{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en burgemeester en wethouders, burgemeester en wethouders anders beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 TerreinOnder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 InventarisVoor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bruto vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en werkplaatsen als zodanig is de basis voor de vaststelling van de omvang van de aanwezige inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Gymnastiekruimten3.5.1 GymnastiekruimteDe capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.2 TerreinDe terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.3 InventarisDe inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte1 School voor basisonderwijsVoor een basisschool is het aantal leerlingen en de gewichtensom bepalend voor de huisvestingsbehoefte. De berekening voor de huisvestingsbehoefte wordt uitgevoerd voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Zo’n nevenvestiging wordt voor de ruimtebehoefteberekening beschouwd als een afzonderlijke school.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De basisruimtebehoefte van een basisschool wordt berekend met de formule:</p>\n<p class=\"lf-p\">B = 200 + 5,03 * L, waarbij B = basisruimtebehoefte in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters. en L = het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toeslag wordt berekend met de formule:</p>\n<p class=\"lf-p\">T = 1,40 * G, waarbij T=toeslag in m2 bruto-vloeroppervlakte, rekenkundig afgerond op hele vierkante meters en G=gecorrigeerde gewichtensom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gecorrigeerde gewichtensom wordt als volgt bepaald: bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= de optelling van alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen); verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een bedrag ter grootte van 6,0 % van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal; als de aldus verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen, wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 % van het aantal ingeschreven leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Gymnastiekruimten Voor een basisschool is het aantal gymgroepen bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Het aantal gymgroepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen, zoals bepaald in de modelbeleidsregelvoor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per gymgroep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur gymnastiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een basisschool, wordt het aantal gymgroepen bepaald door het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als bedoeld in bijlage II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Vervallen3 School voor voortgezet onderwijs3.1 LesgebouwenVoor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten, te weten:</p>\n<p class=\"lf-p\">1 een leerlinggebonden component;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 een vaste voet. ad 1 Een leerlinggebonden component Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a “Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs” opgenomen bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, leerweg of sector die de leerling volgt. ad 2 Een vaste voet De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b “Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs” opgenomen bruto-vloeroppervlakten per instelling, sector of afdeling. De vaste voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod binnen de beroepsgerichte leerweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste voet per sector of afdeling geeft, uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de instelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen bruto-normoppervlakten wordt verwezen naar de toelichting op deze bijlage. Indien noodzakelijk voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze onderbouwing de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijsOnderwijssoort Leerweg Ruimtetype BVO/ll Onderbouw Algemene ruimte 6,02 AVO/VWO Algemene ruimte 5,69 Theoretische leerweg TLW Algemene ruimte 5,80 legenda TLW theoretische leerwegTabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs Onderwijssoort Afdeling Ruimtetype vaste voet Per vestiging:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdvestiging Algemene ruimte 980 Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak Algemene ruimte 550 Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak 0 De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die afdelingen waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 GymnastiekruimtenDe in onderstaande tabel 7.2 ‘Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs’ vermelde bruto vloeroppervlakten vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 7.2 Berekening van de ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie Voortgezet OnderwijsOnderwijssoort Leer-weg BVO/ll Onderbouw 1,66 AVO/VWO 0,78 Theoretische leerweg TLW 1,11 legenda TLW theoretische leerweg DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenningDe bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële consequenties vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 School voor basisonderwijs1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening: nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen waarvoor huisvesting noodzakelijk is. Het bijbehorend aantal vierkante meter brutovloeroppervlak wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de hierboven genoemde ruimtebehoefte gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als de hierboven genoemde ruimtebehoefte tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening: uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, dan wel ingebruikneming dan wel medegebruik wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de capaciteit, zoals beschreven in deel A van deze bijlage en de ruimtebehoefte, zoals beschreven in deel B van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil moet tenminste bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">55 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening basisonderwijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">40 m2 bruto-vloeroppervlakte voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening basisonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als het hierboven genoemde verschil gedurende tenminste vijftien jaar zal blijven bestaan. Er is sprake van een voorziening voor tijdelijk gebruik als het hierboven genoemde verschil tenminste vier jaar en korter dan vijftien jaar zal blijven bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage III, deel D.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, en meubilair bepaald door de omvang in m2 bruto-vloeroppervlakte van de goedgekeurde voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3 Gymnastiekruimten De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Vervallen3 School voor voortgezet onderwijs3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor permanent gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage “wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil is minimaal 100 m2 bruto vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage “wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze bijlage: ‘Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage “wijze van bepalen van de ruimtebehoefte”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening in de huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair als er sprake is van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 GymnastiekruimtenDe omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting bij deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een gymnastiekruimte wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor gymnastiekruimte langer dan vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen met behulp van het ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking tot de terreinoppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimten wordt uitgedrukt in lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met behulp van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wordt het aantal in eigen accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf 3.5.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 322.</p>\n<p class=\"lf-p\">DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen1 School voor basisonderwijsminimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3 m2/ll met een minimum van 300 m2 netto; vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 m2 netto; minimumoppervlakte van een onderwijsruimte: 8 m2 netto;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Vervallen3 School voor voortgezet onderwijsMinimum afmetingen, uitgedrukt in netto m²: theorielokaal: 42 m² theorievaklokaal: 50 m² vaklokaal natuurkunde: 50 m² vaklokaal biologie: 50 m² vaklokaal scheikunde: 60 m² vaklokaal handvaardigheid: 60 m² vaklokaal overig: 80 m² 4 Gymnastiekruimten– De oefenruimte is minimaal 252 m² netto.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>De hoogte van de oefenruimte is minimaal 5 m.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een was /douchegelegenheid.</div>\n<p class=\"lf-p\">III-1 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair onderwijs’De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw geschiedt voor basisonderwijs volgens NEN 2580, met de volgende aantekeningen: de in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend; de oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend aan het lesgebouw; bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in- of aanpandig gelegen gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie; bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als onderwijsruimte of andere ruimte, wordt het bruto vloeroppervlak bepaald door de netto-vloeroppervlakte van het deel van de ruimte met een vrije hoogte van tenminste 2,6 m te vermenigvuldigen met een factor 1,1; voor zover een zolderruimte, kelder of souterrain wordt gebruikt als berging, keuken, reproruimte of werkkast telt deze niet mee voor de berekening van de bruto- vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">III-2 Overzicht ‘Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs’Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het ministerie van OCenW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende ‘beloopbare’ binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de bruto oppervlakte behoort eveneens:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 m².