{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">11.Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-822\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van: geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen; rem- frictiematerialen; pakkingen uit verbrandingsmotoren; pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-831\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op sloopterrein</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-832\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-833\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Plichten van de houder van de sloopvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.’ 4.De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-834\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Plichten van degene die sloopt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan het bouwtoezicht dienen tenminste twee dagen van de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk gescheiden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-835\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-836\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen Paragraaf4Vrij slopen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-841\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8.4.1</span><span class=\"lf-art-t\">Sloopafval algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1, is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende fracties: de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz 9) steenachtige sloopafval, zonder inbegrip van gips; bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; met PAKS verontreinigde materialen; asfalt; dakgrind; overig afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Welstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.1</span><span class=\"lf-art-t\">De advisering door de welstandscommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De advisering over de redelijke eisen van welstand is opgedragen aan Hus &amp; Hiem, welstandsadvisering en monumentenzorg, hierna te noemen: de welstandscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders baseren hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Zo dat nodig wordt geacht kunnen burgemeester en wethouders advies vragen aan de welstandscommissie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.2</span><span class=\"lf-art-t\">Samenstelling van de welstandscommissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen 3.De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.3</span><span class=\"lf-art-t\">Benoeming en zittingsduur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 (reglement op de Commissie) bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.4</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse verantwoording</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassingen van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.5</span><span class=\"lf-art-t\">Termijn van advisering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag om een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken; een regulieren bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub b van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.6</span><span class=\"lf-art-t\">Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie waarin de aanvraag wordt behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Belanghebbenden hebben in toelichtende zin speekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.7</span><span class=\"lf-art-t\">Afdoening bij mandaat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te wijzen ambtenaar, indien in de welstandsnota voor de verschillende categorieën licht-vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria zijn opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9.8</span><span class=\"lf-art-t\">Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om bouwvergunning.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9.9</span><span class=\"lf-art-t\">Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: op het voornemen inspraak is verleend; het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk10 Overige administratieve bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.1</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om woonvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.2</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overdragen vergunningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de bouwvergunning eerste fase, de woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van zijn rechtsverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning is gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overdragen mededeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.5</span><span class=\"lf-art-t\">Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10.6</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk11Handhaving</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bevel tot stilleggen van de bouw</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.3</span><span class=\"lf-art-t\">Stilleggen van het slopen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel11.4</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk12Straf-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbare feiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.2</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling bodemonderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 1.2.5 van de bijlage behorende bij het Besluit indieningsvereisten als bedoelde verkennende bodemonderzoek tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.3</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 54 en 71 van de brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 juni 1974 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 25 juni 1974, blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij is ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.4</span><span class=\"lf-art-t\">aOvergangsbepaling gebruiksvergunning kamerverhuur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen om verlening van volgens deze verordening gelijkgestelde vergunning welke vóór of op de dag van inwerkingtreding van de wijziging van de bouwverordening zijn ingediend worden behandeld volgend het voordien geldende recht, indien dit voor de betrokkene gunstiger is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling sloopmelding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel12.7</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is afgekondigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 28 september 2004;</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Bouwverordening van de gemeente Leeuwarden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage1Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1 Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordeningvervallen Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordeningvervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Funderingsplanvervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Constructieve en aanverwante gegevensvervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Bouwveiligheidsplan/sloopveiligheidsplanvervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen ten aanzien van tekeningenvervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen ten aanzien van berekeningenVervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de volgende gegevens bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager; indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentie-adres in Nederland, en een door de aanvrager ondertekende machtiging; een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de energiebron; voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de volgende tekeningen en overige bescheiden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken, op een schaal van 1:1000; een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven; voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte; voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit indieningsvereisten Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken Algemene toelichting bij bijlage 3, Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties en woonwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vrijhouden van terreingedeeltenDe bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen moeten voldoende worden vrijgehouden voor blusvoertuigen, en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt De verbindingsweg, bedoeld in de artikel 2.5.3, eerste en tweede lid en 5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de verharding worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en opstelplaatsen afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 1.Lid 1De term “voldoende vrij” kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de publicatie “Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” of de publicatie “Brandbeveiligingsinstallaties “, uitgave Nederlandse Verenging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten openen van het hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verlichting/elektrische installatieHet is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop de installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud wordt verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 2Lid 1Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Het is niet toegestaan een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel aan te brengen in de omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 90o C bedraagt (zie ook bijlage 4, artikel 2) Lid 3Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de inspectie en het onderhoud is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie en onderhoud van noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni 2004. De resultaten van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden in het logboek. De publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en Stimulering van onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO), Postbus 1819, 3000 BV ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Installaties voor verwarming en kookdoeleindenIn de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond van enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van: centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 2004; centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1999; niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken indien dat gebruik door de wijze waarop de installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorzieningen voor de afvoer van rook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 3 Lid 1Met brandbare goederen wordt bedoeld goederen die zijn opgenomen in de Regeling Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke goederen niet worden opgeslagen of opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straling rondom een stooktoestel buiten een stookruimte mag geen pyrofore verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het gebied rondom het stooktoestel waar een temperatuur van 90 graden Celsius kan optreden, moet worden vrijgehouden van brandbare materialen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel ligt in de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld dat het verboden is brand en/of brandgevaar te veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Wanneer de toevoer van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal het verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal er een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding komt het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen stromen en vormt hiermee een gevaar voor mensen. Werkzaamheden, waaronder die voor onderhoud, herstel en sloop, dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de goede werking van de luchttoevoer daardoor niet wordt verstoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden met de brandveiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Een installatie voor verwarming en kooldoeleinden in de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen zodanige maatregelen getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen van de verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat de brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen bereiken. Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een rookafvoerkanaal hoger kan worden dan 90o C dienen deze materialen onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064, uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave 2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het Bouwbesluit zijn vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor de afvoer van rookgassenHet is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te branden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 4Lid 1 Met een doeltreffende reiniging wordt in geval van vaste en vloeibare brandstoffen bedoeld dat een voorziening voor de afvoer van rook afhankelijk van het gebruik gemiddeld eenmaal per jaar wordt gereinigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een afvoerkanaal voor gasvormige brandstoffen is eenmaal per jaar een controle en indien noodzakelijk een reiniging noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het is niet toegestaan de omgeving overlast te bezorgen door een voorziening voor de afvoer van rook uit te branden. Daarnaast is er een aanzienlijk risico op het ontstaan van beschadigingen aan de voorziening voor de afvoer van rook als gevolg van het uitbranden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken, die niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming vertoont. De omgeving van een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook mag geen gevaar lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te gebruiken die niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat er een brand heeft gewoed. De voorziening voor de afvoer van rook kan dan namelijk scheurvorming vertonen en daarmee loopt de omgeving gevaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod voor roken en open vuurHet is verboden te roken of vuur te hebben</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">in een ruimte bestemd voor de opslag van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit 2003; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift “VERBODEN TE ROKEN”of “VERBODEN VOOR OPEN VUUR”, dan wel door middel van een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN 3011, uitgave 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 5 Lid 1Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in een opslagruimte niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod is afgekondigd. Er dient in de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een bord met het opschrift ‘verboden te roken’ aangebracht te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Niemand mag roken of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod is afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet milieubeheer, de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwet of de bij deze wetten behorende besluiten en maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In het derde lid van artikel 5 wordt geregeld hoe aan de mensen kenbaar gemaakt moet worden dat er sprake is van een rookverbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van blusleidingen en de eventueel bijbehorende pompinstallaties Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 6 Lid 1 De blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties dienen eenmaal per jaar visueel geïnspecteerd te worden op gebreken door de gebouweigenaar. De resultaten van de inspectie dienen te worden vastgelegd in het logboek. Indien gebreken zijn geconstateerd, dienen deze verholpen te worden door een installateur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De droge blusleiding dient eenmaal per vijf jaar gecontroleerd en zonodig gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding moet, na geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen gedurende vijf minuten handhaven. Boven de zeventig meter moet voor elke tien meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, opgenomen worden in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid genoemde norm NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge blusleidingen in en aan gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger zijn dan zeventig meter. Dit houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van een blusvoertuig van de brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt. Bij gebouwen hoger dan zeventig meter dient een zelfstandige pompinstallatie te worden geïnstalleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per vierentwintig uur gedurende vijf minuten proef te draaien. Dit dient automatisch te gebeuren. Bij brandmelding moet de testprocedure worden overbrugd. Het functioneren hiervan moet buiten de pompruimte, bijvoorbeeld in de portiersloge, receptie en/of een commandoruimte, optisch worden gesignaleerd. (Ontleend aan de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl) Ten minste eenmaal per maand dienen de resultaten van het automatische proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 De installatie dient gecontroleerd te worden door een installateur die indien noodzakelijk herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie dienen opgenomen te worden in het logboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BrandweerliftTen minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en goede werking van brandweerliften;</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 7Wanneer een lift regelmatig wordt getest volgens het Warenwetbesluit Liften wordt niet volledig voldaan aan dit artikel. Bij een vervolgkeuring worden door het Liftinstituut de volgende zaken gecontroleerd: oproep hoofdstopplaats; alle overige oproepen vervallen alleen kooiopdrachten parkeren met geopende deuren fotocellen uitgeschakeld een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen: de schachtventilatie de plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de laagspanningsruimte de ligging van de voedingskabel met de hoofdschakelaar van de lift in de machinekamer Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk twaalf maanden en vervolgens iedere keer na uiterlijk achttien maanden. De resultaten van de test dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen onmiddellijk herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhoud van liften wordt geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001 ‘Onderhoud van liften en roltrappen – Regels voor onderhoudsinstructies’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BrandmeldinstallatieMet betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002 Toelichting bij artikel 8Deze eis is bedoeld om ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te voorkomen. Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een opgeleid beheerder brandmeldinstallatie beschikbaar is, zoals bedoeld in NEN 2654-1, uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OntruimingsalarminstallatieDe ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud van de ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN 2654-2, uitgave 2004 De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk voorschrift een ontruimingsalarminstallatie is geëist, stelt een ontruimingsplan op ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen. Het ontruimingsplan wordt opgesteld volgende de relevante delen van de NTA 8112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 9 Lid 1 Om in een calamiteit alle aanwezigen te kunnen alarmeren, stelt hoofdstuk 2 eisen aan de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie. Uiteraard moet de werking van een aanwezige ontruimingsalarminstallatie (ook wanneer deze niet geëist wordt in bedoeld hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw aanwezig is) gegarandeerd zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen vertrouwen op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het logboek. Daarnaast worden de verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden in het logboek. Voor de opstelling van het ontruimingsplan wordt de aanbeveling voor het opstellen van ontruimingsplannen gevolgd. Deze NTA 8112 ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’ wordt uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut. Voor veel gebruiksfuncties is een apart deel beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale reeks ziet er als volgt uit. Op dit moment zijn nog niet alle delen beschikbaar. De actuele stand van zaken vindt u op www.nen.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel 1: Kantoorgebouwen Deel 2: Onderwijsgebouwen Deel 3: Kinderopvanggebouwen Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie Deel 5: Logiesgebouwen Deel 6: Gezondheidszorggebouwen Deel 7: Industriegebouwen Deel 8: Cellen en celgebouwen Deel 9: Ontruimingshandleiding en ontruimingskaart voor niet-vergunningsplichtige bouwwerken Wanneer het door u benodigde deel nog niet beschikbaar is, kunt u gebruik maken van de publicatie ‘Ontruimingsplannen en –oefeningen’ van het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening. Deze publicatie is verkrijgbaar via het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS Rotterdam. www.nibhv.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van een ontruimingsplan wordt eveneens vereist op grond van artikel 6.1.1, tweede lid, MBV, artikel 9 van bijlage 3 MBV, artikel 15 Arbowet en afdeling 4 van het Arbobesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Automatische brandblusinstallatieMet betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door burgemeester en wethouders wordt aanvaard. Burgemeester en wethouders aanvaarden altijd een geldig certificaat indien dit certificaat afkomstig is van een certificeringsinstelling die terzake is erkend door de Raad voor Accreditatie ToelichtingAlgemeen De voorkeur verdienen certificaten van een instelling die is erkend door de Stichting Raad voor de Certificatie (RvC) te Driebergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het non-discriminatiebeginsel uit het EEG-verdrag brengt met zich mee dat certificaten van instellingen uit andere landen van de Europese Unie niet mogen worden geweigerd, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de 'bona fide' instituten in Nederland worden afgegeven. De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische brandblusinstallaties, dat wil zeggen een - niet verlopen – kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Certificaten van het Bureau voor Sprinklerbeveiliging (BvS) te Bilthoven omvatten meer aspecten en hebben momenteel slechts gedeeltelijk betrekking op laatstgenoemde periodieke keuringen. De overige aspecten van deze certificaten hebben betrekking op de kwaliteit en de wijze van aanleg van automatische brandblusinstallaties. Dit zijn aspecten die niet zijn geregeld in de bouwverordening, maar verband houden met de voorschriften van het Bouwbesluit. In de zin van dat besluit vormt de aanwezigheid van een goede