{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In het ondersteuningsplan bij een aanvraag voor het informele pgb worden doelen opgenomen die zich richten op het vergroten van de mate van zelfredzaamheid van de jeugdige. Ieder jaar worden de doelen geëvalueerd en desgewenst bijgesteld. Er kan dan een herziening plaatsvinden. Er vindt dan opnieuw onderzoek plaats waarbij gekeken wordt naar de noodzaak, kennis en ontwikkelingsmogelijkheden van de aanvrager. Tijdens het onderzoek/evaluatie worden zowel de jeugdige als de informele zorgverleners gesproken en samen met hen worden de doelen opgesteld. Het onderzoek in combinatie met een evaluatie vindt in ieder geval plaats wanneer de indicatie afloopt. Wanneer de doelen niet behaald zijn moet de reden daarvan onderzocht worden. Hierbij speelt ook de afweging of professionele hulp wenselijk is een rol. Wanneer er ook professionele hulp wordt ingezet, heeft deze zorgprofessional de taak om gezamenlijk met ouders de doelen op te stellen en te evalueren op (voortgang) van de zelfredzaamheid van de jeugdige. De formele hulpverlener legt dit vast in een evaluatieverslag. In dit verslag staan de doelen waar zijn aan gewerkt en de voortgang van deze doelen en wordt een analyse gemaakt van de actuele mate van zelfredzaamheid van de jeugdige en de doelmatigheid van huidige inzet van informele en formele hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een pgb dient door de inwoner binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toekenning van een pgb eindigt wanneer:</p>\n<p class=\"lf-p\">De budgethouder verhuist naar een andere gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De budgethouder overlijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de indicatieperiode (maximaal 2 jaar*) of geldigheidsduur is verstreken. *Wanneer de jeugdige binnen een andere leeftijdscategorie valt (tabel gebruikelijke zorg) moet er in ieder geval opnieuw worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de budgethouder aangeeft dat zijn situatie is veranderd en (de gemeente) vaststelt dat de voorziening niet meer voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De budgethouder geen verantwoording aflegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De budgethouder zijn pgb laat omzetten in Zorg in Natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.5Criteria toekennen informeel pgb De jeugdige en/of ouders aan wie een pgb wordt toegekend, kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren, als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar passender dan andere vormen van ondersteuning; Dit wordt bepaald aan de hand van de volgende afwegingscriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het type hulp dat wordt geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De frequentie van de hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er sprake is van een tijdelijke hulpvraag of van hulp over een lange periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van verplichting: kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk? Dit laatste aspect wordt gezien als zwaarwegend punt. de geboden jeugdhulp is doelmatig, adequaat en veilig; de personen uit het sociaal netwerk die de hulp gaan verlenen, hebben zich voldoende op de hoogte gesteld (zie 5.2.7.) van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn, en er is bij de personen uit het sociaal netwerk die de hulp gaan verlenen sprake van voldoende opvoedvaardigheden en/of voldoende draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige en/of ouders aan wie een pgb wordt toegekend kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren voor begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf. Dagactiviteiten kunnen niet geleverd worden door het sociaal netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op het eerste lid onder a, wordt inzet van het sociaal netwerk met een pgb in ieder geval aantoonbaar beter geacht, indien één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: de hulp is vooraf niet goed in te plannen; de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden; de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden; de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd; de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn; de hulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie hij vertrouwd is en goed contact heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.6Gebruikelijke- en boven gebruikelijke zorg In kortdurende situaties (maximaal drie maanden) wordt van ouders verwacht dat zij hun kind alle persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleegkundige handelingen geven. Bij langdurige situaties valt alleen de gebruikelijke persoonlijke verzorging en begeleiding onder gebruikelijke zorg. De zorg voor kinderen met een beperking kan groter zijn dan de zorg voor een gezond kind van dezelfde leeftijd. Dit noemen wij boven gebruikelijke zorg. Het vaststellen dat er sprake is van boven gebruikelijke zorg geeft op zichzelf geen recht op een vorm van jeugdhulp. Onder de gebruikelijke zorg valt ook het eerste uur boven gebruikelijke zorg per dag, hiervoor is geen vergoeding mogelijk. Redelijkerwijs mag dit van ouders verwacht worden. Bij de afweging of een individuele voorziening jeugdhulp aan de orde is, worden alle aspecten uit het ondersteuningsplan meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.7Onderzoek Om te onderzoeken of er sprake is van boven gebruikelijke zorg, bespreekt de consulent met de inwoner (en zijn mantelzorgers) die het pgb aanvraagt: of er tot dan toe al sprake is geweest van (onbetaalde) jeugdhulp; wat maakt dat de zorgverlener uit het sociale netwerk er eventueel mee stopt; wat maakt dat een eventuele nieuwe mantelzorger de zorg niet kosteloos wil verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast doet de consulent een gedegen onderzoek naar de noodzaak, kennis en ontwikkelmogelijkheden van het kind. Hierbij raadpleegt de consulent tenminste één andere bron, zoals school, behandelaar, begeleider etc. Wanneer de consulent dit nodig acht kan er een nog niet betrokken professional geraadpleegd worden voor advies. De consulent heeft in de aanvraag zicht op het gehele systeem en de veerkracht van dit systeem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Jeugdhulp is niet bedoeld om gebruikelijke zorg van ouders over te nemen. Hieronder volgt een richtlijn voor het bepalen van gebruikelijke en boven gebruikelijke zorg. Tevens biedt deze richtlijn een kader waarop het professionele oordeel over het aantal uren “begeleiding individueel en persoonlijke verzorging” gebaseerd moet worden. Het uitgangspunt van de richtlijn is de zorg die ouders volgens heersende maatschappelijke opvattingen moeten kunnen bieden aan hun kinderen zonder beperkingen. In bijlage 2 staat een concrete uitwerking en in bijlage 3 staan de richtlijnen qua tijd op het gebied van gebruikelijke zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke Zorg Gebruikelijke zorg is de dagelijkse zorg die ouders aan kinderen geacht worden te bieden, ook als de ouder de gebruikelijke zorg vanwege eigen aandoening, beperking, stoornis of handicap niet kan bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke zorg omvat: het door ouders aan kinderen bieden van een woonomgeving waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en hen een passend pedagogisch klimaat wordt geboden en hen zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans wordt geboden nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Gebruikelijke zorg bij kinderen kan ook zorg omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomt. Het gaat dan om zorg die gebruikelijke zorg vervangt zoals sondevoeding in plaats van eten, of om zorg die in samenhang met reguliere zorg kan worden geboden zoals het geven van medicijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">24 uur per dag zorg in de nabijheid. Hiermee wordt bedoeld dat zorg en toezicht gedurende het gehele etmaal in de nabijheid nodig is zonder dat daarbij permanente actieve observatie nodig is. Het gaat hier om een vorm van beschikbaarheid van zorg die voor een groot deel bestaat uit meer passief toezicht. De zorg is wel nodig op zowel geplande als ongeplande momenten, en ook voortdurend in de nabijheid. Dit is gebruikelijke zorg omdat ook een kind met een normaal ontwikkelingsprofiel tot een bepaalde leeftijd [1] niet zelf de noodzaak van zijn behoefte aan de inzet van zorg kan inschatten, of [2] niet zelf in staat is om op relevante momenten adequaat hulp in te roepen om ernstig nadeel te voorkomen, of [3] ook vaak op ongeplande momenten zorg in de zin van begeleiding of overname van zelfzorg nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke zorg omvat niet: permanent toezicht’ in de zin van onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van het kind vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor het kind kan worden voorkómen. Bij kinderen die een behoefte hebben aan permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) mis gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.8Vrije tijd en vakantie: pgb voor boven gebruikelijke zorg in vrije tijd en vakantie kan onderdeel zijn van een pgb, mits het jeugdhulpdoelen dient In het ondersteuningsplan kunnen jeugdhulpdoelen staan, die te maken hebben met de vrijetijdsbesteding van het kind. Activiteiten die overeenkomen met vormen van vrije tijdsbesteding (zoals paardrijden, roofvogelclub, boksen, scouting, zwemles e.d. ) kunnen ook jeugdhulpdoelen dienen zoals het reguleren van emoties, het vergroten van zelfvertrouwen en het doorbreken van isolement. Ook hier dient de afweging te worden gemaakt wat gebruikelijk is en wat in het kader van het ondersteuningsplan een noodzakelijk boven gebruikelijke zorg is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De normale contributie (lidmaatschap) of activiteitkosten zijn niet uit jeugdhulpmiddelen te bekostigen; de boven gebruikelijke zorg die aan deelname gekoppeld is wel. Bij het normaliseren van de hulp betekent dat de basiskosten van vrije tijdsbesteding voor rekening van de ouders komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakantie is een bijzondere vorm van vrije tijdsbesteding. Tijdens de vakantie bevat gebruikelijke zorg dat ouders er immers simpelweg voor de kinderen zijn. Begeleiding vanuit eigen netwerk moet feitelijk extra oppas / begeleiding inhouden en niet de inzet van een ouder. In een vakantieperiode kan er, indien mogelijk, minder ingezet worden op jeugdzorgdoelen. Het aantal uren dat per week aan begeleiding door derden wordt ingezet, kan ook in de vakantie worden voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.9Uitzondering informele zorg - respijtzorg Informele zorg kan ook ingezet worden als respijtzorg. Hierbij wordt niet gekeken naar gebruikelijke en boven gebruikelijke zorg. Respijtzorg dient enkel het doel dat ouders (tijdelijk) ontlast worden. Dit wordt alleen ingezet wanneer het eigen netwerk hier geen mogelijkheden in biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.Kwaliteitseisen In de Jeugdwet zijn kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders opgenomen (hoofdstuk 4, paragraaf 1) zoals in het bezit zijn van een verklaring omtrent gedrag en de registratie in een beroepsregister. De aanbieder en haar medewerkers dienen zich aan deze eisen te houden. De controle op de wettelijke kwaliteitsaspecten voor jeugdhulpaanbieders is een taak van de inspectie. Concrete kwaliteitsafspraken liggen vast in inkoopcontracten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe aanbieder De gemeente checkt of aanbieders bekend zijn bij de inspectie. Als dit niet het geval is, meldt de gemeente de nieuwe aanbieders bij het Samenwerkend Toezicht Jeugd. De inspectie maakt een risicoanalyse van de nieuwe toetreder en beoordeelt op basis van de uitkomsten daarvan of nader onderzoek en beoordeling van de nieuwe toetreder nodig is. De inspectie baseert zich hierbij op de kwaliteitseisen die vastgelegd zijn in de Jeugdwet. De inspectie bezoekt in ieder geval nieuwe toetreders die jeugdhulp met verblijf en/of daghulp aanbieden. Het toezicht resulteert in een openbaar rapport waarin staat of de aanbieder voldoet aan de eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene uitgangspunten De hier geformuleerde algemene uitgangspunten zijn te beschouwen als richtlijnen voor goede ondersteuning van professionals voor de jeugdige of zijn ouders. Dit geldt zowel voor een verstrekking in de vorm van een pgb als in een verstrekking van Zorg in Natura. De gemeente verstrekt alleen zorg als aan de levering van zorg aan onderstaande kwaliteitseisen is voldaan. De richtlijnen worden gebruikt om te toetsen of een maatwerk-voorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdige of zijn ouders hebben de regie Het professioneel handelen van de gemeente en leverancier van de voorziening is gericht op het behoud, het herstel en versterken van de eigen regie van de jeugdige of zijn ouders en het versterken van het sociale netwerk en de veerkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het handelen van de jeugdige een ernstig gevaar oplevert voor hem en/of zijn omgeving dan moet de professional actie ondernemen. Ondersteuning sluit redelijkerwijs aan bij de leefwereld van de jeugdige of zijn ouders, in taalgebruik, denkniveau, cultuur en tempo en houdt rekening met de levensfase en de eigen kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke ondersteuning nodig is, wordt in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders opgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning is veilig De relatie tussen jeugdige of zijn ouders en professional is voor de jeugdige of zijn ouders voldoende vertrouwd en stabiel. Wijzigingen in gemaakte afspraken tussen jeugdige of zijn ouders en professional worden tijdig en op een bij de inwoner passende manier gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De professional is in staat ervoor te zorgen dat de relatie voor beide partijen veilig is, zowel lichamelijk als mentaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is overeenstemming met de jeugdige of zijn ouders over welke informatie gedeeld wordt en met wie, met in achtneming van de privacywetgeving en op basis van de Visie Gegevensdeling domein Samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De professional onderneemt actie bij gesignaleerde onveiligheid in de leefsituatie en het sociale netwerk van de jeugdige, conform de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning garandeert continuïteit, samenhang en resultaten De professional heeft de kennis, houding en vaardigheden voor de betreffende hulpvraag en onderhoudt deze. De professional heeft krijgt de ruimte om hierin zelf keuzes te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning van de professional in relatie met de jeugdige of zijn ouders is aantoonbaar gericht op het behalen van de afgesproken resultaten en dit wordt geëvalueerd en indien nodig bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De professional is op de hoogte van de andere hulpverleners die bij een jeugdige of zijn ouders betrokken zijn. Hij consulteert andere hulpverleners bij vragen en werkt samen waar dat zinvol is voor de te behalen doelstellingen van het ondersteuningsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een organisatie de individuele voorziening verstrekt heeft deze een toegankelijke klachtenprocedure die onafhankelijke afhandeling van klachten garandeert en waarvan de jeugdige of zijn ouders op de hoogte zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9Inspraak en medezeggenschap De gemeente betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van het onderwerp en doel wordt op basis van het gemeentelijk communicatiebeleid de best passende manier vastgesteld. Hiervoor kunnen vervolgens verschillende instrumenten worden ingezet (te denken valt aan bijv. informatiebijeenkomsten, burgerpanel, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van specifieke onderwerpen gaat de gemeente de dialoog aan met andere groeperingen die specifieke en waardevolle kennis kunnen delen (te denken valt aan cliëntenraden, jeugdraden van zorgaanbieders).