{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Indien er geen sprake is van een benadelingsbedrag en de boetewaardige gedraging zich binnen 2 jaar na de eerdere waarschuwing of boete voordoet, wordt een boete opgelegd van € 25,00, tenzij een afwijkend bedrag noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige boete.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.Er wordt afgezien van het geven van een waarschuwing indien: belanghebbende langer dan 1 jaar geen uitkering meer ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ; en het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag; en de overtreding van de inlichtingenplicht niet voort komt uit opzet of grove schuld; en de boetewaardige gedraging zich niet binnen 2 jaar na de eerdere waarschuwing of boete voordoet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel52</span><span class=\"lf-art-t\">Afstemming van de boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het dagelijks bestuur stemt de bestuurlijke boete af op de draagkracht van belanghebbende door de fictieve draagkracht te vermenigvuldigen met:</p>\n<p class=\"lf-p\">24 maanden in geval van opzet;</p>\n<p class=\"lf-p\">18 maanden in geval van grove schuld;</p>\n<p class=\"lf-p\">12 maanden in geval van normale verwijtbaarheid; maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Financiële draagkracht Het dagelijks bestuur houdt in beginsel rekening met de financiële draagkracht van belanghebbende op het moment van het boetebesluit (ex nunc). Het ligt daarbij in de eerste plaats op de weg van belanghebbende om (desgevraagd) inzicht te geven in zijn financiële draagkracht.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onder financiële draagkracht wordt hier verstaan: het inkomen van belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete. Het dagelijks bestuur bepaalt de draagkracht uit inkomen overeenkomstig artikel 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) 3. Het vermogen wordt betrokken bij de vaststelling van de draagkracht als één of meer van de volgende situaties van toepassing is: er is sprake van opzet of grove schuld; de schending van de inlichtingenplicht bestaat uit het verzwijgen van vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien belanghebbende geen inkomen heeft of het inkomen bedraagt minder dan de van toepassing zijnde beslagvrije voet, dan wordt uitgegaan van de fictieve draagkracht x het toepasselijk aantal maanden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel53</span><span class=\"lf-art-t\">Dringende redenen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel54</span><span class=\"lf-art-t\">Strafrechtelijke afdoening; aangifte bij Openbaar Ministerie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur doet overeenkomstig de ‘Aanwijzing sociale zekerheidsfraude’ aangifte bij het Openbaar Ministerie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-43\"><span class=\"lf-art-num\">§4.3</span><span class=\"lf-art-t\">De procedure</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel55</span><span class=\"lf-art-t\">Rapport boeteoplegging en zienswijze belanghebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien voor het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht een boete kan worden opgelegd die hoger is dan € 340: wordt hierover een rapport of proces-verbaal opgemaakt; en wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien voor het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht een boete kan worden opgelegd van € 340 of lager: wordt hierover geen rapport of proces-verbaal opgemaakt; en wordt belanghebbende niet in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Van het bepaalde in het tweede lid kan worden afgeweken indien het dagelijks bestuur het in een bepaalde situatie wenselijk acht dat: toch een rapport of proces-verbaal wordt opgemaakt; belanghebbende toch in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-44\"><span class=\"lf-art-num\">§4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Boetebesluit en invordering boete</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel56</span><span class=\"lf-art-t\">Beslistermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het besluit tot het opleggen van de boete wordt genomen binnen een termijn van 13 weken na de verzenddatum van het boetevoornemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het besluit tot het opleggen van een boete wordt genomen op een moment gelegen tussen:</p>\n<p class=\"lf-p\">13 weken en 26 weken na de verzenddatum van het boetevoornemen, wordt het boetepercentage dat wordt opgelegd, verlaagd met 5%.</p>\n<p class=\"lf-p\">26 weken en 52 weken na de verzenddatum van het boetevoornemen, wordt het boetepercentage dat wordt opgelegd, verlaagd met 10%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij verlaging van het boetepercentage op grond van het tweede of derde lid is het bedrag waarmee de boete verlaagd wordt nooit hoger dan € 1000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien er later dan 52 weken na verzenddatum van het boetevoornemen nog geen besluit tot het opleggen van de boete is genomen, wordt er enkel een rapport opgemaakt van de feiten en omstandigheden. Er wordt dan geen boete meer opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel57</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud boetebesluit en invordering boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het boetebesluit vermeldt in ieder geval: de boetewaardige gedraging (overtreding) en het overtreden voorschrift; zo nodig de aanduiding van de plaats waar en het tijdstip waarop de boetewaardige gedraging is geconstateerd; de naam van de belanghebbende die de boetewaardige gedraging heeft verricht; het bedrag van de bestuurlijke boete die moet worden betaald; de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het dagelijks bestuur start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het boetebesluit en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn van zes weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het gelijktijdig met het boetebesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat in ieder geval de volgende punten: de hoogte van (het saldo van) de boetevordering; de betalingsverplichting om de bestuurlijke boete in zijn geheel te voldoen; de betalingstermijn en de datum waarop de betalingsverplichting in gaat; en – indien de belanghebbende een uitkering ontvangt van het dagelijks bestuur – de vermelding dat tot verrekening als bedoeld in artikel 21, hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels wordt overgegaan, alsmede de hoogte van het bedrag van verrekening; dat de kosten als bedoeld in artikel 20, hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels aan belanghebbende worden doorberekend indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 31, hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel58</span><span class=\"lf-art-t\">Verrekening bij belanghebbende met uitkering van de ISD Bollenstreek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het dagelijks bestuur gaat indien mogelijk meteen na afgifte van het boetebesluit over tot verrekening van de bestuurlijke boete met een door het dagelijks bestuur verstrekte algemene bijstandsuitkering PW of een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de belanghebbende een uitkering van het dagelijks bestuur ontvangt en zowel een bestuurlijke boete als een of meer fraude- of niet-fraudevorderingen26 Vorderingen als bedoeld in artikel 58, eerste en tweede lid, van de PW of artikel 25, eerste t/m derde lid van de IOAW en IOAZ. is verschuldigd aan het dagelijks bestuur, verrekent het dagelijks bestuur de bestuurlijke boete in beginsel bij voorrang met de in het eerste lid bedoelde uitkering van belanghebbende.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel59</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding bestuurlijke boete bij medewerking schuldregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur scheldt de boete geheel of gedeeltelijk kwijt bij medewerking aan een schuldregeling indien: belanghebbende hierom verzoekt; en ten aanzien van de overtreding waarvoor de boete is opgelegd, geen sprake is geweest van opzet of grove schuld; en is gebleken dat belanghebbende binnen 1 jaar nadat de boete is opgelegd, niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging heeft begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het dagelijks bestuur trekt het in het eerste lid bedoelde besluit tot kwijtschelding in of wijzigt dit besluit ten nadele van belanghebbende aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, indien belanghebbende binnen 5 jaar na het besluit tot kwijtschelding opnieuw een overtreding wegens eenzelfde gedraging begaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel60</span><span class=\"lf-art-t\">Schakelbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 22 tot en met 31 van hoofdstuk 2 uit deze uitvoeringsregels zijn van overeenkomstige toepassing op de bestuurlijke boete. In de gevallen dat daar een onderscheid wordt gemaakt tussen fraudevorderingen en niet-fraudevorderingen, geldt voor de bestuurlijke boete hetgeen is bepaald voor fraudevorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting Toelichting op artikel 46 In het tweede lid zijn de begrippen die niet zijn omschreven in de PW, IOAW, IOAZ of Awb, of die verduidelijkt moeten worden, omschreven: benadelingsbedrag Dit is het bedrag dat de belanghebbende als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag heeft ontvangen. Een terugvordering en een verrekening kan behoren tot het bedrag dat ten onrechte is ontvangen door de klant. Verrekening vindt immers alleen plaats, als de klant ten onrechte bijstand heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de PW gaat het om een nettobedrag, waarbij ook onterecht verleende bijzondere bijstand (waaronder de individuele inkomenstoeslag) meetelt (art. 18a lid 2 PW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de IOAW en de IOAZ gaat het om het brutobedrag (het betreft bruto-uitkeringen), zonder de door het dagelijks bestuur verschuldigde sociale premies (art. 20a lid 2 IOAW/IOAZ). fictieve draagkracht Voor de bepaling van de fictieve draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau, hoeft niet inhoudelijk gekeken te worden naar de berekening van de beslagvrije voet conform art. 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat rekening dient te worden gehouden met een beslagvrije voet van 95% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (ECLI:NL:CRVB:2020:1525). Uit vaste rechtspraak volgt dat onder de toepasselijke bijstandsnorm voor de berekening van de fictieve draagkracht ook de kostendelersnorm wordt begrepen (ECLI:NL:CRVB:2019:866).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 47 Voldoet een belanghebbende niet (behoorlijk) aan zijn inlichtingenverplichting, dan moet het dagelijks bestuur een straf opleggen in de vorm van een bestuurlijke boete (of aangifte doen; strafrechtelijke afdoening). Deze verplichting om een bestuurlijke boete op te leggen, is opgenomen in artikel 18a PW en artikel 20a van de IOAW en de IOAZ. Het boeteregime van artikel 18a PW is ook van toepassing op aanvragen/verstrekkingen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het Bbz 2004 is namelijk gebaseerd op art. 78f PW. Vanaf 1 januari 2021 is art. 18a PW ook van toepassing op aanvragen Studietoeslag zoals opgenomen in art. 36b PW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inlichtingenplicht wordt behoorlijk nagekomen als belanghebbende: op verzoek; of onverwijld uit eigen beweging; mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 17 lid 1 Pw (inlichtingenplicht) wordt genoemd dat een belanghebbende ‘op verzoek of onverwijld’ mededeling doet van de relevante feiten en omstandigheden, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk hierbij is het begrip onverwijld. Dit begrip is niet nader aangeduid in de wet of jurisprudentie, meestal volgt dit uit de werkwijze van een gemeente zelf. Binnen de ISD Bollenstreek wordt in de praktijk veelal gekeken naar het moment waarop de informatie voor belanghebbende redelijkerwijs beschikbaar (of bekend) had kunnen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaruit volgt dat de beoordeling of iets onverwijld is doorgegeven, maatwerk is. Gedacht kan worden aan een termijn van maximaal 5 werkdagen na het moment waarop belanghebbende had kunnen beschikken over de informatie, om de inlichtingen door te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 48 De CRvB heeft in zijn uitspraak van 24 november 2014 beslist dat een bestuursorgaan bij het opleggen en toetsen van de boete in het individuele geval vol moet toetsen aan de evenredigheid (art. 5:46, tweede lid, van de Awb). Het gaat dan om: de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval. Deze worden in de volgende artikelen nader uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Nota van toelichting bij het Boetebesluit is opgenomen dat de ernst van de overtreding in beginsel wordt afgemeten aan de hoogte van het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is daarmee een belangrijke basis voor het bepalen van de hoogte van de boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de boete is afhankelijk van de verwijtbaarheid. Dit staat in artikel 2 Boetebesluit socialezekerheidswetten. sub a: Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenplicht. Hierbij wordt willens en wetens de kans aanvaard dat het handelen of nalaten tot gevolg heeft dat de beboetbare gedraging wordt begaan. sub b: Grove schuld is een laakbaarheid, aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. sub c: Bij het ontbreken van opzet of grove schuld wordt normale verwijtbaarheid aangenomen. sub d: In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid als sprake is van omstandigheden van sociale, psychische of medische aard waardoor de overtreding niet volledig was aan te rekenen aan belanghebbende. Dan wel bij onvoorziene en ongewenste omstandigheden, waardoor betrokkene feitelijk niet in staat was zijn verplichtingen na te (doen) komen. In artikel 2a lid 2 van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten staan een aantal situaties waarin in ieder geval voldaan wordt aan de criteria van verminderde verwijtbaarheid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2a lid 2 Boetebesluit sociale zekerheidswetten a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt; b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen; c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting; d. de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of e.er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Genoemd artikel is niet limitatief. Het is dus mogelijk dat er op grond van individuele omstandigheden die niet zijn genoemd in artikel 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten, toch verminderde verwijtbaarheid kan worden aangenomen. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld (maatwerk). Om die reden is ervoor gekozen om (vooralsnog) – naast de in genoemd Boetebesluit vermelde criteria – geen aanvullende uitvoeringsregels vast te stellen over verminderde verwijtbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 49 Als sprake is van recidive bedraagt de bestuurlijke boete maximaal 150% van het benadelingsbedrag. Dit staat in artikel 18a, vijfde lid PW, artikel 20a, eerste lid IOAW / IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan dus geen hogere, maar desgewenst wel een lagere boete opleggen. In deze uitvoeringsregels is ervoor gekozen om de boete te berekenen over 150% van het benadelingsbedrag en hierbij rekening te houden met de mate van verwijtbaarheid conform artikel 3 lid 3 sub a tot en met d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: benadelingsbedrag is € 200,00. Er is sprake van recidive en normale verwijtbaarheid. De berekening is als volgt: € 200,00 x 150% = € 300,00. Omdat sprake is van normale verwijtbaarheid (art. 3 lid 1 sub c) wordt rekening gehouden met 50%: € 300,00 x 50% = € 150,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar ook bij recidive geldt dat de feitelijke boete lager kan uitvallen door de afstemming op de omstandigheden van persoon en gezin. En ook in dit geval kunnen dringende redenen betekenen dat wordt afgezien van het opleggen van een boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat is recidive?