij zien af van het nemen van een terug- en invorderingsbesluit, als de niet-verwijtbare vordering gelijk aan of lager is dan € 50,- en er ten laste van u geen andere vorderingen openstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van terugvordering of invordering wordt geheel of gedeeltelijk afgezien, indien er sprake is van dringende redenen. Deze redenen kunnen alleen betrekking hebben op de gevolgen van de terug- of invordering voor de belanghebbende. Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, waarbij terug- of invordering leidt tot voor u onaanvaardbare financiële of sociale consequenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan ook van terug- of invordering worden afgezien voor kosten die voor het dwangbevel in rekening worden gebracht en voor kosten zoals deze door de deurwaarder in rekening worden gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-816\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.6</span><span class=\"lf-art-t\">Hoorrecht van de belanghebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Voordat een besluit tot herziening c.q. intrekking van het recht op bijstand dan wel een besluit tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand wordt genomen, bieden wij u de mogelijkheid om uw zienswijze kenbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het horen kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; u al eerder in de gelegenheid bent gesteld uw zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; u aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-817\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.7</span><span class=\"lf-art-t\">Brutering van de vordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Indien een vordering is ontstaan door het niet voldoen aan de inlichtingenplicht, wordt de ten onrechte verstrekte bijstand altijd bruto teruggevorderd. Ook wordt de bijstand verhoogd met de afgedragen loonheffing, als er sprake is van achteraf ontvangen middelen of bijstand die in de vorm van een belaste lening is verstrekt (bijstand in de vorm van een geldlening bij aanspraak op vermogen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van brutering wordt afgezien indien: het ontstaan van de vordering u niet is aan te rekenen; de vordering is ontstaan in de periode november en/of december van een vorig boekjaar, waarbij het besluit tot terugvordering in de maand januari of februari van het opvolgende jaar aan u is toegestuurd, waardoor u in redelijkheid niet in de gelegenheid kon worden gesteld om de vordering netto te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien u de netto vordering, zoals bedoeld onder b. echter niet binnen zes weken na verzending van het terugvorderingsbesluit betaalt, wordt de vordering alsnog verhoogd met de afgedragen loonheffing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-818\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.8</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding na schuldenregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij kunnen op uw verzoek tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand overgaan als: redelijkerwijs te voorzien is dat u niet zal kunnen voortgaan met het betalen van uw schulden, en redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldenregeling met betrekking tot alle schulden niet tot stand komt zonder onze medewerking, en onze vordering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang. Hierbij wordt rekening gehouden met de wettelijke preferentie van onze vordering(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande is niet van toepassing bij: verwijtbare vorderingen, waarbij sprake is van opzet of grove schuld; vorderingen die een bestuurlijke boete betreffen, waarbij sprake is van opzet of grove schuld, of vorderingen die door een pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt voor zover zij niet op deze goederen verhaald kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van de vordering treedt niet eerder in werking voordat de schuldenregeling daadwerkelijk tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van de vordering wordt ingetrokken als: de schuldenregeling niet binnen twaalf maanden na het nemen van het besluit tot stand is gekomen; u niet of niet voldoende meewerkt aan de schuldenregeling; u onjuiste of onvolledige gegevens hebt verstrekt, en de verstrekking van de juiste gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; of binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-819\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.9</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding na voldoen aan de aflossingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij zien ambtshalve van verdere terugvordering af, indien u: gedurende 3 jaar (36 maanden) op uw geldlening of niet verwijtbare vordering hebt afgelost, of gedurende 10 jaar (120 maanden) op uw verwijtbare vordering hebt afgelost; gedurende 3 jaar (geldlening of niet verwijtbare vordering) of 10 jaar (verwijtbare vordering) niet volledig aan de aflossingsverplichting hebt voldaan, maar de achterstallige aflossingen over deze periode alsnog ineens voldoet; gedurende 10 jaar geen betalingen hebt verricht en het niet aannemelijk is dat u deze op enig moment nog gaat verrichten; of een bedrag van ten minste 50% van de rest som ineens voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande is niet van toepassing bij: vorderingen die door een pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, voor zover de vorderingen niet op die goederen verhaald kunnen worden; en vorderingen die een bestuurlijke boete betreffen, waarbij sprake is van opzet of grove schuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen in het eerste lid is bepaald ten aanzien van verwijtbare vorderingen, is niet van toepassing op verwijtbare vorderingen waarvan het besluit tot terugvordering is genomen voor 1 januari 2013. Ten aanzien van verwijtbare vorderingen die dateren van voor 1 januari 2013 geldt een termijn 5 jaar (60 maanden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een verwijtbare vordering wordt voor de toepassing van dit artikel en artikel 8.1. 