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente betrekt de Adviesraad Sociaal Domein in een zo vroeg mogelijk stadium van de beleidsvorming of het evalueren van reeds vastgesteld beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Werk, re-integratie en tegenprestatie 6.1Werk en re-integratie 6.1.1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit onderdeel wordt verstaan onder: algemeen geaccepteerde arbeid: arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Het college bepaalt de reikwijdte van algemeen geaccepteerde arbeid. Hierbij wordt in ieder geval rekening gehouden met de integriteit van de belanghebbende, de situatie op de arbeidsmarkt en bijkomende omstandigheden. Naarmate meer risico bestaat op langdurige werkloosheid, worden er minder eisen gesteld aan de te accepteren arbeid. kandidaten: belanghebbenden die een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente Lansingerland. niet-kandidaten: niet-uitkeringsgerechtigden (nug-gers) en mensen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). sociale activering: activiteiten gericht op het zelfstandig kunnen (gaan) deelnemen aan de samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Alle begrippen die in dit onderdeel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Opdracht college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college voert een actief re-integratiebeleid ten aanzien van kandidaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college voert, bij het zelfstandig melden door niet-kandidaten bij de gemeente, een actief re-integratiebeleid voor niet-kandidaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidie- en budgetplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft geen subsidie- of budgetplafond vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.2Aanspraak op ondersteuning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraak op ondersteuning door niet-kandidaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan aan een niet-kandidaat op diens verzoek ondersteuning bij zijn re-integratie bieden wanneer deze: zoekt naar de kortste weg naar werk; geen werkervaring heeft in de twee jaar voorafgaand aan het verzoek; geen inkomsten uit arbeid heeft gehad in de twee jaar voorafgaand aan het verzoek; geen relevante scholing heeft afgerond in het jaar voorafgaand aan het verzoek; niet is ondersteund bij re-integratie in de twee jaar voorafgaand aan het verzoek; en gemotiveerd is en zich breed opstelt bij bemiddeling naar algemeen geaccepteerde arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een niet-kandidaat heeft geen recht op ondersteuning wanneer: hij een traject verwijtbaar niet goed doorloopt of tussentijds afbreekt; of blijkt dat er sprake is van een dusdanig grote toestroom aan niet-kandidaten, dat er een wachtlijst moet worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ondersteuning heeft een maximale trajectduur van een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien het college op grond van dit artikel een niet-kandidaat ondersteuning biedt, dan kan deze ondersteuning bestaan uit de voorzieningen zoals genoemd in de artikelen 6:9 en 6:10.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De niet-kandidaten dienen in ieder geval 10 procent van de te maken trajectkosten zelf te bekostigen, indien er sprake is van een gezinsinkomen van minimaal 130 procent van de betreffende bijstandsnorm binnen het huishouden waar belanghebbende deel van uit maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De trajectkosten worden voor alle niet-kandidaten in eerste instantie in de vorm van een lening verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Afhankelijk van de inzet en de financiële situatie van belanghebbende kan de financiering achteraf (gedeeltelijk) worden omgezet in een gift.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Het gezinsinkomen als bedoeld in lid 5 wordt op dezelfde wijze berekend als in paragraaf 7.1.3 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De hoogte van de aflossingen wordt vastgesteld op grond van hetgeen bepaald is in onderdeel 7.4 Terugvordering van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Bij verwijtbaar gedrag dat leidt tot het niet succesvol afronden van een traject kunnen de gemaakte kosten, ongeacht de draagkracht van belanghebbende, volledig worden teruggevorderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraak op ondersteuning door kandidaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Kandidaten die al eerder een voorziening aangeboden hebben gekregen welke niet heeft geleid tot het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid, kunnen aanspraak maken op een nieuwe voorziening in het kader van re-integratie mits er geen sprake is van verwijtbaar gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het dossier van een kandidaat zoals bedoeld in het eerste lid bevat een rapportage met de redenen van niet-slagen van eerder aangeboden voorzieningen en aandachtspunten voor een nieuw te starten voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanspraak op ondersteuning door alleenstaande ouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van het verzoek om vrijstelling zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de Participatiewet een plan van aanpak op voor de invulling van de voorziening gericht op arbeidsinschakeling voor de alleenstaande ouder aan wie een ontheffing is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college verricht na het opstellen van het plan van aanpak iedere zes maanden een heronderzoek naar de in het toepasselijke plan van aanpak opgenomen voorziening. Het heronderzoek strekt zich mede uit tot de naleving van de in het toepasselijke plan van aanpak opgenomen voorziening. Het college beoordeelt tevens bij het verrichten van het heronderzoek of er aanleiding bestaat de voorziening te wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien het heronderzoek daartoe aanleiding geeft stelt het college een gewijzigd plan van aanpak op.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college vult de voorziening voor de alleenstaande ouder aan wie ontheffing is verleend en die niet beschikt over een startkwalificatie ten minste in met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeids-markt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op verzoek van de alleenstaande ouder aan wie ontheffing is verleend en die beschikt over een start-kwalificatie vult het college de voorziening in met een opleiding, als bedoeld in artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.3Instrumenten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere bepalingen over voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onder voorzieningen op het gebied van re-integratie als bedoeld in onderdeel 6.1 van de Verordening Sociaal Domein wordt verstaan: instrumenten gericht op uitstroom naar regulier werk; instrumenten gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt; instrumenten gericht op sociale activering; en instrumenten gericht op nazorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorzieningen gericht op directe reguliere arbeidsinschakeling geven kandidaten de mogelijkheid om al opgedane werkervaring te behouden of werkervaring op te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor kandidaten die een langer voortraject nodig hebben voordat ze daadwerkelijk kunnen uitstromen, kunnen instrumenten worden ingezet die de afstand tot de arbeidsmarkt verkleinen. Met de inzet van scholing, arbeidstrainingen en werkgewenningsperioden kan met moeilijker te plaatsen kandidaten gewerkt worden aan de terugkeer op de reguliere arbeidsmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Instrumenten gericht op sociale activering zijn werkplekken bij een bedrijf, instelling of vereniging waar kandidaten met behoud van uitkering vrijwilligerswerk kunnen doen. Het doel hiervan is dat mensen actief en maatschappelijk nuttig bezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Instrumenten gericht op nazorg worden ingezet indien een kandidaat regulier werk heeft aanvaard. Doel is duurzame uitstroom te realiseren en mogelijke problemen op de werkvloer zo snel mogelijk op te lossen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:8</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen van de gebruikers van een instrument</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan alle kandidaten en niet-kandidaten die gebruik maken van een re-integratie-instrument worden de inspanningsverplichting, de medewerkingsverplichting en de inlichtingenverplichting opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:9</span><span class=\"lf-art-t\">Werkervaringsplaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een werkervaringsplaats heeft als doel om een kandidaat werkervaring en arbeidsritme op te laten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een werkervaringsplaats wordt ingezet voor de duur van zes maanden en kan eenmalig met zes maanden worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Steeds na drie maanden wordt de voortgang van belanghebbende beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De kans op regulier werk dient door inzet van de werkervaringsplaats groter te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Begeleiding kan door de werkgever worden aangeboden of extern in worden gekocht door het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:10</span><span class=\"lf-art-t\">Proefplaatsing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Kandidaten kunnen met behoud van uitkering bij wijze van proef werkervaring opdoen bij een werkgever die beoogt om, aansluitend aan de proefplaatsing, belanghebbende een arbeidsovereenkomst aan te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De duur van de proefplaatsing bedraagt maximaal één maand en kan ten hoogste één keer worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:11</span><span class=\"lf-art-t\">Werkgeverscheque</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan als werkgeverscheque een financiële vergoeding verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een kandidaat die langer dan zes maanden werkzoekend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vergoeding bedraagt ten hoogste € 2.250,- bij een dienstverband van zes maanden en ten hoogste € 4.500,- bij een dienstverband van twaalf maanden. Indien de arbeidsovereenkomst voortijdig wordt ontbonden, dan wordt de vergoeding evenredig verlaagd 3.De arbeidsovereenkomst dient minimaal 32 uur per week te bedragen. Indien de arbeidsovereenkomst minder uur bedraagt, dan wordt de vergoeding evenredig verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De vergoeding kan op maandbasis nooit meer bedragen dan het bedrag dat de kandidaat aan bijstand ontving in de maand voorafgaand aan het aanvaarden van werk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:12</span><span class=\"lf-art-t\">Sociale activering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sociale activering wordt ingezet onder de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen mogelijkheid voor de kandidaat om binnen afzienbare tijd algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kandidaat kan met behoud van uitkering activiteiten verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk jaar wordt opnieuw beoordeeld of regulier werk wel haalbaar is geworden voor de kandidaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13</span><span class=\"lf-art-t\">Scholing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Scholing wordt ingezet onder de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingezette scholing moet resulteren in een reële verhoging van de kansen op de arbeidsmarkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De scholing is noodzakelijk om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholing wordt niet ingezet indien een persoon in de twee jaar voorafgaand aan het verzoek om scholing al een beroepsgerichte scholing met succes heeft afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholing kan rechtstreeks ingekocht worden door de gemeente maar kan ook via een re-integratiebureau worden ingekocht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13a</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding van kosten bij re-integratie (reis- en overige kosten)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een kandidaat die een re-integratietraject volgt een vergoeding verstrekken voor reiskosten en overige kosten die de kandidaat maakt in het kader van het re-integratietraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een vergoeding voor reiskosten wordt verstrekt onder de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kandidaat moet in het kader van het re-integratietraject frequent (minimaal één keer per week gedurende minimaal een maand) een opleidingsinstituut, re-integratiebedrijf of werklocatie bezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reisafstand van de kandidaat naar de locatie per fiets is meer dan tien kilometer of de kandidaat volgt het traject Werkacademie Zoetermeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De hoogte van de vergoeding voor reiskosten bedraagt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de kandidaat met het OV reist: de kosten van het openbaar vervoer 2e klasse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de kandidaat per auto reist: € 0,19 per kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De reiskostenvergoeding wordt vooraf uitbetaald voor maximaal 24 retourreizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan een kandidaat ook een vergoeding geven voor overige kosten bij een re-integratietraject, zoals werkschoenen of een fiets.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Het college kan in individuele gevallen besluiten om van dit artikel af te wijken, indien bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld een baangarantie, hiertoe aanleiding geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13b</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijlaten inkomsten en vergoedingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college past op grond van artikel 31, tweede lid, sub n en r van de Participatiewet, artikel 8, tweede lid IOAW en artikel 8, derde lid IOAW een eenmalige inkomstenvrijlating toe bij parttime inkomsten, onder de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kandidaat heeft de inkomsten op legale wijze verkregen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kandidaat heeft de inkomsten tijdig bij het college gemeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kandidaat ontving bijstand gedurende de zes maanden voorafgaand aan het dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het parttime dienstverband moet minimaal 20 uur per week bedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13c</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstroompremie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan op grond van artikel 31, tweede lid, sub j van de Participatiewet een uitstroompremie toekennen aan langdurig werkloze kandidaten die gedurende minimaal zes maanden uitstromen naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor geen recht meer hebben op een bijstandsuitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een kandidaat die voorafgaand aan de werkaanvaarding gedurende minimaal twaalf aaneengesloten maanden bijstand ontving.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De premie bedraagt € 500,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De kandidaat kan de uitstroompremie aanvragen na afloop van de zesde maand van het dienstverband, maar uiterlijk voor de tiende maand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-13d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:13d</span><span class=\"lf-art-t\">Vergoeding kosten kinderopvang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verstrekt geen vergoeding voor de kosten van kinderopvang voor kandidaten die een re-integratietraject volgen of een tegenprestatie vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid kan het college de kosten van de eigen bijdrage voor kinderopvang vergoeden indien een kandidaat deze kosten moet maken in het kader van het volgen van een re-integratietraject, volwasseneducatie of een inburgeringscursus en deze kandidaat kan aantonen dat diens sociaal netwerk (familie, vrienden, kennissen, buren) geen opvang kan bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:14</span><span class=\"lf-art-t\">Participatievoorziening beschut werk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer tijdens een kalenderjaar het aantal beschikbare plekken voor beschut werk conform het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling vervuld is, dan komen inwoners met een indicatie beschut werk op een wachtlijst tot een volgend jaar waarin er weer nieuwe beschutte werkplekken beschikbaar zijn. Op deze wachtlijst wordt de volgorde aangehouden van de datum van de indicaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek kunnen deelnemen aan arbeidsmatige dagbesteding vanuit de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor inwoners waarvan het vermoeden bestaat dat deze in aanmerking komen voor de voorziening beschut werk, kan het college eerst een werkstage aanbieden om vanuit daar door te stromen naar een passende werkplek. Wanneer op basis van de ervaringen opgedaan op de werkstage verwacht wordt dat iemand alleen aan de slag kan op een beschutte werkplek, dan kan het college een advies inwinnen bij het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen. Dit advies wint het college in voor de beoordeling of de inwoner uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeids-participatie heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor inwoners met een advies indicatie beschut werk van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen die dit advies zelf hebben aangevraagd, biedt het college eerst een werkstage aan om vanuit daar door te stromen naar een passende beschutte werkplek.