{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">1.Het bevoegd gezag kan de in artikel 4:11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval weigeren, dan wel onder voorwaarden verlenen, in het belang van: natuur- en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon; waarden voor recreatie en leefbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag kan hierbij de boomwaarde als criterium hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bevoegd gezag kan de in artikel 4.11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval niet weigeren ingeval voldaan moet worden aan de verplichting ingevolge het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11c</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningsvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tot aan de vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien herplant niet mogelijk is, kan er door het bevoegd gezag een financiële compensatie worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien de noodzaak voor de kap is aangetoond en/of andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11d</span><span class=\"lf-art-t\">Herplant-/instandhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn, dan wel een schadevergoeding opleggen, waarbij de boomwaarde als criterium wordt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt een verplichting tot herbeplanting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen of; een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag;</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11e</span><span class=\"lf-art-t\">Schadevergoeding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college besluit op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17 van de Boswet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11f</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding ziekte houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor de verspreiding van een nader door het college aan te wijzen ziekte is de rechthebbende verplicht de in de aanschrijving van het college maatregelen te treffen binnen de daarbij aangegeven termijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11g</span><span class=\"lf-art-t\">Bestrijding watermerkziekte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning van rechtswege</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervaltermijn vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer , in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid nadere regels stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13a</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden een openbare plaats wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht: indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te doen reinigen; indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag onmiddellijk na beëindiging van de werkzaamheden op die dag, te reinigen of te doen reinigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover artikel 9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement of een Provinciaal wegenreglement van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span><span class=\"lf-art-t\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:15</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht lichtreclame</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterrein</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stadsgezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan daarbij de duur bepalen van de periode waarin het verbod niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1. Parkeerexcessen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</p>\n<p class=\"lf-p\">3 of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:5</span><span class=\"lf-art-t\">Voertuigwrakken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen e.a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; op de weg te parkeren bij, voor, naast of achter een bewoond perceel op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht vanuit dat perceel voor de bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid onder a, gestelde verbod geldt niet van 1 juli tot 1 september;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder a,gestelde verbod voor de overige maanden dan die genoemd in het tweede lid;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale caravan- en tentenverordening, het Provinciaalwegenreglement Zuid-Holland of de Provinciale landschapsverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:6a</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 5:6 is het de eigenaar of houder van een geheel of ten dele voor recreatie bestemd voertuig of een aanhangwagen verboden deze te parkeren in een parkeerschijfzone, als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, gedurende het (de) daarop aangegeven tijdvak(ken).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een andere dan door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een andere dan door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:9a</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op een door het college ten behoeve van de inzameldienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode en/of dag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:10</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2. Collecteren</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:13</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet in de door het college te bepalen gevallen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3. Venten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:14</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Venten en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - openbare plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is het verboden te venten op zondagen en op maandag tot en met zaterdag voor 9.00 uur en na 22.00 uur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijheid van meningsuiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet .</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet verboden: op door het college aangewezen openbare plaatsen; of op door het college aangewezen dagen en uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. Standplaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten , gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsen en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van één jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:19</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:20</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakeningsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Snuffelmarkten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:22</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen (verplaatst naar afdeling 7 Toezicht op evenementen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarkt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen (verplaatst naar afdeling 7 Toezicht op evenementen)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6. Openbaar water</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Havenverordening gemeente Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het tweede lid aangewezen gebieden: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Havenverordening Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening Zuid Holland of de Provinciale landschapsverordening Zuid Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het krachtens het derde lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Havenverordening gemeente Maassluis, de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland of de Provinciale landschapsverordening Zuid Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:27</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26 tweede lid bepaalde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Havenverordening gemeente Maassluis, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale Vaarwegenverordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:29</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Binnenvaartpolitiereglement of de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-530a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.30a</span><span class=\"lf-art-t\">Zwemmen in openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder vergunning van het college in openbaar water te zwemmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de plaatsen en onder de voorwaarden door het college bij openbare kennisgeving aangegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 of met fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- en milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en fietsers of voor berijders van paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de minister van verkeer en waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die zijn gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de provinciale verordening `Stilte-gebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als `toestel'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het gestelde onder het vierde lid onder a. geldt voor ruiters dat de paarden voorzien moeten zijn van een uitwerpselen-opvangzak. De uitzonderingen zoals gesteld in het derde lid zijn hierbij van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna en ter bescherming van de woon- en leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9. Verstrooiing van as</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:35</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledenen of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:37</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak: artikel 2:1 - samenscholing en ongeregeldheden artikel 2:1a - aanwijzing overlastgebied artikel 2:1b - Wijkverbod artikel 2:3 - kennisgeving betogingen op openbare plaatsen