{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In de praktijk komt het regelmatig voor dat cliënten ondersteuning hebben bij het beheren van het pgb. Deze ondersteuning mag niet betaald wordt uit het pgb. In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar pgb-beheer aan moet voldoen. Bovendien is verduidelijkt dat pgb-beheer de cliënt kan ondersteunen, maar niet in de plaats van de cliënt treedt. Dit blijkt uit de woorden \"met hulp uit…\" in artikel 2.3.6 lid 2 sub a van de Wet. Als de cliënt in het geheel geen regie kan voeren, is het pgb niet de aangewezen verstrekkingsvorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">De combinatie van zorgverlener en pgb-beheerder in één persoon of instantie is daarnaast, gezien de belangenverstrengeling, onwenselijk en niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor familieleden in de eerste en tweede graad geldt een uitzondering. Dit neemt niet weg dat het college wel beoordeelt hoe de verhouding is tussen de cliënt en de pgb-beheerder en de mate van afhankelijkheid van cliënt ten opzichte van de pgb-beheerder. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare cliënten, bijvoorbeeld ouderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb-professional</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via de pgb-constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Het college dient zich te vergewissen van die kwaliteit. Om die reden worden in de verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een pgb wordt ingeschakeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener uit het sociaal netwerk van de cliënt komt. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria zoals bijvoorbeeld genoemd in lid 5 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis in het vijfde lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan “één huishouden, één plan” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eis in het zesde lid wordt gesteld, omdat het belangrijk is dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut en dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid neemt. Het streven hierbij zouden maximale zelfregie en samenredzaamheid moeten zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb sociaal netwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ziet specifiek op de situatie waar hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De cliënt legt een schriftelijk document over waarin het voorgaande gemotiveerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. In geval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd, is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een pgb. Het blijft altijd maatwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de tarieven is aansluiting gezocht bij de oude Regeling subsidies AWBZ, welke bedragen sindsdien zijn geïndexeerd. Voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de aanvrager kan de gemeente gebruik maken van de bepalingen rond die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet schrijft in artikel 2.3.6 lid 2 sub c voor dat diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. In de beoordeling of een pgb voor sociaal netwerk ‘veilig, doeltreffend en cliëntgericht’ verstrekt en besteed kan worden, betrekt het college onder meer de verhouding van de cliënt tot de zorgverlener en de mate van afhankelijkheid van cliënt ten opzichte van de zorgverlener. Dit is bedoeld om zowel voorafgaand aan de verstrekking als op een later moment te (kunnen) onderzoeken of het pgb veilig, doeltreffend en cliëntgericht gebruikt wordt, ook als cliënt en zorgverlener een sociale relatie onderhouden. Dit alles in het kader van de (financiële) bescherming van kwetsbare cliënten, bijvoorbeeld ouderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Bijdrage in de kosten (Wmo 2015)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning in natura en in de vorm van een pgb alsmede voor algemene voorzieningen. In de financiële bijlage wordt een aantal maatwerkvoorzieningen genoemd die uitgesloten zijn van een bijdrage in de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde en vijfde lid is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt. In het zesde lid zijn de bedragen en percentages van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zevende lid is gevolg gegeven aan artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015 waar is bepaald dat in de verordening wordt bepaald welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb voor opvang vaststelt en int.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het achtste lid bepaalt dat de bijdrage die voor het collectief vervoer gevraagd wordt, niet onder het abonnementstarief valt. Daar geldt een ander tarief, namelijk een opstarttarief en een bijdrage per kilometer. Deze tarieven worden vastgesteld door het bestuur van de BVO DRAN en de BVO DRAN sluit hierbij aan bij de tarieven zoals die gelden voor het reguliere busvervoer zonder korting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de regeling ten behoeve van pleegouders wordt verwezen naar de Verordening maatschappelijke participatie gemeente Beuningen 2023.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee meer eigen regie heeft bij de inkoop van de gewenste voorziening. Indien hij het geld niet aanwendt voor dit doel, kan op grond van de subsidietitel van de Awb worden gehandhaafd. Indien hij later wederom een aanvraag zou doen voor maatschappelijke ondersteuning, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden in zijn situatie zijn, kan deze aanvraag worden afgewezen op grond van de Awb onder verwijzing naar de eerdere beschikking ter verstrekking van de tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kan het college bij besluit bepalen in welke gevallen een tegemoetkoming wordt verstrekt en wat de hoogte daarvan is. Door het vastleggen bij besluit is voor de burger op voorhand duidelijk op welke tegemoetkoming hij recht heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van Wmo voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ziet alleen op maatschappelijke ondersteuning. De kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn opgenomen in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het zevende lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015. Artikel 2.10 van de Jeugdwet verklaart dit artikel van overeenkomstige toepassing, dus deze verplichting geldt ook voor de Jeugdwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsregeling calamiteiten en geweld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 20 dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het zesde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding van calamiteiten en geweld in de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering is landelijk uniform geregeld in de Jeugdwet. Als toezichthouder is de inspectie jeugdzorg aangewezen. In aanvulling daarop is in de verordening ook de bevoegdheid opgenomen voor het college om een toezichthouder in het kader van de Jeugdwet aan te wijzen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tekst is aangepast aan het gewijzigde artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Om bij de inkoop enige flexibiliteit te houden, is niet te gedetailleerd uiteengezet welke kostencomponenten een rol moeten spelen. Reizen, opleidingen en administratieve verplichtingen (waaronder rapporteren) vallen onder de noemer overhead.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Jeugdwet kent deze verordenende verplichting voor de gemeente aangaande de aanbieders niet, maar beschrijft in paragraaf 4.2a het klachtrecht betreffende jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling, op grond van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. De gemeente heeft geen toezichthoudende functie voor de klachtregelingen van de jeugdhulpaanbieders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen is in de Jeugdwet geregeld (zie paragraaf 4.2.b).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">Controle</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet. De grondslag om toezichthouders aan te wijzen op grond van de Wmo 2015, vloeit voort uit artikel 6.1 van die wet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Reikwijdte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving op het bij of krachtens de Wmo 2015 gestelde en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid betreft. In dit artikel wordt ondubbelzinnig weergegeven hoe de gemeente de reikwijdte van deze verantwoordelijkheid ziet. Toezicht en handhaving strekt zich uit tot zorg in natura als ook pgb-gefinancierde zorg. Het strekt zich uit tot de wettelijke bepalingen, de onderliggende landelijke en lokale regelgeving en de afgesloten overeenkomsten en subsidierelaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">Toezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden allerlei verschillende typen onderzoek uiteengezet. Ook dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">Bevel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bevel is een zwaar middel dat niet lichtzinnig moet worden ingezet. De door de toezichthouder aangetroffen situatie is dermate ernstig dat het treffen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Bij zorg in natura zal het bevel zich richten tot de zorgaanbieder. Bij pgb-gefinancierde zorg zal het bevel zich richten tot de budgethouder, omdat we als gemeente daar de juridische relatie mee hebben. De budgethouder zal de aanbieder moeten aansporen om de noodzakelijke veranderingen onverwijld door te voeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">Inspectierapport</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">Hersteltermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de aanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze aanbieder en de veiligheid van cliënten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span><span class=\"lf-art-t\">Cliëntenstop en verscherpt toezicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span><span class=\"lf-art-t\">Vervolgonderzoeksrapport</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de aanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span><span class=\"lf-art-t\">Handhavingsmaatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder in een zaak van de gemeente Almelo geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Wmo 2015 en Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen. Om die reden is deze mogelijkheden opgenomen in deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Inzet privaatrechtelijke middelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De maatregelen van artikel 33 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de aanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span><span class=\"lf-art-t\">Register</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde aanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van het ROB zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij toezicht hebben we te maken met schaarse capaciteit. Dit betekent dat in 2015 de keuze is gemaakt om signaalgestuurd te gaan werken. Signalen kunnen afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-)werknemers en ook de aanbieder zelf. Als een aanbieder ziet aankomen dat hij niet langer aan de afspraken met de gemeente kan voldoen, is het primair zijn verplichting om dit proactief bij het college te melden. Op die manier kunnen partijen vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om passende afspraken te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span><span class=\"lf-art-t\">Betrekken van ingezetenen bij het beleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.10 van de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo- en jeugdbeleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordening en overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen en aanmeldingen die nog bij het college en de andere organisatie in behandeling zijn op grond van de nieuwe verordening beoordeeld zullen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels en hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Juist omdat het in de Wmo 2015 en Jeugdwet om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als desondanks die zeer persoonlijke afweging er toch nog sprake is van een niet billijke situatie, is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt, dan kan men zich afvragen of het beleid terzake niet aangepast moet worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding en citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE 1: vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vormen van maatschappelijke ondersteuning Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende maatwerkvoorzieningen worden verstrekt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Huishoudelijke hulp Rolstoel Woonvoorzieningen Woningaanpassingen Vervoersvoorzieningen Vervoersregeling Begeleiding Persoonlijke verzorging