</div>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet overdekt) en dergelijke.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Open brand- of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Niet beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</div>\n<p class=\"lf-p\">TOELICHTINGDeel A De bepaling van de capaciteitBasisonderwijsCapaciteit van de gebouwenDe vaststelling van de capaciteit van de gebouwen, ten behoeve van de nulmeting en later, is van belang om aanvragen voor uitbreiding te kunnen beoordelen maar ook om de leegstand te kunnen bepalen ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gebouwen wordt vastgelegd in een aantal groepen. De eerste keer geschiedt dit in de nulmeting. Lang niet alle gebouwen voldoen aan de voor de decentralisatie gehanteerde oppervlaktenormering, vooral veel oudere gebouwen hebben meer m² BVO dan behoort bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Indien een dergelijk gebouw moet worden uitgebreid is het reëel naar de mogelijkheid te kijken of met de uitbreiding de ‘overdimensionering’ van het gebouw kan worden teruggedrongen. Van belang daarbij is onder andere de BVO van het gebouw. De BVO is een gegeven dat is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van OCenW en als zodanig meermaals geverifieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De capaciteit van het gebouw is ook een bij het ministerie van OCenW vastliggend gegeven, maar is normatief, aan de hand van oppervlaktetabellen vastgesteld. De werkelijkheid kan afwijkend zijn van de registratie. Om deze reden is gekozen voor een nieuwe vaststelling van de capaciteit van de gebouwen. De capaciteit van een gebouw in groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het gebouw. Indien de normatieve BVO behorend bij het vastgestelde aantal groepen dat in het gebouw kan worden gehuisvest, lager is dan de werkelijke BVO, is het gebouw ‘overgedimensioneerd’. Het aantal m² van deze ‘overdimensionering’ is van belang op het moment dat een gebouw moet worden uitgebreid. Op dat moment kan worden bezien in hoeverre de fysieke uitbreiding van het gebouw kan worden beperkt, terwijl de noodzakelijke capaciteitsvergroting van het gebouw wordt gerealiseerd. De vermindering van de ‘overdimensionering’ van de BVO van het gebouw is van belang om een gunstiger uitgangspunt te creëren voor de vergoeding van de materiële exploitatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">RangordebepalingIndien de school beschikt over meerdere gebouwen, een hoofdgebouw en dislocaties, wordt een rangorde vastgesteld voor het geval dat het leerlingaantal terugloopt, en als gevolg daarvan moet worden bepaald of en zo ja, welke gebouwen kunnen worden afgestoten. Het hoofdgebouw heeft vanzelfsprekend het laagste nummer: wordt dus als laatste afgestoten. De dislocaties die een permanente bouwaard hebben worden later afgestoten dan dislocaties met een tijdelijke bouwaard. Vervolgens hebben de kleinste gebouwen het hoogste rangnummer omdat deze gebouwen eerder zullen kunnen worden afgestoten dan grotere gebouwen. De rangorde is nu bij het ministerie van OCenW vastgelegd en wordt als zodanig overgenomen. Er zijn redenen denkbaar om voor een andere rangorde te kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld een kleinere dislocatie kan structureel voldoende huisvesting bieden en door de rangorde aan te passen kan de grotere dislocatie worden afgestoten. In een dergelijk geval stellen burgemeester en wethouders, na overleg met het bevoegd gezag, een andere volgorde van de dislocaties vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">TerreinDe terreinoppervlakte in het basisonderwijs wordt voor de eerste keer geregistreerd. De gegevens zoals deze bij het Kadaster zijn vastgelegd, zijn maatgevend voor de gemeentelijke administratie. Voor het openbaar onderwijs is in niet alle gevallen de terreinoppervlakte geregistreerd die hoort bij het onderwijsgebouw. Het kan zijn dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen en andere openbare gebouwen als één geheel is geregistreerd. In die gevallen wordt geen terreinoppervlakte geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">InventarisDe hoeveelheid inventaris die is verstrekt is van belang voor het moment dat uitbreiding hiervan wordt gevraagd. Er wordt van uitgegaan dat een inventaris is verstrekt voor het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997 huisvesting zou kunnen worden gevraagd. Vaststaat dat voor dit aantal groepen ook een onderwijsleerpakket en meubilair aangevraagd had kunnen worden op basis van de oktobertelling 1995 of op basis van de buitenreguliere telling augustus 1996. Op deze aanvragen is nog door het ministerie van OCenW beslist. Het kan zijn dat in het verleden voor meer groepen onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt dan het aantal groepen waarvoor voor het schooljaar 1996/1997 huisvesting kan worden gevraagd. De gemeente kan dit aantonen aan de hand van de hiertoe afgegeven beschikkingen door het ministerie van OCenW. In een aantal gevallen hebben burgemeester en wethouders, zonder een goedkeurende beschikking van OCenW, zelf gezorgd voor de uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair. Ook dit is aantoonbaar door middel van de daartoe gevoerde correspondentie tussen burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de school. In beide gevallen is het hoogste aantal groepen waarvoor een onderwijsleerpakket en meubilair is verstrekt het uitgangspunt voor het beoordelen van de omvang van de noodzakelijke uitbreiding van het onderwijsleerpakket en meubilair.</p>\n<p class=\"lf-p\">De periode waarnaar wordt gekeken, is de periode na inwerkingtreding van de WBO. In de OWBO is bepaald dat de inventaris aanwezig op het moment van inwerkingtreding van de wet wordt geacht te voldoen. Verder terugkijken in de tijd heeft dus geen zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">GymnastiekruimtenDe vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal klokuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor basisonderwijs kan 40 klokuren worden gebruikt. Een school voor het basisonderwijs kan gezien de schooltijden van de school echter niet meer dan 26 klokuren gebruik maken van de gymnastiekruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een school aanspraak maakt (kan maken) op klokuren gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte ten behoeve van de betreffende school bepaald door het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de klokuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling van het noodzakelijke aantal klokuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortgezet onderwijsDe nulmeting beperkt zich in het voortgezet onderwijs waar het de gebouwen betreft tot een opname, c.q. overname van BRHU gegevens, van de bruto vloeroppervlakte. In het voortgezet onderwijs kan de belangstelling van leerlingen voor de verschillende onderwijssoorten/studierichtingen binnen instellingen sterk variëren, ook zonder dat het totale volume wijzigt. Dat heeft van tijd tot tijd wijzigingen van de functies van ruimten tot gevolg. Onder meer om deze reden is gekozen voor een eigen verantwoordelijkheid voor schoolbesturen, waar het de bouwkundige aanpassingen betreft aan de binnenzijde van de gebouwen (tot het drempelbedrag van  ...,– per leerling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een momentopname van gebouwgegevens op een niveau van afzonderlijke (les)ruimten is, gelet op deze eigen verantwoordelijkheid van schoolbesturen, niet zinvol.</p>\n<p class=\"lf-p\">InventarisDe toekenning van inventaris is in het voortgezet onderwijs vanaf de invoeringsdatum van de decentralisatie gekoppeld aan de toekenning van een voorziening in de huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze methodiek wijkt fundamenteel af van de door OCenW gehanteerde systematiek, waarbij inventaristoekenningen juist niet gerelateerd waren aan toekenningen in de huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de start van de nieuwe systematiek wordt ervan uitgegaan, dat alle scholen voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van inventaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">GymnastieklokalenHet gegeven ‘aantal gymnastieklokalen in eigendom’ heeft de gemeente nodig om bij een aanvraag voor toewijzing van klokuren gymnastiek door een VO instelling te kunnen beoordelen hoeveel uren de school in de eigen huisvesting kan verzorgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van de capaciteit van de gymnastiekruimten is van belang vanwege aanvragen voor uitbreiding van het aantal klokuren dat gebruik wordt gemaakt van een gymnastiekruimte maar ook vanwege de bepaling van leegstand ten behoeve van mogelijk medegebruik. De capaciteit van de gymnastiekruimten wordt vastgelegd in een aantal lesuren. Een gymnastiekruimte behorende tot een school voor voortgezet onderwijs kan 40 lesuren worden gebruikt. Indien een school aanspraak maakt (kan maken) gedurende een aantal lesuren op het gebruik van een andere gymnastiekruimte dan behorende bij de school dan is de capaciteit van deze gymnastiekruimte het aantal uren dat deze gymnastiekruimte beschikbaar is gedurende de schooltijden van de school waarvoor de lesuren noodzakelijk zijn. Het betreft een gymnastiekruimte behorend bij een andere school in het primair of voortgezet onderwijs, een sportaccommodatie van de gemeente of een sportaccommodatie beheerd door derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De terreinoppervlakte van een gymnastiekruimte is de oppervlakte zoals deze is geregistreerd bij het Kadaster. In veel gevallen zal de gymnastiekruimte gelegen zijn op het terrein van de school en als zodanig opgenomen zijn in de terreinoppervlakte van het lesgebouw. In dat geval heeft het geen zin de terreinoppervlakte voor de gymnastiekruimte afzonderlijk te registreren omdat bij een eventuele aanvraag voor uitbreiding van het terrein van de gymnastiekruimte, bijvoorbeeld omdat het gebouw wordt uitgebreid met een kleedruimte, de totale terreinoppervlakte van het lesgebouw en de gymnastiekruimte wordt bekeken ter beoordeling van een noodzakelijke uitbreiding van het terrein. In het enkele geval dat de gymnastiekruimte op een afzonderlijk terrein is gelegen, los van het terrein van het lesgebouw, wordt de terreinoppervlakte geregistreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de inventaris van de gymnastiekruimten