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan beschut werk aanbieden bij een werkgever met voldoende ondersteuning en aanpassingen in de aard van het werk en de werkplek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:15</span><span class=\"lf-art-t\">Werkfit traject</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Kandidaten kunnen met behoud van uitkering via een werkfit traject werkervaring opdoen, waarmee beoogd wordt om de kandidaat de benodigde werknemersvaardigheden en werkritme op te laten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een werkfit traject betreft het zodanig versterken van een kandidaat dat deze na het beëindigen van het traject in staat is om te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De duur van het traject bedraagt in eerste instantie maximaal 60 uur. Het traject kan daarna worden verlengd, als mocht blijken dat er meer tijd nodig is om het traject succesvol af te ronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.4Overige bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:16</span><span class=\"lf-art-t\">Nazorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Personen die algemeen geaccepteerde arbeid hebben aanvaard, kunnen aanspraak maken op nazorg vanuit de gemeente dan wel vanuit een door de gemeente ingehuurde externe partij.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Doel van de inzet van deze nazorg is het realiseren van duurzame uitstroom en het voorkomen van terugval in de bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Nazorg wordt gedurende maximaal zes maanden ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:17</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan een kandidaat tijdelijk en om dringende redenen ontheffing verlenen van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid sub a van de Participatiewet om naar vermogen werk te zoeken en te aanvaarden. Deze ontheffing duurt minimaal 2 en maximaal 24 maanden en wordt inhoudelijk gemotiveerd in het dossier van de kandidaat. Verlenging van de ontheffing vergt een nieuw gemotiveerd besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college verleent geen ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid sub b van de Participatiewet om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, mee te werken aan onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en mee te werken aan een plan van aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien het college ontheffing op medische gronden verleent op grond van het eerste lid van dit artikel wordt, op advies van een arts, een verplichting opgelegd aan de kandidaat om zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard zoals bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet, tenzij hiervan om dringende redenen wordt afgezien. Een gemotiveerd besluit hieromtrent wordt in het dossier opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zijn de verplichtingen uit artikel 9 eerste lid, onder a, b en c niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-17a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:17a</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in dit onderdeel, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Tegenprestatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:18</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle begrippen die in dit onderdeel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:19</span><span class=\"lf-art-t\">Doel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden is bedoeld als wederdienst in ruil voor een uitkering in de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:20</span><span class=\"lf-art-t\">Doelgroep</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tot de doelgroep van de tegenprestatie behoren belanghebbenden vanaf 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd met een bijstandsuitkering die:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kleine afstand tot de arbeidsmarkt hebben, indien bijzondere omstandigheden het rechtvaardigheden dat ook een belanghebbende uit deze categorie verplicht wordt tot het leveren van een tegenprestatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:21</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegdheid college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college legt een plicht tot het verrichten van een tegenprestatie naar vermogen op aan een belang-hebbende die behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 6:20, en die niet valt onder een van de uitzonderingsgronden zoals genoemd in artikel 6:23 van de Verordening Sociaal Domein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:22</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden werkzaamheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de voorwaarden zoals die genoemd zijn in Onderdeel 6.2 (Tegenprestatie) van de Verordening Sociaal Domein gelden de volgende voorwaarden voor de werkzaamheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente verstrekt geen vergoeding voor de werkzaamheden. De organisatie waarvoor belanghebbende werkt mag de uitkeringsgerechtigde wel een vergoeding geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werkzaamheden vormen geen belemmering voor het accepteren van regulier werk of voor de re-integratie of sollicitatie-activiteiten van belanghebbende.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:23</span><span class=\"lf-art-t\">Werkzaamheden zoeken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De belanghebbende aan wie het college een tegenprestatieplicht op wil gaan leggen, overlegt met zijn consulent over de mogelijke werkzaamheden die hij kan verrichten. De consulent stimuleert de belang-hebbende om zo veel mogelijk te kiezen voor activiteiten die hij interessant vindt en om zo nodig zelf op zoek te gaan naar onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden die hij kan gaan verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college verstrekt hiertoe voldoende voorlichtingsmateriaal, waaronder een lijst van de activiteiten van organisaties in de gemeente waar onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De termijn waarbinnen kan worden gezocht is een maand. De termijn kan op verzoek van belanghebbende een keer met een maand worden verlengd. In bijzondere omstandigheden kan de consulent een langere termijn vastleggen in het dossier van de uitkeringsgerechtigde. Bij voorbeeld wanneer dit nodig is om voldoende kinderopvang te regelen of wanneer dit nodig is om een nieuwe activiteit te starten, die goed aansluit bij de behoeften van de uitkeringsgerechtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De belanghebbende stelt samen met de organisatie waarvoor hij werkzaamheden gaat verrichten een overeenkomst op, die ter beoordeling wordt voorgelegd aan de consulent. Hierin wordt in ieder geval vastgelegd waaruit de werkzaamheden bestaan en voor hoeveel uren per week de werkzaamheden worden uitgevoerd. Het college kan hiertoe een voorbeeldovereenkomst verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:24</span><span class=\"lf-art-t\">Opleggen tegenprestatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college beoordeelt of de overeengekomen werkzaamheden als bedoeld in artikel 6:22, vierde lid voldoen aan de voorwaarden als genoemd in de artikelen 6:18 en 6:21 en legt vervolgens bij beschikking de plicht tot tegenprestatie op. In de beschikking worden de betreffende organisatie, de aard van de werkzaamheden en het aantal uur per week vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de belanghebbende niet binnen de termijn als bedoeld in artikel 6:22, derde lid onbeloonde werkzaamheden heeft gevonden die voldoen aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 6:18 en 6:21, dan bepaalt het college waar de werkzaamheden worden verricht, waaruit de werkzaamheden bestaan en voor hoeveel uren per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij het vaststellen van de tegenprestatieplicht houdt het college rekening met de capaciteiten en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende voor zover het betreft het vermogen van belang-hebbende om een tegenprestatie te verrichten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ontheffing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien medische of psychische belemmeringen van belanghebbende zodanig ernstig zijn dat hij niet in staat is een tegenprestatie te verrichten, ontheft het college belanghebbende tijdelijk van zijn tegenprestatie-plicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ontheffing duurt maximaal 24 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college bepaalt op welke wijze dient te worden aangetoond dat sprake is van medische of psychische belemmeringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een ontheffing op grond van 6:16 is geen ontheffing van de verplichting tot het leveren van een tegen-prestatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:26</span><span class=\"lf-art-t\">Niet nakomen van de verplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot tegenprestatie kan de uitkering van belang-hebbende worden verlaagd op grond van onderdeel 7.3 (Afstemming) van de Verordening Sociaal Domein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:27</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in dit onderdeel, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3Loonkostensubsidie Over dit onderwerp stelt het college vooralsnog geen beleidsregels vast. Wij volgen de wettelijke regelingen en de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4Wet taaleis</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:28</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit onderdeel wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet taaleis: de wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse taal toe te voegen aan die wet (Wet taaleis Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit Taaltoets: het ‘Besluit taaltoets Participatiewet’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Referentieniveau: het fundamentele niveau taal en rekenen volgende de richtlijnen van de Rijksoverheid (F-niveau).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet educatie: de wet van 9 juli 2014 tot wijziging van onder meer de Wet participatiebudget en de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake het invoeren van een specifieke uitkering educatie en het vervallen van de verplichte besteding van educatiemiddelen bij regionale opleidingscentra.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inburgeringsplicht: De plicht zoals bedoeld in artikel 7 van de Wet inburgering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Taalmeter: Online toets beschikbaar gesteld door stichting Lezen en Schrijven die een indicatie geeft van het taalniveau.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:29</span><span class=\"lf-art-t\">Aantonen kennis van de Nederlandse taal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De bewijslast om aan te tonen dat belanghebbende op het vereiste niveau vaardig is in de Nederlandse taal ligt bij belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Een diploma inburgering of gelijkwaardig document geldt als bewijs dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst en aan de Wet taaleis voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De beoordeling van de consulent vastgelegd in een rapportage dat belanghebbende voldoet aan de beheersing van de Nederlandse taal op 1F niveau is bewijslast in het kader van artikel 18b, tweede lid, van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het met succes afleggen van de Taalmeter op niveau 2F is bewijslast in het kader van artikel 18b, tweede lid, van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:30</span><span class=\"lf-art-t\">Geen taaltoets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college neemt geen taaltoets af indien vastgesteld kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid om aan de taaleis te voldoen ontbreekt. Er is sprake van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid als:</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende ontheven is van de inburgeringsplicht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende ontheven is van de arbeidsplicht of een algemene ontheffing heeft op grond van psychische, fysieke of sociale problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens een eerdere uitkeringsperiode is vastgesteld dat iemand de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, maar ook is vastgesteld dat door in de persoon gelegen factoren belanghebbende niet in staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de consulent er geen sprake is van enige verwijtbaarheid blijkens uit de rapportage.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:31</span><span class=\"lf-art-t\">Verwerving vereist taalniveau</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als de uitslag van de toets is dat belanghebbende niet aan de Wet taaleis voldoet, dan wordt belang-hebbende uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens dit gesprek wordt de uitslag van de taaltoets besproken en wordt in overleg met belanghebbende bepaald hoe deze naar het gewenste taalniveau gaat toewerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In het gesprek na de taaltoets is besproken wat het startniveau van belanghebbende is en wat belang-hebbende gaat doen om de taalvaardigheden op referentieniveau 1F te verwerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college monitort of belanghebbende de gemaakte afspraken nakomt. Als dit niet het geval is dan wordt belanghebbende door het college uitgenodigd voor een gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als belanghebbende is begonnen met een leertraject in het kader van de Wet inburgering, kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, zoals bedoeld is in de Wet taaleis.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als belanghebbende voor de ingangsdatum van de Wet taaleis is begonnen met een taaltraject in het kader van de Wet educatie, kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belang-hebbende, zoals bedoeld in de Wet taaleis.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Inkomen 7.1Inkomensondersteuning 7.1.1 Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:1</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit onderdeel worden, tenzij anders vermeld, dezelfde begripsbepalingen gebruikt als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en onderdeel 7.1 van de Verordening Sociaal Domein (Individuele inkomens-toeslag).