Dagbesteding Kortdurend verblijf Beschermd wonen Opvang Middels huishoudelijke hulp dienen de volgende resultaten te worden bereikt: in het kader van de leefbaarheid gerealiseerde hulp in het huishouden in de vorm van licht en/of zwaar huishoudelijk werk in de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en sanitaire ruimten van de woning; adequaat gebruik kunnen maken van goederen voor primaire levensbehoeften; adequaat gebruik kunnen maken van schone, draagbare en doelmatige kleding; het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; regie op het huishouden kunnen voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vormen van jeugdhulp De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd schoolmaatschappelijk werk opvoedondersteuning en opvoedadvies jeugdhulp op de Sint Maartenschool De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulp Ambulant reguliere begeleiding en verzorging en begeleiding specialistische begeleiding dagbesteding (intersectoraal) dagbehandeling (intersectoraal) vaktherapie kortdurend verblijf casemanagement vervoerdiensten dyslexie Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding, dagbehandeling en kortdurend verblijf jeugd kan alleen geleverd worden indien de zorgaanbieder ook het noodzakelijk geachte vervoer kan regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Casemanagement Jeugd is een stapel-bouwsteen. Casemanagement kan alleen worden ingezet door de gemeentelijke toegangspoort of door een Gecertificeerde Instelling ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of maatregel tot jeugdreclassering, bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">GGZ basis GGZ specialistische GGZ klinische opname GGZ Jeugdhulp met Verblijf pleegzorg gezinshuiszorg crisis verblijf licht verblijf middel verblijf zwaar jeugdzorgplus ambulante behandeling Toelichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen gezinshuiszorg vallen meerdere bouwstenen (gezinshuiszorg lichte, middel, zware begeleidingsintensiteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ambulante begeleiding vallen ook de zwaardere vormen van (gezins)behandeling zoals MST.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verblijf licht vallen meerdere producten (kortdurend verblijf, time-out voorziening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verblijf midden vallen meerdere producten zoals kamertraining en het fasehuis, leerhuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verblijf zwaar vallen meerdere producten zoals behandelgroepen, drie leefmilieusvoorzieningen, onvoorwaardelijk wonen, kleinschalig wonen, beschermd wonen en verslavingszorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdbescherming en jeugdreclassering jeugdbescherming jeugdreclassering hulp in vrijwillig kader (intensief gezinsgerichte en systeemgerichte aanpak, actieve en consultatieve dienstverlening, consultatie, forza) BIJLAGE 2: financiële bijlage</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Begripsbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">In deze bijlage wordt, additioneel op het in art. 1 van de verordening bepaalde, verstaan onder:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al of niet op een geheim adres, voor vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenmalig persoonsgebonden budget: pgb dat niet is bestemd voor dienstverlening, maar voor een (vervoers)hulpmiddel, een vervoerskostenvoorziening of een woningaanpassing. Dit pgb wordt door de gemeente uitbetaald en niet door de Sociale Verzekeringsbank (SVB).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Bijdrage in de kosten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een cliënt een duurdere maatwerkvoorziening wil dan de goedkoopst adequate komt het meerdere voor rekening van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Vervallen 2.3 In uitzondering op het bepaalde in art. 16 lid 1 van de verordening, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor: rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning); [vervallen]; woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n); huurderving; maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt; arbeidsmatige dagbesteding; zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is; eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten; jeugdhulp; individuele thuisbegeleiding in een gezin waarbij de ondersteuning gericht is op zowel de ouder(s) als het kind; bij overlijden van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Vervallen 2.5 Voor tijdelijk verblijf LVB 18+ Wmo geldt dezelfde eigen bijdrage-systematiek als voor beschermd wonen, omdat bij tijdelijk verblijf LVB eveneens sprake is van een combinatie van wonen en zorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">3.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het CAK met de door de gemeente Beuningen vastgestelde regels.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een algemene voorziening plaats door de aanbieder van deze voorziening.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.2 1. Voor maatwerkvoorzieningen geldt een eigen bijdrage conform de systematiek van het abonnementstarief. Deze eigen bijdrage is verschuldigd door de cliënt (ongehuwd) of de cliënten tezamen (gehuwd). Verder is niet van belang hoeveel maatwerkvoorzieningen de cliënt heeft of de cliënten hebben. Er geldt één eigen bijdrage, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Voor beschermd wonen, opvang geldt een afwijkende eigenbijdragesystematiek.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De eigen bijdrage kan samengaan met een bijdrage voor algemene voorzieningen die niet onder de systematiek van het abonnementstarief vallen. Gaat het echter om een algemene voorziening die wel onder de systematiek van het abonnementstarief valt (duurzame hulpverleningsrelatie), dan is cumulatie van deze bijdrage met de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen niet mogelijk. Alleen de eigen bijdrage conform het abonnementstarief geldt dan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De maximale bijdrage in de kosten, voor zover niet begrensd door het abonnementstarief, wordt als volgt bepaald:</div>\n<p class=\"lf-p\">Verstrekking (ook vervanging) in natura:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verstrekkingen waarbij maandelijks aan een aanbieder of leverancier een betaling plaatsvindt het tarief per maand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een betaling plaatsvindt aan een aanbieder of leverancier de kostprijs (verstrekt bedrag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstrekking als pgb:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verstrekkingen waarbij periodiek door een aanbieder zorg wordt geleverd en het pgb via de SVB (trekkingsrecht) ter beschikking wordt gesteld het tarief per maand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een pgb wordt betaald aan de cliënt de kostprijs (verstrekt bedrag). c. Beschermd wonen kent een lage en hoge eigen bijdrage:</p>\n<p class=\"lf-p\">De lage eigen bijdrage volgt de systematiek als genoemd onder sub a 1e bullit en sub b 1e bullit, is altijd van toepassing bij een pgb en bij ZIN zonder wooncomponent.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoge eigen bijdrage (inkomens- en vermogensafhankelijk vaststelling CAK) geldt bij ZIN waarbij sprake is van een wooncomponent.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt bepaald door:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verstrekkingen waarbij maandelijks aan een aanbieder of leverancier een betaling plaatsvindt en bij verstrekkingen waarbij periodiek door een aanbieder zorg wordt geleverd en het pgb via de SVB (trekkingsrecht) ter beschikking wordt gesteld: de duur van de verstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een betaling plaatsvindt aan een aanbieder of leverancier en bij verstrekkingen waarbij eenmalig een pgb wordt betaald aan de cliënt: de kostprijs.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Activiteiten dagelijks leven</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald door de gemeente bedongen uurtarieven middels een aanbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats in de vorm van een bedrag per uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Bij overlijden van de cliënt die een partner heeft, wordt de hulp bij het huishouden in natura beëindigd op de datum van overlijden. In het geval van een persoonsgebonden budget wordt het persoonsgebonden budget beëindigd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgens op de maand van overlijden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Huisvesting</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">5.1</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het college kent twee soorten woonvoorzieningen: a. een woonvoorziening van bouwkundige of bouwtechnische aard b. een woonvoorziening niet van bouwkundige of bouwtechnische aard.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor een woonvoorziening, zoals genoemd in het eerste lid onder a, die in natura of als eenmalig persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in een aan het college overlegde offerte die voldoet aan het programma van eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toe te kennen eenmalig persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening, zoals genoemd in het eerste lid onder b, is gelijk aan de huurprijs per maand van de voorziening zoals die bij een verstrekking in natura in bruikleen door het college aan de contractleverancier betaald zou worden, vermenigvuldigd met de gemiddelde levensduur (zie artikel 20.1). In dit bedrag zijn de kosten van instandhouding, zoals onderhoud, reparatie en indien van toepassing, verzekering reeds opgenomen. Reparatiekosten die niet onder het onderhoudscontract vallen, worden, na goedkeuring van de offerte, vergoed op basis van de werkelijk gemaakte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Als eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten van een verhuizing geldt als normbedrag € 2.965,39.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Voor een woningaanpassingen die duurder zijn dan € 2.965,39 kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt als er geen mogelijkheid is te verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 1. Indien de maatwerkvoorziening bestaat uit een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens rolstoelgebruik, huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, dan kan een eenmalig persoonsgebonden budget verstrekt worden. De hoogte van het eenmalig persoonsgebonden budget is afhankelijk van de ouderdom van de te vervangen goederen: a. 100% van de kosten als het te vervangen artikel niet ouder is dan 2 jaar; b. 75% van de kosten als het te vervangen artikel tussen de 2 en 4 jaar oud is; c. 50% van de kosten als het te vervangen artikel tussen de 4 en 6 jaar oud is; d. 25% van de kosten als het te vervangen artikel tussen de 6 en 8 jaar oud is; e. 0% van de kosten als het te vervangen artikel 8 jaar of ouder is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bij het bepalen van de hoogte van het in lid 1 bedoelde eenmalig persoonsgebonden budget wordt aangesloten bij de maximale bedragen zoals vermeld in de Prijzengids van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huurderving (in natura of als persoonsgebonden budget) wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast of aan te passen valt voor een bedrag van meer dan € 8.000,39. De tegemoetkoming is gemaximeerd op zes maanden op basis van de netto (kale) huurprijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 1. Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten kan worden verstrekt ten behoeve van tijdelijke huisvesting indien deze meerkosten moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van: a. De huidige woonruimte van cliënt; b. De door cliënt nog te betrekken woonruimte.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De eenmalige tegemoetkoming meerkosten ten behoeve van tijdelijke huisvesting wordt uitsluitend verleend voor de periode, waarin de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en cliënt als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan die redelijkerwijs niet voorkomen kunnen worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten in verband met tijdelijke huisvesting wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden. De vergoeding vindt plaats op basis van de werkelijk gemaakte kosten tot een maximum van € 673,40 per maand voor een zelfstandige woonruimte of € 333,39 per maand voor een niet-zelfstandige woonruimte..</div>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten dat als maximum verstrekt wordt bij het logeerbaar maken van de woning bedraagt € 2.471,16.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Indien het college een eenvoudige losse woonvoorziening van niet-bouwtechnische of niet-bouwkundige aard tot € 300 verstrekt, verstrekt het college deze voorziening in eigendom.