{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">krimpgebied: de gebieden behorend tot de gemeenten Hulst, Terneuzen, Schouwen-Duiveland, Sluis en Vlissingen; transformatiegebied: vier door de betreffende gemeenten afgebakende gebieden in de vier Zeeuwse steden die een transformatie ondergaan van industriegebied naar woongebied. Het gaat hierbij om de Goese Schans in Goes, Axelse Dam in Terneuzen, Ramsburg in Middelburg en Scheldekwartier in Vlissingen; innovatie: de mate waarin binnen een activiteit onderdelen zijn opgenomen die nog nooit op deze wijze in Zeeland of daarbuiten zijn uitgeprobeerd; cultuurhistorie: een door het Rijk op grond van de Monumentenwet 1988 aangewezen stads- of dorpsgezicht, een door het Rijk geselecteerd wederopbouwgebied dat van nationaal belang is of een ander waardevol cultuurhistorisch erfgoed dat is opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Zeeland; duurzaamheid: de mate waarin binnen een activiteit maatregelen worden genomen in het kader van het zuinig omgaan met energie, water, grondstoffen en het terugdringen of vermijden van vervuiling; bestaand bebouwd gebied: de begrenzing van het gebied, zoals opgenomen in kaart 19 van het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018; landelijke bebouwingsconcentratie: concentratie van bebouwing in het landelijk gebied, ook wel buurtschap genoemd, met overwegend een woonfunctie. De grens van de landelijke bebouwingsconcentratie eindigt daar waar de bebouwing zijn aaneengesloten karakter verliest; levensloopbestendige woning: een woning die geschikt is of eenvoudig geschikt is te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buiten af bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenaamde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden; energie-neutrale woning: een woning die met een normaal leefpatroon en een hoog comfortniveau op jaarbasis voldoende energie opwekt om te voorzien in het huishoudelijk verbruik (elektra, warm water, koken, verwarming); sloop van een woning: het geheel verwijderen van een woning, met inbegrip van de fundering; nieuwbouw van een woning: het bouwen van een woning waarbij de regels van toepassing zijn inzake nieuwbouw conform het Bouwbesluit 2012.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door sloop of samenvoeging van woningen; het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel particuliere woningen; het renoveren van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen tot toekomstbestendige woningen waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt; het verdunnen van de sociale huurwoningvoorraad in een wijk door sloop of samenvoeging van woningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan aan een natuurlijk persoon subsidie worden verstrekt voor een activiteit als bedoeld in artikel 8.2, aanhef en onderdeel a, b of c.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 8.5, eerste lid; de activiteit niet is gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie bedoeld in artikel 8.5, eerste lid; de activiteit een bezwaar vormt voor het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de activiteit plaatsvindt in een regio waarvoor geen geldende en door de provincie onderschreven regionale woningmarktafspraken beschikbaar zijn; de activiteit geen punten scoort op basis van artikel 8.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand bebouwd gebied en de landelijke bebouwingsconcentratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.3.1 en 1.3.2 zijn niet van toepassing op een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen: een volledig ingevuld aanvraagformulier Provinciale Impuls Wonen, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland; een beschrijving van de tijdplanning van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een externe deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.8</span><span class=\"lf-art-t\">De hoogte van de subsidie bedraagt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">indien er sprake is van het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door sloop: maximaal € 40.000 per onttrokken woning; indien er sprake is van het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door samenvoeging van woningen: maximaal € 25.000,00 per samenvoeging; indien er sprake is van het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel particuliere woningen: maximaal € 10.000 ten behoeve van de sloop- en afvoerkosten per woning; en maximaal € 10.000 ten behoeve van de kosten van het saneren van ernstige vormen van verontreiniging per woning; indien er sprake is van het renoveren van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen tot toekomstbestendige woningen: maximaal € 10.000 per omgevormde woning waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt; indien er sprake is van het verdunnen van de sociale huurwoningvoorraad in een wijk door sloop of samenvoeging van woningen: maximaal € 15.000 per onttrokken woning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: soort fysieke ingreep; locatie; innovatie; cultuurhistorie; duurzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: criterium soort fysieke ingreep: het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door sloop of samenvoeging van woningen: ten hoogste vijfhonderd punten; het slopen van ongewenste particuliere woningen en de nieuwbouw van evenveel particuliere woningen: ten hoogste tweehonderdvijftig punten; het renoveren van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen tot toekomstbestendige woningen: ten hoogste honderd punten; het verdunnen van de sociale huurwoningvoorraad in een wijk door sloop of samenvoeging van woningen: ten hoogste honderd punten; criterium locatie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Z4: ten hoogste vijftig punten; krimpgebied: ten hoogste vijftig punten; transformatiegebied: ten hoogste vijftig punten; criterium innovatie: ten hoogste tweehonderd punten; criterium cultuurhistorie: ten hoogste vijftig punten; criterium duurzaamheid: ten hoogste vijftig punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-810\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.5.1 en 1.5.3 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor een kernsportevenement</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kernsport: wieler-, water- en strandsport waarbij gebruik wordt gemaakt van het Zeeuwse landschap;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wielersport: een sport erkend door de Internationale Wielerunie UCI en NFTU;</p>\n<p class=\"lf-p\">Watersport: een sport erkend door één van de aan het NOC*NSF gelieerde watersportbonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Strandsport: een sport die wordt uitgeoefend op het strand en erkend wordt door één van de aan het NOC*NSF gelieerde bonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie kan worden verleend voor een kernsportevenement, dat:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">door de landelijke sportbond of het NOC*NSF wordt gekwalificeerd als hoogste niveau in de betreffende tak van sport voor de betreffende leeftijdscategorie; potentie voor Zeeland heeft in de zin van de promotie van de provincie Zeeland door internationale of nationale zichtbaarheid en waarmee de provincie als regio wordt geprofileerd; of, een economische impuls levert voor de regio.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt niet verstrekt voor een evenement waarbij er geen sprake is van verbreding van het evenement door sportontwikkeling, talentontwikkeling, breedtesport of gehandicaptensport.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie voor een kernsportevenement niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 1.000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.3</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie bedraagt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">maximaal € 75.000 voor een nationaal of internationaal evenement met regionale en nationale en beperkte internationale media-aandacht, met een publieksbereik ook buiten Zeeland, een groot aantal sporters op het hoogste niveau, een groot aantal side-events en georganiseerd door een professionele organisatie; maximaal € 25.000 voor een nationaal of provinciaal evenement met provinciale en beperkte nationale media-aandacht, een groot aantal sporters op hoog niveau, een provinciaal publieksbereik en georganiseerd door een semi-professionele organisatie; maximaal € 5.000 voor een meerdaags evenement met nationale of internationale deelnemers en een regionale uitstraling; € 2.500 voor een eendaags evenement met nationale deelnemers en een regionale uitstraling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie bedraagt maximaal 10 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum zoals genoemd in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.4</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend voor 1 januari van het kalenderjaar waarin de activiteit wordt aangevangen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De behandelingstermijn van de aanvraag vangt aan op 1 januari.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag voor subsidie voor een activiteit in 2014 ingediend voor 15 mei 2014.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>In afwijking van het tweede lid vangt de behandelingstermijn van de aanvraag voor subsidie in 2014 aan op 15 mei 2014.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan SportZeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de aanvragen voor subsidie beoordeeld en geselecteerd aan de hand van de criteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreiding over de drie kernsporten;</p>\n<p class=\"lf-p\">Publieksbereik van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Niveau van de sporters die deelnemen aan het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciaal belang van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">De publieke uitstraling van het evenement;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verbreding van het evenement naar een groot publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien na selectie op basis van het eerste lid de subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de te verstrekken subsidies naar rato van de aangevraagde subsidiebedragen verlaagd, tenzij het aangevraagde subsidiebedrag het maximum uit artikel 9.3, eerste lid overschrijdt, dan wordt de subsidie verlaagd naar rato van de in het betreffende artikel genoemde bedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling verplichten medewerking te verlenen aan de toolkit evenementen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.2.1, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, en 1.3.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor een kernsportevenement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor kavelaanvaardingswerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU, L 352 van 24 december 2013; kavelaanvaardingswerken: cultuurtechnische werken die een bijdrage leveren aan de landbouwkundige structuurverbetering van toegedeelde kavels in een kavelruil;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kavelruilbureau Zeeland: het bij besluit van gedeputeerde staten van 29 mei 2012 ingestelde Kavelruilbureau Zeeland; onderneming: één onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie kan worden verleend voor kavelaanvaardingswerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De kavelaanvaardingswerken hebben betrekking op toegedeelde kavels bij een kavelruil van landbouwgronden via het Kavelruilbureau Zeeland die tussen 1 juli 2015 en 31 december 2016 door het Kavelruilbureau Zeeland is goedgekeurd en waarvan de notariële akte voor 31 december 2016 is gepasseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie wordt slechts verleend aan de bij kavelruil betrokken grondeigenaar die onderneming is actief in de primaire productie van landbouwproducten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt geen subsidie verstrekt indien reeds eerder subsidie is verstrekt voor kavelaanvaardingswerken die betrekking hebben op dezelfde tussen 1 juli 2015 en 31 december 2016 door het Kavelruilbureau Zeeland goedgekeurde kavelruil.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.4</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 280,00 per bij de kavelruil toegedeelde hectare; en wordt verleend in de vorm van de-minimissteun en bedraagt per onderneming, tezamen met eventueel andere verleende de-minimissteun, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen maximaal € 15.000,00 over een periode van drie belastingjaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor de subsidie kan worden ingediend met ingang van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvraag voor de subsidie wordt voor het begin van de activiteit ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.4.1, tweede lid, is niet van toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.7</span><span class=\"lf-art-t\">1.In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor de subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend Aanvraagformulier subsidie kavelaanvaardingswerken Provincie Zeeland; en een volledig ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, aanhef en onder d bevat de aanvraag voor de subsidie het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop de activiteit betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond voor het verstrekken van subsidies op aanvragen, ingediend in de in artikel 10.5 bepaalde periode, bedraagt € 200.000,00.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond bedoeld in artikel 10.8, wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU, L 352 van 24 december 2013;</p>\n<p class=\"lf-p\">Faunafonds: zelfstandig bestuursorgaan, onder meer belast met het toekennen van tegemoetkomingen in door beschermde diersoorten aangerichte schade aan de landbouw; ganzenrustgebied: door gedeputeerde staten van Zeeland begrensde percelen landbouwgrond waar overwinterende beschermde inheemse ganzen ongehinderd kunnen foerageren gedurende de periode van 1 november tot 1 april; gewasperceel: een perceel landbouwgrond dat in gebruik is bij één grondgebruiker, op grond van één gebruikstitel en dat wordt beteeld met één gewas; grondgebruiker: degene die op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst gerechtigd is de als ganzenrustgebied aangewezen gewaspercelen in gebruik te hebben en die onderneming is actief in de primaire productie van landbouwproducten; onderneming: één onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013; schadehectare: (deel van een) hectare waarop door het Faunafonds een tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw als bedoeld in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (Staatscourant 2014 nr. 22309) wordt verstrekt; verjaging: opzettelijke verontrusting van beschermde inheemse ganzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden gedurende de periode van 1 november tot 1 april.