{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Onder de Wmo is het wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente komen te vervallen. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners. Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt met name aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereiden. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. Aan bewoners van een intramurale instelling kan op basis van het compensatiebeginsel een gehalveerde vervoerskostenvergoeding worden verstrekt. Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als blijkt dat er een grotere vervoersbehoefte is. Zorgvuldige beoordeling van de persoonlijke situatie ligt daarom aan de basis van het oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.7Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners Het uitgangspunt bij het verlenen van een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer is het verbeteren van de zelfredzaamheid van de gehandicapte, zodat deze in staat is om maatschappelijk te participeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gehandicapte die met begeleiding gebruik kan maken van het openbaar vervoer heeft in beginsel geen vervoersprobleem. Er zijn wel extra kosten in die zin dat de begeleider ook kosten moet maken. Volgens bestaande jurisprudentie kan worden volstaan met 30% van de vervoersvoorziening, omdat de begeleider ook gebruik kan maken van de begeleiderspas.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begeleider is bijvoorbeeld de partner, de ouder, begeleider van een zorginstelling, de mantelzorger of betaalde hulp uit een PGB voor de functie Begeleiding. Indien de begeleider feitelijk geen extra kosten hoeft te maken (partner, huisgenoot, ouder van thuiswonend kind) kan de aanvraag worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er wél begeleiding, maar deze dient extra reiskosten te maken (mantelzorger, ouder uitwonend kind) dan kan de bijdrage op 30% worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er géén begeleiding aanwezig is dan bestaat er recht op een vervoersvoorziening van 100%. De gemeente is niet gehouden om te zorgen voor begeleiding. De gehandicapte kan met een 100%-voorziening zelfstandig gebruik maken van een taxi en daarmee voldoet de gemeente aan de compensatieplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen regelen het groepsvervoer, zoals instellinguitjes, en de begeleiding ten behoeve van haar bewoners zelf. De Wmo heeft hier geen taak in. Dit kan anders liggen bij individueel vervoer. Een instelling voor beschermd wonen kan eenvoudiger begeleiding bieden dan een gezinsvervangend tehuis (GVT). In sommige gevallen kan een begeleider met een aantal bewoners gaan winkelen, maar voor vervoer naar een club of cursus is dat niet te realiseren en dan zal een vergoeding voor begeleiderskosten wel een Wmo-zaak zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3.8Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners Uitgangspunt is een gelijke zorgplicht voor AWBZ-bewoners en overige bewoners van de gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de zorgplicht voor AWBZ-bewoners is ook mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De compensatieplicht zal onder de Wmo voor AWBZ-bewoners niet afwijken van de bestaande jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reguliere zorgplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel zorgplicht is voor regionaal vervoer voor AWBZ-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - zorgplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk gehandicapte AWBZ-bewoners van grote instellingen wordt is deze situatie onder de Wvg-jurisprudentie omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de compensatielicht valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie uitgegaan van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk huis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt ook onder compensatieplicht van de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4Vormen van vervoersvoorzieningen Artikel 21 van de Verordening luidt: “De door het college, ter compensatie van aantoonbare beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorzieningen kan bestaan uit: een algemene voorziening waaronder ook een collectieve vervoersvoorziening; een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de auto en/of taxi; een vervoersvoorziening in natura; een vervoersvoorziening, anders dan is bedoeld onder a en b, in de vorm van een persoonsgebonden budget.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat er naast voorzieningen in natura en persoonsgebonden budgetten ten behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel 22 blijkt verder dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, met daarna een primaat voor het collectief vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of algemene voorzieningen daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen bieden, indien dat niet het geval is wordt eerst gekeken of collectief vervoer het probleem kan oplossen, is dat ook niet het geval dan komen andere voorzieningen in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1De algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn voorzieningen die een probleem snel en effectief op kunnen lossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen moeten veelal nog ontwikkeld worden. Te denken valt aan een scootermobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een scootermobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootermobiels. Het gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Het gaat dan steeds om de afweging of de kosten van de oplossing om het resultaat te bereiken wel opwegen tegen het gebruik van de voorziening. Anders gezegd: wie een scootermobiel krijgt vanwege problemen bij het verplaatsen in de directe omgeving, welke verstrekking € 100,00 per maand aan huurkosten bedraagt, en de scootermobiel maar 2 maal per maand gebruikt, heeft aan die verstrekking een voorziening die niet in verhouding staat tot de kosten. Elke verplaatsing kost dan immers € 50,00. Bij de toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te zijn uiteraard altijd een aanvraag kan indienen. Dan geldt echter de reguliere aanvraagprocedure 4.4.2Primaat collectief vervoer Dit onderdeel is van toepassing wanneer er een vorm van collectief vervoersysteem in onze gemeente aanwezig is. Dit onderdeel anticipeert dus op de situatie wanneer de gemeente wel een collectief vervoersysteem heeft of krijgt. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor collectief vervoer gelden natuurlijk ook voor de individuele voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een algemene voorziening geen voldoende oplossing biedt, of als naast een algemene voorziening nog andere vervoersvoorzieningen nodig zijn, geldt het primaat van het collectief vervoer. Ingevolge dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch (of eventueel psychosociaal) mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstandcriterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(re) afstand komt te liggen, is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regel van het nog kunnen lopen van 800 meter is een regel die over het algemeen geldt. Hier zijn uitzonderingen op mogelijk. Bijvoorbeeld het verschaffen van een driewielfiets aan een persoon met een goede loopafstand, maar evenwichtstoornissen; de loopafstand van 800 meter is aanwezig, maar zonder driewielfiets kan niet gefietst worden. Of de situatie van een persoon met aantoonbare beperkingen die vervoersproblemen heeft op tijden dat het openbaar vervoer niet rijdt. De loopafstand is er, maar zonder vervoersvoorziening wordt participatie onmogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er globaal twee groepen gehandicapten: de groep gehandicapten met een loopafstand tot circa honderd meter. Zij hebben voor elke verplaat­sing een hulpmiddel of een voorziening nodig. de groep gehandicapten met een grotere loopafstand, of de mogelijkheid nog stukjes te kunnen fietsen. Zij kunnen korte afstanden anderszins afleggen en hebben slechts daarboven een hulpmiddel of een voorziening nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat er twee oplossingen bestaan: oplossingen voor de korte afstand (vervanging van lopen en fietsen). oplossingen voor de langere afstand (vervanging van fiet­sen en gebruik openbaar ervoer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad.1 Hierbij zijn verschillende oplossingen mogelijk: een rolstoel, een handbike, een scootmobiel, een (bruikleen) auto. Met de eerste twee voorzieningen zijn met name de korte afstan­den in te vullen, met de laatste zowel de korte als de lange afstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. 2 Hier moet gedacht worden aan een scootmobiel, een (rolstoel)taxi, een vergoeding gebruik eigen auto (al dan niet met auto aan­passingen) of een bruikleen auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als op beide terreinen problemen bestaan, moet op beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 100 meter is het dwingend voorgeschreven!</p>\n<p class=\"lf-p\">Wie problemen heeft op de afstanden gelijklopend met het openbaar vervoer komt op basis van artikel 22 van de Verordening in aanmerking voor collectief vervoer indien dit medisch gezien adequaat is. Dat zal het in zeer veel gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij ernstige gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties collectief vervoer niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is collectief vervoer de eerste voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking. Bij collectief vervoer zal veelal een tarief betaald moeten worden. Dat bedrag is geen eigen bijdrage in de zin van de Wmo, maar een algemeen gebruikelijk tarief, zoals ook gebruikers van een openbaar vervoersysteem een tarief betalen. Daarom mag het in de Wmo te vragen tarief het reguliere tarief van de OV-Chipkaart niet te boven gaan, met uitzondering van de roze strippenkaart, zoals geldig voor jong en oud, omdat dit een regeling is van het ministerie van VWS is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een Algemeen Overleg over het bovenregionaal vervoer Valys uitgesproken dat bij aanwezigheid van collectief vervoer geen persoonsgebonden budget hoeft te worden verstrekt aangezien het niet de bedoeling is het collectief vervoer in gevaar te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer, zoals het collectief vervoer, geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving (zie ook paragraaf 4.2). Artikel 25, eerste en tweede lid, van de Verordening bepaalt hierover:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking op het gestelde in het eerste lid wordt rekening gehouden met de vervoersbehoefte buiten de directe woon- of leefomgeving in een situatie waarin een bovenregionaal contact alleen door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 25, derde lid, van de Verordening geeft, als gevolg van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, ook nog aan welke omvang in kilometers geboden moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De te verstrekken vervoersvoorziening(en) zal (zullen) maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met een omvang per jaar van 1500 kilometer tot 2000 kilometer mogelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in 2009 (bijvoorbeeld LJN: BH4270, Centrale Raad van Beroep, 08/2273 WVG) geven aan dat ook het frequente vervoer naar medische bestemmingen, als daar op basis van bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet of de AWBZ geen vergoeding voor mogelijk is, in principe onder de compensatieplicht in het kader van de Wmo vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien heeft de Centrale Raad van Beroep aangegeven dat wie aan kan tonen een grotere vervoersbehoefte te hebben dan de bandbreedte tot 2000 km, ook voor het meerdere gecompenseerd kan worden, zij het met de beperkingen van “lokale verplaatsingen” zodat er geen verschil hoeft te bestaan tussen mensen die met een collectief vervoerssysteem onbeperkt kunnen reizen (tegen reguliere kosten) en personen die een andere vervoersmogelijkheid nodig hebben. Het resultaat zal, als dat aantoonbaar is, dus meer moeten bieden dan de maximale bandbreedte (CRvB 06-05-2009 LJN: BI 6866).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.3Individuele vervoersvoorzieningen Als collectief vervoer niet adequaat is of niet aanwezig is, zal een andere, individuele voorziening gekozen moeten worden. Deze voorziening kan bestaan uit: a. een voorziening in natura of persoonsgebonden budget in de vorm van: een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen; een scoot(er)mobiel, voornamelijk geschikt voor vervoer buitenshuis; een ander verplaatsingsmid­del; noodzakelijke accessoires bij een verplaatsingsmiddel. b. een tegemoetkoming in de kosten voor: aanpassing van een eigen auto; gebruik van een bruikleenauto; gebruik van een taxi of een (eigen) auto; gebruik van een rolstoeltaxi; aanschaf of gebruik van een ander verplaat­singsmiddel; medisch noodzakelijke begeleiding tijdens vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4Inkomensgrens Artikel 24 biedt de mogelijkheid een inkomensgrens te stellen voor bepaalde vervoersvoorzieningen. Afhankelijk van deze keuze kunnen aanvragers met een inkomen boven deze grens bepaalde vervoersvoorzieningen niet krijgen. In artikel 6 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2011 is de inkomensgrens gesteld op 1,5 maal de voor de cliënt geldende bijstandsnorm. Het zijn dan de voorzieningen die de auto betreffen of voorzieningen die daaraan gelijk te stellen zijn. Dat is bijvoorbeeld de taxi. Voor een rolstoeltaxi geldt, dat als de auto algemeen gebruikelijk is, van de rolstoeltaxi alleen het taxigedeelte algemeen gebruikelijk is. Dat wil zeggen dat uitsluitend het verschil tussen beide vergoedingen kan worden toegekend. De exacte vergoeding is afhankelijk van de tarieven van de vervoerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.5Andere voorzieningen Het betreft hier verstrekkingen in aanvulling op collec­tief vervoer, dan wel op gebruik van een (rolstoel)taxi of (eigen) auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij gaat het in eerste instantie om: een scoot(er)mobiel; andere verplaatsingsmiddelen; loopfiets, driewielfiets, tandem, etc. gesloten buitenwagens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassingen aan en verstrekken van gesloten buitenwagens, zoals de Canta, worden bij voorkeur niet gedaan. Ze zijn in het verkeer een risicofactor door hun snelheid (20-45 km/u) en de geringe mate van herkenbaar­heid. Ze worden als ver­keersonveilig beschouwd en werden ook vanuit de AAW-praktijk bij voorkeur niet meer verstrekt. Boven­dien kan gesteld worden dat in het algemeen de gesloten buiten­wagen niet de goedkoopst adequate voorziening is. Indien toch een gesloten buitenwagen verstrekt moet worden, dient de be­stuurder te beschikken over ten minste een bromfietscertificaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de situatie dat de gehandicapte een vervoersbehoefte binnen de directe leef- en woonomgeving (compensatieplicht) heeft, waarbij een taxi niet een adequate oplossing is, dan wel dat de scootmobiel niet in alle omstandigheden gebruikt kan worden, zal hij/zij wel zijn aangewezen op elektrisch buitenvervoer voor zijn directe (kleine) ver­plaat­singen, maar is een scootermobiel geen afdoende oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan het geval zijn bij gehandicapten die naast het feit dat zij (zeer) slecht ter been zijn en een verplaatsingsbehoefte hebben voor de korte afstanden, niet tegen wisselende tempera­tuur­ver­anderingen kunnen (bijvoorbeeld hart- en longpatië­nten). In een dergelijke uitzonderlijke situatie kan een gesloten elektrische buitenwagen, zijnde geen gesloten buitenwagen toegerust met een verbrandingsmotor, worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aanvrager gedeeltelijk is aangewezen op overdekt vervoer (alleen in de wintermaanden) is dit doorgaans geen indicatie voor overdekt vervoer. Mede afhankelijk van de vervoersbehoefte en de individuele leefomstandigheden zal een overwogen keuze gemaakt moeten worden tussen open of gesloten vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bruikleenauto’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de Wmo behoort het verstrekken van een bruikleenauto in principe niet tot de mogelijkhe­den. Er zal gezocht moeten worden naar een andere adequa­te oplossing. (voor meer over bruikleenauto’s zie paragraaf 4.5.