</p>\n<p class=\"lf-p\">Van recidive is sprake als binnen een bepaald tijdvak na de schending van de inlichtingenplicht – waarvoor een onherroepelijke sanctie / boete is opgelegd – een tweede of volgende schending van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen de PW, het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 of IOAW / IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voornoemd tijdvak bedraagt in principe 5 jaar. Is dus een boete opgelegd en wordt vervolgens binnen 5 jaar na de datum van boeteoplegging opnieuw de inlichtingenplicht niet nagekomen (boetewaardige gedraging), dan is sprake van recidive. Is echter de eerdere schending van de inlichtingenplicht bestraft met (ondermeer) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (en die straf is onherroepelijk geworden), dan bedraagt het voornoemde tijdvak 10 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang de eerdere boete/straf niet onherroepelijk is geworden (dus zolang er rechtsmogelijkheden openstaan tegen de boete/straf), kan niet worden gesproken over recidive bij een volgende schending van de inlichtingenplicht. Ook zogenaamde nulfraude wordt niet beschouwd als recidive. Wil sprake zijn van recidive dan moet bij beide schendingen van de inlichtingenplicht (de eerdere en de latere) sprake zijn van een benadelingsbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 50 De CRvB heeft bepaald dat de boete niet hoger mag zijn dan de boete die de Strafrechter kan opleggen bij strafrechtelijke vervolging. Is sprake van opzet, dan is deze maximale boete veel hoger dan in andere gevallen27 Norm sinds 1-1-2020: boete bedraagt maximaal € 87.000 bij opzet en in andere gevallen maximaal € 8.700.. Dit is vanaf 1 januari 2017 ook opgenomen in artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet (en in artikel 20a, eerste lid, van de IOAW/IOAZ). Volledigheidshalve is dit hier herhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De maximale hoogte van de boete wordt aangepast als het benadelingsbedrag hoger is dan 100/75 x € 8.700. Dat wil zeggen hoger dan € 11.600. Hoe hoog het maximale boetebedrag is hangt af van de mate van verwijtbaarheid. De berekening is opgenomen in de laatste kolom. Grondslag is artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 lid 7 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is het benadelingsbedrag hoger dan € 11.600,- ? [100/75 x € 8.700,-] Ja Nee Categorie verwijtbaarheid Uitgangspunt max. boetehoogte Uitgangspunt max. boetehoogte Opzet 100% van benadelingsbedrag met max. van € 87.000,- 100% van het benadelingsbedrag Grove schuld € 8.700,- 75% van het benadelingsbedrag Normale verwijtbaarheid € 5.800,- [50/75 x € 8.700,-] 50% van het benadelingsbedrag Verminderde verwijtbaarheid € 2.900,- [25/75 x € 8.700,-] 25% van het benadelingsbedrag Voor de berekening in bovenstaande tabel is gerekend met bedragen op grond van artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze in 2020 gelden. De bedragen worden tweejaarlijks aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 51 Artikel 18a, vierde lid van de PW en artikel 20a, vierde lid van de IOAW/IOAZ geeft de bevoegdheid aan het dagelijks bestuur om af te zien van een boete en een waarschuwing te geven bij nulfraude of bij een gering benadelingsbedrag (maximaal € 150,00). Van deze bevoegdheid wordt ten volle gebruik gemaakt. Ook kan een waarschuwing worden gegeven als een belanghebbende binnen 60 dagen zelf inlichtingen verstrekt, voordat het dagelijks bestuur de overtreding heeft geconstateerd. De waarschuwing is echter alleen mogelijk als belanghebbende in de afgelopen twee jaar niet eerder een waarschuwing heeft gehad. Dit is conform art. 2aa Boetebesluit socialezekerheidswetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het boeteregime van artikel 18a PW is ook van toepassing op aanvragen/verstrekkingen op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het Bbz 2004 is namelijk gebaseerd op art. 78f PW. Dat betekent ook dat – indien belanghebbende niet voldoet aan de verplichting om binnen 6 maanden administratie te overleggen (artikel 38, tweede lid, Bbz) – de boetebepalingen gelden. Onder bijstand wordt namelijk algemene bijstand, bijzondere bijstand en ook bedrijfskapitaal Bbz 2004 verstaan. Levert belanghebbende de administratie niet tijdig in, dan is sprake van een schending van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij als leenbijstand verstrekte bijstand en de terugvordering daarvan indien de zelfstandige de jaarcijfers niet inlevert, zal dan ook de boete moeten worden beoordeeld. Het benadelingsbedrag is nihil omdat het leenbijstand betreft. De terugbetalingsverplichting bestond dan immers al, alleen de terugbetalingsgrondslag wijzigt van leenbijstand in een terugvordering. Het bedrag zelf wijzigt niet. Er is dus sprake van nulfraude.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de inlichtingenplicht wordt geschonden tijdens de aanvraag van bijstand en de aanvraag wordt afgewezen of buiten behandeling gesteld, dan is ook sprake van een boetewaardige gedraging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verplichting om op verzoek of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering geldt direct vanaf de aanvraag. Dat betekent dat ook het niet verstrekken van voldoende of juiste gegevens bij de aanvraag een schending van de inlichtingenplicht tot gevolg heeft. Aangezien er niet teveel uitkering is uitbetaald, kan worden volstaan met een waarschuwing zolang de afgelopen twee jaar de inlichtingenplicht niet eerder is geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 4 staat dat wordt afgezien van een waarschuwing indien belanghebbende langer dan 1 jaar geen uitkering meer ontvangt, er geen sprake is van een benadelingsbedrag, de overtreding van de inlichtingenplicht niet voort komt uit opzet of grove schuld en de boetewaardige gedraging zich niet binnen 2 jaar na de eerdere waarschuwing of boete voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 52 In januari 2016 is gesteld dat de boete zodanig afgestemd moet worden op de draagkracht dat deze binnen een redelijke termijn afgelost moet kunnen worden (ECLI:NL:CRVB:2016:9).De duur van de redelijke termijn is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid. Per 1 januari 2017 is deze indeling in de mate van verwijtbaarheid opgenomen in artikel 2 van het Boetebesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De CRvB heeft uitgesproken28 ECLI:NL:CRVB:2016:8-13 dat de boete moet worden gematigd tot een bedrag dat binnen een redelijke termijn kan worden afgelost. De duur van deze redelijke termijn is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid. In het derde lid is aangegeven wat de redelijke termijn is bij de verschillende mates van verwijtbaarheid (opzet, grove schuld, ‘normale’ verwijtbaarheid en verminderde verwijtbaarheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit uitspraken van de CRvB en uit het Boetebesluit blijkt dat van de in artikel 3 en 4 genoemde uitgangspunten kan worden afgeweken, indien de omstandigheden van het geval dat nodig maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als belanghebbende in het kader van de boeteprocedure een beroep doet op zijn financiële omstandigheden en inzicht geeft in die omstandigheden of wanneer belanghebbende nog steeds een uitkering (PW/IOAW/IOAZ) ontvangt, dan zal het dagelijks bestuur zich ervan moeten vergewissen dat de boete, gelet op de draagkracht van belanghebbende, geen onevenredige gevolgen heeft voor belanghebbende. Dit volgt uit de Nota van toelichting van het Boetebesluit (blz. 8). Daarbij moet volgens de Hoge Raad en de CRvB29 ECLI:NL:HR:2014:685 respectievelijk ECLI:NL:CRVB:2014:3754, 24 november 2014 rekening worden gehouden met de draagkracht ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder financiële draagkracht wordt daarbij niet alleen het inkomen verstaan, maar ook het vermogen, met inbegrip van het vermogen onder de vermogensgrens (van artikel 34 lid 3 PW)30 ECLI:NL:CRVB:2016:12. In de praktijk zullen personen met een uitkering PW/IOAW/IOAZ alleen inzicht hoeven te geven in hun actuele vermogen (hun bijstandsinkomen is immers al bekend). Personen die geen uitkering PW/IOAW/IOAZ meer ontvangen, zullen zowel hun actuele inkomen als vermogen inzichtelijk moeten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het inkomen, wordt bij het bepalen van de hoogte van de boete – conform de uitspraak van de CRvB – rekening gehouden met de ‘fictieve draagkracht’: dat is de voor beslag vatbare ruimte, berekend op basis van de beslagvrije voet als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 475d Rv). Er wordt dus uitgegaan van de beslagvrije voet verhoogd met de (individuele) correcties/ verhogingen bedoeld in artikel 475d Rv. De CRvB heeft bepaald dat - anders dan kan worden afgeleid uit eerdere rechtspraak - voor de bepaling van de fictieve draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel steeds 5% van de bijstandsnorm moet worden aangehouden (CRvB ECLI:NL:CRVB:2020:1878). Er hoeft dus niet inhoudelijk te worden gekeken naar de berekening van de beslagvrije voet op grond van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).</p>\n<p class=\"lf-p\">De CRvB heeft geen uitspraak gedaan over draagkracht in relatie tot de boete bij recidive. In deze uitvoeringsregels is het uitgangspunt dat de recidiveboete wat betreft draagkracht op dezelfde manier wordt bepaald als de boete bij een eerste overtreding. Er gelden op dit punt dus geen aanvullende/afwijkende regels bij recidive.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 53 Als sprake is van dringende redenen, dan kan het dagelijks bestuur afzien van het opleggen van een boete. Deze bevoegdheid staat in artikel 18a, zevende lid onder b van de PW en artikel 20a, zevende lid onder b van de IOAW/IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van dringende redenen is sprake als de oplegging van de boete leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de belanghebbende op het moment van het opleggen van de boete (toetsing ex nunc).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van dringende redenen zal overigens niet snel sprake zijn. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn in een individueel geval waardoor boeteoplegging voor de belanghebbende (en met name voor diens minderjarige gezinsleden) tot onaanvaardbare consequenties zouden leiden. Vast dient te staan dat sprake is van een incidenteel geval en dat de behoeftige omstandigheden waarin de (mede) belanghebbende minderjarige gezinsleden verkeren op geen enkele wijze zijn te verhelpen, zodat afzien van boeteoplegging in deze vorm volstrekt onvermijdelijk is. Het ontbreken van voldoende middelen om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. (Citaten uit: Memorie van Toelichting en de Nota n.a.v. het verslag bij Wetsvoorstel Wet aanscherping, nr. 33 207).</p>\n<p class=\"lf-p\">Alhoewel deze bepaling al in de formele wet staat, is deze uit het oogpunt van overzichtelijkheid en duidelijkheid ook opgenomen in deze uitvoeringsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 54 De schending van de inlichtingenplicht in de PW/IOAW/IOAZ kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden gesanctioneerd. Gelet op het una via-beginsel moet in elke zaak een keus gemaakt worden tussen één van beide stelsels. Om richting te geven aan die keus heeft het Openbaar Ministerie de ‘Aanwijzing sociale zekerheidsfraude’ bekendgemaakt. Formeel heeft deze Aanwijzing alleen werking richting het Openbaar Ministerie. Via dit artikel wordt aangesloten bij de richtlijnen die worden genoemd in de Aanwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdregel van de Aanwijzing31 Het betreft de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude die op 14 maart 2016 is gepubliceerd in de Staatscourant (nr. 12609) en met als datum van inwerkingtreding: 1 april 2016. is: dat bij een benadelingsbedrag van € 50.000 of hoger in beginsel de strafrechtelijke weg bewandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een lager benadelingsbedrag dan € 50.000 wordt in beginsel de bestuursrechtelijke weg (boete) gevolgd. In de Aanwijzing staan echter een aantal uitzonderingen opgesomd, waarbij toch de strafrechtelijke weg wordt gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijke uitzondering is dat bij recidive (wanneer binnen een periode van vijf jaar nadat een onherroepelijke boete is opgelegd opnieuw de inlichtingenplicht is geschonden) de strafrechtelijke weg wordt bewandeld wanneer de benadelingsbedragen van de eerdere gedraging en de recidivegedraging bij elkaar opgeteld € 20.000 of meer bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wordt de strafrechtelijke weg bewandeld, dan moet aangifte worden gedaan. In dat geval wordt geen boete opgelegd. Zou het Openbaar Ministerie de zaak seponeren en gaat het Openbaar Ministerie niet over tot strafvervolging, dan kan daarna in beginsel alsnog een boete worden opgelegd. Dat kan niet als de rechter uitspraak heeft gedaan (ook niet als er volgens die uitspraak geen straf wordt opgelegd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 55 In artikel 5:53 Awb is geregeld dat het dagelijks bestuur een rapport (onder de aangiftegrens van € 50.000) of proces-verbaal (boven de aangiftegrens) moet maken van de overtreding (van de schending van de inlichtingenplicht) als daarvoor een boete van meer dan € 340 kan worden opgelegd. Eveneens is hier geregeld dat in dat geval de belanghebbende overtreder in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit is de zogenaamde ‘zware procedure’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedraagt de boete € 340 of minder dan is deze ‘zware procedure’ geen verplichting, maar een bevoegdheid (artikel 5:48 Awb juncto artikel 5:53 Awb). Een rapport / proces-verbaal is dan niet verplicht en ook de zienswijze is niet verplicht. Dit is de zogenaamde ‘lichte procedure’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het oogpunt van uitvoeringslasten/efficiëncy is ervoor gekozen om als regel te kiezen voor de ‘lichte procedure’ als de boete € 340 of minder bedraagt. Indien het om bepaalde redenen echter toch noodzakelijk wordt geacht om wel een rapport/proces-verbaal te maken en gelegenheid tot het geven van de zienswijze te bieden, dan is dat op grond van het derde lid mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervaltermijn Overigens vervalt de bevoegdheid om een boete op te leggen indien de maximale boete voor de desbetreffende overtreding € 340 of minder bedraagt twee jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. In alle andere gevallen (hogere boete) is de vervaltermijn vijf jaar (artikel 5:45 Awb). (Let op! Deze termijnen gaan over het opleggen van de boete, niet over het invorderen van de boete. De verjaringstermijn bij invordering is geregeld in artikel 4:104 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 56 De in lid 1 genoemde 13 weken is een termijn van orde. In deze uitvoeringsregels worden nadere regels opgesteld om een boete te matigen als de termijn wordt overschreden. Dit is conform jurisprudentie: (ECLI:NL:CRVB:2017:2368), (ECLI:NL:CRVB:2018:920).