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie wordt slechts verleend aan de grondgebruikers van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen, voor zover deze gebruikers voor de desbetreffende percelen op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van het Faunafonds in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw in de periode van 1 november tot 1 april.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">De subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedraagt in afwijking van de artikelen 1.3.1, 1.3.2 en 1.7.9 € 50,00 per schadehectare van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen; en wordt verleend in de vorm van de-minimissteun en bedraagt per onderneming, tezamen met eventueel andere verleende de-minimissteun, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen maximaal € 15.000,00 over een periode van drie belastingjaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvraag voor subsidie wordt ingediend binnen zes weken na de datum van verzending van het besluit van het Faunafonds op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade omtrent de hoogte van de uit te betalen tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen veroorzaakte schade in de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag voor subsidie met betrekking tot de periode van 1 november 2014 tot 1 april 2015 ingediend uiterlijk op 1 december 2015.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.6</span><span class=\"lf-art-t\">1.In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor de subsidie:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een volledig ingevuld en ondertekend Aanvraagformulier subsidie ingevolge hoofdstuk 11 van het Asb Zeeland 2013, een volledig ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring, én een verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan het vereiste van artikel 11.2 om voor subsidie in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.4.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van de artikelen 1.8.1 en 1.8.9 wordt op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 15.000 arrangement 1 toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 1.7.2 wordt de subsidie verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.7.3 vindt de volledige betaling van de subsidie plaats na vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De artikelen 1.6.6, 1.7.4 tot en met 1.7.8, artikel 1.7.9, tweede lid, en 1.8.1 tot en met 1.10.1 zijn niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van openbaar vervoer per buurtbus</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">buurtbus: een door de concessiehouder beschikbaar gesteld motorrijtuig, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, dat wordt ingezet door de concessiehouder voor exploitatie van een lijn, uitgevoerd door in een buurtbusvereniging georganiseerde onbezoldigde chauffeurs; buurtbusproject: een initiatief van vrijwilligers, waarbij een buurtbus een vaste route rijdt met bepaalde intervallen, in een bepaalde bedieningsperiode en halterend bij bepaalde halten, zoals aangegeven in de dienstregeling; buurtbusvereniging: een vereniging, die bij notariële akte is opgericht en de dagelijkse uitvoering van het buurtbusproject coördineert; concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie de concessie is gegund voor het openbaar vervoer over de weg in het betreffende concessiegebied;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.2</span><span class=\"lf-art-t\">1.Een eenmalige subsidie kan worden verleend voor de oprichting van een buurtbusvereniging, indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de statuten van de nieuwe vereniging bij notariële akte zijn gepasseerd; en de ledenlijst uit minimaal 20 vrijwilligers bestaat die zich hebben aangemeld als buschauffeur; beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts. er een concreet buurtbusproject, zoals benoemd in artikel 12.3, eerste lid, aanwezig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">1.Subsidie kan worden verleend voor de uitvoering van een buurtbusproject, indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het buurtbusproject vervoer per buurtbus tussen kernen verzorgt; en het buurtbusproject onderdeel uitmaakt van de voor het openbaar vervoer over de weg opgestelde dienstregeling; en de buurtbusvereniging voor het buurtbusproject een overeenkomst heeft afgesloten met de concessiehouder; en gemiddeld 125 reizigers per maand gebruik maken van het buurtbusproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen besluiten af te wijken van het in het eerste lid, onder d genoemde aantal reizigers per maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor de oprichting van een buurtbusvereniging ten minste: de bij notariële akte gepasseerde statuten van de nieuwe vereniging; een ledenlijst, bestaande uit minimaal 20 vrijwilligers, waarbij duidelijk blijkt dat zij: zich hebben aangemeld als buschauffeur; en beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor een buurtbusproject ten minste: een ledenlijst van vrijwillige buschauffeurs, waarbij duidelijk blijkt dat zij: beschikken over een geldig rijbewijs B; en beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts. een opgave van het aantal reizigers dat het afgelopen kalenderjaar van het buurtbusproject gebruik heeft gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.6</span><span class=\"lf-art-t\">1.De subsidie bedraagt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voor de oprichting van een buurtbusvereniging: eenmalig een vergoeding van € 1.000,--; voor de uitvoering van een buurtbusproject: een vast bedrag van € 3.000,-- per jaar; voor elke ingezette vrijwillige buschauffeur en voor elk bestuurslid, niet zijnde buschauffeur, per vereniging: een vast bedrag van € 100,-- per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid onder b en c bepaalde bedragen worden naar rato berekend, indien er sprake is van een gedeelte van het jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk13Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor opruiming van drugsafval</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L352/1 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU L352/9 van 24 december 2013; drugsafval: afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs; erkende verwijderaar: verwijderaar die over de benodigde milieuvergunningen beschikt om afval volgens de juiste regelgeving te kunnen en mogen verwijderen; synthetische drugs: uit chemische grondstoffen geproduceerde verdovende middelen; zakelijk gerechtigden: personen met een zakelijk recht als bedoeld in boek 3 en 5 van het Burgerlijk Wetboek, op een zaak.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.2</span><span class=\"lf-art-t\">1.Subsidie wordt slechts verstrekt aan:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gemeenten; zakelijk gerechtigden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijke persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het opruimen van drugsafval; of het opruimen van de bodemverontreiniging die voortvloeit uit het dumpen van drugsafval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt geweigerd indien de aanvrager medeverantwoordelijk geacht kan worden voor de productie of dumping van het drugsafval waarop de aanvraag is gericht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten: er is sprake van een illegale dumping van drugsafval; de grond waarop illegaal drugsafval is gedumpt: is gelegen binnen de gemeente grenzen; of behoort tot het zakelijk recht van de aanvrager; van de illegale dumping is aangifte gedaan bij de politie; de opruiming van de dumping, bedoeld onder a, is gedaan in het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag; aan het project liggen ten grondslag: een bewijs van aangifte van de politie met tenminste een kaart met de locatie waar de drugsafval is aangetroffen, foto’s van de dumping en een beschrijving van de aangetroffen drugsgerelateerde afvalstoffen; een bewijs van de gemaakte kosten voor verwijdering en afvoer van het drugsafval; een bewijs van verwijdering en afvoer van het drugsafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: het aangetroffen drugsafval is verwijderd conform de daartoe geldende wet- en regelgeving; het aangetroffen drugsafval is verwijderd door een erkende verwijderaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: de bodemverontreiniging is een gevolg van de illegale dumping van drugsafval als bedoeld in het eerste lid, onder a; de bodemverontreiniging is verwijderd conform artikel 6 tot en met artikel 13 van de Wet bodembescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In aanvulling op artikel 1.3.1, eerste lid, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie voor subsidiëring in aanmerking de daadwerkelijk door onafhankelijke derden gemaakte kosten voor zover deze niet op andere wijze voor vergoeding in aanmerking komen voor: het opruimen van drugsafval; of de uit de dumping voortvloeiende bodemverontreiniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 1.3.2 is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Een subsidieaanvraag voldoet aan de volgende vereisten:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier; een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen; subsidieaanvragen worden ingediend na afloop van het project en binnen de door gedeputeerde staten jaarlijks vast te stellen openstellingsperiode voor het daaraan voorafgaande kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten stellen jaarlijks het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 13.3, voor de periode, bedoeld in artikel 13.7, aanhef en onder c, vast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 13.3, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onverminderd het eerste lid, wordt, indien sprake is van staatssteun, slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat voor het totale bedrag aan subsidies over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de binnen de periode, bedoeld in artikel 13.7, aanhef en onder c, ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 13.8, te boven gaan, verdelen gedeputeerde staten de subsidie naar evenredigheid onder de voornoemde subsidieaanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 13.9 wordt het percentage van de subsidiehoogte bepaald door het aantal binnen de periode, bedoeld in artikel 13.7, aanhef en onder c, ingediende volledige subsidieaanvragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 13.3, 13 weken na afloop van de aanvraagperiode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten stellen de subsidie, bedoeld in artikel 13.3, direct vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een beschikking als bedoeld in het eerste lid, vindt de betaling van het subsidiebedrag in een keer plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De artikelen 1.7.1 tot en met 1.9.10 zijn niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1313\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 1.5.3 en 1.6.6 zijn niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk14Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141-270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">actueel regionaal bedrijventerreinprogramma: een door gedeputeerde staten na 1 januari 2016 bekrachtigd programma waarin gemeenten in regionaal verband hun bedrijventerreinbeleid afstemmen; bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; herstructurering: alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de veroudering van het terrein of delen ervan tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden: facelift; revitalisering; zware revitalisering; herprofilering; transformatie; veroudering: technische, economische, maatschappelijke of ruimtelijke veroudering, met als gevolg het economisch suboptimaal functioneren van de gevestigde bedrijven, verpaupering of verrommeling van de omgeving, inefficiënt ruimtegebruik, een onnodige impuls voor de ontwikkeling van nieuwe uitleglocaties of onveiligheid; zeehaventerrein: een als zodanig op kaart 1 van het Omgevingsplan Zeeland 2012 - 2018 aangegeven terrein van minimaal één hectare bruto dat onderdeel vormt van het beheersgebied van Zeeland Seaports.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft het realiseren van een kwaliteitsimpuls voor een bedrijventerrein door middel van herstructurering waardoor het regionaal aanbod aan bedrijventerreinen zo goed mogelijk aansluit bij de vraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.5, eerste lid; de activiteit niet is gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.5, eerste lid; de activiteit plaatsvindt buiten een bedrijventerrein; de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van een nieuwe economische drager, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage 1 bij de Verordening ruimte provincie Zeeland alsmede overige krachtens de Verordening ruimte provincie Zeeland toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen de bebouwde kom; de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein; de activiteit plaatsvindt in een regio waar geen actueel regionaal bedrijventerreinprogramma beschikbaar is; de activiteit op basis van artikel 14.8, tweede lid, aanhef en onderdeel a, minder dan 10 punten scoort en de som van de punten op basis van artikel 14.8, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met e, minder bedraagt dan 40 punten; de gevraagde subsidie hoger is dan 50% van het totaal van de subsidiabele kosten van de activiteit 3.Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie alleen verstrekt indien de te verstrekken subsidie meer dan € 50.000 bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.4</span><span class=\"lf-art-t\">1.De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kosten voor marketing en promotie; kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden; voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen: een volledig ingevuld aanvraagformulier Fonds Impuls Bedrijventerreinen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland; een beschrijving van de tijdplanning van het project.