artikel 2:9 - straatartiest artikel 2:10 - m.u.v. lid 2 voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats artikel 2:14 - winkelwagentjes artikel 2:15 - hinderlijke beplanting of voorwerp artikel 2:16 - openen straatkolken e.d. artikel 2:17 - kelderingangen en dergelijke artikel 2:19 - gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats artikel 2:20 - vallende voorwerpen artikel 2:20a - dragen gevaarlijke voorwerpen artikel 2:21 - voorzieningen voor verkeer en verlichting artikel 2:23 - veiligheid op het ijs artikel 2:25 - evenement artikel 2:26 - ordeverstoring artikel 2:26a - 0-evenementen artikel 2:26b - openbare orde en veiligheid artikel 2:28 - (tijdelijke) exploitatievergunning horecabedrijf artikel 2:28a - Vrijstelling vergunningplicht artikel 2:28b - eisen exploitant en leidinggevende artikel 2:29 - sluitingstijden artikel 2:30a - gesloten verklaren van een horecabedrijf artikel 2:31 - aanwezigheid in gesloten horecabedrijf artikel 2:31a - glazen drinkgerei artikel 2.32 - handel in horecabedrijven artikel 2:33 - ordeverstoring artikel 2:36 - kennisgeving exploitatie artikel 2:37 - nachtregister artikel 2:38 - verschaffen gegevens nachtregister artikel 2:41 - betreden gesloten woning of lokaal artikel 2:42 - plakken en kladden artikel 2:42a - graffiti artikel 2:43 - vervoer plakgereedschap en dergelijke artikel 2:44 - vervoer inbrekerswerktuigen artikel 2:46 - rijden over bermen en dergelijke artikel 2:47 - hinderlijke gedrag op of aan een openbare plaats artikel 2:47a - hinderlijk voetballen en dergelijke artikel 2:48 - verboden drankgebruik artikel 2:48a - hinderlijke drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke artikel 2:49 - verboden gedrag bij of in gebouwen artikel 2:50 - hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten artikel 2:51 - hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke artikel 2:52 - overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en kermisterrein e.d artikel 2:53 - bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van personen artikel 2:54 - bewakingsapparatuur artikel 2:58 - overlast/verontreiniging door honden</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 2:59 - gevaarlijke honden artikel 2:60 - houden van hinderlijke of schadelijke dieren artikel 2:67 - verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister artikel 2:68 - voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, 1e lid Wb. van Strafrecht artikel 2:69 - vervreemding van door opkoop verkregen goederen artikel 2:72 - ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen artikel 2:73 - bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling artikel 2:73a - carbidschieten artikel 2:74 - drugshandel op een openbare plaats artikel 2:74a - verzameling van personen in verband met drugs artikel 2:74b - openlijk druggebruik artikel 2:74c - weggooien van spuiten en dergelijke artikel 2:77 - cameratoezicht op openbare plaatsen artikel 3:4 - seksinrichtingen, escortbedrijven artikel 3:6 - sluitingstijden artikel 3:7 - tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting artikel 3:8 - aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende artikel 3:11 - beëindiging exploitatie artikel 3:12 - wijziging beheer artikel 3:14 - straatprostitutie artikel 3:15 - sekswinkels artikel 3:16 - tentoonstellingen, aanbieden/aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke artikel 4:4 - verboden incidentele festiviteiten artikel 4:6 - overige geluidhinder artikel 4:6a - geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden artikel 4:6b - geluidhinder door bromfietsen en dergelijke artikel 4:8 - natuurlijke behoefte doen artikel 4:11d - herplant-/instandhoudingsplicht artikel 4:11f - bestrijding ziekte houtopstanden artikel 4:13 - opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz. artikel 4:13a - verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats artikel 4:15 - verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames artikel 4:18 - recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen artikel 5:2 - parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke artikel 5:3 - te koop aanbieden van voertuigen artikel 5:4 - defecte voertuigen artikel 5:5 - voertuigwrakken artikel 5:6 - kampeermiddelen en andere artikel 5:6a - parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone artikel 5:7 - parkeren van reclamevoertuigen artikel 5:8 - parkeren van grote voertuigen artikel 5:9 - parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen artikel 5:9a - parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval artikel 5:12 - overlast van fiets of bromfiets artikel 5:13 - inzameling van geld of goederen artikel 5:15 - venten en dergelijke artikel 5:18 - standplaatsen en weigeringsgronden artikel 5:24 - voorwerpen op, in of boven openbaar water</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5:25 - ligplaats woonschepen en overige vaartuigen artikel 5:26 - aanwijzingen ligplaats artikel 5:27 - verbod innemen ligplaats artikel 5:28 - beschadigen van waterstaatswerken artikel 5:29 - reddingsmiddelen artikel 5.30 - veiligheid op het water artikel 5:30a - zwemmen in openbaar water artikel 5:31 - overlast aan vaartuigen artikel 5:32 - crossterreinen artikel 5:33 - beperking verkeer in natuurgebieden artikel 5:34 - verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken artikel 5:36 - Verboden plaatsen artikel 5:37 - hinder of overlast bij incidentele asverstrooiing 2.Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2:67, 2:68 en 2:69 (heling) wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de medewerkers van de afdeling Openbare Orde en wijkbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van publicatie ervan in het Gemeenteblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dat moment worden de Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2011 en de wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2012 ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgesteld in de vergadering van de raad d.d. 2 december 2014 de griffier, de voorzitter, mr. R. van der Hoek drs J.A. Karssen Toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2014 Toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2014 Inleiding De modelverordening 2012 van de VNG heeft de basis gevormd voor deze nieuwe geactualiseerde verordening. De nieuwe verordening is niet ingrijpend gewijzigd ten opzichte van de laatst gewijzigde APV 2012. De wijzigingen omvatten veelal actualisatie van artikelen op grond van nieuwe regelgeving of (vergunning)procedures. Aangezien de toelichting op de model-APV uitstekend is te gebruiken als toelichting op deze (Maassluise) verordening wordt verwezen naar de uitgebreide toelichting behorend bij dat model. Voorts omvat deze toelichting een artikelsgewijze omschrijving van de belangrijkste wijzigingen in de nieuwe verordening. Tenslotte worden ook de artikelen toegelicht waar van de modelverordening is afgeweken of waar Paragraaf 4.1.3.3 (Lex Silencio Positivo) wel of niet van toepassing is verklaard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 – Algemene Bepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-1-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:2</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het vierde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie hieromtrent hetgeen is opgenomen onder artikel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio Positivo (LSP) Een belangrijke consequentie van de invoering van de Dienstenrichtlijn is de verplichte invoering van de lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) voor vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. De Lex Silencio Positivo houdt in dat wanneer op een vergunning- of ontheffingsaanvraag, danwel een melding niet tijdig een beslissing wordt genomen, deze van rechtswege alszijnde een positieve beschikking wordt beschouwd. Dit is geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht. Het gemeentebestuur kan hierbij aangeven welke vergunningen wel- en niet onder de LSP vallen. Alleen vanwege dringende redenen van algemeen belang kan van de lex silencio positivo worden afgezien. Op die keuzevrijheid is één belangrijke uitzondering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een klein aantal bepalingen in de APV betreft omgevingsvergunningen. Voor deze vergunningen geldt altijd een LSP. Uitzonderingen daarop zijn niet mogelijk. De wijzigingen die verplicht nodig waren in verband met de invoering van de Europese Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet zoals vervat in de modelapv VNG 2009 zijn bij wijziging van de APV Maassluis 2010 al doorgevoerd. De wijzigingen die de VNG in haar modelapv 2012 ten aanzien van de LSP voorstelt waren optioneel van aard. De aanpassing betrof het opnemen van informatie over de LSP bij ieder artikel afzonderlijk in plaats van twee artikelen in hoofdstuk 1. Wij hebben er om praktische redenen voor gekozen om de artikelen waarbij de LSP wel of niet van toepassing is in stand te laten onder twee artikelen (1:9 en 1:10) zoals in de APV Maassluis 2010, en de gewijzigde verordening 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is er in deze toelichting bij alle artikelen waarbij paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht wel of niet van toepassing wordt verklaard een motivering opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:9</span><span class=\"lf-art-t\">Toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen is thans in de APV aangegeven dat de lex silencio positivo van toepassing is. Het betreft de artikelen 2:6 lid 4, 2:9, 2:11, 2:12, 2:67 lid 2, 4:11, 5:13 lid 1, 5:15, 5:16 lid 3, en 5:36 lid 3. Zie verder de toelichting bij de betreffende artikelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:10</span><span class=\"lf-art-t\">Geen toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor die vergunningstelsels waar een lex silencio positivo vanwege dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk is, is thans in de APV aangegeven dat de lex silencio positivo niet van toepassing is. Het betreft de artikelen 2:1 lid 4, 2:25, 2:28, 2:72, 3:4, 4:6 lid 2, 4:18 lid 3, 5:2 lid 4, 5:3 lid 2, 5:6 lid 3, 5:7 lid 2, 5:8 lid 4, 5:18, 5:25 en 5:33 lid 6. Zie verder de toelichting bij de betreffende artikelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Openbare orde</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1</span><span class=\"lf-art-t\">Samenscholing en ongeregeldheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio Positivo Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts hetgeen hieromtrent is opgenomen onder artikel 1.