automatische brandblusinstallatie namelijk een oplossing die gelijkwaardig kan zijn aan de normaliter voorgeschreven brand- en rookcompartimentering van een gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 10 Dit artikel heeft als doel dat de werking van een automatische brandblusinstallatie in een gebouw altijd gegarandeerd is. Een automatische brandblusinstallatie kan toegepast worden in een gebouw in het kader van ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er sprake is van een situatie die past binnen het toepassingsgebied van het Bouwbesluit waarbij de eigenaar van het gebouw de automatische brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige brandwerende voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer er sprake is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het Bouwbesluit valt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De automatische brandblusinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een Programma van Eisen dat is opgesteld door een EN 45004, type A, inspectie-instelling, die is geaccrediteerd door de Stichting Raad voor Accreditatie. Het Programma van Eisen is goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg van de installaties wordt begonnen. Het Programma van Eisen is binnen de inrichting aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde instituten in Nederland worden afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische brandblusinstallatie, dat wil zeggen een –niet verlopen- kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring (certificaat) die is afgegeven door een certificatie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen beleid voeren op dit onderdeel en daarin bepalen van welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn door de Raad voor Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie De pompinstallaties van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij behorende pompinstallaties conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 11De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek, De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-3, uitgave 2000 ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 3: Onderhoud van brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslanginstallaties met plat opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en het onderhoud van brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product in overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd, geleverd of geïnstalleerd. Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn bedoeld als eerste interventiemiddel bij het blussen van een brand totdat er krachtiger blusacties door de brandweer worden ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Automatisch werkende deurenAutomatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting niet belemmeren</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen getroffen zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan Toelichting bij artikel 12 Lid 1 Automatisch werkende deuren in een vluchtroute moeten bij het wegvallen van de netspanning automatisch opengaan of gemakkelijk met de hand kunnen worden geopend en vervolgens in geopende stand blijven staan. Op handmatig te openen schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de deur moet worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende schuifdeuren waarvoor een brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op grond van enig wettelijk voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend zijn en handmatig geopend kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzieningen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van sluisconstructies die in dit artikellid bedoeld worden, zijn tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit artikellid is niet van toepassing op rooksluizen zoals bedoeld in artikel 2.135 van het Bouwbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">A Deuren van overdruktrappenhuizenDe deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het een overdruktrappenhuis is Toelichting bij artikel 12A Wanneer een trappenhuis op overdruk staat, kunnen vluchtende mensen denken dat de toegang tot het trappenhuis op slot zit. De weerstand van een deur waarbij het trappenhuis op overdruk staat, is groter dan de weerstand van een normale deur. Een voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op overdruk staan’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingDe vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 13 Lid 1 De vluchtrouteaanduiding dient te voldoen aan het gestelde in artikel 2.6.8 tot en met 2.6.10 van de bouwverordening. Vluchtrouteaanduidingen moeten te allen tijde zichtbaar zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er geen gordijnen voor de vluchtrouteaanduiding mogen hangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als grondslag voor een besluit op grond van artikel 13 Woningwet, dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wordt het hiervoor bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van de bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De resultaten van de controle dienen opgenomen te worden in het logboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">GasflessenVervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 14 Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">RookbeheersingssysteemMet betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overlegd, dat is verleend door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling Toelichting bij artikel 15 Er bestaan diverse rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en warmteafvoerinstallaties, verdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van het gebruik, het onderhoud en de controle van rookbeheersingssystemen moet te allen tijde een certificaat kunnen worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rookbeheersinssystemen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">OverdrukinstallatieVervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud van rook- en brandscheidingenVoorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis gedlt, worden tenminste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 17 Alle voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd. Voorbeelden van de bedoelde voorzieningen zijn brandkleppen en brandmanchetten. Deze voorzieningen kunnen getroffen zijn in luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten, transportsystemen en buizenpost zijn voorbeelden van doorvoeren die door wanden kunnen lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De resultaten van de controles dienen opgenomen te worden in het logboek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">BrandweeringangVervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">LogboekDe historie van de brandveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en het onderhoud bij of krachtens enig wettelijk voorschrift uit deze verordening inclusief bijlage vereist, worden in een logboek vermeld Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de met toezicht belaste personen getoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 19 Met de historie van de installatie wordt bedoeld: alle technisch relevante informatie voor een correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die verricht zijn aan de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de certificaten etc. Eveneens dienen de resultaten van de ontruimingsoefeningen in het logboek vastgelegd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het logboek moet onmiddellijk beschikbaar zijn, zodat handhavers en toezichthouders het kunnen raadplegen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefeningVoordat er onderhouds-, herstellings, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dot door de rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders gemeld Toelichting bij artikel 20 Burgemeester en wethouders dienen op de hoogte te worden gesteld van werkzaamheden die worden verricht aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt. Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van wetenschappelijk of maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald voor welke gebouwen deze eis van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rookmelders in woningenDe op grond van artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit 2003 aanwezige rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitave 2002 Toelichting bij artikel 21 Met dit artikel wordt bedoeld dat de rookmelders in woningen die op grond van artikel 2.146, lid 7 van het Bouwbesluit vereist zijn, adequaat moeten functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van gebouwen – rookmelders voor woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk voorschrift noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rookmelders hebben een beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient te allen tijde gegarandeerd te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">RoltrapEen terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitave 2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd Toelichting bij artikel 22 Wanneer de terugloopruimte van een roltrap niet deugdelijk onderhouden en gereinigd is, bestaat er een verhoogd risico op het ontstaan van brand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">GarantiecertificaatConstructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek, Toelichting bij artikel 23 Voorbeelden van constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de benodigde prestaties kunnen garanderen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de draagconstructie brandwerend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan de gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van brandvoortplanting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er een risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient gegarandeerd te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn aangebracht en dat ze in stand worden gehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">Opslag van goederen in rookvrij vluchtroutesDe opslag van goederen is niet toegestaan in</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie); brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 24 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ruimten waardoor gevlucht wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen hogere eisen aan het materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van goederen daarom niet toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen, etc. heeft immers niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die hogere eisen aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedoelde vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld gangen en trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije vluchtroutes (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een kantoorfunctie, onderwijsfunctie, bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen). Wanneer volgens het Bouwbesluit in de vluchtroute verhoogde eisen gelden aan de mate van brandvoortplanting en rookdichtheid (brandvoortplantingsklasse 3, 2 of 1 / T2 of T1 en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2 m-1) is de opslag van goederen in deze ruimten niet toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bluswaterwinplaats op eigen terreinDe rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt Toelichting bij artikel 25 Een bluswaterwinplaats op eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De eigenaar van het bouwwerk ten behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is, moet ervoor zorgen dat de bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er altijd voldoende bluswater beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test op het leveren van voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze test dient in de frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de publieke brandkranen in de gemeente. Op verzoek van of namens burgemeester en wethouders dient van de test een bewijs (testrapport) te worden overlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties Algemene toelichting bij bijlage 4:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en brandveiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangen en vluchtwegenEen deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp. Deze eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie, een celfunctie of een vergelijkbare gebruiksfunctie als de celfunctie Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken, loslaten zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100 personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders gesloten dan door middel van een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen de deur, in de vluchtrichting gezien, Een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen deze voorziening (panieksluiting).