8 gelijkgesteld, een vordering op grond van artikel 58 lid 2 sub b van de Participatiewet (teruggevorderde geldlening) en een vordering op grond van artikel 58 lid 2 sub f van de Participatiewet (later ontvangen middelen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.10</span><span class=\"lf-art-t\">Verrekening bijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Als u bijstand ontvangt van de gemeente Schagen, wordt de vordering of geldlening in maandelijkse termijnen met deze bijstand verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van artikel 60 lid 3 van de Participatiewet en artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u bijstand van een andere gemeente, een uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of een uitkering van de Sociale verzekeringsbank ontvangt, wordt de vordering of geldlening in maandelijkse termijnen met deze bijstand of voornoemde uitkering verrekend. Deze verrekening vindt plaats op grond van artikel 60a. van de Participatiewet (pseudo-verrekening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vorderingen uit ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering op grond van de Participatiewet en vorderingen op grond van een bestuurlijke boete of een geldlening bedraagt het in te houden bedrag 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vorderingen uit ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering op grond van de IOAZ- of IOAW- of vorderingen op grond van een bestuurlijke boete wordt het aflossingsbedrag bepaald op 5% van de bruto uitkeringsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bijstand op enig moment wordt beëindigd, wordt aan u verzocht om de verschuldigde aflossingen zelf te blijven voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de bijstand wordt beëindigd, wordt de reservering van het vakantiegeld met de vordering verrekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u een vordering op ons hebt, dan verrekenen wij deze met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 van de Participatiewet, artikel 25, tweede en derde lid, van de IOAW en artikel 25, tweede en derde lid, van de IOAZ.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.11</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststellen aflossingscapaciteit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Als u geen bijstand ontvangt en verzoekt om een aflossingsregeling kan hiermee worden ingestemd als de vordering in 36 maanden afgelost kan zijn, en het aflossingsbedrag minimaal € 50,- per maand bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de vordering niet in 36 maandelijkse termijnen kan zijn afgelost, wordt een onderzoek ingesteld naar uw aflossingscapaciteit, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat dit onderzoek zich toespitst op de vraag of u in staat bent maandelijks een bedrag af te lossen dat gelijk is aan 5% van de voor u geldende bijstandsnorm. Daarbij worden uw financiële- en persoonlijke omstandigheden in acht genomen. Alleen ingeval u maandelijks minder dan 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm aflost of niets aflost wordt éénmaal per 3 jaar respectievelijk éénmaal per jaar een onderzoek ingesteld naar eventuele wijzigingen in uw financiële en persoonlijke situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u niet meewerkt aan een onderzoek naar uw financiële en persoonlijke situatie, wordt het aflossingsbedrag ambtshalve vastgesteld op 5% van de van voor u geldende bijstandsnorm. Ook kan in dat geval onder toepassing van artikel 60 lid 6 Participatiewet direct beslag worden gelegd op uw inkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.12</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstel van de aflossingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Als u gedurende een bepaalde periode niet in staat bent om aan uw aflossingsverplichting te voldoen, kunnen wij de aflossingsverplichting gedurende deze periode opschorten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.13</span><span class=\"lf-art-t\">Afgifte dwangbevel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Bij verzuim van betaling of het niet naleven van de aflossingsregeling, wordt u ten minste éénmaal telefonisch en éénmaal schriftelijk aangemaand. Als u dan nog niet aan de betalingsverplichting voldoet, wordt een dwangbevel afgegeven (artikel 4:116 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.14</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten van aanmaning en invordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Vanuit het oogpunt van doelmatigheid worden er geen kosten in rekening gebracht voor het verzenden van een aanmaning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het versturen van een dwangbevel wordt € 50,- aan kosten in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de invordering wordt overgedragen aan de deurwaarder, komen de kosten van deze deurwaarder volledig voor uw rekening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.15</span><span class=\"lf-art-t\">Wettelijke rente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Uit doelmatigheidsoverwegingen wordt geen wettelijke rente bij u in rekening gebracht, als u verzuimt tot betaling van het verschuldigde over te gaan. Dit geldt niet voor rente die is verschuldigd op grond van het Bbz 2004.