{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In bijlage I is voor de voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke prognose-termijn moet worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor (meer) ingrijpende voorzieningen een lange termijnprognose vereist is, terwijl voor voorzieningen met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om het gebouw te kunnen blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte-termijnprognose.</p>\n<p class=\"lf-p\">De prognose geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de school of nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met: het voedingsgebied of de voedingsgebieden de aanwezige bevolking, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen; de woningvoorraad en wijzigingen daarin inclusief een eventuele uitbreiding van het voedingsgebied; de veranderingen in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als gevolg van migratie, sterfte en geboorte; de veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad; de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de school en het onderwijs dat wordt gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De prognose is niet meer dan twee jaar oud.</p>\n<p class=\"lf-p\">De prognose omvat in elk geval de bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode van 6 jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een basisschool wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van het voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze levering worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de aannames/assumpties met betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college is bevoegd onderscheiden naar onderwijssoort nadere regels te stellen betreffende de criteria waaraan een prognose moet voldoen. Voorafgaand aan de vaststelling door het college vormen de nadere regels onderwerp van overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als bedoeld inartikel 2, tweede lid onder b van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid Brunssum.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.3Bijlage IIICriteria voor oppervlakte en indeling De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen: deel A: de bepaling van de capaciteit; deel B: wijze van bepalen van de ruimtebehoefte; deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning; deel D: minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL A De bepaling van de capaciteit1 School voor basisonderwijs en speciale school voor basisonderwijsDe capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke (waaronder kinderopvang) en recreatieve doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en B-dislocaties met een permanente of tijdelijke bouwaard De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisschool De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het bruto vloeroppervlak van het gebouw. De capaciteit van het gebouw met een permanente bouwaard en de capaciteit van de tijdelijke bouwaard worden afzonderlijk vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in het oppervlak die sterk afwijkt van sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een fictief bruto vloeroppervlak als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speciale school voor basisonderwijsVoor een speciale school voor basisonderwijs geldt hetzelfde. Echter, een eventueel aanwezig speellokaal wordt niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Indien een speellokaal aanwezig is èn de school voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in bijlage I, deel A, paragraaf 1.3.2, wordt op het bruto vloeroppervlak 90 m2 in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het gestelde onder 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Terrein Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 Inventaris Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 2009 alle scholen voor (speciaal) basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6 Gymnastiekruimten 1.6.1 Gymnastiekruimte De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40 klokuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6.2 Terrein De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6.3 Inventaris De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijsBinnen de gemeente Brunssum is er geen speciaal onderwijs meer. Derhalve wordt dit onderdeel niet verder ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 School voor voortgezet onderwijsDe capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in gegevens over: de bruto vloeroppervlakte van gebouwen; het aantalspecifieke ruimten; het aantal werkplaatsen; het aantal gymnastieklokalen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering van het met onderstaande methodiek vastgestelde cpaciteit, indien de hierdoor beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of een tijdelijke bouwaardDe bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de \"Meetinstructie voor het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven \"aantal gymnastieklokalen\" moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven \"aantal specifieke ruimten en werkplaatsen\" indien en voorzover deze noodzakelijk zijn in het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het gegeven \"aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten worden onderscheiden zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocatiesDe vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college anders beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 TerreinDe terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals is vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting (BRHU) van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De terreinoppervlakte behorende bij nieuw in de bekostiging op te nemen gebouwen of uitbreiding van gebouwen wordt vastgelegd conform de bij het kadaster vastgelegde gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 InventarisVoor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en aantal specifieke ruimten en werkplaatsen als zodanig is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Gymnastiekruimten3.5.1 GymnastiekruimteDe capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.2 TerreinOnder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.3 InventarisDe inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte1 School voor basisonderwijs 1.1 Lesgebouwen Basisschool Voor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule: = 200 + 5,03 * L, waarbij = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters. , en = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toeslag wordt berekend met de formule: = 1,40 * G, waarbij T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald: bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen); verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van 6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal; als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speciale school voor basisonderwijs Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal leerlingen bepalend voor de ruimtebehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruimtebehoefte van een speciale school voor basisonderwijs wordt berekend met de formule:</p>\n<p class=\"lf-p\">R = 250+7,35*L, waarbij R = ruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte,rekenkundig afgerond op hele vierkante meters, en L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 m2 .</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Gymnastiekruimten Basisschool Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs .</p>\n<p class=\"lf-p\">Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speciale school voor basisonderwijs Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per gymgroep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet de beschikking heeft over een speellokaal. Per gymgroep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal gymgroepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe gymaccommodatie voor een speciale school voor basisonderwijs, wordt het aantal gymgroepen bepaald aan de hand van de prognose als bedoeld in bijlage II.