{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">BouwkostenBouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering op staal, alsmede de aanleg en inrichting van het schoolterrein. In het bedrag voor de vaste normkosten wordt een tweetal vergoedingen onderscheiden, te weten een vergoeding voor de ruimteafhankelijke kosten en een vergoeding voor de sectieafhankelijke kosten. De ruimteafhankelijke kosten bestaan uit bedragen per m2 bruto vloeroppervlak voor de afzonderlijke ruimtesoorten van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in bijlage III, deel B.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m2 bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen sectieafhanke-lijke kosten per project toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimteafhan-kelijke kosten per m2 bruto vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen zijn opgenomen in de onderstaande tabel met vaste bedragen per m2 bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimteafhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m2 per type ruimte van de goedgekeurde huisvestings-voorziening, berekend op basis van bijlage III, deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de vergoeding voor de sectieafhankelijke kosten geschiedt door optelling van de algemene vaste voet en de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis van bijlage III goedge-keurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor de ruimteafhan-kelijke kosten en de vergoeding voor de sectieafhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedragen voor ruimteafhankelijke kosten per bruto m2 (in euro) &lt;460 m2 460&lt;2500 m2 &gt;=2500 m2 Algemene en specifieke ruimte 1.971,30 1.169,90 1.141,88 Werkplaatsen 1.925,39 1.557,48 1.557,48 Werkplaatsen consumptief 2.338,01 1.970,11 1.970,11 Specifieke ruimte: (uiterlijke) verzorging/mode en commercie:huishoudkunde, gezondheids-kunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkplaatsen: techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek; consumptief: werkplaats consumptieve techniek; grafische techniek: werkplaats grafische techniek; landbouw: groen-praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige ruimte is algemene ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedragen voor de sectieafhankelijke kosten per voorziening (in euro) &lt;460 m2 460&lt; 2500 m2 &gt;= 2500 m2 Vaste voet algemeen 124.384,51 124.384,51 Vaste voet algemene sectie 244.157,40 340.899,58 Vaste voet werkplaats sectie 45.145,52 45.145,52 Tot de werkplaatssectie behoren de volgende werkplaatsen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, consumptieve techniek, meten, elektrotechniek, grafische techniek, installatietechniek, lasserij, mechanische techniek en motorvoertuigentechniek. De specifieke en algemene ruimten behoren tot de algemene sectie. De overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de categorie algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende normkostenBij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal aspecten, te weten fundering en bemaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport. De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de hand van de volgende formules:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2Paallengte 1 tot 15 meter € 3.625,98 € 19,03 Paallengte 15 tot 20 meter € 3.860,31 € 32,18 Paallengte 20 meter of langer € 4.309, 91 € 57,59 Uitbreiding &gt;= 1000 m2Paallengte 1 tot 15 meter € 4.427,97 € 6,67 Paallengte 15 tot 20 meter € 5.775,56 € 17,29 Paallengte 20 meter of langer € 8.770,68 € 34,97 Om in aanmerking te komen voor een aanvullend bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m2 goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding bedraagt € 12,35 per m2 terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Tijdelijke voorzieningHet vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden: nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen; huur van tijdelijke lokalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalenHet bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: € 627,29 * A + € 43.127,11 A = het toegekende aantal m2 bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huis-vesting. Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoor-ziening op nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoor-ziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huur van tijdelijke lokalenNaast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een nood-lokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van de werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van de feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilairDe toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoor-zieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheids-wege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet geschikt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruime dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige bruto vloer-oppervlakte per ruimtetype en het te realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van de in onderstaande tabel genoemde bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normbedragen inventaris per ruimtetype (in euro) Ruimtetype Functie Inventaris/m2 Algemene ruimte 141,60 Specifieke ruimte (Uiterlijke) verzorging/mode en commercie 330,95 Handel/verkoop/administratie 202,45 Praktijkonderwijs 271.82 Werkplaatsen Techniek algemeen 347,21 Consumptief 672,39 Grafische techniek 1.285,50 Landbouw 0,00 Specifieke ruimte: (uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezond-heidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie; handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren; praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken Werkplaatsen: techniek algemeen: bouwtechniek, machinale houtbewerking, meten, elektrotechniek, installatietechniek, lasserij, metaal, voertuigentechniek; consumptief: werkplaats consumptieve techniek; grafische techniek: werkplaatsgrafische techniek; landbouw: groen-praktijk; praktijkonderwijs: praktijkwerkplekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige ruimte is algemene ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Gymnastiek voortgezet onderwijsBouwkosten nieuwbouw/uitbreidingDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 774.035,26 (op het schoolterrein) respectievelijk € 789.690,57 (op afzonderlijk terrein).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimtelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paallengte 1&lt;15 meter € 15.568,86 Paallengte 15&lt;20 meter € 21.462,49 Paallengte &gt;=20 meter € 30.143,12 Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaalNaast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie door middel van mede-gebruik van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd: a.Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuur-bedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiks-duur van de gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuur-bedrag te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs onderdeel 'Vergoeding per klokuur' gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale vaste deel van de klokuurvergoe-ding dat een school voor voortgezet onderwijs moet vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huur sportveldenGedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten bedraagt € 18,76 per klokuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilairIn geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruik-neming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toege-kende gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</p>\n<p class=\"lf-p\">Meubilair L.h.m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totaal Eerste lokaal 970,81 57.891,43 58.863,29 Tweede lokaal 970,81 45.159,71 46.130,52 Derde lokaal 970,81 19.633,33 20.604,14 Oefenplaats 1 12.785,22 12.785,22 Oefenplaats 2 1.475,88 1.475,88 2. IndexeringDe in deze bijlage genoemde normbedragen zijn herleid naar het prijspeil van 1 juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsont-wikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkelijke prijsontwikkelingJaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen'; outputindex 2000 = 100 (inclusief btw), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek bouwnijver-heid' van het CBS (eventueel zou voor onderhoud kunnen worden aangesloten bij het prijsindexcijfer van de materialen in de woningbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het CBS-indexcijfer 'prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor alle huishoudens' (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programmaNaast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van vergoeding vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen voor woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoedingen gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Europese aanbesteding Voor opdrachten die vallen onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn van de Europese Unie (2004/18/EG) met daarin de volgende bedragen: a. € 193.000 excl. BTW voor leveringen en diensten b. € 4.845.000 excl. BTW voor werken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bijlage IVAlgemeenOp grond van artikel 76m, derde lid WVO, is de gemeente verplicht normen vast te stellen aan de hand waarvan de bekostiging kan worden vastgesteld voor voorzieningen onderwijshuisvesting die worden toegekend. Een aantal voorzieningen, zoals aanpassing en onderhoud, zijn gezien de enorme verscheidenheid in activiteiten niet of nauwelijks zinvol te normeren en worden over het algemeen bekostigd op basis van een offerte, nadat deze is uitgebracht en beoordeeld. Om deze reden is voor deze voorzieningen onderwijshuisvesting geen normbedrag in de verordening opgenomen. Voorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen daarentegen wel op basis van normbedragen worden bekostigd. De normbedragen zijn opgenomen in bijlage IV, welke bijlage is onderverdeeld in: deel A: vergoeding op basis van normbedragen; deel B:vergoeding op basis van feitelijke kosten; deel C: systematiek voor het berekenen en vaststellen van mede gebruikstarieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad heeft in artikel 4 van de verordening vastgelegd welke keuze is gemaakt voor het vaststellen van de hoogte van de bekostiging. In de verordening zijn in principe voor de vergoedingen voor de voorzieningen onderwijshuisvesting (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding normbedra-gen opgenomen. Voor de voorzieningen onderwijshuisvesting onderhoud, onroerende zaak belasting, schades etc. wordt verondersteld dat deze vergoedingen worden gebaseerd op de werkelijke kosten. Het staat de gemeenteraad desondanks vrij andere keuzes te maken voor het vaststellen van de hoogte van de bekostiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel A Vergoeding op basis van normbedragen Procentuele normvergoeding voor bouwvoorbereidingIn de artikelen 3, 4 en 25 t/m 28 van de verordening is de mogelijkheid opgenomen om een vergoeding voor bouwvoorbereiding toe te kennen. In de toelichting bij deze artikelen is aangegeven dat de vergoeding voor bouwvoorbereiding geen voorbereidingskrediet is, dat onderdeel uitmaakt van de genormeerde bedragen die zijn opgenomen in deel A van bijlage IV. Desondanks is het mogelijk dat in het proces van bouwvoorbereiding gewerkt wordt aan een bouwplan voor een nieuwe schoolaccommodatie. In die situatie maken de ontwerpkosten wel onderdeel uit van de totale investeringskosten van het schoolgebouw en moet bij het vaststellen van de definitieve vergoeding het reeds geïnvesteerde in mindering worden gebracht op de genormeerde vergoeding voor de uiteindelijke realisering van de voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normbedrag nieuwbouw/uitbreidingDe vergoeding voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw in het voortgezet onderwijs is genormeerd. Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt onderscheid gemaakt tussen ruimteafhankelijke kosten (lokaalspecifiek) en sectieafhankelijke kosten (sectiespecifiek).