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht volgens NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 1 Lid 1Deuren in een vluchtroute moeten bij de aanwezigheid van personen in een bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden, zonder dat hiervoor een sleutel noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een woonfunctie moet namelijk in verband met inbraakwerendheid met een sleutel afgesloten kunnen worden en een celfunctie moet vanwege de aard van de functie met een sleutel afgesloten kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis de toegangsdeur van een woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in gebouwen met meerdere woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije vluchtroutes voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken, moeten deze deuren in rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een celfunctie worden in veel gevallen ten aanzien van deze eis specifieke afspraken gemaakt met de gebouweigenaar. De interne organisatie van gebouwen met een celfunctie kan bepaalde brandweertaken overnemen en de coördinatie houden over de ontruiming.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het cellengedeelte onder de rook staat en betreden ervan zonder gebruik van adembeschermende apparatuur niet verantwoord is een speciale kast aanwezig te zijn, die toegankelijk is voor de brandweer en waarin zich een voldoende aantal moedersleutels bevindt waarmee alle deuren in het cellencomplex kunnen worden geopend. Het aantal dient in overleg met de plaatselijke brandweer te worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het artikel wordt tevens bepaald dat deze eis niet geldt voor een vergelijkbare functie als de celfunctie. Hiermee worden bijzondere situaties bedoeld, zoals psychiatrische instellingen e.d. Bij dergelijke situaties moeten specifieke afspraken gemaakt worden met de gebouweigenaar. In het reguliere gebruik mogen deuren afgesloten zijn, mits de deuren automatisch worden ontgrendeld in geval van een calamiteit. Projectspecifiek moeten hier passende elektrotechnische oplossingen voor worden gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De automatische inrichtingen voor het loslaten van deuren, respectievelijk luiken zodra een toestand intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering dienen, voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 10 van de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Prestatie-eisen aan de bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN 1125, uitgave 2003 Ontw. En ‘Hang- en sluitwerk – panieksluitingen voor vluchtdeuren met een horizontale bedieningsstang voor het gebruik van vluchtroutes – Eisen en beproevingsmethoden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is dat een in onderdeel a en b bedoelde deursluiting in het concrete geval daadwerkelijk overeenkomstig de instructies van de fabrikant/leverancier van de betreffende sluiting wordt aangebracht. Verkeerd aanbrengen van de sluiting kan de beoogde werking daarvan namelijk teniet doen of bemoeilijken, met alle veiligheidsrisico’s van dien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedieningsinrichting moet op een hoogte tussen 0,9 – 1,1 meter gemeten vanaf de vloer worden aangebracht. Wanneer er aanwijsbare redenen zijn om hiervan af te wijken (bijvoorbeeld in een kinderdagverblijf) kan dit overlegd worden met de brandweer. Hierbij wordt aan de basiseis voldaan, dat de deur opengaat door een lichte druk tegen de voorziening. Met andere woorden: als je tegen de deur aanloopt, moet deze open gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route achter de deur is vrij. Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt in de buitenlucht. Op maaiveld worden geen auto’s, fietsen of andere obstakels geplaatst die de vluchtroute belemmeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opschrift voldoet aan NEN 3011:2004 ‘Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te ontvluchten. Bij de overige deuren van het gebouw is een dergelijk opschrift niet noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden. De beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen goed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekleding, stoffering en versieringStoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is niet hoger dan 90°C Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden voor constructieonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 2 Lid 1 Bij stoffering en versiering moet naast de inrichting van een gebouw ook gedacht worden aan tijdelijke versiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk in verband met de menselijke maat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van versieringen voor wat betreft ‘makkelijk ontvlambaar’ en ‘druppelvorming’. Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl , informatie beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen relatie tussen de mate van brandvoortplanting of rookdichtheid van een materiaal en de mate van druppelvorming. Om druppelvorming te kunnen bepalen is dus een vastgelegde testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen prestatie-eisen geformuleerd worden. Zolang er geen testmethode is, is het stellen van prestatie-eisen niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzeilen bij brand geen druppelvorming mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enige norm. De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op onderdelen zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde ballonnen aanwezig zijn, is er een verhoogde kans op het ontstaan van een ontploffing en als gevolg daarvan branduitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Voor textielproducten dienen de navlamduur en de nagloeiduur bepaald te zijn volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – bepaling van de ontvlambaarheid van verticaal geplaatste proefstukken’ en NEN-EN-ISO 6941, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – meting van de vlamverspreidingseigenschappen van verticaal geplaatste proefstukken’. Voor kunststofproducten zijn nog geen normen beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan bekleding, stoffering en versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen gesteld als aan constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van stoffering en bekleding voor wat betreft ‘brand- en rookklassen’. Voor versiering is in Nederland de NTA 8007 ‘Brandgedrag versieringsmaterialen’ opgesteld. Deze norm geeft geen classificatie van brand- en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem met een transponeringstabel) zoals dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Elektrische verlichtingIndien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer dan vijftig personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig van zodanig sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is Toelichting bij artikel 3Met dit artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd zijn tijdens de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting aanwezig is. Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een dusdanige sterkte aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten daar altijd over kunnen beschikken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanduiding van blusmiddelenEen blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 4 Wanneer er sprake is van een ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel onvoldoende herkenbaar. Dit betekent dat in deze gevallen een pictogram aangebracht moet worden, zodat aan de buitenzijde van de kast zichtbaar is, dat er een blusmiddel in de kast aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn of in een winkel met schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel onvoldoende zichtbaar. Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de omgeving onvoldoende zichtbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden, zodat in de omgeving zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toepassen van vuurwerk binnen een gebouwVoor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit blijkt dat die activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden Toelichting bij artikel 5Om de veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen, is het van belang dat burgemeester en wethouders inzicht hebben in de wijze waarop de activiteit wordt uitgevoerd. Het aspect veiligheid verdient bijzondere aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die het vuurwerk afsteekt in bouwwerken moet veertien dagen van tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders indienen waaruit blijkt dat die activiteit op een veilige wijze plaatsvindt. De beoordeling vindt plaats op grond van artikel 6.4.