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Bepaling aantal groepen ten behoeve van (uitbreiding van) eerste aanschaf onderwijsleerpakket en meubilairBasisschoolDe inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>onderwijsleerpakket</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>meubilair a. onderwijsleerpakketTen behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule:</div>\n<p class=\"lf-p\">G = (A + B + C + D) / 179 + E De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1. b. meubilairTen behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van de onderstaande formule:</p>\n<p class=\"lf-p\">G = (A + B + C) / 179 De componenten G, A, B, C, D en E zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor permanent gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speciale school voor basisonderwijsHet aantal groepen onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de \"N-factor\". De N-factor is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijsBinnen de gemeente Brunssum is er geen speciaal onderwijs meer. Derhalve wordt dit onderdeel niet verder ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 School voor voortgezet onderwijs3.1 LesgebouwenVoor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten, te weten: een leerlinggebonden component; een vaste voet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1 Een leerlinggebonden component Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a \"Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs\" opgenomen bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2 Een vaste voet De vast voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b \"Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs\" opgenomen bruto-vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste voet per sector geeft, uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het RBM voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage. Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijsOnderwijssoort Leerweg Ruimtetype BVO/ll Onderbouw (leerjaar 1 en 2) Algemene ruimte 6,18 Bovenbouw AVO/VWO Algemene ruimte 5,85 Bovenbouw Theoretische leerweg TLW Algemene ruimte 6,41 LWOO Algemene ruimte 7,07 Bovenbouw Techniek GLW Algemene ruimte 5,98 Specifieke ruimte 5,47 BLW Algemene ruimte 4,69 Specifieke ruimte 8,99 LWOO Algemene ruimte 4,44 Specifieke ruimte 12,72 Bovenbouw economie GLW Algemene ruimte 5,95 Specifieke ruimte 0,89 BLW Algemene ruimte 5,56 Specifieke ruimte 2,25 LWOO Algemene ruimte 5,85 Specifieke ruimte 3,06 Bovenbouw zorg/welzijn GLW Algemene ruimte 5,33 Werkplaatsen 2,10 BLW Algemene ruimte 4,71 Specifiek 4,22 LWOO Algemene ruimte 4,85 Specifiek 5,53 Bovenbouw Landbouw GLW Algemene ruimte 5,94 Specifiek 0,78 BLW Algemene ruimte 5,73 Specifiek 2,34 LWOO Algemene ruimte 5,03 Specifiek 4,69 Praktijkonderwijs Algemene ruimte 4,41 Specifiek 7,72 Legenda TLW theoretische leerweg LWOO leerwegondersteunend onderwijs GLW gemengde leerweg BLW beroepsgerichte leerweg Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijsOnderwijssoort Ruimte-type vaste voet Hoofdvestiging Algemene ruimte 980 Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak Algemene ruimte 550 Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak 0 VMBO - techniek BLW Specifieke ruimte 299 VMBO - economie BLW Specifieke ruimte 196 VMBO - zorg/welzijn BLW Specifieke ruimte 168 VMBO - landbouw BLW Specifieke ruimte 117 Praktijkonderwijs Algemene ruimte 306 legenda BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet van 550 m2 BVO. De vaste voet van een hoofdvestiging of nevenvestiging met spreidingsnoodzaak is niet van toepassing op een zelfstandige school voor praktijkonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging waar praktijkonderwijs aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 GymnastiekruimtenDe in onderstaande tabel 7.2 \"Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs\" vermelde bruto vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijsOnderwijssoort Leerweg BVO/leerling Onderbouw (leerjaar 1 en 2) 1,66 Bovenbouw AVO/VWO 0,78 Bovenbouw Theoretische leerweg TLW 1,11 LWOO 1,26 Bovenbouw Techniek GLW 1,11 BLW 1,38 LWOO 1,57 Bovenbouw Economie GLW 1,11 BLW 1,38 LWOO 1,57 Bovenbouw Zorg en Welzijn GLW 1,11 BLW 1,38 LWOO 1,57 Bovenbouw landbouw GLW 1,11 BLW 1,38 LWOO 1,57 Praktijkonderwijs 1,99 Legenda TLW theoretische leerweg LWOO leerwegondersteunend onderwijs GLW gemengde leerweg BLW beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-) DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenningDe bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële consequenties vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 School voor basisonderwijs1 School voor (speciaal) basisonderwijs 1.1 Voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening: nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening: uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel ingebruikneming dan wel medegebruik wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in deel B van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil moet tenminste bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening basisonderwijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening basisonderwijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">50 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening voor een school voor speciaal basisonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt de bruto-vloeroppervlakte van een speellokaal 90 m2 bvo.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, en meubilair wordt bepaald door de omvang in m2 bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Gymnastiekruimten De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijsBinnen de gemeente Brunssum is er geen speciaal onderwijs meer. Derhalve wordt dit onderdeel niet verder ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 School voor voortgezet onderwijs3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of uitbreiding door middel van ingebruikneming, wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: \"Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. Indien op grond van deze uitkomst een tekort wordt geconstateerd, wordt op dezelfde wijze als bij de voor blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding de naar soort uitgewerkte ruimtebehoefte bepaald. De omvang van de toekenning wordt vervolgens bepaald door het naar ruimtesoort uitgewerkte tekort met als maximum het met behulp van tabel 7.1 bepaalde ruimtetekort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening aanpassing de binnenzijde van het gebouw betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om de onbelemmerde voortgang van het onderwijs te kunnen garanderen voor het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en voor zover de kosten van deze activiteiten het drempelbedrag per leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet onderwijs, te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: \"Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals opgenomen in deel B van deze bijlage: \"Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting.. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: \"Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: \"Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte\".</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening in de huisvesting. De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing de buitenzijde van het gebouw of het terrein betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om de onbelemmerde voortgang van het onderwijs te kunnen garanderen voor het aantal leerlingen waarvoor huisvesting langer dan vijftien jaar noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 GymnastiekruimtenDe omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanpassing, de buitenzijde van het gebouw of het terrein betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanpassing, de binnenzijde van het gebouw betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs en voor zover de kosten van deze activiteiten het drempelbedrag van / ...,B[1] per leerling te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt gegegen wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het LWOO en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen1 School voor basisonderwijsminimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto;</p>\n<p class=\"lf-p\">1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte van 65 m2; minimumoppervlakte onderwijsruimte: 8 m2 netto een normale werkruimte in een school dient een minimale omvang te hebben, waarbij per persoon in die ruimte minstens 1,4m2 BVO beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijsBinnen de gemeente Brunssum is er geen speciaal onderwijs meer. Derhalve wordt dit onderdeel niet verder ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 School voor voortgezet onderwijsMinimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2: theorielokaal:</p>\n<p class=\"lf-p\">42 m2 theorievaklokaal:</p>\n<p class=\"lf-p\">50 m2 vaklokaal natuurkunde:</p>\n<p class=\"lf-p\">50 m2 vaklokaal biologie:</p>\n<p class=\"lf-p\">50 m2 vaklokaal scheikunde:</p>\n<p class=\"lf-p\">60 m2 vaklokaal handvaardigheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">60 m2 vaklokaal overig:</p>\n<p class=\"lf-p\">80 m2 specifiek vaklokaal lassen:</p>\n<p class=\"lf-p\">50 m2 specifiek vaklokaal meten:</p>\n<p class=\"lf-p\">50 m2 werkplaats:</p>\n<p class=\"lf-p\">115 m2 restaurant:</p>\n<p class=\"lf-p\">80 m2 4 GymnastiekruimtenDe oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een was /douchegelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">III 1 Overzicht \"Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs\"De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt voor basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs volgens NEN 2580, met de volgende aantekeningen: de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend; de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in-of aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw; bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig gelegen gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie; bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de nettovloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte van tenminste 2,6 m te vermenigvuldigen met een factor 1,1; voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging, keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de bruto- vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">III 2 Overzicht \"Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs\"Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het ministerie van OCenW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende \"beloopbare\" binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de bruto oppervlakte behoort eveneens: de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau; de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Open brand of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOELICHTINGDeel A De bepaling van de capaciteitBasisonderwijsCapaciteit van de gebouwenDe vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in een aantal groepen. De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting. Lang niet alle gebouwen voldoen aan de voor de decentralisatie gehanteerde oppervlaktenormering, vooral veel oudere gebouwen hebben meer m2 BVO dan behoort bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Indien een dergelijk gebouw moet worden uitgebreid is het reëel naar de mogelijkheid te kijken of met de uitbreiding de \"overdimensionering\" van het gebouw kan worden teruggedrongen. Van belang daarbij is onder andere de BVO van het gebouw. De BVO is een gegeven dat is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van OCenW en als zodanig meermaals geverifieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De capaciteit van het gebouw is ook een bij het ministerie van OCenW vastliggend gegeven, maar is normatief, aan de hand van oppervlaktetabellen vastgesteld. De werkelijkheid kan afwijkend zijn van de registratie. Om deze reden is gekozen voor een nieuwe vaststelling van de capaciteit van de gebouwen. De capaciteit van een gebouw in groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het gebouw. Indien de normatieve BVO behorend bij het vastgestelde aantal groepen dat in het gebouw kan worden gehuisvest, lager is dan de werkelijke BVO, is het gebouw \"overgedimensioneerd\". Het aantal m2 van deze \"overdimensionering\" is van belang op het moment dat een gebouw moet worden uitgebreid. Op dat moment kan worden bezien in hoeverre de fysieke uitbreiding van het gebouw kan worden beperkt, terwijl de noodzakelijke capaciteitsvergroting van het gebouw wordt gerealiseerd. De vermindering van de \"overdimensionering\" van de BVO van het gebouw is van belang om een gunstiger uitgangspunt te creëren voor de vergoeding van de materiële exploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">RangordebepalingIndien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden afgestoten dan grotere gebouwen. De rangorde is nu bij het ministerie van OCenW vastgelegd en wordt als zodanig overgenomen. Er zijn redenen denkbaar om voor een andere rangorde te kiezen. Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan structureel voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan de grotere dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stelt het college, na overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">TerreinDe terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer geregistreerd. De gegevens zoals deze bij het Kadaster zijn vastgelegd, zijn maatgevend voor de gemeentelijke administratie. Voor het openbaar onderwijs is in niet alle gevallen de terreinoppervlakte geregistreerd die hoort bij het onderwijsgebouw. Het kan zijn dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen en andere openbare gebouwen als één geheel is geregistreerd. In die gevallen wordt geen terreinoppervlakte geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">InventarisDe hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat een inventaris is verstrekt voor het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997 huisvesting zou kunnen worden gevraagd. Vaststaat dat voor dit aantal groepen ook een onderwijsleerpakket en meubilair aangevraagd had kunnen worden op basis van de oktobertelling 1995 of op basis van de buitenreguliere telling augustus 1996. Op deze aanvragen is nog door het ministerie van OCenW beslist. Het kan zijn dat in het verleden voor meer groepen onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt dan het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997 huisvesting kan worden gevraagd. De gemeente kan dit aantonen aan de hand van de hiertoe afgegeven beschikkingen door het ministerie van OCenW. In een aantal gevallen heeft het college, zonder een goedkeurende beschikking van OCenW, zelf gezorgd voor de uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair. Ook dit is aantoonbaar door middel van de daartoe gevoerde correspondentie tussen het college en het bevoegd gezag van de school. In beide gevallen is het hoogste aantal groepen waarvoor een onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt het uitgangspunt voor het beoordelen van de omvang van de noodzakelijke uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarnaar wordt gekeken, is de periode na inwerkingtreding van de WBO. In de OWBO is bepaald dat de inventaris aanwezig op het moment van inwerkingtreding van de wet wordt geacht te voldoen. Verder terugkijken in de tijd heeft dus geen zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">GymnastiekruimtenDe vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor basisonderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het basisonderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt. (Voortgezet) speciaal onderwijs Binnen de gemeente Brunssum is er geen speciaal onderwijs meer. Derhalve wordt dit onderdeel niet verder ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortgezet onderwijsDe nulmeting beperkt zich in het voortgezet onderwijs waar het de gebouwen betreft tot een opname, c.q. overname van BRHU gegevens, van de bruto vloeroppervlakte. In het voortgezet onderwijs kan de belangstelling van leerlingen voor de verschillende onderwijssoorten/studierichtingen binnen instellingen sterk variëren, ook zonder dat het totale volume wijzigt. Dat heeft van tijd tot tijd wijzigingen van de functies van ruimten tot gevolg. Onder meer om deze reden is gekozen voor een eigen verantwoordelijkheid voor schoolbesturen, waar het de bouwkundige aanpassingen betreft aan de binnenzijde van de gebouwen (tot het drempelbedrag van / ...,-[1] per leerling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een momentopname van gebouwgegevens op een niveau van afzonderlijke (les)ruimten is, gelet op deze eigen verantwoordelijkheid van schoolbesturen, niet zinvol.</p>\n<p class=\"lf-p\">InventarisDe toekenning van inventaris is in het voortgezet onderwijs vanaf de invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de toekenning van een voorziening in de huisvesting. Deze methodiek wijkt fundamenteel af van de door OCenW gehanteerde systematiek, waarbij inventaristoekenningen juist niet gerelateerd waren aan toekenningen in de huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de start van de nieuwe systematiek wordt ervan uitgegaan, dat alle scholen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">GymnastieklokalenHet gegeven \"aantal gymnastieklokalen in eigendom\" heeft de gemeente nodig om bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren gymnastiek door een VO instelling te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in de eigen huisvesting kan verzorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal lesuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor voortgezet onderwijs kan 40 lesuren worden gebruikt. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) gedurende een aantal lesuren op het gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de lesuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van leer en hulmiddelen en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling van het noodzakelijke aantal lesuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefteBasisonderwijsHet bepalen van de ruimtebehoefte van een school in het basisonderwijs houdt in dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in bruto vloeroppervlakte. Er is onderscheid gemaakt in het bepalen van de ruimtebehoefte voor tijdelijke en voor permanente voorzieningen. Bij de bepaling van de ruimtebehoefte voor een tijdelijke voorziening wordt wel rekening gehouden met de gewogen leerlingen, bij de bepaling van de ruimtebehoefte voor een permanente voorziening wordt hiermee geen rekening gehouden. (Voortgezet) speciaal onderwijsBinnen de gemeente Brunssum is er geen speciaal onderwijs meer. Derhalve wordt dit onderdeel niet verder ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortgezet onderwijsHet bepalen van de ruimtebehoefte in het voortgezet onderwijs gaat aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. In dit model wordt op basis van een tweetal componenten de ruimtebehoefte bepaald. De ruimtebehoefte is enerzijds afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school bezoekt en anderzijds afhankelijk van kenmerken van de school (zoals de aard van de vestiging en het onderwijsaanbod).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met behulp van tabel 7.1.a kan op basis van het aantal leerlingen per onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden component worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld Het Lokale Lyceum Ruimtesoort Leerweg Ruimtetype BVO/ll aantal ll BVO onderbouw - Alg. Ruimte 6,02 100 602 avo/vwo - Alg. Ruimte 5,69 200 1138 totaal Alg. Ruimte 300 1740 Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel 7.1.b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De school uit het voorbeeld, Het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging en heeft geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden. De vaste voet van Het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter Algemene Ruimte. Het totale ruimtebeslag van Het Lokale Lyceum komt dus op 2720 m2 bruto vloeroppervlakte Algemene Ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een school komt in aanmerking voor een vaste voet per afdeling als op deze school de beroepsgerichte leerweg voor deze afdeling wordt aangeboden. Uitgangspunt daarbij is dat de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden zo veel mogelijk wordt gefaciliteerd ten behoeve van het beroepsgericht onderwijs. Pas als op de instelling de beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector wordt aangeboden, mag voor die afdeling of sector ook de leerwegondersteunende of de gemengde leerweg worden aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel C De bepaling van de omvang van de toekenningBasisonderwijsVoor blijvend gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het BVO zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m2) dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het BVO zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van medegebruik wordt bepaald door BVO waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het BVO dat aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het BVO zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m2) dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van medegebruik wordt bepaald door het BVO waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het BVO dat aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het BVO waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D, gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen. De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de uitbreiding hiervan wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor deze voorziening noodzakelijk is. In het geval van uitbreiding geldt dat het verschil wordt bepaald door het aantal leerlingen zoals aanwezig was op de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag en het aantal leerlingen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd. Het aantal leerlingen waarvoor de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket reeds is bekostigd, wordt bepaald door het aantal groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar 1996/1997, tenzij het college kan aantonen dat voor meer groepen eerste inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de eerste aanschaf van het meubilair of uitbreiding hiervan wordt op dezelfde wijze bepaald als de eerste aanschaf of de uitbreiding van het onderwijsleerpakket. De verstrekking of de bekostiging van het meubilair wordt echter bepaald door het aantal groepen op basis van het ongewogen leerlingenaantal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs. Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik wordt genomen of omdat de capaciteit van het gebouw moet worden vergroot voor het creëren van een extra les of speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van specifieke wet en regelgeving, bijvoorbeeld Arbo eisen, kunnen eveneens voor bekostiging in aanmerking komen. Als een oliegestookte verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte installatie komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen van een gasgestookte installatie door een gasgestookte installatie voor bekostiging in aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben op de noodzakelijke verplaatsing van de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het overzicht \"onderhoud primair onderwijs\", door de vervanging van de binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende van deze activiteiten. (Voortgezet) speciaal onderwijsBinnen de gemeente Brunssum is er geen speciaal onderwijs meer. Derhalve wordt dit onderdeel niet verder ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortgezet onderwijsVoor blijvend gebruik bestemde voorzieningenDe ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald met behulp van het Ruimtebehoeftemodel, dat staat beschreven in deel B van deze bijlage en het bijbehorende gedeelte van de toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toekenningscriteria (Bijlage I) is bepaald, dat voor de beoordeling of een instelling voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening in aanmerking komt de beschikbare capaciteit met tien procent wordt verhoogd. Vervolgens wordt bezien of de ruimtebehoefte op basis van de leerlingprognose voor langer dan vijftien jaar deze verhoogde capaciteit overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zulks het geval is wordt de omvang van de voorziening bepaald door vaststelling van het verschil tussen de werkelijk beschikbare capaciteit (100%) en de uitkomst van het ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1.a en 7.1.b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan worden opgesteld. Om te bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is, zal een toets moeten plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is van onderbezetting. In geval van medegebruik door een andere school voor voortgezet onderwijs moet bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo op elkaar kunnen worden afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar opheffen. In geval van medegebruik door een school voor primair onderwijs zal gekeken moeten worden of binnen het lesrooster een of meer lokalen leeggeroosterd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan zijn bepalend bij de bepaling van de leegstand. Het is nu van belang om enerzijds te toetsen of het lesrooster redelijk is. Is het aantal ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in verhouding tot het aantal leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan het lesrooster getoetst worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in de week niet boven de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32 uur in de week ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het lokalenplan (bij voorkeur een plattegrond van de school) kan bepaald worden of alle lokalen wel ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde lokalen de bezetting maximaal 16 is in plaats van 26 leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om nu te bezien of het feitelijk lesrooster redelijk is, in verhouding tot de bepaling van de ruimtebehoefte van de instelling, wordt het aan de hand van de volgende criteria getoetst: aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur per week (excl. gym); het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur per week; de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen. Uitzondering vormen het praktijkonderwijs (14 leerlingen en het leerwegondersteunend onderwijs 16 leerlingen); het normatieve gebruik per week ligt voor algemene ruimten op 32 uur per week. Voor specifieke lokalen en werkplaatsen ligt het normatieve gebruik op 24 uur per week; gemiddeld past een hele groep (klas) in een onderwijsruimte. Alleen ruimten voor machinale houtbewerking en de lasserij zijn geschikt voor maximaal 8 leerlingen; een lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45 minuten dan wordt het aantal lessen per week naar rato verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming, medegebruik en verplaatsing van noodlokalen wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenMet behulp van het Ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1) wordt op basis van het leerlingenaantal, dat voortvloeit uit de leerlingprognose voor een periode langer dan vier jaar en korter dan vijftien jaar de ruimtebehoefte bepaald. Vergelijking van deze ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde beschikbare capaciteit geeft als resultaat de omvang van de goedgekeurde tijdelijke voorziening, uitgedrukt in m2 bruto vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tijdelijke voorzieningen wordt deze oppervlakte niet naar lokaalsoort toegedeeld. De toekenning vindt plaats op het niveau bruto m2's lesruimte per instelling. Als drempel voor toekenning wordt 1 lokaal gehanteerd, dat wil zeggen dat het gekonstateerde ruimtetekort minimaal 58 m2 bruto (= 42 m2 netto, zie deel D) moet bedragen om voor toekenning van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening medegebruik wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De voorziening eerste aanschaf van leer en hulpmiddelen is rechtstreeks gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage I, paragraaf 3.7) GymnastiekruimtenDe bepaling van de omvang van de verschillende voorzieningen in de huisvesting, die gymnastiekruimte betreffen, verloopt, onder toepassing van het Ruimtebehoeftemodel, analoog aan de bepaling van de omvang van toekenningen voor lesgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van het aantal in medegebruik te geven lessen gymnastiek is het lesrooster maatgevend. Het maximale aantal lestijden gymnastiek kan met de in paragraaf 3.4 gegeven formule worden berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningenDe wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen. In de modelverordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds omdat op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds omdat naar aanleiding van de tweede fase van het Bouwbesluit VROM reeds een aantal centrale eisen aan schoolgebouwen gesteld zullen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de minister van OCenW zal, door middel van een Algemene maatregel van bestuur, enkele minimale oppervlakte eisen stellen. Deze betreffen echter niet de specifieke ruimten, doch het totale gebouw, danwel alle bij een school in gebruik zijnde gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de modelverordening alleen iets over de oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van ruimten, met name in verband met de mogelijkheden voor medegebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">BijlageIVFinanciële normering 1 School voor basisonderwijs In dit hoofdstuk zijn genormeerde bedragen opgenomen voor: nieuwbouw (paragraaf 1.1); uitbreiding (paragraaf 1.2); tijdelijke voorziening (paragraaf 1.3); eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair (paragraaf 1.4); aanpassing (paragraaf 1.5) en gymnastiek (paragraaf 1.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen. Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn incl. BTW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor het jaar 2010 zijn aangepast conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in hoofdstuk 4, Indexering.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een viertal kostencomponenten, te weten: kosten voor terrein; bouwkosten; toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw; alleen voor speciale school voor basisonderwijs: toeslag voor een speellokaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinen Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw) behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwkosten De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag, waarin inbegrepen een aantal m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2.bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2 bvo € 736.297,98 Elke volgende m2 bvo € 1.260,01 De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 670 m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal € 1.193.024,30 Elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal € 1.319,40 Toeslag voor een eventueel speellokaal (90 m2 bvo) € 113.196,52 Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op dezelfde plaats Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat gesloopt dient te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente bouw per m2 bvo € 51,08 Tijdelijke bouw per m2 bvo € 35,05 1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2 brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terrein Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwkosten De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter € 107.823,50 Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo € 71.882,33 Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 1.436,32 De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m2 bvo of groter € 110.881,83 Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m2 bvo € 73.921,22 Naast het startbedrag voor elke m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal € 1.464,95 Toeslag voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo) in combinatie met uitbreiding van de school € 129.269,24 Vergoeding voor een eventueel afzonderlijk speellokaal (90 m2 bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school € 237.669,28 Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op dezelfde plaatsHiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Tijdelijke voorziening De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke voorziening.. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter € 41.930,97 Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2 bvo € 27.953,98 Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 1.030,44 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter € 23.569,74 Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo € 15.713,15 Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 1.079,72 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten) 1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair Basisschool Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2.Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisbedrag € 34.311,60 Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo € 120,03 Speciale school voor basisonderwijsDe vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen in euro):.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisbedrag € 72.796,90 Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo € 124,18 De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal van een school voor speciaal basisonderwijs bedraagt € 6.643,04.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 Aanpassing Alle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6 Gymnastiek Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding NieuwbouwDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 774.035,26 (op het schoolterrein) respectievelijk € 789.690,58 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paallengte 1&lt;15 meter € 15.568,86 Paallengte 15&lt;20 meter € 21.462,48 Paallengte &gt;20 meter € 30.143,12 Uitbreiding Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding met 112 t/m 120 m2 € 179.837,32 Uitbreiding met 120 t/m 150 m2 € 218.616,96 Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">112-120m2 121-150m2 Paallengte 1&lt;15m € 6.969,91 € 8.715,22 Paallengte 15&lt;20m € 12.072,28 € 15.086,47 Paallengte &gt;=20m € 19.736,85 € 24.671,06 OLP/meubilair De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal bedraagt voor zowel een basisschool als een speciale school voor basisonderwijs € 45.966,89.