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het berekenen van de normvergoeding van de investeringskosten is het noodzakelijk het aantal vierkante meters BVO te berekenen voor een nieuw te bouwen school of waarmede de verschillende ruimtesoorten moeten worden uitgebreid of teruggebracht. Deze berekening vindt plaats in bijlage IIIC, bepalen van de ruimtebehoefte. Het berekende aantal m2 waarop de school voor voortgezet onderwijs per ruimteafhankelijke of sectieafhanke-lijke ruimte aanspraak maakt wordt voor het vaststellen van de bekostiging vermenigvuldigd met het bedrag van vierkante meter BVO. Door sommering van deze positieve en negatieve bedragen wordt het totaal bedrag aan norm-vergoeding voor investeringskosten/inventaris verkregen. Dit bedrag per vierkante meter BVO verschilt overigens per omvang van de goed te keuren uitbreiding of nieuwbouw. Bij het in de vorige alinea berekende bedrag moeten vervolgens ook nog de vergoedingen voor de sectieafhankelijke en de aanvullende kosten worden opgeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van de noodzaak aanvullende vergoedingen worden toegekend voor bijv. fundering, inrichting van het terrein en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normbedrag tijdelijke voorzieningEen tijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van tijdelijke accommodatie, uitbreiding van een bestaande (accommodatie) dan wel door middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een tijdelijke voorziening kan betrekking hebben op een noodgebouw, maar ook op een semi-permanent gebouw). Bij de afweging tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting kunnen aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt het volgende onderscheid gemaakt: tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw) tijdelijke lokalen voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw tijdelijke lokalen voor het uitbreiden van een bestaande (nood)accommo- datie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de op basis van bijlage III goedgekeurde oppervlakte kan door middel van de formule het investeringsbedrag worden berekend. Dit investerings-bedrag omvat tevens alle bijkomende kosten, zoals eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke. Voor het beant-woorden van de vraag of tijdelijke huisvesting in plaats van permanente huisvesting of huur wenselijk is kan het zinvol zijn een vergelijking te maken tussen: de kosten van tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente voorziening; de kosten van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide situaties kan de uitkomst mogelijk tot de conclusie leiden dat of permanente bouw wordt toegekend (gelet op de lange termijn waarvoor de voorziening noodzakelijk is), of dat een huurvergoeding wordt toegekend (als de voorziening voor een korte termijn noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normbedragen eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair/ leer- en hulpmiddelenDe vergoeding voor het voortgezet onderwijs wordt berekend door het tekort of overschot per ruimtesoort te vermenigvuldigen met het normatieve bedrag per m2 wat voor deze ruimten is opgenomen. Dit betekent dat per ruimte het verschil moet worden vastgesteld tussen: oude bvo en nieuwe bvo de normatieve bekostiging oude en nieuwe situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huidige capaciteit Nieuwe capaciteit Verschil Totaal bvo ...... m2 ...... m2 ..... m2 -BVO specifieke ruimte handel/verkoop administratie &gt; oud netto m2 x 1,67 ..... m2 &gt; nieuw netto m2 x 1,67 ..... m2 ..... m2 -BVO specifieke ruimte (uiter- lijke) verzorging/mode en commercie &gt; oud netto m2 x 1,67 ..... m2 &gt; nieuw netto m2 x 1,67 ..... m2 ..... m2 -BVO werkplaatsen techniek algemeen &gt; oud netto m2 x 1,38 ..... m2 &gt; nieuw netto m2 x 1,38 ..... m2 ..... m2 -BVO werkplaatsen grafische techniek &gt; oud netto m2 x 1,38 ..... m2 &gt; nieuw netto m2 x 1,38 ..... m2 ..... m2 -BVO werkplaatsen landbouw &gt; oud netto m2 x 1,38 ..... m2 &gt; nieuw netto m2 x 1,38 ..... m2 ..... m2 -BVO werkplaatsen AMVB &gt; oud netto m2 x 1,67 ..... m2 &gt; nieuw netto m2 x 1,67 ..... m2 ..... m2 -BVO werkplaatsen consump- tief &gt; oud netto m2 x 1,38 ..... m2 &gt; nieuw netto m2 x 1,38 ..... m2 ..... m2 = Algemene ruimte ... m2 ..... m2 ..... m2 ..... m2 Op basis van de uitkomst van de berekening kan worden vastgesteld of de school voor voortgezet onderwijs in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging. Aanvullende bekostiging is niet in alle gevallen noodzakelijk: als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen voor dure ruimte (bijv. werkplaatsen of specifieke ruimte) wordt het verschil in inventariskosten gecompenseerd; als een school een werkplaats of specifieke ruime ombouwt tot algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt de school gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie zich voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens de verordening aanspraak maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van belang is dit verschil te registreren om te voorkomen dat als de omgekeerde situatie zich weer voordoet de school een aanvraag indient voor aanvullende bekostiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normbedragen lokalen bewegingsonderwijsVoor het vaststellen van de bekostiging van de lokalen bewegingsonderwijs in het voortgezet onderwijs wordt de bestaande capaciteit vergeleken met de normatieve capaciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normbedrag grondkostenDe gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle kosten die verband houden met het bouw- en woonrijpmaken (aankoop, aanleggen, riolering, bestrating etc) voor rekening van de gemeente komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">PrijsindexeringDe vastgestelde normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De keuze van indexcijfer is vrij. Het is echter wel van belang deze keuze in de verordening vast te leggen. De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragen voor de voor-zieningen onderwijshuisvesting nieuwbouw, uitbreiding, tijdelijke voorziening, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair en gymnastiek worden jaarlijks aangepast op basis van het MEV-prijsindexcijfer dat gelijktijdig met de miljoenennota wordt gepubliceerd. Alle genoemde bedragen zijn herleid tot het prijspeil 1 juli 2006. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen kan tegelijkertijd plaatsvinden met het vaststellen van het programma en overzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In plaats van het hanteren van de MEV-cijfers kan voor de jaarlijkse indexering gebruik worden gemaakt van de volgende alternatieven: -de inflatiecomponent zoals deze wordt gehanteerd bij het vaststellen van de Gemeentebegroting; -het percentage waarmee het Gemeentefonds jaarlijkse wordt aangepast (accres) of -het percentage waarmee het ministerie van OCW jaarlijks het onderdeel 'materiële instandhouding' in de lump sum bekostiging aanpast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel B. Vergoeding op basis van feitelijke kostenNaast de in deel A opgenomen genormeerde vergoedingen kent de verordening bekostiging van voorzieningen onderwijshuisvesting waarvoor geen genormeerde vergoeding is opgenomen, t.w.: verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen; herstel van schade; kosten van bouwvoorbereiding; gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw; aankoop van terreinen; huur van lokalen bewegingsonderwijs van derden huur van bestaande gebouwen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is aan de gemeenteraad op lokaal niveau vast te stellen voor welke voorzieningen een genormeerde bekostiging of een bekostiging op basis van feitelijke kosten wordt toegekend. Bij het toekennen van bekostiging op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels, zoals vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard niet voor aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze voorzieningen worden de overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procedure vergoeding op basis van feitelijke kostenBekostiging op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de bekostiging wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit te voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de aanvrager deze kostenraming bij de aanvraag te voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vaststellen van het bedrag dat op het programma wordt opgenomen wordt deze kostenraming beoordeeld en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd. Dit bedrag wordt na vaststelling van het programma in de beschikking voor de aanvrager vermeld. Dit bedrag is echter geen taakstellend budget (er kunnen derhalve geen rechten aan worden ontleend).</p>\n<p class=\"lf-p\">De daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan de hand van de laagste geoffreerde prijs. Dat kan derhalve leiden tot meer- of minderkosten ten opzichte van de raming. Deze meer- of minderkosten hebben geen invloed meer op de voorzieningen, die op het reeds vastgestelde programma en overzicht zijn geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">AanbestedingsregelsVoor het vaststellen van de bekostiging op de laagst geoffreerde prijs moet het schoolbestuur op zorgvuldige wijze de reguliere aanbestedingsprocedure volgen. Ondanks dat het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de gemeente, met het oog op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming, eisen stellen aan de door het schoolbestuur te volgen aanbestedings-procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van aanbesteding komt aan de orde in het in artikel 15 van de verordening bedoelde overleg tussen aanvrager en gemeente. Een aanbestedingsprocedure heeft tot doel de rechtsverhouding tussen opdrachtgever enerzijds en de gegadigde(n) voor de opdracht anderzijds goed te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er van een eigen gemeentelijk aanbestedingsbeleid sprake is, kan dit beleid van toepassing worden verklaard op opdrachten in het kader van deze verordening. Voorzover hierover in de gemeente nog niets is geregeld, verdient het aanbeveling om het UAR 1986 op de opdrachten in het kader van de onderwijshuisvesting van toepassing te verklaren. Het UAR 1986 biedt een viertal mogelijke aanbestedingsprocedures, die afhankelijk van de omvang van de opdracht en de lokale omstandigheden kunnen worden toegepast, te weten: de openbare aanbesteding: de aanbesteding wordt algemeen bekend gemaakt en ieder gegadigde kan een offerte indienen; de aanbesteding met voorafgaande selectie: de aanbesteding wordt algemeen bekend gemaakt en gegadigden kunnen zich melden. Een beperkt aantal geselecteerde gegadigden wordt uitgenodigd een offerte in te dienen; de onderhandse aanbesteding: voor de aanbesteding wordt een beperkt aantal gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om offerte uit te brengen; en de onderhandse aanbesteding na selectie: voor de aanbesteding wordt een beperkt aantal gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om deel te nemen aan een selectie. De geselecteerde gegadigde wordt uitgenodigd offerte uit te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aspecten die een rol kunnen spelen bij de keuze voor een van de procedures een rol spelen zijn bijvoorbeeld: de openbaarheid; de optimale prijsvorming door concurrentie; de kwaliteit van de aannemer; de kostendeskundigheid van de opdrachtgever; de mogelijkheden tot adequate directievoering van de opdrachtgever; en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kleine en middelgrote projecten verdient het aanbeveling de procedure van de onderhandse aanbesteding dan wel de procedure van aanbesteding met voorafgaande selectie te volgen. Bij grote projecten, onder het EG-drempelbedrag, ligt de procedure van de openbare aanbesteding het meest voor de hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze in het UAR 1986 aangegeven mogelijkheden van aanbesteding, kan er ook op basis van enkelvoudige uitnodiging worden gegund. Bij enkelvoudige aanbesteding wordt vooraf een gegadigde, bijvoorbeeld een plaatselijke aannemer, uitgezocht en gevraagd offerte uit te brengen. Bij enkelvoudige aanbesteding wordt derhalve afgezien van mogelijke voordelen van concurrentie en brede oriëntatie op de markt. Enkelvoudige aanbeste-ding vraagt tevens grote kostendeskundigheid van de opdrachtgever om tot reële prijsvorming te komen. Ook moeten bij enkelvoudige aanbesteding de afspraken schriftelijk worden vastgelegd bij de gunning, bijvoorbeeld ten aanzien van termijnen, afstandsverklaring en dergelijke. Met de mogelijkheid van de enkelvoudige uitnodiging moet zeer terughoudend worden omgegaan. Slechts bij zeer kleine opdrachten, dan wel bij zeer gespecialiseerde werkzaamheden kan overwogen worden van de enkelvou-dige uitnodiging gebruik te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel C. Bepaling medegebruikstarievenMedegebruik van ruimten in een schoolgebouw is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen. Als medegebruik plaatsvindt, is het aan de schoolbesturen onderling afspraken te maken over een aantal zaken, waaronder ook de vergoeding die de medegebruikende school aan de eigenaar geeft. Als over de vergoeding voor medegebruik geen overeenstem-ming ontstaat, kan de gemeente de hoogte van de vergoeding vaststellen. Voor het medegebruiktarief dat de gemeente hanteert wordt uitgegaan van de vergoeding voor de gebouwafhankelijke kosten, zoals gas, water, licht en dergelijke die het schoolbestuur van het rijk ontvangt als onderdeel van de materiële instandhouding voor het basisonderwijs. Deze vergoeding van het rijk aan het schoolbestuur is voor het jaar 2008 vastgesteld op € 4.298,--. Dit bedrag wordt in het bekostigingsstelsel gehanteerd voor elke groep vanaf groep zeven. Dit bedrag is tevens van toepassing voor medegebruik in het voortgezet onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage V. Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen1. Volgorde van hoofdprioriteitenHuisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen; voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs; voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding inhouden; voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede hoofdprioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 3Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 4 Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteitenVervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onder lesruimten vallen: theorielokalen/lokalen, vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder niet lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking: als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen; vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen; vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; vervolgens die voorziening aan een thorielokaal/leslokaal waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiek-ruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; vervolgens die voorziening aan een niet lesruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking: als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiek-ruimte dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; vervolgens de voorziening aan een niet-lesruimte die niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4. Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor plaatsing op het programma in aanmerking: als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal groepen leerlingen het hoogst is. vervolgens de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is; vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen/gymnastiek-ruimten waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is; vervolgens de voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt het hoogst is; vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard, waarbij de ouderdom van het niet aangepaste gebouw het hoogste is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bijlage VBijlage V is van toepassing als het college een bekostigingsplafond heeft vastgesteld (artikel 11 lid 1 van de verordening voorzieningen onderwijs-huisvesting) en dit bekostigingsplafond niet voldoende is om alle aangevraagde voorzieningen onderwijshuisvesting, die voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I tot en met IV, toe te kennen. Als het vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is moeten prioriteiten worden gesteld. Op grond van de onderwijswetten is de gemeenterad verplicht urgentiecriteria vast te stellen, zodat voor het vaststellen van de prioriteiten een eenduidige wijze, ook dor de schoolbesturen te controleren, systematiek wordt gehanteerd. De urgentiecriteria worden toegepast voordat het programma door het college wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan het bekostigingsplafond als één integraal budget voor alle drie de onderwijssectoren tezamen vaststellen, of voor iedere onderwijs-sector afzonderlijk. Ook is het mogelijk het bekostigingsplafond op voorzieningenniveau (bijv. nieuwbouw en onderhoud) vast te stellen. De keuze om één integraal budget vast te stellen en dus geen onderscheid te maken in onderwijssectoren en voorzieningen betekent dat een integrale afweging voor alle aangevraagde voorzieningen onderwijshuisvesting mogelijk is. Deze systematiek (één integraal budget) is in de verordening opgenomen. Besluit de gemeenteraad om (deel)budgetten vast te stellen dan moet deze systematiek worden opgenomen in de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vaststellen van het bekostigingsplafond moet het college rekening houden met een wettelijke plicht om te zorgen voor voldoende en adequate onderwijshuisvesting. De zorg voor voldoende en adequate huisvesting betekent volgens de wet concreet dat het vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat: elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden (medegebruik/ nieuwbouw/uitbreiding; blijvend of tijdelijk) en vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten, constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van het onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit uitgangspunt betekent dat de voorzieningen die een relatie hebben met a en b, als ze voldoen aan de gestelde criteria en voor bekostiging in aanmerking komen, altijd moeten worden toegekend los van het feit of het bekostigingsplafond het op dat moment toelaat of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat eerst de aanvragen voorzieningen onderwijshuisvesting die betrekking hebben op deze voorzieningen moeten worden toegekend en dat voor het honoreren van de daarna resterende aanvragen, de minder urgente voorzieningen, het restantbudget beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Exacte en daarmee correcte toepassing van de uitgangspunten van bijlage V is zeer belangrijk, omdat de aandacht vooral zal uitgaan naar de voorzie-ningen waarvoor het bekostigingsplafond niet voldoende meer is. Met de in bijlage V gehanteerde indeling in hoofd- en subprioriteiten is het mogelijk te motiveren waarom een aanvraag om budgettaire redenen wordt afgewezen. Deze motivering is van belang om in beroep een besluit te kunnen handhaven. Dit betekent gelijktijdig dat het noodzakelijk is de criteria die de volgorde bepalen, niet alleen eenduidig vast te leggen maar ook in de uitvoering aan de criteria strikt de hand te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indeling in hoofdprioriteiten en subprioriteiten heeft tot doel om ook binnen de hoofdprioriteit keuzes te maken als twee of meer aanvragen zijn ontvangen die voor bekostiging in aanmerking komen. Te denken valt aan bijvoorbeeld een aanvraag om uitbreiding van een schoolgebouw en een aanvraag om uitbreiding van een schoolgebouw waarbij een ander school-gebouw wordt afgestoten. Door binnen de hoofdprioriteit te werken met subprioriteiten is het mogelijk vast te stellen welke aanvraag als eerste op het programma wordt geplaatst. De volgorde van subprioriteiten is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te keuren voorzieningen. In de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen niet nodeloos gecompliceerd te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente prioriteit wil geven aan een bepaald beleid, dan moet dit in de systematiek van de verordening tot uitdrukking komen door de urgentie-criteria van de verordening aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder volgt een korte toelichting op de indeling van hoofd- en subprioriteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toekennen van aanvragen voor nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen hebben over het algemeen uitbreiding van capaciteit tot gevolg. Voor het berekenen van de prioriteit wordt voor de uitbreiding van de capaciteit het relatieve aandeel berekend, ongeacht de onderwijssector, de benodigde oppervlakte en de kosten. De prioriteit wordt dus in een percentage uitgedrukt en dit percentage is dus hoger naarmate de voorziening bestemd is voor een groter deel van de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van individuele nieuwbouw en uitbreidingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de fase van de beoordeling moet scherp gelet worden op de noodzake-lijkheid van elk van de in de herschikking gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor individuele aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de onderdelen gemaakt. Dit betekent dat voor het vaststellen van het onderhoudsniveau enerzijds een bouwkundig onderzoek noodzakelijk is, maar anderzijds dat voor het bouwkundig onderzoek gewerkt moet worden met dezelfde uitgangspunten. Op deze wijze kunnen de scores van het bouwkundig onderzoek op een éénduidige wijze worden gehanteerd bij het beoordelen van de noodzaak van de gevraagde voorziening. De voorziening 'onderhoud' die in de slechtste conditie wordt als eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3 is een volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw een zekere mate van onder- houd/ aanpassingen nodig heeft en -vervolgens voorzieningen voor (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige ruimten/niet lesgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen (bijvoorbeeld Bouwbesluit, Arbo, brandweereisen) vallen onder hoofdprioriteit 3. Voor zover sancties dreigen, die leiden tot sluiting van het schoolgebouw op korte termijn indien niet aan het vereiste wordt voldaan, is er sprake van een voorziening die spoedeisend is. Zoals in te toelichting op bijlage I is vermeld geldt voor het toekennen van bekostiging voor deze aanpassingen de volgende criteria: nieuwe wet- en regelgeving moet tot stand zijn gekomen na 1januari 1997 en -het schoolbestuur moet niet op een andere wijze bekostiging voor de voorzieningen hebben ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De bekostiging van aanvragen in relatie met nieuwe onderwijskundige inzichten vindt in beperkte mate plaats. Op het moment dat nieuwe onderwijskundige inzichten tot gevolg hebben dat uitbreiding van de bestaande capaciteit noodzakelijk is, wordt deze uitbreiding veelal verwerkt in een aanpassing van de tabellen in bijlage III (minimum bruto vloeroppervlakte). Op deze wijze zijn o.a. de maatregelen 'verkleinen groepsgrootte in de onderbouw van het basisonderwijs' en 'invoeren studiehuis in het voortgezet onderwijs' in de tabellen verwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvatting urgentiecriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdprioriteiten Subprioriteiten Rangorde bepaling door 1.capaciteitstekorten a.met herschikking b.zonder herschikking c.bij gymnastiekruimten percentage capaciteitstekort percentage capaciteitstekort percentage capaciteitstekort 2.adequaat onderhoudsniveau a.gebouw b.theorie-/leslokaal c.vak-/speellokaal/gymnas- tiekruimte d.niet lesruimte e.overige ruimte score bouwk. kwaliteit score bouwk. kwaliteit score bouwk. kwaliteit score bouwk. kwaliteit score bouwk. kwaliteit 3.voldoen aan wettelijke verplichtingen a.gebouw b theorie-/leslokaal c vak-/speellokaal/gymnas- tiekruimte d niet lesruimte e overige ruimte score bouwk. kwaliteit score bouwk. kwaliteit score bouwk. kwaliteit score bouwk. kwaliteit score bouwk. kwaliteit 4.nieuwe onderwijskundige inzichten a voor theorie-/leslokalen b voor vak//peellokalen/ gymnastiekruimten c overige (toekomstige) onderwijsruimten d herstel/vervanging schade in bijz. omstandigheden voor zover niet spoedeisend e.overige activiteiten percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt mate van ernst van de schade in bijzondere omstandig-heden voor zover niet spoedeisend ouderdom van het gebouw Toelichting Artikelsgewijze toelichting \"Verordening huisvestingsvoorzieningen onderwijs\"Wettelijk uitgangspunt - gelijke behandelingUitgangspunt van de wet is dat het college bij uitvoering van de huisvestings-taak het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet behandelt. Dit uitgangspunt is opgenomen in de verordening en betekent dat het college bij de te nemen beslissingen over de voorzieningen onderwijshuisvesting voor alle schoolbesturen dezelfde normen, criteria etc. toepast. Daarnaast geldt voor het openbaar en bijzonder onderwijs ook dezelfde (aanvraag)procedure.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-40\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsbepalingenDe begripsbepalingen hebben betrekking op een omschrijving van de begrippen die in de diverse artikelen van de verordening worden gehanteerd</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de begripsomschrijvingen is bekend wat onder bijv. minister en bevoegd gezag wordt verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de begripsbepalingen is ervoor gekozen om onder de begripsomschrijving van 'bevoegd gezag' en 'aanvrager' alle schoolbesturen te vatten die een volgens de wet bekostigde onderwijsvoorziening in stand houden die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, dislocatie). Als het college het bevoegd gezag van een openbare school is (= integraal bestuur) en een voorziening onderwijshuisvesting wenst, moet het college dus dezelfde procedures en termijnen als een bestuur van een bijzondere school, een bestuurscommissie ex artikel 82 van de Gemeentewet of een openbaar lichaam dat krachtens een gemeenschappelijke regeling een openbare school in stand houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bestuurspraktijk is dit geen unieke situatie. Ook bij de realisering van een gemeentelijk project (bijv. gemeentehuis) moet het college bij zichzelf een verzoek om een bouwvergunning indienen. Dit betekent dat het college altijd aan anderen (de raad, besturen van niet door de gemeente in stand gehouden scholen) moet kunnen aantonen dat men de 'eigen' aanvragen ook daadwerkelijk in alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere aanvragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving voorzieningen in de huisvestingIn artikel 2 zijn de voorzieningen onderwijshuisvesting opgenomen die door het bevoegd gezag bij het college kunnen worden aangevraagd en die door het college kunnen worden toegewezen. Deze voorzieningen zijn gelijk aan de voorzieningen die in de afzonderlijke onderwijswetten zijn opgenomen Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst, maar die niet onder de omschrijving van dit artikel zijn opgenomen vallen buiten het bereik van deze verordening. Het college kan alleen al op deze grond een dergelijke voorziening, als deze is aangevraagd, weigeren. Dit sluit ook aan op de in de wet opgenomen grond voor weigering van een voorziening: een voorziening wordt geweigerd indien het geen voorziening in de huisvesting is in de zin van de wet (zie bijvoorbeeld artikel 76k WVO).