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.16</span><span class=\"lf-art-t\">Overdragen invordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij verzoeken de deurwaarder om de invordering over te nemen, als blijkt dat u niet bereid bent de vordering op minnelijke wijze te voldoen en er geen vereenvoudigd beslag op het inkomen mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oninbare vorderingen (bij verblijf in het buitenland) kunnen worden overgedragen aan een daarin gespecialiseerd bedrijf of organisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.17</span><span class=\"lf-art-t\">Overlijden van de belanghebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Als u overlijdt, wordt het restant van de vordering buiten invordering gesteld, tenzij een pand of hypotheekrecht kan worden uitgewonnen of iemand anders hoofdelijk aansprakelijk voor de vordering is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.18</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid tot verhaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij maken gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van de kosten van bijstand zoals bedoeld in artikel 61 Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.19</span><span class=\"lf-art-t\">Nihilbeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Als echtgenoten of gewezen echtgenoten onderling hebben bepaald dat na echtscheiding (of scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk) de één tegenover de ander in het geheel geen alimentatie verschuldigd is, kunnen wij toch de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige verhalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.20</span><span class=\"lf-art-t\">Starten verhaalsonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Zodra wij een beschikking tot toekenning van bijstand hebben gegeven, wordt onderzocht of, en zo ja tot welk bedrag, de bijstand kan worden verhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid zien wij van een verhaalsonderzoek af, indien is te voorzien dat binnen 3 maanden na het opstarten van vorenbedoeld onderzoek de wettelijke onderhoudsplicht komt te vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.21</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van het opleggen van een verhaalsbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij stellen de verhaalsbijdrage op nihil als: de op te leggen verhaalsbijdrage lager is dan € 50,00 per maand; de onderhoudsplichtige bijstand ontvangt, of een inkomen uit arbeid ontvangt dat gelijk is aan de voor hem geldende bijstandsnorm; de onderhoudsplichtige is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of in staat van faillissement is gestel; er sprake is van een door de rechtbank opgelegde alimentatieverplichting, waarbij de draagkracht berekend is op basis van de Trema-normen en het alimentatievonnis ten tijde van het verhaalsonderzoek niet ouder is dan 12 maanden; er sprake is van zwaarwegende dringende redenen. Deze redenen kunnen alleen betrekking hebben op de gevolgen van het opleggen van een verhaalsbijdrage voor de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde. Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, waarbij het opleggen van een verhaalsbijdrage leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde. De gemeente Schagen kan in dat geval geheel afzien van het verhalen van de bijstandsuitkering of inkomensvoorziening; de onderhoudsplichtige in het kader van een schuldregelingstraject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een schuldbemiddelingsovereenkomst met de gemeente of een ander NVVK-lid heeft gesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.22</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van wijziging van de reeds opgelegde verhaalbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij handhaven de eerder opgelegde verhaalsbijdrage als: uit een herberekening van de draagkracht blijkt dat het positieve verschil met de reeds opgelegde verhaalsbijdrage lager is dan € 50,- per maand; of uit een herberekening van de draagkracht blijkt dat het negatieve verschil met de reeds opgelegde verhaalsbijdrage niet meer bedraagt dan € 50,- per maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.23</span><span class=\"lf-art-t\">Verhaal in rechte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Als een onderhoudsplichtige de opgelegde verhaalsbijdrage niet of niet behoorlijk voldoet, wordt aan de Rechtbank verzocht om deze bij beschikking vast te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.24</span><span class=\"lf-art-t\">Alimentatiebeschikking wordt niet nagekomen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij maken gebruik van de in artikel 55 van de Participatiewet neergelegde bevoegdheid om u als alimentatiegerechtigde die een beroep