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing overlastgebied</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging van de letter a aan het artikelnummer verklaart dat het een artikel is wat in de model-APV niet is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid van dit artikel wordt de burgemeester de bevoegdheid gegeven om gebieden aan te wijzen waar naar zijn oordeel de openbare orde ernstig wordt bedreigd of verstoord. Die verstoring of bedreiging kan samenhangen met het gebruik van of de handel in harddrugs, maar er zijn ook andere omstandigheden denkbaar op grond waarvan kan worden geconstateerd dat de openbare orde in een gebied in gevaar is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van een groep jongeren die overlast veroorzaken, en waardoor omwonenden zich onveilig of zelfs bedreigd voelen. Het aanwijzen van een gebied als overlastgebied gebeurt indien sprake is van structurele overlast die de openbare orde in dat gebied aantast of bedreigt. Er kan dus geen gebied aangewezen worden als overlastgebied wanneer er slechts sprake is van incidentele overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verlengde van de aanwijzing van een gebied als overlastgebied regelt het tweede artikellid ook dat in een overlastgebied een samenscholingsverbod geldt, voor zover samenscholing leidt tot een verstoring van de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1b</span><span class=\"lf-art-t\">Wijkverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De titel bij dit artikel is in verband met harmonisering met de regiogemeenten gewijzigd van Gebiedsontzeggingen in Wijkverbod. Inhoudelijk komt dit artikel overeen met de gewijzigde APV 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel biedt de basis om personen die zich in strijd gedragen met de openbare orde een verbod op te leggen zich gedurende een bepaalde tijd in een aangewezen gebied te bevinden of zich daarin te begeven. De burgemeester kan dit doen in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen en goederen; de gezondheid; de zedelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bij herhaling door een persoon verstoren van de openbare orde door het plegen van diverse strafbare feiten heeft twee belangrijke elementen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>de herhaling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>de inbreuk (de mate van geschoktheid van de rechtsorde);</div>\n<p class=\"lf-p\">Het bij herhaling verstoren van de openbare orde vormt door het herhalend karakter, een grotere inbreuk in de openbare orde. Het vergroot in feite de onveiligheid en tevens de gevoelens van onveiligheid. Op basis van het herhalend karakter is daarbij de dreiging extra groot dat de persoon in de (nabije) toekomst opnieuw de orde zal verstoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een beleidslijn is aangegeven hoe de burgemeester van Maassluis omgaat met de mogelijkheden die artikel 2:1b hem biedt bij het beperken van de bewegingsvrijheid van personen om daardoor herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:1c</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de regionale aanpak van Overvallen en andere situaties waarbij preventief fouilleren een aanvulling kan zijn op bestaande bestuurlijke mogelijkheden is besloten om dit nieuwe artikel op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: -vervoermiddelen te onderzoeken; -een ieder aan de kleding te onderzoeken en -te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten en omstandigheden wordt de burgemeester geïnformeerd door de korpschef.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dat strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde: -feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan; -zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers(privacy); -subsidiariteit en proportionaliteit; -breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter verhoging van leefbaarheid en veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de voorwaarden voor het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgevingbetogingen op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In haar model heeft de VNG in dit artikel artikelleden opgenomen over een afwijkende termijn en te verstrekken gegevens. Daardoor zijn in dat model de artikelen 2:4 en 2:5 komen te vervallen. Bij deze nieuwe verordening is gekozen om deze bundeling van informatie in artikel 2:3 te volgen. Dientengevolge komen de artikelen 2:4 en 2:5 te vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besloten is dit artikel wederom op te nemen in de verordening om mogelijke situaties te kunnen reguleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen verder te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Er zijn geen dringende redenen van algemeen belang ten aanzien van deze ontheffing voorts is de LSP van toepassing op de ontheffing. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel 2:42. Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.</div>\n<p class=\"lf-p\">De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 7, lid 1 van de Grondwet beschermde recht om zonder voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7. Dit betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijk verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7 erkende vrijheid van drukpers. De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het in het openbaar bekend maken (“verspreiden”) van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daklozenkrant De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigen. Immers, niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span><span class=\"lf-art-t\">Straatartiest</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het opleggen van een beperking tot bepaalde dagen en uren door de burgemeester met betrekking tot de werking van het verbod, zal doorgaans op initiatief van het gemeentebestuur zelf gebeuren en niet op aanvraag. Een ontheffing van het verbod zal daarentegen bijna alleen op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van het lex silencio af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb is op het gehele artikel van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft; het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is een nieuw tweede lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van dit artikel worden sinds jaar en dag vergunningen verleend voor het plaatsen van de meest uiteenlopende voorwerpen op de openbare weg: containers (voor puin, tijdelijke opslag etc), winkeluitstallingen, uitstallingen van handelswaar, warenautomaten, spandoeken, een tent (t.b.v. evenement bijv.), circustent, bloembakken, muziekpodia, meubilair t.b.v. evenementen, zoals luchtkussen, ballenbak etc, maar ook voor vele soorten borden. Met de uitvoering van deze bepaling zijn diverse medewerkers belast. Aan hen is nadrukkelijk de vraag voorgelegd of over kan worden gegaan op een ander systeem (kennisgevingstelsel). Ten aanzien van deze bepaling was ieders standpunt helder: vergunningsstelsel handhaven. Het risico bestaat dat de belangen van derden niet worden meegenomen bij de toepassing van een kennisgevingstelsel. Een vergunningsstelsel geeft de gemeente meer controle en is beter handhaafbaar. Dit heeft zwaarder gewogen dan te kiezen voor het kennisgevingstelsel of het stellen van algemene regels. Een stelsel dat op zich minder rompslomp geeft, waar tegenover staat dat de mogelijkheid van handhaving zal toenemen. Naderhand corrigeren en zelfs bestraffing is altijd minder prettig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de vergunning zoals opgenomen in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, en de verkeersveiligheid niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span><span class=\"lf-art-t\">(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerder activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig; het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span><span class=\"lf-art-t\">(Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het maken van een uitweg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder e. van de Wabo. Hier is de term “het college” vervangen door “bevoegd gezag”. Zie hieromtrent hetgeen is opgenomen onder artikel 1.1. Ook hier is gekozen voor het vergunningsstelsel. Hiervoor geldt dezelfde argumentatie als genoemd onder 2:10.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span><span class=\"lf-art-t\">Winkelwagentjes</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel tracht het ‘zwerfkarrenprobleem’ enigszins te verkleinen. Dit artikel is conform de modelverordening APV 2012 gewijzigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de model APV is het artikel waarin een vergunningsplicht is opgenomen voor het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel 2:10.