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Verplaatsen en vervoer</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening, verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering voor vergelijkbare rolstoelen in het een na vorige volledige kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vermeerderd met de instandhoudingskosten (voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering) over een periode van 7 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt € 667,21 als eenmalig persoonsgebonden budget met een maximum van € 1.334,43.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (rolstoel) taxi bedraagt € 667,21 als eenmalig persoonsgebonden budget met een maximum van € 1.334,43.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het bedrag dat per afgelegde kilometer wordt vergoed in het kader van de vervoersvoorziening onder lid 1 is € 0,21.</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">A</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">8A.1 Bij het compenseren van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen ligt het primaat bij het collectieve vervoerssysteem via Avan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8A.2 De cliënt die als gevolg van aantoonbare beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of voor wie het openbaar vervoer niet compenserend is, kan in aanmerking komen voor een Wmo-vervoerspas voor gebruik van het collectief vervoer. Met deze Wmo-vervoerspas wordt een korting verkregen op het normale tarief van dit collectief vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">8A.3 In het geval van een Wmo-vervoerspas zoals bedoeld in lid 2 betaalt de gemeente het verschil tussen het AVAN-tarief per kilometer en het tarief dat reizigers in het reguliere ov per kilometer betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8A.4 De in lid 2 bedoelde vervoerspas voor het gebruik van collectief vervoer maakt het mogelijk om per kalenderjaar maximaal 1500 kilometer met korting, zoals bedoeld in lid 2 en 3 te reizen. Na het bereiken van deze 1500 kilometer komt de cliënt niet meer in aanmerking voor een door de gemeente gefinancierde korting op het normale tarief van dit collectief vervoer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">B</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">8B.1 Het in artikel 8 lid 1 bedoelde eenmalig persoonsgebonden budget dat wordt verstrekt voor gebruik van een (eigen) auto, bedraagt in het geval van:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>kinderen 4 jaar en &lt;12 jaar: de hleft van het bedrag zoals genoemd in artikel 8 lid 1;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>kinderen &gt;12 jaar: volledige bedrag zoals genoemd in artikel 8 lid 1.</div>\n<p class=\"lf-p\">8B.2 Indien de behoeften van echtgenoten samenvallen en gebruik kan worden gemaakt van dezelfde voorziening, wordt een enkel eenmalig pgb, zoals bedoeld in artikel 8, toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">8B.3 Indien de behoeften van echtgenoten niet samenvallen, wordt niet meer dan anderhalf maal een in artikel 8 bedoeld eenmalig pgb toegekend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Maatschappelijke participatie</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>De eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor een sportvoorziening bedraagt maximaal € 4.448,09.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Dit bedrag is bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van drie jaar.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5. Beschermd wonen en beschermd thuis</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">10.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tarieven voor beschermd wonen en beschermd thuis in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente bedongen uurtarieven bij een aanbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van beschermd wonen of beschermd thuis vindt plaats op basis van vijf categorieën (tabel in 10.3). De vorm van wonen (woongroep of individueel) en de intensiteit/kwaliteit van de benodigde (groeps-)begeleiding bepalen welke categorie beschermd wonen of beschermd thuis wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 1. Binnen beschermd wonen en beschermd thuis wordt onderscheid gemaakt tussen de zorgverlening door professionals en niet-professionals. Bij zorgverlening door professionals hanteren wij een standaardtarief per dag. Voor niet-professionals wordt gerekend met een uurtarief. Onder niet-professionals wordt het sociaal netwerk van een cliënt verstaan. Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociale netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is een relevant diploma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Categorie Agogisch klimaat in uren per week Begeleiding individueel uren per week Totaal aantal uren begeleiding per week Beschermd Thuis: licht 0 2,5 2,5 Beschermd Thuis: groep licht 3,5 2,5 6 Beschermd Thuis: groep middelzwaar 7 2,5 9,5 Beschermd wonen: groep zwaar 10 2,5 12,5 Beschermd wonen: groep intensief 12,5 2,5 15 2.Vaststelling van het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen of beschermd thuis is gebaseerd op het totaal aantal begeleidingsuren dat een cliënt met een bepaald profiel nodig zou hebben. De cliënt mag binnen het totaal aantal uren, vanwege zijn specifieke situatie, de verdeling tussen individuele en groepsbegeleiding afwijkend invullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 1. In bepaalde gevallen wordt het persoonsgebonden budget niet berekend op basis van dagtarieven maar op basis van uurtarieven. Het gaat om de volgende situaties: a. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van niet professionele zorg. b. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet-professionele en professionele zorg. Een uitsplitsing wordt gemaakt om te bepalen hoeveel uren niet-professioneel en hoeveel uren de budgethouder professioneel nodig heeft. Deze zullen worden toegekend conform de uurtarieven in bovenstaande tabel in 11.3. c. De indicatiesteller (GGD Gelderland-Zuid, Toegang Beschermd Wonen) constateert dat de individuele zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde categorie. In voorkomende gevallen geeft de GGD een advies over het aantal uren dat de betreffende cliënt nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien een cliënt met een persoonsbudget voor beschermd wonen zowel professionele zorg inkoopt bij een aanbieder als niet-professionele zorg uit zijn eigen netwerk, leveren beide partijen ieder een deel van de totaal geïndiceerde hoeveelheid zorg. Het totale persoonsgebonden budget is gebaseerd op een totaal aantal uren dat de uren in bovenstaande tabel niet kan overschrijden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 6. Begeleiding/dagbesteding</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">11.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tarieven voor begeleiding/dagbesteding in natura worden bepaald aan de hand van de door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van begeleiding/dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7. Opvang</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">12.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen 12.2 De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3 De bijdrage in de kosten voor opvang bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4 Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang (waaronder crisisopvang) aan de cliënt geen voeding verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor voeding. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag, dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) berekent als gemiddelde kosten. In het geval het bedrag niet bekend is, bepaalt het college het bedrag dat hiervoor in de plaats komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.5 Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.6 Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">13.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald aan de hand van de door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">14.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alleen in uitzonderingssituaties bij zwaarwegende redenen is inzet van een pgb door mensen uit het sociale netwerk van de cliënt mogelijk. Drie aanvullende cumulatieve criteria voor uitvoering van het pgb door leden uit het sociale netwerk: degene die de voorziening met het pgb uitvoert is aantoonbaar deskundig; degene die de voorziening met het pgb uitvoert lijdt kostenderving: ofwel in de vorm van inkomstenderving in verband met het bieden van mantelzorg, ofwel in de vorm van extra kosten die hij moet maken om intensieve mantelzorg te kunnen bieden; pgb door het sociaal netwerk leidt tot betere/efficiëntere ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.2 Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden; c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.3 a. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in artikel 16.1, indien toepassing van deze bepalingen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. b. Het college kan de bepalingen in dit artikel nader invullen in de beleidsregels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">15.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde hun eigen kracht en regie te versterken stelt het college tijdens het vooronderzoek de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2 Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van de Verordening Jeugdhulp.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4 OVERIG</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1. Terugvordering</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De meerwaarde van de woning die door het ontvangen van een woonvoorziening (compensatie op het leefgebied huisvesting) is ontstaan, dient gedeeltelijk aan de gemeente Beuningen te worden terugbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor het bepalen van het bedrag van meerwaarde wordt uitgegaan van: a.het toegekende bedrag voor de woonvoorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de woonvoorziening is betaald; b.een afschrijving van 10% voor elk vol jaar dat de woonvoorziening was gerealiseerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij een bedrag tot € 150,- wordt afgezien van terugvordering.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Persoonsgebonden budget</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">18.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duur van de verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt de volgende economische afschrijvingstermijn gehanteerd: a. maatwerkvoorziening voor een meerderjarige: 7 jaar (oftewel 91 zorgperioden); b. maatwerkvoorziening voor een minderjarige: 5 jaar (oftewel 65 zorgperioden).</p>\n<p class=\"lf-p\">18.2 Als een minderjarige meerderjarig wordt dan wordt de afschrijvingstermijn verminderd met het aantal jaren dat de minderjarige de maatwerkvoorziening heeft toegekend gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.3 In afwijking van het eerste lid kan voor tweedehands maatwerkvoorzieningen voor een meerderjarige en minderjarige de afschrijvingstermijn worden verminderd met de actuele leeftijd van de maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.4 Indien de met het eenmalig persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde periode nog adequaat, kwalitatief verantwoord en compenserend is, dan wordt geen nieuw persoonsgebonden budget verstrekt. Een persoonsgebonden budget voor instandhoudingskosten kan dan wel worden verstrekt. Onder instandhoudingskosten wordt verstaan: de noodzakelijke kosten om de voorziening in stand te houden, in het bijzonder de kosten van onderhoud en reparatie en, voor zover van toepassing, de verzekeringskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.5 De bewaartermijn voor de pgb-administratie is 7 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.6 Bij de verlening van een persoonsgebonden budget worden de budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd: a. De budgethouder dient zelf een aansprakelijkheidsverzekering te hebben (afgesloten) voor schade die door het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan. Zoals bepaald in artikel 11 van de verordening is – indien van toepassing – een component opgenomen voor verzekering. b. De budgethouder dient zelf een voorziening die een motorrijtuig is in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) te verzekeren in overeenstemming met artikel 2 van die wet. Zoals bepaald in artikel 11 van de verordening is – indien van toepassing – een component opgenomen voor verzekering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij overlijden van de pgb-houder wordt het persoonsgebonden budget beëindigd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand van overlijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college indexeert de bedragen genoemd in artikel 5.2, 5.3, 5.5, 5.6, 5.7, 8 lid 1 en 2 en 9 lid 1 van deze financiële bijlage jaarlijks op 1 januari op basis van de consumentenprijsindex zoals het CBS deze vaststelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel tarieven pgb Wmo/Jeugdhulp gemeente Beuningen 2023 Perceel Producten Productcode Eenheid PGB professioneel PGB informeel Reguliere Begeleiding en persoonlijke verzorging Reguliere Begeleiding Wmo 02A03 per uur 50,33 21,20 Reguliere Begeleiding in een groep Wmo 02A17 per uur 16,78 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke Verzorging Wmo 03A03 per uur 44,73 21,20 Specialistische begeleiding Specialistische Begeleiding Wmo 02A05 per uur 60,39 21,20 Specialistische Begeleiding in een groep Wmo 02A20 per uur 20,13 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding Dagbesteding Wmo 07A03 per dagdeel 33,69 21,20 Kortdurend verblijf Kortdurend Verblijf Wmo 04A04 per etmaal 175,74 32,92 Casemanagement Casemanagement Wmo 02A21 per uur 60,39 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoerdiensten Vervoer Dagbesteding en Kortdurend Verblijf Wmo 08A03 per etmaal 12,38 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijk verblijf LVB Tijdelijk verblijf LVB met begeleiding en evt. verzorging Wmo 10A22 per etmaal 122,04 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijk verblijf LVB met (dagelijks) intensieve begeleiding en verzorging en/of gedragsregulering Wmo 10A25 per etmaal 165,98 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reguliere Begeleiding en Verzorging en Begeleiding Reguliere Begeleiding Jw 45A04 per uur 50,33 21,20 Reguliere Begeleiding in een groep Jw 45A71 per uur 16,78 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzorging en Begeleiding Jw 40A04 per uur 55,92 21,20 Specialistische begeleiding Specialistische Begeleiding Jw 45A05 per uur 60,39 21,20 Specialistische Begeleiding in een groep Jw 45A49 per uur 20,13 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding Dagbesteding (intersectoraal) Jw 41A18 per dagdeel 44,60 21,20 Dagbehandeling Dagbehandeling (intersectoraal) Jw 41A03 per dagdeel 97,63 21,20 Ambulante (groeps-) behandeling J&amp;O en J-LVB Vaktherapie Jw 45A53 per uur 68,92 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groepsgerichte vaktherapie Jw 45A52 per uur 22,97 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortdurend verblijf Kortdurend Verblijf Jw 44A09 per etmaal 175,74 32,92 Casemanagement Casemanagement Jw 45A55 per uur 60,39 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoerdiensten Vervoer naar dagbesteding, Kortdurend Verblijf en Dagbehandeling Jw 42A03 per etmaal 12,38 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulp ambulant Dyslexie Jw 45A74 per uur n.v.t. n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">GGZ Behandeling basis Jeugd GGZ Jw 54001 per uur 84,06 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Specialistische Jeugd GGz (incl. obs en diagnostiek) Jw 54002 per uur 97,86 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pgb-tarief hulp bij het huishouden Perceel Producten Productcode Eenheid Pgb-tarief Hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden 1 en 2 Per uur € 18,55 ZG Perceel Producten Productcode Eenheid PGB professioneel PGB informeel Ondersteuning vroegdoven Gespecialiseerde begeleiding ZG 02L05 per uur € 50,33 € 21,20 Revaliderende begeleiding ZG 02L06 per uur € 50,33 € 21,20 Dagactiviteit zintuigelijk gehandicapten 07L01 per dagdeel € 50,33 € 21,20 Ondersteuning Doofblinden Gespecialiseerde begeleiding doofblinden 02L12 per uur € 50,33 € 21,20 Begeleidersvoorziening Doofblinden 02L13 per uur € 50,33 € 21,20 Revaliderende begeleiding ZG 02L14 per uur € 50,33 € 21,20 Dagactiviteit zintuigelijk gehandicapten 07L02 per dagdeel € 50,33 € 21,20 Ondersteuning visueel Gespecialiseerde begeleiding 02L15 per uur € 50,33 € 21,20 Zorg in Natura Tarieven en Producten 2023 Perceel Producten Productcode Tarief Eenheid Reguliere Begeleiding en persoonlijke verzorging Reguliere Begeleiding Wmo Wmo 02A03 € 1,01 per minuut Reguliere Begeleiding in een groep Wmo Wmo 02A17 € 0,34 per minuut Persoonlijke Verzorging Wmo 03A03 € 0,93 per minuut Specialistische begeleiding Specialistische Begeleiding Wmo Wmo 02A05 € 1,30 per minuut Specialistische Begeleiding in een groep Wmo Wmo 02A20 € 0,43 per minuut Dagbesteding Dagbesteding Wmo 07A03 € 41,95 per dagdeel Kortdurend verblijf Kortdurend Verblijf Wmo 04A04 € 218,83 per etmaal Casemanagement Casemanagement Wmo 02A21 € 1,30 per minuut Vervoerdiensten Vervoer Dagbesteding en Kortdurend Verblijf Wmo 08A03 € 12,33 per etmaal Tijdelijk verblijf LVB Tijdelijk verblijf LVB met begeleiding en evt. verzorging Wmo 10A22 € 151,95 per etmaal Tijdelijk verblijf LVB met (dagelijks) intensieve begeleiding en verzorging en/of gedragsregulering Wmo 10A25 € 206,64 per etmaal Reguliere Begeleiding en Verzorging en Begeleiding Reguliere Begeleiding Jw 45A04 € 1,01 per minuut Reguliere Begeleiding in een groep Jw 45A71 € 0,34 per minuut Verzorging en Begeleiding Jw 40A04 € 1,16 per minuut Specialistische begeleiding Specialistische Begeleiding Jw 45A05 € 1,30 per minuut Specialistische Begeleiding in een groep Jw 45A49 € 0,43 per minuut Dagbesteding Dagbesteding (intersectoraal) Jw 41A18 € 55,53 per dagdeel Dagbehandeling (intersectoraal) Jw 41A03 € 121,57 per dagdeel Vaktherapie Vaktherapie Jw 45A53 € 1,43 per minuut Groepsgerichte vaktherapie Jw 45A52 € 0,48 per minuut Dyslexie Dyslexie Jw 45A74 € 1,63 per minuut Kortdurend verblijf Kortdurend Verblijf Jw 44A09 € 218,83 per etmaal Casemanagement Casemanagement Jw 45A55 € 1,30 per minuut Overlegtafel jeugd Vooroverleg OPH Jw 45OT1 € 0,01 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlegtafel OPH Jw 45OT2 € 0,01 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoerdiensten Vervoer naar dagbesteding, Kortdurend Verblijf en Dagbehandeling Jw 42A03 € 12,33 per etmaal GGZ Behandeling basis Jeugd GGZ Jw 54001 € 1,70 per minuut Specialistische Jeugd GGz (incl. obs en diagnostiek) Jw 54002 € 1,94 per minuut Beschermd Wonen Tarieven 2023 Productaanbod 2023 Product-code 2023 Zin 2023 Eenheid per Pgb professioneel 2023 Pgb sociaal netwerk 2023 Beschermd Thuis: Licht 15N02 € 28,66 Etmaal € 28,38 per etmaal € 23,82 per uur Beschermd Thuis: Groep Licht 15N03 € 60,53 Etmaal € 58,65 per etmaal € 23,82 per uur Beschermd Thuis: Groep Middelzwaar 15N04 € 90,83 Etmaal € 87,38 per etmaal € 23,82 per uur Beschermd Thuis: Groep Zwaar (alleen pgb) 15N05 n.v.t. n.v.t. € 113,32 per etmaal € 23,82 per uur Beschermd Thuis: Groep Intensief (alleen pgb) 15N06 n.v.t. n.v.t. € 134,95 per etmaal € 23,82 per uur Beschermd Wonen: Licht (alleen ZIN) 15N11 € 139,27 Etmaal n.v.t. n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd Wonen: Middelzwaar (alleen ZIN) 15N12 € 167,15 Etmaal n.v.t. n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd Wonen: Intensief (alleen ZIN) 15N13 € 190,38 Etmaal n.v.t. n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbesteding 15N21 € 41,95 Dagdeel € 37,25 per dagdeel € 23,82 per dagdeel Aanvullende begeleiding 15N31 € 78,00 Uur € 43,07 per uur € 23,82 per uur Overbruggingszorg (begeleiding) 15N32 n.v.t. n.v.t. € 43,07 per uur € 23,82 per uur Vervoer van en naar dagbesteding 15N51 € 12,33 Etmaal € 12,01 n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwezigheidsdag 15N41 € 110,89 Etmaal n.v.t. n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3 Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgb-zorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene criteria Geschiktheidseisen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en;</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen, afhankelijk van de te leveren ondersteuning: een bewijs als geregistreerd professional jeugd of certificering Wmo;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ervaring blijkend uit 1 relevante referentieopdracht *2) uitgevoerd in de laatste 3 jaren. Bij een onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer. *2) De vereiste capaciteit, kennis en ervaring moet zijn opgedaan in en moet blijken uit één relevante referentieopdracht die in de afgelopen 3 jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie:</p>\n<p class=\"lf-p\">ZIN referentie (1 of meerdere referenties met minimaal 5 cliënten), of PGB referentie geanonimiseerd (1 of meerder referenties met minimaal 5 cliënten) Uitsluitingsgronden Het niet betalen van belasting en/of sociale premies Deelneming in een criminele organisatie Fraude Terroristische misdrijven Witwassen Kinderarbeid/mensenhandel Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht Faillissement Vervalsing van mededinging Een belangenconflict Valse verklaring(en) Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie Onrechtmatige beïnvloeding Ernstige beroepsfouten: doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst; verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens; handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht; begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes; het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde; alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Screening kan bestaan uit:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het door een zorgaanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers De gemeenten zijn eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan burgers. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb of onderaannemerschap. De zorgaanbieders dienen te werken met deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming moet de hoofdaannemer garant kunnen staan voor de kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) tekortschiet. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie ‘kwaliteitseisen’).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het hulpverleningsplan/herstelplan en evaluatieverslag dienen aan de volgende eisen te voldoen *4):</div>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente hecht veel waarde aan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>“één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en samenhang is tussen de hulp van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk versterkt (samenredzaamheid);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties. a. Een check moet gedaan zijn op alle leefdomeinen. Leefdomeinen zijn: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie. b. Het plan moet perspectiefgericht zijn. Doelen zijn geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Activiteiten zijn geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. Het evaluatieplan evalueert de doelen, zoals geformuleerd in het hulpverleningsplan. c. De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Afspraken over de afstemming tussen de betrokken zijn gemaakt. Beschreven wordt wie de regie voert: cliëntsysteem, casemanagement door de zorgaanbieder, gemeentelijke toegangspoort, of gecertificeerde instelling. d. In het plan is een goede balans tussen formele en informele zorg opgenomen. Bovendien wordt in het plan goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties). Tevens wordt gemotiveerd beschreven of individuele hulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten. e. De mogelijkheden voor deelname aan gewone maatschappelijke activiteiten worden onderzocht en gestimuleerd. f. In het plan staat beschreven hoe wordt gewerkt aan versterking van de eigen regie van de cliënt en aan versterking van zijn/haar sociale netwerk. Het eigen denkvermogen (leervermogen) wordt aangesproken en cliënt is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan. *4) Deze bepaling is vanzelfsprekend alleen van toepassing als voor het type zorg of ondersteuning een hulpverleningsplan en evaluatieverslag is vereist.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bereik en participatie specifieke doelgroepen De gemeente hecht veel waarde aan een inclusieve samenleving waarin iedereen volwaardig kan meedoen. Dat vereist toegankelijkheid van de zorg voor alle burgers met een ondersteuningsvraag bijvoorbeeld vanwege lichamelijke, verstandelijke en /of psychische beperkingen. Daarbinnen zijn er kwetsbare doelgroepen met extra uitdagingen vanwege taal, etniciteit, culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/of seksuele geaardheid. Van zorgaanbieder wordt verwacht dat hij deze specifieke doelgroepen kan bereiken, in hun kracht zet, hun sociaal netwerk versterkt en laat meedoen in de samenleving.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Betaalbaarheid De zorgaanbieder dient bij te dragen aan de doelstelling betaalbaarheid van zorg vanuit de doelstelling: licht waar kan, zwaar waar nodig.