is bepaald dat deze wordt geacht voldoende te zijn. Dit impliceert dat slechts voor nieuw te realiseren gymnastiekruimten een aanvraag voor eerste aanschaf van leer en hulpmiddelen en meubilair kan worden gesanctioneerd. In het enkele geval dat voor de invulling van het noodzakelijke aantal lesuren gymnastiek wordt verwezen naar medegebruik van een beschikbare gymnastiekruimte kan, indien vaststaat dat het meubilair niet geschikt is voor de groep leerlingen die de gymnastiekruimte in gebruik gaat nemen, aanvullend meubilair worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefteBasisonderwijsHet bepalen van de ruimtebehoefte van een school in het basisonderwijs houdt in dat wordt bezien hoe groot de capaciteitsbehoefte van de desbetreffende school is in relatie tot de eventueel reeds aanwezige capaciteit. De omvang van de noodzakelijke capaciteit of uitbreiding van de capaciteit wordt uitgedrukt in groepen, zijnde het aantal formatieplaatsen in de basisformatie. Er is onderscheid gemaakt in het bepalen van de ruimtebehoefte voor tijdelijke en voor permanente voorzieningen. Bij de bepaling van de ruimtebehoefte voor een tijdelijke voorziening wordt wel rekening gehouden met de gewogen leerlingen, bij de bepaling van de ruimtebehoefte voor een permanente voorziening wordt hiermee geen rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortgezet onderwijsHet bepalen van de ruimtebehoefte in het voortgezet onderwijs gaat aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. In dit model wordt op basis van een tweetal componenten de ruimtebehoefte bepaald. De ruimtebehoefte is enerzijds afhankelijk van het aantal leerlingen dat de school bezoekt en anderzijds afhankelijk van kenmerken van de school (zoals de aard van de vestiging en het onderwijsaanbod).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met behulp van tabel 7.1.a kan op basis van het aantal leerlingen per onderwijssoort de zogenaamde leerlinggebonden component worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld Het Lokale Lyceum Ruimtesoort Leerweg Ruimtetype BVO/ll aantal ll BVO Onderbouw - Alg. Ruimte 6,02 100 602 Avo/vwo - Alg. Ruimte 5,69 200 1138 Totaal Alg. Ruimte 300 1740 Daarna wordt de vaste voet van de instelling berekend aan de hand van tabel 7.1.b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De school uit het voorbeeld, Het Lokale Lyceum is een hoofdvestiging en heeft geen afdeling waarin de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaste voet van Het Lokale Lyceum bedraagt dus 980 vierkante meter Algemene Ruimte. Het totale ruimtebeslag van Het Lokale Lyceum komt dus op 2720 m2 bruto vloeroppervlakte Algemene Ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel C De bepaling van de omvang van de toekenningBasisonderwijsVoor blijvend gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²) dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de ingebruikneming is eveneens afhankelijk van het aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor permanente voorzieningen. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenDe omvang van (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is afhankelijk van het aantal groepen zoals vastgesteld volgens de berekeningswijze voor tijdelijke voorzieningen. In het geval van uitbreiding is de reeds beschikbare huisvesting van belang voor het bepalen van de omvang van de capaciteitsvermeerdering. Indien het bestaande gebouw groter is (meer m²) dan de norm behorend bij de capaciteit van het gebouw aangeeft, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke capaciteitsvermeerdering, geheel of gedeeltelijk, kan plaatsvinden door een interne aanpassing van het gebouw. De kosten van deze aanpassing zijn belangrijk: indien de aanpassing duurder is dan een uitbreiding van het gebouw, wordt het gebouw uitgebreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van medegebruik wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor de huisvesting noodzakelijk is en de kosten in verhouding tot de verwachte gebruiksduur van de lokalen. Indien mogelijkheden van medegebruik aanwezig zijn, zal in eerste instantie hiernaar worden verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige voor blijvend dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De omvang van (de uitbreiding van) het terrein wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke oppervlakte op grond van de daartoe in bijlage III, deel D, gestelde eisen met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen. De situatie op zich zal ook van invloed zijn op de omvang van de terreinoppervlakte ten behoeve van het schoolgebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket of de uitbreiding hiervan wordt bepaald door het aantal groepen, op basis van het gewogen leerlingenaantal, waarvoor deze voorziening noodzakelijk is. In het geval van uitbreiding geldt dat het verschil in groepen wordt bepaald door het aantal groepen zoals aanwezig was op de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag en het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket is bekostigd. Het aantal groepen waarvoor de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket reeds is bekostigd, wordt bepaald door het aantal groepen dat wordt bekostigd bij de aanvang van het schooljaar 1996/1997, tenzij burgemeester en wethouders kunnen aantonen dat voor meer groepen eerste inrichting van het onderwijsleerpakket is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de eerste aanschaf van het meubilair of uitbreiding hiervan wordt op dezelfde wijze bepaald als de eerste aanschaf of de uitbreiding van het onderwijsleerpakket. De verstrekking of de bekostiging van het meubilair wordt echter bepaald door het aantal groepen op basis van het ongewogen leerlingenaantal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van de aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die strikt noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het geven van onderwijs. Dit houdt in dat slechts die activiteiten voor bekostiging in aanmerking komen die de normale eisen te stellen aan het gebouw voor het geven van onderwijs niet overschrijden. De aanpassing kan noodzakelijk zijn omdat een gebouw in gebruik wordt genomen of omdat de capaciteit van het gebouw moet worden vergroot voor het creëren van een extra les of speellokaal. Activiteiten die noodzakelijk zijn als gevolg van specifieke wet en regelgeving, bijvoorbeeld Arbo eisen, kunnen eveneens voor bekostiging in aanmerking komen. Als een oliegestookte verwarmingsinstallatie moet worden vervangen door een gasgestookte installatie komen de meerkosten ten opzichte van het vervangen van een gasgestookte installatie door een gasgestookte installatie voor bekostiging in aanmerking. De meerkosten zullen in de meeste gevallen betrekking hebben op de noodzakelijke verplaatsing van de installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omvang van het onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die noodzakelijk zijn aan de buitenzijde van het gebouw zoals deze zijn omschreven in het overzicht ‘onderhoud primair onderwijs’, door de vervanging van de binnenkozijnen en binnendeuren of door de vervanging van radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming of door het totaal van verschillende van deze activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortgezet onderwijsVoor blijvend gebruik bestemde voorzieningenDe ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald met behulp van het Ruimtebehoeftemodel, dat staat beschreven in deel B van deze bijlage en het bijbehorende gedeelte van de toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toekenningscriteria (Bijlage I) is bepaald, dat voor de beoordeling of een instelling voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening in aanmerking komt de beschikbare capaciteit met tien procent wordt verhoogd. Vervolgens wordt bezien of de ruimtebehoefte op basis van de leerlingprognose voor langer dan vijftien jaar deze verhoogde capaciteit overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zulks het geval is wordt de omvang van de voorziening bepaald door vaststelling van het verschil tussen de werkelijk beschikbare capaciteit (100%) en de uitkomst van het ruimtebehoeftemodel (tabellen 7.1a en 7.1.b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met behulp van het RBM kan geen normatief lokalenplan worden opgesteld. Om te bepalen wat de leegstand binnen de onderwijsruimten is, zal een toets moeten plaatsvinden of er binnen het huidige lesrooster sprake is van onderbezetting. In geval van medegebruik door een andere school voor voortgezet onderwijs moet bekeken worden of de lesroosters van de scholen zo op elkaar kunnen worden afgestemd dat overschotten en tekorten elkaar opheffen. In geval van medegebruik door een school voor primair onderwijs zal gekeken moeten worden of binnen het lesrooster een of meer lokalen leeggeroosterd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan zijn bepalend bij de bepaling van de leegstand. Het is nu van belang om enerzijds te toetsen of het lesrooster redelijk is. Is het aantal ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in verhouding tot het aantal leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan het lesrooster getoetst worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in de week niet boven de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32 uur in de week ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het lokalenplan (bij voorkeur een plattegrond van de school) kan bepaald worden of alle lokalen wel ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde lokalen de bezetting maximaal 16 is in plaats van 26 leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om nu te bezien of het feitelijk lesrooster redelijk is, in verhouding tot de bepaling van de ruimtebehoefte van de instelling, wordt het aan de hand van de volgende criteria getoetst: aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur per week (excl. gym); het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur per week; de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lesrooster en het feitelijke lokalenplan zijn bepalend bij de bepaling van de leegstand. Het is nu van belang om enerzijds te toetsen of het lesrooster redelijk is. Is het aantal ingeroosterde lessen bijvoorbeeld niet hoog in verhouding tot het aantal leerlingen? Aan de hand van een aantal criteria kan het lesrooster getoetst worden, bijvoorbeeld dat het gemiddeld aantal lessen in de week niet boven de 29 uur uitkomt en dat een theorielokaal