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 57 In dit artikel staat wat in ieder geval in het boete- en invorderings-besluit moet worden vermeld en dat invordering gelijktijdig met de bekendmaking van het boetebesluit start. Dit artikel herhaalt de wettelijke eisen die worden gesteld aan het boetebeschikking (art. 5:9 Awb en art. 5:52 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de boete een bestuursrechtelijke geldschuld creëert, gelden ook de eisen van artikel 4:86 Awb e.v. (Titel 4.4 van de Awb). Volgens art. 4:87 Awb geldt een betalingstermijn van tenminste 6 weken. In het tweede lid van dit artikel is de betalingstermijn bepaald op deze minimum termijn. In de beschikking moet worden vermeld wanneer de betalingsverplichting ingaat. En uiteraard wat het saldo van de vordering is. Wanneer belanghebbende een uitkering ontvangt van het dagelijks bestuur wordt eveneens vermeld dat tot verrekening wordt overgegaan (conform artikel 11) en de hoogte van het bedrag van de verrekening (art. 4:93, tweede lid van de Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is vermeld welke informatie in ieder geval in de invorderingsbeschikking staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eventueel kan er daarnaast – afhankelijk van de situatie – uiteraard altijd ook nog aanvullende informatie in het boete- en/of invorderingsbesluit worden vermeld. Bijvoorbeeld: de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te treffen (dit zal aan de orde kunnen zijn indien belanghebbende géén uitkering van het dagelijks bestuur ontvangt). Ontvangt belanghebbende wel een uitkering, dan zal het dagelijks bestuur de vordering verrekenen met de uitkering); wat de (rechts)gevolgen zijn bij niet (tijdige) nakoming van de betalingsverplichting. Bijvoorbeeld de mogelijkheid van invordering bij dwangbevel na aanmaning en dat invorderingskosten voor rekening van de belanghebbende kunnen worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze rechtsgevolgen zijn ondermeer beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel (ook het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bieden incassomaatregelen); ook zou vermeld kunnen worden dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen (uiteraard) niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting (tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 58 Voor zover de belanghebbende na afgifte van het boetebesluit een algemene bijstandsuitkering PW of een uitkering IOAW of IOAZ ontvangt, geldt voor boetebesluiten (en fraudevorderingen) die zijn ontstaan na 1 januari 2013 een wettelijke verrekeningsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontvangt de belanghebbende dus een uitkering voor levensonderhoud van de ISD Bollenstreek, dan is het dagelijks bestuur verplicht om de boete te verrekenen met deze uitkering (PW, IOAW/IOAZ, Bbz 2004). Dit staat in artikel 60, vierde lid van de PW en artikel 28, tweede lid IOAW/IOAZ. De in de boetebeschikking genoemde betalingstermijn verhindert dit niet. Ook een (eventueel) geboden uitstel van betaling doet niets af aan de verplichting tot verrekening (dat staat in artikel 4:93, vijfde lid van de Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verrekening moet de beslagvrije voet in acht worden genomen. Het inkomen boven de beslagvrije voet wordt verrekend met de boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid regelt de situatie dat er sprake is van zowel een terugvordering als een boete. Met welke geldschuld worden de ingehouden betalingen in dat geval verrekend?</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is voor gekozen om de verrekening in beginsel eerst op de boete af te lossen. De boete is namelijk een concurrente vordering c.q. een niet-preferente vordering. Wordt de uitkering beëindigd en moet de boete anderszins worden geïncasseerd, dan zal invordering van de boete kunnen worden ‘weggedrukt’ door de preferente schulden. Bijv. belastingschulden. Ook terugvorderingen PW/IOAZ/IOAZ zijn preferent (art. 60 lid 7 PW en art. 30 lid 1 IOAW/IOAZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de woorden ‘in beginsel’ is er echter ruimte gelaten of af te kunnen wijken van de regel dat eerst de boete moet worden verrekend. Zo kan er bijvoorbeeld voor worden gekozen om in een kalenderjaar toch eerst te verrekenen met de (netto) terugvordering en nog niet met de boete, om zo brutering van die vordering per 1 januari van het volgende kalenderjaar te voorkomen/te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 59 Anders dan bij terugvordering van fraudevorderingen (in art. 58 lid 7 PW en art. 25 lid 6 IOAW/IOAZ) was het dagelijks bestuur niet bevoegd om af te zien van (verdere) invordering van de boete. Kwijtschelding van (een deel van) de boete was dus niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf 1 januari 2017 geldt dat kwijtschelding van de boete bij medewerking aan een schuldregeling – onder bepaalde voorwaarden – wel mogelijk is als belanghebbende hierom verzoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is geregeld in artikel 18a, dertiende lid, van de PW en artikel 20a, twaalfde lid, van de IOAW/IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet geen sprake zijn geweest van opzet of grove schuld bij de overtreding die heeft geleid tot de boete. Daarnaast geldt dat moet zijn gebleken dat belanghebbende niet nogmaals een overtreding van de inlichtingenplicht heeft begaan binnen een jaar nadat de boete is opgelegd. Daarbij gaat het niet altijd alleen om de inlichtingenverplichting op grond van dezelfde wet, maar het kan ook gaan om overtreding van de inlichtingenverplichting op grond van een andere uitkeringswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het mogelijk maken van kwijtschelding, betekent dat een belanghebbende uitzicht heeft op een schone lei na het goed doorlopen van een schuldregeling. Dit kan belanghebbende extra motiveren om de schuldregeling conform de afspraken te (blijven) volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 60 Wat betreft invordering zijn de artikelen 22 tot en met 32 van hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels van overeenkomstige toepassing op de bestuurlijke boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die artikelen is ondermeer de vaststelling van de hoogte van het te verrekenen bedrag geregeld. Verder is in die artikelen de bevoegdheid tot het treffen of wijzigen van een minnelijke betalings-regeling (aflossingsregeling) met de belanghebbende aan de orde. Ook de periodieke beoordeling van de betalingsverplichting en de gevolgen wanneer belanghebbende niet (meer) voldoet aan de betalingsverplichting zijn in genoemde artikelen geregeld. En er is vastgesteld dat de vordering wordt verhoogd met wettelijke rente en invorderingskosten indien de invordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In enkele van de genoemde artikelen van de Uitvoeringsregels terug- en invordering PW, IOAW en IOAZ wordt overigens een onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen en niet-fraudevorderingen (overige vorderingen). In die gevallen geldt voor de bestuurlijke boete hetgeen is bepaald voor de fraudevorderingen (c.q. in die gevallen wordt de bestuurlijke boete als ‘fraudevordering’ aangemerkt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5Uitvoerende uitvoeringsregels debiteuren Bbz Inleiding Het voorheen verplichte karakter van terugvordering in het Bbz 2004 is met ingang van 1 januari 2020 vervallen. Op grond van artikel 58 Participatiewet hebben gemeenten nu de bevoegdheid om de kosten van bijstand terug te vorderen, daarom is beleid op dit gebied noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lijn van de Participatiewet houden wij aan, naar vaste jurisprudentie; teveel verstrekte bijstand wordt teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is aan de orde als de verleende bijstand voor levensonderhoud, vermeerderd met het in het boekjaar behaalde netto inkomen, meer is dan de jaarnorm. Het verschil tussen het inkomen en de jaarnorm wordt dan teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal is verstrekt, geldt dat de terugbetalingsafspraken al zijn vastgelegd in de beschikking aan de belanghebbende. Als de afspraken niet worden nagekomen, en na twee aanmaningen nog steeds niet, wordt de bijstand wel teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een bestuursorgaan bij de uitoefening van die bevoegdheid wel rekening moet houden met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het beginsel van een redelijke belangenafweging (artikel 3:4 van de Awb) en met het rechtzekerheidsbeginsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadrukkelijk worden de volgende uitgangspunten in ogenschouw genomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdregel is dat een schuld (een lening) volledig moet worden terugbetaald. Eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende staat voorop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter: altijd rigide vasthouden aan deze hoofdregel kan betekenen dat klanten (financieel) in de knel komen. Met name via de bepalingen over verlening van uitstel van betaling (art.15), kwijtschelding (art.18) en onderzoek naar de afloscapaciteit (art. 9 lid 7) is dan ook geprobeerd een goede balans te vinden tussen de belangen van de ISD als schuldeiser enerzijds en de belangen van de klant als schuldenaar anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ISD dient immers een maatschappelijk (economisch) belang indien zij de belangen van de burger als debiteur nadrukkelijk in haar besluitvorming betrekt. Met name ook bezien vanuit die invalshoek is het zaak om oog te hebben voor de persoonlijke situatie van de debiteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook vanuit het oogpunt van efficiency en effectiviteit zijn beleidsmatig keuzes gemaakt. In de bepalingen betreffende het zogenaamde kruimelbedrag (art.8 lid 2 ) en het buiten invordering stellen van de vordering (art.12.) laat zich dat bijvoorbeeld heel expliciet voelen. Bij de opmaak van de uitvoeringsregels is in die zin ook telkens een kosten-baten-analyse gemaakt: welke inspanning en activiteiten zijn reëel en gewenst om te komen tot de invordering van schulden?</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoerende uitvoeringsregels Bbz zijn in oktober 2020 reeds vastgesteld in het Dagelijks Bestuur. Deze uitvoeringsregels zijn opgenomen in de integrale uitvoeringsregels debiteuren, met enkele kleine wijzigingen. Dit hoofdstuk is aangepast op (het anticiperen op) de Wet Vereenvoudiging Beslagvrije Voet, en de mogelijkheid tot afzien van terugvordering bij kruimelbedrag is in lijn gebracht met de bepalingen in het hoofdstuk Pw.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-51\"><span class=\"lf-art-num\">§5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel61</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene verwijzing</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 en de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-52\"><span class=\"lf-art-num\">§5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering bijstand ingevolge het Bbz 2004</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel62</span><span class=\"lf-art-t\">Algemeen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit ingevolge artikel 54 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand of uitkering zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het terugvorderen van bijstand of bedrijfskapitaal zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel63</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand of bedrijfskapitaal wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze uitvoeringsregels. Terugvordering van bijstand en bedrijfskapitaal verstrekt op grond van het Bbz 2004 vindt plaats op grond van artikel 58 PW en artikel 12 lid 2 sub c, artikel 39 en de artikelen 41 tot en met 43 Bbz 2004.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel64</span><span class=\"lf-art-t\">Ten onrechte verleende bijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het dagelijks bestuur vordert de kosten van bijstand en/of bedrijfskapitaal terug van de belanghebbende voor zover deze bijstand:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de wet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 38, eerste en tweede lid; of Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, in het geval het bijstand in de met de voorbereiding samenhangende kosten betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge artikel 52 van de wet bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderszins onverschuldigd is betaald en voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of Anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.De belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de wet beschikt of kan beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De door de gemeente gedane afdracht van loonheffing bij de toepassing van artikel 12 lid 2 Bbz 2004 wordt teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Terugvordering als bedoeld onder het eerste lid onder e van dit artikel, vindt niet plaats, als de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar voor de datum van verzending van het besluit tot terugvordering, mits de belastingaanslag over die periode al afgegeven en ingeleverd is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel65</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur stelt het bedrijfskapitaal, dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz 2004 opeisbaar en kan dit terugvorderen indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrijfskapitaal niet overeenkomstig de bestemming is besteed (art. 39 lid 2 sub a Bbz 2004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er sprake is van bedrijfsbeëindiging of overdracht van het bedrijf (art. 39 lid 2 sub b Bbz 2004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er sprake is van faillissement of surseance (art. 39 lid 2 sub c Bbz 2004).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 Bbz 2004 of de achterstanden in betaling aflossing en rente terugvorderen indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van uitstel van aflossing en betaling van rente zoals genoemd in artikel 41 lid 2 is verlopen, zoals bepaald in artikel 41 lid 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële omstandigheden van de belanghebbende zodanig blijken te zijn dat deze geacht kan worden aan de verplichtingen te kunnen voldoen, dan kunnen de vanaf de vervaldatum achterstallige rente- en aflossingsbedragen terstond worden teruggevorderd. Indien hierbij sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betrokkene ook na een tweede aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt ook voor bedrijfskapitaal verstrekt op grond van de artikelen 22 en 26 Bbz 2004 indien het vermogen meer bedraagt dan gesteld in artikel 3 Bbz 2004 en er geen bijstand “om niet” mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke rente is van toepassing over de teruggevorderde hoofdsom en renteachterstand (Awb art. 4:98 lid 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering vindt plaats bij alle partijen aan wie het bedrijfskapitaal is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling hoofdsom en de rente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel66</span><span class=\"lf-art-t\">Terugvordering van gezinsleden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In beginsel wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de kosten van bijstand en bedrijfskapitaal terug te vorderen van meerderjarige gezinsleden (niet zijnde meerderjarige kinderen). Dit gebeurt in de situatie dat de bijstand aan een gezin is, of aan een gezin had moeten worden, verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde in artikel 6 van deze uitvoeringsregels blijft ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Van terugvordering van het meerderjarig gezinslid kan worden afgeweken als: er geen sprake is van schending van de inlichtingenplich de terugvordering redelijkerwijs niet aan het meerderjarig gezinslid te wijten is er sprake is van dringende redenen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel67</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur kan gedeeltelijk of volledig van terugvordering afzien indien: het een terug te vorderen bedrag betreft dat 6 maanden na de ontvangst van een signaal dat verkregen is van belanghebbende nog is uitbetaald (de zogenaamde 6 maanden jurisprudentie) het bedrag van de terugvordering niet boven de € 125,00 netto per jaar ligt en: de terugvordering niet is ontstaan door een schending van de inlichtingenplicht en verrekening met een lopende uitkering niet mogelijk is door belanghebbende aannemelijk kan worden gemaakt dat- bij overschrijding van de vermogensgrens- over een gedeelte van de periode van de terugvordering wel uitkering levensonderhoud zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voorzetten van de uitkering van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest. er sprake is van dringende redenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-53\"><span class=\"lf-art-num\">§5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Invordering van teruggevorderde bijstand ingevolge het Bbz 2004</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel68</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot de invordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is dat de belanghebbende de vordering ineens binnen de gestelde termijn van 6 weken moet voldoen (artikel 4:87 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op schriftelijk verzoek van belanghebbende kan de vordering in termijnen worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ISD Bollenstreek verricht onderzoek naar de hoogte van het inkomen en stelt naar aanleiding van de uitkomst de betalingsverplichting vast in een invorderingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de belanghebbende geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, dan is de vordering dan wel het restant van de vordering direct ineens opeisbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het invorderingsbesluit staan de gevolgen van niet tijdige betaling vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invordering geschiedt bij alle partijen aan wie de bijstand (het bedrijfskapitaal) is verstrekt en/of zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld hebben voor de terugbetaling hoofdsom en rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onderzoek naar mogelijk gewijzigde financiële omstandigheden kan periodiek en signaal gestuurd worden uitgevoerd. Indien er sprake is van een bestaand bedrijf/zelfstandig beroep bij de belanghebbende is deze periode een periode van 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van bijstand worden ingevorderd bij dwangbevel als niet aan de vastgestelde betalingsverplichting wordt voldaan. De invordering wordt dan overgedragen aan de deurwaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van beslaglegging en/of het inschakelen van een deurwaarder zoals vermeld in dit artikel, wordt de vordering verhoogd met de invorderingskosten en met de wettelijke rente. De invorderingskosten worden vastgesteld op maximaal 15% van de openstaande vordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel69</span><span class=\"lf-art-t\">Aflossingscapaciteit debiteuren met een bijstandsuitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als de debiteur een inkomen heeft op bijstandsniveau, bedraagt de aflossingscapaciteit, met inachtneming van de beslagvrije voet, maximaal 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand, inclusief de vakantietoeslag32 Conform artikel 475 da Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Verrekening met de uitkering vindt plaats op grond van artikel 60 PW.