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: kwaliteitsverbetering: de mate van vooruitgang die geboekt wordt in de verbetering van het vestigingsklimaat van het bedrijventerrein voor bedrijven; locatie: de bijdrage die de ontwikkeling op die specifieke locatie levert aan een toekomstbestendige bedrijventerreinvoorraad; hefboom: de verhouding tussen de subsidie en de maatschappelijke meerwaarde. Dit komt tot uitdrukking in de bereidheid van andere partijen om in het project te investeren en de aansluiting bij een visie of uitvoeringsplan; innovatie: de mate waarin gebruikelijke barrières worden doorbroken door het toepassen van een vernieuwende werkwijze; duurzaamheid en leefomgeving: de mate van duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Hierbij is van belang dat er zuinig omgegaan wordt met energie, water en grondstoffen en het terugdringen en vermijden van vervuiling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: kwaliteitsverbetering: ten hoogste 50 punten; locatie: ten hoogste 25 punten; hefboom: ten hoogste 25 punten; innovatie: ten hoogste 25 punten; duurzaamheid en leefomgeving: ten hoogste 25 punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk15Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van het versnellen van aanleg van hoogwaardig breedband in het buitengebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.1</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Witte adressen: adressen waar geen hoogwaardige breedbandverbinding telecommunicatieverbinding met een downloadsnelheid van 30 Mbps of meer beschikbaar is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogwaardige breedbandverbinding: Een internetaansluiting waarover de aanbieder een downloadsnelheid van minstens 30 Mbps garandeert zonder datalimiet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aansluiten: het afnemen van een abonnement op een internetverbinding met een downloadsnelheid van minstens 30 Mbps.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindgebruiker: een particulier huishouden of zakelijke afnemer die wordt voorzien van een geactiveerde aansluiting op een hoogwaardige breedbandverbinding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152-279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie kan worden verleend ten behoeve van het aansluiten van witte adressen op een hoogwaardige breedbandverbinding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidie wordt slechts verleend aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de subsidie bedraagt € 100,-- per aangesloten wit adres binnen de grenzen van het grondgebied van de aanvragende Zeeuwse gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag voor een subsidie ten behoeve van het versnellen van de aanleg van hoogwaardige breedbandverbindingen in het buitengebied wordt vóór 1 november 2017 ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de aanvrager van een subsidie ten behoeve van het versnellen van aanleg van hoogwaardig breedband in het buitengebied gelden in ieder geval de volgende verplichtingen: bij realisatie van de activiteit waarvoor subsidie wordt verleend, stelt de aanvrager ten minste 50% eigen middelen, zijnde €100,-- per wit adres, beschikbaar; de aanvrager stelt ten behoeve van de te realiseren activiteit een regeling op, op grond waarvan de eindgebruikers van de aansluiting in aanmerking kunnen komen voor een eenmalige bijdrage in de aansluitkosten van ten minste € 200,-- per wit adres; de aanvrager draagt zorg dat de te verstrekken bijdragen als bedoeld onder b staatssteunproof zijn; de activiteit waarvoor subsidie wordt verstrekt dient uiterlijk één jaar na de datum van subsidieverlening gerealiseerd te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Gedeputeerde staten stellen het subsidieplafond voor subsidies voor het versnellen van aanleg van hoogwaardig breedband in het buitengebied voor de periode van 1 november 2016 tot 1 november 2017 vast op in totaal € 340.000,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het maximaal beschikbare bedrag per gemeente is bepaald naar rato van het aantal witte adressen per gemeente als opgenomen in bijlage 1 bij dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel15.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere bepalingen ten behoeve van het versnellen van aanleg van hoogwaardig breedband in het buitengebied treden in werking met ingang van 1 november 2016 en vervallen met ingang van 1 januari 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage1 Gemeente totaal aantal witte adressen per gemeente * Maximaal subsidiebedrag per gemeente Schouwen-Duiveland 1316 € 50.000 Tholen 846 € 32.100 Borsele 1036 € 39.400 Goes 530 € 20.100 Kapelle 208 € 7.900 Reimerswaal 461 € 17.500 Noord-Beveland 426 € 16.200 Vlissingen 85 € 3.200 Middelburg 188 € 7.100 Veere 672 € 25.500 Hulst 644 € 24.500 Terneuzen 793 € 30.100 Sluis 1742 € 66.200 8.947 € 340.000 *Het aantal witte adressen is gebaseerd op de uitgevoerde infrascan, geactualiseerd per juni 2016.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 16 Slotbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-161\"><span class=\"lf-art-num\">§ 16.1</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1611\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2007 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft voor subsidiebesluiten die zijn genomen op grond van de Algemene subsidiebesluit Zeeland 2007.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-162\"><span class=\"lf-art-num\">§ 16.2</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding en aanhaling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1621\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16.2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit wordt aangehaald als: \"Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013\", afgekort tot \"Asb 2013\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage A als bedoeld in artikel 1.9.7 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Uitgangspunten</h3>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Doelstelling Dit controleprotocol heeft betrekking op subsidies die de provincie Zeeland verstrekt aan instellingen op grond van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 (afgekort Asb 2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit controleprotocol is opgesteld om duidelijkheid te scheppen over de aspecten waar de accountant zijn controle ten minste op dient te richten. Hierin worden de verwachtingen van gedeputeerde staten van Zeeland vastgelegd ten aanzien van de werkzaamheden van de accountant bij de controle van de aanvraag tot vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur van de subsidieontvanger is verantwoordelijk voor de correcte samenstelling, getrouwheid en rechtmatigheid van de aanvraag tot vaststelling, bestaande uit de prestatiebewijzen, de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden en de financiële verantwoording opgesteld overeenkomstig de indeling van de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De accountant verricht zijn onderzoek, gericht op het verkrijgen van een hoge mate van zekerheid over de financiële verantwoording die onderdeel uitmaakt van de aanvraag tot vaststelling. De accountant controleert de financiële verantwoording met inachtneming van de voorgeschreven aandachtspunten in hoofdstuk 2 van dit controleprotocol. De accountant rapporteert zijn bevindingen in een controleverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Definities In dit controleprotocol wordt verstaan onder: subsidieverstrekker: provincie Zeeland, subsidieontvanger: instelling die subsidie ontvangt van de provincie Zeeland, accountant: accountant die de aanvraag tot vaststelling controleert, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants, of een accountant-administratieconsulent, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 36, derde lid van de Wet op de Accountant-administratieconsulent, aanvraag tot vaststelling: het geheel aan documenten dat dient te worden ingediend voor de verantwoording van de subsidie. financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit en die zijn afgezet tegen de begrote kosten en opbrengsten; subsidie conform arrangement 3: een subsidie conform paragraaf 1.9 Arrangement 3 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. integrale kosten subsidie: een subsidie conform hoofdstuk 2 Integrale kosten subsidie van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Procedures In het geval van een subsidie conform arrangement 3 wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend door de subsidieontvanger binnen 12 weken nadat de projecttermijn is verstreken, tenzij hiervoor uitstel is verleend, of is afgesproken via de beschikking tot subsidieverlening dat de subsidie in de jaarrekening wordt verantwoord. In het geval van een integrale kosten subsidie wordt de aanvraag tot vaststelling zes maanden na afloop van het boekjaar ingediend door de subsidieontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot vaststelling van een subsidie conform arrangement 3 bestaat uit: het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs, overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden, een financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag tot vaststelling van een integrale kosten subsidie bestaat uit: het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs, overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden, het jaarverslag over het boekjaar, een financiële verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidieontvanger heeft een actieve meldplicht. Dit houdt in dat iedere afwijking van de beschikking tot subsidieverlening of de aanvraag voor de subsidie dient te worden gemeld. Niet tijdig melden kan consequenties hebben voor de hoogte van de subsidie. Wijzigingen op de subsidie worden altijd schriftelijk door de subsidieverstrekker bevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 1.9.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is het mogelijk dat door de externe accountant van de provincie Zeeland, of een door de provincie Zeeland aan te wijzen ambtenaar of accountant, een review wordt uitgevoerd bij de accountant van de instelling.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Onderzoeksaanpak</h3>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Controleaanpak De onderzoeksaanpak is primair de verantwoordelijkheid van de accountant. Dit controleprotocol geeft nadere aanwijzingen, die de accountant bij zijn onderzoeksaanpak ten minste moet betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controle van de financiële verantwoording dient te omvatten de getrouwheid, de rechtmatige besteding van de subsidie en de naleving van de financiële verplichtingen en voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Financiële verantwoording Van de accountant wordt verwacht dat hij controleert dat de in het verslag opgenomen financiële gegevens getrouw zijn weergegeven en rechtmatig zijn. Dit houdt in dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een subsidie conform arrangement 3: de uitgaven rechtstreeks aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de gesubsidieerde activiteit (Artikel 1.3.1 eerste lid Asb 2013); geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1 tweede lid Asb 2013); de personeelskosten aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en gebaseerd zijn op een controleerbare urenadministratie (Artikel 1.3.2 eerste lid onder a Asb 2013); de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording zijn berekend aan de hand van een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in geval van een deeltijd dienstverband omgerekend naar een maandsalaris bij een voltijdsdienstverband (Artikel 1.3.2 eerste lid onder b Asb 2013); de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording het met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde in begroting opgenomen bedrag aan personeelskosten niet overschrijden (Artikel 1.3.2 eerste lid onder b Asb 2013); de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 1.9.5 eerste lid onder c jo. artikel 1.1.1 onder f Asb 2013); de (extra)inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 1.9.5 eerste lid onder c jo. artikel 1.1.1 onder f Asb 2013); de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen financiële voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 1.9.5 eerste lid onder b Asb 2013); of, indien op de subsidie ook een ander hoofdstuk (bijvoorbeeld hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor verkeersveiligheid) uit het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 dan hoofdstuk 1 en 2 van toepassing is, ook aan de financiële voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van een integrale kosten subsidie: dat de kosten op de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde wijze zijn toegerekend aan de gesubsidieerde activiteiten (Artikel 2.2.1 eerste lid onder b Asb 2013); dat er geen toevoegingen aan reserves zijn toegerekend aan de subsidiabele kosten (Artikel 2.2.1 eerste lid onder d Asb 2013); geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1 tweede lid Asb 2013); de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen overige financiële voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 2.8.2 onder d Asb 2013); de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 2.8.2 eerste lid onder d); de (extra)inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 2.8.2 eerste lid onder d).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Referentiekader Het wettelijk kader voor dit controleprotocol is: de Algemene wet bestuursrecht; de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013; het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013; de in de beschikking tot subsidieverlening aanvullende subsidieverplichtingen en subsidievoorwaarden; de overige van toepassing zijnde besluiten en correspondentie met betrekking tot de verleende subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen verbonden aan de financiële verantwoording streeft de accountant naar een hoge mate van zekerheid. De controle moet worden uitgevoerd met een betrouwbaarheid van 95 procent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële informatieEen controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de meest waarschijnlijke fout niet groter is dan één procent van de verantwoording van de totale subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als deze norm overschreden wordt, is de hieronder vermelde tabel van toepassing: - Strekking controleverklaring - - - Goedkeuringstolerantie Goedkeurend Beperking Oordeelonthouding Afkeurend Fouten in de aanvraag tot vaststelling ≤ 1% &gt; 1% ≤ 3% - ≥ 3% Onzekerheden in de controle ≤ 3% &gt; 3% ≤ 10% - - De rapporteringstolerantie is gelijk aan de controletolerantie.