doet op bijstand, te verplichten om de door de rechter vastgestelde alimentatie te doen invorderen. Als een alimentatieplichtige niet aan zijn alimentatieverplichting voldoet, dan bent u als alimentatiegerechtigde uit hoofde van die verplichting gehouden het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) op te dragen de verschuldigde alimentatie te innen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.25</span><span class=\"lf-art-t\">Termijn heronderzoeken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Als er een verhaalsbijdrage is opgelegd, doen wij eens in de 3 jaar onderzoek naar wijzigingen in de financiële- of sociale omstandigheden van een onderhoudsplichtige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen verhaalsbijdrage is opgelegd (deze is op nihil gesteld) en de onderhoudsplichtige betaalt geen alimentatie, stellen wij eenmaal per jaar een nieuw onderzoek in naar wijzigingen in de financiële- of sociale omstandigheden van een onderhoudsplichtige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.26</span><span class=\"lf-art-t\">Mogelijkheden van kwijtschelding verhaalsbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Kwijtschelding van een achterstand in de betaling van (gecedeerde)alimentatie is niet mogelijk. Uit het oogpunt van efficiënt debiteurenbeheer, kan in individuele gevallen hiervan worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwijtschelding van een opgelegde verhaalsbijdrage is mogelijk. Hierbij zijn de artikelen 8.1. 8 en 8.1.9 van deze beleidsregels van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.1.27</span><span class=\"lf-art-t\">Indexering verhaalsbijdragen en alimentatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij verhogen de door de Rechtbank vastgestelde alimentatie en verhaalsbijdrage jaarlijks met het wettelijk vastgestelde indexeringspercentage. Indien een verhaalsbijdrage (nog) niet door de Rechtbank is vastgesteld, wordt deze verhoging niet toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Terug- en invordering Bbz 2004</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-821\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij maken gebruik van de bevoegdheid tot: het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit ingevolge artikel 54 van de Participatiewet; het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de Participatiewet; het terugvorderen van bedrijfskapitaal zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-822\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Bijstand of bedrijfskapitaal wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze beleidsregels. Terugvordering van bijstand en bedrijfskapitaal verstrekt op grond van het Bbz 2004 vindt plaats op grond van artikel 58 Participatiewet, artikel 12 lid 2 sub c, artikel 39 en de artikelen 41 tot en met 43 Bbz 2004.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-823\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering van ten onrechte verleende bijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij vorderen de kosten van bijstand terug van u voor zover deze bijstand: ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; ingevolge artikel 52 van de Participatiewet bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat; anderszins onverschuldigd is betaald en voor zover u dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: u naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de wet beschikt of kunt beschikken; bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door u vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door ons gedane afdracht van loonheffing bij de toepassing van artikel 12 lid 2 Bbz 2004 wordt teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering als bedoeld onder het eerste lid onder e van dit artikel, vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar voor de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-824\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal (ook in de vorm van borgtocht)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij stellen het bedrijfskapitaal, dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz 2004 opeisbaar en kunnen dit terugvorderen indien: bedrijfskapitaal niet overeenkomstig de bestemming is besteed (art. 39 lid 2 sub a (Bbz 2004 ); er sprake is van bedrijfsbeëindiging of overdracht van het bedrijf (art. 39 lid 2 sub b Bbz 2004 ); of er sprake is van faillissement of surseance (art. 39 lid 2 sub c Bbz 2004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij kunnen het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz 2004 of de achterstanden in betaling, aflossing en rente terugvorderen indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van uitstel van aflossing en betaling van rente zoals genoemd in artikel 41 lid 2 Bbz 2004 is verlopen, zoals bepaald in artikel 41 lid 4 Bbz 2004 De financiële omstandigheden van de zelfstandige zodanig blijken te zijn dat deze geacht kan worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, dan kunnen de vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen terstond worden teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente¬ en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zelfstandige ook na een tweede aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet. Dit geldt ook voor bedrijfskapitaal verstrekt op grond van de artikelen 22 en 26 Bbz 2004 indien het vermogen meer bedraagt dan gesteld