minimaal voor 32 uur in de week ingeroosterd kan worden. Aan de hand van het lokalenplan (bij voorkeur een plattegrond van de school) kan bepaald worden of alle lokalen wel ingeroosterd zijn of waarom in bepaalde lokalen de bezetting maximaal 16 is in plaats van 26 leerlingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om nu te bezien of het feitelijk lesrooster redelijk is, in verhouding tot de bepaling van de ruimtebehoefte van de instelling, wordt het aan de hand van de volgende criteria getoetst: aantal lessen per week komt niet boven de 29 lesuur per week (exclusief gym); het aantal lessen lichamelijke oefening komt niet boven de 3 lesuur per week; de gemiddelde groepsgrootte is 26 leerlingen; het normatieve gebruik per week ligt voor algemene ruimten op 32 uur per week; gemiddeld past een hele groep (klas) in een onderwijsruimte; een lesuur duurt 50 minuten. Wordt uitgegaan van lesuren van 45 minuten dan wordt het aantal lessen per week naar rato verhoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningenMet behulp van het Ruimtebehoeftemodel (tabel 7.1) wordt op basis van het leerlingenaantal, dat voortvloeit uit de leerlingprognose voor een periode langer dan vier jaar en korter dan vijftien jaar de ruimtebehoefte bepaald. Vergelijking van deze ruimtebehoefte met de met tien procent verhoogde beschikbare capaciteit geeft als resultaat de omvang van de goedgekeurde tijdelijke voorziening, uitgedrukt in m² bruto vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor tijdelijke voorzieningen wordt deze oppervlakte niet naar lokaalsoort toegedeeld. De toekenning vindt plaats op het niveau bruto m²’s lesruimte per instelling. Als drempel voor toekenning wordt 1 lokaal gehanteerd, dat wil zeggen dat het gekonstateerde ruimtetekort minimaal 58 m² bruto (= 42 m² netto, zie deel D) moet bedragen om voor toekenning van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in aanmerking te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening medegebruik wordt de beschikbare capaciteit verhoogd met tien procent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen De voorziening eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen is rechtstreeks gekoppeld aan de toekenning van voorzieningen in de huisvesting, die een vergroting van de totale capaciteit tot gevolg hebben (zie ook bijlage I, paragraaf 3.7) GymnastiekruimtenDe bepaling van de omvang van de verschillende voorzieningen in de huisvesting, die gymnastiekruimte betreffen, verloopt, onder toepassing van het Ruimtebehoeftemodel, analoog aan de bepaling van de omvang van toekenningen voor lesgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van het aantal in medegebruik te geven lessen gymnastiek is het lesrooster maatgevend. Het maximale aantal lestijden gymnastiek kan met de in paragraaf 3.4 gegeven formule worden berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningenDe wet geeft de opdracht aan gemeenten om in de verordening bepalingen op te nemen met betrekking tot de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen. In de verordening is gekozen voor een beperkt aantal bepalingen. Enerzijds omdat op die wijze de autonomie van een schoolbestuur zo groot mogelijk is, anderzijds omdat naar aanleiding van de tweede fase van het Bouwbesluit VROM reeds een aantal centrale eisen aan schoolgebouwen gesteld zullen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de minister van OCenW zal, door middel van een Algemene maatregel van bestuur, enkele minimale oppervlakte eisen stellen. Deze betreffen echter niet de specifieke ruimten, doch het totale gebouw, danwel alle bij een school in gebruik zijnde gebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de centrale eisen bepaalt de verordening alleen iets over de oppervlakte en de indeling uit het oogpunt van functionaliteit van ruimten, met name in verband met de mogelijkheden voor medegebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage IV Financiële normering 1 School voor basisonderwijsIn onderstaande normbedragen voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is tevens een vergoeding voor bouwvoorbereiding opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vergoeding omvat 8% (bij projecten tot een bruto-vloeroppervlakte van 2500 m2) respectievelijk 5% (bij grotere projecten) van het aangegeven normbedrag. Bij de uiteindelijke genormeerde vergoeding van een op het programma geplaatste voorziening voor (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding wordt de toegekende genormeerde vergoeding voor de kosten van de bouwvoorbereiding in mindering gebracht. Alle in deze bijlage genoemde bedragen zijn inclusief BTW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in dit hoofdstuk opgenomen normbedragenvoor het jaar 2010 zijn aangepast conform de systematiek van prijsbijstelling en indexering die is opgenomen in hoofdstuk 4, Indexering.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.1 Nieuwbouw (permanente bouwaard) De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in een drietal kostencomponenten, te weten: kosten voor terrein; bouwkosten; toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw;</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van vervangende nieuwbouw waarbij sprake is van uitbreiding van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen zoals opgenomen in de financiële normering voor uitbreiding (permanente bouwaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terreinen Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het bouwrijpe terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht, zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma. Ook bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Voor de minimaal benodigde oppervlakte van het terrein wordt verwezen naar bijlage III, deel D.</p>\n<p class=\"lf-p\">In geval van vervangende nieuwbouw (op dezelfde plaats als het oude gebouw) behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen. Bouwkosten De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede aanleg en inrichting van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag, waarin inbegrepen een aantal m2 en een bedrag per m2 voor de overige m2.bvo. Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 350 m2 bvo € 736.297,98 Elke volgende m2 bvo € 1.260,01 Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op dezelfde plaats. Indien vervangende nieuwbouw plaatsvindt op dezelfde plaats moet het desbetreffende terrein daarna worden hersteld en dienen de leerlingen te verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genormeerde vergoeding voor deze kosten, zoals hieronder opgenomen, is gebaseerd op een vast bedrag per m2 bvo, afhankelijk van het type huisvesting dat dient te worden gesloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Permanente bouw per m2 bvo € 51,08 Tijdelijke bouw per m2 bvo € 35,05 1.2 Uitbreiding (permanente bouwaard) Voor uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard tot 1035 m2 brutovloeroppervlakte is onderstaand de financiële normering weergegeven. Bij grotere uitbreidingen dient te worden uitgegaan van de financiële normering voor nieuwbouw (permanente bouwaard) (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten voor terrein Er is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen. Indien uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, wordt bij de bepaling van de kosten voor het terrein dezelfde systematiek gevolgd als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwkosten De bouwkosten omvatten de bouwkosten van het gebouw, alsmede extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein. De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2 . Met deze vergoedingsbedragen kan en moet de in bijlage III aangegeven bruto-vloeroppervlakte worden gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of groter €107.823,50 Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2 bvo € 71.882,33 Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 1.436,32 Toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op dezelfde plaats.Hiervoor gelden dezelfde bedragen als bij nieuwbouw (permanente bouwaard). 1.3 Tijdelijke voorziening De hierna genoemde bedragen zijn afgestemd op de investeringslasten ten behoeve van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen enerzijds nieuwbouw als hoofdlocatie of uitbreiding van een permanente locatie en anderzijds uitbreiding van een bestaande tijdelijke voorziening. Daarnaast wordt ingegaan op realisering van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. Wat betreft de grondkosten wordt ervan uitgegaan dat een tijdelijke voorziening in principe op het aanwezige terrein kan worden gerealiseerd. Is dit niet het geval dan geldt voor de beschikbaarstelling van terrein dezelfde procedure als bij nieuwbouw (paragraaf 1.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering, de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen alsmede eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 bvo of groter € 41.930,97 Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2bvo € 27.953,98 Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 1.030,44 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen De vergoeding bestaat uit een startbedrag en een bedrag per m2. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of groter € 23.569,74 Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2 bvo € 15.713,15 Naast het startbedrag voor elke m2 bvo € 1.079,72 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen Naast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk: huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. Beide soorten huur worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair Het bedrag voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair tezamen bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m2. De hierna opgenomen bedragen zijn investeringsbedragen per school met een gegeven aantal m2. Bij uitbreiding wordt het uit te keren bedrag bepaald aan de hand van het verschil tussen de investeringsbedragen van de school met en zonder uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen (in euro):</p>\n<p class=\"lf-p\">Basisbedrag € 34.311,60 Naast het basisbedrag voor elke m2 bvo € 120,03 1.5 AanpassingAlle aanpassingen worden vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">1.6 Gymnastiek Bouwkosten nieuwbouw/uitbreiding NieuwbouwDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal voor een basisschool met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2 bedraagt € 774.035,26 (op het schoolterrein) respectievelijk € 789.690,58 (op afzonderlijk terrein). Deze vergoeding omvat tevens de kosten van fundering op staal, alsmede de inrichting van het terrein. De grondkosten zijn hierin niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Paallengte 1&lt;15 meter € 15.568,86 Paallengte 15&lt;20 meter € 21.462,48 Paallengte &gt;20 meter € 30.143,12 Uitbreiding Bij uitbreiding van gymnastiekruimte wordt in eerste instantie aangesloten bij de vergoeding voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij kleine gymnastiekzalen, waarvan de oefenvloer een oppervlakte heeft van 140 m2 of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 m2. Afhankelijk van de benodigde uitbreiding zien de bedragen voor een basisschool er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbreiding met 112 t/m 120 m2 € 179.837,32 Uitbreiding met 120 t/m 150 m2 € 218.616,96 Indien bij de uitbreiding van de oefenvloer paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">112-120m2 121-150m2 Paallengte 1&lt;15m € 6.969,91 € 8.715,22 Paallengte 15&lt;20m € 12.072,28 € 15.086,47 Paallengte &gt;=20m € 19.736,85 € 24.671,06 OLP/meubilair De vergoeding voor de eerste inrichting met OLP/meubilair voor een gymnastiekzaal bedraagt voor een basisschool € 45.966,89.