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.6Scootmobielen Bij het verstrekken van een scootmobiel kan de indicatie als volgt plaatsvinden: er bestaat een indicatie voor een vervoersvoorziening en er is geen of een beperkt loopvermogen aanwezig; dat wil zeggen men moet voor alle verplaatsingen op een vervoersvoorziening aangewe­zen zijn; men moet niet in staat zijn gebruik te maken van een algemeen gebruikelijke vervoersvoorziening voor de korte af­stand, zoals (aange­paste) fiets, bromfiets; men moet regelmatig behoefte hebben aan vervoer op korte afstand. Het is in ieder geval zo dat men – bijna – dagelijks gebruik gaat maken van de scootmobiel. Maandelijks gebruik is bijvoorbeeld te weinig. Daartussen moet het belang van het gebruik worden afgewogen. De externe adviseur zal dan ook de nodige zorg aan het onderzoek naar de ver­voersbehoefte moeten besteden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na enige jaren Wvg is een situatie ontstaan waarbij naast de taxikilometervergoe­ding, zowel door de indiceerder als de gebruiker, de scootmobiel min of meer als een noodzakelijk onderdeel voor de langere verplaatsings­ritten gezien wordt. Lange recreatieve ritten (mooi-weer rijden) spelen hierbij een belangrijke rol. Recreatief vervoer kan onderdeel uitmaken van iemands ver­voersbehoef­te (LJN: BK4200, 06-11-2009, CRvB). Uitgangspunt bij de verstrekking is echter steeds dat de goedkoopst adequate voorziening in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een groot deel van de scootmobielgebruikers wordt naast de scootmobiel ook nog een (halve) taxi- of (eigen) autokostenvergoeding verstrekt. Om de vervoerskosten beheersbaar te houden, is een duidelijk verstrekkingenbeleid ten aanzien van scootmobielen min of meer noodzakelijk. Bij de indicatie zal duidelijkheid moeten komen over de vervoersbehoefte en voor welk deel daarvan de scootermobiel gebruikt kan worden. Gelet op het bovenvermelde criterium van dagelijks gebruik zal een aanvullende vergoeding voor het gebruik van een auto/taxi in de meeste gevallen neerkomen op 50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij zijn verschillende opties denkbaar. meer duidelijkheid ten aanzien van indicatie en selectie; beperken tot noodzaak; beperken tot goedkoopst adequaat; kopen/huren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. 1. Meer duidelijkheid t.a.v. indicatie en selectie De indiceerder dient bij een aanvraag om een vervoersvoorzie­ning, buiten vaststelling dat er (medische) beperkingen zijn in toegankelijkheid of bereiken van openbaar vervoer, meer dan voorheen, de aanwezige mantelzorg en het (dage­lijkse) vervoers­pa­troon in relatie tot behoud zelfstandigheid in beeld te brengen. Met name dient aandacht besteed te worden aan de medische (on)mogelijkheden van betrokkene bij het zich ver­plaatsen op de kortere en langere afstanden. Aan de hand hiervan dient een keuze gemaakt te worden (selectie) met wat voor hulpmiddel of voorziening de aantoonbare beperkingen opge­heven kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een (expliciete) aanvraag van een hulpmiddel (scootmobiel) zal dan ook primair gekeken moeten worden naar de (korte) verplaat­singsaf­standen, die, ook bij minder goede weersom­stan­dighe­den, niet gemaakt kunnen worden zonder aanwezig­heid van een scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. 2. Beperken tot noodzaak Bij de indicatie/selectie van een voorziening of hulpmiddel dient de noodzaak van de voorziening en/of hulpmiddel in rela­tie tot het gemeentelijk verstrekkingenbe­leid te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. 3. Beperken tot goedkoopst adequaat De scootmobiel behoeft in het algemeen, in tegenstelling tot de rolstoel, minder maatwerk. Medische beperkingen daargelaten, kan volstaan worden met een eenvoudig stan­daardmodel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. 4. Kopen/ Huren Scootmobielen werden door de voormalige gemeente Sneek voornamelijk gekocht en (in bruikleen) aan belanghebbenden verstrekt. Door de overige fusiegemeenten worden scootermobielen voornamelijk gehuurd en via de leverancier in bruikleen aan belanghebbende verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij al deze gemeenten geldt dat er tussen de gemeente en de belanghebbende een bruikleenovereenkomst wordt afgesloten. Deze bruikleenovereenkomst wordt geregeld door de leverancier. Hierin zijn waren afspraken opgenomen over gebruik, toestand van de verstrekking, onderhoud, aansprakelijkheid en verzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Súdwest-Fryslân zijn deze facetten op basis van afspraken met Welzorg geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7Andere verplaatsingsmiddelen Bij verplaatsingsmiddelen verstrekt via de Wmo moet in de eerste plaats gedacht worden aan verplaat­singsmiddelen, die in de buurt komen van wat voor niet-gehandi­capten normaal gebrui­kelijk is. Zij het dat het hier dan gaat om aangepaste ver­plaatsingsmiddelen zoals een driewielfiets, loopfiets, aanpas­singen aan een standaardfiets, brom­fiets of scooter. Vaak kan zo met relatief lage kosten een hoge mate van mobili­teit be­werk­stelligd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7.1Fietsen Fietsen is voor de één een dagelijkse wijze van vervoer, voor de ander een vorm van sport of vrijetijdsbesteding, voor velen is het een combinatie. De fiets is uit menig leven dan ook niet weg te denken, ook niet uit het leven van mensen met aantoonbare beperkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor mensen met aantoonbare beperkingen bestaan er aangepaste fietsen. De aangepaste fiets, die het meest voorkomt, is de driewielfiets. Dit type wordt geleverd van kinderfiets, fiets voor een volwassene tot en met een driewieltandem toe. Daarnaast zijn er fietsen, die door een begeleider worden bediend, waarop een rolstoelelement is geplaatst of waaraan een rolstoel wordt gekoppeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De fiets, de kinderbuggy, de bakfiets, de fietskar, etc. zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen. Speciaal aangepaste fietsen zijn dit echter niet. Voor aangepaste fietsen of de aanpassingen aan een fiets kan een beroep worden gedaan op de Wmo. Dit omdat er sprake is van meerkosten op grond van de handicap. Voorgaande geldt ook, indien de fiets alleen benut kan worden met een begelei­der, zoals een tandem voor medegebruik door blinden, of een fietsaandrijving waaraan een rol­stoel kan worden gekop­peld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aanpassingen aan de individuele situatie van de fietsende gehandicapte bestaan er vele accessoires zoals: stuurbeugels, armsteunen, voetenbakken, e.d. Deze zullen na indicatie via een door de gemeente aangewezen leverancier worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7.2Tandem De fietstandem biedt de mogelijkheid tot fietsen voor personen, die daartoe zonder hulp van een bestuurder niet in staat zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te denken valt aan visueel gehandicapten of bepaalde groepen motorisch of verstandelijk gehandicapten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, kan niet zonder meer worden afgewezen. Er dient onderzocht te worden of de gevraagde vervoersvoorziening als onderdeel van het maatschappelijk leven van de aanvrager dient te worden aangemerkt (CRvB, 06-11-2009, LJN BK4200). Zie ook paragraaf 4.4.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de aangepaste tandem een rol speelt bij verplaatsin­gen van alle­dag, dan ligt een verstrekking in de rede.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7.3Loopfiets Een loopfiets kan zowel binnen- als buitenshuis gebruikt worden en stelt gehandicapten in staat om zich over grotere afstanden te verplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De loopfiets toont zich vaak een geschikt middel voor mensen met een aantoonbare beperking, die ook gebruik maken van krukken of een stok (vaak versleten heup- en kniegewrich­ten). Men moet wel over een goede loopmotoriek kunnen beschik­ken. Wordt de loopfiets alleen binnenshuis gebruikt, zal een beroep op de AWBZ gedaan moeten worden. Bij gebruik gericht op verplaatsing buiten, vindt verstrekking op grond van de Wmo plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7.4Fiets met hulpmotor en de elektrische fiets Het vervoermiddel is niet speciaal voor mensen met een aantoonbare beperking ontwikkeld, maar wel erg bruikbaar. Toch wordt gesteld dat de elektrische fiets of een fiets met hulpmotor, een algemeen gebruikelijk middel is. Een ieder kan deze standaard in de winkel kopen. In het kader van de Wmo zal dan in beginsel ook geen verstrekking van een spartamet of fiets met elektrische ondersteuning plaats­vinden. Voor speciale aanpassingen geldt dit echter niet. (verwijzing: CRvB 17-12-1996, reg.nr. 95/7818 WVG, gemeente Schinnen) Gewezen wordt op de uitzonderingen bij het begrip “algemeen gebruikelijk”, zie de toelichting bij art. 1 onder n van de Verordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering geldt voor de fietsen die niet in de reguliere handel verkrijgbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.7.5Nader te bepalen noodzakelijke verplaatsingsmiddelen Nadrukkelijk geldt dat de genoemde reeks mogelijk­heden niet limitatief is. De Wmo biedt de mogelijkheid uit te zien naar meer doel­tref­fender respectievelijk meer adequate alterna­tieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5Financiële tegemoetkomingen en het persoonsgebonden budget Voor de nieuwe aanvragers die een compensatie voor hun belemmeringen in de mobiliteit willen, geldt dat als eerste gekeken wordt naar opnamemogelijkheden in een eventueel (collectief) vervoerssysteem. Tevens dient op grond van de Verordening rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van algemene voorzieningen. Is dat geen adequaat aanbod, dan staat, naast het verstrekken van een voorziening in natura, zoals bijvoorbeeld een scootmobiel, de mogelijkheid van een indivi­duele financië­le tegemoet­koming voor taxi- of eigen autokos­ten of een persoonsgebonden budget voor een verplaatsingsmiddel open.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij financiële tegemoetkomingen voor vervoer wordt rekening ge­hou­den met kosten die als algemeen gebruikelijk worden be­schouwd in aanpassing, aanschaf of gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het inkomen meer bedraagt dan 1,5 maal de geldende bijstandsnorm kan geen vervoersvoorziening worden toegekend, met uitzondering van: tegemoetkoming kosten aanpassing eigen auto; vergoed worden de werkelijke kosten van niet algemeen gebruikelijke voorzie­nin­gen; scootmobielen en andere verplaatsingsmiddelen; de meerkosten van gebruik van een rolstoeltaxi ten opzichte van een gewone taxi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speciale aanpassingen aan auto's zijn niet algemeen gebruike­lijk. Hierbij geldt echter wel een nuancering. Er is een aantal aanpassingen dat standaard op een (middenklasse) auto zit. Indien iemand met een aantoonbare beperking deze aanvraagt (zoals bijvoor­beeld stuurbekrachtiging, rechterbuitenspiegel, automa­tische trans­missie, automatische deurvergrendeling), kan dit niet in het kader van de Wmo verstrekt worden, omdat deze aanpassingen algemeen gebrui­ke­lijk zijn. Als deze aanpassingen (bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval) plotseling in een huidige, nog niet afgeschreven auto moeten worden ge­plaatst, zal op grond van de hard­heidsclausule dit een individuele beoordeling moeten krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor mensen die een inkomen hebben welke lager is dan 1,5 maal de geldende bijstandsnorm, is een auto niet algemeen gebruikelijk. Indien iemand met een aantoonbare beperking aangewezen is op een (aangepaste) auto zal, naast de aanpassingen, ook een auto vanuit de Wmo worden ver­strekt. Uiteraard moet een dergelijke verstrekking wel passen binnen de hiërarchie: de goedkoopst adequate voorziening­. Dit zal in de meeste gevallen het primaat van collec­tief vervoer of een taxi-leefkilometervergoeding zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de Wvg en AAW jurisprudentie blijkt dat er naast een eerste inko­mensgrens ook een tweede inkomensgrens gehanteerd kan worden. De tweede inkomensgrens geldt indien een tweede auto in het gezin noodza­ke­lijk is. Deze tweede grens wordt (voor leef­vervoer) bepaald op 1,5 maal de eerste inko­mens­grens {rekenkundig: {1,5 x (1,5 x norminko­men)}. Een en ander betekent dat indien het inkomen tussen deze grenzen ligt men, evenals bij een inkomen gelegen tussen 1 en 1,5 maal de geldende bijstandsnorm, voor een tegemoetko­ming in de ver­voers­kosten in aanmer­king kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval dat men in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de vervoerskosten, wordt de tegemoetkoming afgestemd op de helft van het maximum (of een afgeleide daarvan) aantal vervoerskilometers. De gedachte hierbij is dat in het weekeinde, vakantie en feestdagen de eerste (werk) auto niet gebruikt hoeft te worden. De tweede auto is dan namelijk voor gezamenlijk (gelijktijdig) gebruik beschikbaar (kosten bespa­rend).