in artikel 3 Bbz 2004 en er geen bijstand “om niet” mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering vindt plaats bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling van de hoofdsom en de rente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-825\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering van gezinsleden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Onverminderd het bepaalde in artikel 8.2.2 en 8.2.3 van deze beleidsregels worden de kosten van bijstand en bedrijfskapitaal, indien de bijstand of bedrijfskapitaal aan een gezin had moeten worden verleend, van de meerderjarige gezinsleden teruggevorderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-826\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van terugvordering in verband met dringende redenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kunnen wij besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-827\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van invordering Bbz-vorderingen nadat er teruggevorderd is</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Bbz-vorderingen hebben een duidelijk ander karakter, omdat de bijstand is verstrekt in de vorm van een (renteloze) geldlening ten behoeve van inkomstenverwerving in het eigen bedrijf en bedrijfskapitaal ten behoeve van de onderneming. Ook zijn er andere vermogensvrijstellingen die bij het hebben van middelen ter inlossing van de schuld een rol kunnen spelen. Bij bedrijfskapitaal kunnen er bijvoorbeeld materiele activa zijn aangekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat u de vordering ineens binnen de gestelde termijn van 6 weken, zoals gesteld in 4:87 Awb moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk verzoek van u kan de vordering in termijnen worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de invordering van vorderingen op grond van het Bbz wordt onderscheid gemaakt tussen invordering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij teruggevorderde uitkering levensonderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Levensonderhoud teruggevorderd op grond van artikel 12 lid 2 sub c Bbz 2004 kan worden ingevorderd door ons. Wij nemen aan de hand van het inkomen een invorderingsbesluit. Bij de vaststelling van de eerste termijn van terugbetaling wordt rekening gehouden met de hoogte van het inkomen in het jaar van verstrekking (bijstand, inkomen uit bedrijf en overig inkomen) en de van toepassing zijnde jaarnorm. Te hoge privé-uitgaven in het jaar van bijstandsverlening kan hierbij als verwijtbaar gedrag gezien worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij levensonderhoud dat terugbetaald wordt in verband met het eigen vermogen is artikel 13 Bbz 2004 van toepassing. Terugvordering vindt plaats op het moment dat de door ons vastgestelde aflosverplichting niet nagekomen wordt. Na terugvordering is artikel 8.2.7 lid 3 sub a van deze beleidsregel van toepassing met betrekking tot de invordering. Bij vaststelling van de eerste termijn van afbetaling wordt rekening gehouden met de hoogte van het inkomen in het jaar van verstrekking (bijstand, inkomen uit bedrijf en overig inkomen) en de van toepassing zijnde jaarnorm. Te hoge privé-uitgaven in het jaar van bijstandsverlening kan hierbij als verwijtbaar gedrag gezien worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bedrijfskapitaal terwijl er nog een bestaand bedrijf bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij beoordelen of er invordering van de hoofdsom plus de renteachterstand ineens moet plaatsvinden. Het krediet is reeds teruggevorderd. Wij beoordelen of er een schuldregeling overeenkomstig artikel 42 Bbz 2004 (gestelde zekerheden blijven buiten de sanering) noodzakelijk is of dat er een lagere betaalverplichting vastgesteld kan worden. Voorwaarde is dat het bedrijf dan levensvatbaar is. De wettelijke rente is van toepassing over de teruggevorderde hoofdsom en renteachterstand (Awb art. 4:98 lid 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bedrijfskapitaal na bedrijfsbeëindiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval van bedrijfsbeëindiging is het bedrijfskapitaal direct opeisbaar (hoofdsom plus renteachterstand) op grond van artikel 39 lid 2 sub b Bbz 2004 en kan worden teruggevorderd. Zekerheden worden uitgewonnen. Indien er sprake is van een eigen woning en de lening voor bedrijfskapitaal onder verband van hypotheek of verpanding is verstrekt is artikel 43a tot en met d Bbz 2004 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bestaan van zekerheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bestaan van zekerheden worden deze uitgewonnen voor zover niet wettelijk geregeld. Bij bezit van een eigen woning moet beoordeeld worden of het behoud van de eigen woning financieel verantwoord is. Wij beoordelen of er sprake is van verwijtbaar handelen bij de “verkoop” van de zekerheden en stemmen hier de incasso op af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invordering bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling hoofdsom en de rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van samenwerkingsverbanden (VOF, BV etc.), waarbij de medevennoot zich aansprakelijk gesteld heeft voor het verstrekte bedrijfskapitaal, zal bij het niet nakomen van de verplichtingen ook de medevennoot aansprakelijk gesteld moeten worden voor de terugbetaling. Er moet dan een privaatrechtelijke procedure worden opgestart bij de