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 2 opgenomen voorzieningen onderwijshuisvesting hebben zodoende een limitatief karakter. Het college kan het aantal voorzieningen onderwijshuisvesting dus niet inperken. In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende voorzieningen te bekostigen. Deze aanvullende voorzieningen maken echter geen onderdeel uit van de voorzieningen onderwijshuisvesting en voor de bekostiging van deze voorzieningen moet een andere juridische basis worden vastgesteld (bijv. beleidsregel of via de verordening financiële en materiële gelijkstelling) Vooralsnog is in de gemeente Zeewolde niet gekozen voor uitbreiding van het aantal activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs. Hierbij geldt als aanvullende voorwaarde dat uitbreiding niet eerder plaatsvindt dat nadat een drempelwaarde is overschreden. Voor het voortgezet onderwijs moet het aantal leerlingen zodanig zijn toegenomen dat een uitbreiding van minimaal 10% van de aanwezige bruto vloeroppervlakte noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingebruikneming heeft betrekking op het in gebruik geven van een 'bestaand gebouw of een gedeelte daarvan'. Het kan daarbij gaan om zowel een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft, maak ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikneming van een niet-onderwijsgebouw wordt het gebouw bestemd voor onderwijsdoeleinden. Het in gebruik geven van een gebouw is niet gelijk aan medegebruik, zie 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplaatsing heeft in principe uitsluitend betrekking op die lokalen waarvan het vanwege de aard van het gebouw mogelijk is deze te verplaatsen. Dit betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in noodlokalen of semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als terrein daadwerkelijk voor het realiseren van de (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding van een onderwijsgebouw noodzakelijk is, wordt de noodzakelijke grond toegekend als een voorziening onderwijshuisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">6/7. Leer- en hulpmiddelen wordt uitsluitend toegekend bij nieuwbouw en uitbreiding van een school (aantal groepen). Bij fusies van scholen worden leer- en hulpmiddelen uitsluitend toegekend als het aantal groepen op de gefuseerde school groter is dan het aantal groepen dat tot het moment van fusie op de afzonderlijke scholen was ingeschreven. Medegebruik is het gebruik van lokalen in een schoolgebouw dat bij een bevoegd gezag in gebruik is, maar waar leegstand aanwezig is. Voor medegebruik komen over het algemeen niet in aanmerking de schoolge-bouwen van het (voortgezet) speciaal onderwijs. Medegebruik heeft ook betrekking op het gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs dat niet in eigendom is van een school (bijvoorbeeld medegebruik in een gemeente-lijke accommodatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b Herstel van constructiefoutenVoor het begrip constructiefouten is een 'definitie' die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere procedure en worden de urgentiecriteria en de financiële weigeringsgrond gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad c Herstel in verband met schade In de wet is als voorziening onderwijshuisvesting het begrip 'bijzondere omstandigheden' opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet verder uitgewerkt omdat 'bijzondere' omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. In de onderwijswetten is wel bepaald dat het college een voorziening onderwijshuisvesting kan weigeren als de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bekostigen van 'herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw' geldt de reguliere procedure van het programma, tenzij de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd (bijv. inbraakschade of brand). Dit betekent dat per geval moet worden beoordeeld of de reguliere procedure kan worden toegepast, of dat het noodzakelijk is dat de spoed-procedure wordt toegepast. Voor kleine schadegevallen (bijvoorbeeld glasschade) als onderwijsdeel van de spoedprocedure, is een afzonderlijke procedure vastgesteld. Hierbij is aansluiting gezocht bij de wijze waarop de verzekeringsmaatschappij de schademeldingen afwikkelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad e Huur van een sportterreinOnder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B onder 3.7.2. kan aan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs een vergoeding worden toegekend voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten gedurende een periode van maximaal acht weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bouwvoorbereiding voorzieningenHet toekennen van 'bouwvoorbereiding voorzieningen' heeft betrekking op de kosten die moeten worden gemaakt om een aanvraag voor de bekostiging van een voorziening onderwijshuisvesting (financieel) voor te bereiden. Het beschikbaar stellen van 'bouwvoorbereiding voorzieningen' heeft in principe betrekking op een onderzoek naar mogelijkheden voor huisvesting en betekent niet dat de uitkomst van het onderzoek ook daadwerkelijk leidt tot het indienen van een aanvraag voor bekostiging. Deze onderzoekskosten maken over het algemeen onderdeel uit van een breder onderzoek (bijv. planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen). De kosten 'bouwvoor-bereiding voorzieningen' maken zodoende in eerste instantie geen onderdeel uit van de investeringskosten (normbedragen), tenzij gedurende het onderzoek ook een bouwplan wordt ontwikkeld. Als gedurende het onder-zoek een bouwplan voor een voorziening onderwijshuisvesting wordt ontwikkeld worden die kosten in mindering gebracht op het investerings-bedrag dat aan het schoolbestuur beschikbaar wordt gesteld. Een bouwvoor-bereidingskrediet is dus wat anders dan een voorbereidingskrediet dat een schoolbestuur eventueel bij het college kan aanvragen op het moment dat de aangevraagde voorziening is opgenomen op het programma dat het college heeft vastgesteld Artikel 3 heeft een relatie met de artikelen 25 tot en met 28 (hoofdstuk 4) van de verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling vergoeding voorzieningenArtikel 4 regelt de wijze van bekostiging van de voorzieningen onderwijs-huisvesting, die zijn opgenomen in artikel 2, zoals die door het college worden vastgesteld (het z'gn. 'kapstok-artikel'). Om de hoogte van de bekostiging vast te stellen zijn in de verordening twee mogelijkheden opgenomen, t.w. bekostiging op basis van 1.normbedragen (normatieve bekostiging) De keuze voor normbedragen ligt voor de hand voor die voorzieningen onderwijshuisvesting, waarvan de kosten vooraf te normeren zijn. Hierbij kunnen worden betrokken de voorzieningen onderwijshuisves-ting waarvoor in bijlage IV, deel A, van de verordening een normvergoe-ding is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.feitelijke kosten De keuze voor feitelijke kosten ligt voor de hand voor die voorzieningen onderwijshuisvesting, waarvan de kosten niet of nauwelijks vooraf te normeren zijn. Hierbij kan worden betrokken het gegeven dat in bijlage IV, deel A, van de verordening geen normvergoeding is opgenomen voor de volgende voorzieningen onderwijshuisvesting: verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen; herstel van constructiefouten; herstel en vervanging in verband met schade; aanpassingen aan gebouwen; gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw; aankoop van terreinen ten behoeve van de realisering van een huis- vestingsvoorziening; huur van bestaande andere, niet-onderwijsgebouwen; kosten van bouwvoorbereiding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeenteraad besluit dat voor de overige voorzieningen onder-wijshuisvesting een normbedrag beschikbaar wordt gesteld moet de gemeenteraad voor deze voorzieningen een genormeerde vergoeding vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeenteraad besluit in de verordening op te nemen dat: het normbedrag beschikbaar wordt gesteld heeft het bevoegd gezag in principe aanspraak op bekostiging van het volledige bedrag, onafhankelijk van de werkelijke kosten; dit betekent dat mogelijk aanvullende afspraken moeten worden gemaakt voor de situaties dat de werkelijke kosten hoger of lager zijn dan het normbedrag; de bekostiging wordt gebaseerd op de feitelijke kosten, dan wordt het bedrag van de bekostiging vastgesteld op basis van ontvangen offertes, de zgn. offertelijn, zie ook artikel 15 lid 1 en vervalt, voor zover van toepassing, in principe bijlage IV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">InformatieverstrekkingDit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen onderwijs-huisvesting op een verantwoorde wij te kunnen uitvoeren (zie bijvoorbeeld artikel76w WVO) Het college bepaalt vooraf welke informatie noodzakelijk is. Om de noodzakelijke informatie op een eenduidige wijze te ontvangen is het noodzakelijk dat het college een inlichtingenformulier vaststelt. Op dit formulier kan worden opgenomen dat het schoolbestuur de volgende gegevens verstrekt: gegevens schoolbestuur (o.a. naam en adres voorzitter en secretaris en bankrekeningnummer); gegevens school (o.a. naam school, naam directeur, adres school, telefoonnummer); bruto vloeroppervlakte schoolgebouw; aantal leerlingen (gegevens jaarlijkse teldatum); medegebruik/verhuur;</p>\n<p class=\"lf-p\">In een normale situatie beschikt het college over deze gegevens en wijzigen de gegevens uitsluitend als er een mutatie plaatsvindt. Om de gegevens 'up to date' te houden is het daarom noodzakelijk dat het college aan het school-bestuur jaarlijks een wijzigingsformulier verstrekt. Op het formulier kan het college vooraf de bij het college bekende gegevens invullen en wordt het bevoegd gezag verplicht uitsluitend de wijzigingen te vermelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indiening aanvraagArtikel 6 gaat uit van het indienen van een aanvraag voor het programma en niet voor het overzicht. Achtergrond van deze 'beperking' is dat de wetgever aan het overzicht geen functie toekent (zie artikel 76c WVO). Bij de parlementaire behandeling is daarover het volgende opgemerkt: 'Het overzicht bevat slechts een verzameling van afgewezen aanvragen van niet door de gemeente in stand gehouden scholen en gewenste huisvestingsvoorzieningen van door de gemeente in stand gehouden scholen die niet in het eerste jaar kunnen worden gerealiseerd. De plaatsing op het overzicht kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het feit dat het voor nieuwe voorzieningen vastgestelde budget niet toereikend is dan wel dat de aangevraagde voorziening geen huisvestingsvoorziening in de zin van de wet en/of gemeentelijke verordening is. De enige reden dat bedoeld overzicht dient te worden gepubliceerd, is informatieverstrekking van scholen om te kunnen inschatten of een aanvraag in een volgend jaar een kans van slagen heeft. Het is derhalve niet bedoeld als huisvestingsplan.' (TK 1995 1996, 24 455, nr.7) In de verordening is als datum voor het indienen van de aanvraag opgenomen 1 februari. Deze datum is zodanig gekozen dat het college voldoende voorbereidingstijd heeft voor een zorgvuldige procedure tot het moment dat het programma wordt vastgesteld (streven naar uiterlijk 31 december).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het bevoegd gezag de aanvraag niet tijdig indient, geldt een sanctie: deze aanvraag wordt door het college niet in behandeling genomen. Dit betekent dat de te laat ontvangen aanvraag niet door het college wordt betrokken bij de verdere voorbereiding van het programma en het overzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6 gaat uit van het indienen van een aanvraag en bevat geen clausule dat geen aanvraag moet worden ingediend als de gemeente en schoolbestu-ren een meerjarig huisvestingsbeleid zijn overeengekomen (het zgn. 'consensusmodel').</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconstateerd kan worden dat de wetgever geen kaders heeft willen stellen of instrumenten in de wet heeft opgenomen waarmee een gemeente schoolbesturen kan 'dwingen' om ten aanzien van de huisvesting te handelen in het licht van een meerjarig perspectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent niet dat de gemeente en schoolbesturen op lokaal niveau geen afspraken kunnen maken over een voortschrijdende meerjarige planning voor de voorzieningen onderwijshuisvesting, waarbij een koppeling kan worden gelegd met de gemeentelijke meerjarenbegroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een meerjarenplanning kan gebaseerd zijn op: een inventarisatie van de toekomstige ontwikkelingen die van invloed (kunnen) zijn op de voorzieningen onderwijshuisvesting (leerling-prognoses; woningbouwplanning; verschuiving in leerlingstromen en voedingsgebieden; meerjarige onderhoudsplannen e.d.); de gehanteerde prioritering, waarbij het vermoedelijke jaar van bekosti-ging is vastgesteld en; een koppeling met de financiële mogelijkheden in het kader van de meerjarenbegroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraagLid 1Uitgangspunt is dat gewerkt wordt met een aanvraagformulier. Het is van belang dat het college hiervoor een standaardformulier vaststelt. Op deze wijze worden de noodzakelijke gegevens, die in dit lid zijn genoemd, op een eenduidige wijze ontvangen. Dit kan bijvoorbeeld de onderlinge vergelijk-baarheid van aanvragen verbeteren Lid 2Lid 2 eist aanvullende gegevens als deze noodzakelijk zij voor het beoordelen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening:</p>\n<p class=\"lf-p\">De leerlingprognose: deze moet bij vrijwel iedere aangevraagde voorziening worden ingediend. Van het overleggen van een leerlingprognose kunnen worden uitgezonderd: de aanvragen 'sec' voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair als er geen noodzaak is om de capaciteit van de bestaande huisvesting uit te breiden -aanvragen voor herstel van constructiefouten en herstel van schade wegens bijzondere omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de gemeenteraad