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Vervallen3 School voor voortgezet onderwijsDe financiële normering voor het voortgezet onderwijs is onderverdeeld in:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw/uitbreiding (paragraaf 3.1);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>tijdelijke voorzieningen (paragraaf 3.2);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair (paragraaf 3.3); en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gymnastiek (paragraaf 3.4).</div>\n<p class=\"lf-p\">De in dit hoofdstuk opgenomen bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil per 1 juli 1996. Voor indexering van deze bedragen wordt de systematiek, zoals beschreven in hoofdstuk 4, toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 Nieuwbouw en uitbreidingEr bestaat geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. Bij uitbreiding vindt veelal ook aanpassing van het bestaande gebouw plaats (zie voor de vaststelling van het bedrag voor de component ‘aanpassing’ deel B).</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële normering voor nieuwbouw en uitbreiding valt uiteen in een tweetal kostencomponenten:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>kosten van terreinen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>bouwkosten;</div>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van terreinenEr is geen genormeerd bedrag per vierkante meter opgenomen, aangezien de gemeente het terrein om niet beschikbaar (eventueel na aankoop) stelt en het juridisch eigendom overdraagt aan het schoolbestuur. Indien een terrein dient te worden aangekocht zullen de kosten zichtbaar moeten worden gemaakt ten behoeve van het programma.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het beschikbaar stellen van gemeentelijke terreinen kan het, ten behoeve van de interne verrekening tussen de gemeentelijke diensten, wenselijk zijn om de kosten van de terreinen zichtbaar te maken. Voor de bepaling van de kosten voor het terrein wordt aangesloten bij de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen.</p>\n<p class=\"lf-p\">BouwkostenDe ruimte-afhankelijke kosten bestaan uit bedragen per m2 bruto-vloeroppervlak voor de afzondelijke ruimtesoorten van een schoolgebouw. De indeling van deze bedragen geschiedt aan de hand van de hoofdindeling van de ruimtelijke normering naar type ruimte zoals opgenomen in Bijlage III, deel B.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sectie-afhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 m² bruto-vloeroppervlak uit een vast bedrag per huisvestingsvoorziening, alsmede een vast bedrag per sectie. Voor kleinere projecten worden geen sectie-afhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijkopgenomen in de bedragen voor de ruimte-afhankelijke kosten per m² bruto-vloeroppervlakte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen zijn opgenomen in onderstaande tabel met vaste bedragen per m² bruto-vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening. Voor de berekening van de vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten worden de benodigde aantallen m² per type ruimte van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, berekend op basis van Bijlage III, Deel C, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort. Berekening van de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten geschiedt door optelling van de algemene vastevoet en de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, dan wel beide, afhankelijk van de secties waaruit de op basis van Bijlage III goedgekeurde huisvestingsvoorziening bestaat. De vergoeding voor de ruimte-afhankelijke kosten en de vergoeding voor de sectie-afhankelijke kosten vormen tezamen de totale vergoeding voor de vaste normkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedragen voor ruimte-afhankelijke kosten per bruto m² &lt; 460 m2 &gt; 460 en &lt;2500 m2 &gt;2500 m2 Algemene en specifieke ruimte € 1.686,67 € 1.000,98 € 977,00 Bedragen voor de sectie-afhankelijke kosten per voorziening &gt; 460 en &lt;2500 m2 &gt; 2500 m2 Vaste voet algemeen € 106.425,12 € 106.425,12 Vaste voet algemene sectie - 208.904,47 - 291.678,43 De algemene ruimten en de overige theorie-, theorievak- en (specifieke) vaklokalen en tevens de directie- en nevenruimten behoren tot de algemene sectie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende normkostenBij de onderbouwing van het bedrag voor de vaste normkosten is uitgegaan van een standaardlocatie. Echter, als gevolg van plaatselijke omstandigheden kunnen extra kosten optreden. Voor een beperkt aantal omstandigheden wordt een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld. Dit beperkt zich tot een tweetal aspecten, te weten fundering en bemaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hiervoor genoemde vergoedingsbedragen is uitgegaan van fundering op staal. In veel gevallen zal echter paalfundering noodzakelijk zijn. Het criterium voor toekenning van een bedrag voor (paal)fundering is het op te stellen sonderingsrapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte en de omvang van de bouw in bruto-vloeroppervlakte (A). De vergoeding kan worden berekend aan de hand van de volgende formules:</p>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw en uitbreiding › 1000 m²:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Paallengte 1 ‹ 15 meter:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Paallengte 15 ‹ 20 meter:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Paallengte › 20 meter: € - - 3.102,44 3.302,94 3.687,62 + + + (€ ( - ( - 16,28 27,53 49,27 * A) * A) * A)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Paallengte 1 ‹ 15 meter:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Paallengte 15 ‹ 20 meter:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>Paallengte › 20 meter: € - - 3.788,63 4.941,65 7.504,41 + + + (€ ( - ( - 5,70 14,80 29,92 * A) * A) * A) Om in aanmerking te komen voor een aanvullend bedrag voor bemaling is de grondwaterstand maatgevend. Indien deze grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een bedrag per m² goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend.</div>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding bedraagt € 10,57 per m² terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Tijdelijke voorzieningHet vergoedingsbedrag voor een tijdelijke voorziening in het voortgezet onderwijs is gebaseerd op een vergoedingsformule, afhankelijk van het type voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende typen van tijdelijke voorzieningen worden onderscheiden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>huur van tijdelijke lokalen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalenHet bedrag voor de huisvestingskosten van nieuwbouw en uitbreiding met tijdelijke lokalen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: € 536,71 * A + € 36.900,16 A = het toegekende aantal m² bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van A wordt verwezen naar bijlage III, deel C. Alle directe en indirecte kosten gemoeid met de realisatie van de voorziening moeten worden bestreden uit het ter beschikking gestelde bedrag. Tot die kosten behoren onder meer het aansluiten van de tijdelijke huisvestingsvoorziening op nutsvoorzieningen, de leges en het geschikt maken van het terrein inclusief fundering voor de te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huur van tijdelijke lokalenNaast aankoop kan een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw ook worden gehuurd. In principe zijn er twee typen huur mogelijk, te weten huur van een noodlokaal en huur van een bestaand gebouw. In dit deel van de bijlage is een genormeerde huurvergoeding opgenomen voor een noodlokaal. Huur van een bestaand gebouw wordt vergoed op basis van werkelijke kosten (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de huurvergoeding voor een noodlokaal is gebaseerd op de genoemde genormeerde investeringswaarde van een noodlokaal, exclusief de vergoedingen voor herstel/inrichting van terrein, eenmalige aansluitkosten en de toeslag voor paalfundering. Indien deze toeslagen als gevolg van de lokale omstandigheden noodzakelijk zijn, worden zij bij plaatsing van het noodlokaal vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de investeringswaarde wordt er vanuit gegaan dat bij een huurperiode korter dan 15 jaar een restwaarde voor het noodlokaal blijft bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze restwaarde wordt van de investeringswaarde afgetrokken, zodat een netto-investeringswaarde overblijft. Bij de berekening van de netto-investeringswaarde wordt de volgende verdeelsleutel gehanteerd, uitgedrukt als cumulatief percentage van de nieuwbouwwaarde van een noodlokaal: huurperiode huurperiode huurperiode in jaren cumulatief in jaren cumulatief in jaren cumulatief 1 26 % 6 75 % 11 91 % 2 45 % 7 79 % 12 94 % 3 56 % 8 83 % 13 96 % 4 64 % 9 86 % 14 98 % 5 70 % 10 89 % 15 100 % De netto-investeringswaarde wordt bepaald door het hiervoor genoemde percentage te nemen van de bouwkosten, gebaseerd op de uitkomst van de formule onder ‘nieuwbouw/uitbreiding tijdelijke lokalen’. De berekende bouwkosten zijn dan inclusief kosten voor fundering en eenmalige aansluitkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aldus berekende