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het inkomen boven de tweede inkomensgrens ligt, kan bij een noodzakelijk gebleken tweede auto geen Wmo-vervoersvoorzie­ning worden toegekend, met uitzondering van: tegemoetkoming kosten aanpassing eigen auto; vergoed worden de werkelijke kosten van niet algemeen gebruikelijke voorzie­nin­gen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1Aanpassing van een eigen auto Bij autoaanpassingen gaat het om kosten van aanpassing van de au­to, waarin de standaarduitvoering niet voorziet. Dit kan per type auto sterk ver­schil­len.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstrekking van een voorziening in de kosten verbonden aan aanpas­sing van een eigen auto geschiedt in principe niet. De voorliggende voorzieningen zijn een collectief vervoer (indien aanwezig) en individue­le voorzieningen. Wanneer de bovengenoemde voorzieningen in combi­natie met aanvullende maatrege­len geen adequaat antwoord geeft op de mobili­teitsbehoefte respectievelijk de geconstateerde beperkin­gen, kan een autoaanpassing plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door autoaanpassing kan iemand met een aantoonbare beperking op een normale wijze zijn auto gebruiken. Daar de aanpassing vaak ook een andere wijze van bedienen van de auto inhoudt, kan op grond van de Wmo vergoeding van de in verband hiermede noodzakelijke rijlessen plaatsvin­den.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.1Nadere voorwaarden bij autoaanpassingen Bij de beoordeling van een aanvraag om vergoeding van de kosten van autoaanpassing zal onder meer rekening worden gehouden met de volgende aspecten: de aard van de handicap; de aanwezigheid van een voorliggende voorziening (collectief vervoers­systeem/individuele verstrekking).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. 1. De aard van de handicap De aard van de handicap kan bepalen dat iemand niet van een eventueel (col­lec­tief) vervoerssysteem, noch van individuele vergoedingen ge­bruik kan maken. Als de handicap daartoe aanlei­ding geeft, ligt aanpas­sing in de rede. Hier­bij valt te denken aan bedlegerigheid en een ernsti­ge vorm van incontinentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad. 2. De aanwezigheid van een (collectief) vervoerssysteem Door de aanwezigheid van een (collectief) vervoerssysteem kan er sprake zijn van een meer economische mogelijk­heid om ade­quaat vervoer te bieden in combinatie met andere voorzieningen. Dat kan, bij het ontbreken van contra-indicaties, een duidelij­ke overwe­ging zijn om niet tot aanpassing van de eigen auto over te gaan. Op dit moment is er geen collectief vervoerssysteem op grond van de Wmo aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.2De inkomenspositie van iemand met een aantoonbare beperking Met betrekking tot de inkomensgrens is van belang dat bij 1,5 keer de bijstandsnorm het bezit van een middenklasseauto nor­maal wordt geacht. Echter, in geval van aanpassing­ van de eigen auto is de­ze inkomensgrens niet van be­lang. Uiteraard komen alleen die voor­zie­ningen voor vergoeding in aanmer­king die niet stan­daard op een middenklasseauto zijn te ver­krijgen. De middenklasseauto is het referentiekader omdat bij een middenklasseauto een aantal voorzieningen standaard (=algemeen gebruikelijk) is. Voorbeelden van standaard voorzieningen bij een middenklasseauto zijn: stuurbekrachtiging­, rechterbuiten­spiegel, automatische transmissie en in hoogte verstelba­re autostoe­len.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden voor het treffen van een autoaanpassing zijn dat de auto: redelijk is aan te passen; in goede staat verkeert; nog een geschatte af­schrij­vingstermijn van zeven jaar heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de overweging kan ook een rol spelen dat een voorziening eenvoudig is over te zetten in een andere auto, bijvoorbeeld een autostoel, zie verderop.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.3Geen vergoeding mogelijk Zoals al eerder gemeld komen alleen die voorzieningen in aanmerking die normaliter niet standaard op een middenklasse worden geleverd (voorbeeld: stoelverwarming is bij sommige auto’s standaard te verkrijgen). Tevens zullen geen tegemoet­ko­mingen worden ver­strekt in de kosten van facili­teiten (die de fabri­kant al extra kan aanbrengen) bijvoorbeeld: driepuntsgordels, elektrische rui­ten­wis­ser achter, elektrisch be­diende portier­rui­ten,­­ neer­klap­bare ach­terbank, vijfde deur, airco en verwarm­de buiten­spiegel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts geldt geen vergoeding voor: verstelba­re voorstoe­len, verstelbare stuurwielen, rembekrachtiging, gelaagde voor­ruit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1.4Subsidiabele voorzieningen Autoaanpassingen kunnen betreffen: de bediening en besturing van de auto; het in en uit de auto komen; de zithouding; het in de auto meenemen van een rolstoel; de regeling van temperatuur en ventilatie; de verzorging van iemand met een aantoonbare beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van aanpassingen zijn: bedrijfsrem; handbedrijfsrem + segmentgas + opklapbaar rem- en gaspedaal; doorlopende handgrepen; tunnelbak inkorten en middenconsole aanpassen; slede.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aparte categorieën van aanpassingen: de autostoel: deze heeft een lange levensduur (ca. 300.000 tot 400.000 km.) en kan gemakkelijk overgezet worden van het ene model auto in het andere. Verstrekking van een tegemoet­koming in de kosten van een speci­ale stoel voor preventief gebruik of bij klachten na lange autoritten is niet wense­lijk; auto's in bijzondere uitvoering (bestelbusjes). Bij de be­oor­de­ling van een dergelijke aanvraag geldt in het algemeen dat uitgegaan moeten worden van (collectief) ver­voer of rol­stoeltaxi als toereikende Wmo-voorziening. Er kunnen zich echter bijzondere, individueel bepaalde situa­ties voordoen waarbij maatwerk dient te worden geboden. Bij bijvoorbeeld kinderen met een spierziekte, die aangewe­zen zijn op een elektrische rolstoel, kan een aange­past busje een adequate voorziening zijn om de kinderen te ver­plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Factoren die bij de beoordeling een rol kunnen spelen zijn: ernstig gehandicapte kinderen moeten voor hun sociale en culturele ontwikkeling meer nog dan normale kinderen gesti­muleerd en geacti­veerd worden; het gezinsleven wordt vaak sterk bepaald door de mobili­teits­moge­lijkhe­den van het gehandicapte kind. Een moeder of vader die in een normale situatie even bood­schap­pen doet of de kinde­ren van school haalt, zal bij het ontbre­ken van een auto in bijzondere uitvoering zwaar belem­merd worden in de voering van het huishouden, waar toch al veel extra-inspanning gevraagd wordt. Vervoer per taxi biedt hier doorgaans geen adequaat aan­bod; weekeinden en vakanties draaien vaak om de vervoersmoge­lijk­heden van dit ene gezinslid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer per auto's in bijzondere uitvoering (busjes) kan nood­zakelijk zijn als de gehandicapte de overstap van rol­stoel naar duopassagierstoel niet meer kan maken en ach­terin een busje vervoerd moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanpassingen bestaan uit: oprijgoten; knielauto respectievelijk liftsystemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met de tegemoetkoming kan door de Wmo-consulent bepaald worden welk bedrijf de aanpassing zal uitvoeren. Dat kan, omdat bij de tegemoetko­ming uitge­gaan moet worden van de goedkoopst adequate voorziening en de gemeente, meer dan de individuele gehandicapte, afspraken met bedrijven kan maken over kortingen en prijzen voor (standaard) aanpassin­gen. Bij een persoonsgebonden budget is degene met een aantoonbare beperking vrij om te bepalen waar de aanpassing wordt verricht. Uiteraard gelden daarbij wel de algemene en bijzondere verplichtingen, genoemd in hoofdstuk 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2Financiële tegemoetkoming gebruik eigen auto/bruikleenauto De ver­goeding voor het gebruik van een eigen auto in het kader van de Wmo is omschreven in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2011. In het bedrag zoals genoemd in artikel 7, sub a, van dit Besluit zijn begre­pen de kosten van motorrij­tuigenbe­las­ting, kenteken­be­wijs, afschrijving en verze­ke­ring. Het is dus een all-in bedrag. Tevens is hier rekening gehouden met het bedrag zoals genoemd in artikel 7, sub b, van dit Besluit zoals genoemd in paragraaf 4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het begin van het jaar wordt de toegekende tegemoetkoming/budget aan de belanghebbende uitbetaald. Dit houdt in dat als de belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van 1.500 kilometer op jaarbasis, hij/zij in januari een bedrag ontvangt dat gebaseerd is op artikel 7, sub a, van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2011. Dit bedrag kan lager of hoger zijn, afhankelijk van de behoefte aan kilometers. Bij beëindiging van de voorziening, door overlijden of verhuizen naar een andere gemeente, zal het restant niet worden teruggevorderd. Gezien de geringe bedragen zullen veelal de administratiekosten hoger zijn dan de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3Financiële tegemoetkoming gebruik (rolstoel)taxi Voor de vergoedingen voor taxi en rolstoeltaxi wordt gekozen voor gebruik van declaraties om (gezien de hoogte van het bedrag) uit te sluiten dat het bedrag voor andere zaken dan vervoer wordt besteed. Bij gebruik van (rolstoel)taxi wordt dan ook uitgegaan van de werkelijke kosten voor maximaal 1.500 kilometer. Het aantal kilometers kan hoger of lager zijn; dit is afhankelijk van de gestelde indicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenals de belanghebbenden die een vergoeding ontvangen voor het gebruik van de eigen auto, ontvangen de taxigebruikers aan het begin van het jaar een bijdrage die gebaseerd is op de vergoeding van de eigen auto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per declaratie zal het totaal aantal kilometers van alle bonnen worden opgeteld. Op de bonnen dient het aantal verreden kilometers te worden vermeld. Bij de vaststelling van de vergoeding zal dan rekening worden gehouden met een eigen bijdrage per kilometer, zoals genoemd in artikel 7, sub a, van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2011 en de reeds verstrekte kilometervergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Declaraties van ritten buiten de directe woon- en leefomgeving worden buiten behandeling gehouden. (geen Wmo-compensatieplicht).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.4Samenloop gebruik eigen auto en gebruik (rolstoel)taxi Bij uitsluitend taxi- of rolstoeltaxigebruik wordt niet met een bedrag, maar met kilometers gewerkt; daar wordt vooraf geen bedrag voor vastgesteld. Wanneer er sprake is van samenloop van gebruik van een (bruikleen)auto en (rolstoel)taxi dient belanghebbende (cliënt) voor zowel het gebruik van een auto als taxivervoer voorafgaand aan het kalenderjaar (tenzij er sprake is van een nieuwe aanvraag) aan te geven, zodat het uit te keren bedrag op grond van artikel 7, sub a, en artikel 7, sub b, van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2011 daarop gebaseerd kan worden. Indien er wijzigingen zijn, kan de cliënt contact opnemen met de Wmo-consulent.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.5Bijzondere bepalingen Bij personen die naast een scootmobiel ook geïndiceerd worden voor een leefkilometerver­goeding geldt dat zij op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2011 hierin een tegemoetkoming kunnen krijgen. Met de scootmobiel kan men in een deel van de vervoersbehoefte voorzien. Voor die afstanden die niet met een scootmobiel of een ander verplaatsingsmiddel afgelegd kunnen worden, kan de betrokkene de leefkilometer­vergoeding aanwenden. Tezamen zijn zij voldoende adequaat om de mobili­teit van een geïndi­ceerde te garanderen (zie ook onder 4.4.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen die in een verzorgingshuis verblijven, hebben de eerste sociale contacten in de naaste omgeving. Als abstracte norm is gesteld dat personen die in een verzor­gingstehuis verblijven de eerste sociale contacten in de naaste omge­ving hebben zodat een leefkilometervergoeding van 50% om die reden voldoende adequaat is. Nagegaan dient te worden of het redelijk is om deze abstracte 50% norm in de concrete situatie toe te passen. Dit kan blijken uit de advisering van de externe adviseur of de Wmo-consulent in dienst van de gemeente, waarbij het individuele behoeftepatroon van de be­trokkene is gewogen (zie ook onder 4.3.