besluiten dat voor meerdere voorzieningen onderwijshuisvesting de prognose-eis geen reëel doel dient en zodoende niet als eis in de verordening wordt opgenomen. Gedacht kan worden aan aanvragen voor groot onderhoud. Overwogen kan worden bij een aanvraag voor groot onderhoud de prognose-eis in principe te laten vervallen, tenzij het college van mening is dat alsnog een leerlingenprognose moet worden overlegd. De aard van de gevraagde voorziening en de omstandigheden kunnen daartoe aanleiding geven (bijv. na een brand van een schoolgebouw) De bouwkundige rapportage: deze is aan de orde wanneer het relevant is om bij het beoordelen van een aanvraag voorziening onderhoud vast te stellen of het gewenste onderhoud aan een gebouw inderdaad noodzakelijk is. De bouwkundige rapportage heeft tot doel vast te stellen: de noodzaak van dat onderhoud; de mate van urgentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bouwkundige rapportage kan gebruik worden gemaakt van het door het college vast te stellen formulier 'Bouwkundige opname'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De bepaling in dit lid sluit aan bij het bepaalde in artikel 4:5 Awb. De moge-lijkheid om binnen een bepaalde termijn ontbrekende gegevens aan te leveren gaat vooraf aan de in de Awb opgenomen mogelijkheid om als bestuursorgaan (= college) een aanvraag buiten behandeling te laten in verband met onvoldoende verstrekte gegevens en bescheiden. In de Awb zijn nadere bepalingen opgenomen die het bestuursorgaan daarbij in acht moet nemen. Zo moet het besluit om de aanvraag niet te behandelen binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of wanneer de termijn die voor de aanvulling is gegeven ongebruikt verstreken is, aan de aanvrager bekend gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duidelijkheid voor de potentiële aanvragers is ervoor gekozen om de concrete uitwerking van de Awb in de verordening op te nemen. Dit betekent dat de duur van termijnen die het college kan hanteren in de verordening is vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid die het college heeft om incomplete aanvragen niet te behandelen, heeft als praktisch voordeel dat dergelijke aanvragen in een eerder stadium kunnen worden afgehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening is geen hardheidsclausule opgenomen. Het gevaar van een hardheidsclausule is dat er (relatief) vaak een beroep op wordt gedaan. De behandeling vergroot de uitvoeringslast van het bestuursorgaan en bekort bij toewijzing de beschikbare tijd voor de (voorbereiding van de) besluitvorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast lijkt een hardheidsclausule te veel van het goede tegen de achtergrond van de mogelijkheid om in klemmende situaties een aanvraag met een spoedeisend karakter in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Omdat bij o.a. de voorzieningen (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven van wezenlijk belang is, is het noodzakelijk om de gegevens van de wettelijke teldatum van 1 oktober - onverwijld - door te geven aan het college. Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder aangevraagde voorziening, die in principe wordt toegekend, ook daadwerkelijk nodig is. Concreet betreft het hier aanvragen voor (tijdelijke) voorzieningen onderwijshuisvesting die in het (school)jaar dat volgt op de laatste teldatum noodzakelijk zijn In lid 4 is gekozen voor het opnemen van een fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Op het moment dat het programma is vastgesteld ontstaat voor het bevoegd gezag aanspraak op bekostiging van een voorziening onderwijshuisvesting. Dit betekent niet dat het bevoegd gezag de voorziening onderwijshuisvesting ook daadwerkelijk kan realiseren. Er bestaat nog één mogelijkheid om achteraf, nadat het programma is vast-gesteld, vast te stellen of het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening wegens gewijzigde omstandigheden alsnog niet noodzakelijk is (zie hiervoor artikel 16, derde lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opgave ingediende aanvragenDit artikel is een direct uitvloeisel van het wettelijk uitgangspunt om ook in procedureel opzicht het openbaar en bijzonder onderwijs op gelijke voet te behandelen. Het college geeft, door het verstrekken van een opgave van de ingediende aanvragen, alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen ligt, zowel vanuit het bijzonder als vanuit het openbaar onderwijs. Er kunnen daarmee niet naderhand nog aanvragen worden toegevoegd. Het beschikbaar stellen van deze informatie is uitsluitend bedoeld als informatieverstrekking en zegt niets over de uitkomst van het beoordelen van de aanvragen. Het college kan met de schoolbesturen overeenkomen dat de informatie per onderwijssector wordt verstrekt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begrotingLid 1Deze bepaling is opgenomen om de mogelijkheid te hebben een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven over de op zich complete aanvragen. Dit kan gewenst zijn om een effectief verloop van de verdere procedure tot het vaststellen van het programma te bereiken Door de mogelijkheid van een nadere toelichting c.a. wordt bijvoorbeeld voorkomen dat het bestuurlijk overleg (artikel 10) onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Voor een voorziening waarvan de definitieve vergoeding wordt gebaseerd op de werkelijke kosten, wordt in eerste aanleg worden gewerkt met een kosten-raming. Als het college na het beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel is dat de kostenraming op één of meer onderdelen moet worden bijgesteld vindt over de bijstelling overleg plaats met het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het kader van het vast te stellen gemeentelijk huisvestingsbudget en het daaruit voort-komende programma worden toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overleg programma en overzicht; advies OnderwijsraadLid 1 - 4Deze leden zijn het gevolg van een wettelijke verplichting om, voordat het college het programma en overzicht vaststelt, overleg te hebben met het onderwijsveld. Tot het overleg behoort ook de hoorplicht op grond van de Awb van de aanvragers. Het staat de aanvrager vrij om zijn standpunten ook schriftelijk kenbaar te maken. Omdat het overleg met alle bevoegde gezags-organen plaatsvindt, moeten degenen die wel aan het overleg deelnemen vooraf op de hoogte zijn van de schriftelijke standpunten, zodat ze daar eventueel op kunnen reageren Lid 5 - 9De wet bepaalt dat de Onderwijsraad om advies wordt verzocht wanneer een bevoegd gezag het college daarom vraagt, of dat het college uit eigen beweging hiertoe overgaat (zie bijvoorbeeld artikel 76m WVO). In de leden 5 t/m 9 is de procedure opgenomen die moet worden gevolgd om de Onderwijsraad advies te vragen over het voornemen tot het vaststellen van het huisvestingsprogramma in relatie tot de aspecten van de vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Hierbij is aangesloten op de procedurele lijn zoals die van toepassing is op de inschakeling van de Onderwijsraad bij de vaststelling of wijziging van de huisvestingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Onderwijsraad brengt binnen vier weken zijn advies uit. Het advies van de Onderwijsraad wordt daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde gezags- organen toegezonden en afhankelijk van het advies wordt een nieuw bestuurlijk overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezeb is geregeld in de Awb. In dit verband is met name het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid het college het programma vaststellen als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken uitbrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat uiteraard het recht van een individueel schoolbestuur of van het college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben, onverlet. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de wettekst is het college verplicht in alle gevallen het verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad Het is van belang dat het door het college ingediende verzoek om advies goed gedocumenteerd is en vergezeld gaat van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 Awb). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken een aanvang neemt vanaf het moment waarop de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de advisering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdstip vaststellingLid 1In dit lid is bepaald dat het college het investeringsbedrag vaststelt dat voor het honoreren van de aanvragen voorzieningen onderwijshuisvesting beschikbaar is (het zgn. bekostigingsplafond). Gelijktijdig wordt de mogelijkheid geopend om eventueel per onderwijssector of per voorziening een afzonderlijk bedrag vast te stellen. Achtergrond van deze keuze is te voorkomen dat één onderwijssoort of één bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste investeringen (bijv. onderhoud of onderwijskundige vernieuwingen) niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen kan een belangrijk instrument voor het college zijn om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van haar zorgplicht voor een adequate onderwijshuisves-ting Om dit instrument effectief te kunnen inzetten moeten hierover vooraf de afspraken zijn vastgelegd. Basis voor deze afspraken kan zijn een meer-jarenbegroting voor bepaalde huisvestingsvoorzieningen. Het opnemen van een apart budget komt op het moment dat het programma wordt vastge-steld. Een dergelijk deelbudget moet in combinatie met de volgorde van de hoofd en subprioriteiten zoals opgenomen in bijlage V te worden bezien. Afhankelijk van de aard van de prioriteit kan een wijziging in deze volgorde nodig zijn om te bewerkstelligen dat het deelbudget ook daadwerkelijk kan worden aangewend voor de beoogde prioriteit in het huisvestingsbeleid. Wordt de volgorde van de prioriteiten namelijk niet aangepast aan de gewenste intensivering van bepaalde onderdelen van het beleid, dan bestaat de kans dat de beschikbare middelen ingevolge de niet aangepaste volgorde van urgentiecriteria moeten worden aangewend voor andere voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is evident dat eventuele accenten binnen het toekenningsbeleid altijd in het verlengde dienen te liggen van de gemeentelijke zorgplicht voor een adequate huisvesting. Dergelijke accenten mogen met andere woorden de reguliere noodzakelijke voorzieningen zoals uitbreidingen en onderhoud niet onmogelijk maken. Voorts moeten de beleidsaccenten en de daaruit voortvloeiende deelbudgetten in relatie tot een bijstelling van de prioriteiten altijd in en na overleg met de schoolbesturen moeten worden aangebracht. Zo is bijvoorbeeld een voorgenomen wijziging in de urgentiecriteria (bijlage V) aan te merken als een wijziging van de verordening, waaraan op overeenstemming gericht overleg vooraf moet gaan met de schoolbesturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 2 Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en het daaruit voortvloeiende overzicht vastgesteld voor 31 december van het lopende kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Als het programma en overzicht niet voor 31 december plaatsvindt betekent de overschrijding van de uiterste datum van de programmavaststelling niet dat automatisch alle aangevraagde voorzieningen voor bekostiging in aanmerking komen, overschrijding van de termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud programmaLid 1Dit lid is in principe het 'hart' van de verordening. Het omvat namelijk de inhoud van het programma voorzieningen onderwijshuisvesting dat door het college wordt vastgesteld. Het vastgestelde programma is het resultaat van de toetsing aan de in de wet limitatief omschreven gronden voor weigering(zie bijvoorbeeld artikel 76g WVO). Die voor een deel verder zijn uitgewerkt in de bijlagen I tot en met III van de verordening de 'beoordelingscriteria' zijn opgenomen in bijlage I en zijn een nadere invulling van de toets of de aangevraagde voorziening noodzakelijk is en of de aanvraag een voorziening betreft als genoemd in artikel 2 van de verordening. de criteria voor de prognose zijn opgenomen in bijlage II en vormen basis van de wettelijke grond voor het weigeren 'omdat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen ...' de regels over de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen zijn opgenomen in bijlage III en vormen de wettelijke grond voor het weigeren '...omdat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt'.