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Accountantsproducten</h3>\n<p class=\"lf-p\">De accountant gebruikt het meest recente model controleverklaring zoals opgenomen in de Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector. In de controleverklaring wordt tevens vermeld dat de controle mede in overeenstemming met dit controleprotocol is uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de controleverklaring ten behoeve van de provincie Zeeland dient ten minste te worden gemeld, in de paragraaf \"verklaring betreffende de jaarrekening/xxx\" een verwijzing naar de beschikking tot subsidieverlening, inclusief datum en kenmerk; in de paragraaf \"verantwoordelijkheid van het bestuur\" een verwijzing naar de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013; in de paragraaf \"verantwoordelijkheid van de accountant\" naast het Nederlands recht een verwijzing opnemen naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en verplichtingen; in de paragraaf \"oordeel\" een verwijzing naar de financiële verantwoording en een verwijzing naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en subsidieverplichtingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeldtekst, gebaseerd op Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector, zoals de provincie Zeeland wil ontvangen ten minste voorzien van alle hiervoor benoemde essentiële onderdelen is te vinden in de bijlage bij dit controleprotocol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij het controleprotocol voor de accountant CONTROLEVERKLARING VAN DE ONAFHANKELIJKE ACCOUNTANT Afgegeven ten behoeve van de provincie Zeeland Aan: Opdrachtgever Wij hebben bijgaande financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 van ... (naam entiteit(en)) te ... (statutaire vestigingsplaats) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../… met kenmerk voor het project ………. gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid van het bestuurHet bestuur van de entiteit is verantwoordelijk voor het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording in overeenstemming met de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013, het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 en de voorwaarden zoals benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid van de accountantOnze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de financiële verantwoording op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat financiële verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de financiële verantwoording. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de financiële verantwoording een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het samenstellen van de financiële verantwoording door de entiteit, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de entiteit. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het samenstellen van de financiële verantwoording, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de financiële verantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">OordeelNaar ons oordeel geeft de financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 van ... (naam entiteit(en)) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../… met kenmerk voor het project ……….in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer, in overeenstemming met het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperking in gebruik en verspreidingskringDe financiële verantwoording is opgesteld voor ... (naam subsidiegever) met als doel ... (naam entiteit(en)) in staat te stellen te voldoen aan de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Hierdoor is de financiële verantwoording mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De financiële verantwoording met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam entiteit(en)) en de provincie Zeelanden dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaats en datum Toelichting bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 Algemeen (hoofdstuk 1) In de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 (Asv) bepalen provinciale staten dat gedeputeerde staten regels moeten stellen voor het verstrekken van subsidies. Ter uitvoering van deze bepaling hebben gedeputeerde staten dit Algemene subsidiebesluit Zeeland 2013 (Asb) geformuleerd. Het Asb bevat de algemene subsidieregels. Daarnaast zijn ook specifieke beleidsafhankelijke subsidieregels opgenomen in dit subsidiebesluit. Daardoor is de wijze van subsidieverstrekking zoveel mogelijk uniform gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opstellen van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is rekening gehouden met: de beleidsnota \"resultaat met subsidie\", het rijkssubsidiekader, het collegeprogramma \"stuwende krachten\", de Wet dwangsom, de verantwoordingssystematiek van Single informatie Single Audit, de evaluatie van het subsidieproces, en staatssteun.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rijkssubsidiekaderDe algemene subsidieverordening schrijft een arrangementensysteem voor. Dit systeem wordt ook gehanteerd binnen het rijkssubsidiekader. Er zijn drie arrangementen. Hieronder worden deze kort toegelicht aan de hand van de kenmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrangement 1 – tot en met € 10.000Met dit arrangement worden subsidies tot en met € 10.000 verstrekt waarbij op basis van een steekproef wordt bepaald of een prestatieverantwoording moet worden ingediend. In de beschikking tot subsidieverlening wordt de prestatieafspraak opgenomen en de wijze van prestatieverantwoording geformuleerd. Verder meldt deze beschikking dat de prestatieverantwoording binnen 22 weken na afloop van de activiteit op basis van een steekproef door de provincie kan worden opgevraagd. Subsidies die niet in de steekproef vallen ontvangen binnen 22 weken na afloop van de activiteit een ambtshalve vaststelling. Dit houdt in dat de subsidie wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling moet indienen. Subsidies die wel in de steekproef vallen, worden vastgesteld op basis van de prestatieverantwoording. De wijze waarop de steekproef wordt gehouden is door gedeputeerde staten vastgelegd in beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt bij de verlening volledig bevoorschot. Daarnaast moet de instelling melding maken van fundamentele afwijkingen ten opzichte van de afspraken uit de beschikking tot subsidieverlening. Het niet voldoen aan deze verplichting heeft consequenties voor de subsidieverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrangement 2 – hoger dan € 10.000 – tot en met € 50.000.Met dit arrangement worden subsidies hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 verstrekt die verantwoord moeten worden met een prestatieverantwoording. In de beschikking tot subsidieverlening wordt een prestatieafspraak opgenomen. De definitieve subsidie wordt bepaald aan de hand van de gerealiseerde prestatieafspraak. Op de subsidie wordt een voorschot verleend van maximaal 75 procent van het subsidiebedrag. Er is geen standaardverplichting tot het indienen van tussentijdse rapportages. De instelling moet wel melding maken van fundamentele afwijkingen ten opzichte van de afspraken uit de beschikking tot subsidieverlening. Het niet voldoen aan deze verplichting heeft consequenties voor de subsidieverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrangement 3 – hoger dan € 50.000Met dit arrangement worden subsidies hoger dan € 50.000 verstrekt die verantwoord moeten worden met een prestatieverantwoording en een financiële verantwoording. De definitieve subsidie wordt bepaald aan de hand van de gerealiseerde prestatieafspraak en op basis van de werkelijke besteding van de subsidie. Op de subsidie wordt een voorschot verleend van maximaal 75 procent van het subsidiebedrag. Er is geen standaardverplichting tot het indienen van tussentijdse rapportages. De instelling moet wel melding maken van fundamentele afwijkingen ten opzichte van de afspraken uit de beschikking tot subsidieverlening. Het niet voldoen aan deze verplichting heeft consequenties voor de subsidieverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting (hoofdstuk 1)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de definiëring van het begrip 'instelling' wordt helder dat elk bedrijf, vereniging of stichting als instelling kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van arrangement geeft aan dat dit een vaste set van regels, verplichtingen en voorwaarden betreft. Het gaat hierbij om specifieke regels voor de wijze van verlenen, de wijze van verantwoorden van de subsidie en de wijze van subsidievaststelling. Daarnaast betreffen het voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidieverstrekking verbonden kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De prestatieafspraak wordt altijd opgenomen in de beschikking tot subsidieverstrekking. Het doel is om de prestatieafspraak zo SMART mogelijk te formuleren. SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het prestatiebewijs dient als \"bewijs\" dat de prestatieafspraak is behaald. Het benodigde prestatiebewijs wordt in de beschikking tot subsidieverlening beschreven. Het doel is om het bewijs zo eenvoudig mogelijk te laten zijn. Daarnaast is het doel om de kosten van het prestatiebewijs voor de instelling zo beperkt mogelijk te houden. Het prestatiebewijs kan zijn een foto, een filmopname, het op te leveren rapport, een kaartje van het concert, etc.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn situaties opgenomen waarin gedeputeerde staten besluiten om geen subsidie te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid bepaalt dat alleen instellingen als gedefinieerd in artikel 1.1.1 een subsidie kunnen ontvangen. De definitie van een instelling is ruim omschreven. Het komt er op neer dat alleen natuurlijke personen niet in aanmerking komen voor subsidie. Er zijn wel hoofdstukken met specifieke regels in het Asb die van deze algemene regel afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid sub a bepaalt dat een subsidie niet na realisatie van de activiteit wordt verleend. Het meetpunt is hierbij het moment van de ontvangst van de subsidieaanvraag. Dus een subsidieaanvraag die wordt ingediend nadat de te subsidiëren activiteit is gerealiseerd wordt afgewezen. Dit artikel is opgenomen in relatie met de artikelen 2 en 4 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013. Deze artikelen bepalen dat een subsidie wordt verleend voor de realisatie van beleidsdoelstellingen en dat de gevraagde subsidie nodig moet zijn voor realisatie van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid, sub c geeft aan dat er onder de € 2.500 geen subsidie wordt verstrekt. Dit houdt in dat aanvragen voor een subsidie van minder dan € 2.500 direct worden afgewezen. Echter ook subsidieaanvragen voor een hoger bedrag kunnen worden afgewezen. Dit is het geval als gedeputeerde staten op basis van hun beoordeling van de subsidieaanvraag en de begroting tot de conclusie komen dat een subsidiebedrag lager dan € 2.500 verstrekt zou moeten worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet alle kosten opgenomen in een begroting van de activiteit zijn subsidiabel. Slechts de kosten die rechtstreeks samenhangen met de activiteit worden gesubsidieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat met name de indirecte (vaste) kosten van een instelling als niet subsidiabel worden aangemerkt. Voorbeelden van dergelijke kostenposten zijn de kosten van gebruik van ruimten, apparatuur en deskundigheid waarover de instelling permanent beschikt, kosten die behoren tot de normale exploitatielasten van de instelling, kosten die niet direct en uitsluitend noodzakelijk zijn voor de gesubsidieerde activiteit en ook kosten van reguliere onderhoud- of herstelwerkzaamheden van de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat BTW alleen subsidiabel is als het ook een werkelijke kostenpost is voor de instelling. Als betaalde BTW kan worden verrekend met ontvangen BTW of kan worden gecompenseerd via het BTW-compensatiefonds, dan is de BTW niet subsidiabel. De kostenposten in de begroting en in de eventuele subsidieverantwoording moeten dan exclusief BTW worden opgenomen. Indien de instelling de BTW niet kan verrekenen of compenseren kunnen de kostenposten inclusief BTW worden opgenomen in de begroting en in de eventuele subsidieverantwoording.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor subsidiabele directe personeelskosten wordt een uniforme rekenmethode toegepast voor het bepalen van een uurtarief. Deze methode gaat er vanuit dat de personeelskosten met een tarief per uur worden toegerekend aan de activiteit. Het maximaal subsidiabele uurtarief wordt berekend door het bruto maandsalaris te vermenigvuldigen met 1,2%. De uitkomst van deze berekening is een all-in uurtarief. Dit uurtarief wordt geacht voldoende te zijn voor de dekking van alle directe personeelskosten van de instelling. Naast salarissen gaat het dan om bijvoorbeeld de werkgeverslasten, een eindejaarsuitkering en vakantiegeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personeelskosten zijn echter pas subsidiabel als zij direct zijn toe te rekenen aan de activiteit. Zo kunnen er geen loonkosten worden gesubsidieerd van een personeelslid dat niet direct aantoonbaar heeft gewerkt aan de gesubsidieerde activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een afwijkmogelijkheid opgenomen voor individuele gevallen. Gedeputeerde staten nemen na ontvangst van een schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager per geval een afzonderlijk besluit. Het gebruikmaken van de afwijkmogelijkheid kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als een instelling een uurtarief hanteert dat is goedgekeurd door de Europese Unie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is mogelijk af te wijken van de termijn van acht weken. Het gebruik maken van de afwijkmogelijkheid kan echter niet strijdig zijn met artikel 1.2.