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In geval van beslaglegging door een derde, kan de aflossingscapaciteit ingevolge de voorgaande leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte, zoals aangegeven in artikel 475da e.v. van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel70</span><span class=\"lf-art-t\">Beslaglegging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als de uitkering van de belanghebbende bij de ISD Bollenstreek is beëindigd en hij niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet of niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g (behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) .</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor vorderingen kenbaar gemaakt vóór 1 juli 2009 wordt de in het eerste lid genoemde vorm van invordering direct in handen gegeven van de gerechtsdeurwaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor vorderingen kenbaar gemaakt op of na 1 juli 2009 wordt na betekening van het dwangbevel door de gerechtsdeurwaarder de vordering direct ter verdere incasso overgedragen aan diezelfde gerechtsdeurwaarder conform het gestelde in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel71</span><span class=\"lf-art-t\">Buiten invordering stellen van de vordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het dagelijks bestuur kan besluiten de vordering, met inbegrip van de eventueel al in rekening gebrachte wettelijke rente en de invorderingskosten, buiten invordering te stellen indien: de belanghebbende gedurende 10 jaar geen betalingen heeft verricht, waarvan belanghebbende de laatste 5 jaren is ´gevolgd´ door de incasserende instantie en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; er sprake is van dringende redenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel72</span><span class=\"lf-art-t\">Afboeking van de vordering met inbegrip van de eventuele verhoging met de wettelijke rente en de invorderingskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Van invordering of van verdere invordering kan worden afgezien indien: de vordering is ontstaan als gevolg van een administratieve fout en belanghebbende redelijkerwijs niet had hoeven begrijpen dat er sprake was van een verkeerde berekening c.q. betaling; de vordering niet langer afdwingbaar is; de vordering als gevolg van verjaring of verval juridisch oninbaar blijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel73</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van invordering wegens schuldenproblematiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Naast hetgeen is bepaald in artikel 42 van het Bbz 2004 treedt het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere invordering eerst in werking indien de schuldregeling daadwerkelijk tot stand komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-54\"><span class=\"lf-art-num\">§5.4</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstel van betaling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel74</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstel van betaling (art. 4:94 Awb, art 41 Bbz 2004)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In het geval de belanghebbende om uitstel van betaling verzoekt dan kan deze zonder onderzoek door het dagelijks bestuur toegekend worden indien: aan de belanghebbende in de periode van 24 maanden voor het verzoek niet eerder een uitstel van betaling is toegekend en; het uitstel van betaling niet langer duurt dan drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In alle overige gevallen vindt onderzoek plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voorts kan uitstel van betaling worden verleend indien er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De bevoegdheid tot verrekening (art.4:93 Awb en art 60 Pw) blijft wel bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in een beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid (art. 4:94 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel75</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeren herziening of uitstel van betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een verzoek tot uitstel van betaling kan in ieder geval worden afgewezen als: medewerking van de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende is; onjuiste gegevens worden verstrekt; de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt; de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld; de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kunnen worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde vordering te betalen; de berekende aflossingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden; de betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt; de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden; belanghebbende reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel76</span><span class=\"lf-art-t\">Beschikking intrekken of wijzigen (art.4:96 Awb)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking tot uitstel van betaling kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien de voorschriften niet worden nageleefd; indien onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; voor zover veranderde omstandigheden zich verzetten tegen voortduring van het uitstel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-55\"><span class=\"lf-art-num\">§5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel77</span><span class=\"lf-art-t\">Kwijtschelding na het voldoen aan betalingsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien belanghebbende zijn bedrijf heeft beëindigd en zich gedurende vijf jaren heeft gehouden aan de aflossingsregeling als bedoeld in artikel 43 lid 2 Bbz 2004 kan het dagelijks bestuur op verzoek van belanghebbende besluiten tot kwijtschelding van de resterende schuld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-56\"><span class=\"lf-art-num\">§5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Overige bepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel78</span><span class=\"lf-art-t\">Schorsende werking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het dagelijks bestuur kan de invordering opschorten in het geval van een bezwaar- of beroepschrift. Als de onmiddellijke invordering onevenredig belastend is voor de belanghebbende.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel79</span><span class=\"lf-art-t\">Verzuim en aanmaning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien belanghebbende in verzuim is, zoals bedoeld in artikel 4:97 van de Awb, wordt zo spoedig mogelijk na constatering van het verzuim een schriftelijke aanmaning verzonden waarin belanghebbende wordt gemaand om binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is verzonden, tot betaling over te gaan (artikel 4:112 van de Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien belanghebbende niet reageert, wordt er een tweede en laatste aanmaning verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze zal worden afgedwongen door op kosten van de belanghebbende uit te voeren invorderingsmaatregelen (artikel 58, vierde lid van de Participatiewet, artikel 4:112, derde lid van de Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel80</span><span class=\"lf-art-t\">Rente en kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien moet worden overgegaan tot indiening van de vordering bij de gerechtsdeurwaarder (vordering kenbaar gemaakt voor 1 juli 2009) dan wel tot betekening van het dwangbevel (vordering kenbaar gemaakt op of na 1 juli 2009) dan wordt de vordering vanaf het moment van indiening bij de gerechtsdeurwaarder respectievelijk vanaf het moment van betekening van het dwangbevel verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering toeziende kosten als bedoeld in het Besluit ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag) en het Besluit buitengerechtelijke kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting op Hoofdstuk 5 Bbz Toelichting op artikel 61 In artikel 1 wordt bij het beschrijven van de begrippen die in de verordening voorkomen zoveel als mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Participatiewet, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 en de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 62 Deze bepaling maakt duidelijk hoe de beleidsruimte aangaande terugvordering wordt ingevuld. Voor invulling wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot terugvorderen, als daar reden voor is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 63 In artikel 58 PW, artikel 12 lid 2 sub c, artikel 39 en de artikelen 41 tot en met 43 Bbz worden de gronden voor terugvordering van bijstand benoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 58</span><span class=\"lf-art-t\">PW spreekt met name over ten onrechte verleende bijstand, hier wordt verder op in gegaan in artikel 5 van deze uitvoerende uitvoeringsregels</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bbz stelt vast hoe het recht op bijstand voor levensonderhoud achteraf wordt vastgesteld. Na afloop van een boekjaar wordt het inkomen uit bedrijf vermeerderd met de ontvangen bijstand en overige inkomsten. Als dit boven de bijstandsnorm ligt, wordt het verschil tussen bijstandsnorm en hoogte van het inkomen teruggevorderd volgens de rekenregels van het Bbz 2004. De vordering wordt niet gebruteerd, omdat bij berekening van de definitieve bijstand een eindheffing over dit bedrag wordt afgedragen aan de Belastingdienst Terugvordering gebeurt ineens, uitgangspunt is dat de vordering binnen 6 weken wordt terugbetaald. Als dit niet mogelijk is, wordt een betalingsregeling afgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betalingsregeling met een lopende Bbz uitkering is niet mogelijk, omdat de terugbetaling dan geschiedt middels de verstrekte uitkering (lening).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 39 Bbz wordt een opsomming gegeven van verplichtingen verbonden aan de geldlening. Deze verplichtingen worden in de toekenningbeschikking aan belanghebbende medegedeeld. Ook aanvullende verplichtingen vallen hieronder, dit kan per belanghebbende verschillen. Als een belanghebbende zich hier niet aan houdt, wordt de lening teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 41 gaat over uitstel van betaling, verderop in deze uitvoerende uitvoeringsregels benoemd. Tot uitstel van betaling kan worden besloten gedurende de looptijd van de Bbz lening. Tot terugvordering wordt pas overgegaan als blijkt dat belanghebbende duurzaam niet aan de verplichtingen kan voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 42 bepaalt dat het dagelijks bestuur meewerkt met een schuldregeling voor zover dit noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf, mits gestelde zekerheden buiten het akkoord blijven en alle concurrente schuldeisers evenredige medewerking verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bbz gaat over de beëindiging van een zelfstandig beroep of bedrijf. Als hier sprake van is, kan een eventueel gevestigd hypotheekrecht op de woning gehandhaafd blijven als lening, of wordt deze tot onbelaste waarde van de woning gevestigd Als er geen hypotheek is gevestigd, en de beëindiging niet verwijtbaar is, wordt het resterende deel van de lening opgeëist en geldt er gedurende 5 jaar een aflosverplichting van 50% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot wordt bepaald dat de lening die als hypotheekrecht gehandhaafd wordt, een lening is als bedoeld in artikel 58 sub b PW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 64 De in artikel 3 lid 1 omschreven gevallen waarin bijstand wordt teruggevorderd komen overeen met de gevallen die worden beschreven in artikel 58 lid 2 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na afloop van een boekjaar wordt het inkomen uit bedrijf vermeerderd met de ontvangen bijstand en overige inkomsten. Als dit boven de bijstandsnorm ligt, wordt het verschil tussen bijstandsnorm en hoogte van het inkomen teruggevorderd volgens de rekenregels van het Bbz 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering wordt niet gebruteerd, omdat bij berekening van de definitieve bijstand een eindheffing over dit bedrag wordt afgedragen aan de Belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering gebeurt ineens, uitgangspunt is dat de vordering binnen 6 weken wordt terugbetaald. Als dit vanwege de financiële situatie op dat moment niet mogelijk is, kan belanghebbende een betalingsregeling afspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een betalingsregeling met een lopende Bbz uitkering is niet mogelijk, omdat de terugbetaling dan geschiedt middels de verstrekte uitkering (lening). In het geval van een lopende Bbz uitkering wordt bekeken of na afloop van de (Bbz) uitkering er ruimte is om af te lossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel terugvordering in de Participatiewet een bevoegdheid is en geen plicht, moet bij de uitoefening van deze bevoegdheid rekening moet worden gehouden met algemene rechtsbeginselen. In dat kader heeft de Centrale Raad van Beroep de zogenaamde ‘zesmaanden-jurisprudentie’ geformuleerd, hetgeen al van toepassing is op de WWB/Participatiewet (zie uitspraak CRvB 05/2497 NABW, 05/2498 NABW en 05/6970 alsmede de uitspraak van 24-07-2007, 06/3899 WWB). Aangenomen kan worden dat de zesmaanden-jurisprudentie ook geldt voor terugvorderingen krachtens het Bbz 2004. Deze jurisprudentie houdt in dat een bestuursorgaan een bevoegdheid tot terugvordering niet kan uitoefenen voor zover het betalingen betreft die meer dan 6 maanden zijn betaald na de ontvangst van een signaal waaruit het bestuursorgaan had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel wordt betaald. Een signaal is relevante informatie afkomstig van belanghebbende waaruit kan worden afgeleid dat op grond daarvan terstond actie moet worden ondernomen om de hoogte van de uitkering aan te passen De zesmaanden- jurisprudentie is dus alleen van toepassing wanneer er geen sprake is van het schenden van de informatieplicht door belanghebbende! Het signaal moet ook van de belanghebbende zelf afkomstig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijstand die ná die zes maanden nog is uitbetaald, kan niet worden teruggevorderd en er moet dus deels van terugvordering worden afgezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot is onder sub b opgenomen dat (deels) van terugvordering wordt afgezien wanneer uit onderzoek is gebleken dat een belanghebbende als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting de geldende vermogensgrens heeft overschreden en ten onrechte tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt. Indien de belanghebbende genoegzaam aannemelijk kan maken dat hij/zij wel recht op bijstand zou hebben gehad wanneer de van belang zijn de inlichtingen juist en volledig waren geweest, wordt over die perioden/maanden waarin de vermogensgrens niet is overschreden afgezien van terugvordering. Dit naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 2104-2009, LJN BH9423.