</p>\n<p class=\"lf-p\">De koppeling tussen artikel 12, lid 1 en de bijlagen betekent dat de genoemde bijlagen integraal onderdeel uitmaken van de verordening. De normbedragen voor het vaststellen van de bekostiging en de urgentiecriteria zijn in een afzonderlijke bijlage opgenomen, omdat deze -in tegenstelling tot de andere regels in het eerste lid- niet noodzakelijk bij het vaststellen van het programma moeten worden toegepast. De urgentiecriteria komen pas in beeld wanneer er meer aanvragen liggen dan waarvoor er budget beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Het college en schoolbesturen kunnen het wenselijk vinden om voorzieningen op het programma op te nemen die op grond van de urgentie-criteria (bijlage V) daar niet voor in aanmerking komen. Als over de afwijking ten opzichte van de urgentiecriteria consensus bestaat in het bestuurlijk overleg over het conceptprogramma (artikel 10, eerste lid van de verordening), kan het college hiermee rekening houden bij het vaststellen van het programma voorzieningen onderwijshuisvesting. Voordat het college dit besluit neemt, moet het college het verzoek van het bestuurlijk overleg eerst voorleggen aan de gemeenteraad. Op basis van het besluit van de gemeente-raad beslist het college of hij wel of niet wenst af te wijken van de systema-tiek en criteria van bijlage V. Het gaat om een kan-bepaling. Het bestuurlijk overleg over het conceptprogramma is geen 'op overeenstemming gericht overleg'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Dit lid regelt de wijze van bekostiging respectievelijk het beschikbaar stellen van een voorziening. De zinsnede 'voor zover van toepassing' heeft zodoende niet alleen betrekking op de bekostiging (lid a en b), maar ook op het beschikbaar stellen van een voorziening in medegebruik (waarvoor het niet nodig is om een bedrag beschikbaar te stellen), of het in gebruik geven van een (school)gebouw (waar het de vraag is of aan het schoolgebouw aanpassingen moeten plaatsvinden). Een aanvrager die een voorziening geplaatst ziet op het programma, kan daaruit dus niet alleen afleiden dat de voorziening voor bekostiging in aanmerking komt, maar ook welke eventuele nadere voorwaarden er gelden rond ingebruikneming of buitengebruikstelling. Bijvoorbeeld: de uitbreiding van een hoofdgebouw gaat gepaard met het afstoten van een dislocatie. Als voor een op het programma geplaatste voorziening van toepassing is: de normatieve bekostiging, dan vermeldt het programma het bedrag waarvoor de voorziening moet worden gerealiseerd (aanvrager kan dus uit het programma rechtstreeks afleiden het bedrag waarop hij aanspraak maakt); en de feitelijke kosten, dan vermeldt het programma van welke raming is uitgegaan. Deze raming wordt vervolgens als leidraad gehanteerd bij het vaststellen van het definitieve vergoedingsbedrag aan de hand van door de aanvrager in het kader van de uitvoering te overleggen offertes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud overzichtLid 1De verwijzing naar artikel 12, eerste lid is voldoende, omdat uit de toepassing van de daar genoemde criteria en het beschikbare bedrag blijkt of een aangevraagde op het programma wordt opgenomen. Voor zover de aangevraagde voorziening niet in het programma is opgenomen komt deze op het overzicht terecht. Ook aangevraagde voorzieningen die geen voorzie-ningen zijn in de zin van artikel 2 van de verordening komen op het overzicht te staan Lid 2Deze bepaling is een direct uitvloeisel van het motiveringsbeginsel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bekendmaking besluiten vatstelling bedrag, programma en overzichtLid 1Volgens de toelichting op de wet zijn het programma en het overzicht een bundel van beschikkingen. Deze beschikkingen worden uiteraard ter kennis van de aanvragers gebracht. Gekozen is voor de termijn van twee weken nadat het programma en overzicht is vastgesteld, omdat de wet bepaalt dat binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de uitvoering moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 Awb moet het college het besluit mededelen aan degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Omdat het programma en overzicht onderdeel uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan het vaststellen van het programma is er voor gekozen het besluit aan alle schoolbesturen toe te sturen. Hierbij doet dus niet terzake of het betrokken schoolbestuur in een eerder stadium een zienswijze naar voren heeft gebracht Lid 2De wet bepaalt alleen iets over de ter inzage legging van het overzicht. Vanwege de samenhang tussen bedrag, programma en overzicht ligt het voor de hand het totaal ter inzage te leggen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overleg wijze van uitvoeringDit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg over de wijze van uitvoering van de voorziening. Doelstelling van dit overleg is dat de aanvrager en het college een aantal praktische afspraken maken over aspecten die samenhangen met de realisering van de toegekende voorziening. Met het maken van deze afspraken worden onduidelijkheden en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject worden voorkomen Lid 1In het overleg moet volstrekt duidelijk zijn wie als bouwheer optreedt (sub a). Uitgangspunt van de wet is dat het bevoegd gezag optreedt als bouwheer, maar de wet biedt de mogelijkheid dat het bevoegd gezag en het college overeenkomen dat het college de voorziening tot stand brengt. Het moet duidelijk vaststaan of al dan niet gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van vier weken waarbinnen burgemeester en wethouders met het betrokken schoolbestuur in overleg treden over de uitvoering vloeit direct voort uit de wetgeving (artikel 76n WVO).</p>\n<p class=\"lf-p\">De passage 'voor zover van toepassing' is opgenomen om te voorkomen dat niet alle voorkomende varianten op het bouwheerschap en de eigendoms-situatie moeten worden beschreven. Daarnaast is het bijvoorbeeld denkbaar dat geen nadere afspraken worden gemaakt over het tijdstip waarop het bouwplan en de desbetreffende begroting worden ingediend, eenvoudigweg omdat het college in het kader van artikel 16, vierde lid heeft besloten dat dit achterwege kan blijven. Hetzelfde kan gelden voor de uitvoering van de toets of zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen. In het kader van de controle en het afleggen van verantwoording over de besteding van de middelen kunnen nadere afspraken worden gemaakt over de wijze en momenten waarop het college geïnformeerd wordt over de voortgang van de uitvoering van de voorziening en over de wijze waarop de finale verantwoor-ding wordt afgelegd. Daarbij kan - zeker bij omvangrijke projecten - ook aan de orde zijn dat dit gepaard gaat met een accountantsverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Anders dan bij de vooraf genormeerde vergoeding het geval is, begint de offertelijn met een door de aanvrager bij het indienen van de aanvraag om bekostiging van de gewenste huisvestingsvoorziening over te leggen raming van de kosten (dus in de procedure voordat het programma is vastgesteld, zie toelichting artikel 9, lid 2). In het overleg als bedoeld in lid 1 wordt ook gesproken over het opvragen van offertes als de bekostiging van de voorziening gebaseerd is op de feitelijke kosten. Uitgangspunt is dat de voorziening wordt aanbesteed conform het bepaalde in bijlage IV deel B en dat het college inzicht krijgt in de uitkomst van de aanbesteding, dus afschriften ontvangt van de uitgebrachte offertes. Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen, wordt het bedrag van de raming, op basis van de overgelegde offertes, omgezet in een definitieve vaststelling van de bekostiging die het college ter beschikking stelt van de aanvrager. De aanvrager kan in principe eerst tot aanbesteding overgaan nadat het college heeft ingestemd met het bouwplan, tenzij een dergelijk plan naar het oordeel van het college eveneens gezien de aard van de voorziening niet vereist is (zie ook artikel 16, lid 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden rijzen over de afspraken over de uitvoering is bepaald dat de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag, dan vindt in de praktijk meestal nader overleg plaats om alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk vastgelegd en van beide zijde geconstateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Als het college in het gevoerde overleg heeft medegedeeld dat het indienen van een bouwplan en begroting achterwege kan blijven en/of er geen nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden hoeft plaats te vinden (zie artikel 16, vierde lid), en het overleg tot overeenstem-ming heeft geleid, ontvangt de aanvrager binnen vier weken bericht over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt. Over het algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium al een offerte is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de vervanging van de dakbedekking van een basisschool (onderdeel van de huisvestingsvoorziening onderhoud).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5Als in het overleg, als bedoeld in het derde lid, geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze van uitvoering van de voorziening en dit in het vastge-stelde verslag is opgenomen dan is het college als bestuursorgaan de instantie die dit constateert en meedeelt aan het bevoegd gezag. Gelijktijdig j deelt het college mee wat de overwegingen zijn om niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste uitvoering van de voorziening. Deze mede-deling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Goedkeuring bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertesHet goedkeuren van het bouwplan volgens dit artikel heeft geen betrekking op de goedkeuring van het bouwplan op grond van de bouwverordening, dus het verlenen van de bouwvergunning.Dit artikel betreft de nadere uitwerking van de wettelijke bepaling (artikel 76n WVO). Dit artikel gaat uit van het feit dat een schoolbestuur aanspraak heeft op een vergoeding van een voorziening en bij de uitvoering van de voorziening als bouwheer optreedt, een bouwplan en de daarbij behorende begroting ter goedkeuring moet indienen bij het college en tevens vermeld op welk moment de bekostiging een aanvang dient te nemen Als in het overleg over de uitvoering van de voorziening (artikel 15) wordt afgesproken dat het college het bouwheerschap op zich neemt, dan is het gestelde in het eerste lid uiteraard niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager dient ook een begroting bij het bouwplan in als het een voorziening betreft waarvoor de vergoeding op basis van de genormeerde benadering (bijlage IV, deel A) is vastgesteld, maar deze begroting wordt marginaal getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid van de verordening zijn fatale termijnen opgenomen. de fatale termijn is noodzakelijk met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de duidelijkheid richting aanvrager. Bij het goedkeuren van het bouwplan en begroting stelt het college ook het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke opdracht om een dergelijk tijdstip vast te stellen (zie artikel 76j WVO). Het bepaalde in het derde lid geeft het college de mogelijkheid om in de procedure rond het goedkeuren van het bouwplan c.a. te beoordelen of er zich na vaststelling van het programma nieuwe omstandigheden hebben aangediend, die het rechtvaardigen om de aanspraak op vergoeding te herzien. Dit betreft opnieuw een nadere invulling van een wettelijke bepaling (zie artikel 76l in samenhang met artikel 76j WVO). Het moment om de feiten en omstandigheden opnieuw en voor het laatst te beoordelen betekent dat de aanvrager wel diverse stappen heeft gezet (o.a. opvragen offertes, opdracht uitwerken bouwplan etc.), maar nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet richting aannemer, zoals bijvoorbeeld het verlenen van een bouwopdracht. Als het college besluit om, gelet op de gewijzigde omstandigheden, alsnog niet tot het bekostigen van de voorziening over te gaan moet het college het bevoegd gezag wel compenseren voor de reeds gemaakte kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden 5 en 6 hebben betrekken op de besluiten die gaan over het vaststellen van de bekostiging van die voorzieningen waarvoor de offertelijn geldt. Voor deze voorzieningen zijn de feitelijke kosten bepalend en moeten dus offertes worden opgevraagd. De begroting was namelijk al door het college ontvangen als onderdeel van de ingediende aanvraag voor het programma en had toen als functie te komen tot een vaststelling van een bedrag als onderdeel van het vaststellen van het programma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvang bekostigingDit artikel is de uitwerking van de wettelijke opdracht zoals neergelegd in bijvoorbeeld artikel 76m WVO</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is gekozen voor een globale regeling waarin het college een grote ruimte heeft voor variatie in de wijze van het beschikbaar stellen van het bedrag van de bekostiging. De definitieve keuze is sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht). Uitgangspunt is dat de aanvrager altijd aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. In de praktijk zijn er zodoende verschillende uitwerkingen van dit artikel: vergoeding eerste inrichting wordt als normbedrag in één keer uitbetaald; vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden worden in termijnen uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnen van de aannemer ; -vergoeding op declaratiebasis, dus na ontvangst nota's schoolbestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het vaststellen van de aanvang van de bekostiging is het ook noodzakelijk om vast te stellen aan wie het college de bekostiging verstrekt. Betaalt het college rechtstreeks aan de aannemer, of betaalt het schoolbestuur aan de aannemer en betaalt het college aan het schoolbestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen aanspraak op bekostigingLid 1De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op het vaststellen van de gemeentebegroting. Het is noodzakelijk om op het moment dat de gemeentebegroting wordt vastgesteld te weten of een in een eerder jaar toegekende, maar nog niet gerealiseerde voorziening, in een volgend begrotingsjaar voor bekostiging in aanmerking komt. Als het antwoord positief is blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd; negatief is kan het beschikbaar gestelde krediet worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling over de toezending binnen twee weken van onder meer de bouwopdracht en dat deze bouwopdracht onherroepelijk is, is niet gebaseerd op de wet. Deze bepaling is echter van belang voor het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting van de aanvrager kan ondernemen. De term 'door de aanvrager' is opgenomen om duidelijk te maken dat, als het college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Deze hardheidsclausule is, in aanvulling op de wet, opgenomen. Diverse omstandigheden zijn denkbaar waardoor de termijn buiten de schuld van de aanvrager wordt overschreden. Bijvoorbeeld: planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen; ruimtelijke ordeningsprocedures; vervuilde grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3De datum van 15 september is gekozen om de aanvrager in de gelegenheid te stellen, als zijn verzoek wordt afgewezen, alsnog te proberen voor 1 oktober een bouwopdracht etc. te geven. Als het college dus niet voor 15 september beslist is voor de aanvrager de datum van 1 oktober niet haalbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3. Aanvragen met een spoedeisend karakterArtikel 19-24. SpoedprocedureEen bevoegd gezag kan worden geconfronteerd met een calamiteit die op het moment dat de aanvraagprocedure voor het reguliere programma startte niet bekend was. Van een calamiteit is sprake als de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd. Voor deze specifieke situaties zijn in dit hoofdstuk van de verordening nadere regels opgenomen, zodat een bevoegd gezag in die situatie, buiten de reguliere procedure, een aanvraag voor bekostiging van een voorziening kan indienen. Dit betekent dat mag worden verwacht dat de aanvragen die in het kader van de spoedprocedure worden ingediend ook echt spoedeisend zijn en dat de toepassing van de spoedprocedure eerder uitzondering dan regel moet zijn. De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort 'ontsnappingsroute' voor de reguliere procedure (bijvoorbeeld als een bevoegd gezag verzuimd tijdig -op grond van artikel 6 van de verordening- een aanvraag in te dienen voor het programma of wanneer een aanvraag niet op het programma is geplaatst wegens toepassing van de financiële weigeringsgrond).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indiening aanvraagVoor aanvragen op basis van de spoedprocedure geldt een afwijkende procedure en voor deze aanvragen geldt geen bepaalde datum waarop de aanvraag moet zijn ingediend. In principe kunnen de aanvragen gedurende het gehele jaar door worden ingediend. Dit kan ook moeilijk om het moment waarop de calamiteit zich voordoet onbekend is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud aanvraagLid 1In principe gelden voor de aanvragen op grond van de spoedprocedure dezelfde criteria die voor de reguliere procedure gelden en zijn opgenomen in artikel 7, tweede lid, onder a van de verordening. Naast de basisgegevens die bij een aanvraag op grond van de reguliere procedure moeten worden overgelegd, moet in de aanvraag het spoedeisende karakter (de calamiteit waardoor het onderwijsproces geen voortgang kan vinden) worden aangetoond. Bij het beoordelen van de aanvragen voor spoedeisende voorzie-ningen kan eveneens worden vastgesteld voor welke gewenste voorzieningen onderwijshuisvesting een prognose wel of niet vereist is. Uit de aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calami-teit die niet voorzienbaar was en zodanig is dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt de denken aan -het afbranden van een schoolgebouw, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet doorgaan; een niet voorzienbare instroom van leerlingen waardoor sprake is van een toename van het aantal groepen en de beschikbare huisvesting beduidend tekort schiet; herstel van schade als gevolg van constructiefouten en overige schades.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor overige schades wordt over het algemeen een afzonderlijke procedure gevolgd om te voorkomen dat het college via de reguliere of spoedprocedure met alle (kleine) schadegevallen wordt geconfronteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden. Als de aanvraag naar het oordeel van het college niet volledig is, ontvangt het schoolbestuur de gelegenheid binnen twee weken de noodzakelijke aanvullende gegevens in te dienen. Het gaat in principe om het treffen van een voorziening die eigenlijk geen uitstel kan dulden. Iedereen, en zeker de school, is gebaat bij een snelle, maar zorgvuldige besluitvorming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdstip beslissingenOmdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, is ook de termijn waarbinnen de beslissing moet vallen sterk ingekort. Gehanteerd wordt een termijn van zes weken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>Inhoud en uitvoering beslissing; vervallen aanspraak bekostiging Bij het beoordelen en toekennen van de aangevraagde voorziening gelden dezelfde uitgangspunten als bij het toekennen van de aanvragen op grond van de reguliere procedure. Dit betekent dat de ontvangen aanvraag wordt getoetst aan de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen bij de verordening. Daarnaast geldt als extra toets het element van de spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. Tot slot blijkt, door het niet opnemen van bijlage V (prioriteitstelling) in de tekst van de verordening dat het college, in afwijking van de reguliere procedure bij de spoedprocedure geen financiële overweging als grond voor het weigeren van de voorziening kan hanteren. Dit betekent dat op het moment dat het spoedeisende karakter wordt vast-gesteld de aangevraagde voorziening ook moet worden toegekend en niet de financiële weigeringsgrond kan worden gehanteerd In de beschikking wordt opgenomen voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten. Dit is geen onderwerp meer van gesprek dat het college voert over de uitvoering van de toegekende aanvraag. Wel doet het college er verstandig aan bij de voorbereiding van de aanvraag met de aanvrager te spreken over een af te spreken datum.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 4. Kosten bouwvoorbereidingArtikel 25 - 28. Vergoeding kosten bouwvoorbereidingDe mogelijkheid om een krediet 'bouwvoorbereiding' aan te vragen is een nadere concretisering van de in de wet opgenomen mogelijkheid dat het college bekostiging van bouwvoorbereiding kan toekennen. Dit hoofdstuk heeft een relatie met artikel 3 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat de aanvraagprocedure -ook in tijd bezien- gelijk loopt met de aanvraagprocedure voor het indienen van een aanvraag onderwijs-huisvesting voor het programma. Met nadruk wordt opgemerkt dat de aanvraag om een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding niet bedoeld is om een voorziening onderwijshuisvesting te realiseren, maar bedoeld is om een onderzoek naar de mogelijkheid om op termijn een aanvraag voor het plaatsen van een voorziening onderwijshuisvesting op hwet programma in te dienen. Het gaat daarbij in de regel om huisvestings-voorzieningen die als omvangrijk worden gekwalificeerd en die zich al enkele jaren van tevoren aankondigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de bouwvoorbereiding op grond van de wet niet is aangemerkt als een voorziening onderwijshuisvesting moet het toekennen van een vergoeding voor bouwvoorbereiding daardoor buiten het programma blijven. Het bedrag voor het programma is immers bestemd voor voorzieningen onderwijsvoorzieningen zoals bedoeld in de wet (artikel 2 verordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat 'bouwvoorbereiding' niet betrokken kan worden bij het vaststellen van het bekostigingsplafond wordt voorkomen dat een voorziening onderwijshuisvesting niet wordt toegekend omdat het beschikbare bedrag niet voldoende is, terwijl er wel een vergoeding 'bouwvoorbereiding' wordt toegekend (het kan daarbij om aanmerkelijke bedragen gaan).Het bedrag voor 'bouwvoorbereiding' moet dus als apart bedrag worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toekennen van een vergoeding voor 'bouwvoorbereiding' betekent niet dat de voorziening onderwijshuisvesting die met behulp van deze bekosti-ging wordt voorbereid ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd of per saldo meer kost dan een soortgelijke voorziening, die zonder een dergelijke bekostiging geplaatst wordt op het programma. In feite komt het toekennen van bekostiging er op neer dat, in het kader van het onderzoek, een deel van de kosten die noodzakelijk zijn voor het realiseren van een voorziening onderwijshuisvesting naar voren worden gehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent gelijktijdig dat op het moment dat de genormeerde bekostiging wordt toegekend om de voorziening onderwijshuisvesting te realiseren, het bedrag dat als kosten 'bouwvoorbereiding' is toegekend op de genormeerde bekostiging in mindering wordt gebracht, omdat in de normatieve bekostigingsbedragen voor nieuwbouw c.a. die zijn opgenomen in bijlage IV, deel A, de kosten van voorbereiding zijn inbegrepen. Als het college uitgaat van het bekostigen op basis van feitelijke kosten worden de kosten van 'bouwvoorbereiding' betrokken bij het totale investeringskrediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 5. Medegebruik en verhuurArtikel 29 - 36. Medegebruik en verhuurOp grond van artikel 76m WVO moet de gemeenteraad in de verordening voorzieningen onderwijshuisvesting een procedure voor het medegebruik en de verhuur van onderwijsgebouwen opnemen. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van gebouwen die leegstaan. Als het gaat om en gebouw dat in zijn geheel leeg is of komt, is sprake van in gebruik geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het staat het college vrij om eventueel af te zien van het medegebruik en de verhuur. Dit moet dan wel in de verordening zijn opgenomen. In het kader van het efficiënte gebruik van de onderwijsaccommodaties is het wenselijk om een nadere regeling rond medegebruik en verhuur in de verordening op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor medegebruik betekent de opdracht in feite dat het college vastlegt de wijze waarop met het recht tot het vorderen van leegstaande ruimten wordt omgegaan. Het vorderingsrecht kan betrekking hebben op medegebruik voor onderwijs en educatie, maar ook voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het is mogelijk een gebouw te vorderen zowel tijdens als na de schooltijden. Dit geldt ook voor sportterreinen die eigendom zijn van een schoolbestuur voor voortgezet onderwijs. Het vorderingsrecht bij sportterreinen beperkt zich tot het vorderen voor ander gebruik dan onder-wijsgebruik (bijvoorbeeld door sportverenigingen). Het recht van het college om leegstand te bestemmen voor ander gebruik strekt zich uit over de wel en de niet door het college in stand gehouden scholen. Bij medegebruik wordt onderscheid gemaakt in medegebruik voor onderwijs en medegebruik voor andere activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medegebruik voor: -onderwijs is in principe in overeenstemming met de bestemming van het Gebouw; -andere activiteiten kan in overeenstemming zijn met de bestemming van het gebouw, maar dit is niet strikt noodzakelijk. In dit geval is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag kan daarbij de vrijheid van richting en inrichting een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 29 t/m 33 worden toegepast als er een aanvraag van een bevoegd gezag voor plaatsing op het programma of op grond van de spoedprocedure is gedaan (een aanvraag om medegebruik zijn, maar ook een andere aanvraag). Het college kan vaststellen dat deze aanvragen worden afgewezen omdat door middel van medegebruik in de noodzakelijke huisvestings-behoefte kan worden voorzien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Aanduiding omstandighedenIn dit artikel is in lid a aangegeven op welk moment het college leegstand kan vorderen, t.w. op het moment dat het college</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een aanvraag (op grond van artikel 6 of 19) om het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen; en -verneemt dat is vastgesteld dat de school ook daadwerkelijk een tekort aan huisvesting heeft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van lid 1b kan het college ook medegebruik toekennen op het moment dat een aanvraag voor het bekostigen van een omvangrijke investering groot onderhoud of aanpassing is ontvangen en medegebruik voor deze voorziening(en) een alternatief vormt. Als in deze situatie(s) medegebruik van leegstand wordt toegekend kan dit tot gevolg hebben dat het huidige schoolgebouw niet meer geschikt is (wordt) voor onderwijs en moet worden afgestoten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving leegstandLid 1Vanaf 1 januari 1997 wordt voor de definitie van het begrip leegstand in de verordening grotendeels aangesloten bij de begripsaanduiding die ook tot 1 januari 1997 van toepassing was. In tegenstelling tot de situatie voor 1 januari 1997 wordt vanaf 1 januari 1997 niet meer uitgegaan van het aantal bruto vierkante meters (bij een overmaat aan m2 kan mogelijk sprake zijn van leegstand), maar wordt de leegstand vastgesteld op basis van het aantal aanwezige groepsruimten (= lokalen). Op deze wijze wordt voorkomen dat bij het vaststellen van de leegstand enerzijds wordt vastgesteld dat een overmaat aan vierkante meters wordt geconstateerd, maar dat er geen lokaal over is Bij het