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden de minimale eisen van de subsidieaanvraag aangegeven. In veel gevallen kan subsidie worden aangevraagd met een aanvraagformulier. Door op een juiste manier gebruik te maken van het aanvraagformulier wordt doorgaans voldaan aan de bepalingen van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 sub g bepaalt dat de instelling dient te verklaren dat wordt voldaan aan het eerste, tweede en derde lid van artikel 5 van de Asv over de provinciale norm voor topinkomens. Indien het aanvraagformulier voor de subsidie hierin niet voorziet kan de volgende tekst worden gehanteerd: 'ik verklaar/ wij verklaren hierbij dat van geen van onze bestuurders, directeuren of medewerkers het belastbaar loon en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn het belastbaar loon van de ministers te boven gaat'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 sub h is van toepassing op de situatie waarbij de te subsidiëren activiteit tot stand komt door middel van een samenwerkingsverband. Een dergelijk samenwerkingsverband mag niet leiden tot extra kosten voor het project. Daarom wordt gevraagd om inzicht in de afspraken van eventuele samenwerkingsverbanden. Indien een samenwerkingsverband zorgt voor hogere kosten kan dit invloed hebben op het besluit over de subsidiabele kosten en/of de hoogte van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat gedeputeerde staten nadere informatie kunnen opvragen. Deze nadere informatie wordt opgevraagd als de instelling bijvoorbeeld voor de eerste keer een subsidie ontvangt van de provincie. Daarnaast kunnen gedeputeerde staten van dit artikel gebruik maken ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.4.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel dient de instelling de kosten en opbrengsten in de begroting zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. Uit de opbrengsten moet nadrukkelijk blijken bij welke andere instanties of afdelingen van de provincie Zeeland een subsidieaanvraag is gedaan. Deze gegevens worden namelijk meegenomen in de afweging om al dan niet subsidie te verlenen of om de hoogte van de subsidie te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als twee of meer aanvragen bij de provincie worden ingediend en als die aanvragen betrekking hebben op dezelfde activiteit worden de aanvragen intern afgestemd. Indien mogelijk worden de aanvragen samengevoegd zodat de gevraagde subsidies met één beschikking worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht na de verstrekking van de subsidie blijken dat niet is vermeld dat er meerdere subsidieaanvragen zijn gedaan (zowel binnen de provincie, als bij andere subsidiënten) dan kan intrekking van de subsidie of een lagere vaststelling volgen op grond van artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen Awb). Dat artikel staat intrekking of een lagere vaststelling van de subsidie toe in geval van het niet of niet volledig plaatsvinden van de activiteit, het niet nakomen van verplichtingen of het verstrekken van onjuiste gegevens op het moment van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel moet daarnaast in de begroting exact worden opgenomen hoeveel de personeelskosten bedragen. Dit gebeurt per functie. Dit zorgt ervoor dat de rekenmethode van het uurtarief niet persoonsafhankelijk is, maar is gekoppeld aan een functie en bijbehorende waardering. Zo wordt inzicht verkregen in de opbouw van de berekening van de loonkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De instelling moet aangeven of ze wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen. Op basis daarvan is het mogelijk om te bepalen of de eventueel in de begroting opgenomen BTW subsidiabel is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verlenen van een subsidie is gebaseerd op wederzijds vertrouwen, namelijk dat het geld rechtmatig wordt besteed en dat de (administratieve) verplichtingen bij de subsidie worden nagekomen. Subsidiegelden zijn publieke middelen en moeten derhalve ook zorgvuldig en doeltreffend worden ingezet. Daarom kunnen gedeputeerde staten bij een nieuwe subsidieaanvraag altijd de opgedane ervaringen uit het verleden van de instelling betrekken bij de beoordeling van de aanvraag. Ervaringen uit het verleden kunnen voor gedeputeerde staten aanleiding zijn om geen subsidie te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten hebben voor de beoordeling van de subsidie acht weken de tijd. Daarna volgt een beschikking. Dit kan een beschikking tot subsidieverlening zijn, maar ook een beschikking tot afwijzing. Indien een instelling onvoldoende informatie verstrekt aan de provincie om een beslissing te nemen, wordt aanvullende informatie opgevraagd. De tijd die instellingen wordt gegeven om het gevraagde aan te leveren, schort de termijn van acht weken op.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval dat staatsteun een rol speelt bij de subsidieverstrekking, wordt de aanvraag voorgelegd aan de Europese Commissie. In dat geval zal de beoordeling van de aanvraag meer tijd in beslag nemen. Pas na uitspraak van de Europese Commissie zal gedeputeerde staten besluiten op de aanvraag. Gedeputeerde staten zal de aanvrager op de hoogte stellen, indien de betreffende aanvraag wordt voorgelegd aan de Europese Commissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het komt voor dat de Europese Unie en/of het Rijk en de Provincie Zeeland een subsidie verlenen voor hetzelfde project. De provincie wil in dat geval de instelling niet confronteren met verschillende soorten voorwaarden en verplichtingen. In dergelijke gevallen wordt daarom de subsidieverstrekking afgestemd op de subsidievoorwaarden van de subsidieverstrekking van deze hogere overheid. Dit gebeurt doorgaans door alleen de beschikking tot subsidievaststelling van het Rijk op te vragen als verantwoording. De provincie stelt de provinciale subsidie vast aan de hand van de definitieve vastgestelde rijkssubsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat gedeputeerde staten hiervan kunnen afwijken als de provincie een hogere subsidie verleent dan de hogere overheid. Ook als de subsidie in arrangement 1 valt kan worden besloten om af te wijken. Dit gebeurt dan om de administratieve lasten van de instelling en de provincie zoveel mogelijk te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid wordt bepaald dat gedeputeerde staten bij subsidieverstrekking ook kunnen aansluiten bij de subsidievoorwaarden van lagere overheden. Dit gebeurt op dezelfde wijze als het aansluiten bij de subsidievoorwaarden van een hogere overheid. De beschikking tot subsidievaststelling van de lagere overheid is het uitgangspunt voor de provinciale vaststelling. Wordt een bedrag in één keer verstrekt, dan doet de provincie dit ook. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt als de provinciale subsidie lager is dan de subsidie van de lagere overheid. Daarnaast vindt een risicoafweging plaats alvorens gedeputeerde staten besluiten om aan te sluiten bij de subsidievoorwaarden van een lagere overheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.5.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Single informatie Single audit verantwoordingssystematiek is een systematiek voor de verantwoording van subsidies tussen overheden. In een aantal gevallen is het verplicht om deze systematiek toe te passen. Hierbij maakt de hoogte van de subsidie niet uit. In dit artikel is geregeld dat op alle subsidies waarop de systematiek van Single informatie Single audit van toepassing is, het arrangementensysteem niet van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een subsidie moet correct worden besteed. Op een overheid rust bijvoorbeeld de verplichting dat zij opdrachten en diensten Europees aanbesteden. Doet zij dit niet dan wordt de subsidie besteed in strijd met de op de overheid rustende wettelijke verplichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eén van de kenmerken van het rijkssubsidiekader is de meldplicht. Deze houdt in dat de instelling zaken meldt, die van invloed kunnen zijn op de hoogte of het verkrijgen van de subsidie. Dit is bijvoorbeeld het geval als een prestatieafspraak niet wordt gerealiseerd of er extra opbrengsten zijn. Zaken die onderdeel uitmaken van de meldplicht worden ook aangehaald in de beschikking tot subsidieverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als achteraf op welke wijze dan ook blijkt dat de instelling niet heeft voldaan aan de meldplicht, dan kan dit op grond van artikelen 4:46 en 4:49 van de Awb gevolgen hebben voor de hoogte van de subsidie. Op basis van redelijkheid wordt bepaald welke gevolgen het niet naleven heeft voor de hoogte van de subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het komt voor dat instellingen bepaalde activa verwerven met een deel van of de gehele subsidie. Een investering in activa heeft vaak tot doel om een bepaalde activiteit van de grond te krijgen en een bepaalde mate van continuïteit te borgen na de start. Het is niet de bedoeling dat de verworven activa direct na afloop van de activiteit wordt verkocht. De activa zal de gehele economische gebruiksduur voor dezelfde activiteit als waarvoor deze is aangeschaft moeten worden gebruikt. Dit geldt niet voor activa met een economische gebruiksduur van 5 jaar of langer. In dat geval dient de activa gedurende vijf jaar na vaststelling van de subsidie beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft. Na deze periode zal vervreemding van deze activa geen gevolgen meer hebben voor de hoogte van de subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast het bepaalde in artikel 4:37 Awb – op grond waarvan gedeputeerde staten acht standaardverplichtingen aan de subsidieontvanger kunnen opleggen - zijn gedeputeerde staten bevoegd om ook andere verplichtingen op te leggen. Het moet dan gaan om verplichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk en geschikt zijn om het beoogde subsidiedoel te verwezenlijken. Het Asb dient hiervoor als wettelijke basis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als een subsidie is verleend en deze is aangemerkt als toelaatbare staatssteun, dan dient de instelling zich te houden aan de verplichtingen die Europa stelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.6.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde het voor de Zeeuwse burger meer zichtbaar te maken waar de provincie haar geld aan uitgeeft, moet in beginsel bij een gesubsidieerde activiteit duidelijk worden gemaakt dat deze (mede) mogelijk is gemaakt door de provincie Zeeland. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van een bord met daarop een dergelijke tekst of door plaatsing van het provincielogo op het toegangskaartje van een voorstelling. Het niet nakomen van deze verplichting kan bij de vaststelling leiden tot een verlaging van het uiteindelijke subsidiebedrag. De hoogte van de korting wordt bepaald door 5 procent te nemen van de maximale subsidie zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige gevallen is deze verplichting niet gewenst. Gedeputeerde staten kunnen dan besluiten deze verplichting niet op te nemen in de beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over de te realiseren activiteit of deelactiviteiten wordt in de beschikking tot subsidieverlening een SMART prestatieafspraak gemaakt. In arrangement 1 wordt aan deze prestatieafspraak een vast bedrag gekoppeld. Indien de prestatieafspraak wordt gerealiseerd, dan heeft de subsidieontvanger recht op het bedrag van de prestatieafspraak. Omdat dit bedrag een vast bedrag is, wijzigt dit bedrag niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnen arrangement 1 wordt op basis van een steekproef bepaald of een prestatieverantwoording moet worden ingediend. Subsidies die buiten de steekproef vallen, hoeven niet te worden verantwoord. Deze subsidies worden 22 weken na afloop van de activiteit ambtshalve vastgesteld door de provincie. Ambtshalve vaststelling betekent dat de subsidie wordt vastgesteld zonder tussenkomst van de subsidieontvanger. In dit geval zal de subsidie worden vastgesteld op het maximale bedrag zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening, tenzij er omstandigheden zijn (bijvoorbeeld op basis van de meldplicht) die leiden tot een lagere subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de subsidie wel in de steekproef valt dan moet de subsidie worden verantwoord. Van dit besluit wordt de instelling binnen 22 weken na afloop van de activiteit in kennis gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid tot ambtshalve vaststelling van subsidies is geregeld in de Awb. Artikel 4:47 onder a tot en met c van de Awb biedt een aantal mogelijkheden om een subsidie ambtshalve vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie door gedeputeerde staten wordt vastgesteld zonder dat er een verzoek van de gesubsidieerde instelling tot vaststelling is. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt indien de provinciale regelgeving daarin voorziet. Daarom is in dit artikel ambtshalve vaststelling opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uiterlijk vier weken na ontvangst van het besluit van gedeputeerde staten om de subsidie vast te laten stellen op basis van prestatieverantwoording wordt de aanvraag voor vaststelling verzonden aan de provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de termijn van vier weken is verstreken en de provincie geen aanvraag tot vaststelling heeft ontvangen van de instelling zal de provincie éénmalig een herinnering sturen. Indien de verantwoording na het versturen van de herinnering uitblijft, wordt de subsidie na acht weken ambtshalve vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoording van een subsidie wordt ingediend bij de aanvraag tot vaststelling. De verantwoording van een subsidie volgens arrangement 1 bestaat uit één of meerdere prestatiebewijzen. Deze zijn benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Met het prestatiebewijs wordt aangetoond of de prestatieafspraak is gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat gedeputeerde staten extra informatie kunnen inwinnen over de gesubsidieerde activiteit, nadat de aanvraag voor vaststelling is ingediend. Dit houdt in dat er meer gegevens over de realisatie kunnen worden opgevraagd of dat een ambtenaar van de provincie ter plekke een controle kan verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.7.