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien beide samenwonende partners voor een leefkilome­tervergoeding geïndi­ceerd zijn, ontvangen zij tezamen maximaal 150% van het aantal “geïndiceerde” vervoerskilometers. Bij een volledig samenvallende vervoersbehoefte wordt maximaal 100% van het maximum aantal vervoerskilometers verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien binnen een gezin meerdere gehandicapte kinderen voor een zelfstandige (rolstoel)taxikostentegemoetkoming in aanmerking komen, wordt aan elk van de kinderen maximaal 3/4 maal de bij de leeftijdscategorie beho­rende kostentegemoetkoming toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de noodzaak van een vervoersvoorziening voor kinderen wordt onderscheid gemaakt in een drietal leeftijdscategorieën: kinderen tot 5 jaar; zij hebben geen vervoersprobleem omdat zij altijd door de ouders worden begeleid. Er bestaat geen recht op een zelfstandige vervoersvoorzie­ning. kinderen van 5 tot en met 11 jaar; er is in toenemende mate sprake van een zelfstandige verplaatsingsbehoefte. Mede omdat zij daarbij deels door de ouders worden begeleid, wordt een (rolstoel) taxi-leefkilometer­vergoeding van 50% voldoende adequaat geacht. kinderen van 12 jaar en ouder; zij hebben, evenals volwassenen, een zelfstandige verplaatsingsbehoefte. Zij hebben derhal­ve recht op de volle (rolstoel) taxikilometervergoeding. De tegemoetkoming in de kosten van de zelfstandige verplaatsingsbehoefte wordt eveneens op basis van declaratie uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6Sportvervoer Indien iemand met een aantoonbare beperking een sport wil uitoefenen, kan hij ten opzichte van de niet gehandicapte voor aanzien­lijke meerkosten van vervoer komen te staan doordat hij moet uitwijken naar een andere gemeente waar (wel) sportfaciliteiten voor gehandicapte sporters geboden worden. De gehandicapte sporter kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van vervoer ten behoeve van sportuitoe­fening en bij het stellen van de indicatie wordt hier rekening mee worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling kan plaatsvinden na het indienen van bewijsstukken, bijvoorbeeld lidmaatschapskaart en/of overzicht wedstrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden zijn: de plaatselijke sportvereniging van keuze biedt geen facili­teiten aan iemand met een aantoonbare beperking en wil of kan deze faciliteiten ook niet bieden, waardoor sportuitoefening naar keuze onmo­gelijk wordt; er is geen plaatselijke sportvereniging die een redelijk alternatief biedt voor de door de gehandicapte gewenste sportuitoefening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wedstrijdsporters worden uitgesloten van een tegemoetkoming. Hierbij wordt ervan uit gegaan dat, evenals bij de valide wedstrijdsporters, zij door de betreffende sportbond gesponsord worden en gemaakte/te maken kosten vergoed krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk5Verplaatsen in en rond de woning: de rolstoel 5.1Verplaatsen in en rond de woning Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, Wmo luidt: “Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: a. (………); b. zich te verplaatsen in en om de woning; c. (………);”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een trippelstoel, of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel onder de Wmo. De andere voorzieningen vallen onder andere wettelijke regelingen en zijn daarom op grond van artikel 2 van de Wmo uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2Een rolstoel vormt het benenpaar van iemand met een aantoonbare beperking In bovenstaande zin schuilt het belang van een goede afweging bij het ver­strekken van rolstoelen aan gehandicapten. Van grote bete­kenis is, dat de gehandicapte de juiste voorziening krijgt. Voor­zie­ningen moeten de gevolgen van de aantoonbare beperking compenseren. De \"restca­pa­citeit\" van de gehandicapte (dat wat men nog wel kan) moet zoveel mogelijk worden benut of zelfs uitgebreid om verslechtering van de situatie te voor­komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen moeten de gevolgen van de handicap compenseren, zij het binnen de grenzen van de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3Rolstoelen Er is van af gezien – in de Wmo – om een begripsomschrijving van een rolstoel te geven. Het is, ook na jaren proberen, nog steeds niet gelukt een kwalitatief goede begripsomschrijving van rolstoel te formuleren. Daarom blijft staan als eerder onder de Wvg: onder rolstoel dient te worden verstaan wat daar over het algemeen in het dagelijkse taalgebruik onder wordt verstaan: een rolstoel is een voorziening ter verplaatsing in en om de woning, soms ook in de directe woon- en leefomgeving, waarbij het gaat om vier wielen, soms alle vier even groot (een transportrolstoel), soms twee grote wielen achter en twee kleine wielen voor, waarbij de rolstoel met de handen aan de achterste wielen kan worden aangedreven. Een rolstoel kan inderdaad met de hand worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er motoren die op een rolstoel aangebracht kunnen worden om het rijden met de rolstoel te ondersteunen, lichter te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast rolstoelen voor verplaatsing zijn er ook rolstoelen, speciaal voor verplaatsing bij sportbeoefening, de zogenaamde sportrolstoelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wie op grond van de beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich verplaatsen met een rolstoel kan een rolstoel toegekend krijgen. De resultaatverplichting daarbij bestaat uit het zich kunnen verplaatsen, al dan niet met hulp van anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4Aangepaste rolstoelen Bij de verstrekking van aangepaste rol­stoelen gaat het om indivi­duele aanpassingen. Vaak is er sprake van stoelen voor permanent gebruik (in de handel gebruikte term is actiefstoelen). Ook vallen onder deze categorie de elektrische rolstoelen met aange­paste besturingen. Meestal gaat het hier om vrij kostbare voor­zieningen. Vaak zal de le­ve­ring van aan­gepaste rol­stoe­len zich in een proces afspelen. Een goede passing is daarbij van essen­tieel belang. In eerste aanleg worden de zitproble­men niet altijd direct herkend of gevoeld. Na enkele uren kan een zitprobleempje echter al gauw een probleem worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indicatie, het advies en de passing vragen hier om gespecia­li­seer­de kennis. Er zal dus, zeker voor de gecompliceerde rolstoelen, altijd een beroep gedaan moeten worden op externe specia­listen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oplossing kan ook uit meerdere onderde­len en niet alleen uit een rolstoel bestaan. Bij mensen, die volledig zijn aangewe­zen op verplaatsing per rol­stoel, zal naast de stoel voor het dagelijkse gebruik, in het algemeen, ook een badstoel in gebruik zijn. Zo kan het zijn, dat iemand met een aantoonbare beperking een beroep moet doen op meerdere voorzie­ningen om zijn (verplaatsing)beperkingen tot een aanvaardbaar niveau (terug) te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5Rolstoel aanpassingen/accessoires Aanpassingen aan rolstoelen kunnen uiteenlopen van zeer eenvou­dig tot complex. Om een indruk te geven: stokhouders; anatomisch gevormde rugsteunen; lig-/zitorthese; beenbakken; verbrede voetsteunen; beenfixatiemiddelen; kniekussens; hoofdsteunen; diverse typen armsteunen; etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpassingen kunnen relatief eenvoudig dan wel standaard zijn. Het kan ook gaan om speciale, voor een individuele gehan­dicapte vervaardigde, aanpas­singen. Alleen die accessoires die medisch geïndiceerd zijn, komen voor vergoeding in aanmerking. Andere, door de gehandicapte gewenste accessoires, dienen door hemzelf te worden aangeschaft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor indicering en advisering van rolstoelen is een goede kennis van de handicap en de soorten hulpmiddelen nodig. Om die reden zal de gemeente in het algemeen een extern (medisch) advies vragen aan een door hen aangewezen instantie. Deze instantie is in het algemeen een andere dan degene die de rolstoel uiteindelijk levert. Dit om belan­genverstrenge­ling te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6Vormen van rolstoelvoorzieningen Artikel 26 van de Verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om rolstoelen te verstrekken: een algemene rolstoelvoorziening; een rolstoel in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoel; een persoonsgebonden budget te besteden aan een sportrolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.1De algemene rolstoelvoorziening De algemene rolstoelvoorziening is met de invoering van de Wmo een nieuwe vorm van verstrekken. Deze vorm van verstrekken biedt mogelijkheden voor die aanvragers die een rolstoel niet dagelijks maar incidenteel nodig hebben. Te denken valt aan aanvragers die in en om de woning geen hulpmiddelen nodig hebben of met andere loophulpmiddelen zich kunnen verplaatsen, terwijl uitsluitend tijdens een dagje uit, of een middagje winkelen de afstanden die afgelegd te groot worden zodat een rolstoel noodzakelijk is. Dergelijke rolstoelen worden vaak opgeklapt achter in de auto gelegd en slechts gebruikt bij bovenomschreven activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de eis voor het in aanmerking komen voor een rolstoelvoorziening in natura of als persoonsgebonden budget is dat “dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning” noodzakelijk is en deze aanvragers daaraan niet voldoen, kan de algemene rolstoelvoorziening een hulpmiddel zijn. Bij een algemene rolstoelvoorziening is het voor diegenen die daartoe het recht hebben een rolstoel voor één of meer dagen te lenen om de gewenste activiteiten mee uit te kunnen voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien aanvragers liever zelf een dergelijke rolstoel voor incidenteel gebruik hebben, kunnen zij gewezen worden op de uitgebreide tweedehandsmarkt rond deze rolstoelen en ook op de mogelijkheid individueel een dergelijke rolstoel aan te schaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze algemene voorziening kent een simpele “toegangstoets”, weinig bureaucratie en geen eigen bijdrage. Op eenvoudige wijze kan vastgesteld worden of de wens van een dergelijke rolstoel gebruik te mogen maken geen contra-indicaties kent. In geval van twijfel kan altijd een normale aanvraagprocedure inclusief een medisch advies worden gevolgd. Dit kan ook als de aanvrager dit wenst, omdat een eigen rolstoel noodzakelijk geacht wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.2Rolstoel in natura en persoonsgebonden budget De algemene rolstoelvoorziening zal een deel van de groep adequaat kunnen bedienen. Voor hen die (veel) vaker, regelmatig, een rolstoel nodig hebben voor verplaatsing in en rond de woning kan op basis van het gestelde in artikel 27, tweede lid, van de Verordening een rolstoel toegekend worden. Dit kan ingevolge artikel 26, aanhef en sub b en c, van de Verordening als voorziening in natura en als persoonsgebonden budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via een medisch onderzoek zal bepaald worden of er een indicatie is voor een rolstoel en zo ja, in welke vorm. Daarbij is de wens van de aanvrager bepalend en zal een persoonsgebonden budget uitsluitend geweigerd worden als daarvan sprake is op basis van artikel 3 van de Verordening en artikel 1.2 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.3Sportrolstoel Tot slot is het nog mogelijk een sportrolstoel aan te vragen. Voor een sportrolstoel komt men ingevolge artikel 27, derde lid, van de Verordening in aanmerking als sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk is door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Dit om het ook mogelijk te maken aan niet-rolstoelgebruikers via een sportrolstoel aan sport te kunnen doen. Ter verduidelijking: wie normaal met krukken loopt zal een sportrolstoel nodig hebben om aan sport te kunnen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten is helder. Daarnaast zijn er ook individuele sporten (marathon bijvoorbeeld) waar men een sportrolstoel voor aan kan vragen. Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend. De aanvraag voor een sportrolstoel om in de natuur te zijn zal dan ook afgewezen worden. Om deze reden wordt wel de eis gesteld dat men actief lid is van een gehandicaptensportvereniging, tenzij deze individuele sport niet in verenigingsverband uitgeoefend wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet op gewezen worden dat bij veel gehandicaptensportverenigingen de mogelijkheid geschapen wordt een sportrolstoel te lenen om uit te proberen of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een sportrolstoel wordt uitsluitend als persoonsgebonden budget verstrekt. In het bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf van een sportrolstoel bedoeld en een deel voor onderhoud. In het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2011 zijn twee bedragen voor sportrolstoelen opgenomen, een bedrag voor een gewone en een bedrag voor een elektrische.</p>\n<p class=\"lf-p\">Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak hoge uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar niet voor bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De enige sportvoorziening die wordt verstrekt, is de sportrolstoel. Net als in de Wvg is gekozen tot deze beperking. Bij de Wvg is de sportrolstoel als uitzondering vanuit de AAW meegenomen. Dit gebeurt nu weer vanuit de Wvg naar de Wmo. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in de Wvg is dat terecht. Wanneer een andere sportvoorziening dan een sportrolstoel wordt aangevraagd kan niet zonder meer de aanvraag worden afgewezen. Er dient onderzocht te worden of de gevraagde voorziening als onderdeel van het maatschappelijk leven van de aanvrager dient te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7Aanvraag, indicatie, advies, passing, levering en nazorg Via de indiceerder en de gemeente zal na ontvangst van het me­di­sche advies het advies naar de le­veran­cier wor­den ge­zon­den. Aan de hand van de eer­der geïnventariseerde ge­ge­vens wordt door de gecontracteerde leverancier een selectie- en passingsrapport opgesteld. Aan de hand van dit rapport wordt een rolstoel uitgezocht, eventueel aangepast en bij de klant afgeleverd. Bij de af­leve­ring hoort een laatste passing/afstelling, een demonstratie en training voor het gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze van verstrekken van de rolstoel kan zowel in huur als in koop geschieden. De meeste rolstoelen in onze gemeente worden via de leverancier in bruikleen verstrekt. Bij koop wordt aan de leverancier de factuur betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide gevallen wordt bij aflevering een bruikleenovereenkomst getekend. Daarin staat/staan: in welke toestand de gebruiker de rolstoel heeft ontvangen; de ver­plichtingen van de gebruiker; de afspra­ken over onder­houd en repara­tie; de aanspra­kelijk­heid en de verzekering; bepa­lingen over de beëindiging van de over­een­komst en over de terug­gave.