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:2</span><span class=\"lf-art-t\">Rechthebbenden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat slechts recht op verstrekkingen of vergoedingen op grond van dit onderdeel indien de aanvrager of, indien van toepassing, het gezin:</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonplaats heeft in de gemeente Lansingerland als bedoeld in de artikelen 1:10, eerste lid en 1:11 van het Burgerlijk Wetboek; en Nederlander is, of daaraan wordt gelijkgesteld doordat hij/zij een hier te lande verblijvende vreemdeling is, zoals bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.2Vormen van bijzondere bijstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:3</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand om niet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij in de Participatiewet of in dit onderdeel anders wordt bepaald, wordt bijzondere bijstand om niet verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:4</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand als lening voor duurzame gebruiksgoederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De kosten voor aanschaf, reparatie en vervanging van duurzame gebruiksgoederen behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten die uit de algemene bijstandsnorm of uit een vergelijkbaar inkomen moeten worden gefinancierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de aanschaf, reparatie en vervanging van duurzame gebruiksgoederen moet men reserveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De reserveringscapaciteit voor duurzame gebruiksgoederen is het verschil tussen het netto inkomen en 90 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De aanvraag wordt afgewezen als er voldoende reserveringscapaciteit is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien er geen of onvoldoende reserveringscapaciteit is, wordt de bijzondere bijstand verleend: ‘Om niet’ voor niet-verhuisbare duurzame gebruiksgoederen, waaronder bijvoorbeeld verf, behang, gordijnen, kosten vloeregalisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vorm van een geldlening voor verhuisbare duurzame gebruiksgoederen, waaronder bijvoorbeeld een wasmachine, bankstel, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Bij het bepalen van de hoogte van te verstrekken bijzondere bijstand voor verhuisbare duurzame gebruiks-goederen wordt uitgegaan van de aanschaf van een tweedehands gebruiksgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het maximaal te verstrekken bedrag voor een tweedehands gebruiksgoed, zoals bedoeld in het vorige lid, bedraagt 75 procent van het bedrag dat in de Nibud-prijslijst voor dat gebruiksgoed wordt genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-4a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:4a</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand voor volledige woninginventaris</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 7:4, zesde lid, kan bijzondere bijstand voor een volledige woninginventaris in natura worden verstrekt op aanvraag van de inwoner of bij gegronde redenen om aan te nemen dat de inwoner zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van de bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ook de in het eerste lid genoemde bijzondere bijstand in natura wordt als leenbijstand verstrekt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vouchers voor meubilair en kleine huisraad. Deze vouchers kunnen worden besteed bij kringloopwinkels in Lansingerland waarmee het college een overeenkomst hiertoe heeft gesloten. De omvang van de vouchers is afhankelijk van de gezinssamenstelling en staat nader toegelicht in bijlage 3 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vouchers voor een witgoedpakket. Deze kan worden ingeleverd bij de leverancier van witgoed in de gemeente, waarmee het college een overeenkomst hiertoe heeft gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vrij besteedbaar bedrag. De hoogte hiervan is afhankelijk van de gezinssamenstelling en staat nader toegelicht in bijlage 3 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een woning die door 3B Wonen wordt toegewezen aan een asielgerechtigde die zich in Lansingerland gaat vestigen of aan een gezin waarin sprake is van gezinshereniging na een toegekende asielaanvraag, wordt gestoffeerd opgeleverd door 3B Wonen. Deze stoffering is exclusief wandbekleding. Hier kan apart bijzondere bijstand voor worden aangevraagd op grond van artikel 7:4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:5</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand voor schulden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor schulden wordt in principe geen bijzondere bijstand verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van borgtocht, indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een: gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht; of financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank, dan wel daarmee geen relatie onderhoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste lid wordt bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een lening voor de aflossing van een huurschuld indien: de huurschuld heeft geleid tot een dreigende uithuiszetting; en verlening van bijzondere bijstand redelijkerwijs de enige manier is waarop deze uithuiszetting kan worden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Aan bijstand die in de vorm van borgtocht of een lening wordt verstrekt ter aflossing van schulden, wordt de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende meewerkt aan de totstandkoming van een minnelijke regeling zoals een schuldhulpverleningstraject door de gemeente of een wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bijstand in de vorm van een lening voor aflossing van een huurschuld wordt conform de termijn die gehanteerd wordt bij schuldsanering slechts eenmaal in de vijftien jaar toegekend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-5a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:5a</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand voor kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het maximaal te verstrekken bedrag voor kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie bedraagt een inkomensafhankelijke bijdrage.</div>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage, zoals bedoeld in lid 1, stellen we vast met de “proefberekening Kinderopvangtoeslag” van de Belastingdienst op basis van het toetsingsinkomen, het benodigde aantal opvanguren per maand en het uurtarief van de kinderopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders met een inkomen tot 115% van de bijstandsnorm kunnen een beroep doen op een volledige vergoeding volgens art. 7:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.3Draagkracht en drempelbedrag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:6</span><span class=\"lf-art-t\">Draagkracht inkomen en middelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor het bepalen van het recht op bijzondere bijstand op grond van artikel 35 eerste lid van de Participatiewet, worden inkomsten boven 115% van de voor belanghebbende geldende netto bijstandsnorm, volledig in aanmerking genomen als draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om te bepalen welke middelen in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van draagkracht wordt aangesloten bij artikel 31 tot en met 34 van de Participatiewet, met uitzondering van artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet wordt niet als middel aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en wordt in beginsel voor één jaar vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bij de vaststelling van het inkomen wordt uitgegaan van het periodieke netto inkomen van de belanghebbende gedurende de maand waarin de aanvraag wordt ingediend. Als dit geen juist beeld geeft, dan wordt het gemiddelde inkomen genomen over de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en de twee voorafgaande maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Een vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode kan slechts gewijzigd worden, indien een structurele wijziging van de persoonlijke of financiële situatie van de belanghebbende daartoe aanleiding geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Bij elke volgende aanvraag om bijzondere bijstand in het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met het beslag dat reeds op de draagkracht is gelegd door eerdere afwijzingen of gedeeltelijke toewijzingen van bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.In afwijking van lid 1, geldt er geen inkomensgrens voor het recht op bijzondere bijstand voor de vergoeding van kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie zoals bedoeld in artikel 7:12.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:7</span><span class=\"lf-art-t\">Draagkracht vermogen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Van het vermogen wordt 100% in aanmerking genomen als draagkracht, voor zover het vermogen hoger is dan € 2.500,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De waarde van één auto of motorfiets wordt tot een bedrag van € 2.500,- vrijgelaten van het vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De draagkrachtperiode vangt aan op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag wordt ingediend en wordt in beginsel voor één jaar vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:8</span><span class=\"lf-art-t\">Drempelbedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een drempelbedrag, zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Participatiewet, wordt niet gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.4Vergoedingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:9</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand in de algemene kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders omdat:</p>\n<p class=\"lf-p\">De middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of Hij zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Van redelijkerwijs niet te gelde kunnen maken is sprake indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide ouders zijn overleden of in het buitenland wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager op grond van een officiële maatregel uit huis is geplaatst;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager voorafgaand aan de bijstandsaanvraag al meer dan een jaar zelfstandig woonde; en/of het op individuele gronden niet verantwoord is dat de aanvrager bij zijn ouders woont.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De bijzondere bijstand op grond van dit artikel is in ieder geval niet hoger dan toepasselijke bijstandsnorm voor de bijstandsgerechtigde van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:10</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten in verband met werk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van toeleiding naar werk, studiekosten, cursuskosten, buitengewone verwervingkosten en kinderopvang gerelateerd aan arbeidsmarktrelevante activiteiten dan wel aan sociale activering worden niet door middel van bijzondere bijstand vergoed.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:11</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten van peuterspeelzaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van de ouderbijdrage aan de peuterspeelzaal worden vergoed daar waar het Centrum voor Jeugd en Gezin aangeeft dat deelname aan de peuterspeelzaal noodzakelijk is om (dreigende) achterstanden op taal-, sociaal of emotioneel gebied te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:12</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Kosten van kinderopvang vanwege een sociaal-medische indicatie komen voor vergoeding in aanmerking als sprake is van kinderopvang voor een kind dat in verband met zijn of haar leeftijd nog niet naar de basisschool gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vergoeding vindt slechts plaats als uit een beoordeling van een sociaal-medisch adviseur blijkt dat sprake is van sociaal-medische omstandigheden, waardoor kinderopvang voor het gezin als noodzakelijk wordt aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Vergoeding op basis van dit artikel vindt plaats voor kinderopvang gedurende maximaal het aantal dagdelen per week dat is opgenomen in het advies van de sociaal-medisch adviseur. De in aanmerking te nemen kosten van kinderopvang zijn niet hoger dan de maximale uurprijs die in het Besluit kinderopvangtoeslag wordt genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Toekenning van bijzondere bijstand op basis van dit artikel vindt plaats voor bepaalde tijd tot maximaal één jaar. Verlenging is slechts mogelijk als uit onderzoek blijkt dat er voor de situatie geen andere oplossing is en als er een nieuwe indicatie is afgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:13</span><span class=\"lf-art-t\">Medische kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bijzondere bijstand wordt als hoofdregel niet verstrekt voor medische kosten. De Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg worden als passende en toereikende voorliggende voorzieningen aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In uitzonderingsgevallen is bijzondere bijstand mogelijk voor noodzakelijke medische kosten. Hiertoe moet aan de drie volgende voorwaarden worden voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van uitzonderlijke noodzakelijke kosten die (deels) niet vergoed worden via de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag om bijzondere bijstand moet gedaan zijn voordat de kosten gemaakt worden, tenzij sprake is van een spoedeisende situatie, waarin dit redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als geen bijzondere bijstand wordt verstrekt, dan is sprake van concrete betalingsproblemen voor de aanvrager of zijn gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bijzondere bijstand als bedoeld in het tweede lid is alleen maar mogelijk in de vorm van een geldlening, tenzij het aangaan van een nieuwe schuld ertoe leidt dat een schuldsaneringstraject beëindigd wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:14</span><span class=\"lf-art-t\">Bewindvoering en budgetbeheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de rechtbank een bewindvoerder toestemming geeft om in verband met de aanwezigheid van problematische schulden het hoge tarief in rekening te brengen, zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, dan komt dit hoge tarief gedurende maximaal twaalf maanden na de rechterlijke uitspraak in aanmerking voor bijzondere bijstand. Na deze periode moet de bewindvoerder onderbouwd kunnen aantonen dat hij nog steeds meer werk heeft als gevolg van de problematische schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De kosten van (vrijwillig) budgetbeheer komen voor vergoeding in aanmerking, indien: de noodzaak van het budgetbeheer voldoende onderbouwd kan worden, bijvoorbeeld door de voorgeschiedenis, de feitelijke situatie en de mate van urgentie van de belanghebbende; en de budgetbeheerder is aangesloten bij één van de brancheverenigingen voor professionele budget-beheerders en/of bewindvoerders.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bijzondere bijstand voor vrijwillig budgetbeheer wordt verleend gedurende maximaal één jaar. Eventuele verlenging na een jaar is slechts mogelijk na een schriftelijke verantwoording door de budgetbeheerder over de gang van zaken in het voorgaande jaar, waarbij moet worden toegelicht waarom belanghebbende na een jaar nog niet in staat is om zelfstandig zijn financiën te beheren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:15</span><span class=\"lf-art-t\">Collectieve zorgverzekering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college stelt een collectieve zorgverzekering beschikbaar voor belanghebbenden met een inkomen van maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Belanghebbenden die in aanmerking komen voor een collectieve zorgverzekering kunnen kiezen uit een van de volgende opties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een basisverzekering met een standaard pakket aan extra vergoedingen en dekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een basisverzekering met een uitgebreid pakket aan extra vergoedingen en dekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste lid stelt het college de collectieve zorgverzekering zoals bedoeld in het tweede lid, sub b beschikbaar voor belanghebbenden met een inkomen van maximaal 130% van de toepasselijke bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In afwijking van het eerste lid past het college de bijstandsnorm voor inwoners vanaf 21 jaar ook toe voor inwoners van 18, 19 of 20 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De polisvoorwaarden van de collectieve zorgverzekering en de eventuele bijdrage aan de kosten die door het college wordt verleend, worden jaarlijks bekend gemaakt via de gemeentelijke website.