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opstelling van inventarisBij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig zijn van ten minste 0.40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van: meer dan 4 stoelen in een rij, en meer dan 4 rijen, en een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen zijn, zijn zo gekoppeld dat wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven om omvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang uitkomt, mag ten hoogste bevatten:</p>\n<p class=\"lf-p\">16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is dan 0,45 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter;</p>\n<p class=\"lf-p\">50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4 rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1,1 meter aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette stoelen, neemt tot een hoogte van 2.5 meter slecht zodanige oppervlakten in beslag – gemeten in loodrechte projectie op de vloer – dat tenminste 0,25 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is;</p>\n<p class=\"lf-p\">0,30 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen;</p>\n<p class=\"lf-p\">0,50 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m2 per persoon bedraagt, zodanig zijn aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 6 Lid 1 Hiermee wordt een voldoende doorstroomcapaciteit tussen in rijen opgestelde stoelen gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Het onderling koppelen van stoelen dient zodanig gerealiseerd te worden dat deze als gevolg van gedrang niet ontkoppeld kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde eis wanneer de stoelkoppelingen voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen – verbindingen voor gekoppelde zitmeubelen – sterkte en veiligheidseisen en beproevingsmethoden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt aantal mensen op een ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen zitplaatsen te lang worden, ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen klauteren waardoor paniek en chaos ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen. Een voldoende uitstroomcapaciteit van een doodlopende rij stoelen moet gegarandeerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van stoelen verdient de doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen bijzondere aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van meubelen en objecten in een ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van de verkeersgebieden nadere aandacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Om een veilige ontvluchting te kunnen garanderen in een ruimte waarin veel mensen samenkomen, moet de inrichting hiervan niet kunnen verschuiven of omvallen. Wanneer de inrichting omvalt of verschuift zal dit namelijk de ontvluchting belemmeren en leiden tot ongewenste paniek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">AfvalVervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Periodieke controle van draagbare blustoestellenTen minste eenmaal per jaar wordt door een ter zaken kundige het nodige onderhoud verricht conform NEN 2539, uitgave 2001 en een controle gehouden op de reinheid en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden deze gerepareerd Toelichting bij artikel 8De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij of krachtens wettelijke voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn draagbare blustoestellen in een gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op verzoek van verzekeraars. Aangezien het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig is, moeten gebruikers van het gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking van de draagbare blustoestellen gegarandeerd is. Alle draagbare blustoestellen, dus ook degene die op vrijwillige basis worden opgehangen, moeten worden gecontroleerd op reinheid en een goede werking en indien nodig gerepareerdBijlage 5 Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaalHout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065, uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 9In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens dient voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 13 mei 2003 is het gebruik van de Euroklassen voor het brandgedrag van bouwmaterialen en -producten in het Bouwbesluit geïntroduceerd. In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is een tabel gepubliceerd waarmee de in het Bouwbesluit vereiste brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6065, NEN 1775 en NEN 6066) kan worden vertaald naar een Europese brandklasse. De Ministeriële Regeling kunt u vinden via www.vrom.nl.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">GlasGlas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen stands podia, kramen etc wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat het glas als veiligheidsglas wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van een ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 10In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan plafonds een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval van brand moet voorkomen worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken naar beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor de vluchtende mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaar gereduceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Textiel in horizontale toepassingTextiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat het textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte van ten hoogste 0,70 meter Toelichting bij artikel 11In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens dient te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is aangebracht, naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met dit voorschrift wordt dit gevaar gereduceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier of fotopapierKunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands, podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal, board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het gestelde in artikel 9 en 10 van bijlage 4 van de bouwverordening Toelichting bij artikel 12In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen beperkt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlagebehorend bij artikel 6.2.2 Tabel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse Omschrijving Verpakkinggroep Toegestane maximum hoeveelheid in kg of l1Eenheid bepaald overeenkomstig het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 UN 1950 Spuitbussen &amp; UN 2037 Houders, klein, gas gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen) n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 3 brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton II 25 3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C brandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde inkten III 50 4.1, 4.2, 4.3 4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders 4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink 4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbonaat II en III 50 5.1 brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide II en III 50 5.2 organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl peroxide n.v.t.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 2 gasflessen n.v.t 115 liter waterinhoud 3 dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C III 1.000 liter Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage6Opslag brandgevaarlijke stoffen Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage6abouwverordening Eisen gebruiksvergunning voor kamerverhuur- en kamerverkooppandParagraaf 1. Gegevens en bescheiden aanvraag</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2. Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3. Technische eisen met betrekking tot brandveiligheid</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4. Gebruikseisen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning kamerverhuur- en kamerverkooppandArtikel 1.1 In de aanvraag op te nemen gegevensDe aanvraag om een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6a.1.2 van de bouwverordening moet de volgende gegevens bevatten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De naam en het correspondentieadres in Nederland van de aanvrager;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentieadres in Nederland;</p>\n<p class=\"lf-p\">De naam en het adres waarop de vergunning gesteld moet worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het adres van het kamerverhuur- of kamerverkooppand;</p>\n<p class=\"lf-p\">De kadastrale aanduiding van het kamerverhuur- of kamerverkooppand;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal personen waarvoor het kamerverhuur- of kamerverkooppand is of zal worden ingericht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal kamers die in het kamerverhuur- of kamerverkooppand aanwezig zijn of zullen zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van verwarming van het kamerverhuur- of kamerverkooppand;</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermelding of in het kamerverhuur- of kamerverkooppand het volgende aanwezig is: noodverlichtingsinstallatie; vluchtwegaanduiding; ontruimingsalarminstallatie, handbediening; telefoonaansluiting; rookmelders; brandslanghaspels/draagbare brandblustoestellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag in te dienen bescheidenDe aanvraag om een gebruiksvergunning kamerverhuur- of kamerverkooppand als bedoeld in artikel 6a.1.2 van de bouwverordening moet zijn voorzien van de volgende tekeningen Een bouwkundige plattegrond van elke bouwlaag van het kamerverhuur- of kamerverkooppand op een schaal 1:100, aangevende: de afmetingen van het kamerverhuur- of kamerverkooppand en de binnen het kamerverhuur- of kamerverkooppand gelegen ruimten [in m1 en m2]; de aanduiding, overeenkomstig het woordgebruik in het Bouwbesluit, van de functie van elke ruimte of elke groep van bij elkaar behorende ruimten; de hoogteligging van de verschillende vloeren van het kamerverhuur- of kamerverkooppand; de trappen en de vloerafscheidingen; de deuren en daglichtopeningen in de uitwendige scheidingsconstructies en, voor zover van belang voor het vluchten bij brand, tevens de inwendige scheidingsconstructies; het aanrecht, de wastafel, de opstelplaats van kooktoestel, wasapparatuur, warmwatertoestel en de opstelplaats van stooktoestel of stookruimte; de meterkast(en) of meterruimte; de voorzieningen voor het verversen van binnenlucht, de voorzieningen voor de toevoer van lucht of verbrandingstoestellen en de leidingkokers; de fietsenstalling; de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, zoals de plaats van de brandslanghaspels/draagbare brandblustoestellen, noodverlichtingsinstallatie, vluchtwegaanduidingen (transparanten), ontruimingsalarminstallatie, nooduitgangen, zelfsluitende deuren en rookmelders; de toe te passen brandwerende materialen (inclusief diktes [mm]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bouwkundige doorsnede van het kamerverhuur- of kamerverkooppand op een schaal 1:100, aangevende de hoogtematen van de binnen het kamerverhuur- of kamerverkooppand gelegen ruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekeningen met alle gevelaanzichten en/of foto’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een situatietekening van het kamerverhuur- of kamerverkooppand, vermeldende kadastrale aanduiding, de straat en het huisnummer op een schaal van 1:1000.