vaststellen van de capaciteit worden ruimten, die een bevoegd gezag eventueel voor eigen rekening heeft gerealiseerd en waar geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt wel geregistreerd, maar worden deze ruimten (m2) niet bij het vaststellen van de beschikbare capaciteit betrokken. Het college kan deze ruimten dus niet vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit in tegenstelling tot de zgn. eigendoms- en huurscholen. Voor deze schoolgebouwen ontvangt het bevoegd gezag van de gemeente een vergoeding, waardoor deze schoolgebouwen onder het vorderingsrecht vallen. Het vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de leegstaande ruimten waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Deze mogelijkheid vloeit voort uit de jurisprudentie onder de oude wetgeving. Uit deze jurisprudentie blijkt dat, als er sprake is van genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven, deze bestemming moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2aEen lokaal bewegingsonderwijs kan in principe maximaal 40 klokuren per week voor bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Voor het primair onderwijs wordt daarnaast uitgegaan van het feit dat het primair onderwijs per week maximaal 26 klokuren kan inroosteren. De leegstand van een lokaal bewegingsonderwijs dat in gebruik is bij het primair onderwijs wordt vastgesteld door het aantal klokuren dat een school voor primair onderwijs van dat lokaal gebruik maakt en waarvoor het college goedkeuring heeft verleend bij elkaar op te tellen en te vergelijken met de beschikbare capaci-teit van het lokaal bewegingsonderwijs voor het primair onderwijs (26 klokuren). Het saldo van deze berekening is het aantal klokuren leegstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2bZie hiervoor de toelichting bij lid 1b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nalaten vordering; volgorde van vorderingLid 1Dit lid geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte onderling medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling treffen is er geen reden voor het college om dat te doorkruisen, in ieder geval niet als de onderlinge regeling past in de uitgangspunten van het college (zie ook punt 2). Dit betekent dat het college van het medegebruik in kennis moet worden gesteld en moet vaststellen of door het medegebruik de meest optimale situatie is gecreëerd. Deze bepaling kan worden uitgebreid in het kader van het gemeentelijke beleid. In dit lid kan in het kader van het gemeentelijk (brede) huisvestingsbeleid bijvoorbeeld worden opgenomen dat het college niet overgaat tot het vorderen van leegstand als de leegstand wordt benut als peuterspeelzaal Lid 2Dit lid geeft het college de mogelijkheid om, ondanks het feit dat in onder-ling overleg medegebruik is overeengekomen, toch de in medegebruik gegeven ruimte te vorderen. Deze mogelijkheid kan worden toegepast als het college heeft vastgesteld dat de school die medegebruiker is, voldoende capaciteit heeft in het eigen schoolgebouw of schoolgebouwen. Om dit vast te stellen wordt door het college uitgegaan van criteria die in bijlage III zijn opgenomen om de capaciteit van het schoolgebouw vast te stellen. Eigen beleid van bevoegde gezagsorganen, bijvoorbeeld het verkleinen van groepen door inzet van meer formatie dan volgens de berekening mag worden verwacht, waardoor een extra huisvestingsbehoefte ontstaat, moet wijken voor noodzakelijk ander onderwijsgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Dit lid regelt de volgorde waarop door het college wordt gevorderd. Het staat het college vrij om in overleg met de bevoegde gezagsorganen in de gemeentelijke verordening een andere volgorde van vorderen op te nemen. Het is wel noodzakelijk deze keuze in de verordening op te nemen. Voor het college is dit de basis om te vorderen en te motiveren waarom het college tot deze keuze is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt bij de vordering is dat een schoolbestuur dat ruimtegebrek heeft bij een van zijn scholen, eerst gaat kijken naar eventueel beschikbare ruimte binnen een van de onder zijn beheer staande gebouwen. Als binnen deze schoolgebouwen leegstand aanwezig is die voor medegebruik door de 'eigen school' in aanmerking komt, zal het bevoegd gezag over het algemeen geen aanvraag voor medegebruik bij het college indienen. Als het bevoegd gezag deze aanvraag wel indient is de kans groot dat het college ingevolge lid 3a de gemeente het bevoegde gezag verwijst naar een van zijn eigen gebouwen. In lid 3a is de mogelijkheid opgenomen dat wordt afgeweken van de eerste optie (leegstand binnen eigen schoolgebouwen). Als het zowel financieel als vanuit het oogpunt van doelmatigheid wenselijk is te kiezen voor een andere oplossing, kan het college besluiten voorbij te gaan aan aanwezige leegstand in een van de schoolgebouwen van het betrokken schoolbestuur. Bij het toepassen van lid 3c wordt het openbaar onderwijs in dit verband ook als een richting aangemerkt. Om redenen van eenvoud is er voor gekozen geen aparte volgorde voor lokalen bewegingsonderwijs op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4Deze bepaling geeft het college en de bevoegde gezagsorganen de ruimte, om als dit noodzakelijk is, af te wijken van de in het derde lid opgenomen volgorde. Over het afwijken van de volgorde is overeenstemming noodzakelijk tussen alle bij de vordering betrokken partijen dus niet alle schoolbesturen moeten met de afwijking instemmen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overleg en mededelingLid 1Het vorderen van medegebruik maakt onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg. Het voornemen om over te gaan tot medegebruik kan zodoende onderdeel uitmaken van het overleg over het programma, omdat onderdeel van het vaststellen van het programma is een besluit dat in plaats van bijv. een voorziening uitbreiding medegebruik wordt toegekend. In het kader van de vaststelling van het programma zal immers in de regel geconstateerd worden of er van medegebruik sprake kan zijn. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het voorgenomen besluit in het kader van het programma (dat is niet het besluit tot vordering naar het besluit om medegebruik toe te staan) bestaat de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Ook hebben zij beiden de mogelijkheid om bezwaar en beroep tegen de vaststelling van het programma in te stellen. Het instellen van beroep heeft geen opschortende werking Lid 2Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd word moet de gelegenheid hebben tijdig (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is het gewenst de termijn zo kort mogelijk te houden. Omdat over het medegebruik al overleg heeft plaatsgevonden voordat het college het besluit heeft genomen, is het bevoegd gezag is overigens in principe al in de gelegenheid geweest om zich voor te bereiden op het medegebruik. Het besluit tot medegebruik moet schriftelijk plaatsvinden en is een beschikking waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is. Het instellen van bezwaar en/of beroep heeft geen opschortende werking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De laatste volzin is toegevoegd om geen overbodige administratieve handelingen te hoeven uitvoeren als in het overleg is komen vast te staan dat er overeenstemming over de vordering bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leden 3 en 4Als leegstand wordt gevorderd in geval van een spoedprocedure is het niet mogelijk om termijnen op te nemen voor het overleg. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard geldt ook hier dat het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid moet hebben om de nodige maatregelen te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5eUitgangspunt is dat de vordering van leegstand voor een vooraf bepaalde periode plaatsvindt. Op deze wijze weet het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt weet waar het aan toe is. Uitgangspunt kan zijn de periode van het vorderen van leegstand te baseren op de uitkomst van de leerlingen-prognose, waarbij gelijktijdig wordt afgesproken dat de periode van vordering verlengd wordt indien dat noodzakelijk is. Daarnaast kan in het besluit tot het vorderen van medegebruik worden opgenomen dat het vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VergoedingUitgangspunt is dat de bevoegde gezagsorganen in onderling overleg de vergoeding voor medegebruik overeenkomen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van afspraken die worden gemaakt over de activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen. Bijvoorbeeld -medegebruiker neemt voor zijn rekeningkosten schoonhouden en onderhoud; -school is verantwoordelijk voor het betalen van de overige kosten (w.o. energie) en moet deze kosten doorberekenen aan de medegebruiker.</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe betaalt een bevoegd gezag dat gebruik maakt van een gedeelte van een gebouw (= leegstand) van een ander bevoegd gezag, de werkelijke kosten waarmee het bevoegd gezag worden geconfronteerd. Dit is redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is van het rijk een vergoeding ontvangt, mede gebaseerd op het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rond de te betalen vergoeding kan eventueel een relatie worden gelegd met de door het schoolbestuur ontvangen rijksvergoeding. Als alternatief voor het betalen van de werkelijke kosten kan gekozen worden voor het doorbetalen van de door het schoolbestuur ontvangen rijksvergoeding voor deze groep of groepen. Omdat het niet eenvoudig is uit de ontvangen rijksvergoeding 'de ontvangen vergoeding exploitatiekosten' te herleiden - de vergoeding is namelijk afhankelijk van het aantal groepen - moet over de hoogte van de te betalen vergoeding overleg plaatsvinden tussen de bevoegde gezagsorganen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de belangen uiteenlopen, kan het voorkomen dat het overleg niet tot overeenstemming leidt. Omdat deze reden is het wenselijk in de verordening een bepaling op te nemen voor het geval de bevoegde gezagsorganen geen overeenstemming bereiken. Op dat moment wordt de vergoeding mede-gebruik vastgesteld zoals is opgenomen in bijlage IV, deel C. Deze vergoeding is afgeleid van de rijksvergoeding voor de materiële instandhouding (LONDO-normering voor het invoeren van de lumpsumbekostiging) voor de huisvesting van groepen in het basisonderwijs.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Aanduiding omstandighedenDe sportvelden zij hier opgenomen vanwege de bepaling in artikel 76r WVO dat het vorderingsrecht ook hierop van toepassing is</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overleg en mededelingLid 2Omdat de reden van het medegebruik op grond van artikel 35 geen 'onderwijsgebruik' is, maar 'ander gebruik' , is in dit lid expliciet aangegeven wat in ieder geval in het overleg aan de orde moet komen. In deze situatie moet de positie van het bevoegd gezag met nog meer waarborgen omkleed moet worden dan in de situatie dat het om onderwijsmedegebruik gaat. Het bevoegd gezag moet, voordat het instemt met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden zich een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het noodzakelijk zijn dat door het college of de medegebruiker bepaalde maatregelen om hinder te voorkomen genomen worden Omdat het niet om 'onderwijsgebruik' gaat is het voor dit medegebruik moeilijker eenduidig het bedrag van de vergoedingvast te stellen. Het is mogelijk om voor het vaststellen van de vergoeding aan te sluiten bij de systematiek die is opgenomen in bijlage IV, deel C. Omdat in deze situatie geen sprake is van verhuur kan overwogen worden het tarief 'medegebruik' te verhogen om te streven tot een kostendekkend tarief. Er is van afgezien de beoogde gebruiker in het overleg te betrekken. Verondersteld wordt dat de beoogde gebruiker in het overleg wordt vertegenwoordigd door het college. Eventueel kan de beoogde gebruiker natuurlijk wel in het overleg betrokken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verdient aanbeveling dat het bevoegd gezag en de medegebruiker, voor de aanvang van het medegebruik, schriftelijk een aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot vordering door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een beslissing inzake de openstaande punten. Voor deze formulering is gekozen om te voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan worden. De beslissing van het college is een beschikking, waarop de rechtsbescherming van de Awb van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toestemming collegeHet bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil verhuren, vooraf aan het college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder toestemming van het college is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus nietig. Voor het verlenen van de toestemming door het college is het noodzakelijk dat het college inzicht heeft in de te verhuren ruimte en in de activiteiten die in deze ruimte worden uitgevoerd. Met deze informatie kan het college het verzoek toetsen aan wet- en regelgeving, omdat de wet- en regelgeving bepaalde bestemmingen niet toelaat. Het is bijvoorbeeld op grond van de onderwijswetgeving niet toegestaan om een onderwijsgebouw of te verhuren als; -woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid en 1624, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek; of -de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.</p></div>", "next": 238952}