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert. Daarmee verviel de noodzaak van het artikel over hinderlijke beplanting. Dit artikel was daarom geschrapt in de modelverordening. In de verordening van Maassluis is dit artikel wel gehandhaafd. Doordat meerdere gemeenten bij de VNG hebben aangegeven om praktische redenen dit artikel te willen handhaven, is de tekst teruggeplaatst in de modelverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt namelijk regelmatig voor dat burgers hun beplantingen zover laten doorgroeien, dat deze hinder veroorzaken voor de voetgangers of het uitzicht belemmeren voor het rijverkeer. Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span><span class=\"lf-art-t\">Rookverbod in bossen en natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel beoogt bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Bij besluit zou dan gedurende een bepaalde periode een gebied (bossen, heide of veengronden) moeten worden aangewezen waar roken niet is toegestaan. Het Wetboek van Strafrecht biedt in dit geval ook nog bescherming. Met het oog op de vereenvoudiging van de regelgeving is dit artikel niet overgenomen van het VNG-model.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is overwogen (net als in het model) dit artikel te schrappen. De politie heeft echter aangegeven hiervan geen voorstander te zijn omdat hierop in de praktijk wordt gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel moet ook in samenhang met (aanvulling op) artikel 2:10 worden gezien en gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van schrikdraad, puntdraad en dergelijke.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20</span><span class=\"lf-art-t\">Vallende voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De VNG heeft dit artikel “gereserveerd”. In deze verordening is de oude bepaling gehandhaafd omdat het in de praktijk geen slapend artikel is gebleken. U moet hierbij denken aan het niet deugdelijk bevestigen van dekzeilen aan panden die verbouwd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20a</span><span class=\"lf-art-t\">Dragen gevaarlijke voorwerpen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De politie hecht aan het hebben van een dergelijke bepaling omdat erop gehandhaafd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span><span class=\"lf-art-t\">Objecten onder hoogspanningslijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is niet overgenomen van de modelverordening omdat er in Maassluis geen bovengrondse hoogspanningslijnen zijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7 Evenementen</h3>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen behorend bij deze afdeling wijken enigszins af van de modelverordening. Onderstaand worden de belangrijkste afwijkingen en wijzigingen per artikel toegelicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze wijziging van de APV is gekozen om een snuffelmarkt als evenement aan te merken. Gevolg hiervan is dat afdeling 5 Snuffelmarkten waarin de artikelen 5:22 en 5:23 waren opgenomen zijn komen te vervallen. Een snuffelmarkt is nu in de plaats gekomen van een klein evenement in artikel 2:24 lid 2e, Afdeling 7 Evenementen. Op openbare vermakelijkheden komen vaak veel bezoekers af. Deze evenementen kunnen in beperkte of juist grote mate van invloed zijn op de openbare orde. In verband met de toenemende openbare orde problematiek is dit vergunningenstelsel aangepast en ingedeeld op basis van een risicomodel A-, B, C en 0-evenementen. A-evenementen zijn evenementen met een laag risicoprofiel, B-evenementen gemiddeld risicoprofiel, C-evenementen hoogrisicoprofiel en 0-evenementen laag risicoprofiel. Voor de A,B en C-evenementen geldt een vergunningenstelsel. Controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, verlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een vergunningstelstel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden. Voor de 0-evenementen (laag risicoprofiel) is een meldingsplicht van kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">Evenement</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Ten aanzien van de melding 0-evenementen en de evenementvergunning (A-, B- of C- evenementen) is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die dergelijke evenementen kunnen hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Een goede horeca, zowel qua kwantiteit als kwaliteit, levert een enorme bijdrage aan de uitstraling van de gemeente. Reden waarom de gemeente Maassluis hecht aan een strikte vergunningverlening en handhaving. Samen met de gemeente Vlaardingen, politie en justitie is het zogenaamde Handhavingarrangement horeca vastgesteld. De exploitatievergunning maakt hiervan deel uit. Vooral door de hierin opgenomen aanpak kan de horecaoverlast binnen de gemeente effectief worden aangepakt. Het persoonsgebonden karakter is hierbij juist enorm belangrijk. Daarom zijn ook de eisen die de drank- en Horecawet stelt aan een leidinggevende in de APV gelijkgesteld met die van de horeca exploitant. De gedragseisen van de Drank- en Horecawet zijn expliciet in een AMvB geformuleerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span><span class=\"lf-art-t\">(Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit artikel is de mogelijkheid toegevoegd voor het afgeven van tijdelijke vergunningen voor ten hoogste één jaar (proefperiode). Dit is een goed aanvullend instrument om in praktijkgevallen waarbij de weigeringsgronden genoemd in artikel 2:28 lid 3 onvoldoende vaststaan, een tijdelijke vergunning af te kunnen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zijn ter verduidelijking de regels omtrent niet vergunningsplichtige horecabedrijven uit artikel 2:28 gehaald en ondergebracht in een nieuw artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht. De daarop volgende artikelen zijn daarom ook vernummerd tot 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende, 2:28c Beslistermijn, en 2:28d Weigerings- en intrekkingsgronden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28a</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstelling vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een nieuw artikel voortgekomen uit de splitsing van artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf en aanvraag(oud). In dit artikel zijn ter verduidelijking apart de horecabedrijven opgenomen die vrijgesteld zijn van vergunningplicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28b</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen exploitant en leidinggevende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de wijziging in indeling van afdeling 8 is dit artikel qua nummering gewijzigd van 2:28a naar 2:28 b. Voorts zijn de verwijzingen naar de Drank- en Horecawet in de leden 1 en 2 in verband met de inwerkingtreding van de nieuwe Drank- en horecawet per 1 januari 2013 gewijzigd. In lid 1 is de verwijzing naar artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid van de Drank- en Horecawet gewijzigd in artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank- en Horecawet. Voorts is in lid 2 de verwijzing naar artikel 8 , tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid van de Drank- en Horecawet gewijzigd in artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank- en Horecawet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28c</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met een andere indeling van afdeling 8 (zie voorgaande toelichting op afdeling 8) is dit artikel gewijzigd van 2:28b naar 2:28c. Voorts is ook de beslistermijn gewijzigd van 12 weken naar 8 weken. Dit in verband met gelijkschakeling met de nieuwe behandeltermijn van 8 weken voor een drank- en horecavergunning vanuit de nieuwe Drank- en Horecawet per 1 januari 2013. Voor gelijkschakeling is gekozen omdat Drank- en horecavergunningen veelal tegelijkertijd met exploitatievergunningen worden aangevraagd. Ook de verdagingstermijn in lid 2 is gewijzigd van 12 naar 8 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28d</span><span class=\"lf-art-t\">Weigerings- en intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met wijziging in indeling van afdeling 8 zijn de verwijzingen in dit artikel naar andere artikelen in de afdeling passend gemaakt. In lid 1 sub b is artikel 2:28a eerste lid gestelde eisen gewijzigd in artikel 2:28b eerste lid gestelde eisen. Naast de algemene weigerings- en intrekkingsgronden vermeld in artikelen 1:6 en 1:8 zijn in artikel 2:28d de meer specifieke weigerings-, en intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen opgenomen. In het eerste lid staan de imperatieve weigeringsgronden genoemd. Teneinde een betere afstemming te verwezenlijken tussen planologische en openbare orde-eisen die in afdeling 8 aan horecabedrijven worden gesteld, zijn aan lid 1 onderdeel a \"strijd met een geldend bestemmingsplan”, een aantal imperatieve weigeringsgronden toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn de exploitatieplan, beheersverordening, een voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een horecagebiedsplan”. Zo wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere planologische regeling verboden is. Deze koppeling van planologie en openbare orde is in overeenstemming met de geldende jurisprudentie. Ditzelfde geldt voor het feit dat de exploitant nog niet beschikt over een akoestisch rapport (geluidsrapportage). In dat geval is het niet wenselijk dat de burgemeester vooruitlopende op de gestelde en benodigde aanpassingen van een inrichting alvast een vergunning verleent.