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BeheersplanVoor een kamerverhuur- of kamerverkooppand waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest, moet een beheersplan worden aangeleverd. In dit beheersplan moeten minimaal de volgende punten worden opgenomen het aantal onzelfstandige woonruimten; wijze van verhuur / contractvorm; wijze van beheer; calamiteitenplan; contactpersonen bij calamiteiten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Technische eisen met betrekking tot de gezondheid, reinheid en hygiëne van een kamerverhuur- of kamerverkooppand</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kamers (verblijfsruimten)De in een kamerverhuur- of kamerverkooppand gelegen kamers moeten, willen ze geschikt zijn voor gebruik door één persoon, een vloeroppervlakte hebben van tenminste 11 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1,8 m;</p>\n<p class=\"lf-p\">Worden het aanrecht en het kooktoestel in de kamer gesitueerd, dan zal die ruimte, naast de vloeroppervlakte bedoeld in het eerste lid, tevens een vloeroppervlakte van tenminste 2,1 x 1,2 m moeten omvatten voor plaatsings- en gebruiksruimte voor de keukenvoorziening met een minimale hoogte van 2,1 m;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt één kamer gebruikt door 2 personen dan moet deze kamer een vloeroppervlakte hebben van tenminste 32 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1,8 m;</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 1 indien: iedere voor kamerbewoning bestemde kamer een vloeroppervlakte heeft van tenminste 7,5 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1,8 m en; er een vertrek voor gemeenschappelijk gebruik is van: tenminste 17 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m, indien het pand wordt bewoond door drie bewoners en; tenminste 18 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m, indien het pand wordt bewoond door vier bewoners en; tenminste 19 m2 met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m, indien het pand wordt bewoond door vijf of meer bewoners en; het aanrecht en het kooktoestel worden opgesteld hetzij in een afzonderlijke keuken, hetzij in het voor gemeenschappelijk gebruik bestemd vertrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen eveneens vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 1 indien er twee kamers in gebruik zijn door één persoon waarbij de totale vloeroppervlakte van de beide kamers gezamenlijk tenminste 11 m2 is met een minimale hoogte van 2,1 m en een minimale breedte van 1.8 m en; de minimale vloeroppervlakte van elk van de kamers tenminste 4 m2 is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">ToiletruimteIn een kamerverhuur- of kamerverkooppand moet voor elke vijf bewoners ten minste één afsluitbare toiletruimte aanwezig zijn</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">BadruimteIn een kamerverhuur- of kamerverkooppand moet voor elke acht bewoners ten minste één afsluitbare badruimte aanwezig zijn</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanrecht en opstelplaats voor een kooktoestel (keuken)Zijn een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel in een aparte keukenruimte (verblijfsruimte) gelegen, dan moet deze een vloeroppervlakte hebben van ten minste 5 m2, waarvan de breedte ten minste 1,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,1 m is. De vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 te rekenen tot en met 4 personen. Voor elke extra bewoner moet de vloeroppervlakte van 5 m2 met ten minste 1 m2 worden vergroot</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Berging, opslagruimte voor huishoudelijk afval en stallingruimte voor fietsenTot een kamerverhuur- of kamerverkooppand moet tenminste één, van buiten het kamerverhuur- of kamerverkooppand toegankelijke, afsluitbare ruimte behoren, met een vloeroppervlakte van tenminste 3,5 m2, waarvan de breedte tenminste 1,5 m en de hoogte boven die oppervlakte tenminste 2,1 m is. De vloeroppervlakte van tenminste 3,5 m2 te rekenen tot en met 4 personen. Voor elke extra bewoner moet de vloeroppervlakte van 3,5 m2 met tenminste 1 m2 worden vergroot Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel mits een (inpandige) bergruimte aanwezig is die voldoende groot is om een aantal fietsen te stallen dat even groot is als het aantal bewoners dat in het pand mag wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel indien op het perceel waarop het pand zich bevindt geen voldoende bergruimte kan of mag worden opgericht, mits de exploitant aantoont dat er voldoende bruikbare stallingsruimte voor fietsen en afvalcontainers is en deze stallingsruimte gebruikt kan worden zonder dat de veiligheid van de bewoners in geval van brand door de gestalde fietsen en containers wezenlijk wordt aangetast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Telefoon-, radio- en televisieaansluitingIn een kamerverhuur- of kamerverkooppand moet, opdat telecommunicatiesignalen kunnen worden opgevangen, een aansluitpunt hiervoor aanwezig zijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming tegen schadelijke en hinderlijke invloedenGeluidswering tussen ruimten en bescherming tegen geluid van installaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De karakteristieke isolatie-index voor lucht- en contactgeluid (Llu en Lco) tussen verblijfruimten en tussen verblijfsruimte en verkeersruimte, in een kamerverhuur- of kamerverkooppand, moeten ter beperking van geluidhinder in die verblijfsruimte, ten minste gelijk zijn aan -10 dB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het karakteristieke geluidsniveau van een in een kamerverhuur- of kamerverkooppand gelegen toilet met waterspoeling, mag ter beperking van geluidsoverlast in een niet tot dat kamerverhuur- of kamerverkooppand behorende verblijfsruimte, niet hoger zijn dan 40 dB(A).</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel indien door de aard en samenstelling van de constructie niet aan de gestelde eis kan worden voldaan. Er dienen dan, ter goedkeuring van burgemeester en wethouders, zodanige maatregelen te worden getroffen, dat de hinder ten gevolge van zowel lucht als contactgeluid tot een minimum wordt beperkt. Burgemeester en wethouders kunnen de voorwaarde stellen dat de voorzieningen, opgesteld door een erkend adviesbureau, dienen te worden uitgevoerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoud en het weren van schadelijk of hinderlijk gedierteHet normale onderhoud van een kamerverhuur- of kamerverkooppand dient zodanig te geschieden dat een kamerverhuur- of kamerverkooppand zich in een zindelijke staat bevindt In een kamerverhuur- of kamerverkooppand dient afval op zodanige wijze te worden bewaard dat schadelijk en hinderlijk gedierte niet wordt aangetrokken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Technische eisen met betrekking tot de brandveiligheid van een kamerverhuur- of kamerverkooppand</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Constructieve veiligheidTrappen en vloeren waarover een rookvrije vluchtroute voert dienen een brandwerendheid van 30 minuten te bezitten met betrekking tot bezwijken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Signalering brandOp elke woonlaag dient in de rookvrije vluchtroute een niet-ioniserende rookmelder geplaatst te worden die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking van ontwikkeling van brandBijdrage tot brandvoortplanting in de rookvrije vluchtroutes (m.u.v. 5%): tenminste klasse 2 voor wanden en plafonds en klasse T1 voor vloeren. Volgens NEN 6065 Bijdrage tot brandvoortplanting in de overige ruimten (m.u.v. 5%): klasse 4 voor wanden en plafonds en klasse T3 voor vloeren. Volgens NEN 6065.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking van uitbreiding van brandDe WBDBO tussen brandcompartimenten dient 60 minuten te zijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De WBDBO tussen de subbrandcompartimenten dient 30 minuten te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De WBDBO tussen de subbrandcompartimenten en een van rook gevrijwaarde vluchtroute dient 30 minuten te zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Vluchten en vluchtmogelijkhedenVanuit een subbrandcompartiment dient over ten minste twee onafhankelijke rookvrije vluchtroutes gevlucht te kunnen worden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het eerste lid kan worden volstaan met één rookvrije vluchtroute indien: de loopafstand tussen de toegang van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte en ten minste een toegang van het brandcompartiment of het subbrandcompartiment waarin die ruimte ligt, ten hoogste 15 m is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een besloten ruimte op die route heeft een niet-ioniserende rookmelder, die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN 2555.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestrijden van de brandMet het oog op brandbestrijding dient een brandslanghaspel te worden geplaatst. De brandslanghaspel moet op een zodanige locatie worden geplaatst dat alle verblijfsruimten bereikt kunnen worden en de brandslanghaspel direct bereikbaar is vanuit een verblijfsruimte. Als gelijkwaardige oplossing kan worden gezien het toepassen van een draagbaar brandblustoestel van minimaal 6 kg (poederblusser) of 6 ltr (sproeischuimblusser, i.c.m. een blusdeken), te plaatsen op iedere woonlaag en direct bereikbaar vanuit een verblijfsruimte In de buurt van elk kooktoestel dient een blusdeken op een goed bereikbare plaats te hangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Noodverlichting en vluchtwegaanduidingIn een kamerverhuur- of kamerverkooppand waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest moet in de rookvrije vluchtroutes noodverlichting aanwezig zijn welke gedurende 60 minuten een verlichtingssterkte van 10 lux kan geven, alsmede de vluchtwegaanduidingen verlicht en en ander volgens NEN-EN 1838, uitgave 1999 en NEN 6088, uitgave 2002</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OntruimingsalarminstallatieEen kamerverhuur- of kamerverkooppand waarin meer dan 10 personen kunnen worden gehuisvest, moet zijn voorzien van een ontruimingsinstallatie type C, conform NEN 2575 uitgave 2004</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">DefinitiesAls een brandcompartiment moet worden aangemerkt: het totale gebouw en/of één of meer met elkaar in verbinding staande afzonderlijke besloten ruimten waardoor geen rookvrije vluchtroute voert, met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m2 Als een subbrandcompartiment moet worden aangemerkt: een verblijfseenheid met een oppervlakte van niet meer dan 40 m2 en/of één of meer met elkaar in verbinding staande overige ruimten waardoor geen rookvrije vluchtroute voert, met een totale gebruiksoppervlakte van minimaal 3,5 m2 en maximaal 40 m2. een kamer, slaapkamer, woonkamer, woonslaapkamer en keuken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een verblijfsruimte moet worden aangemerkt: ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als rookvrije vluchtroute moet worden aangemerkt: een van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een subbrandcompartement, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 4 Gebruikseisen voor een kamerverhuur- of kamerverkooppandArtikel 4.1 Verlichting / elektrische installatieHet is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik: door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor de veiligheid en het ontstaan van brand; door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor de veiligheid en het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het eerste lid bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van elektrische sterkstroominstallaties voor lage spanning, die voldoen aan de veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties, opgenomen in NEN 1010, uitgave 2005.