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 bepaalt dat de kosten van bijstand vermeerderd met de afgedragen belastingen kunnen worden teruggevorderd. Hiermee wordt de eindheffing bedoeld, de som van heffingen die de gemeente na vaststelling van de uitkering afdraagt aan de belastingdienst. Door de eindheffing wordt de uitkering niet tot het verzamelinkomen van de belanghebbende gerekend, waardoor geen recht bestaat op bijvoorbeeld hypotheekrenteaftrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grondslag voor de bevoegdheid van deze brutering ligt in artikel lid 2 PW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 58 lid 2 PW gaat over de kosten van bijstand; die worden teruggevorderd. De kosten die de gemeente heeft gemaakt, in geval van achteraf kunnen beschikken over middelen, worden teruggevorderd van de cliënt. Het is daarbij niet van belang dat cliënt geen beschikking heeft gehad over de afgedragen loonheffing (in het verzamelinkomen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is een kan-bepaling, ons debiteurenbeleidsplan zegt hierover het volgende :</p>\n<p class=\"lf-p\">Het DB maakt gebruik van de bevoegdheid om te bruteren. Naar vaste rechtspraak moet worden afgezien van brutering indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van een belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 65 De meeste gronden tot terugvordering bedrijfskapitaal zijn geregeld in artikel 39 en de artikelen 41 tot en met 43 Bbz 2004. Indien de belanghebbende ook na een tweede aanmaning niet aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen voldoet, kan het geleende bedrag worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming, is over de achterstallige rente- en aflossingsbedragen de wettelijke rente verschuldigd. Het betreft hier de wettelijke rente voor consumententransacties. Op de volgende site staat een overzicht van de wettelijke rente: http://www.wettelijkerente.net/.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk maken wij weinig of geen gebruik van deze mogelijkheid omdat in die situatie meestal de gehele lening wordt teruggevorderd wegens wanbetaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opeisbaar stellen indien de bijstand niet overeenkomstig bestemming is besteed, bij faillissement en bij bedrijfsbeëindiging is geregeld in artikel 39 Bbz 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bijstand “om niet” niet mogelijk is vanwege het vermogen moet direct na beëindiging van de periodieke bijstandsverlening een betalingsregeling getroffen worden voor terugbetaling bedrijfskapitaal. Wordt niet aan deze betalingsregeling voldaan kan worden overgegaan tot terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 66 Indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dit achterwege is gebleven omdat belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 17 van de wet, of artikel 30c, tweede of derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (de inlichtingenplicht), niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de wet bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. In deze situatie is er dus teveel bijstand ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de bijstand terecht als gezinsbijstand aan gehuwden is verleend, maar de belanghebbende toch de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van de bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in dit artikel genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als er sprake is van een verzwegen gezamenlijke huishouding, waarbij de partner of daarmee gelijkgestelde ook een inkomen of vermogen had, waarmee rekening gehouden had moeten worden. Een ander voorbeeld is dat er bijstand naar de norm voor gehuwden is verleend, maar door een schending van de inlichtingenplicht geen rekening is gehouden met de middelen van de partner of daarmee gelijkgestelde. In deze gevallen is er teveel of ten onrechte bijstand verstrekt aan beide meerderjarige personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als meerderjarig gezinslid wordt in de praktijk de partner of daarmee gelijkgestelde bedoeld, omdat van meerderjarige kinderen niet kan worden teruggevorderd, ook wordt met hun middelen geen rekening gehouden bij gezinsbijstand (norm voor gehuwden). Meerderjarige kinderen kunnen vanaf 18 jaar zelf bijstand aanvragen en zijn niet begrepen in de gezinsbijstand, dus kan ook niet van hen worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beginsel wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt als het in de praktijk gaat om teveel of ten onrechte ontvangen bijstand. Bij fraude is deze terugvordering verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afzien van terugvordering is mogelijk als er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, of als de vordering niet aan het meerderjarig gezinslid te wijten valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kan worden afgezien van terugvordering van een meerderjarig gezinslid als er sprake is van dringende redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dringende redenen is niet uitsluitend gedacht aan financiële redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het moet gaan om iets bijzonders of uitzonderlijks en wel zodanig dat terugvordering voor de betrokkenen tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties leidt. Zie hiervoor ook de uitleg bij artikel 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 67 In het terugvorderingsproces kan op twee momenten worden afgezien van terugvordering. Ten eerste kan worden besloten om geen terugvorderingsbesluit te nemen. De vordering komt in dat geval niet tot stand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tweede kan worden afgezien van verdere terugvordering in een later stadium. In het laatste geval is sprake van kwijtschelding. Deze bepaling ziet op de eerstgenoemde mogelijkheid: afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In voorkomende gevallen kunnen er redenen zijn om in het geheel geen terugvorderingsbesluit te nemen. Dit kan enerzijds worden ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen, in gevallen waarin de ten onrechte verleende bijstand dermate laag is dat de kosten die de terugvordering met zich meebrengen hoger zijn dan de vordering (zgn. kruimelbedragen). Hiervoor is, zoals vermeld, aangesloten bij hetgeen ter zake bepaald is in het debiteurenbeleidsplan 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kunnen er in de individuele situatie dringende redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Hiervan kan sprake zijn wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal in dat geval aannemelijk moeten zijn dat de belanghebbende niet kon weten dat hij ten onrechte bijstand, inkomensvoorziening of uitkering ontving. Verder kunnen sociale en financiële omstandigheden aanleiding vormen voor het onderkennen van dringende redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit aan de orde is, en dus ook een vordering bestaat, kan ook van een dergelijk besluit worden afgezien wegens een dringende reden. In dat geval is er ook geen grond tot het nemen van een terugvorderingsbesluit. De vraag wat onder dringende redenen wordt verstaan, kan moeilijk in zijn algemeenheid worden beantwoord. Bij dringende redenen is niet uitsluitend gedacht aan financiële redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat het moet gaan om iets bijzonders of uitzonderlijks en wel zodanig dat terugvordering voor de betrokkenen tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de uitspraak van 26-02-2008 (06/6854 WWB) heeft de CRvB geoordeeld dat de gestelde verslechtering van de financiële situatie niet als een dringende reden kan worden aangemerkt. De Raad wees er daarbij op dat bij terugvordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkenen te allen tijde blijven beschikken over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Evenmin achtte de CRvB in de medische situatie van betrokkenen een dringende reden gelegen om van terugvordering af te zien. De terugvordering op zich leidde voor betrokkenen niet tot onaanvaardbare consequenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadrukkelijk geldt dus dat steeds van geval tot geval aan de hand van de omstandigheden de situatie van de belanghebbende moet worden beoordeeld. Deze bepaling kan dus slechts in zeer uitzonderlijke situaties worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 68 Bbz-vorderingen hebben een duidelijk ander karakter omdat de bijstand is verstrekt in de vorm van een (renteloze) geldlening ten behoeve van inkomstenverwerving in het eigen bedrijf en bedrijfskapitaal ten behoeve van de onderneming. Ook zijn er andere vermogensvrijstellingen welke bij het hebben van middelen ter inlossing van de schuld een rol kunnen spelen. Bij bedrijfskapitaal kunnen er bijvoorbeeld materiele activa zijn aangekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom is het uitgangspunt dat de vordering binnen de termijn van 6 weken moet worden voldaan. Als omstandigheden van belanghebbende hier aanleiding toe geven kan hij verzoeken om een betalingsregeling. Na onderzoek naar de hoogte van het inkomen en andere financiële omstandigheden wordt hier een besluit over genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige gevallen omvat het terugvorderingsbesluit ook het invorderingsbesluit, omdat hier de hoogte van de vordering en de betalingstermijn al genoemd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een eenmaal door het dagelijks bestuur vastgestelde aflossingsverplichting kan door het dagelijks bestuur in de toekomst worden gewijzigd op basis van een heronderzoek draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Periodiek (of op verzoek) kan het dagelijks bestuur onderzoek doen naar de debiteur. Dit onderzoek kan erin resulteren dat het aflossingsbedrag aangepast wordt. Een verhoging van het aflossingsbedrag kan voor de belanghebbende flink ingrijpen. De verhoging vindt niet in één keer plaats maar stapsgewijs in vier halfjaarlijkse perioden. Dus een verhoging van het aflossingsbedrag van tenminste € 200,00 per maand resulteert in een aanpassing van het aflossingsbedrag met tenminste € 50,00 per halfjaarlijkse periode. Op deze wijze wordt de belanghebbende in staat gesteld zijn uitgavenpatroon aan te passen aan diens ‘nieuwe’ financiële verplichtingen. Ook kan een heronderzoek een onderzoek naar adresgegevens of de stand van zaken in een faillissement behelzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van samenwerkingsverbanden (VOF, BV etc.), waarbij de medevennoot zich aansprakelijk gesteld heeft voor het verstrekte bedrijfskapitaal, zal bij het niet nakomen van de verplichtingen ook de medevennoot aansprakelijk gesteld moeten worden voor de terugbetaling. Er moet dan een privaatrechtelijke procedure worden opgestart bij de belanghebbenden die niet tot de doelgroep van het Bbz 2004 behoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 69 Bij het vaststellen van de betalingsverplichting wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet. Het inkomen boven de beslagvrije voet kan worden verrekend met de openstaande vordering (artikel 60 lid 4 PW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 70 Terugvorderingsbesluiten kenbaar gemaakt voor 1 juli 2009 vormen direct een executoriale titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terugvorderingsbesluiten kenbaar gemaakt vanaf 1 juli 2009 dienen conform de Algemene Wet Bestuursrecht eerst per dwangbevel betekend te worden. Hierin zijn twee opties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende voert een bedrijf; in dit geval wordt het dwangbevel door de deurwaarder betekend en wordt de vordering uit handen gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende heeft inkomen uit arbeid danwel uitkering; de ISD zal het dwangbevel uitbrengen en zelf overgaan tot het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pas na betekening van het dwangbevel is sprake van een executoriale titel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze executoriale titel kan de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag leggen. Tenuitvoerlegging door middel van beslag geschiedt conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 71 Wanneer het dagelijks bestuur 10 jaar lang inspanningen heeft verricht om tot invordering te komen en de belanghebbende heeft geen enkele aflossing (meer) op de schuld verricht en het valt ook in de (verre) toekomst niet te verwachten dat aflossing alsnog gaat plaatsvinden, dan kan van (verdere) invordering worden afgezien. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan de persoon van wie de verblijfplaats onbekend is of aan de persoon die zich definitief heeft gevestigd in een ander land waarmee Nederland geen executieverdrag heeft of waar inning onevenredig hoge kosten met zich mee zal brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de terugvordering buiten invordering te stellen moet de afweging worden gemaakt of de belanghebbende zijn schuld op enig moment zal kunnen afbetalen. Hiervan kan sprake zijn als op andere schulden wordt afgelost en er zicht bestaat dat aan de betalingsverplichting zal worden voldaan dan wel dat er in de toekomst aanspraken kunnen zijn op inkomen of uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 72 In een aantal situaties wordt de vordering afgeboekt. Als is vastgesteld dat de vordering het gevolg is van een systeemfout, administratieve fout of menselijke fout dan wordt de geboekte vordering afgeboekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verval en verjaring van een vordering leidt ertoe dat een vordering niet meer in rechte kan worden afgedwongen wanneer de termijn is verstreken. De mogelijkheid van terugvordering vervalt als de wettelijk vastgestelde vervaltermijn is verstreken. De verjaringstermijn van reeds kenbaar gemaakte vorderingen is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (art. 3:307) voor de vorderingen kenbaar gemaakt voor 1 juli 2009 en in de Algemene Wet Bestuursrecht (art. 4:104) voor vorderingen kenbaar gemaakt na 1 juli 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 73 Artikel 42 van de Bbz 2004 verplicht het dagelijks bestuur onder bepaalde omstandigheden mee te werken aan een schuldregeling. Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere invordering treedt eerst in werking indien de schuldregeling ook daadwerkelijk tot stand komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 74 Als belanghebbende gedurende de looptijd van de lening (dus voor terugvordering) vraagt om uitstel van betaling en de voorgestelde duur van uitstel is niet langer dan drie maanden wordt dit maximaal éénmaal per twee jaar toegekend. Dit uitstel wordt zonder verder onderzoek naar de hoogte van het inkomen of de persoonlijke situatie van de belanghebbende verleend. Indien de belanghebbende vaker om uitstel van betaling verzoekt of het verzoek om uitstel betreft een periode van meer dan 3 maanden, dan vindt ten alle tijde een onderzoek naar de persoonlijke en financiële situatie van de belanghebbende plaats alvorens er een beslissing wordt afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 75 Het verzoek om uitstel van betaling zal in het algemeen worden afgewezen indien de belanghebbende niet voldoet aan één van de onder a tot en met i opgesomde bepalingen. De afwijzing dient bij beschikking bekend te worden gemaakt (en dus voor bezwaar en beroep vatbaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 76 Het verleende uitstel van betaling kan tussentijds beëindigd worden. Gronden daarvoor zijn dat de belanghebbende zich niet aan de aan het uitstel verbonden voorschriften houdt, er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot een andere beschikking of een wijziging van de omstandigheden die voortduring van het uitstel onaanvaardbaar maken. Beëindiging van het uitstel doet de betalingsverplichting onverkort herleven en vergt dan dus een nieuwe beschikking. Pas na bekendmaking van die beschikking kan de invorderingsprocedure worden gestart of worden hervat. Wordt een voorschrift voor een deel niet nagekomen, bijvoorbeeld door het niet tijdig voldoen van één betalingstermijn, dan kan ervoor worden gekozen om dit gedeelte na aanmaning in te vorderen. Immers, de schuldenaar is voor dat gedeelte van de vordering in verzuim. De uitstelbeschikking hoeft daarvoor niet te worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 77 Deze bepaling sluit aan bij de bepaling van art 43 lid 2 het Bbz dat voorschrijft dat gedurende 5 jaar na de bedrijfsbeëindiging moet worden afgelost. Het betreft hier een kan bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot het buiten invorderingstellen van een vordering gaat het bij kwijtschelden om een tweezijdige handeling. Kwijtschelding vindt alleen plaats op verzoek van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 78 Een eventueel bezwaar- of beroepschrift van de belanghebbende tegen het terugvorderingsbesluit heeft geen schorsende werking (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht). Wel kan de belanghebbende de voorzieningenrechter van de rechtbank (of van de CRvB) hangende een bezwaar- of beroepsprocedure verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen, waaronder begrepen een schorsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de medewerker die belast is met de behandeling van bezwaar- en beroepschriften (de jurist), na ontvangst van een bezwaarschrift, constateert dat het besluit onevenredig belastend is voor de belanghebbende en in bezwaar mogelijk niet in stand kan blijven, kan dit aanleiding zijn om de invordering (tijdelijk) op te schorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 79 Volgens het bepaalde in artikel 4:97 van de Awb is de schuldenaar in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn (zes weken) heeft betaald. Alvorens over te gaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel wordt door het dagelijks bestuur een aanmaning verzonden waarbij de belanghebbende wordt gemaand om binnen twee weken alsnog tot betaling over te gaan. Belanghebbende wordt tevens gewaarschuwd voor mogelijke invorderingsmaatregelen. De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling dit zal worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het verstrijken van de aanmaningstermijn bestaat de bevoegdheid om tot dwanginvordering over te gaan. Het zal van de omstandigheden afhangen of terstond tot invordering zal worden overgegaan. Alhoewel artikel 4:112 van de Awb dwingend van karakter is, kunnen er redenen zijn waarom de schuldenaar niet binnen de gestelde termijn heeft betaald. Wanneer een tweede aanmaning wordt verzonden wordt de schuldenaar er nogmaals op geattendeerd dat hij tot betaling moet overgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur brengt geen wettelijke rente in rekening. Ook aanmaningskosten worden niet in rekening gebracht aan belanghebbende zolang de incasso van de vordering nog in handen is van de ISD Bollenstreek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra de invordering echter uit handen wordt gegeven aan een (gerechts) deurwaarder, mag deze de incassokosten (bijv. kosten van dwangbevel als bedoeld in art. 4:119 Awb) verhalen op de belanghebbende en wettelijke rente in rekening brengen bij belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 80 Indien belanghebbende, ook na te zijn aangemaand, niet tot betaling overgaat, wordt een dwangbevel uitgevaardigd. De kosten van het dwangbevel, en overige incassokosten worden ingevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6WMO Inleiding De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bevat de grondslag voor heronderzoek, de grondslagen voor herzien en intrekken, en de grondslag voor terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wmo is bestuursrechtelijke terugvordering van een belanghebbende alleen mogelijk als er sprake is van het opzettelijk niet meewerken aan de inlichtingenplicht en het toekenningsbesluit is ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het besluit tot toekenning is ingetrokken vanwege een opzettelijk nalaten van het verstrekken van de juiste of volledige gegevens, kan de voorziening, het PGB of de geldswaarde van de voorziening worden teruggevorderd van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk heeft meegewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor overige gevallen zal een civielrechtelijke procedure gestart moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordeningen maatschappelijke ondersteuning van de Bollenstreek gemeenten is hier nadere invulling aan gegeven (artikel 2 van deze uitvoeringsregels komt overeen met artikel 9 verordening maatschappelijke ondersteuning) en hoofdstuk 14 uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaande regels sluiten hierop aan en worden verderop nader toegelicht voor praktijksituaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-61\"><span class=\"lf-art-num\">§6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Heronderzoek en herbeoordeling</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel81</span><span class=\"lf-art-t\">Heronderzoek van besluiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ISD Bollenstreek onderzoekt periodiek of het besluit tot toekenning zoals in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo nog juist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 2.3.2 en artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel82</span><span class=\"lf-art-t\">Wanneer kan er worden herzien of ingetrokken?</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.3.10 Wmo staan de gevallen waarin in een besluit tot toekenning van een PGB of maatwerkvoorziening kan worden herzien of ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ISD Bollenstreek maakt, rekening houdend met de omstandigheden van de cliënt, volledig gebruik van de bevoegdheid om een besluit tot toekenning van een PGB of maatwerkvoorziening te herzien of in te trekken zoals in artikel 2.3.10 van de Wmo beschreven is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ISD Bollenstreek kan een besluit tot toekenning van een PGB of maatwerkvoorziening herzien of intrekken als de ISD Bollenstreek: vaststelt dat de cliënt verkeerde of onvolledige gegevens heeft verstrekt en op basis van de juiste of volledige gegevens een ander besluit zou zijn genomen; vaststelt dat de cliënt de maatwerkvoorziening of het PGB niet langer nodig heeft; vaststelt dat de maatwerkvoorziening of het PGB niet meer toereikend of passend is; de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die zijn afgesproken bij toekenning van de maatwerkvoorziening of het PGB; de cliënt de maatwerkvoorziening of het PGB niet gebruikt, voor een ander doel dan afgesproken heeft gebruikt of het gebruikte PGB niet kan verantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een besluit tot toekenning van een PGB kan worden ingetrokken als blijkt dat het PGB binnen 6 maanden na uitbetaling niet is gebruikt voor de voorziening waarvoor het PGB bedoeld was, en daarvoor geen dringende redenen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een besluit tot intrekking of herziening wordt goed onderbouwd omdat dit een belastend besluit is.33 Zie artikel 3:46 Awb In het besluit wordt de inwerkingtreding daarvan genoemd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel83</span><span class=\"lf-art-t\">Wanneer kan er worden teruggevorderd?</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ISD Bollenstreek maakt, rekening houdend met de omstandigheden van de cliënt, volledig gebruik van de bevoegdheid om de geldswaarde van een maatwerkvoorziening of een PGB terug te vorderen, zoals deze in artikel 2.4.1 Wmo beschreven is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In uitzondering op lid 1: voor een PGB of een voorziening ZIN geldt dat de (geldswaarde van de) voorziening kan worden teruggevraagd tot maximaal de levensduur van de voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voordat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid uit lid 1, vindt een belangenafweging plaats tussen het belang van de cliënt en het belang van de terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Bestuursrechtelijke terugvordering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ISD Bollenstreek kan geheel of gedeeltelijk de waarde in geld van de gebruikte maatwerkvoorziening of het uitbetaalde PGB van de cliënt terugvorderen als: het besluit tot toekenning is ingetrokken zoals genoemd in artikel lid 1 sub a van deze uitvoeringsregels (artikel 2.3.10 lid 1 sub a Wmo) en de cliënt opzettelijk verkeerde of onvolledige informatie heeft geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Bestuursrechtelijke terugvordering:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ISD Bollenstreek kan geheel of gedeeltelijk de waarde in geld van de gebruikte maatwerkvoorziening of het uitbetaalde PGB van een derde (zorgaanbieder) terugvorderen als: het besluit tot toekenning is ingetrokken zoals genoemd in artikel lid 1 sub a van deze uitvoeringsregels (artikel 2.3.10 lid 1 sub a Wmo) en de cliënt opzettelijk verkeerde of onvolledige informatie heeft geleverd, en degene van wie wordt teruggevorderd opzettelijk heeft meegewerkt aan het leveren van verkeerde of onvolledige informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De ISD Bollenstreek kan de waarde in geld van een ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Voor de vaststelling van de waarde in geld van een maatwerkvoorziening wordt uitgegaan van de dagwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Civielrechtelijke terugvordering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het recht op een voorziening waarvan de cliënt eigenaar is geworden, is ingetrokken, kan (de geldswaarde van) deze voorziening worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Civielrechtelijke terugvordering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het recht op een voorziening in bruikleen is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Civielrechtelijke terugvordering:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een PGB door een fout ten onrechte of tot een te hoog bedrag is uitbetaald, kan dit worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Als er op een andere grond dan in lid 3 of 4 wordt teruggevorderd, of de vereiste opzet niet kan worden aangetoond, is er geen bestuursrechtelijke grondslag voor terugvordering. In dit geval wordt geprobeerd het bedrag in der minne terug te krijgen. Ook kan een betalingsregeling worden afgesproken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel84</span><span class=\"lf-art-t\">Wanneer kan er worden afgezien van terugvordering?</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ISD Bollenstreek ziet af van terugvordering van een (Wmo) voorziening als het terug te vorderen bedrag niet meer is dan € 100,00, tenzij de vordering een gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ISD Bollenstreek kan afzien van een Wmo terugvordering als de vordering niet verwijtbaar is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ISD Bollenstreek kan afzien van een Wmo terugvordering als de aanvrager niet had kunnen weten dat er een situatie is ontstaan die niet aan de regels voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ISD Bollenstreek kan afzien van een Wmo terugvordering als er na een verhuizing een regeling kan worden getroffen met de nieuwe gemeente waarin de aanvrager woont.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-62\"><span class=\"lf-art-num\">§6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Invordering en betalingsverplichting van (bestuursrechtelijke) vordering</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel85</span><span class=\"lf-art-t\">Invordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ISD Bollenstreek kan een PGB of de geldswaarde van een maatwerkvoorziening bij dwangbevel invorderen als de terugvordering plaatsvindt op grond van artikel 3 lid 3 of 4 van deze uitvoeringsregels, dus als er opzet in het spel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ISD Bollenstreek zorgt ervoor dat de invordering tegelijk met de afgifte van het terugvorderingsbesluit start. Daarbij wordt de wettelijke betalingstermijn van zes weken gehanteerd (artikel 4:87 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor andere terugvorderingen kan de invordering alleen na een civielrechtelijke procedure plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel86</span><span class=\"lf-art-t\">Wat staat er in het invorderingsbesluit?</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het invorderingsbesluit wordt tegelijk met het terugvorderingsbesluit afgegeven. Hierin staat in ieder geval: de hoogte van (het saldo van) de vordering; de betalingsverplichting om de hele vordering te betalen; de betalingstermijn en de datum waarop de betalingsafspraak of –verplichting ingaat; dat de kosten van invordering aan belanghebbende kunnen worden doorberekend als moet worden overgegaan tot beslaglegging; en eventueel: de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking, als bedoeld in artikel 4:87 Awb, een betalingsregeling te treffen; de rechtsgevolgen bij niet nakoming van de betalingsverplichting, zoals beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel87</span><span class=\"lf-art-t\">De aflosverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor het vaststellen van de aflosverplichting wordt uitgegaan van de ruimte boven de beslagvrije voet, zoals in artikel 475d tot en met 475 e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel88</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstel van betaling (art. 4:94 Awb)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als de cliënt om uitstel van betaling verzoekt dan kan deze zonder onderzoek door het dagelijks bestuur toegekend worden als: aan de cliënt in de periode van 24 maanden voor het verzoek niet eerder een uitstel van betaling is toegekend en; het uitstel van betaling niet langer duurt dan drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In alle overige gevallen vindt onderzoek plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Verder kan uitstel van betaling worden verleend als er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in een beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid (art. 4:94 Awb).