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijsHier zouden alle financiële gegevens t.a.v. dit soort onderwijs worden weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar er geen speciaal onderwijs meer aanwezig is binnen de gemeente Brunssum wordt dit onderdeel niet opgenomen in de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 School voor voortgezet onderwijsDe financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in: nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1); tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2); eerste inrichting leer en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3); en gymnastiek (paragraaf 3.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 Nieuwbouw en uitbreidingEr bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het bedrag voor de component \"aanpassing\" deel B).</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal kostencomponenten: kosten van terreinen; bouwkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma. Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenBouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bedrag voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en een vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten. De ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in Bijlage III, deel B (III-3 De toepassing van het Ruimtebehoeftemodel) De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2 bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m2 bruto-vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen zijn opgenomen in de tabel op de volgende bladzijde met vaste bedragen per m2 bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m2 &lt; 460 m2 &gt; 460 en &lt;2500 m2 &gt;2500 m2 Algemene en specifieke ruimte 1.796,23 1.066,00 1.040,47 Werkplaatsen 1.754,39 1.419,16 1.419,16 Werkplaatsen consumptief 2.130,37 1.795,14 1.795,14 Specifieke ruimte: (uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkplaatsen: techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek; consumptief: werkplaats consumptieve techniek; grafische techniek: werkplaats grafische techniek; landbouw: groen-praktijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige ruimte is algemene ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening (in €) &gt; 460 en &lt; 2500 m2 &gt; 2500 m2 Vaste voet algemeen 113.337,88 113.337,88 Vaste voet algemene sectie 222.473,69 310.624,17 Vaste voet werkplaatssectie 41.136,13 41.136,13 Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek, machinale houtbewer-king, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek, grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de algemene sectie. De overige theorie- theorievak- en (specifieke) vaklokalen en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende normkostenBij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal aspecten, te weten fundering en bemaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de hand van de volgende formules:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw en uitbreiding &gt; 1000 m2: - Paallengte 1 &lt; 15 meter:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.303,95 + ( 17,34 * A) - Paallengte 15 &lt; 20 meter:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.517,48 + ( 29,32 * A) - Paallengte &gt; 20 meter:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.927,14 + ( 52,47 * A) Uitbreiding ≤ 1000 m2: - Paallengte 1 &lt; 15 meter:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.034,72 + ( 6,07 * A) - Paallengte 15 &lt; 20 meter:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.262,63 + ( 15,76 * A) - Paallengte &gt; 20 meter:</p>\n<p class=\"lf-p\">7.991,75 + ( 31,86 * A) Om in aanmerking te komen voor een aanvullende bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding bedraagt € 11,25 per m2 terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Tijdelijke voorzieningHet vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden: nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen; huur van tijdelijke lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalenHet bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: € 571,58* A + € 39.296,98 A = het toegekende aantal m2 bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huur van tijdelijke lokalenNaast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk:huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Eerste inrichting leer en hulpmiddelen en meubilairDe toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet geschikt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige brutovloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren brutovloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normbedragen inventaris per ruimtetype (in €) Ruimtetype Functie Inventaris/m2 Algemene ruimte AlAlgemene ruimte 134,23 Specifieke ruimte Handel/verkoop/administratie Handel/verkoop/administratie 191,90 (Uiterlijke) verzorging/mode en commercie 313,70 05 Praktijkonderwijs 257,65 Werkplaatsen Techniek algemeen 329,11 Consumptief 637,35 Grafische techniek 1.218,51 Landbouw 0,-- Specifieke ruimte: (uiterlijke)verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren; praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken Werkplaatsen: techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek; consumptief: werkplaats consumptieve techniek; grafische techniek: werkplaats grafische techniek; landbouw: groen-praktijk;</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige ruimte is algemene ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijsBouwkosten nieuwbouw/uitbreidingDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 705.292,92 (op het schoolterrein) respectievelijk € 719.557,89 (op afzonderlijk terrein).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in €): - paallengte 1&lt;15 meter:</p>\n<p class=\"lf-p\">14.186,18 - paallengte 15&lt;20 meter:</p>\n<p class=\"lf-p\">19.556,40 - paallengte &gt; 20 meter:</p>\n<p class=\"lf-p\">27.466,10 Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaalNaast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van medegebruik van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, -en c wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in Bijlage IV, Deel A, paragraaf 1.6 onderdeel \"Vergoeding per klokuur\", gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs moet vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huur sportveldenGedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten bedraagt € 17,78 per klokuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilairIn geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Meubilair L.h.m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totaal Eerste lokaal 920,22 54.874,44 55,796,65 Tweede lokaal 920,22 42.806,23 43.726,45 Derde lokaal 920,22 18.610,15 19.530,37 Oefenplaats 1 12.118,92 12.118,92 Oefenplaats 2 1.398,97 1.398,97 4 IndexeringDe in deze bijlage genoemde normbedragen zijn herleid naar het prijspeil van 1 juli 1996. Jaarlijks wordt door het college de werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkelijke prijsontwikkelingJaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het CBS-indexcijfer \"Nieuwbouwprijzen van woningen\", gepubliceerd in de Maandstatistiek bouwnijverheid\" van het CBS (eventueel zou voor onderhoud kunnen worden aangesloten bij het prijsindexcijfer van de materialen in de woningbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het CBS-indexcijfer \"prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor alle huishoudens\" (NR-reeks), gepubliceerd in de \"Maandstatistiek van de prijzen\" van het CBS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programmaNaast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van vergoeding vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) \"bruto investeringen voor woningen\", zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer \"prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie\", zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Europese aanbestedingVoor opdrachten die vallen onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn van de Europese Unie (2004/18/EG) met daarin de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">193.000 euro excl. BTW voor leveringen en diensten;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.845.000 euro excl. BTW voor werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOELICHTINGIn deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke vergoedingsmethoden, namelijk: vergoeding op basis van normbedragen (deel A); vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van feitelijke kosten dient vooraf te worden vastgelegd in artikel 4 van de verordening. In deze modelverordening zijn zoveel mogelijk vergoedingen genormeerd. Slechts indien normering niet mogelijk is, dan wel tot irreële uitkomsten leidt, is afgezien van normering. Afhankelijk van de lokale situatie kan de keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van feitelijke kosten een andere zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procentuele normvergoeding voor bouwvoorbereidingIn de artikelen 3, 4 en 25, 26, 27 en 28 van de modelverordening is een aantal regels gegeven voor het toekennen van een vergoeding voor bouwvoorbereiding. In de toelichting bij deze artikelen is aangegeven dat de vergoeding voor bouwvoorbereiding is opgenomen in de genormeerde bedragen in Deel A van Bijlage IV. Dit betekent dat, indien een genormeerde vergoeding voor bouwvoorbereiding (uitgedrukt in een percentage van de bouwkosten) wordt verstrekt, deze vergoeding in mindering moet worden gebracht op de genormeerde vergoeding voor de uiteindelijke realisering van de voorziening. Het hiervoor genoemde percentage is gebaseerd op de veronderstelling dat de aanvrager de bouw voorbereidt tot aan het moment van aanbesteding (dus inclusief de opstelling van het bestek, bouwvoorbe-reidingstekeningen en de begroting).