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Installaties voor verwarming en kookdoeleindenIn de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, moeten vrij worden gehouden van brandbare goederen Een opening ten behoeve van ventilatie, op grond van enige regeling geëist mag niet worden afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel op zodanige wijze te plaatsen dat: door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand; door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of Aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het derde lid bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van: centrale verwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centrale verwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 2004; centrale verwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 2004;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingstoestel met afvoergelegenheid voor het stoken van vaste of vloeibare brandstof te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een verwarmingstoestel voor het stoken met gas te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffend rookkanaal of gasafvoerkanaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen voor de afvoer van rookHet is verboden een rookkanaal te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal uit te branden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal of gasafvoerkanaal te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin dat rookkanaal of dat gasafvoerkanaal zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een rookkanaal te gebruiken als dit zonder een inrichting tot het opvangen van vonken dreigend gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">OntruimingsinstallatieDe ontruimingsinstallatie moet ten aller tijde gebruiksklaar zijn en in een goede staat verkeren, e.e.a. volgens de NEN 2575, uitgave 2004</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ontruimingsalarminstallatie moet eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vluchtwegaanduidingen (transparanten)Indien op grond van artikel 3.7 noodverlichting in het kamerverhuur- of kamerverkooppand aanwezig is, moeten de vluchtwegaanduidingen (transparanten) hierop aangesloten zijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Flessengasinstallatie/gasflessenEen flessengasinstallatie voor verwarming of kookdoeleinden is niet toegestaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheid van flessengas voor andere doeleinden is eveneens niet toegestaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rookvrije vluchtroutes en (nood)uitgangenDe rookvrije vluchtroutes moeten altijd over de minimaal vereiste breedte zijn vrijgehouden van obstakels. Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein Op de vloeren van de rookvrije vluchtroutes zijn losliggende leidingen en snoeren niet toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een (nood)uitgangsdeur moet bij aanwezigheid van personen in het kamerverhuur- of kamerverkooppand uitsluitend zodanig zijn gesloten, dat de (nood)uitgangsdeur van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar op de bij de gebruiksvergunning kamerverhuur- of kamerverkooppand behorende tekeningen als zodanig is aangegeven, moet duidelijk zichtbaar het opschrift: \"NOODDEUR VRIJHOUDEN\" en/of \"NOODUITGANG\" zijn aangebracht, volgens NEN 6088, uitgave 2002.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Materiaalgebruik in de rookvrije vluchtrouteStoffering en versiering in rookvrije vluchtroutes moeten vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 80° bedraagt De toegepaste bekledingsmaterialen in rookvrije vluchtroutes moeten voldoen aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 1775, uitgave 1991 en NEN 1775/A1, uitgave 1997, Klasse T1 t.b.v. vloeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 6065, uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997, Klasse 2 t.a.v. overige aankleding en versiering;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 6066, uitgave 1991 en NEN 6066/A1: uitgave 1997, optische rookdichtheid &lt; 2,2/m.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AfvalAfval moet worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten containers van moeilijk brandbaar materiaal, voor zover de containers binnen het kamerverhuur- of kamerverkooppand zijn opgesteld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-410-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opslag van materialenBuiten de daartoe op de bij de gebruiksvergunning kamerverhuur- of kamerverkooppand behorende tekening(en) aangegeven ruimten mogen in het kamerverhuur- of kamerverkooppand geen grote hoeveelheden brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen aanwezig zijn. De kleine hoeveelheden zijn slechts voor eigen gebruik en zijn op doeltreffende wijze afgesloten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-411-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Periodieke controleDe exploitant draagt er zorg voor dat ten minste eenmaal per jaar door een ter zake kundige het nodige onderhoud wordt verricht en een controle wordt gehouden op de reinheid en de goede werking van en zo nodig reparaties worden verricht aan, voor zover van toepassing, onderstaande voorzieningen brandslanghaspels; draagbare brandblustoestellen; telefooninstallaties; sluitingsmechanisme van de zelfsluitende deuren; noodverlichtingsinstallatie en vluchtwegaanduidingen (transparanten); beweegbare onderdelen van (nood)uitgangen, vluchttrappen en vluchtladders.</p>\n<p class=\"lf-p\">De met controle belaste ambtenaren kunnen tijdstippen bepalen en de wijze aangeven waarop een en ander wordt beproefd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Doorlopend toezichtGedurende de tijd dat bewoners in een kamerverhuur- of kamerverkooppand aanwezig zijn, moet een voor de naleving van de gebruiksvergunning kamerverhuur of kamerkoop verantwoordelijke persoon aangewezen zijn die de aanwijzingen van de met controle belaste ambtenaren op eerste aanzegging uitvoert of doet uitvoeren Door of namens de vergunninghouder moet er doorlopend worden toegezien, dat voor zover van toepassing: rookvrije vluchtroutes of aanduidingen daarvan (transparanten), goed zichtbaar zijn; rookvrije vluchtroutes goed bereikbaar zijn; rookvrije vluchtroutes en het als verlengstuk van de vluchtroute aan te merken gedeelte van het aansluitend terrein, met de daarbij behorende deuren en (nood)uitgangen, niet versperd zijn door obstakels; rookvrije vluchtroutes worden vrijgehouden van begroeiing, sneeuw en ijs; (nood)verlichting goed functioneert; telefoons goed bereikbaar zijn; brandblusmiddelen goed bereikbaar zijn; het sluiten van rook- en/of brandwerende deuren c.q. luiken niet wordt belemmerd en dat deze voortdurend gesloten zijn; elektrische snoeren, stekkers en toestellen in goede staat verkeren; geen brandgevaarlijke situaties ontstaan door onveilig gebruik van vuur, gas en/of elektriciteit; meldpunten t.b.v. de ontruimingsalarminstallatie goed bereikbaar zijn; gebreken direct worden hersteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BrandveiligheidsinstructiesDe bewoners van een kamerverhuur- of kamerverkooppand dienen door of namens de vergunninghouder geïnstrueerd te worden in de voor hun geldende brandveiligheidsinstructies. Tevens dienen de voorschriften met betrekking tot voorkoming van brand en het beperken van ongevallen opgenomen te zijn in het huisreglement welke centraal in de woning is opgehangen Bijlage7Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979);</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met correctieblad d.d. december 1979);</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen’;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 1401-1, uitgave 1998 ‘Kunststofleidingensystemen voor vrij verval buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem’ (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig);</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven +1999 - Deel 1. Eisen (Engelstalig)’;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig)’;</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden (Engelstalig)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage8Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage9Reglement van orde van de welstandscommissie Reglement op de CommissieIn dit reglement worden de instelling, de samenstelling, de benoeming en de werkwijze van de Commissie vastgesteld. Dit reglement vindt haar juridische basis in de gemeentelijke Bouwverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing van de Commissie Benoeming van de CommissieBenoeming van de Commissie Taken Taakomschrijving Commissie Wettelijke taken Niet wettelijke verplichte taken Taakomschrijving Commissieleden Werkwijze Bouw-, Woning- en Monumententoezicht Werkwijze van de Commissie Grote en kleine commissie Openbaarheid, locatie en publicatie Commissievergadering Gemandateerde behandeling Spreekrecht Advies Jaarverslag Commissie burgemeester en wethouders vragen second opinion 1 Aanwijzing van de CommissieDe gemeente wijst de G(emeenschappelijke) R(egeling) hûs en hiem aan als Welstandscommissie De Welstandscommissie kent de volgende samenstelling: een voorzitter een secretaris, de rayonarchitect van hûs en hiem ten minste twee (monumenten-)architecten een stedenbouwkundige een gemeentelijke bouwtechnisch deskundige een burgerlid en facultatief andere disciplines, zoals bijv. landschapskunde en dergelijke welke voor een adequate beoordeling van belang worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente wijst de G(emeenschappelijke) R(egeling) hûs en hiem aan als Monumentencommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Monumentencommissie kent als vaste bezetting: een voorzitter een secretaris, de monumentenarchitect van hûs en hiem ten minste één monumentenarchitect ten minste één architect ten minste één architectuur-historicus de rayonarchitect van hûs en hiem De Commissie, functionerend als integrale Welstands- en Monumentencommissie adviseert zowel op welstandsaspecten op basis van de Woningwet 2002, als op monumentenaspecten op basis van de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke en provinciale monumentenverordening. In het geïntegreerde advies komt duidelijk naar voren welke aspecten betrekking hebben op de welstand en welke op de aanvraag om monumentenvergunning. De Commissie formuleert één gezamenlijke conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De (integrale) Commissie kent als vaste bezetting ten minste de disciplinaire samenstelling die voor een adequate beoordeling van de welstands- en monumentenaspecten relevant worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie hanteert als toetsingskader de door de gemeenteraad vastgestelde gebiedsgerichte – en objectgerichte criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">De “Regeling van de Commissie”, legt de werkwijze en samenstelling van de Commissie (Welstands- en Monumentencommissie) vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Benoeming van de CommissieDe benoeming van de voorzitter, de secretaris en de leden vindt plaats op voordracht van het Dagelijks Bestuur van de G.R. hûs en hiem door het gemeenteraden van de deelnemende gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Taken2.1 Taakomschrijving CommissieDe Commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke taken van de Commissie worden uitgevoerd op grond van de Woningwet 2002, de Monumentenwet 1988 en gemeentelijke en provinciale monumentenverordeningen. De Commissie is voorts beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Wettelijke takenToetsing van vergunningplichtige bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de welstandsaspecten van reguliere en gefaseerde aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet 2002. Regulier vergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen drie weken na behandeling van een welstandsadvies voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing van licht-vergunningplichtige bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente pleegt voor licht-vergunningplichtige bouwaanvragen als bedoeld in artikel 44, lid 2 van de Woningwet 2002 zelf de welstandstoets, maar kan in voorkomende gevallen de bouwaanvraag voorleggen aan de commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De licht-vergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen twee week na behandeling van een welstandsadvies voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.3 Niet wettelijk verplichte taken.De Commissie krijgt de opdracht om naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke Algemene plaatselijke verordening);</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgevraagd adviezen uitbrengen aan burgemeester en wethouders