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel89</span><span class=\"lf-art-t\">Geen uitstel van betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Een verzoek tot uitstel van betaling kan in ieder geval worden afgewezen als: medewerking van de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur 2.onvoldoende is; onjuiste gegevens worden verstrekt; de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt; de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld; de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kunnen worden gemaakt om 3.daarmee de verschuldigde vordering te betalen; de berekende aflossingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden; de betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt; de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden; belanghebbende reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen;</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel90</span><span class=\"lf-art-t\">Tussentijdse wijziging en onderzoek van een aflosverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ISD Bollenstreek kan een draagkrachtonderzoek doen, als vermoed wordt dat er iets is veranderd in de afloscapaciteit van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Als er geen gegrond vermoeden is zoals in lid 1, doet de ISD Bollenstreek een onderzoek als een IB of BRP signaal hiertoe aanleiding geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De beslagvrije voet wordt telkens voor 12 maanden vastgesteld, na deze periode wordt de beslagvrije voet opnieuw vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Als de ISD Bollenstreek na het draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging van de aflosverplichting, krijgt belanghebbende hiervan een beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Als de aflosverplichting verandert, wordt het nieuwe bedrag opgelegd met ingang van de eerste maand nadat de beschikking is verstuurd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel91</span><span class=\"lf-art-t\">Minimaal aflosbedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aflosbedrag moet in principe minimaal € 10,00 per maand zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel92</span><span class=\"lf-art-t\">Verzoek tot wijziging van een betalings- of aflosverplichting door belanghebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Belanghebbende kan schriftelijk en onderbouwd verzoeken om de aflos-- of betalingsverplichting te wijzigen. Bij dit verzoek moeten de financiële en andere relevante gegevens met bewijsstukken meegestuurd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek (lid 1) neemt de ISD Bollenstreek een besluit op het verzoek en stuurt dit naar belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verzoek tot wijziging van de betalings- of aflosverplichting betekent niet dat de betaling of aflossing niet gedaan hoeft te worden, tenzij er sprake is van dringende redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ISD Bollenstreek zal na het verzoek (lid 1) een draagkrachtonderzoek instellen en de aflos- of betalingsverplichting volgens deze uitvoeringsregels opnieuw vaststellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel93</span><span class=\"lf-art-t\">Niet of niet meer voldoen aan de betalings- of aflosverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Als belanghebbende: de aflos- of betalingsverplichting niet of niet op tijd nakomt; of niet wil meewerken aan het afspreken van een betalingsregeling; of een afgesproken betalingsregeling niet op niet op tijd nakomt wordt overgegaan tot invordering door: een executoriaal beslag zoals in artikelen 479b t/m 479g, behalve artikel 479e lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; of beslag zoals omschreven in het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel (artikel 4:114 Awb), nadat de aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in afdeling 4.4.4 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voordat er een aanmaning wordt verstuurd, wordt er contact opgenomen met belanghebbende en hem verzocht om alsnog de betalingsverplichting na te komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel94</span><span class=\"lf-art-t\">Rente en kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als de vordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder, wordt de vordering verhoogd met de wettelijke rente en de kosten die horen bij de invordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting op Hoofdstuk 6 Wmo Toelichting op artikel 81 Handhaving en naleving in de Wmo 2015 en de Jeugdwet begint met goede informatieverstrekking aan de cliënt, goed onderzoek bij meldingen en aanvragen voor ondersteuning en duidelijke rapporta¬ges en beschikkingen. Hiervan gaat een preventieve werking uit, dit is onderdeel van het concept ‘Hoogwaardig handhaven’ zoals beschreven in het handhavingsbeleidsplan 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de poort is het belangrijk om risico’s in te schatten. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van de risicokaarten van de VNG (zie kwaliteit/intranet), aan de hand hiervan kan een heronderzoeksfrequentie worden vastgesteld. Uitgangspunt is daarbij dat een vroegtijdige signalering problemen kan beperken (ook bij aanbieders).</p>\n<p class=\"lf-p\">We maken gebruik van controle op maat; hoe hoger het risico, hoe intensiever de controle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na verstrekking van een voorziening of pgb is het belangrijk dat er een heronderzoek volgt naar de ‘lopende’ ver¬strekkingen. Dit is een verplichting in de Wmo (artikel 2.3.9 Wmo). Het gaat daarbij om periodiek heronderzoek naar zowel verstrekte maatwerkvoorzie¬ningen in natura als naar verstrekte pgb’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe vaak dat noodzakelijk zal zijn, zal mede afhangen van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en hetgeen bij het eerste onderzoek wordt vastgesteld. We bepalen (op basis van de individuele omstandigheden) of we een indicatie voor kortere of langere duur afgeven, waarna een herbeoordeling plaatsvindt. Er vindt geen herbeoordeling plaats als er een nieuwe aanvraag wordt ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder ontvangen we van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) jaarlijks uitnuttingslijsten over het voorgaande jaar. Als er sprake is van een afwijking van 10% of meer in het gebruik, voeren we een heronderzoek uit omdat het noodzakelijk kan zijn dat we de indicatie aanpassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook moet bij een heronderzoek worden getoetst of een verstrekt PGB op de juiste wijze wordt besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk betalen we een PGB uit nadat de rekening van de voorziening is ingeleverd, of het wordt uitbetaald aan de leverancier. In die gevallen hoeft een juiste besteding niet te worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de ISD signalen ontvangen dat er iets aan de hand is rond een eerder verstrekte voorzie-ning of pgb, bijvoorbeeld via de toezichthouder of de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Ook naar aanleiding daarvan kan een heronderzoek gestart worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor de Wmo geldt dat we bij de poort alert moeten zijn. Bij de fase van de melding of aanvraag van maatschappelijke ondersteuning kunnen er verschillende signalen zijn die maken dat een nader onderzoek gewenst is. Het gaat om signalen die twijfels doen rijzen over de rechtmatigheid en/of wijzen op verdachte omstandigheden. Voorbeelden zijn: klant geeft geen toestemming (aan de medisch deskundige) om medische gegevens op te vragen; klant geeft geen woonadres voor een huisbezoek; klant geeft geen eenduidige antwoorden op vragen; onvolledig ingevuld formulier of ingevulde gegevens kloppen niet (met bijv. BRP); de zorgverlener/bemiddelaar/vertegenwoordiger bemoeit zich nadrukkelijk met de inhoud van de aanvraag en schermt de klant af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pgb-risicoscan (pilot) De pgb-risicoscan is een instrument in ontwikkeling waarmee gemeenten via data van de SVB inzicht kunnen krijgen in risicovolle situaties die aanleiding kunnen zijn voor nader onderzoek. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar zorgverleners die een bijzonder hoog aantal uren werken, bijzonder veel inkomsten uit pgb ontvangen of ook vertegenwoordiger zijn voor budgethouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij kunnen de risicoscan op moment van schrijven nog niet gebruiken, maar zijn voornemens dit wel te doen zodra dit kan en een waardevolle aanvulling blijkt te zijn op onze werkwijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 geeft aan dat wat er in artikel 2.3.2 Wmo staat over de inhoud van het onderzoek, van toepassing blijft. In dit artikel staat een aantal omstandigheden en situaties genoemd die onderzocht moeten worden (na melding Wmo), en is daarmee een handvat voor een heronderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan worden bezien of de cliënt in aanmerking komt of kan komen voor voorzieningen vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), die voorliggend zijn op de Wmo 2015 (zie artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 82 Als blijkt dat er sprake is van onrechtmatigheden, dan kunnen we het besluit tot toekenning van de Wmo-voorziening herzien of intrekken en de geldswaarde van de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget (pgb) terugvorderen. De ISD maakt van deze bevoegdheid gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gronden waarop dit mogelijk is zijn in de wet en in de uitvoeringsregels al benoemd, en worden hier volledigheidshalve herhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wmo maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Van beëindiging is sprake als de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast (beëindigd) met ingang van het heden of naar de toekomst toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ongedaan maken van de aanspraak op een maatwerkvoorziening over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen terugwerkende kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan gaan om situaties waarin de cliënt niet meer aan de voorwaarden voldoet zoals genoemd in artikel. Ook kan het gaan om het niet meer verantwoord/veilig gebruik kunnen maken van een voorziening, bijvoorbeeld het rijgedrag met een scootmobiel of wanneer sprake is van cognitieve achteruitgang of gebruik van medicatie waarbij rijveiligheid niet meer veilig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als terugvorderen juridisch lastig is (bijv. wegens aantonen opzet), dan is beëindiging, intrekking of herziening van de (toekennings)beschikking een goede optie om mogelijke schade te beperken. Dit kan ook ingezet worden als een klant niet meer veilig/verantwoord met een voorziening om kan gaan, of als er na een bepaalde periode blijkt dat de voorziening niet meer nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herziening of intrekking is mogelijk als de klant onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook als de klant niet voldoet aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de maatwerk-voorziening of het pgb of deze voor een ander doel gebruikt, kan een toekenningsbesluit worden herzien of ingetrokken (artikel 2.3.10 Wmo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld van een beëindiging is het stopzetten van de verstrekking of de verdere weigering van keuzevrijheid voor een pgb (in dat geval heeft de klant mogelijk nog wel recht op een voorziening in natura).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 83 Als we een besluit tot toekenning van de Wmo-maatwerkvoorziening of pgb met terugwerkende kracht hebben ingetrokken omdat de klant onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt, kunnen we de ten onrechte ontvangen PGB of geldswaarde van de maatwerkvoorziening terugvorderen van de klant34 Een termijn voor terugvorderen is niet gespecificeerd, in het kader van voortvarend handelen van bestuursorgaan en de zesmaanden jurisprudentie is een termijn van 6 maanden nadat er een signaal is dat er geen of minder recht bestaat, gangbaar..</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft terugvordering zijn de wettelijke mogelijkheden beperkt. Bestuursrechtelijke terugvordering is uitsluitend mogelijk als sprake is geweest van het opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens. We kunnen in dat geval terugvorderen van de klant en van degene die opzettelijk zijn medewerking heeft verleend aan de onjuiste en onvolledige gegevensverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook van deze (wettelijk beperkte) bevoegdheid maken we in beginsel gebruik. Dat betekent dat we terugvorderen als we kunnen aantonen dat de klant (en eventueel een persoon die daaraan medewerking heeft verleend) opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt (artikel 2.3.10 lid 1 onder a Wmo en artikel 2.4.1 lid 1 Wmo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opzetvereiste is in jurisprudentie als volgt geformuleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzet is de meest volledige wilsvorming die achter de gedraging zit. “De cliënt verstrekt willens en wetens onjuiste of onvolledige gegevens. Iemand verleent medewerking aan het opzettelijk verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens als diegene de cliënt daarbij hulp of assistentie verleent, waardoor mede door zijn toedoen sprake is van het willens en wetens verstrekken van die gegevens.” 35 Uitspraak ECLI:NL:RBOVE:2018:2310 We maken daarbij de afweging tussen het belang van de klant en het belang van terugvordering. De gevolgen voor de klant mogen niet onevenredig zijn in relatie tot de terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in dit geval succesvol te kunnen terugvorderen is het erg belangrijk dat de oorspronkelijke toekenningsbeschikking Wmo duidelijk is, met een goede omschrijving van de verstrekking, de voorwaarden, de rechten en plichten. Zonder een goede beschikking is terugvorderen bijna onmogelijk. Ook in een eventuele civielrechtelijke of strafrechtelijke procedure is een goede beschikking erg belangrijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijkheden terugvordering in geval van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzet cliënt (PGB en ZIN): Intrekking -&gt; terugvordering Als belanghebbende opzettelijk verkeerde gegevens heeft geleverd wordt eerst het recht ingetrokken met ingang van de datum waarop geen recht meer bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarna kan bestuursrechtelijk worden teruggevorderd met een terugvorderings- en invorderingsbeschikking. Eventueel kan een dwangbevel worden afgegeven omdat de executoriale titel aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzet cliënt en derde (zorgaanbieder) (PGB en zorg in natura (ZIN)): Intrekking – terugvordering cliënt, terugvordering derde. Alleen als de opzet is aangetoond kan de ISD van cliënt en de derde terugvorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen opzet cliënt, fraude of fout derde: Geen terugvordering van cliënt mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering van zorgaanbieder moet via civielrechtelijke weg. Hieraan ligt uiteraard een grondig onderzoek ten grondslag. De grondslagen zijn verschillend voor PGB en ZIN, zoals hieronder aangegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 Wijze PGB:</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondslag kiezen voor procedure (rechtsgrond):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">aa)</span>Onrechtmatige daad Fraude (of een andere vorm van misbruik van pgb-gelden) door de zorg¬aanbieder levert een onrechtmatige daad jegens de gemeente op36 Voorbeelden van uitspraken: rechtbank Gelderland 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3628 en Gerechtshof Den Haag 16 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2860. Een aantal van de uitspraken waarnaar wordt verwezen hebben betrekking op fraudezaken die speelden onder de Zorgverzekeringswet respectievelijk de AWBZ. Hoewel er uiteraard sprake is van verschillen menen we dat de aangehaalde zaken zich in belangrijke mate lenen voor analoge toepassing bij fraude in de Wmo 2015/Jeugdwet. .