bouwkosten worden verminderd met de kosten van de fundering, berekend op basis van de formules in paragraaf 3.1, en de aansluitkosten (€ 4.049,34). Deze toeslagen worden, indien noodzakelijk, apart vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van de periode waarvoor de tijdelijke voorziening wordt toegekend (gebaseerd op de prognose), wordt de netto-investeringswaarde bepaald. De hoogte van de huurvergoeding wordt vervolgens gebaseerd op de gemiddelde jaarlijkse lasten aan rente en aflossing van deze netto-investeringswaarde op basis van lineaire afschrijving. Het geldende rente-percentage is het rente-percentage, dat wordt gehanteerd voor de gemeentebegroting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilairDe toekenning van een vergoeding voor eerste inrichting met inventaris (leer- en hulpmiddelen en meubilair) is gekoppeld aan de huisvestingsvoorzieningen nieuwbouw (niet zijnde vervangende nieuwbouw), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd. Indien bij uitbreiding wordt verwezen naar medegebruik is toekenning van inventaris slechts van toepassing indien inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt dan wel niet geschikt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het type ruimte dat wordt gerealiseerd. Door het verschil te bepalen tussen de aanwezige brutovloeroppervlakte per ruimtetype en het te realiseren brutovloeroppervlakte per ruimtetype wordt de hoogte van de vergoeding bepaald aan de hand van het in onderstaande tabel genoemd bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normbedragen inventaris per ruimtetypeRuimtetype Inventaris / m3 Algemene ruimte € 128,65 3.4 Gymnastiek voortgezet onderwijsBouwkosten nieuwbouw/uitbreidingDe vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een gymnastiekzaal met een bruto-vloeroppervlakte van 455 m² bedraagt € 662.275,36 (op het schoolterrein) respectievelijk € 675.670,27 (op afzonderlijk terrein).</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergoeding voor de bouwkosten van een gymnastiekzaal omvat alle schaal- en ruimteafhankelijke kosten, alsmede kosten voor de inrichting van het terrein. De kosten voor de aankoop van grond zijn hierin niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien paalfundering noodzakelijk is, wordt een toeslag gegeven afhankelijk van de benodigde paallengte. De vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>paallengte 1‹15 meter:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>paallengte 15‹20 meter:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>paallengte › 20 meter: € - - 13.320,93 18.363,60 25.790,88 Medegebruik/huur van een niet-eigen lokaalNaast gymnastiek in een eigen ruimte van de school is er tevens gymnastiek mogelijk in een bestaande gymnastiekaccommodatie van een andere school, de medegebruiker van een gymnastiekaccommodatie van een andere school, de gemeente of een commerciële exploitant. Afhankelijk van de eigenaar van de accommodatie is de school voor voortgezet onderwijs de volgende vergoeding verschuldigd:</div>\n<p class=\"lf-p\">Indien de gymnastiekruimte van een andere school voor voortgezet onderwijs wordt gebruikt, wordt het variabele en het vaste deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs. Indien de gymnastiekruimte van een school voor primair onderwijs wordt gebruikt, wordt in ieder geval het variabele deel van het klokuurbedrag vergoed voor het aantal lesuren medegebruik. Als de gebruiksduur van de gymnastiekruimte vanwege het medegebruik door de VO-school boven de 26 klokuren uitkomt, dient de VO-school voor het aantal uren dat boven de 26 klokuren ligt ook het vaste deel van het klokuurbedrag te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gymnastiekaccommodatie van de gemeente wordt gebruikt, is de school voor voortgezet onderwijs de gemeente een bedrag aan exploitatiekosten verschuldigd voor het aantal lesuren gebruik. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gymnastiekaccommodatie van een commerciële exploitant wordt gebruikt, betaalt de school voor voortgezet onderwijs de huurprijs (stichtingskosten en materiële instandhouding). De gemeente betaalt aan de school een stichtingskostenvergoeding als onderdeel van de huur. De hoogte van deze stichtingskostenvergoeding bedraagt het verschil tussen huurbedrag en het vaste en variabele deel van het klokuurbedrag voor het aantal uren gebruik. Voor de hoogte van het klokuurbedrag wordt aangesloten bij het vaste en variabele deel van de klokuurvergoeding in het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de hoogte van het vaste deel van het klokuurbedrag onder a, b en c wordt het vaste bedrag, zoals genoemd in de beleidsregel voor bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs onderdeel 'Vergoeding per klokuur', gedeeld door 26. Vermenigvuldiging van het op deze wijze verkregen bedrag met het aantal uren resulteert in het totale vaste deel van de klokuurvergoeding dat een school voor voortgezet onderwijs moet vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Huur sportveldenGedurende maximaal 8 weken per jaar kan een school aanspraak maken op een vergoeding van de huur van een sportveld. De vergoeding voor deze kosten bedraagt € per klokuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen/meubilairIn geval van nieuwbouw (als eerste voorziening), uitbreiding en ingebruikneming (niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw) waarbij de eerste inrichting nog niet eerder van overheidswege is bekostigd, bestaat aanspraak op vergoeding voor eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat geen aanspraak op eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. De vergoeding, afhankelijk van het type toegekende gymnastiekaccommodatie wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Meubilair L.h.m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Totaal 1e lokaal 2e lokaal 3e lokaal oefenplaats 1 oefenplaats 2 € - - 881,94 881,94 881,94 € - - - - 52.592,20 41.025,91 17.836,15 11.614,89 1.340,78 € - - - - 53.475,09 41.907,85 18.718,09 11.614,89 1.340,78 4 IndexeringDe in deze bijlage genoemde normbedragen zijn afgeleid van het prijspeil van 1 juli 1996. Jaarlijks worden door het college de werkelijke prijsontwikkeling in het afgelopen jaar en de verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het vaststellen van de hoogte van de vergoeding in het jaar van uitvoering van het programma bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkelijke prijsontwikkeling Jaarlijks worden de normbedragen aangepast aan de werkelijke prijsontwikkeling tot 1 juli van het lopende jaar. Om te voorkomen dat elk jaar alle tabellen aangepast zouden moeten worden, wordt jaarlijks na 1 juli het prijsbijstellingscijfer bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000=100 (inclusief BTW)', gepubliceerd in de 'Maandstatistiek bouwnijverheid' van het CBS over het tweede kwartaal van het lopende jaar en het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek wordt als prijsbijstellingscijfer aangehouden het verschil tussen het CBS-indexcijfer 'Consumentenindex van alle huishoudens’ (NR-reeks), gepubliceerd in de 'Maandstatistiek van de prijzen' van het CBS over de maand juli van het lopende jaar en de maand juli van het daaraan voorafgaande jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de CBS-ondexcijfers “Nieuwbouwwoningen; outputindex 2000 = 100” over het tweede kwartaal van het lopend jaar niet (tijdig) beschikbaar zijn, worden de CBS-cijfers over het eerste kwartaal van het lopende én het tweede kwartaal van het daaraan voorafgaande jaar gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwachte prijsontwikkeling ten behoeve van het programma Naast de bijstelling van de prijzen tot 1 juli van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld is het noodzakelijk om een inschatting te maken van het werkelijk prijsniveau in het jaar van uitvoering van het programma. Dit is noodzakelijk om de hoogte van de vergoeding bij vaststelling van het programma en het moment van vergoeding vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer (Macro-economische verkenningen) 'bruto investeringen door bedrijven in woningen', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voorzieningen onderhoud, eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair en de klokuurvergoeding gymnastiek geldt als prijsindexcijfer het MEV-cijfer 'prijsmutatie van de netto-materiële overheidsconsumptie', zoals bekendgemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Europese aanbestedingVoor opdrachten die vallen onder de Europese aanbesteding geldt de richtlijn van de Europese Unie (2004/18/EG) met daarin de volgende bedragen: a.193.000 euro exclusief BTW voor leveringen en diensten b. 4.845.000 euro exclusief BTW voor werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOELICHTINGIn deze bijlage is de systematiek opgenomen op basis waarvan toegekende voorzieningen worden bekostigd. De bijlage valt uiteen in twee mogelijke vergoedingsmethoden, namelijk:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>vergoeding op basis van normbedragen (deel A);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>vergoeding op basis van feitelijke kosten (deel B).