</p>\n<p class=\"lf-p\">1 BasisonderwijsIn dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair, onderhoud en gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen. Alle genoemde bedragen zijn herleid tot het prijspeil 1 juli 2003. Ten behoeve van de vergoeding van voorzieningen in 2004 zijn deze bedragen vervolgens geïndexeerd met het MEV-cijfer van 2,25% respectievelijk 0,8%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw/uitbreidingVoor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk genormeerd op een bedrag voor een vaste voet en een bedrag per groep. Hiernaast kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven voor fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke voorzieningTijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er een extra toeslag moet worden gegeven om voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer, conciërgeruimte en dergelijke (toeslag hoofdlocatie) te kunnen realiseren. Indien er wel een permanent hoofdgebouw aanwezig is, maar nog geen tijdelijke voorziening, komt de aanvrager bij plaatsing van het eerste noodlokaal in aanmerking voor een toeslag t.b.v. een entree en een garderobe (toeslag eerste lokaal). Indien er reeds een noodaccommodatie aanwezig is, die moet worden uitgebreid, kan worden volstaan met de toekenning van de bedragen (gebaseerd op 80 m2) exclusief de toeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren. Bij huur van een bestaand gebouw wordt de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilairDe vergoeding voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair is aangepast als gevolg van de wijziging van het formatiebesluit. Door deze wijziging kan weer van het principe worden uitgegaan dat wanneer een school met een groep groeit, deze school een lokaal krijgt en uitbreiding volledige eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair, voor zover de school nog niet over deze eerste inrichting beschikt. De reden van de groei niet meer ter zake, omdat bij de vaststelling van de toekenning van de bedragen voor eerste inrichting geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen reguliere groei en groei als gevolg van de groepsverkleining. De toeslag meubilair is verdwenen. Bij de omrekening is geen rekening gehouden met de reeds toegekende toeslagen meubilair.</p>\n<p class=\"lf-p\">De invoering van de groepsverkleining betekent dat er een verschil ontstaat tussen de genormeerde omvang van onderbouw- en bovenbouwgroepen. De genormeerde omvang van onderbouwgroepen is gesteld op 20 leerlingen, voor de bovengroepen geldt 28 leerlingen. De huidige inrichtingsbedragen zijn gebaseerd op een genormeerde groepsgrootte van 29 leerlingen, terwijl de gemiddelde groepsgrootte dus is gedaald tot 24 leerlingen. Dit rechtvaardigt een aanpassing van de normering voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair. Daarnaast wordt de toeslag meubilair afgeschaft. Verder wordt de normering vereenvoudigd. Dit om het ook mogelijk te maken voor scholen met meer dan 30 groepen de bedragen voor eerste inrichting te kunnen bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De systematiek valt uiteen in twee delen. Tot en met vijf groepen is het niet mogelijk op een goede manier te lineariseren, hierom is vastgehouden aan de oude toekenningssystematiek. Deze bedragen zijn inclusief de inrichting van het (eerste) speellokaal. Vanaf de zesde groep ontvangt een school per groep een bedrag. In dit bedrag zit niet meer een component voor het tweede speellokaal. Indien er recht ontstaat op een tweede speellokaal ontvangt de school het inrichtingsbedrag als een aparte toeslag tweede speellokaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1: Een nieuwe basisschool heeft recht op negen groepen eerste inrichting. De school beschikt over negen groepsruimten en een speellokaal. De school ontvangt voor de eerste vijf groepen € 109.180,59 (dit bedrag is inclusief het eerste speellokaal) en voor de groepen zes tot en met negen € 46.320,88 (4 maal € 11.580,22). Omdat het een nieuwe school betreft, ontvangt de school € 139.951,33(€ 155.501,47 minus een korting van 10%).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 2: Een basisschool groeit van dertien naar zestien groepen. Hiermee kan de school de vijfde groep vier-vijf-jarigen vormen, de school krijgt derhalve een speellokaal toegekend. De school krijgt drie maal het bedrag ‘elke volgende groep’ toegekend: € 34.740,66 (3 maal € 11.580,22) plus de toeslag tweede speellokaal van € 6.158,67, totaal € 40.899,33.</p>\n<p class=\"lf-p\">OnderhoudOpgenomen zijn bedragen voor onderhoudsactiviteiten die, conform bijlage I, voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komen. Het gaat hier om grootschaliger onderhoudsactiviteiten, immers het dagelijks onderhoud wordt door middel van de vergoeding voor preventief onderhoud door het ministerie aan het bevoegd gezag vergoed. De vergoeding valt uiteen in een vast bedrag en een bedrag per vierkante meter bruto-vloeroppervlakte van het gebouw (ook voor buitenberging en terreinen!). Alleen bij de vergoeding voor het vervangen van de pannen, de goten en het houtwerk bij een hellend dak dient nog een correctiefactor te worden toegepast. Deze factor kan worden vastgesteld bij de nulmeting. De vergoeding voor het vervangen van bitumen dakbedekking op een plat dak bestaat uit een vast bedrag en een bedrag per m² bruto-vloeroppervlakte. Indien een schoolgebouw uit meerdere verdiepingen bestaat, leidt het bedrag per m² bruto-vloeroppervlakte tot een te hoge vergoeding. Voor een dergelijk gebouw dient te worden uitgegaan van het aantal m² dakoppervlakte (zie voetnoot 2 bij de tabel onderhoud, paragraaf 1.5). In dezelfde tabel zijn de onderhoudsactiviteiten ‘algehele vervanging van kozijnen en deuren’ en ‘algehele vervanging van hang- en sluitwerk’ vanwege hun nauwe samenhang samengebracht in een vergoedingsformule.</p>\n<p class=\"lf-p\">GymnastiekDe vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair en onderhoud. Hiernaast zijn bedragen opgenomen voor de klokuurvergoeding (materiële exploitatie), welke van toepassing zijn bij gebruik van een \"eigen\" gymnastiekzaal en bij medegebruik en huur van een gymnastiekaccommodatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 (Voortgezet) speciaal onderwijsNiet meer van toepassing 3 Voortgezet onderwijsIn dit hoofdstuk zijn voor de voorzieningen nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke voorziening, eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair en gymnastiek genormeerde bedragen opgenomen. Alle genoemde bedragen zijn herleid tot het prijspeil 1 juli 2003 en ten behoeve van de vergoeding van voorzieningen in 2004 geïndexeerd met het MEV-cijfer 2,25% respectievelijk 0,8%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw/uitbreidingDe kosten voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw zijn genormeerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ruimte-afhankelijke kosten (lokaalspecifiek) en sectie-afhankelijke kosten (sectie-specifiek). Hiernaast kan, afhankelijk van de beoordeling, een vergoeding voor aanvullende normkosten (fundering en bemaling) worden gegeven. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de normvergoeding van de investeringskosten te kunnen berekenen is het noodzakelijk te weten met hoeveel vierkante meters BVO de verschillende ruimtesoorten moeten worden uitgebreid of teruggebracht. Het huidige gebouw zal daarom eerst moeten worden opgemeten. Dit kan in drie stappen gebeuren:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Opmeten van de netto vierkante meters van de specifieke ruimten. Door vermenigvuldiging van de netto vierkante meters van deze ruimten met de bruto/netto factor van 1,67 wordt de BVO van deze ruimten verkregen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Opmeten van de netto vierkante meters van de werkplaatsen. Ter verkrijging van de BVO van deze werkplaatsen kunnen deze netto vierkante meters worden vermenigvuldigd met de bruto/netto factor van 1,38.