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de subsidie wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald. Een subsidie op basis van arrangement 1 waarvoor de aanvraag tot vaststelling is ingediend, wordt vastgesteld op basis van de gerealiseerde prestatieafspraken. Dit wordt bepaald aan de hand van de ingediende prestatiebewijzen. Deze bepalen namelijk voor de provincie of een activiteit niet, gedeeltelijk of in zijn geheel heeft plaatsgevonden. Indien er minder is gerealiseerd, wordt de subsidie lager vastgesteld. Hierover wordt vooraf duidelijkheid verstrekt in de beschikking tot subsidieverlening. Doordat er geen financieel verslag wordt gevraagd, wordt de subsidie niet vastgesteld op basis van financiële gegevens. Er vindt bijvoorbeeld geen beoordeling plaats of de subsidie volledig is besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de instelling een verplichting niet nakomt, dan wordt een korting toegepast op de subsidie. De korting wordt berekend over de maximale subsidie zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. De korting wordt afgetrokken van het subsidiebedrag dat resteert nadat de inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over de te realiseren activiteit of deelactiviteiten wordt in de beschikking tot subsidieverlening een SMART prestatieafspraak gemaakt. In arrangement 2 wordt aan deze prestatieafspraak een vast bedrag gekoppeld. Indien de prestatieafspraak wordt gerealiseerd, dan heeft de subsidieontvanger recht op het bedrag van de prestatieafspraak. Omdat dit bedrag een vast bedrag is, wijzigt dit bedrag niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verstrekken op een subsidie. Het totale voorschot bedraagt niet meer dan 75 procent van de maximale subsidie. De basisregels van de bevoorschotting zijn vastgelegd in het eerste en tweede lid. De looptijd van de activiteit en de liquiditeitsbehoefte van de instelling kunnen aanleiding zijn om een hoger voorschot te verlenen. De liquiditeitsbehoefte wordt bepaald aan de hand van de momenten van verwachte inkomsten en uitgaven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:47 onder a tot en met c van de Awb biedt een aantal mogelijkheden om een subsidie ambtshalve vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie door gedeputeerde staten wordt vastgesteld zonder dat er een verzoek van de gesubsidieerde instelling tot vaststelling is. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt indien de provinciale regelgeving daarin voorziet. Daarom is in dit artikel ambtshalve vaststelling opgenomen. Een ambtshalve vaststelling vindt plaats zodra er door de instelling geen verantwoording van de subsidie wordt ingediend. Voordat gedeputeerde staten overgaan tot een ambtshalve vaststelling wordt een herinneringsbrief (rappel) verstuurd aan de instelling met een laatste verzoek een aanvraag tot vaststelling in te dienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoording van een subsidie volgens arrangement 2 bestaat uit één of meerdere prestatiebewijzen. Deze zijn benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Met het prestatiebewijs wordt aangetoond of de prestatieafspraak is gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat gedeputeerde staten extra informatie kunnen inwinnen over de gesubsidieerde activiteit. Dit houdt in dat er meer gegevens over de realisatie kunnen worden opgevraagd of dat een ambtenaar van de provincie ter plekke controle kan verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de subsidie wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald. De subsidie wordt in arrangement 2 vastgesteld op basis van de gerealiseerde prestatieafspraken. Dit wordt bepaald aan de hand van de ingediende prestatiebewijzen. Deze bepalen namelijk voor de provincie of een activiteit niet, gedeeltelijk of in zijn geheel heeft plaatsgevonden. Indien er minder is gerealiseerd, wordt de subsidie lager vastgesteld. Hierover wordt vooraf duidelijkheid verstrekt in de beschikking tot subsidieverlening. Doordat er geen financieel verslag wordt gevraagd, wordt de subsidie niet vastgesteld op basis van financiële gegevens. Er vindt bijvoorbeeld geen beoordeling plaats of de subsidie volledig is besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de instelling een verplichting niet nakomt, dan wordt een korting toegepast op de subsidie. De korting wordt berekend over de maximale subsidie zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. De korting wordt afgetrokken van het subsidiebedrag dat resteert nadat de inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.8.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op grond van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 beslissen een ander arrangement toe te passen op een subsidie. Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten alleen arrangement 1 mogen toepassen op subsidies die oorspronkelijk in arrangement 2 vallen. Gedeputeerde staten maken een zorgvuldige risicoafweging bij het toepassen van een lager arrangement. Hierbij worden de risico's met de subsidieverlening, aan de hand van bijvoorbeeld ervaringen uit het verleden en de opbouw van de kosten, afgewogen tegen het subsidiebedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Over de te realiseren activiteit of deelactiviteiten wordt in de beschikking tot subsidieverlening een SMART prestatieafspraak gemaakt. Aan de prestatieafspraak wordt een vast bedrag gekoppeld. De subsidieontvanger heeft in principe recht op dit vaste bedrag bij realisatie van de prestatieafspraak. De subsidie wordt ook financieel vastgesteld. Dit houdt in dat een subsidie niet hoger wordt vastgesteld, dan een in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen percentage van de subsidiabele kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verstrekken op een subsidie. Het totale voorschot bedraagt niet meer dan 75 procent van de maximale subsidie. De basisregels van de bevoorschotting zijn vastgelegd in het eerste en tweede lid. De looptijd van de activiteit en de liquiditeitsbehoefte van de instelling kunnen aanleiding zijn om een hoger voorschot te verlenen. De liquiditeitsbehoefte wordt bepaald aan de hand van de momenten van verwachte inkomsten en uitgaven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:47 onder a tot en met c van de Awb biedt een aantal mogelijkheden om een subsidie ambtshalve vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie door gedeputeerde staten wordt vastgesteld zonder dat er een verzoek van de gesubsidieerde instelling tot vaststelling is. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt indien de provinciale regelgeving daarin voorziet. Daarom is in dit artikel ambtshalve vaststelling geregeld. Een ambtshalve vaststelling vindt plaats zodra er door de instelling geen verantwoording van de subsidie wordt ingediend. Voordat gedeputeerde staten overgaan tot een ambtshalve vaststelling wordt een herinneringsbrief (rappel) verstuurd aan de instelling met een laatste verzoek een aanvraag tot vaststelling in te dienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoording van een subsidie volgens arrangement 3 bestaat uit prestatiebewijzen en een financiële verantwoording voorzien van een controleverklaring van een accountant. In het tweede lid is bepaald dat de instelling de subsidie kan verantwoorden door de financiële verantwoording onderdeel te laten uitmaken van de jaarrekening. Daarnaast dient de subsidieontvanger gedeputeerde staten toestemming te vragen om gebruik te maken van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een controleverklaring over de financiële verantwoording van de subsidie wordt gevraagd om het risico op misbruik en oneigenlijk gebruik met subsidies te beperken. De provincie is zich er echter van bewust dat er kosten aan een controleverklaring verbonden zijn en dat een instelling aan hoge eisen moet voldoen om een goedkeurende controleverklaring te ontvangen. In het tweede lid van dit artikel is daarom bepaald dat er kan worden gekozen voor een andere vorm van financiële zekerheid. Dit betreft een financiële verantwoording onderbouwd met facturen en betalingsbewijzen of een beoordelingsverklaring van een accountant.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincie maakt daarom de afweging of de kosten voor het krijgen van meer zekerheid opwegen tegen de kosten van het verkrijgen van een controleverklaring. Ook de hoogte van het subsidiebedrag wordt bij deze afweging betrokken. Situaties waarin dit kan voorkomen is een project met slechts kosten van uitbesteding en een beperkt aantal facturen. Een andere situatie is een (vrijwilligers)instelling die veel kosten moet maken om de administratieve organisatie en interne beheersing op orde te krijgen om een controleverklaring te kunnen ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een standaard accountantscontrole voor een controleverklaring bij de jaarrekening richt zich niet op voorwaarden en verplichtingen die zijn opgenomen in een subsidiebeschikking en de bijbehorende subsidieregels. In dit Algemeen subsidiebesluit is daarom een controleprotocol voor de accountantscontrole opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit controleprotocol vermeldt wat de accountant moet controleren opdat voor de provincie Zeeland aannemelijk is dat de subsidie rechtmatig is besteed en de subsidieverplichtingen en regels zijn nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De controleverklaring dient te zijn opgesteld conform het model bij dit subsidiebesluit, waarbij de accountant een oordeel geeft over de besteding van de subsidie en de naleving van de overige voorwaarden en regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat gedeputeerde staten extra informatie kunnen inwinnen over de gesubsidieerde activiteit. Dit houdt in dat er nadere gegevens over de realisatie en de besteding van de subsidie kunnen worden opgevraagd of dat een ambtenaar van de provincie ter plekke een controle komt verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Subsidies in arrangement 3 worden zowel inhoudelijk als financieel vastgesteld. Bij de subsidievaststelling wordt allereerst gekeken naar de inhoudelijke prestatie met het subsidiebedrag. Dit gaat om de beoordeling van de prestatieafspraken aan de hand van de prestatiebewijzen. Aan de hand daarvan wordt de maximaal te ontvangen subsidie bepaald, alvorens wordt overgegaan op de financiële vaststelling van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de beoordeling van de gerealiseerde prestatieafspraken wordt gekeken naar de financiële verantwoording. Hierbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de bij de subsidieverlening subsidiabel geachte kosten en de werkelijke gemaakte subsidiabele kosten. Op basis van de werkelijke subsidiabele kosten en het gesubsidieerde percentage van deze kosten wordt de werkelijke subsidie bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de subsidievaststelling wordt er ook gekeken naar de opbrengsten in het gesubsidieerde project. Zijn er ten opzichte van de begroting meer opbrengsten gerealiseerd, dan worden deze afgetrokken van de werkelijke subsidiabele kosten. De provincie wil subsidies zo efficiënt mogelijk verstrekken. Dit houdt in dat als een instelling meer opbrengsten realiseert dan vooraf was ingeschat, de activiteit ook was gerealiseerd met een lagere subsidie. Daarom worden de extra opbrengsten afgetrokken van de subsidiabele kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen dat als een verplichting niet is nagekomen er een korting wordt toegepast. Deze vindt plaats in een vooraf bekend gemaakt bedrag of een percentage van de verleende subsidie zoals vermeld in de beschikking tot subsidieverlening. Deze korting wordt afgetrokken van het bedrag dat resteert nadat de hierboven genoemde stappen zijn afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande situaties worden hieronder weergegeven in een voorbeeld van een subsidie voor toeristische activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Bijlage 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking tot subsidieverlening Situatie 1: Een prestatieafspraak is niet gerealiseerd Situatie 2: De prestatieafspraken zijn gerealiseerd tegen lagere kosten Situatie 3: Er zijn extra opbrengsten ten opzichte van de begroting Situatie 4: Er is niet voldaan aan een verplichting Het is mogelijk dat zich combinaties van bovenstaande situaties voordoen. Bij de vaststelling wordt dan eerst de maximale subsidie bepaald op basis van de gerealiseerde prestatieafspraken. Achtereenvolgens worden de verantwoorde kosten en opbrengsten en de naleving van de verplichting betrokken bij de vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Situatie 5: Een combinatie van de voorgaande vier situaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.9.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten kunnen op grond van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 beslissen een ander arrangement toe te passen op een subsidie. Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten alleen arrangement 2 mogen toepassen op subsidies die oorspronkelijk in arrangement 3 vallen. Gedeputeerde staten maken een zorgvuldige risicoafweging bij het toepassen van een lager arrangement op een subsidie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.10.