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:16</span><span class=\"lf-art-t\">Woonkostentoeslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bijzondere bijstand voor woonkosten kan in de vorm van woonkostentoeslag worden verstrekt wanneer een belanghebbende tijdelijk niet in staat is om zijn woonlasten (volledig) te betalen. Daarnaast moet zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet sprake zijn van een dreigende huisuitzetting als gevolg van het niet (volledig) betalen van de woonlasten; en belanghebbende is binnen zes maanden weer in staat om de woonlasten van de huidige woning volledig te betalen en kan dit concreet aantonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer woonkostentoeslag wordt toegekend, dan wordt aan belanghebbende tevens de verplichting opgelegd tot het zoeken van een woning met lagere woonlasten. Onder deze verplichting valt in ieder geval het aanvragen van urgentie zoals bedoeld in de Overeenkomst woonruimteverdeling 2015 van de Stadsregio Rotterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien belanghebbende een huurwoning bewoont kan alleen woonkostentoeslag worden verstrekt indien de woonlasten hoger zijn dan de grens voor huurtoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien een belanghebbende een koopwoning bewoont dan worden de volgende kosten als woonlasten in aanmerking genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De rente (en dus niet de aflossingsverplichting) die verband houdt met hebben van het eigendom van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zakelijke lasten die verband houden met het hebben van het eigendom van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college hanteert bij bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag de systematiek van de Wet op de huurtoeslag, met inbegrip van de daarin begrepen kwaliteitskorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een periode van drie maanden. Deze periode kan eenmalig met drie maanden worden verlengd wanneer belanghebbende de in het tweede lid genoemde urgentie toegekend heeft gekregen maar dit nog niet heeft geleid tot het vinden van een woning met lagere woonlasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Wanneer een belanghebbende studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 ontvangt, dan komt deze persoon niet in aanmerking voor woonkostentoeslag. De studiefinanciering geldt dan als passende en toereikende voorliggende voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:17</span><span class=\"lf-art-t\">Overbruggingsuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bijzondere bijstand voor de noodzakelijke kosten van het bestaan kan in de vorm van een overbruggings-uitkering worden verstrekt aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ex-asielzoekers die een verblijfstatus krijgen na hun verblijf via het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA);</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbenden die uit langdurige detentie komen; en belanghebbenden die zelfstandig gaan wonen na een langdurig verblijf in een intramurale instelling vanwege verslavingsproblematiek en/of een andere psychische of verstandelijke beperking, wanneer zij een uitkering op grond van de Participatiewet hebben aangevraagd en tot de eerste betaling van deze uitkering niet kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hoogte van de overbruggingsuitkering is gelijk aan de toepasselijke bijstandsnorm gedurende één maand. Deze wordt voor de categorie in het eerste lid sub a verlaagd met het door het COA verstrekte zak- en kleedgeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De overbruggingsuitkering wordt om niet verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-17a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:17a</span><span class=\"lf-art-t\">Reiskosten naar ISK en bijzonder onderwijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.We verstrekken bijzondere bijstand voor 100% van de reiskosten naar onderwijs voor:</p>\n<p class=\"lf-p\">Asielgerechtigde inwoners van Lansingerland die voortgezet onderwijs volgen in een Internationale Schakelklas (ISK) buiten Lansingerland;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen die in Lansingerland wonen en speciaal onderwijs volgen buiten Lansingerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college hanteert bij bepaling van de hoogte van de reiskostenvergoeding de kosten van het goedkoopst adequate vervoer voor de afstand tussen het woonadres en het adres van de school waarop de inwoner is ingeschreven en het betreffende aantal schoolweken. Dit kunnen gemaakte kosten zijn voor openbaar vervoer of een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer een belanghebbende niet naar school gaat, dan vervalt het recht op bijzondere bijstand volgens dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.5Procedure</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:18</span><span class=\"lf-art-t\">Procedure</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een belanghebbende moet een aanvraag om bijzondere bijstand indienen en ter beoordeling voorleggen voordat hij de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. Hierbij wordt de datum waarop een verplichting wordt aangegaan, aangemerkt als de datum waarop de kosten worden gemaakt. Bijzondere bijstand wordt niet verstrekt voor kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag om incidentele bijzondere bijstand worden ingediend tot drie maanden nadat de kosten zijn gemaakt, wanneer van de aanvrager in redelijkheid niet kan worden verwacht dat deze de aanvraag indient voordat de kosten zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Binnen twee weken na uitbetaling van de bijzondere bijstand moet de belanghebbende een nota van aanschaf overleggen, waaruit blijkt dat hij de verstrekking heeft aangewend voor het doel waarvoor deze is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In gevallen waarin de nota niet overgelegd wordt of indien blijkt dat de verstrekking niet is aangewend waarvoor het bedoeld was, wordt de verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.6Individuele inkomenstoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:19</span><span class=\"lf-art-t\">Recht op toeslag bij inkomsten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Uitkeringsgerechtigden met een inkomen uit een parttime dienstverband kunnen in aanmerking komen voor de volledige individuele inkomenstoeslag in de gevallen dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het parttime dienstverband niet verwijtbaar is omdat er geen mogelijkheid is geweest tot uren-uitbreiding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende zich naar het oordeel van het college voldoende heeft ingespannen om het parttime dienstverband uit te breiden; en het totale inkomen niet de inkomensgrens zoals gesteld in artikel 7:3 van de Verordening Sociaal Domein overschrijdt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:20</span><span class=\"lf-art-t\">Referteperiode</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Uitkeringsgerechtigden die door incidentele inkomsten de onafgebroken periode van drie jaar zoals bedoeld in artikel 7:1 van de Verordening Sociaal Domein doorkruisen, kunnen in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag in de gevallen dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dienstverband waarin de incidentele inkomsten zijn verdiend aantoonbaar niet is beëindigd door verwijtbaar gedrag van de uitkeringsgerechtigde; en het volledige netto maandinkomen van de uitkeringsgerechtigde door de incidentele inkomsten niet hoger is dan de som van de individuele inkomenstoeslag en het normbedrag, geldend op de peildatum van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt afgestemd op het verschil tussen het bedrag van de individuele inkomenstoeslag en het volledige netto maandinkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:21</span><span class=\"lf-art-t\">Uitzicht op inkomensverbetering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In de volgende gevallen is in elk geval geen sprake van zicht op inkomensverbetering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende is ten tijde van de aanvraag ontheven van alle arbeidsverplichtingen; of Belanghebbende kan naar het oordeel van het college niet binnen een half jaar uitstromen naar betaald werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer de uitkering van een belanghebbende op grond van onderdeel 7.3 (Afstemming) van de Verordening Sociaal Domein tijdelijk wordt verlaagd, dan heeft deze belanghebbende door eigen toedoen geen uitzicht op inkomensverbetering. In dat geval start een nieuwe referteperiode vanaf de datum waarop de verlaging is opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.7Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:22</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule, onvoorziene omstandigheden</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in dit onderdeel, indien toepassing van deze regels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>In gevallen waarin dit onderdeel niet voorziet, beslist het college.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 7.2Individuele studietoeslag</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-723\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.23</span><span class=\"lf-art-t\">Dringende redenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-723a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.23a</span><span class=\"lf-art-t\">Tussentijdse beëindiging studie</span></h4>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Het recht op individuele studietoeslag vervalt indien belanghebbende de studie tussentijds beëindigt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Indien een belanghebbende de studie tussentijds beëindigt, vordert het college het deel van de individuele studietoeslag waar belanghebbende hierdoor niet langer recht op heeft terug.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-724\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7.24</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van individuele omstandigheden kan het college ten gunste van een belanghebbende afwijken van artikel 7:23a.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3Algemene bijstand 7.3.1Verlaging van de uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:25</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit onderdeel wordt verstaan onder woonkosten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een huurwoning wordt bewoond, de huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag geldend op de datum van ingang van de beschikking waarbij de huurtoeslag is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:26</span><span class=\"lf-art-t\">Ontbreken van woonkosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als een belanghebbende die 21 jaar of ouder is geen woonkosten heeft voor de woning die hij bewoont dan vindt een verlaging plaats van 20 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Van ontbrekende woonkosten is in ieder geval sprake:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het niet aanhouden van een woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld bij het bewonen van een gekraakte woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonkosten van de woning betaalt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:27</span><span class=\"lf-art-t\">Verlaging van de uitkering bij vroegtijdige schoolverlaters</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor een belanghebbende als bedoeld in artikel 28 van de Participatiewet vindt een verlaging plaats met 10 procent van de norm bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet gedurende zes maanden na het tijdstip van de beëindiging aan onderwijs of een beroepsopleiding. Deze verlaging geldt alleen voor belanghebbenden in de leeftijd van 21 of 22 jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in dit onderdeel, indien toepassing van deze regels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.2Krediethypotheek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28a</span><span class=\"lf-art-t\">Krediethypotheek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij het verstrekken van bijstand in de vorm van een krediethypotheek, wordt de waarde van de woning vastgesteld op de actuele WOZ-waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Belanghebbende dient bij het aanvragen van bijstand in de vorm van een krediethypotheek een bewijs te overleggen van de opstalverzekering van het onroerend goed waar de krediethypotheek op wordt gevestigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.3Onderhuur en kostgangers</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28b</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze paragraaf wordt verstaan onder: onderhuur: situatie waarin een deel van de eigen of gehuurde zelf bewoonde woning ter bewoning aan een derde wordt verhuurd; kostgangerschap: situatie van onderhuur waarbij het gebruik van maaltijden, gas, licht en water in de huurprijs is inbegrepen; minimumloon: de gehuwdennorm bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28c</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwaarden voor een commerciële overeenkomst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen vaststellen of er sprake is van een commerciële overeenkomst aangaande huur, onderhuur of kostgeverschap als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b en c van de Participatiewet en artikel 5, achtste lid, onderdeel b en c van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet sprake zijn van een schriftelijke overeenkomst waarin de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn en waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de prijs voor huisvesting en overige diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de schriftelijke overeenkomst moet zijn opgenomen dat de verschuldigde vergoeding periodiek wordt verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarover de schriftelijke overeenkomst van toepassing is moet in de overeenkomst worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schriftelijke overeenkomst moet zijn gedateerd en ondertekend door huurder en verhuurder of onderhuurder en onderverhuurder of kostganger en kostgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schriftelijke overeenkomst moet tot stand zijn gekomen met instemming van de eigenaar van de onderhavige woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhavige woning in de overeenkomst moet beschikken over een ruimte die zich leent voor afzonderlijke, zelfstandige bewoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet op verzoek worden aangetoond dat er sprake is van periodieke bancaire betalingen voor de geleverde prestaties via bank- of giroafschriften of op digitale wijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overeengekomen prijs moet in verhouding staan tot wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28d</span><span class=\"lf-art-t\">Commerciële prijs</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een prijs die in verhouding staat tot wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is als bedoeld in artikel 7:28c, sub h, betekent in ieder geval:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding voor enkel huisvesting van minimaal 20% van de bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 21, sub b van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding aan een kostgever van minimaal 35% van de bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 21 sub b van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28e</span><span class=\"lf-art-t\">Verrekening inkomsten uit verhuur of kostgeverschap</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ontvangen vergoeding uit een commerciële overeenkomst als bedoeld in artikel 7:28c voor verhuur wordt in beginsel onder aftrek van een bedrag 5% van het minimumloon als inkomsten in mindering gebracht op de te ontvangen bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontvangen vergoeding uit een commerciële overeenkomst als bedoeld in artikel 7:28c vanwege een kostganger wordt onder in beginsel onder aftrek van een bedrag van 20% van het netto minimumloon als inkomsten in mindering gebracht op de te ontvangen bijstand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28f</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.4Vermogen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28g</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte vermogen bij bezit auto of motorfiets</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De waarde van één auto of motorfiets in het bezit van belanghebbende(n) wordt tot een hoogte van € 2.500,- buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hoogte van de waarde als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op basis van de BOVAG koerslijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Van auto’s of motorfietsen ouder dan tien jaar wordt verondersteld dat deze een waarde hebben die lager is dan € 2.500,-, tenzij het gaat om een voertuig waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat het een hogere waarde heeft, zoals een klassieker.