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">ab)</span>Derdenbeding Als het pgb naar aanleiding van toerekenbaar handelen van de zorgaanbieder is ingetrokken of herzien, kan de gemeente het onterecht verstrekte bedrag terugvorderen van de zorgaanbieder. Voorwaarde om van deze grondslag gebruik te maken is dat het derdenbeding is opgenomen in de overeenkomst tussen cliënt en zorgaanbieder. Bij overeenkomsten die zijn gesloten na 1 april 2017 is dit verplicht (art. 2a lid 2 sub c Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Om van het derdenbeding gebruik te kunnen maken moet de gemeente wel eerst de beschikking van de cliënt herzien of intrekken. Bij een derdenbeding kan de gemeente de aanbie-der naast de cliënt aanspreken (en niet in plaats van de cliënt zoals bij cessie, zie hieronder). De zorgaanbieder zal bij het intrekkings- of herzieningsbesluit mogelijk zijn belang bij het pgb willen waarborgen. Een complexe situatie kan ontstaan, zeker als de zorgaanbieder (die in dergelijke gevallen waarschijnlijk belanghebbende is bij het intrekkings- of herzieningsbesluit) de beslis¬sing aanvecht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">ac)</span>Cessie (overdracht van vordering) Na akte van cessie:</div>\n<p class=\"lf-p\">Civiele vordering wegens toerekenbare tekortkoming; of Civiele vordering wegens onverschuldigde betaling Hierbij neemt de gemeente de rechten van de cliënt jegens de zorgaanbieder over (art. 2a Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en art. 3:94 BW). De vordering wordt als het ware overgedragen van cliënt naar de gemeente, die vervolgens de vordering kan instellen en innen. De gemeente tekent met de cliënt een ces¬sieakte, waarvan zij de zorgaanbieder op de hoogte stelt. Na cessie wordt een vordering tegen de zorgaanbieder ingesteld op grond van een toerekenbare tekortkoming of onverschuldigde betaling (zie toelichting artikel 3.2). De gemeente is voor cessie afhankelijk van de medewerking van de cliënt, omdat de gemeente de aanbieder aanspreekt in plaats van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijs schade en fraude opbouwen Evt. bestuurder aansprakelijk stellen 3.2 Wijze ZIN:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ISD Bollenstreek heeft een directe relatie met de zorgaanbieder door middel van een contract. In de overeenkomst zijn verplichtingen voor de zorgaanbieder opgenomen met betrekking tot bijvoorbeeld de kwaliteit van de te leveren zorg. Verder dient de overeenkomst een bevoegdheid voor de gemeente bevatten om betaalde declaraties terug te vorderen indien er sprake is van fraude. Op basis van de resultaten van een onderzoek kan de gemeente ook een civielrechtelijke procedure starten om het onterecht verstrekte bedrag terug te vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondslag kiezen voor procedure (rechtsgrond):</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">aa)</span>Ontbinding van de overeenkomst (om relatie naar de toekomst toe te beëindigen); en Vaak is in overeenkomsten de mogelijkheid tot ontbinding opgenomen indien er sprake is van fraude. Ook als dit niet specifiek is opgenomen kan de gemeente de overeenkomst in beginsel ontbinden als de aanbieder de contractuele verplichtingen niet is nagekomen (art. 6:265 BW), wat vaak het geval is bij fraude. Een ontbinding heeft in principe geen terugwerkende kracht, maar verplicht beide partijen wel om inmiddels verrichte prestaties ongedaan te maken, waaronder betalingen (art. 6:269 en 6:271 BW). Nadeel van een dergelijke vordering is dat de aanbieder meestal wel enige ondersteuning heeft geleverd, waardoor er discussies ontstaan over of en in hoeverre de gemeente daarvoor nog een vergoeding moet betalen (art. 6:272 BW). Overigens laat dat onverlet dat de gemeente er desondanks belang bij kan hebben om de over-eenkomst te ontbinden. Niet om tot terugvordering over te kunnen gaan, maar met als doel om de relatie tussen de zorgaanbieder en de gemeente naar de toekomst toe te beëindigen 37 Bij een eventuele ontbinding zal wel steeds moeten worden bezien in hoeverre de ontbinding ook tot gevolg heeft dat de gemeente geen beroep meer zou kunnen doen op eventueel in de overeenkomst opgenomen terugvorderings- en bewijsbepalingen. Om hierover geen twijfel te laten ontstaan is het aan te bevelen om in te sluiten overeenkomsten uitdrukkelijk te bepalen dat een eventuele ontbinding de bepalingen die betrekking hebben op terugvordering en de bewijsverdeling onverlet laten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">ab)</span>Toerekenbare tekortkoming op grond waarvan schadevergoeding kan worden gevraagd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als een partij de verplichtingen uit de overeenkomst toerekenbaar niet nakomt is zij in principe verplicht de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. In geval van fraude kan uw gemeente voor een vordering op basis van toerekenbare tekortkoming kiezen. Dit vraagt echter meestal om een ‘dubbele vertaalslag’ en is daarom niet altijd aantrekkelijk. Fraude levert doorgaans op zichzelf geen tekortkoming op, tenzij dit uitdrukkelijk is bepaald in de overeenkomst. Uw gemeente moet de fraude daarom vertalen naar het tekortschieten door de zorgaanbieder in de nakoming van wel in de overeenkomst genoemde verplichtingen, zoals het niet leveren van geïndiceerde zorg. Dit is de eerste vertaalslag. In hoeverre dit mogelijk is hangt met name af van de inhoud van de overeenkomst. Vervolgens moet worden aangetoond dat de schade een gevolg is van de tekortkomingen. Dit is de tweede vertaalslag.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">ac)</span>Onverschuldigde betaling Als de aanbieder ‘zonder rechtsgrondslag’ is betaald, kan de gemeente het bedrag als onverschuldigd betaald terugvorderen. Om hiervan gebruik te kunnen maken, moet in beginsel in de overeenkomst wel een bevoegdheid tot terugvordering bij fraude zijn opgenomen respectievelijk zijn bepaald dat geen aanspraak op betaling bestaat indien er sprake is van fraude. Daarbij kan de gemeente ook opnemen dat zij bevoegd is om (maximaal) alle betaalde declaraties terug te vorderen, ongeacht of er ondersteuning is geleverd. Daarmee staat u sterker in discussies over de omvang van de terugvordering. Omdat het om een bevoegdheid in plaats van een verplichting gaat, laat dat ruimte om een afweging te maken over het al dan niet geheel terugvorderen van het betaalde bedrag38 Overigens is dit niet hetzelfde als een verplichting om de belangen van de gemeente en de zorgaanbieder gelijkelijk tegen elkaar af te wegen. Indien er sprake is van een contractuele bevoegdheid dan mag de gemeente daar in beginsel gebruik van maken, tenzij dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn of misbruik van bevoegdheid zou opleveren.. In die afweging kunnen onder meer de aard en ernst van de fraude, de daardoor ver¬oorzaakte financiële schade, de verwijtbaarheid van de aanbieder en de gevolgen voor de cliën¬ten worden betrokken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bewijs schade en fraude opbouwen Evt. bestuurder aansprakelijk stellen Strafrechtelijk onderzoek Strafrechtelijke aangifte tegen de klant (en eventueel tegen de pgb-aanbieder) is tenslotte ook een mogelijkheid, naast bovenstaande wegen. Het primaire doel van strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie is het straffen van de fraudeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierover beslist echter niet een gemeente (De ISD Bollenstreek) zelf, maar het OM. Fraude is geen strafrechtelijk begrip. Onder fraude verstaan we verschillende delicten, zoals: valsheid in geschrift (artikel 225 Sr); overheidsmiddelen onjuist aanwenden (artikel 323a Sr); oplichting (artikel 326 Sr); witwassen (artikel 420bis Sr); mogelijk fiscale delicten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van één van deze grondslagen kan een strafrechtelijke procedure gestart worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM zet het strafrecht niet in om de onterecht verstrekte gelden terug te vorderen, maar om de dader te straffen voor het plegen van strafbare feiten. De ISD Bollenstreek kan aangifte doen bij de politie of een onderzoek naar zorgfraude overdragen aan het OM, met het verzoek een strafrechtelijk onderzoek te starten. Maar het OM kan ook zonder medeweten van de ISD Bollenstreek beslissen om een onderzoek in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In veel gevallen zijn de verwachtingen van de inzet van het strafrecht (te) hoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom moet rekening gehouden worden met onderstaande overwegingen: de duur van een strafrechtelijk onderzoek is doorgaans lang; nog langer duurt het voordat een definitieve veroordeling volgt. De totale tijd van start onderzoek tot definitieve veroordeling bedraagt gewoonlijk enkele jaren; de vereisten aan het bewijs zijn hoog; de opsporingsdiensten kunnen maar een klein deel van de fraudezaken oppakken; maatschappelijk zeer ongewenste situaties (excessieve winsten, kwalitatief slechte zorg) zijn niet per se strafbaar; de straffen kunnen als laag worden ervaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderstaande voordelen wegen ook mee in de overweging: een strafzaak kan een agenderende functie hebben; een (definitieve) strafrechtelijke veroordeling heeft een zeer negatieve connotatie voor veroordeelde; daarnaast heeft een veroordeling gevolgen voor het verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag; het OM laat zich in principe niet leiden door politieke wenselijkheden; politiek onwenselijke boodschappen kunnen door een strafrechtelijk onderzoek toch in de openbaarheid worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 84 Dit artikel beschrijft de mogelijkheden om af te zien van terugvordering, en welke de ISD toepast. Ook dit sluit aan bij de Verordeningen en uitvoeringsregels Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of bij een mogelijke grondslag voor terugvordering daadwerkelijk daartoe wordt overgegaan, is mede afhankelijk van de beoordeling van de specifieke situatie. Daarbij spelen ook overwegingen van redelijkheid en billijkheid een rol. Redelijkheid en billijkheid behelzen de sociaal aanvaardbare normen zoals ze door het gewoonterecht, ongeschreven recht of algemene rechtsbeginselen zijn geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kruimelbedrag is ingesteld omdat in geval van een klein bedrag, de administratieve lasten niet opwegen tegen het terug- en invorderen van het bedrag. De uitzondering is een schending van de inlichtingenplicht, dit valt immers onder een fraudevordering. Eén van onze uitgangspunten is dat fraude niet mag lonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 en lid 3 gaan over een niet verwijtbare vordering. Als het ontstaan van de vordering niet te wijten is aan cliënt, is het uitgangspunt dat er geen terugvordering plaatsvindt. Dit kan zijn omdat er een situatie van overmacht ontstond, of een situatie die door anderen dan de aanvrager is ontstaan. Overwogen moet worden of de cliënt redelijkerwijs kon weten dat een situatie ontstond waardoor hij niet (meer) aan de voorwaarden voldeed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens dient overwogen te worden of cliënt nog aan de voorwaarden voldoet, anders volstaat een intrekking of beëindiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 geeft de mogelijkheid voor afzien van terugvordering in geval van een verhuizing en een regeling met de nieuwe woongemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 85 Voor de invorderingsregels is aangesloten bij de regels in de Wmo en de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regels gelden alleen bij bestuursrechtelijke terugvorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 86 In dit artikel staat en dat invordering gelijktijdig met de bekendmaking van dit terugvorderingsbesluit start. Omdat dit een bestuursrechtelijke geldschuld is, geldt Titel 4.4 van de Awb. Volgens art. 4:87 Awb geldt een betalingstermijn van tenminste 6 weken. In dit artikel is de betalingstermijn bepaald op deze minimum termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de klant niet kan, maar wel wil betalen, kan er een betalingsregeling worden getroffen. Zoals onder hoofdstuk 1 genoemd, wordt in principe contact opgenomen met een klant alvorens een belastende beschikking te versturen. In de praktijk kan in dit gesprek al blijken of iemand in staat is om te betalen of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beschikking moet worden vermeld wanneer de betalingsverplichting ingaat en wat het saldo van de vordering is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard kan er daarnaast – afhankelijk van de situatie –altijd ook nog aanvullende informatie in het terugvorderings- en/of invorderingsbesluit worden vermeld. Bijvoorbeeld: de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te treffen. wat de (rechts)gevolgen bij niet (tijdige) nakoming van de betalingsverplichting zijn. Bijvoorbeeld de mogelijkheid van invordering bij dwangbevel na aanmaning en dat invorderingskosten voor rekening van de belanghebbende kunnen worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze rechtsgevolgen zijn ondermeer beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel (ook het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bieden incassomaatregelen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 87 In lid 1 van dit artikel is de hoogte van het aflosbedrag vastgesteld. Er wordt aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslagvrije voet is het deel van het inkomen waarop in beginsel géén beslag mag worden gelegd (dus het inkomen waarover de belanghebbende de beschikking moet blijven houden).</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende moet de beschikking blijven houden over de toepasselijke beslagvrije voet (art. 475 da lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 475 db en dc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijven van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats (artikel 475e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) geldt een andere beslagvrije voet, 47,5% van de bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn nieuwe artikelen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, die valt onder de Brede Schuldenaanpak van het ministerie SZW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet Vereenvoudiging beslagvrije voet trad op 1 januari 2021 in werking, waaronder ook de aanpassingen aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vallen. Inkomens ter hoogte van de bijstandsnorm hebben een beslagvrije voet van 95% van de bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor inkomens boven de bijstandsnorm is er een nieuwe berekening van de beslagvrije voet, waarvoor een rekentool beschikbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 88 In dit artikel is de mogelijkheid om uitstel van betaling te verlenen op grond van artikel 4:94 Awb uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het maatwerk dat de ISD Bollenstreek toepast is het wenselijk om in individuele situaties uitstel te kunnen verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als belanghebbende gemotiveerd vraagt om uitstel van betaling en de voorgestelde duur van uitstel is niet langer dan drie maanden wordt dit maximaal éénmaal per twee jaar toegekend. Dit uitstel wordt zonder verder onderzoek naar de hoogte van het inkomen of de persoonlijke situatie van de belanghebbende verleend. Indien de belanghebbende vaker om uitstel van betaling verzoekt of het verzoek om uitstel betreft een periode van meer dan 3 maanden, dan vindt ten alle tijde een onderzoek naar de persoonlijke en financiële situatie van de belanghebbende plaats alvorens er een beslissing wordt afgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 geeft de mogelijkheid om bij dringende redenen uitstel te verlenen. Dringende redenen moeten worden onderbouwd met bewijsstukken aangetoond worden door belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 bepaalt dat er een beschikking voor het uitstel moet worden afgegeven, tegen welke bezwaar en beroep openstaat. Aan het verlenen van uitstel kunnen voorwaarden worden verbonden, dit zal afhankelijk van de situatie van de schuldenaar worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 89 Het verzoek om uitstel van betaling zal in het algemeen worden afgewezen indien de belanghebbende niet voldoet aan één van de onder a tot en met i opgesomde bepalingen. De afwijzing dient bij beschikking bekend te worden gemaakt (en dus voor bezwaar en beroep vatbaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel Beschikking intrekken of wijzigen (art.4:96 Awb) Het verleende uitstel van betaling kan tussentijds beëindigd worden. Gronden daarvoor zijn dat de belanghebbende zich niet aan de aan het uitstel verbonden voorschriften houdt, er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot een andere beschikking of een wijziging van de omstandigheden die voortduring van het uitstel onaanvaardbaar maken. Beëindiging van het uitstel doet de betalingsverplichting onverkort herleven en vergt dan dus een nieuwe beschikking. Pas na bekendmaking van die beschikking kan de invorderingsprocedure worden gestart of worden hervat. Wordt een voorschrift voor een deel niet nagekomen, bijvoorbeeld door het niet tijdig voldoen van één betalingstermijn, dan kan ervoor worden gekozen om dit gedeelte na aanmaning in te vorderen. Immers, de schuldenaar is voor dat gedeelte van de vordering in verzuim. De uitstelbeschikking hoeft daarvoor niet te worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op artikel 90</p></div>", "next": 239561}