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Duurzaamheid De gemeente hecht belang aan duurzaamheid rondom de thema’s personeel en milieu. Een duurzaam personeelsbeleid is van cruciaal belang in de zorg: de kwaliteit van de zorg wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van het personeel, de match van het personeel met de cliënt en de continuïteit van de professional voor de cliënt. Daar hoort bij dat het personeel vakbekwaam, vitaal en toekomstbestendig is en dat er geen hoog verloop van personeel is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteitseisen begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen (Wmo) en Jeugdhulp Wettelijke kwaliteitskaders Wet maatschappelijke ondersteuning 1 Maatschappelijke ondersteuning Gemeente verstaat onder maatschappelijke ondersteuning: bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld; ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving; bieden van beschermd wonen en opvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Maatwerkvoorziening Gemeente verstaat onder een maatwerkvoorziening een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Kwaliteitssysteem De zorgaanbieder draagt zorg voor de goede kwaliteit van de voorziening. Een voorziening wordt in elk geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; afgestemd op de reële behoefte van de cliënten op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Klachtenregeling Zorgaanbieder hanteert een eenvoudige en transparante klachtenregeling die voldoet aan de uitgangspunten van de Wmo 2015 en voorziet in bemiddeling bij en afhandeling van klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Medezeggenschapsregeling Zorgaanbieder hanteert een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van Zorgaanbieder die voor de cliënten van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 6.1 Zorgaanbieder voldoet aan de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiertoe moet zij in ieder geval een meldcode hanteren en het gebruik en de kennis van de meldcode onder degenen die voor hem werkzaam zijn bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Bovenwettelijk; zorgaanbieder heeft een aandachtsfunctionaris aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) Bovenwettelijk; zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van personen die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met cliënten. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden bij aanvang van de werkzaamheden. De zorgaanbieder verlangt van haar werknemers een nieuwe VOG op het moment dat redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat daar aanleiding toe is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 Verwijsindex risicojongeren Bovenwettelijk; zorgaanbieder die werkt met jongvolwassenen voldoet aan de eisen van de in de Jeugdwet verplichte landelijke verwijsindex risicojongeren*5). De verwijsindex is een vroeg-signaleringsinstrument dat risicomeldingen van professionals over jongeren tot 23 jaar bij elkaar brengt. Hierdoor weten betrokkenen sneller of een jongere ook bekend is bij een andere professional. Het doel is vroege signalering van risico’s die een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid van een jongere bedreigen, zodat tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kan worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder die werkt met jongvolwassenen wijst een instellingscoördinator VIR aan die de implementatie van VIR in de organisatie waarborgt. Zorgaanbieder implementeert toekomstige wijzigingen van de verwijsindex. *5) Zie http://www.handreikingmelden.nl/ voor de Handreiking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdwet 9 Jeugdhulp Gemeente verstaat onder jeugdhulp het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning, hulp en zorg, niet zijnde preventie, voor Jeugdigen en hun ouders*6) bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de Jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie-gerelateerde problemen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van Jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij Jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt. *6) Hier kan ook gelezen worden verzorgers of wettelijk vertegenwoordiger(s) 10 Doelgroep jeugdhulp Jeugdhulp is bedoeld voor de jeugdige die: de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt of; de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt en jeugdhulp ontvangt in het kader van jeugdstrafrecht of; de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van de Jeugdwet: is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is; vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of; is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 Verantwoorde hulp 11.1 De zorgaanbieder verleent verantwoorde hulp. Dat is hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig is en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van Jeugdige of ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 De zorgaanbieder organiseert zich op zodanige wijze, voorziet zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. De jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instellingen betrekken hierbij de resultaten van overleg tussen jeugdhulpaanbieders, het college en cliëntenorganisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">12 Verantwoorde werktoedeling 12.1 De zorgaanbieder voldoet aan de norm van verantwoorde werktoedeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2 De zorgaanbieder zet professionals in die over de juiste expertise beschikken en vakbekwaam zijn. Vakbekwaam zijn houdt in dat professionals in staat zijn om een beroep uit te oefenen volgens de voor de beroepsgroep geldende professionele standaard. Dat betekent dat steeds die professional moet worden ingezet die past bij de vraag van de cliënt, die beschikt over de noodzakelijke vakbekwaamheid en die handelt volgens de beroepsethische normen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.3 De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat professionals hun taken kunnen verrichten met inachtneming van de voor hen geldende professionele standaarden (beroepscodes, vakinhoudelijke richtlijnen en veldnormen).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4 De zorgaanbieder werkt met geregistreerde professionals (SKJ of BIG).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.5 De zorgaanbieder deelt taken toe met inachtneming van de specifieke kennis en vaardigheden van de professional.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.6 De zorgaanbieder draagt er zorg voor dat taken worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional, daar waar de norm van verantwoorde werktoedeling dat vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.7 De zorgaanbieder belast niet-geregistreerde professionals uitsluitend met de uitvoering van taken indien het aannemelijk is dat dat niet afdoet aan de kwaliteit, of zelfs noodzakelijk is voor de kwaliteit van de uit te voeren taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.8 De zorgaanbieder moet kunnen verantwoorden waarom een geregistreerde, dan wel een niet-geregistreerde professional wordt ingezet voor een taak​.</p>\n<p class=\"lf-p\">13 Kwaliteitssysteem Zorgaanbieder moet de kwaliteit van de geboden hulp systematisch bewaken, beheersen en verbeteren. Zorgaanbieder moet daarnaast gegevens over de kwaliteit van hulp systematisch verzamelen en registreren.</p>\n<p class=\"lf-p\">14 Hulpverleningsplan Zorgaanbieder werkt op basis van een hulpverleningsplan waarover is overlegd met de Jeugdige en de verzorgers en dat is afgestemd op de behoeften van de Jeugdige.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) 15.1 Zorgaanbieder beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van personen die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met Jeugdigen of verzorgers. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden bij aanvang van de werkzaamheden. Zorgaanbieder verlangt van haar werknemers een nieuwe VOG op het moment dat redelijkerwijs het vermoeden bestaat dat daar aanleiding toe is. De VOG van een solistisch werkende jeugdhulpverlener mag tijdens de werkzaamheden niet ouder zijn dan drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2 Bovenwettelijk; zorgaanbieder raadpleegt het BIG/SKJ-register en het register met tuchtrechtuitspraken alvorens een professional aan te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 16.1 Zorgaanbieder voldoet aan de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Hiertoe moet zij in ieder geval een meldcode hanteren en het gebruik en de kennis van de meldcode onder degenen die voor hem werkzaam zijn bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.2 Bovenwettelijk; zorgaanbieder heeft een aandachtsfunctionaris aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">17 Vertrouwenspersoon 17.1 Zorgaanbieder stelt de vertrouwenspersoon AKJ (Advies en Klachtenbureau Jeugdzorg) in staat werk te verrichten. Dit betekent dat de vertrouwenspersoon in ieder gevalvrije toegang heeft tot de gebouwen, terreinen en ruimten van jeugdhulpaanbieders waar Jeugdigen kunnen verblijven, een en ander voor zover dit voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig is. De vertrouwenspersoon behoeft bovendien geen toestemming van derden om met een Jeugdige te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder is verplicht aan de vertrouwenspersoon alle inlichtingen te verschaffen en alle bescheiden te tonen die de vertrouwenspersoon voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder verschaft de faciliteiten die de vertrouwenspersoon voor een juiste uitoefening van zijn taak nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.2 Zorgaanbieder informeert cliënten en hun verzorgers actief over het recht tot ondersteuning van een onafhankelijk vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">18 Klachtenregeling Zorgaanbieder hanteert een klachtenregeling die voorziet in bemiddeling bij en afhandeling van klachten van jeugdigen, verzorgers en (pleeg)ouders over de zorgaanbieder of personen die voor hem werkzaam zijn. Zorgaanbieder heeft een klachtencommissie ingesteld. Zorgaanbieder informeert cliënten en hun (pleeg)ouders actief over de klachtenregeling en toegang tot de klachtencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">19 Cliëntenraad De Zorgaanbieder stelt een cliëntenraad in en volgt daarbij de wettelijke bepalingen opgenomen in artikel 4.2 van de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">20 Inzicht in kwaliteitsverslag Zorgaanbieder stelt jaarlijks een verslag op over de naleving van de regels omtrent de kwaliteit van de jeugdhulp, onderscheidenlijk de kwaliteit van de uitvoering van de taken, het klachtrecht en de medezeggenschap. De zorgaanbieder verleent inzicht in dit verslag aan de gemeente door het jaarlijks aan te leveren bij de contractmanager. Zorgaanbieder maakt dit verslag openbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">21 Verwijsindex risicojongeren Zorgaanbieder voldoet aan de eisen van de wettelijk verplichte landelijke verwijsindex risicojongeren (VIR), en wijst een instellingscoördinator VIR aan die de implementatie van VIR in de organisatie waarborgt. Zorgaanbieder implementeert toekomstige wijzigingen van de verwijsindex.</p>\n<p class=\"lf-p\">22 Overige wet- en regelgeving In dit document staan slechts een aantal wettelijke eisen benoemd waaraan zorgaanbieder moet voldoen. Gemeente verwacht dat zorgaanbieder bekend is met, en voldoet aan, alle op de zorgaanbieder van toepassing zijnde wet- en regelgeving, richtlijnen en verdragen zoals, maar niet beperkt tot;</p>\n<p class=\"lf-p\">Geneesmiddelenwet Jeugdwet Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg (van de Gemeenten) VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap Wet aanpak schijnconstructies Wet arbeid vreemdelingen Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie Wet gebruik Burgerservicenummer in de zorg Wet Ketenaansprakelijkheid Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 23 Doorstroom en afstemming Wmo, Jeugdwet, Zorgverzekerswet, Wet Langdurige Zorg en de Participatiewet Doorstroom Jeugdwet naar Zorgverzekeringswet (Zvw) Als een jeugdige Zvw-zorg krijgt, bestaat er geen recht op een voorziening op grond van de Jeugdwet. Indien de behandeling van een Jeugdige nog niet afgesloten kan worden en continuering daarvan ná het 18e jaar noodzakelijk is vanuit de Zvw, zorgt zorgaanbieder er in samenspraak met de jeugdige voor dat er tijdig een verwijzing van de huisarts is. Daarnaast begeleidt zorgaanbieder de jeugdige bij het tijdig aanvragen van een zorgverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorstroom Jeugdwet naar Wet Langdurige Zorg (Wlz) Jeugdigen met een blijvende beperking worden vaak in eerste instantie van hulp en begeleiding voorzien vanuit de jeugdhulp. Voor jeugdigen tot 18 jaar is de Wlz van toepassing op de meeste kwetsbare jeugdigen met 'een blijvende behoefte' aan 'permanent toezicht' of '24 uur per dag zorg in de nabijheid'. Het gaat dan om zorg vanwege een somatische aandoening of beperking, een verstandelijke beperking, een lichamelijke beperking, een zintuiglijke beperking of meervoudige beperkingen. Bij jeugdigen met een perspectief of vermoeden van een Wlz traject (in de toekomst) is het van belang om op een zo vroeg mogelijk moment na te gaan of voortzetting van de hulp in het kader van de Wlz is aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande verplicht zorgaanbieders die met deze jeugdigen werken tot een zorgvuldige diagnose, een zorgvuldige opbouw van het dossier en begeleiding bij de aanvraag Wlz bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een jeugdige recht heeft op Wlz-zorg, bestaat geen recht op een voorziening op grond van de Jeugdwet. Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige een indicatie voor Wlz-zorg zou kunnen krijgen, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit. In dat geval meldt de zorgaanbieder deze weigering bij de desbetreffende gemeente. Uitzondering hierop is als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen van de jeugdige. In dat geval kan het zijn dat de jeugdige zowel op grond van de Wlz als op grond van de Jeugdwet een soortgelijke voorziening kan krijgen. De jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet gaat dan voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemming Wmo 2015, de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) Er wordt geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 verstrekt voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. Dit betekent:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wlz Bij een verdere achteruitgang van de cliënt met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem wordt indien noodzakelijk tijdig een Wlz-indicatie aangevraagd bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) door de cliëntzelf of diens vertegenwoordiger met begeleiding van de aanvraag Wlz door Zorgaanbieder. Na de toekenning van de Wlz-indicatie vervalt de Wmo-indicatie, behoudens de door de wetgever benoemde uitzonderingssituaties. De zorgaanbieder heeft de verplichting de desbetreffende gemeente onverwijld te informeren over de toegekende Wlz-indicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo 2015 bepaalt dat de gemeente een maatwerkvoorziening kan weigeren indien er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt op de Wlz aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. In dat geval meldt de zorgaanbieder deze weigering bij de desbetreffende gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zvw Als de Zvw toegang biedt voor zorg die al vanuit de Wmo 2015 geleverd wordt, dan moet de Zorgaanbieder in die gevallen actie ondernemen om Zvw-indicatie te verkrijgen, de Wmo-indicatie op dit onderdeel te stoppen en hiertoe contact op te nemen met de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overig Tenslotte kan het voorkomen dat een cliënt niet alleen ondersteuning krijgt vanuit de Wmo 2015, maar ook uit de aanpalende wetten, waarin bijvoorbeeld leerlingenvervoer en jeugdzorg is geregeld. Waar die zorg geleverd wordt door andere zorgaanbieder(s) dient Zorgaanbieder de dienstverlening af te stemmen met deze betrokken zorgaanbieder(s).</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop Wmo 2015 en Participatiewet De Participatiewet kan voor veel cliënten mogelijkheden bieden in de verdere verbetering van de levenssituatie van de cliënt. De zorgaanbieder denkt actief mee in de mogelijkheden die de Participatiewet in deze kan bieden voor de cliënten ondersteunt de cliënt bij de toeleiding naar (aangepast) werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 Privacy en informatie uitwisseling 24.1 De Zorgaanbieder is verplicht zich te houden aan privacy wet en regelgeving (Wmo, Jeugdwet en Algemene Wet Gegevens Bescherming). Dit geldt ook voor de samenwerking met de Gemeentelijke Toegangspoort. Daar waar mogelijk en noodzakelijk willen we dat de Zorgaanbieder goede afspraken maakt over de uitwisseling van informatie in het belang van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.2 Gemeente vindt het belangrijk dat uitwisseling van persoonsgegevens goed beveiligd plaatsvindt, onder andere door middel van beveiligd e-mailverkeer. Gemeente sluit daartoe de gemeentelijke toegangspoort aan op Zorgmail. Zorgaanbieder heeft de keuze van ditzelfde instrument gebruik te maken, of de beveiligde berichtenuitwisselingsomgeving van de Regio te gebruiken of op niet- elektronische wijze te communiceren. Ontwikkelingen op het vlak van beveiligde gegevensuitwisselingen staan niet stil. Gemeente zal tijdig communiceren wat de volgende stappen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prestatie-eisen 25 Cliëntondersteuning Elke cliënt heeft recht op een onafhankelijke cliëntondersteuning. Zorgaanbieder informeert de cliënt hierover en beperkt zich tot betrokkenheid bij de cliënt op basis van de ondersteunings- en/of zorgbehoefte van desbetreffende cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 Cliënt centraal 26.1 De regie op de hulpverlening ligt bij de cliënt, al dan niet samen met familieleden, buren of vrienden uit het eigen netwerk. Zorgaanbieder sluit aan bij de regiemogelijkheden die de cliënten zijn sociaal netwerk hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.2 Zorgaanbieder betrekt de cliënt bij beslissingen en behandelt de cliënt als een gelijkwaardige gesprekspartner. Praten met de cliënt, en niet over de cliënten naast de cliënt staan, en niet er tegenover staan, zijn de uitgangspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.3 Zorgaanbieder stemt de inzet van ondersteuning af op de agenda van de cliënt en/of zijn verzorgers/mantelzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.4 Bij iedere situatie/aanvraag/casus waarbij er signalen, dan wel vermoedens zijn van een mogelijk onveilige situatie voor jeugdige en/of volwassene wordt een veiligheidsinschatting gedaan en zo nodig wordt er een veiligheidsplan opgezet en uitgevoerd. Een veiligheidsinschatting omvat een beoordeling- en risicotaxatie van de veiligheid van de jeugdige en/of volwassene. Het dient als een signaleringsmiddel voor onveilige situaties en als kapstok voor een open gesprek over een lastig thema. Risicofactoren die kunnen worden benoemd en ingeschat zijn bijvoorbeeld (echt)scheiding, ziekte, werkloosheid, huiselijk geweld, seksueel grensoverschrijdend gedrag, huisvesting en sociaal isolement. Op basis van een veiligheidsinschatting moet worden bepaald welke inzet en/of afspraken nodig zijn om de risico’s te minimaliseren en de veiligheid te verhogen. Gestandaardiseerde risicotaxatie instrumenten die bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt bij vermoedens van onveiligheid zijn het ‘Licht Instrument Risicotaxatie Kindveiligheid (LIRIK)’ of de ‘Checklist Veilig Thuis’. Risicotaxatie kan onderdeel uitmaken van de ‘Verplichte Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’.</p>\n<p class=\"lf-p\">27 Tolken Bij de toewijzing van professionals aan cliënten, houdt de zorgaanbieder rekening met de moedertaal van de cliënt. Waar mogelijk zet zorgaanbieder een professional in die de taal van de cliënt spreekt. Indien dit niet mogelijk is, bekijkt zorgaanbieder de mogelijkheid om een tolk vanuit het sociale netwerk van cliënt of vanuit Vluchtelingenwerk in te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">28 Verwijzers 28.1 Bij de Wmo is de gemeentelijke toegangspoort de verwijzer (Buurtteams Jeugd &amp; Gezin per 1 juli 2021 en -Volwassenen per 1 januari 2022, regieteams of zorgnetwerken en Veiligheidshuis of de GGD wat betreft beschermd wonen).</p>\n<p class=\"lf-p\">28.2 Bij jeugdhulp zijn naast de gemeentelijke toegangspoort als verwijzer aangewezen: huisartsen, jeugdartsen, kinderartsen, medisch specialisten, voogden van gecertificeerde instellingen, rechter, raad van de kinderbescherming en de officier van justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">33 Hulpverleningsplan 33.1 Zorgaanbieder wijst cliënt op de mogelijkheid om zijn/haar sociale netwerk, waaronder mantelzorger(s), te betrekken bij het opstellen van, en invulling geven aan, het hulpverleningsplan en geeft hier, indien gewenst, actief invulling aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.2 Zorgaanbieder werkt op basis van een hulpverleningsplan waarover is overlegd met de cliënten dat is afgestemd op de behoeften van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.3 Zorgaanbieder stelt altijd een hulpverleningsplan (begeleidings- herstel- of behandelplan) op met concrete doelen en daaraan gekoppelde activiteiten/acties om deze doelen te bereiken die overeengekomen zijn met de cliënten, verzorgers en andere betrokkenen uit het sociale netwerk, onderwijs, leerplicht, vrijwilligers, lokale zorgstructuur, (huis)artsen, jeugdgezondheidszorg, zorgaanbieders etc. Als er sprake is van doorverwijzing door een gemeentelijke toegangspoort, dan is het hulpverleningsplan gebaseerd op het onderzoeksverslag van de gemeentelijke toegangspoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het hulpverleningsplan benoemt zorgaanbieder de doelen aan de hand van de leefgebieden uit de zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) waarop de cliënt problemen ervaart. Gemeente ziet de ZRM niet als instrument voor bekostiging, maar als hulpmiddel voor integrale en resultaatgerichte ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens het traject, zoekt de zorgaanbieder met de cliënt voortdurend naar mogelijkheden in het voorliggende veld (voorliggende voorzieningen) om aan de gestelde doelen te werken. Te denken valt aan het onder de aandacht brengen van wijkactiviteiten of het zoeken naar lotgenotencontact. Deze activiteiten moeten zichtbaar zijn in het hulpverleningsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder legt in het hulpverleningsplan vast wanneer en op welke wijze de doelen worden geëvalueerd. Evaluatie vindt minimaal één keer per jaar plaats. Indien er meerdere professionals zijn betrokken bij een cliënt, maakt een bespreking van de ervaringen van de cliënt met het samenwerkingsverband integraal onderdeel uit van de evaluatie. Zorgaanbieder gebruikt deze informatie om de samenwerking tussen zijn professionals onderling en tussen zijn professionals en professionals van andere organisaties te verbeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het evaluatieverslag rapporteert zorgaanbieder in ieder geval over de geboden activiteiten, de bereikte resultaten, de mate van doelrealisatie en een advies over het vervolg. Zorgaanbieder geeft in het evaluatieverslag aan welke gestelde doelen zijn behaald en aan welke doelen nog gewerkt moet worden, dit ook voor een eventuele overdracht naar een andere zorgaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het hulpverleningsplan legt zorgaanbieder vast op welke wijze de wijzigingen in doelen/acties die voortvloeien uit de evaluatie tussentijds worden teruggekoppeld naar de betrokkenen en de verwijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.4 In het hulpverleningsplan staat hoe er wordt vormgegeven en gewerkt aan de kantelingsprincipes:</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht en dichtbij: de ondersteuning wordt zo dichtbij mogelijk geboden, bij mensen thuis of op vindplaatsen (zoals scholen en wijkcentra). De aanbieders zijn verplicht zich in te spannen om de hulpverlening zoveel mogelijk lokaal en gebiedsgebonden, afgestemd op de lokale zorg- en welzijnsstructuur en vaste gezichten te leveren en te organiseren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfregie en samenredzaamheid: welke methodieken wordt toegepast om eigen regie van de cliënten en hun sociale netwerk te versterken en samen met het netwerk het plan op te stellen en uit te voeren (bij voorkeur Sociale Netwerkstrategieën of Persoonlijk Toekomst Plan), wordt er toegewerkt naar herstel van een zo normaal mogelijke situatie in het gezin?;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het principe ‘één gezin, één plan, één regisseur’: hoe wordt samengewerkt met onderwijs, het sociale netwerk en vrijwilligers (informele hulp), lokale zorgstructuur en andere zorgprofessionals (huisartsen, jeugdgezondheidszorg, leerplicht etc.)