over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken;</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente;</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, burgemeester en wethouders en burgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing van monumentenaanvragen De Commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de monumentenaspecten verbonden aan bouwaanvragen voor monumenten. Bouwaanvragen voor monumenten worden in de regel binnen vier weken na behandeling van een integraal advies voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Taakomschrijving CommissieledenDe leden van de Commissie (voorzitter, secretaris en overige leden) worden geselecteerd op de noodzakelijk geachte materiedeskundigheid en zijn onafhankelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris, de rayonarchitect van hûs en hiem , voert onder regie van de gemeente als gemandateerd lid van de Commissie het (eerste) vooroverleg met de planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de behandeling van de adviesaanvragen in de Commissie voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter, een materiedeskundige met bestuurlijke ervaring, is verantwoordelijk voor functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij ziet ziet toe dat de Commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijke welstandsbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/gastvrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij licht de vergaderorde toe en informeert wie van de aanwezigen bij een agendapunt wil toelichten. Na de fase van de toelichtingen (secretaris/externe toelichters) wordt deze afgerond en vangt de fase van de beraadslaging aan, een fase waaraan alleen de leden van de Commissie deelnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter draagt er zorg voor dat na de inhoudelijke discussie een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven, resulterend in een conclusie. De voorzitter bewaakt de voortgang van de agenda.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter ziet er op toe dat, in het geval dat één van de leden van de Commissie op een of andere wijze een zakelijke binding heeft met een bouwplan, dit lid in voorkomend geval niet zal deelnemen aan de beraadslagingen en zo mogelijk zal worden vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het overleg met de gemeente en de pers treedt de voorzitter namens de Commissie naar buiten. De voorzitter organiseert met de Commissie een jaarlijkse inhoudelijk evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het jaarlijkse verslag van de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Werkwijze Bouw-, Woning- en Monumententoezicht De welstandsprocedure begint met een selectie van bouwplannen in licht-vergunningplichtige en vergunningplichtige bouwaanvragen. Bouw-, Woning- en Monumententoezicht toetst een bouwplan eerst op de vereisten in het bestemmingsplan en de bouwverordening. Ten behoeve van de welstands- en monumententoets beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is voorzien van de benodigde bescheiden om het te kunnen toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke gegevens nodig zijn, is vastgelegd in de AMvB “‘Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Werkwijze van de Commissie4.1 Grote en Kleine CommissieDe commissie jent een tweetal werkwijzen, één op locatie bij de gemeente (Kleine Commissie) en één op het bureau van hûs en hiem (Grote Commissie).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Openbaarheid, locatie en publicatie CommissievergaderingDe Commissie vergadert in de regel eenmaal per twee weken. De vergaderingen vinden plaats ofwel in het gemeentehuis, dan wel op een andere vaste locatie binnen de gemeente (Kleine Commissie), ofwel op het kantoor van hûs en hiem (grote commissie). De behandeling van de adviesaanvragen is openbaar, tenzij de gemeente op grond van het gestelde in de Wet Openbaarheid van Bestuur, gronden aanwezig acht om de behandeling besloten te doen plaatsvinden. De behandeling van bouwplannen in mandaat is evenzeer openbaar met dezelfde uitzonderingsclausule op grond van de Wet Openbaar Bestuur. De gemeente informeert op verzoek van de aanvrager van een bouwvergunning waar en wanneer behandeling van de Commissie plaatsvindt. Voor zoveel mogelijk zal de agenda van de Kleine Commissie op het gemeentehuis ter inzage worden gelegd en worden gepubliceerd in het lokale huis-aan-huisblad alsook onderdeel vormen van de gemeentelijke website.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hûs en hiem informeert op verzoek van de aanvrager van een bouwvergunning, van de gemeente , dan wel van andere belangstellenden waar en wanneer behandeling in de Grote Commissie plaatsvindt. De agenda voor de Grote Commissie wordt daarnaast gepubliceerd op de website van hûs en hiem.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Gemandateerde behandelingDe secretaris van de (Grote) Commissie, de rayonarchitect van hûs en hiem, die tevens de rol van voorzitter van de Kleine Commissie vervult, heeft een mandaat om adviesaanvragen betreffende bouwplannen waarvan het oordeel over de welstands-, monumentenaspecten van de Commissie als bekend mag worden verondersteld te behandelen en van een advies te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plannen kunnen onder regie van de gemeente in een vooroverleg worden besproken. Van dit vooroverleg wordt een verslag opgesteld. Dit verslag wordt openbaar bij de behandeling van de formele adviesaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 SpreekrechtTijdens de vergadering van de Commissie wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden, in die zin dat opdrachtgevers, ontwerpers, gemeentelijke vertegenwoordigers en andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld de vergadering bij te wonen en de planvoornemens toe te lichten. De Commissieleden en toelichtende partijen krijgen daarna de gelegenheid tot het stellen van vragen. Na beantwoording daarvan wordt de toelichtende fase afgesloten en vangt de beraadslaging van de Commissie aan, waarna het advies wordt geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Het adviesDe Commissie brengt heldere en goed beargumenteerde schriftelijke adviezen uit aan het College van Burgemeester en Wethouders, over de vraag of ‘het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand’ (art. 12, lid 1 Woningwet 2003). Dit wordt beoordeeld van de hand van de criteria die daartoe door de gemeenteraad zijn vastgesteld. En welstandsadvies kan de volgende conclusie hebben:</p>\n<p class=\"lf-p\">VoldoetDe Commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria en/of monumentenbelangen niet in strijd is met redelijke eisen van welstand en/of monumentenzorg. Desgewenst motiveert de Commissie haar advies schriftelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoet mitsDe Commissie is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De Commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het College het advies overneemt, krijgt de aanvrager voor zover dit nog past binnen de beschikbare vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. Burgemeester en wethouders kunnen ook besluiten om de voorwaarden van het advies op te nemen in de bouwvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoet nietDe Commissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand en/ of monumentenzorg. Een negatief standpunt houdt in dat indien het College het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend zal moeten worden gewijzigd. Adviseert de Commissie negatief dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze omvat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en/ of monumentenbelangen en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">AanhoudenDe Commissie kan het advies aanhouden – waarbij Bouw-, Woning- en Monumententoezicht aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningstermijn – wanneer meer informatie en/ of een andere toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk is. Daarnaast is er sprake van het (in formele zin) aanhouden van een advies, wanneer het een voorlopige planbeoordeling betreft, zoals van toepassing bij een zogenaamd pre-advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Jaarverslag Commissie De Commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de Commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de Commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Second opinionAlvorens een second opinion te vragen, bieden burgemeester en wethouders eerst de Commissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies, waarbij wordt aangegeven op welke punten naar de mening van burgemeester en wethouders de houdbaarheid van het advies mogelijk in het geding is. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit ter kennis van de Commissie gebracht. Bij een second opinion wordt de adviesaanvraag voorgelegd aan een elders in Nederland functionerende Commissie. De gemeente neemt daartoe contact op met de Federatie Welstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage10Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties) Leden van Toepassing Grenswaarden Omvang van bewaking Aanwezigheid Omvang van de bewaking Kwaliteit Hoogte hoogste vloer (m) Gebruiksoppervlakte (m2) Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers Aantal bouwlagen Niet automatisch Gedeeltelijk Volledig Doormelding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-262-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">2.6.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.6.4 2.6.2 2.6.2 2.6.2 2.6.2 2.6.3 2.6.3 2.6.3 2.6.3 Lid 1a 1b 1c 1d 1a 1b 1c 2 1 Woonfunctie Woonfunctie niet van een woonwagen * * * - 500 - - - - * * Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen in combinatie met permanent toezicht * * * - 1 - - - - * * Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen zonder permanent toezicht * * * - 1 - - - * - * Overig woonfunctie - - - - - - - - - - - 2 Bijeenkomstfunctie Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport - - - - - - - - - - - Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar. * * * - 200 - - - - * * * * * 2,4 - - - - - * * Overige bijeenkomstfunctie * * * - 500 - - * - - - - 250 - 1 * - - - - - - 2 * - - - - 1000 1 - - * - * - 5000 - - - - * * 5&lt;13 - 1 - - * - * 13&lt;50 - - - - * - * 50&lt;70 - - - - - * * 3 Celfunctie * * * - 1 - - - - * * 4 Gezondheidszorgfunctie Gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten * * * - 1 - - - - * * Overige gezondheidszorgfunctie * * * - 500 - - * - - - - 250 - 1 * - - - - - - 2 * - - - 20&lt;50 - - - * - - * 50&lt;70 - - - - * - * 5 Industriefunctie Lichte industriefunctie - - - - - - - - - - - Overige industriefunctie * * * - 1000 - - * - - - - 500 - 1 * - - - - - - 2 * - - - 20 - - - * - - * 6 Kantoorfunctie * * * - 500 - - * - - - - 250 - 1 * - - - - - - 2 * - - - 20&lt;50 - - - * - - * 50&lt;70 - - - - * - * 7 Logiesfunctie Logiesgebouw * * * - - - 1 * - - - 5 - - - - - * * - 250 - - - - * * Overige logiesfunctie - - - - - - - - - - - Leden van toepassing Grenswaarden Omvang van bewaking Aanwezigheid Omvang van de bewaking Kwaliteit Hoogte hoogste vloer (m) Gebruiksoppervlakte (m2) Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers Aantal bouwlagen Niet automatisch Gedeeltelijk Volledig Doormelding</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">2.6.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">2.6.4 2.6.2 2.6.2 2.6.2 2.6.2 2.6.3 2.6.3 2.6.3 2.6.3 Lid 1a 1b 1c 1d 1a 1b 1c 2 8 Onderwijsfunctie * * * - 500 - - * - - - - 250 - 1 * - - - - - - 2 * - - - 20&lt;50 - - - * - - * 50&lt;70 - -</p></div>", "next": 239715}