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het komt voor dat instellingen bepaalde activa verwerven met een deel van of de gehele subsidie. De activa moet conform artikel 1.6.3 gedurende 5 jaar na vaststelling van de subsidie nog worden gebruikt voor het doel van de subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activa wel binnen de periode van 5 jaar wordt vervreemd kan dit gevolgen hebben voor de vastgestelde subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere hoofdstukken In hoofdstuk 1 van dit Algemeen subsidiebesluit zijn de algemene regels opgenomen die gelden voor subsidies van de provincie. Er zijn echter een aantal bijzondere vormen van subsidiëren die een aantal aanvullende of afwijkende regels nodig hebben. Daarnaast zijn er een aantal beleidsvelden die vragen om specifieke beleidsafhankelijke criteria ten behoeve van subsidieverstrekking. Deze worden zoveel mogelijk geregeld in aanvullende hoofdstukken van het Algemeen subsidiebesluit. Het vorenstaande houdt in dat artikelen die worden geplaatst in aanvullende hoofdstukken, aanvullend werken op de algemene regels uit hoofdstuk 1, die onverkort voor iedere subsidie gelden, tenzij in de bijzondere regeling anders is bepaald. Met andere woorden: Aanvullingen op de regels gelden boven op de regels in hoofdstuk 1. Afwijkingen ten opzichte van de algemene regels uit hoofdstuk 1 gaan voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op hoofdstuk 2 integrale kosten subsidies Algemeen Voorheen konden instellingen op basis van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2007 een budgetsubsidie ontvangen. Deze subsidie was bedoeld om bepaalde taken van een instelling te subsidiëren, waarbij de subsidie werd gebaseerd op een deel van de jaarlijkse exploitatiekosten van de gesubsidieerde instelling. Hiermee werden niet alleen de direct met de activiteit gepaard gaande kosten gesubsidieerd, maar ook een deel van de indirecte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 wordt getracht een sterkere relatie te leggen tussen beleidsinhoudelijk resultaat en de subsidie. De budgetsubsidie heeft daarom plaats gemaakt voor een integrale kosten subsidie. Met een subsidie op basis van integrale kosten wordt namelijk een transparant verband gelegd tussen de directe kosten van de gesubsidieerde activiteit en de indirecte kosten die daarmee samengaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 2 -</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet iedere instelling komt in aanmerking voor een integrale kosten subsidie. In de subsidienota \"resultaat met subsidie\", staat beschreven hoe een instelling in aanmerking komt voor een inte-grale kosten subsidie. De uit te voeren activiteiten van de instelling moeten voldoen aan één of meerdere maatstaven. Deze maatstaven zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitvoeren van een wettelijke taak: hierbij is de instelling volledig of grotendeels gericht op de uitvoering van een wettelijke taak van de provincie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De instandhouding van een voorziening: de instelling is verantwoordelijk voor de instand-houding van een voorziening die in principe door iedereen gebruikt kan worden en niet tot stand kan komen in een vrije markt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zijn van een dragende instelling: de instelling voert een substantiële hoeveelheid be-leidsinhoudelijke/uitvoerende taken uit en er is daarbij sprake van een sterke mate van we-derzijdse afhankelijkheid tussen provincie en de instelling;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zijn van een uitvoeringsorganisatie: de instelling richt zich relatief gezien voor een groot deel op activiteiten die bijdragen aan provinciale doelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeputeerde staten besluiten op grond van bovenstaande maatstaven welke activiteiten van een instelling in aanmerking komen voor een integrale kosten subsidie. Een afweging wordt gemaakt in relatie tot de provinciale beleidsdoelstellingen, zoals bedoeld in artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013. Gedeputeerde staten stellen op basis van de maatstaven een lijst met instellingen vast die in aanmerking komen voor een integrale kosten subsidie. De lijst wordt gepubliceerd in het provinciaal blad. De lijst is niet statisch en wordt ingeval van wijziging geactualiseerd en opnieuw gepubliceerd in het provinciaal blad. Uitgaande van een boekjaar van 1 januari tot en met 31 december is het streven om de lijst ruim vooraf-gaand aan een boekjaar te publiceren. Zodoende is er voldoende tijd voor de instelling om een volledige aanvraag voor een integrale kosten subsidie in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit staat overigens los van de 'redelijke termijn' die in acht moet worden genomen bij het beëin-digen van een subsidierelatie van drie jaar of langer die een instelling heeft met de provincie. Dergelijke subsidierelaties worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht beschermd tegen het plotseling stopzetten van de subsidie. Indien wordt besloten om een subsidierelatie te beëindigen, dan dient de provincie dit tijdig kenbaar te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een integrale kosten subsidie zijn alle kosten van de instelling subsidiabel. De kosten moe-ten wel worden toegerekend aan de te subsidiëren activiteiten. Zowel direct als indirect toe te rekenen kosten worden subsidiabel geacht. Dit wil overigens niet zeggen dat ook alle kosten gedekt zullen worden door de integrale kosten subsidie. Over de hoogte van de subsidie besluiten gedeputeerde staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook een toevoeging aan een voorziening is subsidiabel, mits direct of indirect toegerekend aan een activiteit. Toevoegingen aan reserves zijn in principe niet subsidiabel. De instelling kan wel een gemotiveerd verzoek indienen om dit toch toe te staan. Gedeputeerde staten beoordelen dan of de toevoeging aan een reserve vanuit hun rol als subsidieverstrekker nodig is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de reservevorming nodig is voor het voortbestaan van de instel-ling en daarmee de voortzetting van de gesubsidieerde activiteiten die de organisatie uitvoert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1.3.2 is geregeld dat loonkosten subsidiabel zijn tegen een percentage van 1,2 procent van het bruto maandloon. Op de integrale kosten subsidie is deze bepaling niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een integrale kosten subsidie wordt verleend voor maximaal het boekjaar van de instelling. De provincie kan hierdoor jaarlijks beoordelen welke activiteiten die een instelling in het betreffende jaar uitvoert bijdragen aan provinciaal beleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast de informatie op basis van hoofdstuk 1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 moet additionele informatie worden ingediend om in aanmerking te komen voor een integrale kosten subsidie. Het gaat om een toelichting op de toerekening van de kosten en opbrengsten aan te subsidiëren activiteiten. Het gaat daarbij om zowel de direct als indirect aan de activiteit toe te rekenen kosten. Dit geldt eveneens voor de opbrengsten. Deze moeten namelijk ook realistisch aan de activiteiten worden doorberekend. Verder wordt een gecontroleerde jaarreke-ning gevraagd om inzicht te krijgen in de financiële positie van de instelling. Deze additionele informatie wordt betrokken bij de beoordeling van de subsidieaanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het beoordelen van de aanvraag is er behoefte aan een overzicht van de totale kosten en opbrengsten van de instelling. Op basis van een dergelijke exploitatiebegroting kan de totale subsidiebehoefte worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het overzicht van de kosten per te subsidiëren activiteit kan het uiteindelijke sub-sidiebedrag per prestatieafspraak worden bepaald. Daarnaast moeten ook de opbrengsten worden verdeeld over de te subsidiëren activiteiten. Aan de hand hiervan wordt de subsidiebe-hoefte per prestatieafspraak bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een verantwoorde besteding van publieke middelen moet vastgesteld kunnen worden of de subsidie noodzakelijk is om de te subsidiëren activiteit uit te voeren. De beschikking van de instelling over een groot volume aan vrij besteedbare middelen ten opzichte van het gevraagde subsidiebedrag kan er toe leiden dat aan de instelling een lagere subsidie wordt toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een integrale kosten subsidie worden voorschotten betaald. Het totale voorschotbedrag bedraagt maximaal 100 procent van het subsidiebedrag. Het voorschotbedrag wordt in termijnen uitbetaald. In de regel zullen dit maandelijkse termijnen zijn van 1/12de deel van het totale voorschotbedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een integrale kosten subsidie wordt verantwoord door middel van een inhoudelijke en financiële verantwoording. Bij de financiële verantwoording is het nodig dat er zowel een verantwoording is over de werkelijke totale kosten en opbrengsten van de instelling. Evenals een verantwoor-ding over de werkelijke kosten en opbrengsten die zijn toegerekend aan de gesubsidieerde activiteiten. Dit laatste overzicht kan bijvoorbeeld als bijlage worden toegevoegd aan de jaarre-kening van de instelling. Deze dient net als de jaarrekening gecontroleerd te zijn door de ac-countant. Het overzicht dient zodanig te zijn opgesteld dat een vergelijking van de werkelijke kosten met de begrote kosten te maken is. De begroting zal zijn opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op hoofdstuk 6 Bijzondere bepalingen voor ver-strekking van subsidie ten behoeve van verwijderen van as-best en plaatsen van zonnepanelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In oktober 2012 is een convenant gesloten tussen de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en de gezamenlijke provincies waarin is overeengekomen dat in de periode 2012-2014 door provincies, met rijksmiddelen, een regeling wordt opgesteld en uitgevoerd om het verwijderen van asbestdaken en afvoeren van asbest bij agrarische ondernemers te subsidiëren in die gevallen waar ook zonnepanelen op de nieuwe daken worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provincies hebben op grond van dit convenant een inspanningsverplichting om te streven naar een extra sanering van 4 miljoen vierkante meter asbestdak voor 31 december 2014.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Conform Aanwijzingen voor de (provinciale)regelgeving/ regelgevingstechniek zijn die begrip-pen gedefinieerd die een van het dagelijks spraakgebruik afwijkende betekenis hebben dan wel geen eenduidige betekenis hebben in het dagelijks spraakgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel e Het Asbestverwijderingsbesluit bevat specifieke voorschriften voor inventarisatie en verwijdering van asbest, waaronder het vereiste van certificering voor asbestverwijdering en asbestinventarisatie. Het Asbestverwijderingsbesluit valt onder de reikwijdte van de Dienstenwet en is genotificeerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf, noch elders in de verordening, zijn vereisten opgenomen ten aanzien van de-minimissteun. Deze vereisten uit de betreffende verordening gelden rechtstreeks en vormen rechtstreeks onderdeel van het toetsingskader. In het aanvraagformulier worden derhalve wel gegevens gevraagd om aan deze vereisten te kunnen toetsen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkste criteria daarvan zijn de volgende: het maximum voor de-minimissteun aan een onderneming bedraagt € 7.500 gerekend over de twee voorafgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar; het maximum geldt voor alle overheidssteun die als de-minimissteun kan worden aangemerkt. Het doet echter niet af aan de mogelijkheid voor de begunstigde om andere overheidssteun te ontvangen uit hoofde van door de Europese Commissie goedgekeurde regelingen; het maximum geldt voor alle categorieën steun, in welke vorm en met welk doel dan ook verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de de-minimissteun wordt in principe van het maximaal verleende steunbedrag uitgegaan. Het moment van de feitelijke uitbetaling is daarbij niet van belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Eerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidie wordt berekend over het aantal vierkante meters dak dat asbest bevat. Het betreft nadrukkelijk niet het aantal vierkante meters asbest dat gestort wordt. Bij de bepaling van de hoeveelheid vierkante meters asbest van het dak wordt als leidraad genomen het aantal vier-kante meters asbestdak zoals genoemd in het asbestinventarisatierapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Een aanvrager kan slechts een keer subsidie aanvragen in een provincie op grond van deze regeling. Wel kan een aanvrager tegelijk voor meerdere bouwlocaties of bouwblokken subsidie vragen mits hij voor iedere verwijdering van een asbestdak aan de vereisten voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet wordt uitgesloten dat de aanvrager op grond van andere regelingen subsidie ontvangt voor dezelfde subsidiabele activiteit dan wel voor het plaatsen van zonnepanelen. Deze regeling beperkt derhalve niet de toegang tot bijvoorbeeld de regeling Stimulering Duurzame Energie-productie (SDE+) of de fiscale mogelijkheden middels de MIA (Milieu Investeringsaftrek) en Vamil (willekeurige afschrijving milieu-investeringen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgronden van paragraaf 6.3 gelden naast de reeds geldende weigeringsgronden in de Awb en de Asv. De toets aan de weigeringsgronden vindt grotendeels reeds plaats voordat inhoudelijk wordt onderzocht of de aanvraag aan de vereisten genoemd in artikel 6.4 voldoet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Onderdeel a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bedrijfsomvang wordt bepaald op basis van de totale standaardopbrengst van het bedrijf. De standaardopbrengst wordt vastgesteld middels de gegevens die bij de Landbouwtelling 2012 zijn opgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b Het kan voorkomen dat de aanvragende agrarische onderneming zelf geen eigenaar is van een bedrijfsgebouw maar deze gebruikt via een pachtconstructie. In deze situatie kan er subsidie worden aangevraagd door de agrarische onderneming met een instemmingsverklaring van de eigenaar van het bedrijfsgebouw, mits de agrarische onderneming de kosten voor het project draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel d Het gaat om de sanering van het ‘buitenasbest’, oftewel de daken, goten en buitenbeplating van schuren en loodsen. Verwijdering van afdichting met asbesthoudend materiaal van bijvoorbeeld tuinbouwkassen (zoals voegkit) valt buiten de reikwijdte van deze regeling. Het gaat om asbestverwijdering van de buitenkant van het gebouw, maar geen asbest afkomstig van de inrichting van een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het stellen van een minimumoppervlakte is direct een drempelbedrag ingebouwd voor subsidieverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel e Voorafgaand aan de aanvraag dient de aanvrager een asbestinventarisatie te laten verrichten. Het rapport van deze asbestinventarisatie overlegt de aanvrager bij zijn aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel f Voor het verwijderen en afvoeren van asbest gelden op grond van het Bouwbesluit 2012 en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 diverse procedurevoorschriften waaraan de aanvrager dient te voldoen. Ook voor het plaatsen van zonnepanelen gelden procedurevoorschriften zoals een vergunning voor het plaatsen van zonnepanelen indien het gebouw een monument is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om aan te tonen dat de activiteit uitgevoerd gaat worden en aan de vereisten kan worden voldaan, dienen dergelijke vergunningen reeds te zijn aangevraagd en verkregen dan wel meldingen te zijn gedaan voordat een aanvraag om een subsidie wordt ingediend. § 6.5 De aanvraag voor de subsidie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De asbest mag niet reeds verwijderd en afgevoerd zijn voordat de aanvraag om subsidie wordt ingediend. De voorfase waarin offertes worden gevraagd en overeenkomsten ten behoeve van de uitvoering tot stand komen, dient wel doorlopen te zijn voordat subsidie kan worden aangevraagd. Anders kan immers niet worden aangetoond dat aan de subsidievereisten wordt voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.6</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verplichtingen uit het convenant dienen uiterlijk op 31 december 2014 gereed te zijn. Omdat het uitvoering van het convenant pas gereed is na controle en rapportage van de verplichtingen, dienen de saneringen eerder te zijn afgerond. In artikel 6.8.3 is dit bepaald op 31 oktober 2014. Om te zorgen dat de ontvanger voldoende tijd heeft om de activiteit te realiseren, is het subsidieplafond en hiermee mogelijk tot het indienen van aanvragen afgebakend tot 1 september 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidieplafond is in de regeling zelf opgenomen om versnippering van besluitvorming binnen de provincie te voorkomen. § 6.7 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie Ten behoeve van de eenvoud van de regeling is gekozen voor een behandeling op volgorde van binnenkomst. Hierdoor kan direct bij ontvangst van volledige aanvragen worden gestart met de behandeling en subsidieverstrekking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 6.