? Wie voert indien nodig de casusregie?;</p>\n<p class=\"lf-p\">Participatie en ‘gewoon meedoen’: stimuleert de zorgaanbieder zoveel mogelijk de deelname aan gewone activiteiten op scholen, wijkactiviteiten of sportverenigingen? Wordt bij jongeren toegewerkt naar zelfstandigheid en participatie?;</p>\n<p class=\"lf-p\">Collectief boven individueel: wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van het aanbod van vrijwilligersorganisaties, welzijnsvoorzieningen? en algemene voorzieningen? Er wordt ook aangeven of individuele jeugdhulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten met motivatie waarom dit al dan niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegespitst op beschermd wonen geldt voor het hulpverlenings-/herstelplan dat Zorgaanbieders een hulpverleningsplan hanteren, hierna: het herstelplan. Deze bevat gerichte herstel- en uitstroomdoelen op alle (relevante) leefgebieden, dan wel doelen gericht op stabilisatie en acceptatie. Ten minste de volgende elementen zijn in dit plan verwerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een analyse gedaan van alle (relevante) leefdomeinen, op al deze domeinen zijn doelen geformuleerd gericht op ontwikkeling en herstel en een termijn met streefdata waarbinnen deze behaald kunnen worden; dan wel gericht op stabilisatie en acceptatie van een psychiatrisch ziektebeeld inclusief het voorkomen van achteruitgang voor de groep cliënten voor wie dit het hoogst haalbare doel is/voor wie ontwikkeling en herstel niet langer haalbaar is;</p>\n<p class=\"lf-p\">De doelen zijn haalbaar en concreet. Zij bieden perspectief op zowel lange termijn als korte termijn. De doelen worden ondersteund door specifieke activiteiten en er worden concrete producten genoemd waar de cliënt zich naartoe beweegt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De geformuleerde activiteiten zijn aan een doel gekoppeld en helder geprioriteerd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt gebruik gemaakt van een evaluatieplan om de doelen te evalueren zoals in het Herstelplan geformuleerd. In dit plan is aangegeven in welke periodiek er wordt geëvalueerd. GGD en cliënt evalueren de doelen zodat kan worden bepaald of en welke zorg er in het vervolg nodig is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van het herstelplan is het in kaart brengen van betrokkenen *7) uit het formele en informele netwerk. Waar dit van toepassing is, is er een afgestemd plan met het (lokale) (zorg)netwerk opgesteld. Hierin zijn afspraken gemaakt over de afstemming tussen betrokkenen en wie regie voert in de specifieke casus;</p>\n<p class=\"lf-p\">Daginvulling maakt integraal deel uit van het herstelplan. Waar relevant is omschreven hoe dagbesteding bijdraagt aan de stabilisatie, ontwikkeling en het herstel van de cliënt. Dit is gekoppeld aan de hierboven vermelde doelen; Er staat beschreven hoe wordt gewerkt aan versteviging van de eigen regie van de cliënt, die gericht is op ontwikkeling en herstel, dan wel aan de stabilisatie en aan de versterking of opbouw van zijn/haar sociale netwerk. Waar van toepassing wordt het eigen ontwikkelvermogen aangesproken en cliënt is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan. Bijvoorbeeld via de sociale netwerk strategie. *7) Voorbeelden van betrokkenen: het sociale netwerk en vrijwilligers (informele hulp), kinderopvang, onderwijs en leerplicht, lokale (zorg)structuur, Professionals (huisartsen, geestelijke gezondheidszorg), politie en justitie, ambtenaren inkomen en schuldhulpverlening, bewindvoering, werkbedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.5 Zorgaanbieder draagt er zorg voor dat de cliënt de inhoud van het hulpverleningsplan begrijpt en verstrekt de cliënt, indien gewenst, een versie van het hulpverleningsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">34 Integraal werken Zorgaanbieder vormt een netwerk rond de cliënt met verwijzer en stemt de ondersteuning af met andere professionele dienstverleners die zorg of jeugdhulp leveren aan de cliënt en het cliëntsysteem (één gezin, één plan, één regisseur). Waar nodig en mogelijk, werkt Zorgaanbieder binnen dit netwerk met een integraal hulpverleningsplan. Uitwisseling van informatie vindt plaats binnen de kaders van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">36 Wijzigen en/of (Voortijdig) beëindigen ondersteuning 36.1 Professionals van de zorgaanbieder signaleren veranderingen in de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en het cliëntsysteem bijvoorbeeld als de gewenste resultaten niet worden bereikt of omstandigheden verslechteren. Zorgaanbieder past de dienstverlening aan of neemt contact op met een verwijzer voor andere dienstverlening of neemt contact op met gemeente als daar actie nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">36.2 Indien dienstverlening aan cliënt, op verzoek van cliënten/of gemeente, wordt gestaakt en cliënt ondersteuning van een andere zorgaanbieder gaat afnemen, dan verleent zorgaanbieder volledige dienstverlening aan cliënt, medewerking aan een warme, zorgvuldige en vlotte overdracht van cliënten naar de door gemeente gecontracteerde aanbieder en bevordert ononderbroken voortzetting van de zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">36.3 Op verzoek van de zorgaanbieder kan de ondersteuning aan een cliënt uitsluitend worden gestaakt (voortijdig) indien er zwaarwegende redenen bestaan, verband houdend met de omstandigheden van de cliënt (o.a. ondersteuningsbehoefte, regiemogelijkheden, draagkracht cliëntsysteem), op grond waarvan in redelijkheid niet van Zorgaanbieder kan worden verlangd om de ondersteuning voort te zetten of de ondersteuning niet meer passend is voor de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de voorgenomen beëindiging doet zorgaanbieder tijdig schriftelijk en met redenen omkleed melding aan de cliënt en de verwijzer. Zorgaanbieder kan de aangevangen ondersteuning alleen beëindigen nadat er een passend alternatief is gevonden. Zorgaanbieder verleent volledige medewerking aan een warme, zorgvuldige en vlotte overgang van cliënten naar de door gemeente gecontracteerde aanbieder en bevordert ononderbroken voortzetting van de zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij beëindiging van ondersteuning wordt de reden voor de beëindiging in samenspraak met de cliëntsysteem vastgesteld. De reden wordt opgenomen in het zorgdossier. De zorgaanbieder rapporteert over de redenen beëindiging zorg aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">38 Verlenging maatwerkvoorziening 38.1 Indien de cliënt na afloop van een maatwerkvoorziening deze voortgezet wil hebben, moet hij/zij dit minimaal acht weken voor afloop van de beschikking aangeven bij de gemeentelijke toegangspoort. De zorgaanbieder kan de cliënt hierbij helpen. Een verzoek tot voortzetting dat minder dan acht weken voor afloop van de beschikking wordt ingediend, is ten tijde van het aflopen van de beschikking mogelijk nog in behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">38.2 Indien de toewijzing afloopt en verlenging van de maatwerkvoorziening gewenst is, dient zorgaanbieder bij de melding aan de verwijzer ten behoeve van een herindicatie altijd een evaluatieverslag aan te leveren. Bij de evaluatie staat de actuele ondersteuningsbehoefte van de cliënt centraal.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 18+/18- Zorgaanbieder draagt zorg voor een goede doorgaande zorglijn van 18- naar 18+. Zorgaanbieder start, samen met de jeugdige, op zestienjarige leeftijd met het maken van een toekomstplan waarbij een regisseur wordt benoemd. Netwerkondersteuning maakt onderdeel uit van het toekomstplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">40 Samenwerking 40.1 Op verzoek van Gemeente participeert zorgaanbieder in lokale netwerkgesprekken en contractmanagementgesprekken (zie 61).</p>\n<p class=\"lf-p\">40.2 Zorgaanbieder zoekt, indien van toepassing, actief samenwerking met de wijkverpleegkundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">40.3 Zorgaanbieder werkt samen met de mantelzorgers die zijn betrokken bij een cliënt. Zorgaanbieder heeft aandacht en begrip voor de belangen en de positie van de mantelzorgers van een cliënt, betrekt de mantelzorgers bij de ondersteuning en stemt de ondersteuning af op de mantelzorger.</p>\n<p class=\"lf-p\">40.4 Zorgaanbieder stemt, in geval er samenloop van zorg en ondersteuning is bij een bepaalde cliënt, ook af met zorgverzekeraars, het Zorgkantoor en behandelaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">40.5 Zorgaanbieder werkt op operationeel-, tactisch- en strategisch niveau samen met alle betrokkenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">40.6 Samenwerking met het onderwijs bij kinderen en Jeugdigen Zorgaanbieder werkt samen met onderwijs (o.a. leerkrachten, jeugdgezondheidszorg, schoolmaatschappelijk werk, intern begeleider, zorgcoördinator, leerplichtambtenaar en ambulante begeleider van samenwerkingsverband). Er dient afstemming plaats te vinden tussen eventuele ondersteuning in de thuissituatie en ondersteuning op school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is de verbinding en het maken van zo concreet mogelijke afspraken met het onderwijsveld/passend onderwijs, zowel met het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs. De verbinding zit op een aantal onderdelen maar zeker ook op het goed aansluiten van het VO op het ROC waardoor jeugdigen een goede aansluiting en daarmee mogelijkheid tot het behalen van een startkwalificatie en met als doel zoveel mogelijk aan het werk te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder houdt rekening met de continuïteit van het onderwijs voor het kind om verzuim zoveel mogelijk te voorkomen. Zorg wordt zoveel mogelijk op school aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder brengt onderwijs op de hoogte van: wachttijd voor de geïndiceerde hulp, start/voortgang/beëindiging van jeugdhulp, handelingsadvies voor leerkrachten en overige adviezen. Uiteraard binnen de mogelijkheden en grenzen van de AVG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is de verbinding en het maken van zo concreet mogelijke afspraken met het onderwijsveld/passend onderwijs, zowel met het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs waaronder het ROC waardoor jeugdigen een startkwalificatie kunnen behalen en aan het werk komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder werkt volgens convenant Onderwijs Jeugd augustus 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">40.7 Relatie met gedwongen jeugdhulp De partijen die voor de regio de gedwongen jeugdhulp uitvoeren hebben een subsidiecontract in het kader bestek C2 Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Het is van belang om een gedegen samenwerking te realiseren met deze partijen. In bepaalde gevallen hebben deze partijen een door de kinderrechter gemandateerd recht om zorg toe te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">40.8 Relatie met residentiële jeugdhulp Het is van belang de verbinding te leggen met residentiële jeugdhulp. Opzet is om zware residentiële zorg te beperken en in plaats daarvan zoveel mogelijk in te zetten kortdurend verblijf de plek te bieden, zodat de jeugdige zoveel mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan worden ondersteund.</p>\n<p class=\"lf-p\">40.9 Relatie met inkomensondersteuning – Berg en Dal, Beuningen en Nijmegen Wat betreft bewindvoering stellen we de eis dat instellingen cliënten niet direct (via de rechter) naar bewindvoerders verwijzen, maar deze cliënten met een advies door leiden naar gemeentelijke schuldhulpverlening, waar beoordeeld wordt of bewindvoering wenselijk is of dat een cliënt op een effectievere of efficiëntere wijze geholpen kunnen worden binnen de keten schuldhulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 Eigen bijdrage Wmo 45.1 Voor vragen rondom het bestaan, de reikwijdte en de maximale hoogte van de eigen bijdrage verwijst zorgaanbieder cliënten, indien zij dit verzoeken, naar de gemeentelijke toegangspoort. Voor vragen rondom de berekening en de inning van de eigen bijdrage verwijst Zorgaanbieder cliënten, indien zij dit verzoeken, naar het CAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">45.2 De eigen bijdragen worden (landelijk) geïnd door het CAK. Dit is in een Algemene Maatregel van Bestuur vastgelegd. Zorgaanbieder levert de gegevens die nodig zijn voor de berekening en inning van de Eigen Bijdrage aan bij het CAK. De zorgaanbieder levert de gegevens over de geleverde uren/dagdelen, en eventuele correcties, op periode- en cliëntniveau aan conform de door het CAK gestelde eisen en termijnen. Gemeente controleert via het CAK of zorgaanbieder zich aan deze voorwaarden houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">45.3 Wanneer de verantwoordelijkheid van het aanleveren van productie gegevens overgaat van zorgaanbieder naar gemeente vervalt 45.2. Gemeente committeert zichzelf aan een tijdige communicatie hieromtrent.