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28e</span><span class=\"lf-art-t\">Opheffing vergunningplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In verband met wijziging in indeling van afdeling 8 is dit artikel qua nummering gewijzigd van artikel 2:28d naar 2:28e. Inhoudelijk zijn er geen wijzigingen doorgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31a</span><span class=\"lf-art-t\">Glazen drinkgerei</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer zich op een weg relletjes of andere ongeregeldheden voordoen of zich hebben voorgedaan, kan deze weg door de burgemeester worden aangewezen. Door deze aanwijzing treedt voor exploitanten en leidinggevenden van de horecabedrijven die aan de aangewezen weg zijn gelegen, het verbod in werking om drank in een glas te verstrekken. Zo kan worden voorkomen dat er (nog meer) glas op straat komt, waardoor de veiligheid van personen beter kan worden gewaarborgd. In het aanwijzingsbesluit bepaalt de burgemeester de duur van de periode waarin het verbod van kracht is. De burgemeester zal van zijn aanwijzingsbevoegdheid gebruik maken om verstoring van de openbare orde te voorkomen of te beëindigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34a</span><span class=\"lf-art-t\">Geldigheidsduur vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de modelverordening is geen geldigheidsduur opgenomen. De geldigheidsduur voor onbepaalde tijd is overeenkomstig de vorige APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:34b</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging van de exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is nieuw toegevoegd. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet op grond van dit artikel worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van het tweede lid te worden gemeld. De exploitatievergunning vervalt dan echter niet. Om een actueel overzicht te behouden, is in het eerste lid, onder b opgenomen dat de exploitatievergunning van rechtswege vervalt, indien de inrichting langer dan zes maanden niet wordt geëxploiteerd. Tenslotte is in het eerste lid onder c opgenomen dat de exploitatievergunning ook vervalt bij beëindiging van de onderneming. Hiermee wordt zowel de feitelijke beëindiging (uitschrijving Kamer van Koophandel) bedoelt alsmede het veranderen van bedrijfsvorm van de onderneming vermeld op de exploitatievergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span><span class=\"lf-art-t\">Nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de houder van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Tezamen hebben artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de bepalingen van afdeling 9 (toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf) primair als doel om, met de geregistreerde gegevens, de opsporing of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de modelverordening is het nachtregister “gereserveerd”. In Maassluis wordt het om de aangegeven reden van belang geacht de verplichting van een nachtregister te handhaven. De verplichting een door de burgemeester vastgesteld model te gebruiken is vervallen. Door het vormvrij maken van het register is een verlichting van administratieve lasten beoogd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</h3>\n<p class=\"lf-p\">Deze afdeling is voor Maassluis niet van toepassing en dus niet van de model-APV overgenomen. Daarbij komt dat de Wet op de Kansspelen een uitputtende regeling bevat ten aanzien van kansspelen, zoals speelcasino’s en speelautomaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde Vrijheid van meningsuiting zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000 inwoners.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42a</span><span class=\"lf-art-t\">Graffiti</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:42 is sprake van een absoluut verbod van bekladden. In de term ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Met deze bepaling kan worden opgetreden tegen degenen die graffiti op onroerende zaken aanbrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de toevoeging van artikel 2:42a wordt beoogd dat de rechthebbende op de onroerende zaak op korte termijn (zeven werkbare dagen) de graffiti verwijdert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk doet zich dat niet voor. Met het oog op vereenvoudiging van de regelgeving is deze bepaling niet overgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47a</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk voetballen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De praktijk heeft het nut aangetoond te beschikken over een bepaling die verbiedt na 22.00 uur met een balspel bezig te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden drankgebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit titel en tekst van dit artikel is gewijzigd conform de modelverordening APV (oude titel: Openlijk drankgebruik).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke komen te vervallen en opgenomen als lid 3 bij dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid van dit artikel is een algemeen verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Dit verbod geldt dus voor het hele gemeentelijk grondgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben in de onder a, b en c op voorhand aangewezen gebieden. Daarnaast kan het college, indien dit nodig blijkt, nog andere gebieden aanwijzen waar dit verbod van toepassing is (onder d).</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de verstoring van de openbare orde bestaat er dus behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd in het tweede lid, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de ‘voorfase’ – dus het bier drinken op bepaalde plaatsen – mogelijk wordt. Het gaat daarbij om het verbieden van het bij zich hebben van geopende flesjes alcoholhoudende drank. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 ziet op verboden drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke. Binnen de gemeente komt het voor dat overlast veroorzaakt wordt door personen als gevolg van alcoholgebruik. Op grond van artikel 2:48 kan de politie optreden tegen personen die op schoolpleinen, speelterreinen e.d. alcohol drinken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich hebben. De politie kan echter alleen handhavend optreden wanneer ze ziet dat er daadwerkelijk wordt gedronken of dat er daadwerkelijk sprake is van aangebroken verpakkingen e.d. van alcoholhoudende drank. De politie heeft aangegeven dat handhavend optreden bemoeilijkt wordt doordat zij weliswaar alcohol bij personen aantreft, maar nog in gesloten verpakking (trays met blikjes bier, kratten bier). Optreden hiertegen is niet mogelijk op grond van artikel 2:48 lid 1 en 2. Lid 3 biedt de politie een extra handvat om in de genoemde situatie op te treden tegen jongeren op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen e.d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span><span class=\"lf-art-t\">Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beschermt op verschillende manieren de privésfeer van burgers. Met dit artikel wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy en persoonlijke levenssfeer te verbieden. Het eerste en tweede lid kan als aanvulling worden gezien op artikel 285b Wetboek van strafrecht (stalking), dat het inbreuk maken op de levenssfeer van een ander (om die ander te dwingen iets te doen, te dulden of vrees aan te jagen) strafbaar stelt. Anders dan bij het delict uit artikel 285b WvS is hier geen oogmerk vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel vrees aan te jagen. Met dit lid kan bijvoorbeeld worden opgetreden tegen het ongewenst via een kijkgaatje begluren van personen in kleedhokjes. Het derde lid is aanvullend op de artikelen 139f, 239, 246 en 441b Wetboek van Strafrecht en ziet op het heimelijk fotograferen en filmen van (delen van) personen waarbij de gefotografeerde of gefilmde personen er mogelijk geen weet van hebben dat zij worden gefilmd of gefotografeerd en waarbij het heimelijk fotograferen of filmen een aantasting van de eerbaarheid oplevert of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. Onder 'heimelijk' filmen of fotograferen wordt verstaan dat dit zonder instemming van de betrokkene heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft bepaald dat het heimelijk filmen of fotograferen niet als 'ontuchtige handeling' in de zin van artikel 246 Wetboek van Strafrecht kan worden gekwalificeerd (LJN:BW500, HR 10/04529, HR 10/05527). Dit leidde tot vrijspraak van een persoon die tijdens een evenement met een daarvoor geprepareerde tas met daarin een camera onder de rokken van dames foto's maakte. Het voyeuristische gedrag brengt volgens de HR wel een grove schending van de privacy met zich mee door binnen te dringen in de persoonlijke levenssfeer met visuele middelen, maar is dus in principe geen ontuchtige handeling. Dit kan onwenselijke situaties opleveren, waartegen met dit APV artikel alsnog kan worden opgetreden. Toepassing zal plaatsvinden in excessieve situaties of bij klachten van burgers over voyeurs. Een bepaling over heimelijk afluisteren is in verband met artikelen 139a en verder, 374bis en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:54</span><span class=\"lf-art-t\">Bewakingsapparatuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden. Bepalingen die gaan over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Daarnaast gelden de regels van de Wet bescherming persoonsgegevens. Desondanks is aangegeven deze bepaling te willen invullen en niet te reserveren zoals in het model van de VNG.