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als het voertuig ouder is dan tien jaar en er verondersteld wordt dat de waarde redelijkerwijs hoger is dan € 2.500,- wordt de waarde ingeschat aan de hand van vergelijkbaar aanbod op de markt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28h</span><span class=\"lf-art-t\">Bepalen vermogen bij verhuizing vanuit andere gemeente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een belanghebbende afkomstig is uit een andere gemeente en daar ook bijstand ontving, wordt onder de volgende voorwaarden aangesloten bij de vermogensvaststelling en het restant vrij te laten vermogen zoals vastgesteld door de gemeente van vertrek:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zitten maximaal 30 dagen tussen de beëindiging van de bijstand in de gemeente van vertrek, en de toekenning van de bijstand in onze gemeente;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen wijzigingen opgetreden in de hoogte van de vermogensgrens;</p>\n<p class=\"lf-p\">De bankafschriften over de onderbrekingsperiode geven geen aanleiding voor het opnieuw onderzoeken van het aanwezige vermogen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen overige reden om te twijfelen aan de juistheid van het vastgestelde vermogen door de gemeente van vertrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.5Bijstandsverlening zelfstandigen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-28i\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:28i</span><span class=\"lf-art-t\">Ondersteuning door Regionaal Bureau Zelfstandigen Rotterdam</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college geeft gemeente Rotterdam de opdracht tot uitvoering van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Startende en gevestigde zelfstandig ondernemers die in aanmerking komen voor ondersteuning vanuit het Bbz en de Wet IOAZ dienen hiervoor een aanvraag in bij het Regionaal Bureau Zelfstandigen van gemeente Rotterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Regionaal Bureau Zelfstandigen hanteert voor de beoordeling van ondersteuningsaanvragen de ‘Beleidsregels opschorting, intrekking en terug-en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017’ en de ‘Beleidsregels Zelfstandigen Rotterdam’ die in werking treden per 1 januari 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4Terugvordering 7.4.1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:29</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Alle begrippen die in dit onderdeel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In dit onderdeel wordt verstaan onder:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van bijstand: de door de gemeente betaalde bijstand verhoogd met de afgedragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de Belastingdienst en het UWV, behoudens de in artikel 7:36, tweede lid genoemde uitzonderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte bijstand als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de wet SUWI.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:30</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik maken van de wettelijke bevoegdheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheid tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herzien of intrekken van een besluit tot toekenning van bijstand ingevolge het bepaalde in artikel 54, derde en vierde lid, van de Participatiewet, artikel 17, vierde lid van de IOAW en artikel 17, derde lid van de IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand ingevolge het bepaalde in de artikelen 58, tweede lid en 59 van de Participatiewet, artikel 25, tweede lid en artikel 26, tweede lid van de IOAW en artikel 25, tweede lid en artikel 26, tweede lid van de IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.2Afzien van terugvordering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:31</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan afzien van terugvordering indien het totaal aan vorderingen lager is dan € 100,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:32</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van terugvordering conform zesmaandenjurisprudentie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van het bepaalde in artikel 7:30 beperkt het college - in het geval dat bij het college gegevens bekend zijn geworden die hadden moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de bijstand - de terug te vorderen kosten van bijstand tot een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop bij het college gegevens bekend zijn geworden die hadden moeten leiden tot wijziging of beëindiging van de bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de bijstand ten onrechte is verstrekt omdat de belanghebbende de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk is nagekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:33</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van terugvordering bij dringende reden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college ziet af van terugvordering indien hiertoe een dringende reden aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.3Invordering van teruggevorderde bijstand</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:34</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruik maken van de bevoegdheid tot invorderen bij dwangbevel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot invorderen bij dwangbevel ten behoeve van het incasseren van vorderingen zoals bedoeld in artikel 60, tweede lid van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:35</span><span class=\"lf-art-t\">Eisen aan een invorderingsbesluit in een herzienings-, intrekkings- en terugvorderingsbeschikking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan besluiten dat een invorderingsbesluit wordt opgenomen in een beschikking tot herziening, intrekking en/of terugvordering van bijstand van een belanghebbende ten aanzien van wie het college een vordering stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het invorderingsbesluit als bedoeld in het eerste lid omvat de volgende punten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van (het saldo van) de netto vordering en indien van toepassing ook de bruto vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De datum waarop de betalingsverplichting ingaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid voor belanghebbende om binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4:87 van de Awb een betalingsregeling te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van het college tot wijziging van de vastgestelde betalingsverplichting na een draag-krachtonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 van de Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 van de Awb over aanmaning en invordering bij dwangbevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:36</span><span class=\"lf-art-t\">De betalingsverplichting: netto of bruto</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het besluit tot terugvordering wordt in beginsel de gehele vordering, berekend naar de kosten van bijstand, meegedeeld aan belanghebbende. De vaststelling van deze vordering geldt dan voor belang-hebbende als de opgelegde betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Belanghebbende kan volstaan met een netto betaling van de vordering wanneer:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar en belanghebbende de vordering voldoet vóór het einde van het boekjaar; of de vordering niet is voldaan vóór het einde van het boekjaar waarop deze betrekking heeft, maar belanghebbende niet kan worden verweten dat een vordering is ontstaan en evenmin kan worden verweten dat de vordering niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:37</span><span class=\"lf-art-t\">De minnelijke betalingsregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een belanghebbende kan binnen de betalingstermijn van zes weken als bedoeld in artikel 4:87 van de Awb een gemotiveerd verzoek indienen onder overlegging van bewijsstukken om een betalingsregeling te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Na ontvangst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid stelt het college na onderzoek van de bewijs-stukken en de persoonlijke situatie van belanghebbende de maandelijkse aflossingscapaciteit vast. Het college stelt vervolgens aan belanghebbende voor om deze aflossingscapaciteit te hanteren als maandelijkse aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien belanghebbende niet akkoord gaat met het in het tweede lid genoemde voorstel of wel akkoord gaat maar de hieruit voortvloeiende betalingsafspraak niet nakomt, geldt het bepaalde in artikel 7:36, eerste lid en 7:43 onverkort.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-38\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:38</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling hoogte maandelijkse aflossingscapaciteit bij bijstandsuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien een bijstandsgerechtigde een aflossingsverplichting heeft jegens het college als gevolg van ontvangen leenbijstand of een of meerdere lopende vorderingen, dan wordt de aflossingsverplichting vastgesteld op 10% van de toepasselijke bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid genoemde aflossingscapaciteit kan niet hoger zijn dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van beslaglegging door een schuldeiser anders dan het college kan de aflossingsverplichting ingevolge het eerste lid voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Inhoudingen ten aanzien van een vordering gaan voor op de aflossing van leenbijstand. Zodra er een nieuwe vordering ontstaat, wordt de inhouding hiervoor vóór eventuele bestaande aflossingen van leenbijstand geplaatst. De aflossing van de lening gaat pas weer lopen zodra de vordering volledig is voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-39\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:39</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling hoogte maandelijkse aflossingscapaciteit niet-uitkeringsgerechtigde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verschuldigde bedrag wordt middels een beschikking kenbaar gemaakt aan de belanghebbende, waarbij binnen zes weken het bedrag naar de gemeente dient te worden overgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De belanghebbende kan binnen zes weken na de verzenddatum van het besluit kenbaar maken een betalingsregeling te willen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij intrekking of beëindiging van bijstand wordt gedurende twaalf maanden na de verzenddatum van dit besluit vastgesteld op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de bijstandsperiode; of het bedrag dat belanghebbende op grond van het gestelde in artikel 7:38 diende af te lossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Na afloop van de termijn van twaalf maanden na verzenddatum van het intrekkings- of beëindigingsbesluit, voert het college een onderzoek uit naar de maandelijkse aflossingscapaciteit van belanghebbende. Het college stelt vervolgens aan belanghebbende voor om deze actuele aflossingscapaciteit te hanteren als maandelijkse aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien belanghebbende tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen ontvangt dan een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, dan voert het college een onderzoek uit naar de maandelijkse aflossingscapaciteit van belanghebbende. Het college stelt vervolgens aan belanghebbende voor om deze actuele aflossingscapaciteit te hanteren als maandelijkse aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Indien belanghebbende niet akkoord gaat met het in het tweede en derde lid genoemde voorstel of wel akkoord gaat maar de hieruit voortvloeiende betalingsafspraak niet nakomt, geldt het bepaalde in artikel 7:36, eerste lid en 7:43 onverkort.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het in het tweede en derde lid genoemde onderzoek naar de aflossingscapaciteit van belanghebbende wordt periodiek, doch uiterlijk binnen drie jaar, herhaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-40\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:40</span><span class=\"lf-art-t\">Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij gegronde redenen die onmiskenbaar kunnen leiden tot wijziging van de eerder vastgestelde maandelijkse aflossingsverplichting, kan het college een draagkrachtonderzoek instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer het college als gevolg van een tussentijds draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging van de eerder opgelegde betalingsverplichting, wordt belanghebbende hiervan in kennis gesteld bij brief, alsmede van de ingangsdatum van deze nieuwe verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het draagkrachtonderzoek zoals genoemd in het tweede lid bevat in ieder geval een gesprek met belang-hebbende.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:41</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot: een wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting als bedoeld in artikel 4:94 van de Awb, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over dit verzoek en deelt dit aan belanghebbende mee bij brief.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-42\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:42</span><span class=\"lf-art-t\">Voldoen aan de betalingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een opgelegde betalingsverplichting kan worden voldaan door:</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling van de maandelijkse termijn door een belanghebbende, of Verrekening van het maandelijkse vastgestelde termijnbedrag als bedoeld in deze beleidsregels met de maandelijkse betaling van de bijstand op grond van het bepaalde in artikel 58, vierde lid en artikel 60 derde en vierde lid van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-43\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:43</span><span class=\"lf-art-t\">Niet of niet meer nakomen van de betalingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekening met de maandelijks verleende bijstand op grond van artikel 58, vierde lid en artikel 60 derde en vierde lid van de Participatiewet, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, op basis van de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 van de Awb, nadat de betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in artikel 4:117 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.4Kwijtschelding</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-44\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:44</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of leenbijstand indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand of leenbijstand tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvordering van kosten van bijstand het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvordering van kosten van bijstand het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het de terugvordering van kosten van bijstand betreft die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid aanhef en onder b van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op de goederen verhaald kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of leenbijstand als bedoeld in het eerste lid treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en belang-hebbende een schuldregeling overeenkomstig het eerste lid tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of leenbijstand wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekend gemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-45\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:45</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding restant vordering anders dan bij schuldregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand indien de belanghebbende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75 procent van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 75 procent van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid, aanhef en sub a of b slechts genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht. Tot toepassing van het eerste lid aanhef en onder c van dit artikel wordt uitsluitend ambtshalve besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid onder a en b genoemd percentage van 75 procent is niet van toepassing en de in het eerste lid onder a en b genoemde termijn van vijf jaar wordt op drie jaar gesteld indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode niet hoger was dan 90% van de voor belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm; en de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvordering van kosten van bijstand als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvordering van kosten van algemene bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-45a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:45a</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding restant leenbijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan op schriftelijk verzoek van een belanghebbende besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verstrekte leenbijstand indien de belanghebbende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende drie jaar volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan en tenminste 75% van de hoofdsom van de leenbijstand heeft voldaan, of Op het moment van het indienen van het verzoek al minimaal zes maanden bijstandsonafhankelijk is en tenminste 50% van de hoofdsom van de leenbijstand heeft voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Dit artikel is niet van toepassing op verstrekte geldleningen voor algemene bijstand of krediethypotheken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.5Overige bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:46</span><span class=\"lf-art-t\">Rente en kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging als bedoeld in artikel 7:42 dan kan het college de vordering jaarlijks verhogen met kosten, ten bedrage van maximaal 15 procent van de hoofdsom.