belanghebbenden die niet tot de doelgroep van het Bbz 2004 behoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderzoek naar mogelijk gewijzigde financiële omstandigheden wordt periodiek en signaal gestuurd uitgevoerd. Indien er sprake is van een bestaand bedrijf/zelfstandig beroep bij de zelfstandige, dan is deze periode een periode van 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van bijstand worden ingevorderd bij dwangbevel als niet aan de vastgestelde betalingsverplichting wordt voldaan. De invordering wordt dan overgedragen aan de deurwaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van beslaglegging en/of het inschakelen van een deurwaarder zoals vermeld in dit artikel, wordt de vordering verhoogd met de invorderingskosten en met de wettelijke rente. De invorderingskosten worden vastgesteld op maximaal 15% van de openstaande vordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-828\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van invordering in verband met gering bedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij zien af van (verdere) terugvordering, indien het nog terug te vorderen bedrag gelijk aan of lager is dan € 50,-. Indien wij meerdere vorderingen op u hebben, dan geldt het minimumbedrag van € 50,- voor het (rest)saldo van alle vorderingen tezamen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-829\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtshalve kwijtschelding bijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij besluiten ambtshalve tot kwijtschelding indien u: gedurende 60 maanden uw aflossingsverplichting voor de teruggevorderde bijstand onafgebroken en naar draagkracht bent nagekomen en er geen sprake is van vermogen waarmee de vordering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan; bij onderbreking van het terugbetalingsgedrag kan de periode met 3 jaar worden verlengd. gedurende een periode van twee jaar niet of zeer onregelmatig hebt afgelost op een vordering en de nog openstaande vorderingen minder bedragen dan € 50,-. gedurende vijf jaar geen aflossingen aan een niet-verwijtbare vordering hebt gedaan en het niet aannemelijk is dat u deze op enig moment alsnog gaat verrichten en er geen sprake is van vermogen waarmee de vordering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid onder c genoemde termijn bedraagt tien jaar indien sprake is van een verwijtbare vordering wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval artikel 13 Bbz 2004 bij de toekenning van toepassing was bedraagt de terugbetalingsperiode maximaal 10 jaar na beëindiging van de uitkering op grond van het Bbz 2004. Deze termijn kan na schriftelijk verzoek met maximaal 3 jaar worden verlengd. Na het voldoen aan de afgesproken aflossingsbedragen kan het restant worden kwijtgescholden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij gaan niet over tot kwijtschelding als er sprake is van dwanginvordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Ambtshalve kwijtschelding bedrijfskapitaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Wij besluiten ambtshalve tot kwijtschelding in de volgende gevallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Geheel of gedeeltelijke kwijtschelding van bedrijfskapitaal is wettelijk mogelijk in die gevallen zoals beschreven in artikel 42, 43 en 43 a t/m d Bbz 2004. Indien deze gevallen zich niet voordoen, dan zijn deze beleidsregels van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van artikel 43 lid 2 Bbz 2004 kan besloten worden de termijn van 5 jaar aflossen, alvorens tot kwijtschelding overgegaan kan worden, met 5 jaar te verlengen indien er sprake is van verplichtingen aan bijvoorbeeld andere schulden. Na voldoen aan de verplichtingen kan tot kwijtschelding worden overgegaan, mits er geen sprake is van vermogen waarmee de vordering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan en alle zekerheden zijn uitgewonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bedrijfskapitaal verstrekt is volgens de artikelen 22 of 26 Bbz 2004 en dit volgens artikel 3 Bbz 2004 niet “om niet” verstrekt kan worden, bedraagt de terugbetalingsperiode maximaal 10 jaar na beëindiging van de uitkering op grond van het Bbz 2004. Deze termijn kan na schriftelijk verzoek met maximaal 3 jaar worden verlengd. Na het voldoen aan de afgesproken aflossingsbedragen kan het restant worden kwijtgescholden, mits er geen sprake is van vermogen waarmee de vordering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan en alle zekerheden zijn uitgewonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij gaan niet over tot kwijtschelding als er sprake is van dwanginvordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding rente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Link met 8.3 Terugvordering uitkering en artikel 8.3.1 Terugvordering en incasso Artikel 21 lid 1 Bbz 2004 geeft aan dat de op grond van de artikelen 15 en 20 verschuldigde rente ambtshalve wordt kwijtgescholden en reeds betaalde rente terugbetaald, indien het netto inkomen in een of beide boekjaren volgend op het boekjaar van de aanvraag, lager is dan de jaarnorm, tenzij in een boekjaar aan de zelfstandige ook algemene bijstand, bedoeld in artikel 10, is verleend. Het bedrag is ten hoogste de voor dat boekjaar geldende renteverplichting op grond van artikel 15, doch niet meer dan het verschil tussen de jaarnorm en het netto inkomen in het boekjaar.</p></div>", "next": 239174}