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:57 (loslopende honden) en artikel 2:58 (verontreiniging door honden) maken deel uit van de modelverordening. In de nieuwe verordening zijn deze als het ware samengevoegd in artikel 2:58 (overlast/verontreiniging door honden). De tekst uit de vorige APV – waarin het hondenbeleid van een paar jaar geleden is vastgelegd – is herhaald. In artikel 2:59 komt het aspect gevaarlijke honden aan de orde. In tegenstelling tot de vorige APV is nu alles wat honden betreft, logischer bij elkaar geplaatst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijk honden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is aanpast conform de modelverordening. De oude tekst verwees nog naar de Regeling Agressieve Dieren die inmiddels is komen te vervallen. Dit artikel schept voor het college de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen. Op grond van het vijfde lid dient de eigenaar of houder van een hond te voorkomen dat zijn hond door aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust van omwonenden verstoort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span><span class=\"lf-art-t\">Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. In het APV-model van de VNG is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. In de Maassluise bepaling is het kort en krachtig gehouden. Iemand die de zorg over een dier heeft moet voorkomen dat een ander daar hinder van heeft. Dat kan dus gaan over blaffende honden maar ook over situaties waar letsel bij personen of dieren is veroorzaakt. Situaties die direct tot maatregelen dienen te leiden. Bij hinder moet niet aan een eenmalige gebeurtenis worden gedacht maar in die gevallen waar sprake is van extreme overlast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:61</span><span class=\"lf-art-t\">Voeren van vogels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw artikel in de APV bij wijziging van mei 2010. De aanleiding hiervan is overlast van vogels in bepaalde woonwijken. In het kader van openbare orde en veiligheid en de volksgezondheid is dit artikel opgenomen. In combinatie met een communicatiecampagne is hier aandacht aan gegeven, zodat handhavend kan worden opgetreden wanneer daartoe aanleiding bestaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:62</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopend vee</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geschrapt in het kader van deregulering. Het aantal veehouders (Weverskade, Korte Buurt en Zuidbuurt) is minimaal en de kans op loslopend vee dermate gering, dat dit artikel weinig nut heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:63</span><span class=\"lf-art-t\">Duiven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geschrapt met het oog op vereenvoudiging van de regelgeving. Dit artikel heeft (volgens de toelichting) ten doel de jagers de gelegenheid te geven om gedurende een bepaalde periode tussen 1 maart en 1 juni het wilde duiven bestand door middel van de jacht uit te dunnen. Dit speelt met name in akkerbouwgebieden waar verwilderde duiven veel schade aanrichten en is dus in Maassluis van weinig betekenis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:64</span><span class=\"lf-art-t\">Bijen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Evenzo geschrapt in verband met de deregulering. Er zijn in Maassluis geen bijenhouders bekend. Indien zich toch problemen met het houden van bijen zouden voordoen, kan gebruik worden gemaakt van artikel 2:60.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geschrapt tegen de achtergrond van de deregulering. Dit artikel is door de VNG facultatief opgenomen. In Maassluis speelt deze problematiek niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister. Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven. Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd. De lex silencio positivo is van toepassing op de vrijstelling van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:69</span><span class=\"lf-art-t\">Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het VNG-model is dit artikel “gereserveerd”. Besloten is de tekst uit de vorige APV over te nemen c.q. te handhaven. De reden hiervan is dat bij een regeling tot effectieve helingbestrijding een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet mag ontbreken. Er is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de handel van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:70</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen (artikel 2:32)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:72</span><span class=\"lf-art-t\">Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio Positivo Ten aanzien van een dergelijke vergunning is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de invloed op de openbare orde. In verband met de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien om hier een lex silencio positivo in te voeren. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74a</span><span class=\"lf-art-t\">Verzameling van personen in verband met drugs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een (aanvullende) bepaling die ook was opgenomen in de vorige APV. Met behulp van dit artikel kan de burgemeester gericht optreden om bepaalde straten of delen van straten in de stad vrij te maken van het zogenaamde drugstoerisme. Drugstoerisme geschiedt veelal groepsgewijs. Desondanks kan niet echt worden gesproken van een ‘samenscholing’ als bedoeld in artikel 2:1 van de verordening. Daarom is voor deze vorm van overlast een speciale bepaling opgesteld. Het tweede lid verklaart het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing, indien de verzameling van personen geen verband houdt met drugs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74b</span><span class=\"lf-art-t\">Openlijk druggebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier een aanvullende bepaling die in de vorige APV voorkwam. Veel druggebruikers gebruiken hun drugs – of treffen daartoe voorbereidingen – in het openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het publiek. Op basis van deze bepaling kan de politie overgaan tot aanhouding van de betrokken gebruikers of deze van bepaalde plekken wegsturen. Ook kan de politie de voorwerpen waarmee de overtreding wordt gepleegd (hulpmiddelen, drugs) strafrechterlijk in beslag nemen. Het verbod is gerelateerd aan het (openlijk) gebruik van drugs en richt zich dus tot de druggebruikers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74c</span><span class=\"lf-art-t\">Weggooien van spullen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit aanvullende artikel verbiedt het zich ontdoen van attributen die bij gebruik van drugs worden gebruikt. Omdat deze attributen veelal gevaarlijke objecten zijn (m.n. injectienaalden) is een algemeen verbod gesteld om deze op of aan de openbare weg achter te laten. Ook het weggooien van deze attributen in afvalbakken is niet toegestaan vanwege de risico’s voor mensen die in afvalbakken graaien of deze ambtshalve moeten legen. Spuiten e.d. dienen aan het eigen ‘zorgkader’ te worden toevertrouwd (medische diensten en dergelijke).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:75</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke ophouding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling met als basis artikel 154a Gemeentewet, is gericht op grootschalige ordeverstoringen door groepen ordeverstoorders. Omdat de praktijk leert dat de kans dat een dergelijke situatie zich in Maassluis voordoet zeer nihil is, is dit artikel niet overgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheidsrisicogebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is ter verduidelijking verplaatst naar Hoofdstuk 2 Openbare orde, afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden en daar opgenomen in een nieuw artikel 2:1c. Zie ook de toelichting bij artikel 2:1c.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht op openbare plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verleend om, indien de handhaving van de openbare orde dit noodzakelijk maakt, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">De invulling van het begrip ‘openbare plaats’ uit artikel 151c Gemeentewet is ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet Openbare Manifestaties (WOM). Op grond van die wet omvat het begrip ‘openbare plaats’ in de meest algemene zin van het woord alle plaatsen waar men komt en gaat. Vereist is in ieder geval dat de plaats ‘openstaat voor publiek’. Dat wil zeggen dat iedereen vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan, en dat er geen beletselen zijn in de vorm van een meldingsplicht, een eis van voorafgaand verlof of de heffing van een toegangsprijs (zoals bijvoorbeeld het geval is bij stadions, postkantoren, gemeentehuizen, parkeerterreinen, musea, warenhuizen en ziekenhuizen.) Voorts geldt dat het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op vast gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het ongewenst is dat bij parkeerterreinen, als plaatsen die wel voor een ieder toegankelijk zijn, geen cameratoezicht in het kader van de openbare orde mogelijk zou zijn, heeft de raad gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid deze plaatsen aan te wijzen als openbare plaatsen (artikel 2: 77 lid 2). De burgemeester kan besluiten cameratoezicht in te stellen op openbare plaatsen als dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Het moet gaan om plaatsing van vaste camera’s (nagelvast bevestigd). Er moet sprake zijn van een gebied waarin zich onveilige situaties of met enige regelmaat wanordelijkheden voordoen. Dit zal moeten blijken uit een grondige analyse van de veiligheidssituatie die wordt aangeleverd door de korpschef.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgesteld moet worden dat er een evenwichtige verhouding bestaat tussen het doel en het middel (proportionaliteit) en dat het doel van de handhaving van de openbare orde niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt (subsidiariteit). Het gebruik van camera’s moet kenbaar zijn voor het publiek. De aanwijzing van een gebied waar cameratoezicht zal worden ingesteld geschiedt voor een bepaalde duur, die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Doorgaans zal worden gekozen voor het instellen van cameratoezicht voor een periode van twee jaar, waarbij jaarlijks een rapportage wordt opgemaakt. De gemeenteraad wordt over het instellen van cameratoezicht geïnformeerd, evenals over de jaarrapportage en tussentijdse wijzigingen in een cameraproject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het voornemen tot een besluit tot het vaststellen van de periode waarin de geplaatste camera’s daadwerkelijk zullen worden gebruikt en de beelden in elk geval rechtstreeks zullen worden bekeken, voert de burgemeester in het lokale driehoeksoverleg overleg met de Officier van Justitie. De beelden kunnen namelijk onder voorwaarden gebruikt worden ten behoeve van de opsporing en vervolging van een gepleegd strafbaar feit. Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep openstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 151c van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de voorwaarden voor het instellen van cameratoezicht en de uitvoering daarvan beschreven. Nadere bepalingen betreffende de uitvoering van het cameratoezicht (de eisen die worden gesteld aan het camerasysteem, de camera observanten en de cameratoezichtcentrale) staan in het Ontwerpbesluit cameratoezicht openbare plaatsen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie en dergelijke</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span><span class=\"lf-art-t\">Seksinrichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:9</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 januari 2013 is de nieuwe Drank- en Horecawet inwerking getreden. In deze nieuwe wet is de behandeltermijn voor een drank- en horecavergunning verkort van 12 weken naar 8 weken. In verband met deze nieuwe beslistermijn is ook de beslistermijn van de exploitatievergunning horecabedrijf in artikel 2:28b van 12 weken naar 8 weken verkort. Voor gelijkschakeling is gekozen omdat Drank- en horecavergunningen veelal tegelijkertijd met exploitatievergunningen worden aangevraagd. Dientengevolge is ook de beslistermijn voor een exploitatievergunning voor een seksinrichting verkort van 12 weken naar 8 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:10a</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekkingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit aanvullende artikel geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, geheel of gedeeltelijk in te trekken. De onder a genoemde intrekkingsgrond noemt de situatie dat het bestuursorgaan de exploitatievergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens heeft verleend. De intrekkingsgronden genoemd onder d, e en f vloeien rechtstreeks voort uit de doelstellingen die de wetgever heeft gehanteerd bij de opheffing van het bordeelverbod per 1 oktober 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de onder k genoemde intrekkingsgrond wordt opgemerkt dat bij gebruikmaking daarvan de motivering aan zware eisen dient te voldoen. Het betreft immers omstandigheden waarop de betrokken vergunninghouder doorgaans geen invloed kan uitoefenen. Voorts mag hij erop vertrouwen dat een aan hem verleende vergunning normaal gesproken in stand blijft temeer gelet op de financiële consequenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overige intrekkingsgronden is aansluiting gezocht bij de intrekkingsgronden die worden genoemd bij horeca-inrichtingen. Deze betreffen de persoon van de exploitant of leidinggevende. Achtergrond van deze gronden is de behoefte om deze personen meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en laten. Aan deze personen dienen hoge eisen te worden gesteld voor wat betreft hun levenswandel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Conform de modelverordening zijn ter verduidelijking van artikelen in de APV nieuwe bepalingen opgenomen tot wat geluidsgevoelige gebouwen, geluidsgevoelige terreinen en onversterkte muziek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit artikel is een nieuw lid toegevoegd onder 7 om het ten gehore brengen van muziek tijdens incidentele festiviteiten waarbij de geluidsnormen zoals opgenomen in artikel 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, alsmede de geluidsnormen in artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn: op zondag, maandag , dinsdag, woensdag of donderdag uiterlijk om 24:00 uur te laten beëindigen; op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 02:00 uur te laten beëindigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:4</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gereserveerd in de model-APV. De tekst vanuit de vorige APV gehandhaafd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien blijkt dat festiviteit het woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed, kan de burgemeester de festiviteit verbieden. Het hoeft geen uitleg dat de burgemeester niet ongeclausuleerd gebruik kan maken van deze bevoegdheid. Er moet steeds concreet worden gemotiveerd waarom de festiviteit tot een zo grote verstoring van de openbare orde of het woon en leefklimaat leidt dat een verbod geboden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:4a</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidsplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een nieuw artikel waarbij het college de mogelijkheid krijgt om nadere regels te stellen om zo geluidhinder bij collectieve (artikel 4:2) of incidentele festiviteiten (artikel 4:3) te kunnen voorkomen of te beperken. Het niet behoeven te voldoen aan de geluidvoorschriften uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) betekent voor de exploitanten van inrichtingen overigens geen vrijbrief om 'onbeperkt (geluid) hinder' te veroorzaken bij collectieve of incidentele festiviteiten. Op grond van artikel 2.21, tweede lid, van het Activiteitenbesluit kunnen bij of krachtens gemeentelijke verordening nadere regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij festiviteiten. Hierbij valt te denken aan het invoeren van een geluidsnorm of de verplichting om bepaalde maatregelen te treffen. Artikel 4:4a maakt het mogelijk dat het college deze nadere regels kan stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk. Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien om hier een lex silencio positivo toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedacht moet worden dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mee te werken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 3. De provinciale milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening. Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6a</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit nieuwe, aanvullende artikel beoogt geluidhinder voor omwonenden van een bouwterrein te voorkomen. Onder de werking van deze bepaling vallen handelingen die ten behoeve van bouwwerkzaamheden worden verricht. Te denken valt hierbij aan de aan- en afvoer van materieel, het laden en lossen van vrachtauto’s met bouwmaterialen enz. In dit artikel is een verbod opgenomen om vóór 7.00 uur en na 19.00 uur dergelijke handelingen te verrichten of te laten verrichten wanneer daardoor geluidhinder voor een omwonende of overigens voor de omgeving wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet of een provinciale verordening wordt voorzien (derde lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6b</span><span class=\"lf-art-t\">(Geluid)hinder door bromfietsen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is vanuit de modelverordening APV opnieuw toegevoegd. Het regelt het verbod om buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. Artikel 4:6b verbiedt het zich “(geluid)hinderlijk” gedragen met een motorvoertuig of een bromfiets. “Gedragen” betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span><span class=\"lf-art-t\">Straatvegen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel is in de model-APV facultatief opgenomen. Omdat dit artikel in de praktijk (volgens de vorige APV) een slapend artikel is gebleken, is het met het oog op de vereenvoudiging geschrapt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:10</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van artikel 4:10 lid 1 zijn de volgende wijzigen doorgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:10 lid 1g. boomwaarde is aangepast. De richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen en houtige gewassen (NVTB) voor de monetaire boomwaarde worden jaarlijks vastgesteld aan de hand van de prijsindexcijfers van het CBS, marktprijsgemiddelden en andere kengetallen. De richtlijnen gelden als de meest deskundige methodiek voor de wijze van vaststellen van de geldwaarde van bomen en worden in de rechtspraak erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:10 lid 1h, vellen, is aangepast. Kandelaberen of het snoeien van meer dan 30 procent van het kroonvolume, vallen nu onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boom(kroon) tegen te kunnen gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:10 lid 1i , Bomen Effect Analyse is toegevoegd. Om bomen goed in te passen en schade te voorkomen bij de bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen dient er in sommige gevallen een Bomen effectanalyse te worden uitgevoerd. De Bomen Effect Analyse (BEA) is de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11</span><span class=\"lf-art-t\">Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio Positivo Voor omgevingsvergunningen geldt altijd een LSP. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht wordt dan ook van toepassing verklaard. Voorts zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd in dit artikel. De leden 4:11 lid 2 a, b, c en d zijn komen te vervallen. Onderstaand wordt artikelgewijs de motivering hiervoor gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2a. wegbeplantingen en eenrijige beplanting langs landbouwgronden komen in Maasluis niet voor; b. vruchtbomen en windschermen vallen onder het regulier boombeleid en hoeven niet te worden uitgezonderd; c. fijnsparren en coniferen vallen onder het regulier boombeleid en hoeven niet te worden uitgezonderd; d. kweekgoed valt onder het regulier boombeleid en hoeft niet te worden uitgezonderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens zijn aan artikel 4:11 toegevoegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">2b. voor knotten en kandelaberen als beheermaatregel geldt een vrijstelling; d. in het kader van deregulering geldt er voor kleine voortuinen ≤ 20 m² een vrijstelling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11c</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere vergunningsvoorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit artikel is een extra lid 3 toegevoegd. In projecten waar geen herplant kan plaatsvinden, kan er een financiële compensatie worden opgelegd zodat er elders in de stad nieuwe bomen kunnen worden geplant. Om voortijdige of onnodige kap te voorkomen dient de noodzaak van de kap te worden aangetoond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11d</span><span class=\"lf-art-t\">Herplant-/instandhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit artikel zijn toevoegingen opgenomen in lid 3 (onder punt a en b) dat om instandhouding van een houtopstand te kunnen borgen het bevoegd gezag verplichtingen kan voorschrijven in de vorm van aanwijzingen of het laten opstellen van een Bomen Effect Analyse (BEA).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunning van rechtswege/Artikel 4:12a Vervaltermijn vergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een te snelle of onnodige kap te voorkomen is er geen vervaltermijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houtopstanden mogen pas worden gekapt indien de noodzaak van de kap is aangetoond. Voortijdige kap is conform artikel 4.11c lid 3 niet toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13a</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:13 verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten. De weg niet reinigen na verontreiniging bij laden, lossen, vervoer of andere werkzaamheden terstond bij gevaar voor de verkeersveiligheid of voor beschadiging van het wegdek, komt in Maassluis (regelmatig) voor (zie artikel 2:10; voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats). Het onderhavige, aanvullende artikel stelt verplicht de weg, indien er gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid of beschadiging van het wegdek, na verontreiniging ervan bij laden, lossen, vervoer of andere werkzaamheden, terstond te reinigen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterrein</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:17</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gewijzigd conform de tekst van de modelverordening APV. De oude tekst verwees nog naar artikel 40 woningwet voor een bouwvergunning. Met de inwerkingtreding van de WABO is dit gewijzigd in artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou hoogst onwaarschijnlijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. Voorts is dit artikel in overeenstemming gebracht met de modelverordening APV. Op grond van dit artikel is het verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat zodanig in het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod opgenomen in artikel 4:18 eerste lid wordt niet van toepassing verklaard op door het college aangewezen plaatsen. Voorts kan het college op grond van lid 2 en 3 nadere regels stellen ten aanzien van de duur en periode waarbij dit verbod niet geldt alsmede regels stellen ter bescherming van de natuur en/of landschap en/of het stadsgezicht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:2</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio positivo In lid 4 van dit artikel is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen op het verbod om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen. Het is voor de verkeersveiligheid een ongewenste situatie dat bij het niet tijdig beslissen een vergunning van rechtswege zou ontstaan. Gezien de overlast die daarmee gepaard kan gaan is het niet wenselijk om hier een lex silencio positivo toe te passen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:3</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex Silencio positivo Dit artikel dient om te kunnen optreden tegen geïmproviseerde kleine automarkten op de openbare weg. Gezien de overlast die daarmee gepaard kan gaan is het niet wenselijk om hier een lex silencio positivo toe te passen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:6</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo In verband met situaties waarbij de openbare orde/verkeersveiligheid in het geding kan raken of dat de beperkte parkeerruimte door caravans e.d. overbelast zou raken zou het onwenselijk zijn dat een ontheffing zoals opgenomen in lid 3 zou ontstaan als er een beslistermijn wordt overschreden. Om die reden is van een lex silencio positivo afgezien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder a Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg - vaak juist ook in woonwijken - zou ervoor gekozen kunnen worden om de redactie van de bepaling in het eerste lid onder a stringenter te redigeren en direct voor de gehele gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren: “a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom) op de weg te plaatsen of te hebben;”</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig. In lid 2 is opgenomen dat de zogenoemde “driedagenregeling” niet geldt in de periode 1 juli tot 1 september.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:6a</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzône</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op diverse plaatsen is een zogenaamde parkeerschijfzone ingesteld. Dit houdt in dat alleen in de aangelegde parkeervakken geparkeerd mag worden (aangelegd met een blauwe streep). Bij deze parkeervakken is het gebruik van de parkeerschijf verplicht. De bedoeling van een parkeerzône is het langdurig parkeren verhinderen. Het gebruik van de parkeerschijf is alleen verplicht gedurende de tijd die op het onderbord staat aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel als aanvulling op artikel 5:6, wil voor alle duidelijkheid aangeven dat onverminderd de caravanregeling, het nimmer is toegestaan caravans, campers en aanhangwagens te mogen plaatsen in een parkeerschijfzône.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo In verband met situaties waarbij de openbare orde/verkeersveiligheid in het geding kan raken of dat de beperkte parkeerruimte overbelast zou raken zou het onwenselijk zijn dat een ontheffing zoals opgenomen in lid 4 zou ontstaan als er een beslistermijn wordt overschreden. Om die reden is van een lex silencio positivo afgezien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:9a</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze aanvullende bepaling spreekt eigenlijk voor zich. Er zijn (parkeer)plaatsen aangewezen waarop de burgers hun afval moeten aanbieden. Het verbod houdt in dat op het aangegeven moment (dag) daar dan niet geparkeerd mag worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorziening door voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Is feitelijk al geregeld in artikel 2:46. Mede met het oog op de deregulering is onderhavig artikel vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:13</span><span class=\"lf-art-t\">Inzameling van geld of goederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Gezien het ideële belang van collectes, die doorgaans voor een bepaald moment zijn gepland en waarbij voor dat moment vrijwilligers e.d. zijn aangezocht, is het van belang dat er tijdig op een aanvraag wordt beslist. Wij hebben ervoor gekozen daarom wel een lex silencio positivo op te nemen. Paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht wordt van toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen, verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT) bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678, Stb. 1982,12). In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft een taak om het misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de mensen en van hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit nodig ter bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten in meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het publiek”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rol van het Centraal Bureau Fondsenwerving Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huidige ontwikkelingen De vraag is of in de huidige maatschappij nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid zowel in het kader van het toezicht op bonafide instellingen als van de beperking van het aantal inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor burgers. Er zijn verschillende redenen om deze rol van de overheid voort te zetten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De manieren waarop wordt ingezameld zijn steeds indringender geworden: via de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct dialogue), door shows op tv (het Glazen Huis) en concerten (Live Aid, ) direct of indirect aangesproken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De goede doelen-branche is steeds verder geprofessionaliseerd; denk aan de professionele (commerciële) en wervingsbedrijven. Deze sales- en marketingbedrijven zijn gericht op het werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers.</div>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn daarnaast nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een legitimatie te vragen. Dit alles doet vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Dit is voor de gemeente dan ook de reden om de inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Venten en dergelijke</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lex silencio positivo Aan de verlening of weigering van een ventvergunning ligt een relatief eenvoudige afweging ten grondslag en zullen de gevolgen van een ventvergunning doorgaans beperkt zijn. Er zijn geen dwingende redenen van algemeen belang aanwezig om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt op het artikel van toepassing verklaard.</p></div>", "next": 239688}