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De vierkante meters BVO van de algemene ruimte zijn nu: BVO van het gebouw minus BVO specifieke ruimten en BVO werkplaatsen. Oftewel:</div>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande BVO totaal ... m²</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>BVO specifieke ruimte (netto m² x 1,67) ... m²</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38) ... m² = Algemene ruimte ... m² Het tekort of overschot per ruimtesoort wordt daarop vermenigvuldigd met het bedrag per vierkante meter BVO. Door sommering van deze positieve en negatieve bedragen wordt het totaal bedrag aan normvergoeding voor investeringskosten/inventaris verkregen. Dit bedrag per vierkante meter BVO verschilt overigens per omvang van de goed te keuren uitbreiding of nieuwbouw (zie deel A, 3.1 van bijlage IV).</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij het in de vorige alinea berekende bedrag moeten vervolgens ook nog de vergoedingen voor de sectie-afhankelijke en de aanvullende kosten worden opgeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke voorzieningTijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt geen onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van tijdelijke lokalen als eerste voorziening en uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie. Met de op basis van bijlage III goedgekeurde oppervlakte kan door middel van de formule het investeringsbedrag worden berekend. Dit investeringsbedrag omvat tevens alle bijkomende kosten, zoals eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren. Beide soorten huur worden op basis van de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilairDe normvergoeding voor inventaris wordt berekend door het tekort of overschot per ruimtesoort te vermenigvuldigen met het normatieve bedrag per m² wat voor deze ruimten is opgenomen. Hierbij gaat de vergelijking echter iets verder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestaande BVO totaal ... m²</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>BVO specifieke ruimte Handel/verkoop administratie (netto m² x 1,67) ... m²</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>BVO specifieke ruimte (uiterlijke) verzorging/mode en commercie (netto m² x 1,67) ... m²</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>BVO werkplaatsen Techniek Algemeen (netto m² x 1,38) ... m²</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>BVO werkplaatsen Grafische Techniek (netto m² x 1,38) ... m²</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>BVO werkplaatsen Landbouw (netto m² x 1,38) ... m²</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>BVO werkplaatsen AMVB (netto m² x 1,67) ... m²</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>BVO werkplaatsen consumptief (netto m² x 1,38) ... m² = Algemene ruimte ... m² Het bovenstaande betekent voor inventaris dat als een school goedkope ruimte moet ombouwen voor dure ruimte, het verschil in inventariskosten wordt gecompenseerd. Dit kan gebeuren als algemene ruimte verbouwd wordt tot werkplaats of specifieke ruimte. Andersom kan ook voorkomen, dat de school gekort wordt op het bedrag voor inventaris als werkplaatsen of specifieke ruimte wordt verbouwd tot algemene ruimte. Bij dit laatste kan het in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat het totaalbedrag negatief wordt. In dit uitzonderlijke geval wordt het bedrag voor inventaris op nul gezet.</div>\n<p class=\"lf-p\">GymnastiekVoor gymnastiek wordt een aparte vergelijking gemaakt tussen het aantal gymzalen waar normatief recht op bestaat en het aantal aanwezige zalen. Bij uitbreiding van een oefenvloer tot 252 m² kan het normbedrag aan inventaris/investeringskosten worden berekend door: vermenigvuldiging van de netto m² met 1,3 tot BVO; door vermenigvuldiging van deze BVO met het aantal normbedrag per vierkante meter voor inventaris/investeringskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 IndexeringOp grond van artikel 76, derde lid, WBO; artikel 84, derde lid, ISOVSO en artikel 76m, derde lid, WVO, is de gemeente verplicht normen vast te stellen aan de hand waarvan bedragen kunnen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting. Een aantal voorzieningen, zoals onderhoud en aanpassing, zal worden bekostigd nadat een offerte is uitgebracht en beoordeeld. Deze voorzieningen zijn gezien de enorme verscheidenheid niet of nauwelijks zinvol te normeren. Voorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen op basis van normbedragen worden bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen jaarlijks moeten worden aangepast aan het geldende prijspeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van bijvoorbeeld de begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan van vaststaande cijfers in het volgende jaar door met behulp van zogenaamde MEV-cijfers het prijspeil voor een volgend jaar te prognosticeren. Door deze methodiek van toepassing te verklaren, liggen de vergoedingen voor de voorzieningen vast. Het vorenstaande betreft de methodiek die momenteel wordt gehanteerd in het primair onderwijs. Jaarlijks wordt het prijsniveau gepubliceerd van het daaropvolgende jaar. Voor iedere volgende prijsbijstelling zal het gepubliceerde prijsniveau eerst moeten worden herleid naar het werkelijk prijspeil, dus een &gt;terugcorrectie= met het MEV cijfer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze van indexcijfer is vrij. Het is echter wel van belang deze keuze vast te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van de index is jaarlijks. De vaststelling kan tegelijkertijd plaatsvinden met de vaststelling van het programma en het overzicht. Gezien het tijdstip van vaststellen van het programma en het overzicht kan zonder problemen ook het MEV cijfer worden gehanteerd omdat dit cijfer definitief bekend wordt gemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een alternatief voor het hanteren van de MEV cijfers is het gebruik maken van een inflatiecomponent zoals deze wordt gehanteerd ten behoeve van de gemeentebegroting; ook kan het percentage waarmee het Gemeentefonds wordt aangepast van toepassing worden verklaard bij de bijstelling van de normbedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste vastlegging van het prijspeil is gebaseerd op de normbedragen zoals deze nu worden gehanteerd door het ministerie van OCenW. Dit prijspeil heeft een directe relatie met de ruimtenormen die de grondslag vormen van de vergoedingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.5Bijlage VCriteria voor de urgentie voor de aangevraagde voorzieningen 1 Volgorde van hoofdprioriteitenHuisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen; voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs en aanpassingen aan de buitenzijde van gebouwen voor voortgezet onderwijs; voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding inhouden; voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs. voorzieningen die noodzakelijk worden geacht en zijn opgenomen op een vastgesteld integraal huisvestingsplan, dat voor de betreffende periode nog van kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair onderwijs, aanpassingen aan de buitenzijde in het voortgezet onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing \"vervanging van een oliegestookte verwarmingsinstallatie\" in het primair onderwijs vormen de tweede hoofdprioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 3Aanpassingen aan de binnenzijde van gebouwen voor voortgezet onderwijs en de aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 4Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 5Onder deze noemer vallen voorzieningen aan onderwijsvoorzieningen, die niet op grond van specifieke aanvragen voor beoordeling zijn ingediend, maar die als gevolg van het feit dat zij zijn opgenomen op het ihp voor deze periode bij de vaststelling van het programma en overzicht worden meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteitenVervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder niet lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1 Binnen de hoofdprioriteit \"voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen\" komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen; vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen en vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Binnen de hoofdprioriteit \"voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven\" komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;</p></div>", "next": 239900}