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8Thuiszorg De Thuiszorg heeft in het kader van de AWBZ de opdracht om, aan mensen die vanwege een ziekte of gebrek tijde­lijk zijn aangewezen op het ge­bruik van een handbewo­gen rol­stoel, zo'n rolstoel te verstrek­ken. Het \"tijdelijke\" slaat hier op een periode van drie maanden. Deze periode kan met nog eens maxi­maal drie maanden verlengd worden, indien voorzienbaar is, dat men daarna niet meer aangewezen is op een rolstoel. Is vanaf het begin, of na enige tijd, duide­lijk, dat men permanent aangewezen zal zijn op het gebruik van een rolstoel, dan is het verstrekken van de benodigde voorzie­ning een taak van de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9Rolstoelpools Een rolstoelpool kan worden aangemerkt als een algemene voorziening als bedoeld in artikel 26, sub a, van de Verordening. Deze voorziening is voorliggend ten opzichte van een individuele verstrekking. Bij ­verzorgingshuizen kan het vormen van een rolstoelpool tot de mogelijkheid behoren. Voorwaarde daarbij dient te zijn dat het tehuis de verantwoordelijk­heid draagt inzake verzekering, beheer en toewijzing­. Door bijvoorbeeld bij de start van de rolstoel­pool twee à drie rolstoelen per locatie te plaatsen, wordt bereikt dat minder snel een beroep op individueel toe te kennen rolstoelen­­­ gedaan zal worden. Met de tehuizen dient afgesproken te worden dat potentiële aanvragers gestimu­leerd zullen worden eerst gebruik te maken van de rolstoelpool. Eén en ander bete­kent niet dat er geen individuele rolstoelen ­aan de bewoners van tehuizen verstrekt zullen worden. Het betekent wel dat bij aanvragen voor individuele rolstoelverstrekking­­­ door de indi­ceerder hiermee rekening gehouden dient te worden. Per saldo zal dit een remmend effect op de individuele verstrekkingen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de rolstoelen uit de rolstoelpool ook gebruikt kunnen worden door kortdurend op rolstoel aangewezen bewoners (bijvoorbeeld herstellend van ziekte) of uitsluitend voor binnen gebruik, dan wel door slecht ter been zijnde bezoekers, is het reëel de kosten van reparatie, onderhoud en vervanging voor rekening van het tehuis te laten komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de rolstoelen in de pool dient te gelden dat deze eerst na vijf jaar gebruik door nieuw vervangen mogen worden. De gedachte hierbij is dat, afhankelijk van onderhoud en gebruik, de le­vensduur van de rolstoel in tehuizen tussen de zes en twaalf jaar ligt. Door na vijf jaar opnieuw op verzoek van het verzorgingshuis, ondanks dat de technische levensduur van de rolstoel nog niet verstreken is, een nieuwe rolstoel voor de pool te verstrekken, wordt bereikt dat de pool uit meer rolstoelen gaat bestaan dan het bij de start van de pool overeengekomen aantal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het mag duidelijk zijn dat het vormen van een rolstoelpool en het uitbreiden na vijf jaar daarvan niet dient te geschieden zonder dat hiertoe noodzaak is. Het mag niet zo zijn dat via de Wmo de AWBZ zorgplicht op dit gebied vermindert/vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft in sommige verzorgingshuizen een rolstoelpool ingericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door AWBZ-bewoners Bewoners van AWBZ-instellingen die ingevolge artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen is erkend, komen, ingevolge artikel 28 van de Verordening, slechts voor een rolstoel in aanmerking indien zij vanuit de AWBZ geen rolstoel krijgen. Hiervan zal sprake zijn als artikel 15 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Bza luidt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">“Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling, omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 8 en 13, tevens: geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet zijnde paramedische zorg; behandeling van een psychiatrische aandoening indien de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de behandeling van een van de in artikel 8 genoemde aandoeningen of handicaps; farmaceutische zorg; hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven zorg; tandheelkundige zorg; kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling; het individueel gebruik van een rolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">En de zorg als bedoeld in de artikelen 8 en 13 bestaat uit: de functie behandeling, ziekenhuiszorg en revalidatiezorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat de combinatie verblijf en behandeling, ontvangen in dezelfde instelling, het verblijf in een ziekenhuis en het verblijf in een revalidatiecentrum redenen zijn om een rolstoel uit de AWBZ te ontvangen. Wie in een ziekenhuis of revalidatiecentrum bezig is terug te gaan naar huis zal uiteraard een rolstoel aanvragen in het kader van de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer voorzieningen ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is of er sprake is van een toegelaten instelling. In die situatie zal moeten worden nagegaan of op betrokken persoon één of meer facetten van de werking van artikel 15 Besluit zorgaanspraken van toepassing is. Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de zorgaanbieder of bij het zorgkantoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande houdt in de praktijk in dat bewoners van een verzorgingshuis onder de werkingsfeer van de Wmo vallen en bewoners van verpleeghuizen onder de AWBZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6Het medisch advies 6.1Aanleidng Bij toekenning van voorzieningen op grond van de Wvg of bij indicatiestelling ten behoeve van de functie Huishoudelijke Verzorging AWBZ was het begrip “medische noodzaak” doorslaggevend. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen blijkt dat die medische noodzaak in de ogen van de Raad noodzakelijk is om voorzieningen te verstrekken. Dit heeft tot gevolg dat een medisch advies van een onafhankelijk sociaal medisch adviseur, ook in de Wmo van cruciaal belang is. Daarom is hierover een apart hoofdstuk opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2Verordening In de Verordening heeft dat vorm gekregen in artikel 32, (met name in het tweede lid): “Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend: op te roepen in persoon te verschijnen en hem/haar op relevante informatie te bevragen; op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college vraagt een daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien: het college dit gewenst vindt; de gevraagde voorziening om medische redenen wordt afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de advisering zoals bedoeld in dit artikel wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking vermeldt op welke wijze in dat individuele geval wordt bijgedragen aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een aantoonbare beperking.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.1Gebruik van artikel 32 uit de Verordening Het eerste lid van dit artikel biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid van dit artikel wordt een aantal situaties genoemd waarin het college de door het college aangewezen adviesinstantie om advies dient te vragen, met andere woorden wanneer vraagt de gemeente medisch advies:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer het college dit gewenst vindt. In de praktijk wordt door de Wmo-consulent (de ambtenaar die in dienst is van de gemeente en die de Wmo-aanvragen beoordeelt) steeds meer zelf geïndiceerd. De Wmo-consulent wordt hiervoor ook opgeleid. In de interne richtlijnen wordt aangegeven welke aanvragen door de Wmo-consulent kunnen worden geïndiceerd en welke niet. Per situatie zal een beoordeling plaatsvinden. Bij twijfel wordt een medisch advies opgevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige situaties waarin het voornemen bestaat om de aanvraag af te wijzen, wordt een medisch advies opgevraagd bij een indicerende instantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid bepaalt dat bij de advisering de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden. “De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een zinvolle ordening geplaatst.” [1] Van de zeer uitgebreide ICF [2] zijn met name de lijsten met “functies” en “activiteiten en participatie” van belang. Daarom zijn deze lijsten als bijlage bij dit hoofdstuk toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviseur dient van de ICF gebruik te maken op de volgende wijze. Door de adviseur wordt allereerst aangegeven om welke stoornissen het bij de aanvrager gaat (de ICF is gericht op functiestoornissen). Het gaat daarbij met name om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau, en dan met name in de vorm van de op het tweede niveau aangegeven functies. Een lijst van deze functies is opgenomen in bijlage 1 bij dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn voor de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Indien dat wel het geval is, moeten ook niet direct relevante functies worden aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de WMO plaats zal moeten vinden. Ook bij de vermelding van deze stoornissen in “activiteiten en participatie” zal gebruik gemaakt worden van het begrippenkader van de ICF. De indeling van activiteiten en participatie is als bijlage 2 bij dit hoofdstuk opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de aanvraag de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die beperkingen dient te vermelden, gerelateerd aan de mogelijke compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij het vocabulaire van de ICF wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het medisch advies wordt door het college beoordeeld en leidt tot (gedeeltelijke) toekenning of afwijzing van de aangevraagde compensatie/voorziening. [1]Uit Nederlandse vertaling van de ‘International Classification of Functioning, Disability and Health Compilatie, blz. 22, dit is een toelichting op de ICF, zie http://www.rivm.nl/who-ic/in/ICFwebuitgave.pdf [2] http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm Hoofdstuk7Verkrijgen van voorzieningen en motiveren van besluiten 7.1Aanvraag Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een aanvraag is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werking van de Algemene wet bestuursrecht wordt in deze beleidsregels als bekend verondersteld. Hier wordt niet nader op ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragen in het kader van de Wmo kunnen uitsluitend schriftelijk worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een uitzondering daarop kunnen de algemene voorzieningen zijn. Het karakter van deze algemene voorzieningen: een snelle oplossing in weinig complexe en niet langdurige situaties, zonder administratieve rompslomp, dus met weinig bureaucratie, geen eigen bijdragen en geen beschikkingen, is zodanig dat bij algemene voorzieningen andere wijzen van aanvragen dan uitsluitend schriftelijk mogelijk moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volstrekt helder moet wel zijn: wanneer het verzoek om een algemene voorziening is gedaan; door wie dat verzoek is behandeld; welke beperkte toets is uitgevoerd; wat daar het effect van is; zodat vast ligt welke algemene voorziening van toepassing is; op welke wijze verstrekt; en voor welke periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zou vastgelegd kunnen worden in een eenvoudige rapportage van de hand van degene die heeft behandeld, op maximaal één A4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het geen algemene voorziening betreft, zal de aanvraag schriftelijk plaats moeten vinden. Dit gebeurt ingevolge artikel 30 van de Verordening aan de hand van een speciaal aanvraagformulier. Voordeel van een dergelijk formulier is dat als het geheel ingevuld is, alle voor de behandeling noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvraag dient ingediend te worden op de in artikel 31 van de Verordening genoemde plaats. Is op het terrein van de Wmo en op het terrein van de AWBZ tegelijkertijd een aanvraag noodzakelijk, dan kan die aanvraag in één keer worden gedaan. Op deze wijze is voldaan aan het vereiste van de Wmo dat er een relatie gelegd dient te worden tussen de indicatie ten aanzien van de AWBZ en aanvragen ten aanzien van de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens tegelijkertijd verstrekt zijn, kan de aanvraag in behandeling worden genomen. Voor het behandelen van de aanvraag is een termijn van acht weken beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het niet lukt binnen de voorgeschreven acht weken op een aanvraag een beschikking te nemen, dan zal voor het verstrijken van deze termijn betrokkene daarvan op de hoogte moeten worden gesteld, onder vermelding van de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit verwacht kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2Onderzoek – doelgroep Het eerste dat bij een aanvraag moet gebeuren, is beoordelen of de aanvrager behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarvoor liggen enkele uitgangspunten in de Wmo zelf en aanvullend hierop enkele uitgangspunten in de Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wmo zelf liggen de volgende uitgangspunten:</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Wmo bepaalt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">“Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zal dus altijd moeten worden nagegaan of de aangevraagde voorziening wellicht valt onder andere regelingen. Het gaat hierbij uitsluitend om wettelijke bepalingen. Daaronder kan de AWBZ worden gerekend, maar ook de WIA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 van de Wmo spreekt van “de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die persoon uit het eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 is: “het ondersteunen van mantelzorgers daar onder begrepen steun bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van vrijwilligers; het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem; het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer;”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij om mantelzorgers; mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van deelname aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren; mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van voorzieningen ten behoeve van het behouden en bevorderen van het zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijk verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het gaat om het onderdeel “mantelzorgers” in relatie tot voorzieningen geldt dat zij alleen voor voorzieningen in aanmerking kunnen komen als zij die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft degene die de mantelzorg ontvangt voorzieningen nodig, dan zullen die uiteraard op zijn of haar naam aangevraagd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van hulp bij het huishouden kan een uitzondering worden gemaakt. Als de mantelzorger bijvoorbeeld de mantelzorg (bestaande uit persoonlijke verzorging) door overbelasting niet meer (geheel) aan zou kunnen, zou een indicatie hulp bij het huishouden gesteld kunnen worden, zodat de mantelzorger die hulp niet meer hoeft te geven en meer tijd overhoudt voor de persoonlijke verzorging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus niet zo dat de mantelzorger hulp bij het huishouden in zijn eigen huishouden aan kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg gemakkelijker te verlenen is. Het moet altijd gaan om het huishouden van de zorgvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen, mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem zal vaak een medisch advies nodig zijn om vast te stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of dat te objectiveren is en welke mogelijkheden er zijn om de problemen op te lossen. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van de ICF, wat verder is uitgewerkt in hoofdstuk 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verordening is in de verschillende hoofdstukken een eis vastgelegd bestaande uit (aantoonbare) beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt dus een aanvullende eis gesteld dat er sprake moet zijn van (aantoonbare) beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Het gaat hierbij om een medisch oordeel. Ook binnen de WMO zal, net als binnen de Wvg en de AWBZ, de medische noodzaak centraal staan bij het toekennen van voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via een medisch onderzoek zal vastgesteld moeten worden of er inderdaad medische noodzaak bestaat. Op het medisch onderzoek wordt in hoofdstuk 6 ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als is vastgesteld of er medisch gezien sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek en als de beperkingen zijn geïnventariseerd en de oplossingen helder zijn, speelt de vraag of er algemene beperkingen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deels zal deze vraag ook eerder spelen. Immers: het heeft weinig zin een uitgebreid medisch onderzoek te starten als tevoren duidelijk is dat het probleem tijdelijk is en dus niet voldaan kan worden aan het criterium langdurig-noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de behandeling van de aanvraag van voorzieningen spelen enkele algemene beperkingen, zoals vastgelegd in de Verordening in artikel 2. Het gaat daarbij om de begrippen langdurig noodzakelijk (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a), goedkoopst-adequaat (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b) en in overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt in een aantal situaties geen voorziening toegekend. Dit is het geval bij een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a), als de aanvrager niet woonachtig is binnen de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b), voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c), voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d), voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e) en tot slot voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder f).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze punten kunnen als volgt worden uitgewerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Langdurig noodzakelijk (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a) De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, heeft te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op zes maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat acht of tien maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting vier maanden is, is duidelijk dat het geen tijdelijk probleem is, maar een probleem tot de dood erop volgt. Er moet dan uitgegaan worden van langdurige noodzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Goedkoopst-adequaat (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b) Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een te verstreken voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan mag gekozen worden voor de goedkoopste voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikkers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is een individuele aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c) Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a) Het begrip algemeen gebruikelijk stamt nog uit de tijd van de AAW. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een zaak algemeen gebruikelijk indien de volgende criteria van toepassing zijn: de voorziening is niet speciaal voor gehandicapten bedoeld; de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar; de voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de aanvrager toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Er moet dan een uitzondering worden gemaakt, waarbij het gaat om: een plotseling optredende handicap, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal moeten worden vervangen; de aanvrager heeft een inkomen, dat door aantoonbare kosten van de handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvrager niet woonachtig is binnen de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b) De Wvg sprak over: “in de gemeente woonachtige gehandicapten” (artikel 2, eerste lid). De Wmo kent deze aanduiding niet meer. Toch is het evident dat het compensatiebeginsel van de gemeente alleen maar geldt ten aanzien van in de gemeente woonachtige aanvragers. Het gaat om hierbij om de woonstede (1:11 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c) Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft, zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d) Voor zover geen sprake is van meerkosten wordt ook geen voorziening verstrekt. De Wmo kent immers het compensatiebeginsel. Maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te hebben, zal als hij die auto moet hebben vanwege een handicap niet in een andere situatie komen. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening. Zo komt iemand met een aantoonbare beperking met een inkomen boven 1,5 maal zijn van toepassing zijnde bijstandsnorm alleen in aanmerking voor de meerkosten van de rolstoeltaxi ten opzichte van een normale taxiauto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e), Voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken, wil zeggen: het is een aanvrager niet toegestaan een gemeente voor een fait accompli te stellen waarbij de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken voorziening. Met andere woorden: wie een voorziening aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze regel niet zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle achteraf mogelijk te maken. Bij een woningaanpassing zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet meer vastgesteld kunnen worden of er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot consequentie dat indien achteraf toch nog gecontroleerd kan worden wat de goedkoopst-adequate oplossing was, een afwijzing achterwege moet blijven. Uiteraard kan dan wel de goedkoopst-adequate voorziening verstrekt worden, ook al is de aangeschafte voorziening aanzienlijk duurder. Dat is dan de consequentie voor de aanvrager die voor de beschikking zelf iets heeft aangeschaft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder f) Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder f), en daarbij sprake is van schuld, zal geen nieuwe voorziening verstrekt worden. Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootermobiel rijdend te houden. Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid, onder invloed van alcohol of drugs enz. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als iemand een persoonsgebonden budget heeft, kan op gelijke wijze bij verloren gaan gedurende de looptijd gehandeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze algemene beperkingen spelen ook per vertrekkingengebied bijzondere beperkingen. Deze worden in de desbetreffende hoofdstukken besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek (met inbegrip van psychosociale problemen) en er is recht op compensatie in de vorm van een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, kan er toekenning plaatsvinden middels een positieve beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3(Dubbele) motivering van besluiten Ingevolge artikel 26, eerste lid, Wmo, dat luidt: “De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van deze bepaling zal in de beschikking aangegeven moeten worden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gaat het om een positieve beschikking, dan zal dit niet zo moeilijk zijn. Door in de beschikking aan te geven welke mogelijkheden betrokkene krijgt door de toegekende voorziening(en) is in feite voldaan aan deze opdracht. Enkele voorbeelden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toekenning van een woonvoorziening, bijvoorbeeld een traplift, kan aangegeven worden dat door deze voorziening betrokkene, die voordien problemen had bij het normale gebruik van de woning, doordat de verdieping niet te bereiken was, thans met de traplift weer op de verdieping kan komen om de slaapkamer en de sanitaire ruimte te bereiken, waarmee het probleem is gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toekenning van een scootermobiel kan aangegeven worden dat betrokkene voordien problemen had bij verplaatsing in de directe woonomgeving, en daardoor problemen bij het bezoeken van winkels, familie en kennissen enz. Deze problemen zijn gecompenseerd middels een persoonsgebonden budget waarmee betrokkene een scootermobiel kan aanschaffen waarmee gedurende vijf jaar de verplaatsingen in de directe woon en leefomgeving gemaakt kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er geen sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, bestaat er om een andere reden geen medische noodzaak voor het verstrekken van de aangevraagde voorziening of de aangevraagde hulp bij het huishouden, ook dan zal ingevolge artikel 26, eerste lid,Wmo gemotiveerd moeten worden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is uiteraard niet mogelijk op de wijze zoals bij een positieve beschikking is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een afwijzing zal men moeten denken aan een formulering waarbij aangegeven wordt dat compensatie niet noodzakelijk of zelfs ongewenst is, omdat betrokkene zonder de gevraagde voorzieningen ook in staat is zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie te behouden of te bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele voorbeelden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvrager wil graag een rolstoel bij het verplaatsen in en om de woning en hulp bij het huishouden. Uit medisch onderzoek blijkt dat de diagnose fibromyalgie gesteld is door de huisarts en dat er nog geen behandeling heeft plaatsgevonden. In deze situatie kan niet zonder meer toegekend worden, omdat daarbij het risico bestaat dat er geen behandeling plaats gaat vinden en er dus afhankelijkheid van zorg en voorzieningen ontstaat terwijl er dus nog behandelmogelijkheden onbenut zijn. De medisch adviseur zal betrokkene naar de huisarts verwijzen met het advies behandelmogelijkheden te benutten. Hangende die behandelmogelijkheden zal geen rolstoel noch hulp bij het huishouden worden toegekend. Mocht betrokkene in behandeling gaan, bijvoorbeeld bij een revalidatiecentrum, dan zal hooguit in overleg met de behandelaren besloten worden tot een beperkte of tijdelijke inzet van een rolstoel of hulp bij het huishouden, voor zover deze inzet de behandeling niet in de weg staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering zal dus kunnen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Door u is een rolstoel en hulp bij het huishouden aangevraagd. Uit medisch onderzoek is gebleken dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn. Als wij u nu een rolstoel ter beschikking zouden stellen, bestaat de mogelijkheid dat u door gebruikmaking van de rolstoel behandelmogelijkheden in de weg staat. Het doel van de Wmo is niet aanvragers afhankelijk te maken van voorzieningen, maar te compenseren als duidelijk is dat er geen verbetering mogelijk is. Daarom zullen wij u op dit moment geen rolstoel noch hulp bij het huishouden toekennen. Mocht uit uw behandeling in overleg met uw behandelaars blijken dat verstrekking past in uw behandeling, dan kunt u opnieuw contact met ons opnemen, onder overlegging van een verklaring van uw behandelaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verordening is in artikel 34 opgenomen dat men verplicht is om wijzigingen in de situatie te melden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkrijger van een toegewezen voorziening is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks dat deze regel in de Verordening staat, is het van belang deze voorwaarde ook in de beschikking of in een bijlage bij de beschikking op te nemen, zodat bij elke toekenning de aanvrager hierop weer attent wordt gemaakt. Dit vindt plaats door dit op te nemen in de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk8Eigen bijdrage/betaling en financiële tegemoetkoming 8.1Inleiding In dit hoofdstuk worden de gemeentelijke re­gels met betrekking tot de eigen bijdra­ge/eigen betaling en financiële tegemoetkomingen beschre­ven. Achter­eenvol­gens wordt ingegaan op de begrippen, de systema­tiek en de inko­mens- en draag­krachtvaststel­ling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een beperkt aantal gevallen is bij de verstrekking van een voor­ziening een eigen betaling of eigen bijdrage aan de orde. De eigen betaling speelt alleen een rol in combinatie met een financiële tegemoetkoming waarbij er al voor is gekozen deze af te stemmen op het inkomen van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad heeft bij verordening bepaald dat een persoon van 18 jaar of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het ministeriële Besluit maatschappelijke ondersteuning zijn regels gesteld ten aanzien van de eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar regels zijn gesteld ten aanzien van de eigen bijdrage gelden deze ook ten aanzien van de eigen betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens in te gaan op de systematiek van de financiële tege­moetkomin­gen is van belang de begrippen \"eigen betaling\" en \"eigen bijdrage\" nader te definiëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen betaling Onder het begrip \"eigen betaling\" wordt verstaan het deel van de kosten, dat bij het verstrekken van een financiële tegemoet­ko­ming ten laste van de cliënt blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële tegemoetkoming wordt in de regeling omschreven met een verwij­zing naar de wettekst (artikel 19, tweede lid). Daarin is aangegeven dat de gemeente in de Verordening regels opstelt voor de hoogte van de financiële tegemoetkoming. Aan het begrip financiële tegemoetkoming is het begrip eigen beta­ling gekoppeld. De financiële tege­moetkoming wordt gerelateerd aan het inkomen van de Wmo-gerechtigde; bekeken wordt of sprake is van Wmo-draag­kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen bijdrage Zoals het begrip eigen betaling is gekoppeld aan het begrip 'financiële tegemoetkoming', zo is het begrip eigen bijdrage gekoppeld aan het begrip 'verstrekking in natura' en het persoonsgebonden budget. Bij financië­le tegemoetkomingen kunnen dus per definitie geen eigen bij­dragen worden gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het hiervoor aangehaalde besluit is het totaal van de eigen bijdragen/eigen betalingen beperkt tot bepaalde maximale bedragen in­ het kalenderjaar waarin de voorziening wordt toege­kend, afhankelijk van het inkomen, de leeftijd en de woonsituatie van de gehandicapte. Voor rolstoelen geldt dat geen eigen bijdrage verschul­digd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het CAK is de aangewezen instantie voor de vaststelling en inning van de eigen bijdragen. Dit geldt in ieder geval voor de eigen bijdragen in het kader van de Hulp bij het huishouden. Het CAK houdt rekening met de gemeentelijke bepalingen als opgenomen in hoofdstuk 2 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning. Ten aanzien van de eigen bijdragen/eigen betalingen voor de eenmalige voorzieningen is de vaststelling en inning bij de gemeente neergelegd. Deze eigen bijdragen/eigen betalingen worden gemeld bij het CAK, omdat ook deze eigen bijdragen invloed kunnen hebben op de eigen bijdragen Wmo/HH en AWBZ. Bij de vaststelling van de eigen bijdrage voor een eenmalige voorziening wordt al rekening gehouden met de eigen bijdrage voor de Hulp bij het huishouden. In het geval de eigen bijdrage voor de Hulp bij het huishouden al gelijk is aan de maximale eigen bijdrage dan wordt de eigen bijdrage voor een eenmalige voorziening achterwege gelaten. Er gaat dan ook geen melding naar het CAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Systematiek financiële tegemoetkoming Onder een financiële tegemoetkoming wordt verstaan een tege­moetkoming in de kos­ten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager (artikel 1, sub m, Verordening maatschappelijke ondersteuning).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij financiële tegemoetko­mingen kan geen eigen bijdrage worden gevraagd. Wel kan hierbij een eigen betaling worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de hoogte van de financiële tegemoetko­ming moet rekening worden gehouden met het minis­teriële besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.1Specifieke regels Bij de vast­stelling van de hoogte van de finan­ciële tegemoetko­ming moet rekening worden gehouden met de volgen­de (wette­lijke) regels:</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ministeriële Regeling Besluit Maatschappelijke Ondersteuning (MR Wmo) bepaalt, dat de som van de in een kalender­jaar verschuldigde eigen bijdragen en eigen beta­lingen in de kosten van een voorziening een te bepalen maximum niet mag over­schrij­den Voor voorzieningen, die als forfaitaire vergoeding (een vaste maxima­le vergoeding, los van de werke­lijke kos­ten) worden verstrekt, mag geen draag­krachtafhankelijke bij­dra­ge worden gevraagd. Volgens de toelichting op de mi­nisteriële Regeling is de MR Wmo dan niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen bijdrage verschuldigd: indien de cliënt of de partner een eigen bijdrage op grond van de AWBZ c.q. het Bijdragebesluit zorg is verschuldigd wegens opname in een AWBZ gefinancierde instelling; voor een rolstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3Dra­ag­kra­cht­sys­te­ma­tiek Wmo Bij de vaststelling van eigen bijdragen en eigen betalingen ­moet rekening worden gehouden met de draag­kracht van de cliënt. Draagkracht is een bepaald percentage van de ruimte in het inkomen, waaruit de cliënt geacht wordt zelf in (een deel van) de kosten te kunnen voor­zien. Deze ruimte in het inkomen wordt bepaald door het verschil tussen het gezamenlijke inkomen van de cliënt (en zijn eventuele part­ner) én 1,5 maal het norminkomen. Bij de vast­stelling­ van de financiële dra­ag­kracht behoeft niet het totale \"meer\"inko­men te worden ingezet. De cliënt wordt aldus globaal bezien in staat gesteld zijn uitga­venpa­troon, waaraan hij is gewend, te handhaven. Bij de toepas­sing van de Wmo behoeft geen rekening te worden gehou­den met de aanwezig­heid van vermogen. Rente uit meer dan bescheiden vermogen wordt aangemerkt als inkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.1Specifieke regels Voor de draagkrachtvaststelling gelden de volgende (wettelijke) regels: de som van de in een kalen­derjaar verschuldigde eigen bij­dragen en eigen betalingen mag het in het ministeriële besluit gestelde maximum niet over­schrij­den (artikel 4.1 Besluit maatschappelijke ondersteuning); de draagkracht van de cliënt en zijn echtge­noot wordt per kalenderjaar vastge­steld; bij een inkomen tot en met 1,5 maal het norminkomen (artikel 2.7, derde lid, Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011); wordt afgezien van een eigen bijdrage/betaling ten aanzien van eenmalige voorzieningen; inkomen hoger dan 1,5 maal het norminkomen; is het netto inkomen meer dan 1,5 maal het norminko­men, dan wordt voor dat meerdere bij de draagkrachtvaststelling ten hoog­ste 8,75 % genomen van de vastgestelde ruimte in het inko­men; de eigen bijdrage inge­vol­ge de Wmo voor de Hulp bij het huishouden die de cliënt in een kalender­jaar ver­schul­digd is, wordt op de draagkracht in dat jaar in mindering ge­bracht; overige in het kalenderjaar ten last van de gehandicapte blijvende kosten voortvloeiend uit de handicap worden in mindering gebracht op de draagkracht (artikel 2.7, tweede lid, Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2011); de onder punt 6 vermelde regeling is niet van toe­pas­sing op: even­tueel ten eigen laste blijvende kosten bij for­fai­taire bedragen: er kan geen com­pensatie worden gebo­den boven AWBZ-toekennin­gen; eigen betalingen op grond van de AWBZ. ad 6.: Bij het vaststellen van deze kosten moet duidelijk zijn dat het gaat om kosten die verband houden met ziekte of gebrek van belanghebbende zelf of van gezinsleden die voor het levensonderhoud van zijn inkomen afhankelijk zijn. Daarnaast moeten de kosten ook bij de fiscale buitengewone lastenregeling in aanmer­king genomen kunnen worden (fiscaal aftrekbaar) en blijven algemeen gebrui­kelijke kosten en kosten op grond van een andere regeling voor vergoe­ding in aanmer­king komen buiten be­schouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten zijn voor de vaststelling van de draagkracht Wmo in princi­pe aftrekbaar wanneer aan de onderstaande (vier) voorwaarden is voldaan: het moet gaan om kosten die verband houden met ziekte of gebrek van belanghebbende zelf of van gezinsleden die voor hun levensonderhoud van zijn inkomen afhankelijk zijn; de kosten moeten fiscaal als buitengewone lasten aftrekbaar zijn; er moet geen andere regeling zijn die de kosten vergoedt; de kosten moeten niet als algemeen gebruikelijk zijn aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.2Opzet draagkrachtbere­kening Bij de draagkrachtberekening dient met het onderstaande rekening te worden gehouden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De draagkracht van de cliënt en echtgenoot/partner wordt per kalenderjaar vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een netto inkomen tot en met 1,5 maal het norminkomen geldt geen eigen bijdrage/betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover het netto inkomen meer bedraagt dan 1,5 maal het norminkomen wordt bij de vaststelling van de draagkracht per kalenderjaar ten hoogste een kwart van het draagkrachtpercentage dat het college in het kader van de uitvoering van de Wet werk en bijstand hanteert, in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot rolstoelen en vervoersmiddelen in natura (anders dan een autoaanpassing) wordt geen draagkracht in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van de Wmo-draagkracht wordt het werke­lijk inko­men vergeleken met 1,5 maal het norminkomen op grond van de WWB. Omdat dit norminkomen een jaarbe­drag is, moet voor de vergelij­king ook het werkelijk inkomen tot een jaarbe­drag herleid worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De draagkracht van de cliënt wordt als volgt bere­kend:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inkomen € ............,..</p>\n<p class=\"lf-p\">Af: 1,5 x norminkomen volgens WWB € ............,.. -/- Beschikbare draagkrachtruimte in inkomen € ............,.. (a) De Wmo draagkracht wordt vervolgens bepaald door de formule: 25% x (geldende draagkracht WWB) x (a) Het draagkrachtpercentage van de WWB is 35%. Dit betekent dat op grond van deze formule voor de vaststelling van de Wmo draagkracht maximaal 8,75% van de beschikbare­ draag­kracht­ruimte in inkomen (a) toegepast mag worden, dus:</p>\n<p class=\"lf-p\">Draagkrachtruimte in inkomen € ....,.. (a) x 8,75% = € ............,..</p>\n<p class=\"lf-p\">Af: Eigen bijdrage Hulp bij het huishouden € ............,.. -/- Overige kosten i.v.m. ziekte of handicap € ............,.. -/- Vastgestelde Wmo draagkracht € ............,..</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4Herziening Wmo-beschikking Wanneer een gehandicapte in het kader van de Wmo eerst een eigen bijdrage/betaling heeft betaald en later in het jaar op grond van de Wmo voor de Hulp bij het huishouden een eigen bijdrage be­taalt, herziet het college zo nodig de eerder afgege­ven beschikking, waar­bij de voorziening werd toegekend. De herziening ge­beurt op aanvraag van de gehandicapte, die de aan­vraag, onder overleg­ging van bewijs­stuk­ken, uiter­lijk drie maanden na afloop van het kalen­derjaar moet indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eigen betalingen, ver­schuldigd ingevolge de Bijdrageregeling intramurale zorg AWBZ (het eigen aandeel dat voor verblijf in AWBZ instellingen en tehuizen verschuldigd is) worden niet op de draagkracht maar op het inkomen in mindering gebracht, waarna op grond van het resterende netto inkomen de draagkracht in het kader van de Wmo wordt vastgesteld. Doorgaans is het voor de cliënt voordeliger om het inkomen te vergelijken met de geldende bijstandsnorm voor een persoon die niet in een inrichting verblijft. Uitgegaan kan worden van de voor de cliënt meest voordelige benadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De herziening heeft betrekking op de Wmo-eigen bijdra­ge, dan wel op dat deel van de kosten van een Wmo-voor­zie­ning, dat bij een financiële tegemoetko­ming ten laste van de cliënt is gebracht. Bij de herziening wordt dus opnieuw de draagkracht vastgesteld. Dit kan inhouden, dat aan betrokkene de reeds betaalde eigen bijdrage geheel of gedeeltelijk wordt terugbe­taald, dan wel dat de verstrekte inkomensafhankelijke financië­le tegemoetkoming alsnog op een hoger niveau wordt vastge­steld, waarna een nabetaling volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5Regels voor de draagkrachtvaststelling In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de begripsbe­pa­ling en de regels van belang voor de vaststelling van het inkomen en de draag­kracht Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.1Vaststelling inkomen eenmalige voorzieningen In het besluit (artikel 2.8) wordt het netto inko­men, kort samengevat, als volgt om­schreven: het bruto-jaarinkomen van de cliënten (en diens partner), verminderd met de over het bruto-inko­men ver­schuldigde belastingen, sociale verzekeringspremies en pensioen­premies, alsmede de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de ZVW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van het norminkomen worden in de Wmo twee categorieën onderscheiden, te weten: personen die jonger zijn dan 65 jaar; personen die 65 jaar of ouder zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per categorie kent de Wmo de volgende onderverdeling:</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen die jonger zijn dan 65 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 echtpaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 alleenstaande ouder;</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 alleenstaand;</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 in instelling gehuwd;</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5 in instelling alleenstaand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen die 65 jaar of ouder zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1 alleenstaand;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 alleenstaande ouder;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 gehuwd beide 65+;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 gehuwd één 65+;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5 in instelling gehuwd;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6 in instelling alleenstaand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de cliënt of de partner van de cliënt in een inrichting verblijft, kan het werkelijke inkomen worden vergeleken met de norm van een niet in een inrichting verblijvende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Wmo-norminkomen volgt hierbij de bijstandssystematiek. Het norminkomen wordt berekend door uit te gaan van de geldende bijstandsnorm inclusief de gemeentelijke toeslag of verlaging zoals in paragraaf 3.3 van de WWB is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.2Vaststelling gezamenlijk inkomen Als een cliënt gehuwd is dan wel een partner heeft (in de zin van arti­kel 1, tweede tot en met vierde lid, Wmo),­ wordt­ rekening gehou­den met het gezamenlijke (bruto) inko­men.