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-46a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:46a</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in dit onderdeel, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5Verhaal 7.5.1Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:47</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college maakt gebruik van de bevoegdheden ingevolge het bepaalde in de artikelen 61 tot en met 62i van de Participatiewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:48</span><span class=\"lf-art-t\">Verhaal van kosten van bijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verhaalt de kosten van bijstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die bij het ontbreken van een gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de nalatenschap van de persoon indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan die persoon ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand is verleend of anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen en voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Behoudens in de gevallen als bedoeld in het eerste lid, sub e, onder 2, worden kosten van bijstand die meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt, niet verhaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:49</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking van de toepassing van verhaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking van toepassing van verhaal geschiedt op twee gronden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhoudsverplichting ten behoeve van de ex-echtgenoot is beperkt tot twaalf jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand (Wet limitering alimentatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf jaren en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.2Afzien van verhaal 7:50Afzien van verhaal bij kruimelbedragen Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit indien het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 25,- per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7:51Afzien van verhaal bij dringende redenen Het college ziet af van het nemen van een verhaalsbesluit indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:52</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 7:48 en 7:49 kan het college, op verzoek van degene op wie verhaald wordt, geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal van kosten van bijstand voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald vanwege het verhaal zijn schulden niet kan blijven afbetalen; en redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:53</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt pas in werking nadat een schuldregeling tussen het college en/of schuldeisers als bedoeld in artikel 7:52, aanhef en sub b tot stand is gekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:54</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking van het besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 7:52.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:55</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van verhaal anders dan bij een schuldregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan in onderstaande situaties besluiten ambtshalve kwijtschelding te verlenen van een door de rechtbank bekrachtigde vordering aan onderhoudsbijdrage:</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende heeft gedurende vijf jaar geen betalingen verricht en het is niet aannemelijk dat er op enig moment in de toekomst betaald zal worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingestelde incassomaatregelen hebben gedurende vijf jaar niet geleid tot het ontvangen van aflossingen, en het is niet aannemelijk dat incasso op enig moment in de toekomst wel tot ontvangsten zal leiden; of bij een onderzoek naar de aflossingscapaciteit blijkt dat er op dat moment geen aflossingscapaciteit is en dat het niet aannemelijk is dat er op enig moment in de toekomst wel een aflossing kan worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.3Mate van onderhoudsplicht en vaststelling verhaalsbijdrage</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:56</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling van de onderhoudsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage wordt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgesteld aan de hand van de geldende maatstaven en de omstandigheden die van belang zijn wanneer de rechter dient te beslissen over de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde Trema-normen en de gegevens betreffende de inkomsten en uitgaven; of Ambtshalve vastgesteld op de netto bijstand indien de onderhoudsplichtige verzuimt gegevens te verstrekken betreffende de inkomsten en uitgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.4Verhalen van rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:57</span><span class=\"lf-art-t\">Verhaal op grond van een rechterlijke uitspraak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien degene op wie wordt verhaald een bij rechterlijke uitspraak vastgesteld bedrag niet voldoet, wordt verhaald in overeenstemming met deze rechterlijke uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het besluit tot verhaal overeenkomstig de rechterlijke uitspraak wordt in dat geval bij brief meegedeeld aan degene op wie wordt verhaald met de verplichting om het verschuldigde bedrag binnen dertig dagen na verzenddatum van de brief te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Degene op wie wordt verhaald kan binnen de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden tegen het besluit tot verhaal in verzet komen door een verzoekschrift aan de rechtbank. Indien tijdig verzet is gedaan, wordt de invordering pas voortgezet zodra het verzet is ingetrokken of ongegrond is verklaard op grond van artikel 62b, tweede lid van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verschuldigde bedrag wordt door het college bij dwangbevel ingevorderd op grond van artikel 62b, vierde lid van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die op kosten van de schuldenaar wordt betekend en met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer wordt gelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:58</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging van de door de rechter vastgestelde onderhoudsbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het door de rechter vastgestelde verhaalsbedrag kan op verzoek van het college of van degene op wie verhaal wordt uitgeoefend door de rechter worden gewijzigd op grond van gewijzigde omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college verzoekt de rechter het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen, indien de rechter:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak zou kunnen wijzigen op de gronden genoemd in de artikelen 1:157 en 1:401 van het Burgerlijk Wetboek; of geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.5Het verhaalsbesluit</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:59</span><span class=\"lf-art-t\">Het verhaalsbesluit</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een besluit tot verhaal op grond van artikelen 7:47 en 7:48 wordt door het college aan degene op wie verhaal wordt gezocht meegedeeld. Het besluit vermeldt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ingangsdatum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag of de bedragen waarvan betaling wordt verlangd; en de termijn of termijnen waarbinnen betaling wordt verlangd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij verhaal op de nalatenschap kan de mededeling worden gericht tot de langstlevende echtgenoot of één der erfgenamen die geacht kan worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.6Verhaal in rechte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:60</span><span class=\"lf-art-t\">Besluit tot verhaal in rechte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan de gemeente te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, besluit het college tot verhaal in rechte middels het indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank op grond van artikel 62g, tweede lid en 62h, eerste tot en met derde lid van de Participatiewet. De uitspraak van de rechter levert een executoriale titel op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan om redenen van doelmatigheid geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal in rechte.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.7Heronderzoek</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:61</span><span class=\"lf-art-t\">Onderzoek naar draagkracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college verricht onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van de verhaalsbijdrage. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.8Invordering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:62</span><span class=\"lf-art-t\">Niet voldoen aan een door de rechter vastgestelde verhaalsbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belanghebbende niet bereid blijkt de door de rechter vastgestelde bijdrage voor levensonderhoud of de op verzoek van het college vastgestelde bijdrage te voldoen dan wordt die uitspraak ten uitvoer gelegd door middel van executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:63</span><span class=\"lf-art-t\">Rente en kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 7:62 dan wordt de vordering jaarlijks verhoogd met kosten, ten bedrage van maximaal 15 procent van de hoofdsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6Bestuurlijke boete</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:64</span><span class=\"lf-art-t\">Begrippen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De begripsbepalingen van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) zijn onverkort op dit onderdeel van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:65</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte bestuurlijke boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op een percentage van het benadelingsbedrag, waarbij zij naar boven wordt afgerond op hele tientallen. Het percentage hangt af van de mate van verwijtbaarheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">100% bij opzet;</p>\n<p class=\"lf-p\">75% bij grove schuld;</p>\n<p class=\"lf-p\">50% bij normale, gemiddelde verwijtbaarheid;</p>\n<p class=\"lf-p\">25% bij verminderde verwijtbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In aanvulling op het eerste lid bedraagt de boete maximaal € 83.000 bij opzet en maximaal € 8.300,- in overige gevallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:66</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte bestuurlijk boete bij nulfraude</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij een schending van de inlichtingenplicht die niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, waarbij er in de twee voorafgaande jaren geen waarschuwing is gegeven voor een schending van de inlichtingenplicht, wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij een schending van de inlichtingenplicht die niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, waarbij er in de twee voorafgaande jaren een waarschuwing is gegeven voor een schending van de inlichtingenplicht, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op € 150,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verlagen of afzien van een bestuurlijke boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Bij het volledig ontbreken van verwijtbaarheid wordt geen bestuurlijke boete opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De mate van verwijtbaarheid wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeerde op het moment van de schending van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Als dringende redenen worden vastgesteld, dan ziet het college af van het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit besluit wordt vastgelegd in een beschikking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-67a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:67a</span><span class=\"lf-art-t\">Matigen boete op grond van draagkracht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbende de op grond van de artikelen 7:65 tot en met 7:67 opgelegde boete niet in één keer kan betalen, dan wordt de boete als volgt gematigd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij opzet bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 24 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar boven afgerond op een veelvoud van €10,–; bij grove schuld bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 18 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar boven afgerond op een veelvoud van €10,–; bij normale verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 12 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar boven afgerond op een veelvoud van €10,–; bij verminderde verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 6 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar boven afgerond op een veelvoud van €10,–;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:68</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in dit onderdeel indien toepassing van de regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In gevallen waarin dit onderdeel niet voorziet, beslist het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7Schuldhulpverlening</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:69</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle begrippen die worden gebruikt en die niet nader worden beschreven hebben in dit onderdeel dezelfde betekenis als in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:70</span><span class=\"lf-art-t\">Aanbod schuldhulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college verleent aan een verzoeker schuldhulpverlening indien het college dit noodzakelijk acht. De aanvraag wordt getoetst aan de visie, criteria en uitgangspunten zoals neergelegd in het Beleidsplan schuldhulpverlening 2016-2020 van de gemeente Lansingerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De vorm waarin de gemeente schuldhulpverlening aanbiedt is van meerdere factoren afhankelijk en kan dus per persoon verschillen. Bij de aanmelding wordt een klantprofiel samengesteld waarbij de volgende factoren een rol spelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De mate van financiële zelfredzaamheid van de verzoeker.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivatie en vaardigheden van de verzoeker.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanwezigheid van psychosociale problematiek en/of verstandelijke of lichamelijke beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het schuldenpakket.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het soort schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal schuldeisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De gemeentelijke schuldhulpverlening kan onder andere bestaan uit het volgende productenaanbod:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlichting, informatie en advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budgetadvies, budgetbegeleiding en budgetbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Crisisinterventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schuldregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgifte verklaring ingevolge de Wet schuldsanering natuurlijke personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nazorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:71</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Verzoeker doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de op hem van toepassing zijnde schuldhulpverlening of voor de uitvoering van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Verzoeker is verplicht om desgevraagd alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het gaat hierbij o.a. om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nakomen van afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zich houden aan alle bepalingen en voorwaarden als genoemd in de overeenkomsten tot schuldregeling en budgetbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zoveel mogelijk aflossingscapaciteit creëren door het verruimen van inkomen, inzetten van beschikbaar vermogen en het minimaliseren van uitgaven, en deze aflossingscapaciteit te gebruiken ter vermindering of aflossing van de schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet aangaan van nieuwe schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het actief deelnemen aan een cursus of cursussen gericht op het voorkomen van (nieuwe) schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan besluiten om schuldhulpverlening te weigeren dan wel te beëindigen indien verzoeker niet of in onvoldoende mate zijn verplichtingen nakomt zoals bedoeld in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Alvorens te besluiten tot weigering dan wel beëindiging ingevolge het derde lid, wordt verzoeker eenmaal een hersteltermijn van maximaal vier weken geboden om alsnog informatie te verstrekken en/of de gevraagde medewerking te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De in dit artikel genoemde verplichtingen gelden zowel in de fase dat een verzoek of aanvraag om schuldhulpverlening is gedaan als gedurende de looptijd van het schuldhulpverleningstraject.