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">-</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.8.2</span><span class=\"lf-art-t\">Onderdeel a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De eis van certificering past binnen de dienstenrichtlijn. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 waarop de certificering is gebaseerd, is genotificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b Het plaatsen van zonnepanelen is onderdeel van de toetsing. Dit betekent dat de aanvrager moet kunnen aantonen waar, wanneer en hoe deze worden geplaatst. Hiertoe dient de aanvrager een getekende offerte bij de aanvraag te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling voorziet niet in het subsidiëren van de aanschaf en plaatsing van zonnepanelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c Net als bij alle elektrische apparaten staat ook het vermogen van zonnepanelen uitgedrukt in Watt. De productie van elektriciteit is niet gelijkmatig doordat de hoeveelheid zonlicht steeds verandert. Daarom is bij zonnepanelen het maximale vermogen onder ideale omstandigheden aangegeven: Watt-piek (Wp). De te plaatsen zonnepanelen dienen ten minste een productiecapaciteit van 15.000Watt-piek te hebben (15 kWp).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op hoofdstuk 13 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor opruiming van drugsafval Algemeen De subsidieregeling vloeit voort uit het amendement inzake de tegemoetkoming in de kosten van het opruimen van drugsafvaldumpingen (inclusief de daaruit voortkomende bodemverontreiniging), en de afspraken tussen de Staatssecretaris van IenM en de provincies die in dat kader zijn gemaakt over de wijze en voorwaarden waaronder provincies zorg dragen voor de cofinanciering van de kosten die gemeenten en grondeigenaren voor het opruimen van drugsafvaldumpingen hebben gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afspraken zijn vastgelegd in het convenant Uitwerking amendement cofinanciering opruiming drugsdumpingen. Onder andere omvat dit afspraken met betrekking tot de wijze waarop de beschikbare gelden over de provincies zijn verdeeld en de wijze waarop de beschikbare bedragen worden verstrekt aan de doelgroep Het doel van de regeling is het verstrekken van subsidie tot een maximum van 50% van de kosten wegens het opruimen van dumpingen van drugsafval. Er wordt regelmatig afval afkomstig van de productie van synthetische drugs gedumpt door drugscriminelen. Dit afval kan leiden tot gevaren voor het milieu en de volksgezondheid. De kosten van het opruimen komen nu voor rekening van de betrokken decentrale overheden, voornamelijk gemeenten, en grondeigenaren of degene die het grootst zakelijk recht op de grond heeft. In het convenant en aldus ook in deze regeling is het amendement zo uitgelegd dat niet alleen aan decentrale overheden, vooral gemeenten, subsidie kan worden verleend maar ook rechtstreeks aan grondeigenaren. Omdat vooral in het buitengebied niet alleen sprake is vol eigendom van grond, maar ook van zakelijk rechten zoals erfpacht en opstal waarbij bepaalde eigendomsbevoegdheden of verplichtingen bij de erfpachter of de houder van het recht van opstal berusten, is in de regeling de term zakelijk gerechtigden gebruikt in plaats van eigenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het opruimen van drugsafval bestaan in iedere regio’s protocollen vanwege de mogelijkheid van milieu- en gezondheidschade. Deze protocollen schrijven, voor zover dit niet uit de Wet bodembescherming of de Wet Milieubeheer voortvloeit, voor op welke wijze drugsafval verwijderd dient te worden, wie hier bij geraadpleegd moet worden en door wie het uitgevoerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridisch kader De inhoud van de regeling is tot stand gekomen in overleg met de 12 provincies. Iedere provincie hanteert dezelfde bepalingen voor wat betreft de volgende essentialia: doelgroep subsidiabele activiteit weigeringsgronden vereisten subsidiabele activiteit vereisten aanvraag periode van openstelling subsidiabele kosten subsidiehoogte verdeelcriteria beslistermijnen en vtng ineensstelli Deze essentialia worden door iedere provincie binnen hun eigen structuur van regelgeving, waaronder de eigen Algemene subsidieverordening, vastgesteld in een regeling of als onderdeel van een algemeen subsidiebesluit of een algemene subsidieverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staatssteun Mogelijk is subsidie voor het opruimen van drugsafval is aan te merken als staatssteun .</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien hiervan in het concrete geval sprake blijkt te zijn, wordt gebruik gemaakt van de ruimte die de de-minimisverordening biedt, in algemene zin en specifiek voor de landbouwsector.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijs</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de begripsbepalingen is aangesloten bij de omschrijving zoals gehanteerd in het convenant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b drugsafval Het afval kan verpakt zijn, bijvoorbeeld in plastic tanks, jerrycans of gascilinders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c erkende verwijderaar Omdat het verwijderen van drugsafval, voor zover dit niet onder verplichtingen uit de Wet bodembescherming of de Wet milieubeheer valt, gereguleerd wordt door protocollen die regionaal verschillend kunnen zijn, maar in alle gevallen eisen stellen aan de wijze waarop en de persoon die het afval verwijdert, is met het begrip erkende verwijderaar beoogd de persoon te benoemen die in de protocollen of regelgeving is aangewezen om te mogen verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder e zakelijk gerechtigden Met dit begrip wordt aangesloten bij de beperkt rechten die op een eigendom gevestigd kunnen worden, conform boek 3 en 5 van het Burgerlijk wetboek, en het volle eigendom uithollen. Te denken valt aan recht van vruchtgebruik, erfpacht en recht van opstal. Deze rechthebbenden zijn vaak ook degenen die zeggenschap hebben over het eigendom wanneer het opruimen van bijvoorbeeld drugsafval betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de doelgroep is aangesloten bij de uitleg die in het convenant aan het amendement is gegeven. Voorts is het begrip grondeigenaar opgevat als zakelijk gerechtigden op de grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang bij de afbakening van de doelgroep is dat er alleen een verwijderingsplicht bestaat voor de veroorzaker, zie artikel 10.2 van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de formulering wordt ook voor het opruimen van bodemverontreiniging door dumping van drugsafval, subsidie verstrekt. Dit kan gelijktijdig met het opruimen van het drugsafval plaatsvinden maar het kan ook zijn dat er alleen sprake is van bodemverontreiniging als gevolg van de drugsdumping. Overigens is het ook mogelijk dat er geen bodemverontreiniging is bij een dumping van drugsafval.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook een zeer lichte betrokkenheid, zoals verhuur van een loods voor productie, wijst op betrokkenheid en leidt tot weigering van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het al dan niet ontvangen van een tegemoetkoming in de kosten op andere wijze is geen reden tot weigering, mogelijk wel tot matiging van de subsidiehoogte. Dit is geregeld in artikel 13.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 2013 is de reikwijdte van de Wet Bibob aangepast en kan deze rechtstreeks op iedere subsidieregeling worden toegepast zonder dat dit specifiek is bepaald in de regeling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.5</span><span class=\"lf-art-t\">Onder d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het convenant en het amendement is bepaald dat na afloop van het kalenderjaar subsidie kan worden verstrekt voor opruiming van dumpingen in dat (voorafgaande) kalenderjaar. Omdat de regeling mogelijk meerdere keren op deze wijze wordt opengesteld, is niet het concrete jaar genoemd maar verwezen naar het jaar voor het moment van aanvraag, vermits deze als vanzelfsprekend binnen de openstellingsperiode is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder e De gevraagde bijlagen ter onderbouwing van de vereisten is beperkt omdat de subsidie achteraf wordt verstrekt. Een begroting of een activiteitenplan is niet meer aan de orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De subsidiabele kosten omvatten alleen de kosten van derden, nu dit alleen kosten zijn die daadwerkelijk zijn gemaakt. Deze kosten zijn op factuur aantoonbaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.7</span><span class=\"lf-art-t\">Onder a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vaststellen van het aanvraagformulier verlenen GS mandaat aan GS van de provincie Noord-Brabant omdat de provincie Noord-Brabant de ontvankelijkheidstoets en inhoudelijke toets op zich neemt. Hiertoe vervult Noord-Brabant het subsidieloket.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel13.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien er meer aanvragen zijn dan vooraf voorzien (het Rijk stelt immers via het provinciefonds per jaar een bijdrage beschikbaar aan de hand van het vooraf per provincie gemelde gevallen) en bedoelde hogere aantal aanvragen dan eerder voorzien daardoor bovendien het aan de hand daarvan vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de subsidies naar evenredigheid percentueel lager vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichtingop hoofdstuk 14 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen) Algemene toelichting Voor bedrijvigheid en een aantrekkelijk vestigingsklimaat zijn kwalitatief goede en moderne bedrijventerreinen van belang. Van gemeenten wordt verwacht dat zij inzetten op het herstructureren van de voorraad in de regio. De uitgifte van bedrijventerreinen in Zeeland is de afgelopen jaren sterk gedaald. De verwachting is dat de komende jaren gemiddeld circa 11 ha bedrijfsterrein per jaar zal worden uitgegeven (Actualisatie vraagraming bedrijventerreinen provincie Zeeland, STEC juni 2016).</p>\n<p class=\"lf-p\">In Zeeland bestaat een aanzienlijk aanbod aan uitgeefbaar bedrijventerrein. In de meeste regio's is dit kwantitatief ruim voldoende om de komende tien jaar aan de vraag te kunnen voldoen. Echter, deze terreinen sluiten vaak in kwaliteit of locatie niet aan op de vraag. Dit betekent dat het beleid zich niet alleen moet richten op de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen, maar juist ook op de bestaande terreinen en hoe deze in de toekomst geschikt blijven. Voor terreinen die niet toekomstbestendig zijn, zet de provincie Zeeland daarom in op herstructurering zoals het aanpakken van de infrastructuur of andere vormen van gebruik. In het coalitieprogramma \"Krachten bundelen\" heeft het college van gedeputeerde staten van Zeeland aangekondigd een impuls te willen geven aan herstructurering van verouderde bedrijventerreinen. De regeling kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen) geeft invulling aan deze ambitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel14.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn de definities opgenomen die worden gebruikt in dit hoofdstuk. actueel regionaal bedrijventerreinprogramma Het programma bevat een analyse van de bedrijventerreinmarkt, een ruimtelijke ontwikkelingsstrategie, een overzicht van projecten en een uitvoeringsstrategie met als doel te komen tot een zo optimaal mogelijk afgestemde herstructurering en ontwikkeling van bedrijventerreinen. Gedeputeerde staten onderscheiden hierbij de volgende regio's: Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren, De Bevelanden en Zeeuws-Vlaanderen. Gedeputeerde staten zien een regionaal bedrijventerreinprogramma als actueel wanneer het door gedeputeerde staten is vastgesteld na 1 januari 2016. bedrijventerrein Een terrein van ten minste één hectare dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie. Dit betekent dat het betreffende terrein in het bestemmingsplan als zodanig is opgenomen. herstructurering Herstructurering is een koepelbegrip voor alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de veroudering van het terrein (of delen ervan) tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderstaande tabel wordt kort aangegeven wat onder de verschillende vormen van herstructurering wordt verstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingreep Facelift Revitali- sering Zware revitalisering Her-profilering Transfor-matie in openbare ruimte en/of gebouwen X X X X X in infrastructuur X X X X in private ruimte X X X X bodemsanering, sloop van opstallen X X X functieverandering binnen werkfunctie X functieverandering buiten werkfunctie X (deel) bedrijven onttrokken aan voorraad X veroudering In wisselende mate technische, economische, maatschappelijke of ruimtelijke veroudering, met als gevolg het economisch suboptimaal functioneren van de gevestigde bedrijven, verpaupering of verrommeling van de omgeving, inefficiënt ruimtegebruik, een onnodige impuls voor de ontwikkeling van nieuwe uitleglocaties of onveiligheid. De indeling naar deze typen van veroudering is gebaseerd op de indeling die onder andere het Centraal Planbureau en de Taskforce Herstructurering Bedrijventerreinen hanteert. technische veroudering</p></div>", "next": 239952}