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de cliënt jonger is dan 18 jaar geldt er geen eigen bijdrage/betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.3Nadere toelichting op het inkomensbegrip Periodieke inkomsten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn regelmatig binnen het jaar genoten inkom­sten, zoals loon, huur- of pachtopbrengsten, sociale verzekeringsuitkering­en, alimenta­tie, pensi­oen, lijfrente, rente enz. Deze inkom­sten worden herleid tot een jaarinkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.3.1Inkomsten uit vermogen Rente over het vermogen, dat het vrij te laten vermogen als bedoeld in de WWB overstijgt, wordt aangemerkt als inkomsten. Voor de vaststelling van het in aanmerking te nemen rente-inkomen geldt de daadwerkelijk ontvangen rente als uitgangspunt en wordt aansluiting gezocht bij de fiscale regelgeving. De rente wordt als volgt vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Totaal vermogen € , Vrij te laten vermogen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Alleenstaande € 5.550,00 (2011)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Alleenstaande ouder/echtpaar € 11.100,00 (2011) € , _ -/- € , Positief saldo?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nee: geen inkomsten uit vermogen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ja: inkomsten berekenen volgens onderstaande systematiek Daadwerkelijk genoten rente in het jaar € , Vrijlating:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Alleenstaande: € 222,00 + 0,18% van vermogen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Echtpaar/samenwonende: € 444,00 + 0,36% van vermogen € , _ -/- Inkomen uit rente € , Indien een cliënt aan de hand van een aanslag inkomstenbelasting kan aantonen dat de inkomsten uit rente op een lager bedrag dient te worden vastgesteld, wordt hier rekening mee gehouden 8.5.3.2Alimentatie De ontvangen alimentatie wordt in aanmerking genomen dat resteert na aftrek van de verschuldigde inkomstenbelasting, de premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Inkomsten als zelfstandige:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn niet regelmatig binnen het jaar genoten inkom­sten (bij­voorbeeld inkomsten uit zelfstandig beroep of bedrijf), alsmede overige inkomsten, die niet regelmatig worden geno­ten, doch naar verwach­ting over de periode van inkomens­vaststelling zullen worden ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van zelfstandige bedrijfs- of beroepsuitoefening dient te worden uitgegaan van het netto bedrijfs- of beroepsin­komen. Hieronder wordt verstaan het bruto inkomen, verminderd met de bedrijfs- of beroepslasten - waaronder de eventueel begrepen afschrijvingen volgens goed koopmansgebruik - onder aftrek van de door de zelfstandige verschuldigde inkomstenbe­lasting en premieheffing Volksverzekeringen. Dit inkomen wordt vastgesteld aan de hand van de boekhouding. Ook de aanslag voor de inkomstenbelasting kan in een aantal gevallen een aanwijzing vormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om een eenduidig beleid te vormen en om het uitvoeringstechnisch hanteerbaar te houden sluit de gemeente aan bij het gevoerde Besluit bijstandsverlening zelfstandigen. Het netto inkomen van zelfstandigen wordt daarom als volgt berekend: de bedrijfswinst/-opbrengst verminderd met het percentage zoals genoemd in de WWB. Bij jaarlijks sterk fluctuerende inkomens zal voor de aanvul­ling een middeling van inkomens over twee of zo nodig drie jaar moeten plaats hebben. Dit om te voorkomen dat een slecht jaar tot een onevenredige hoge bijdrage leidt, die niet op het inkomen van een goed jaar kan worden verhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.4Norminkomen Uitgangspunt voor de vaststelling van de draagkracht is de verge­lij­king van het werkelijk inkomen met 1,5 maal het norm­inkomen. Het nor­minkomen is de voor betrok­kenen gelden­de bijstands- of WIJ-norm (de WIJ vervalt per 1 januari 2012) inclusief de gemeentelijke toeslag zoals in de WWB, de WIJ en de gemeentelijke toeslagenverordeningen vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6Buiten beschouwing te laten inkomsten Bij de vaststelling van het inkomen worden in ieder geval buiten beschouwing gelaten de inkomsten, bedoeld in artikel 31, tweede lid, WWB en artikel 33, vijfde lid, WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk9Inwerkingtreding en citeertitel 9.1Datum inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op de dag na die waarop zij zijn bekendgemaakt en werken terug tot en met 1 april 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2Intrekking oude beleidsregels De Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeenten: Bolsward, Gaasterlân-Sleat, Lemsterland, Littenseradiel, Nijefurd en Wûnseradiel van 6 juli 2010 worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Littenseradiel 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wommels, 2 augustus 2011 , burgemeester. , secretaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">BijlageIbij hoofdstuk 3: Handreiking normering hulp bij het huishouden Het doen van boodschappen voor het dagelijkse leven Hieronder vallen het samenstellen van een boodschappenlijst en het inkopen en opbergen van boodschappen. Dit kan 1x per week worden gedaan en daar kan tot en met 4 personen 60 minuten per week voor worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het gaat om meer dan 4 personen of als er kinderen jonger dan 12 jaar aanwezig zijn, kan 2x per week boodschappen worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de afstand tot de winkels groot is, kan 30 minuten extra worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat voor boodschappen de marge voor toekennen bedraagt 60 tot 150 minuten. Eigen keuzen, zoals de keuze voor speciaal voedsel dat maar beperkt te koop aangeboden wordt, zodat extra gereisd moet worden, of het doen van boodschappen in een groot aantal winkels, worden in principe niet gehonoreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen medisch noodzakelijke afwijkingen kunnen gehonoreerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaltijdverzorging: broodmaaltijd, warme maaltijd Hieronder vallen wat betreft de broodmaaltijd: broodmaaltijd klaarzetten, tafel dekken en afruimen, koffie/thee zetten en afwassen, met de machine of handmatig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de warme maaltijd vallen hieronder: eten bereiden (voorbereiden en koken), tafel dekken en afruimen, afwassen en opruimen plus opslaan en beheer levensmiddelenvoorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de broodmaaltijd kan per keer 15 minuten, voor de warme maaltijd per keer 30 minuten worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn er kinderen jonger dan 12 jaar dan kan per keer 20 minuten extra worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per dag kan het dus gaan om 2 broodmaaltijden en 1 warme maaltijd, waarbij de variatie kan liggen tussen 60 minuten en 120 minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Licht poetswerk in huis, kamers opruimen Hieronder vallen de volgende activiteiten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen, handmatig 15-30 minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning) bij ernstige beperkingen in armen en handen die leidt tot extra rommel kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. Extra toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwaar huishoudelijk werk Hieronder vallen: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week. Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met 3 of meer kamers geldt de omvang van 3 uren per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij COPD-problematiek in een gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren, afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzorging kleding/linnengoed Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen, strijken en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen 90 minuten per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra, bij bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten per week extra. Bij huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van één maal per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Organisatie van het huishouden Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het bereiden van maaltijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totaal omvang tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, te besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagelijkse organisatie van het huishouden Administratieve werkzaamheden, organiseren, plannen en beheren van middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien hier aanleiding toe bestaat, kan hier 30 minuten per week voor worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere problematiek bij meerdere huisgenoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hulp bij het huishouden in verband met psychische stoornissen Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking tot huishouding, helpen verkrijgen, handhaven structuur in het huishouden, helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid ten aanzien van budget, begeleiden ouders bij opvoeding (beperkt en in combinatie met andere onderdelen) en begeleiding kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omvang 30 minuten per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden Instructie omgaan met hulpmiddelen, instructie licht huishoudelijk werk, instructie textielverzorging, instructie boodschappen doen, instructie koken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal 30 minuten per week. In 3x per week maximaal 6 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij communicatieproblemen kan meer tijd worden geïndiceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage1bij hoofdstuk 6. De ICF: Functies (bron: RIVM)</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 Mentale functies</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene mentale functies Bewustzijn Oriëntatie Intellectuele functies Globale psychosociale functies Temperament en persoonlijkheid Energie en driften Slaap Algemene mentale functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Specifieke mentale functies Aandacht Geheugen Psychomotorische functies Stemming Perceptie Denken Hogere cognitieve functies Mentale functies gerelateerd aan taal Mentale functies gerelateerd aan rekenen Bepalen sequentie bij complexe bewegingen Ervaren van zelf en tijd Specifieke mentale functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Mentale functies, anders gespecificeerd Mentale functies, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 2 Sensorische functies en pijn</h3>\n<p class=\"lf-p\">Visuele en verwante functies Visuele functies Functies van aan oog verwante structuren Gewaarwordingen van oog en verwante structuren Visuele en verwante functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Hoorfuncties en vestibulaire functies Hoorfuncties Vestibulaire functies Gewaarwordingen gepaard gaande met hoorfuncties en vestibulaire functies Hoorfuncties vestibulaire functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Andere sensorische functies Smaak Reuk Propriocepsis Tast Sensorische functies verwant aan temperatuur en andere stimuli Andere sensorische functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Pijn Pijngewaarwording Pijngewaarwording, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Sensorische functies en pijn, anders gespecificeerd Sensorische functies en pijn, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Stem en spraak</h3>\n<p class=\"lf-p\">Stem Articulatie Vloeiendheid en ritme van spreken Alternatieve vormen van stemgebruik Stem en spraak, anders gespecificeerd Stem en spraak, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 Functies van hart en bloedvatenstelsel. Hematologisch systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel</h3>\n<p class=\"lf-p\">Functies van hart en bloedvatenstelsel Hartfuncties Functies van bloedvaten Bloeddruk Functies van hart en bloedvatenstelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van hematologisch systeem en afweersysteem Functies van hematologisch systeem Functies van afweersysteem Functies van hematologisch systeem en afweersysteem, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van ademhalingsstelsel Ademhaling Functies van ademhalingsspieren Functies van ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Andere functies en gewaarwordingen van hart en bloedvatenstelsel en ademhalingsstelsel Andere ademhalingsfuncties Inspanningstolerantie Gewaarwordingen gepaard gaande met cardiovasculaire en respiratoire functies Andere functies en gewaarwordingen van hart en bloedvatenstelsel en ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel, anders gespecificeerd Functies van hart en bloedvatenstelsel, hematologisch systeem, afweersysteem en ademhalingsstelsel, niet gespecificeerd.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en hormoonstelsel</h3>\n<p class=\"lf-p\">Functies van spijsverteringsstelsel Opname van voedsel Vertering Assimilatie Defecatie Handhaving lichaamsgewicht Gewaarwordingen verband houdend met spijsverteringsstelsel Functies van spijsverteringsstelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van metabool stelsel en hormoonstelsel Algemene metabole functies Water-, mineraal- en elektrolytenbalans Thermoregulatoire functies Functies van endocriene klieren Functies van metabool stelsel en hormoonstelsel, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en hormoonstelsel, anders gespecificeerd Functies van spijsverteringsstelsel, metabool stelsel en hormoonstelsel, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6 Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies</h3>\n<p class=\"lf-p\">Functies gerelateerd aan urine Productie en opslag van urine Functies gerelateerd aan urinelozing Gewaarwordingen gepaard gaande met urinelozing Functies gerelateerd aan urine, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Genitale en reproductieve functies Seksuele functies Functies gerelateerd aan menstruatie Functies gerelateerd aan voortplanting Gewaarwordingen gepaard gaande met genitale en reproductieve functies Genitale en reproductieve functies, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies, anders gespecificeerd Functies van urogenitaal stelsel en reproductieve functies, niet gespecificeerd</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 7 Functies van bewegingssysteem en aan beweging verwante functies</h3>\n<p class=\"lf-p\">Functies van gewrichten en botten Mobiliteit van gewrichten Stabiliteit van gewrichten Mobiliteit van botten Functies van gewrichten en botten, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Spierfuncties Spiersterkte Spiertonus Spieruithoudingsvermogen Spierfuncties, anders gespecificeerd en niet gespecificeerd Bewegingsfuncties Motorische reflexfuncties Onwillekeurige bewegingsreacties</p></div>", "next": 239655}