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-71a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:71a</span><span class=\"lf-art-t\">Richtlijnen bij het toekennen of weigeren van schuldhulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college weigert een aanbod schuldhulpverlening te doen als:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schuldhulpverlening door het college niet noodzakelijk wordt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college vaststelt dat er sprake is van een (op dat moment) niet regelbare schuld of niet regelbare schuldenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de verzoeker al in staat van faillissement is verklaard of de wettelijke schuldsanering van toepassing is verklaard op verzoeker.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij het besluit om een aanbod schuldhulpverlening wel of niet toe te kennen wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen in hoofdstuk 5 van het beleidsplan 2016-2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In situaties waarin het college een aanbod schuldhulpverlening weigert, wordt, indien mogelijk, wel informatie en advies aan de verzoeker of aanvrager gegeven. Ook wordt bezien of doorverwijzing naar een andere (schuld)hulpverlener mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:72</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging van schuldhulpverlening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd de overige bepalingen van deze beleidsregels, kan het college besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening. Het college kan in ieder geval besluiten om de schuldhulpverlening te beëindigen indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoeker niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan een of meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 7:71, eerste en tweede lid, van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoeker niet langer inwoner is van de gemeente en er nog geen minnelijke schuldregeling tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoeker in staat is om zijn schulden zelf te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het minnelijk traject tot schuldregelen niet is geslaagd, omdat een of meerdere schuldeisers geen medewerking verlenen en de Wet schuldsanering natuurlijke personen geen mogelijkheid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoeker zich niet naar vermogen inspant om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geboden hulp, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, niet (langer) passend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er een aanbod schuldhulpverlening is gedaan op grond van gegevens die nadien blijken onjuist te zijn en, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoeker zich misdraagt ten opzichte van medewerkers die zijn belast met de uitvoering van schuldhulp-verlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoeker is komen te overlijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel7:73</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de verzoeker of belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels, indien toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorziet, beslist het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:1</span><span class=\"lf-art-t\">Uitvoering van deze regels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college van burgemeester en wethouders is belast met de uitvoering van hetgeen in deze beleidsregels is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan de uitvoering van één of meerdere bepalingen opdragen aan door hem in het mandaat-besluit aan te wijzen ambtenaren, met behoud van zijn verantwoordelijkheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:2</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregels treden op 1 januari 2020 in werking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:3</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekken oude beleidsregels</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De volgende beleidsregels worden met de inwerkingtreding van deze beleidsregels ingetrokken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsregels sociaal domein juli 2019, T19.11169 , gemeente Lansingerland</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel8:4</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland”</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus vastgesteld door het college van B&amp;W van de gemeente Lansingerland in haar openbare vergadering op 7 januari 2020.De secretaris Lucas Vokurka De burgemeesterDrs. Pieter van de StadtBijlage1:Financiële richtlijnen Wmo</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eigen bijdrage in de kosten: een door de raad vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura of een pgb betaald moet worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt; pgb: een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke voorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de aanvrager;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicatie: een integraal advies over de noodzaak en compensatiemogelijkheid van een aangevraagde voorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstandsnorm: de voor betrokkene op grond van de Participatiewet geldende bijstandsnorm;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten gebruik collectief vraagafhankelijk vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer wordt overeenkomstig het OV tarief een bedrag per kilometerafgerekend. Elk jaar wordt opnieuw nagegaan wat het dan geldende tarief is voor vaststelling van de kosten per kilometer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruiksbeperkingen collectief vraagafhankelijk vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer binnen het vervoersgebied geldt de volgende gebruiksbeperking:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikers met een indicatie van het CVV kunnen jaarlijks maximaal 1500 kilometer gebruiken tegen het openbaar vervoertarief;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikers met een indicatie en een aantoonbare extra vervoersbehoeft hebben recht op extra kilometers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikers met een indicatie kunnen een begeleider meenemen indien daartoe een indicatie is afgegeven. Voor de begeleider wordt hetzelfde tarief gehanteerd als voor de belanghebbende en deze heeft daarom ook recht op maximaal het aantal geïndiceerde kilometers. De begeleider heeft alleen recht op het aantal kilometers indien begeleider en belanghebbende samen reizen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikers mogen hun kilometers naar eigen inzicht besteden met uitzondering van inzet voor woon-werkverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het recht op een begeleiderspas voor het CVV gelden in beginsel de volgende criteria: de gebruiker heeft begeleiding nodig tijdens het vervoer in de taxi (medisch en/of psychosociaal) of; de gebruiker is niet in staat om bij vertrek of aankomst zich zelfstandig voort te bewegen, ook niet met gebruikmaking van een elektrische of handbewogen rolstoel of; de gebruiker heeft een visuele beperking en kan zich niet zelfstandig redden op voor hem/haar onbekende plaatsen of; de gebruiker heeft een verstandelijke beperking waardoor begeleiding noodzakelijk is of; de gebruiker heeft een psychiatrisch of psychosociaal probleem waardoor begeleiding noodzakelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Toekenning collectief vraagafhankelijk vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal kilometers wordt toegekend vanaf de eerste dag van de maand van aanvraag en naar rato van het jaartotaal vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het maximale aantal kilometers wordt voor de duur van een kalenderjaar aan gebruikers van het CVV toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er op 1 januari van een nieuw kalenderjaar nog kilometers over zijn van het voorafgaande jaar dan komen deze kilometers te vervallen, de resterende kilometers mogen niet worden meegenomen naar een volgend kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking scootmobiel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de verstrekking van een scootmobiel wordt gekeken naar de verplaatsingsbehoefte in de omgeving van de woning. Er wordt rekening gehouden met: hand en armfunctie vermogen tot lopen de specifieke verplaatsingsbehoefte in de nabije omgeving (zoals boodschappen doen);</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Voorzieningen ten behoeve van gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een scootmobiel goed te kunnen gebruiken, kan het zijn dat er accessoires of een training voor het gebruik nodig zijn. De volgende mogelijkheden worden daarbij eventueel aangeboden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Scootmobieltraining Voor een adequaat en zorgvuldig gebruik van de rolstoel/scootmobiel is het van belang dat de gebruiker goed met de rolstoel/scootmobiel overweg kan en zonder schade toe te brengen aan de rolstoel/scootmobiel stoepen e.d. kan nemen. Het goed overweg kunnen met de scootmobiel vergroot niet alleen de zelfstandigheid, veiligheid en de mogelijkheden van de gebruiker; zorgvuldig omgaan met de scootmobiel bevordert tevens de levensduur van de rolstoel/scootmobiel en voorkomt schade en extra onderhoud. Indien er bij de indicatie wordt aangegeven dat een scootmobieltraining noodzakelijk is dan wordt deze op grond van de Wmo vergoed. De training wordt in beginsel gegeven door de leverancier.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Scootmobielaccessoires De kosten van medisch noodzakelijke accessoires worden vergoed op grond van de Wmo. De indicatie is leidend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Verzekering, onderhoud en reparaties Indien een scootmobiel in bruikleen wordt verstrekt dan is tevens door de gemeente voorzien in de kosten van verzekering, onderhoud en reparatie. Indien een pgb wordt verstrekt dan wordt in de hoogte van het te verstrekken pgb rekening gehouden met de kosten van verzekering, onderhoud en reparatie. De hoogte van het te verstrekken bedrag komt overeen met hetgeen de gemeente betaalt voor voornoemde kosten bij verstrekkingen in natura.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Verstrekking rolstoelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor rolstoelen wordt uitgegaan van de volgende soorten rolstoelen en het programma van eisen op basis van het onderzoek is daarbij leidend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Handbewogen rolstoelen of duwwandelwagen Bij het verstrekken van een dergelijke rolstoel gelden de volgende criteria: belanghebbende is niet in staat een half uur achtereen te lopen voor het winkelen, boodschappen doen, e.d. in de nabije omgeving; er is sprake van een normale hand- en armfunctie. Dit criterium geldt niet voor de duwwandelwagen; afhankelijk van de intensiteit van het gebruik moet de woning meer of minder rolstoelgeschikt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elektrisch voortbewogen rolstoel, joystick bestuurd Bij het verstrekken van een dergelijke rolstoel gelden de volgende criteria: belanghebbende kan zich minder dan 100 meter verplaatsen met een handrolstoel, bij voorbeeld vanwege energetische problemen (hart, longen e.d.) en beperkte arm- of handfunctie en/of zitbalans; belanghebbende is niet in staat gebruik te maken van scootmobiel of handbewogen rolstoel vanwege sterk beperkte arm- of handfunctie of te weinig zitbalans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt een integraal advies opgevraagd waarbij ook aandacht wordt besteed aan de rolstoelgeschiktheid van de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage2:Hoogte bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen Voucherpakket Aantal inwonende kinderen 0 1 2 3 4 5 Basisinventaris € 500 € 500 € 500 € 500 € 500 € 500 Bedden € 100 € 200 € 300 € 400 € 500 Witgoed € 900 € 900 € 900 € 900 € 900 € 900 Max. totaal vouchers € 1.400 € 1.500 € 1.600 € 1.700 € 1.800 € 1.900 Vrij besteedbaar bedrag Aantal personen in het gezin Bedrag 1 € 350,- 2 € 600,- 3 € 900,- 4 € 1.200,- 5 of meer € 1.500,- Bijlage3:Eisen voor pgb-vaardigheid De verstrekker van het pgb controleert niet alleen of uw aanvraag voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb. Zij controleren ook of u in staat bent om een pgb te beheren. Dat heet pgb-vaardigheid. Daarmee willen ze voorkomen dat u in de problemen komt. Bijvoorbeeld omdat u niet weet welke zorg u nodig heeft, of u goede afspraken maakt met een zorgverlener. U bent pgb-vaardig als u en/of uw vertegenwoordiger over de volgende vaardigheden beschikt:</p>\n<p class=\"lf-p\">U heeft een goed overzicht van uw eigen situatie En u weet welke zorg u nodig heeft. Of welke zorg de persoon voor wie het budget is nodig heeft. U moet zelf kunnen vertellen welke zorg u nodig heeft. Als u dat niet kunt, kunt u ook zorg in natura ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U weet welke regels er horen bij een pgb Of u weet waar u die regels kunt vinden. Bijvoorbeeld op de website van de verstrekker die u het pgb geeft. Het helpt als u digitaal vaardig bent. Bijvoorbeeld dat u kunt omgaan met de computer en e-mail. En websites op het internet kunt bezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">En ook weet u welk deel van het pgb al uitgegeven is. Een overzichtelijke pgb-administratie is niet alleen handig voor uzelf. U kunt de administratie ook nodig hebben als de pgb-verstrekker (bijvoorbeeld de gemeente) daarom vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners.</p>\n<p class=\"lf-p\">U moet uit uzelf en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Bijvoorbeeld op tijd brieven van de zorgverzekeraar beantwoorden. Of telefoongesprekken voeren met zorgverleners. En als er iets verandert, moet u dat zelf aangeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">U bent in staat om zelfstandig te handelen en zelf voor zorgverleners kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als u een pgb krijgt, moet u zelf zorgverleners uitzoeken. En afspraken maken over de zorg die ze u gaan geven. En over hun uurtarief en hun uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. En zich hier aan houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">U moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Bijvoorbeeld of de zorgverlener genoeg uren maakt. Omgekeerd moet u kunnen laten zien dat u de zorg inkoopt waarvoor u het geld gekregen hebt.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt zelf onafhankelijk van de zorgverlener beoordelen of de zorg die u met het pgb financiert bij u past.</p>\n<p class=\"lf-p\">En of de kwaliteit van de zorg in orde is. Als u de zorg niet goed vindt, kunt u uitleggen waarom. Als de zorg niet volgens afspraak verloopt, moet u zelf kunnen ingrijpen. Bijvoorbeeld door de zorgverlener op te bellen. En uit te leggen wat er niet goed gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners.</p>\n<p class=\"lf-p\">En dat zo regelen dat er altijd zorg is. Ook als de zorgverlener ziek is of op vakantie gaat. U moet zelf zorgverleners kunnen kiezen die goed bij uw situatie passen. En u moet zelf opletten of zij hun werk goed doen. Als de zorgverlener ziek is, moet u zelf vervanging regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt er voor zorgen dat de zorgverleners die voor u werken weten wat ze moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">En u durft een gesprek te beginnen als zij hun werk niet goed doen. Als u de zorgverlener betaalt, dan bent u zijn werkgever of opdrachtgever. U moet dan goed kunnen vertellen wat ze moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U weet wat u moet doen als werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet erg als u sommige regels over hoe een werkgever of opdrachtgever moet zijn niet kent. Bijvoorbeeld bij ontslag van een zorgverlener. Maar u moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden. Bijvoorbeeld bij instanties die hierover advies geven.</p></div>", "next": 239815}