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Passende beloning Gemeente hecht veel belang aan goed werkgeverschap, goed bestuur en een passende beloning voor zowel bestuurders als werknemers. Ze stelt daarom de volgende eisen aan zorgaanbieders:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder geeft invulling aan het begrip ´goed werkgeverschap´;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder voldoet aan de wetgeving omtrent arbeidsomstandigheden (Arbowet, Arbobesluit en Arboregeling);</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van een in de branche toepasselijke algemeen verbindend verklaarde cao, pas zorgaanbieder deze toe;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen sprake is van een in de branche toepasselijke algemeen verbindend verklaarde cao dan sluit zorgaanbieder zoveel mogelijk aan bij de in de betreffende branche gebruikelijke cao of sluit een daarmee gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenpakket af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder voldoet aan de Wet Normering Topinkomens (WNT);</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder voldoet aan de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder geeft invulling aan het begrip ‘good governance’. Hiertoe hanteert Zorgaanbieder de (meest recente) Governancecode zorg *8) of, indien deze niet past bij de organisatorische kenmerken van de Zorgaanbieder, een eigen governancecode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieder die de Governancecode zorg hanteert en die conform de Wet Toelating Zorginstellingen winst mag uitkeren, houdt bij de uitkering van winst rekening met de maatschappelijke doelstelling, positie en belangen (op de korte- en lange termijn) van de zorgorganisatie;Zorgaanbieder stelt personeel dat wordt ingehuurd als payroll- of uitzendkracht gelijk wat betreft de beloning. Daarmee hebben deze inhuurkrachten recht op de eindejaarsuitkering en de levensloopbijdrage, naast de andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de uitzend-cao(ABU). *8) In 2010 is een zorgbrede Governancecode ingevoerd voor de zorgsector door ActiZ, GGZ Nederland, NFU, NVZ en VGN. Hieronder vallen ook jeugd-LVB en jeugd-GGZ die deel uitmaken van de jeugdhulp. Onderdeel van de code vormen drie taken van de Raad van Toezicht: het houden van intern toezicht, het regelen van extern toezicht en het maatschappelijk verantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personeel 47 Personeel 47.1 Gemeente hecht veel belang aan toegankelijkheid en effectiviteit van de zorg voor alle doelgroepen en een personeelsbeleid dat hierop aansluit. Zorgaanbieder waarborgt toegankelijkheid en effectiviteit van de zorg voor cliënten van alle etnische/culturele achtergronden (cultuursensitief werken).</p>\n<p class=\"lf-p\">47.2 Gemeente hecht veel belang aan continuïteit in de ondersteuning. Zorgaanbieder streeft naar een gezonde verhouding tussen vast- en flexibel personeel. Hiertoe wordt een gezond personeelsbestand opgebouwd waarin er wordt gewerkt met vast en flexibel personeel op basis van structureel benodigde zorguren. Het aantal contracturen wordt in overeenstemming gebracht met het benodigd aantal structureel te verlenen (zorg)uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">47.3 Zorgaanbieder zorgt voor een vertrouwde en stabiele relatie tussen cliënten en Professional. Personele wisselingen worden zoveel mogelijk beperkt om dit te realiseren. Zorgaanbieder zet zoveel mogelijk dezelfde professionals in bij een cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">47.4 De organisatie zoekt naar een optimale balans tussen de inzet van professionals, leerlingen/stagiaries, ervaringsdeskundigen en vrijwilligers. Leerlingen en stagiaires kunnen onder begeleiding van een volleerd professional worden ingezet met inachtneming van de redelijke balans tussen volleerd en lerend personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">47.5 De zorgaanbieder beschikt over aantoonbaar bekwaam en gekwalificeerd personeel (betaald en onbetaald) voor het uitvoeren van de dienstverlening. De benodigde deskundigheid is vastgesteld per ondersteuningsvorm. Zorgaanbieder voldoet aan deze aanvullende kwalificatie-eisen. Zorgaanbieder moet dit kunnen aantonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Minimumeisen personeel Wmo 48.1 De voorziening Dagbesteding wordt uitgevoerd door een professional meteen afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Voor het opstellen van het hulpverleningsplan en het realiseren en monitoren van de resultaten die in dit plan opgenomen zijn, dient een professional ingezet te worden met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 4 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.2 De voorziening Reguliere Begeleiding (in een groep) wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Voor het opstellen van het begeleidingsplan en het realiseren en monitoren van de resultaten die in dit plan opgenomen zijn, dient een professional ingezet te worden met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 4 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.3 De voorziening Specialistische Begeleiding (in een groep) wordt uitgevoerd door een Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.4 Het toezicht tijdens het Kortdurend Verblijf wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.5 De voorziening Persoonlijke Verzorging wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Wanneer de cliënt de behoefte heeft aan begeleiding bij persoonlijke verzorging of gebaat is bij een combinatie van beide producten, dan valt de begeleiding onder de bouwsteen ‘begeleiding’. Hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional. Indien deze voorziening wordt uitgevoerd in combinatie met reguliere/specialistische begeleiding, door dezelfde professional, gelden de minimum personeelseisen genoemd bij reguliere/specialistische begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.6 Bij alle beschermd wonen voorzieningen is alle individuele begeleiding specialistische begeleiding en bestaat het agogisch klimaat in de woonvorm voor tenminste 80% uit HBO-geschoold personeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Minimumeisen personeel Jeugd (algemeen) 49.1 Het in te zetten hbo en wo geschoold personeel van zorgaanbieder, welke beroepsmatig in contact kan komen met jeugdigen of verzorgers aan wie Jeugdhulp is geboden, is geregistreerd in het ´Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ)´ of ´Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG)´ register. Het in te zetten ondersteunend mbo-geschoold personeel werkt altijd onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. Het in te zetten personeel van zorgaanbieder dat de mogelijkheid heeft om zich te registeren in het BIG- of SKJ-register, registreert zich zo snel mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.2 Zorgaanbieder die professionals wil inzetten die op het moment van inschrijving enkel vooraangemeld kunnen zijn in het SKJ-register, meldt zorgaanbieder na bekendmaking van de eisen voor registratie zo spoedig mogelijk aan gemeente of deze professionals wel of niet in aanmerking komen voor registratie in het SKJ-register en meldt wanneer deze registratie naar verwachting is geregeld. Zorgaanbieder is verplicht deze registratie binnen redelijke termijn tot stand te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.3 De voorzieningen Ambulante (groepsgerichte) BehandelingJ&amp;O, J-LVG en vaktherapie en Dagbehandeling kunnen alleen worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Onder regiebehandelaar verstaat gemeente (conform de brieven van Schippers respectievelijk van 2 juli en 2 september 2013 met kenmerk 129353-106301-CZ / 134895-107364-CZ):</p>\n<p class=\"lf-p\">Psychiater Klinisch psycholoog Klinisch neuropsycholoog Psychotherapeut Verslavingsarts in profielregister KNMG Verpleegkundig specialist GGZ Gz-psycholoog Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP (alleen in de GBGGZ) Orthopedagoog-generalist NVO (alleen in de GBGZZ) De regiebehandelaar is een zorgverlener die bij de patiënt de diagnose stelt en door wie of onder wiens verantwoordelijkheid de behandeling plaatsvindt. Dit houdt in dat de regiebehandelaar verantwoordelijk is voor alle acties die in het kader van de behandeling van een patiënt gedurende het traject plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regiebehandelaar heeft een afgeronde ggz-specifieke opleiding en is, met uitzondering van de orthopedagoog-generalist en kinder- en jeugdpsycholoog, BIG-geregistreerd. De orthopedagoog generalist is ingeschreven in het SKJ- en ´Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO)´-register. De kinder- en jeugdpsycholoog is ingeschreven in het register van het SKJ en ´Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)´-register. Er wordt van de beroepsgroepen kinder- en jeugdpsycholoog NIP en orthopedagoog-generalist NVO verwacht dat zij zich register in het BIG, zodra de mogelijkheid hiertoe ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.4 De regiebehandelaar is in ieder geval aanwezig bij de diagnostiek, het maken van de behandelovereenkomst en de evaluatiegesprekken met de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.5 De regiebehandelaar kan ondersteund worden door medebehandelaars. De medebehandelaar verricht, in het kader van een behandeltraject, zorgactiviteiten onder verantwoordelijkheid van de regiebehandelaar. De medebehandelaar is geregistreerd in het BIG en/of in het SKJ-register.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Minimumeisen personeel jeugd Reguliere Begeleiding (in een groep) De voorziening Reguliere Begeleiding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Voor het opstellen van het ondersteuningsplan en het realiseren en monitoren van de resultaten die in dit plan opgenomen zijn, dient een SKJ-geregistreerde professional ingezet te worden met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Minimumeisen personeel jeugd Specialistische Begeleiding (in een groep) De voorziening Specialistische Begeleiding wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 Minimumeisen personeel jeugd Dagbesteding De voorziening Dagbesteding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Minimumeisen personeel jeugd dagbehandeling De voorziening Dagbehandeling wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Deze voorziening wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een BIG-geregistreerde regiebehandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 Minimumeisen personeel jeugd Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling J&amp;O, J-LVG en vaktherapie De voorziening Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling J&amp;O, J-LVG wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een de BIG-geregistreerde gezondheidspsycholoog (GZ) of arts verstandelijke gehandicapte (AVG) (conform beleidsregels NZA, richtlijnen NJI).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening Ambulante(Groepsgerichte) Behandeling vaktherapie wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een BIG/NVO/NIP-geregistreerde regiebehandelaar of, in die gevallen waarin er sprake is van J&amp;O of LVG-problematiek en geen sprake is van een psychische stoornis, een BIG-geregistreerde arts verstandelijke gehandicapte.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 Minimumeisen personeel jeugd Verzorging en Begeleiding De voorziening Verzorging en Begeleiding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">56 Minimumeisen personeel jeugd Kortdurend Verblijf Het toezicht tijdens het Kortdurend Verblijf wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">57 Minimumeisen vervoer van/naar Dagbesteding (Wmo en jeugd), Kortdurend Verblijf (Wmo en jeugd) en Dagbehandeling (jeugd) 57.1 Voor de voertuigen die worden ingezet voor het Vervoer gelden de volgende eisen: dienen te voldoen aan alle relevante bepalingen en door de Rijksdienst door het Wegverkeer te zijn goedgekeurd voor taxivervoer; dienen te zijn voorzien van een verbandtrommel, brandblusser, noodhamer en gordelsnijder; zijn dusdanig ingericht dat de chauffeur vanuit zijn/haar zitplaats altijd alle inzittenden tijdens de rit kan zien; dienen elke klant zicht naar buiten te bieden; zijn voorzien van een kinderslot; alle zitplaatsen zijn voorzien van veiligheidsgordels die geschikt zijn voor alle reizigersgroepen waaronder ook kinderen; zijn rookvrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij rolstoelplaatsen: zijn voorzien van een voor alle rolstoeltypen veilige bevestiging van de rolstoel en zijn voorzien van een voor alle rolstoeltypen veilige bevestiging van de reiziger.</p>\n<p class=\"lf-p\">57.2 Voor de chauffeurs die worden ingezet voor het Vervoer gelden de volgende kwaliteitseisen: heeft kennis van en affiniteit met de doelgroep; herkent en kan omgaan met de diverse beperkingen en ziektebeelden van de doelgroep; is verantwoordelijk voor veilig vervoer en past de rijstijl aan de weersomstandigheden aan; heeft een servicegerichte en reizigersvriendelijke instelling; past goede sociale vaardigheden toe; is vakkundig, klantvriendelijk, servicegericht, behulpzaam en heeft correcte omgangsvormen gebruikt geen verbaal of fysiek geweld tegen reizigers om welke reden dan ook; verwijdert geen reizigers uit het voertuig tijdens de rit om welke reden dan ook met uitzondering van situaties waarin de veiligheid van chauffeur en/of medereizigers in gevaar is; is in bezit van een EHBO-certificaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien van belang voor de cliëntmoet de vervoerder daarnaast voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: het bieden van vastigheid (chauffeurs en route) aan de cliënt; de chauffeur moet in bezit zijn van een certificaat voor omgaan met epilepsie</p></div>", "next": 239703}