</div>\n<p class=\"lf-p\">In deel C is vervolgens de systematiek weergegeven op basis waarvan medegebruikstarieven kunnen worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deel D is aangegeven op welke wijze de gemeente de door de minister voor 1997 goedgekeurde voorzieningen vergoedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van feitelijke kosten dient vooraf te worden vastgelegd in artikel 4 van de verordening. In deze modelverordening zijn zoveel mogelijk vergoedingen genormeerd. Slechts indien normering niet mogelijk is, dan wel tot irreële uitkomsten leidt, is afgezien van normering. Afhankelijk van de lokale situatie kan de keuze tussen vergoeding op basis van normbedragen en vergoeding op basis van feitelijke kosten een andere zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel A Vergoeding op basis van normbedragenIn de artikelen 3, 4 en 25 t/m 28 van de verordening is een aantal regels gegeven voor het toekennen van een vergoeding voor bouwvoorbereiding. In de toelichting bij deze artikelen is aangegeven dat de vergoeding voor bouwvoorbereiding is opgenomen in de genormeerde bedragen in Deel A van de Bijlage IV. Dit betekend dat, indien een genormeerde vergoeding voor bouwvoorbereiding (uitgedrukt in een percentage van de bouwkosten) wordt verstrekt, deze vergoeding in mindering moet worden gebracht op de genormeerde vergoeding voor de uiteindelijke realisering van de voorziening. Het hiervoor genoemde percentage is gebaseerd op de veronderstelling dat de aanvrager de bouw voorbereidt tot aan het moment van aanbesteding (dus inclusief de opstelling van het bestek, bouwvoorbereidingstekeningen en de begroting) 1 BasisonderwijsNieuwbouw/uitbreidingVoor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent gebouw is zoveel mogelijk genormeerd op een bedrag voor een vaste voet en een bedrag per groep. Hiernaast kunnen, afhankelijk van de beoordeling, toeslagen worden gegeven voor fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke voorzieningTijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke lokalen als eerste voorziening (nieuwbouw), het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw door middel van tijdelijke lokalen en uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie. Bij tijdelijke lokalen als eerste voorziening is er geen permanent hoofdgebouw aanwezig, zodat er een extra toeslag moet worden gegeven om voorzieningen als directieruimten, lerarenkamer, conciërgeruimte en dergelijke (toeslag hoofdlocatie) te kunnen realiseren. Indien er wel een permanent hoofdgebouw aanwezig is, maar nog geen tijdelijke voorziening, komt de aanvrager bij plaatsing van het eerste noodlokaal in aanmerking voor een toeslag t.b.v. een entree en een garderobe (toeslag eerste lokaal). Indien er reeds een noodaccommodatie aanwezig is, die moet worden uitgebreid, kan worden volstaan met de toekenning van de bedragen (gebaseerd op 80 m²) exclusief de toeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren. Bij huur van een bestaand gebouw wordt de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">De huurvergoeding wordt gebaseerd op de genormeerde investeringskosten voor een noodlokaal. Hierdoor kan ook qua kosten een afweging worden gemaakt tussen aankoop en huur van een noodlokaal. Over het algemeen zal aankoop van een noodlokaal aantrekkelijker zijn als de tijdelijke voorziening 11 jaar of langer nodig is. Na 11 jaar huur is de totaal betaalde huurvergoeding al gelijk aan de stichtingskosten bij aankoop van een noodlokaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de hoogte van de huurvergoeding zijn de volgende uitgangspunten van belang:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>naarmate de huurperiode langer wordt, neemt de hoogte van de jaarlijkse huurvergoeding af, immers de afschrijvingscomponent in de huurprijs wordt over meerdere jaren verdeeld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de afschrijvingscomponent wordt niet gebaseerd op de totale investeringskosten voor een noodlokaal, maar slechts op een percentage daarvan (netto-investeringswaarde).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>afschrijving van een noodlokaal is niet rechtevenredig met de lengte van de huurperiode. Bij kortere huurperioden is de jaarlijkse afschrijving relatief groter dan bij langere huurperioden. Bij de bepaling van de netto-investeringswaarde wordt verondersteld dat het verband tussen de afschrijving en de lengte van de huurperioden een logaritmisch verloop kent.</div>\n<p class=\"lf-p\">Met deze uitgangspunten kan vervolgens de hoogte van de huurvergoeding worden bepaald. Allereerst is de bepaling van de huurperiode conform de prognose-systematiek in bijlage II van belang. Uit de tabel kan vervolgens de netto-investeringswaarde per type benodigde noodaccommodatie worden bepaald. Deze netto-investeringswaarde wordt vervolgens op lineaire wijze afgeschreven over de vastgestelde huurperiode met een vast rentepercentage, gebaseerd op het rentepercentage dat normaliter ook bij de opstelling van de gemeentebegroting wordt gehanteerd. De hierbij behorende gemiddelde lasten aan rente en aflossing bepalen de hoogte van de vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: een schoolbestuur wil gedurende zeven jaar voor twee groepen noodaccommodatie huren. Het schoolbestuur heeft nu alleen de beschikking over een permanent gebouw en wil de noodaccommodatie op het terrein plaatsen. De investeringswaarde voor deze noodaccommodatie omvat dus de investeringswaarde nieuwbouw voor twee groepen plus de toeslag voor de 1e groep; derhalve € 52.251 + (2 x € 102.336) + € 25.584 = € 282.507,–. De netto-investeringswaarde bedraagt voor 7 jaar 79% en bedraagt dus in dit geval 0,79 * € 282.507,– = € 223.181,–. De jaarlijkse huurvergoeding aan het schoolbestuur kan vervolgens op eenvoudige wijze worden bepaald aan de hand van de gemiddelde kosten voor rente en aflossing volgens lineaire afschrijving.Naast de huurvergoeding kan, indien dat noodzakelijk is, ook bij plaatsing van de noodaccommodatie een vergoeding worden gegeven voor de paalfundering, de kosten voor inrichting en herstel van het terrein en de aansluitkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op deze wijze vastgestelde huurvergoeding geldt in principe voor de gehele huurperiode. Het ligt echter voor de hand om periodiek de noodzaak van de huurvergoeding te toetsen aan de daadwerkelijke leerlingontwikkeling. Indien uit de periodieke toetsing blijkt dat de noodzaak tot het verstrekken van een huurvergoeding vanwege de leerlingontwikkeling niet meer aanwezig is, wordt de huurvergoeding stopgezet. Aangezien de jaarlijkse huurvergoeding bij een korte huurperiode hoger is dan bij een langere ontstaat er bij een tussentijdse stopzetting van de huurvergoeding een financieel tekort bij het schoolbestuur. Het verschil tussen de vergoedingen, gesommeerd over de afgelopen huurperiode, wordt dan voldaan. Hiermee zijn alle kosten met betrekking tot netto-investeringswaarde en restwaarde van het noodlokaal voor de verhuurder vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: in eerste instantie was voor een periode van acht jaar een huurvergoeding toegekend. De huurvergoeding voor deze periode was vastgesteld op € 15.000,– per jaar. Na 5 jaar wordt echter vanwege de leerlingontwikkeling de huurvergoeding stopgezet. Bij een huurperiode van 5 jaar hoort echter een jaarlijkse huurvergoeding € 20.000,–. Gedurende deze vijf jaar is dus 5 x € 5000,– = € 25.000,– tekort vergoed. Door dit bedrag te vergoeden loopt het schoolbestuur geen risico’s, krijgt de verhuurder een adequate vergoeding en is er voor de gemeente sprake van budgettaire neutraliteit.Een andere mogelijkheid is dat na de vastgestelde huurperiode er nog steeds noodzaak is voor tijdelijke voorziening. Uiteraard wordt de huurvergoeding dan niet op dezelfde basis voortgezet, maar wordt nog slechts het verschil vergoed tussen de tot dan toe betaalde huurvergoeding, gesommeerd over de afgelopen huurperiode, en de gesommeerde huurvergoeding over de totale verlengde huurperiode. Deze verlengde huurperiode is ten hoogste 15 jaar, de totale investeringskosten worden dan geacht te zijn vergoed en het noodlokaal te zijn afgeschreven. Indien op dat moment het gebouw door een nieuw gebouw vervangen wordt, begint de huurperiode opnieuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: in eerste instantie was voor een periode van acht jaar een huurvergoeding toegekend. De huurvergoeding voor deze periode was vastgesteld op € 15.000,– per jaar. Na 8 jaar blijkt echter dat vanwege de leerlingontwikkeling een huurvergoeding nog voor twee jaar noodzakelijk is. Als oorspronkelijk de huurvergoeding op 10 jaar was gebaseerd, was de jaarlijkse huurvergoeding € 13.000,– geweest. Na 10 jaar zou een bedrag van €130.000,– vergoed zijn. Er is echter in de eerste 8 jaar al 8 x € 15.000,– = € 120.000,– vergoed. In de jaren 9 en 10 wordt derhalve per jaar € 5.000,– vergoed.Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilairDe vergoeding voor eerste inrichting kan per toegekende groep verschillen. Daardoor kan niet worden volstaan met een eenvoudig bedrag per groep. Opgenomen zijn bedragen voor het inrichten van een nieuwe school met een gegeven aantal groepen. Bij uitbreiding dient derhalve het bedrag voor eerste inrichting te worden bepaald uit het verschil tussen het inrichtingsbedrag van de school na en voor uitbreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een nieuwe school wordt ingericht, kan vanwege de omvang van de benodigde eerste inrichting een korting worden toegepast van 10%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen aparte normvergoedingen voor de eerste inrichting van een speellokaal opgenomen in de verordening. De vergoeding voor de eerste inrichting van een speellokaal maakt deel uit van de bedragen voor de eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair die een school bij een uitbreiding met een extra groep ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">OnderhoudOpgenomen zijn bedragen voor onderhoudsactiviteiten die, conform bijlage I, voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komen. Het gaat hier om grootschaliger onderhoudsactiviteiten, immers het dagelijks onderhoud wordt door middel van de vergoeding voor preventief onderhoud door het ministerie aan het bevoegd gezag vergoed. De vergoeding valt uiteen in een vast bedrag en een bedrag per vierkante meter bruto-vloeroppervlakte van het gebouw (ook voor buitenberging en terreinen!). Alleen bij de vergoeding voor het vervangen van de pannen, de goten en het houtwerk bij een hellend dak dient nog een correctiefactor te worden toegepast. Deze factor kan worden vastgesteld bij de nulmeting.</p>\n<p class=\"lf-p\">GymnastiekDe vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie, eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair en onderhoud. Hiernaast zijn bedragen opgenomen voor de klokuurvergoeding (materiële exploitatie), welke van toepassing zijn bij gebruik van een ‘eigen’ gymnastiekzaal en bij medegebruik en huur van een gymnastiekaccommodatie. De klokuurbedragen moeten voor 1997 nog worden geïndexeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Vervallen3 Voortgezet onderwijsNieuwbouw/uitbreidingDe kosten voor nieuwbouw en uitbreiding van een permanent zijn genormeerd op bedragen per vierkante meter bruto-vloeroppervlakte. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ruimte-afhankelijke kosten (lokaalspecifiek) en schaalafhankelijke kosten (sectie-specifiek). Hiernaast kan, afhankelijk van de beoordeling, een vergoeding voor aanvullende normkosten (fundering en bemaling) worden gegeven. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten met de ligging sterk kunnen variëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke voorzieningTijdelijke voorziening kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw van noodaccommodatie, uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie dan wel door middel van huur van een noodlokaal of bestaande huisvesting. Bij de afweging tussen aankoop en huur van een noodlokaal kunnen aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de verwerving van tijdelijke lokalen wordt geen onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw van tijdelijke lokalen als eerste voorziening en uitbreiding van een bestaande noodaccommodatie. Met de op basis van bijlage III goedgekeurde oppervlakte kan door middel van de formule het investeringsbedrag worden berekend. Dit investeringsbedrag omvat tevens alle bijkomende kosten, zoals eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien tijdelijke voorziening voor een kortere periode nodig is, kan het aantrekkelijk zijn om in plaats van een investeringsvergoeding voor een noodlokaal een huurvergoeding te geven. Met de huurvergoeding kan een schoolbestuur een noodlokaal huren dan wel ruimte in een bestaand gebouw huren. Bij huur van een bestaand gebouw wordt de feitelijke huurprijs vergoed (zie deel B: vergoeding op basis van feitelijke kosten).</p>\n<p class=\"lf-p\">De huurvergoeding wordt gebaseerd op de genormeerde investeringskosten voor een noodlokaal. Hierdoor kan ook qua kosten een afweging worden gemaakt tussen aankoop en huur van een noodlokaal. Over het algemeen zal aankoop van een noodlokaal aantrekkelijker zijn als de tijdelijke voorziening 11 jaar of langer nodig is. Na 11 jaar huur is de totaal betaalde huurvergoeding al gelijk aan de stichtingskosten bij aankoop van een noodlokaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de hoogte van de huurvergoeding zijn de volgende uitgangspunten van belang:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>naarmate de huurperiode langer wordt, neemt de hoogte van de jaarlijkse huurvergoeding af, immers de afschrijvingscomponent in de huurprijs wordt over meerdere jaren verdeeld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>de afschrijvingscomponent wordt niet gebaseerd op de totale investeringskosten voor een noodlokaal, maar slechts op een percentage daarvan (netto-investeringswaarde). Er wordt derhalve rekening mee gehouden dat het noodlokaal bij een huurperiode korter dan 15 jaar een restwaarde houdt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>afschrijving van een noodlokaal is niet rechtevenredig met de lengte van de huurperiode. Bij kortere huurperioden is de jaarlijkse afschrijving relatief groter dan bij langere huurperioden. Bij de bepaling van de netto-investeringswaarde wordt verondersteld dat het verband tussen de afschrijving en de lengte van de huurperioden een logaritmisch verloop kent.</div>\n<p class=\"lf-p\">Met deze uitgangspunten kan vervolgens de hoogte van de huurvergoeding worden bepaald. Allereerst is de bepaling van de huurperiode conform de prognose-systematiek in bijlage II van belang. Uit de tabel kan vervolgens de netto-investeringswaarde per type benodigde noodaccommodatie worden bepaald. Deze netto-investeringswaarde wordt vervolgens op lineaire wijze afgeschreven over de vastgestelde huurperiode met een vast rentepercentage, gebaseerd op het rentepercentage dat normaliter ook bij de opstelling van de gemeentebegroting wordt gehanteerd. De hierbij behorende gemiddelde lasten aan rente en aflossing bepalen de hoogte van de vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op deze wijze vastgestelde huurvergoeding geldt in principe voor de gehele huurperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ligt echter voor de hand om periodiek de noodzaak van de huurvergoeding te toetsen aan de daadwerkelijke leerlingontwikkeling. Indien uit de periodieke toetsing blijkt dat de noodzaak tot het verstrekken van een huurvergoeding vanwege de leerlingontwikkeling niet meer aanwezig is, wordt de huurvergoeding stopgezet. Aangezien de jaarlijkse huurvergoeding bij een korte huurperiode hoger is dan bij een langere ontstaat er bij een tussentijdse stopzetting van de huurvergoeding een financieel tekort bij het schoolbestuur. Het verschil tussen de vergoedingen, gesommeerd over de afgelopen huurperiode, wordt dan voldaan. Hiermee zijn alle kosten met betrekking tot netto-investeringswaarde en restwaarde van het noodlokaal voor de verhuurder vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: in eerste instantie was voor een periode van acht jaar een huurvergoeding toegekend. De huurvergoeding voor deze periode was vastgesteld op € 15.000,– per jaar. Na 5 jaar wordt echter vanwege de leerlingontwikkeling de huurvergoeding stopgezet. Bij een huurperiode van 5 jaar hoort echter een jaarlijkse huurvergoeding € 20.000,–. Gedurende deze vijf jaar is dus 5 x € 5000,– =€ 25.000,– tekort vergoed. Door dit bedrag te vergoeden loopt het schoolbestuur geen risico’s, krijgt de verhuurder een adequate vergoeding en is er voor de gemeente sprake van budgettaire neutraliteit.Een andere mogelijkheid is dat na de vastgestelde huurperiode er nog steeds noodzaak is voor tijdelijke voorziening. Uiteraard wordt de huurvergoeding dan niet op dezelfde basis voortgezet, maar wordt nog slechts het verschil vergoed tussen de tot dan toe betaalde huurvergoeding, gesommeerd over de afgelopen huurperiode, en de gesommeerde huurvergoeding over de totale verlengde huurperiode.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verlengde huurperiode is ten hoogste 15 jaar, de totale investeringskosten worden dan geacht te zijn vergoed en het noodlokaal te zijn afgeschreven. Indien op dat moment het gebouw door een nieuw gebouw vervangen wordt, begint de huurperiode opnieuw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld: in eerste instantie was voor een periode van acht jaar een huurvergoeding toegekend. De huurvergoeding voor deze periode was vastgesteld op € 15.000,– per jaar. Na 8 jaar blijkt echter dat vanwege de leerlingontwikkeling een huurvergoeding nog voor twee jaar noodzakelijk is. Als oorspronkelijk de huurvergoeding op 10 jaar was gebaseerd, was de jaarlijkse huurvergoeding € 13.000,– geweest. Na 10 jaar zou een bedrag van € 130.000 vergoed zijn. Er is in echter in de eerste 8 jaar al 8 x € 15.000,– = €120.000,– vergoed. In de jaren 9 en 10 wordt derhalve per jaar € 5.000,– vergoed.Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilairOm de normvergoeding van de investeringskosten te kunnen berekenen is het noodzakelijk te weten met hoeveel vierkante meters BVO het gebouw moet worden uitgebreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het in de vorige alinea berekende bedrag moeten vervolgens ook nog de vergoedingen voor de sectie-afhankelijke- en de aanvullende kosten worden opgeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot wordt nog de normvergoeding voor inventaris berekend. Dit gebeurt door het tekort te vermenigvuldigen met het normatieve bedrag per m2 Voor gymnastiek wordt een aparte vergelijking gemaakt tussen het aantal gymzalen waar normatief recht op bestaat en het aantal aanwezige zalen. Bij uitbreiding van een oefenvloer tot 252 m2 kan het normbedrag aan inventaris/investeringskosten worden berekend door: vermenigvuldiging van de netto m2 met 1,3 tot BVO; door vermenigvuldiging van deze BVO met het aantal normbedrag per vierkante meter voor inventaris/investeringskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">GymnastiekDe vergoeding voor gymnastiek valt uiteen in bedragen voor nieuwbouw en uitbreiding van een gymnastiekaccommodatie alsmede voor eerste inrichting met leer- en hulpmiddelen/meubilair. Hiernaast wordt aangegeven wanneer en op welke wijze vergoeding worden gegeven of ontvangen als een school voor VO geen eigen gymnastiekzaal gebruikt. De klokuurbedragen moeten voor 1997 nog worden geïndexeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholen voor voortgezet onderwijs kunnen voor maximaal acht weken per schooljaar in aanmerking komen voor huur van een sportveld van derden (bijvoorbeeld een gemeentelijk sportveld of een sportveld van een sportvereniging). Indien de school een eigen sportveld heeft, dan wel gebruik kan maken van het sportveld van een andere school, bestaat geen recht op vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 IndexeringOp grond van artikel 76, derde lid, WBO en artikel 76m, derde lid, WVO, is de gemeente verplicht normen vast te stellen aan de hand waarvan bedragen kunnen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting. Een aantal voorzieningen, zoals onderhoud en aanpassing, zal worden bekostigd nadat een offerte is uitgebracht en beoordeeld. Deze voorzieningen zijn gezien de enorme verscheidenheid niet of nauwelijks zinvol te normeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen als nieuwbouw en uitbreiding kunnen op basis van normbedragen worden bekostigd. De vastgestelde normbedragen zullen jaarlijks moeten worden aangepast aan het geldende prijspeil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten behoeve van bijvoorbeeld de begrotingsvoorbereiding kan dan worden uitgegaan van vaststaande cijfers in het volgende jaar door met behulp van zogenaamde MEV-cijfers het prijspeil voor een volgend jaar te prognosticeren. Door deze methodiek van toepassing te verklaren, liggen de vergoedingen voor de voorzieningen vast. Het vorenstaande betreft de methodiek die momenteel wordt gehanteerd in het primair onderwijs. Jaarlijks wordt het prijsniveau gepubliceerd van het daaropvolgende jaar. Voor iedere volgende prijsbijstelling zal het gepubliceerde prijsniveau eerst moeten worden herleid naar het werkelijk prijspeil, dus een ‘terugcorrectie’ met het MEV cijfer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze van indexcijfer is vrij. Het is echter wel van belang deze keuze vast te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van de index is jaarlijks. De vaststelling kan tegelijkertijd plaatsvinden met de vaststelling van het programma en het overzicht. Gezien het tijdstip van vaststellen van het programma en het overzicht kan zonder problemen ook het MEV cijfer worden gehanteerd omdat dit cijfer definitief bekend wordt gemaakt op de derde dinsdag in september.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een alternatief voor het hanteren van de MEV cijfers is het gebruik maken van een inflatiecomponent zoals deze wordt gehanteerd ten behoeve van de gemeentebegroting; ook kan het percentage waarmee het Gemeentefonds wordt aangepast van toepassing worden verklaard bij de bijstelling van de normbedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste vastlegging van het prijspeil is gebaseerd op de normbedragen zoals deze nu worden gehanteerd door het ministerie van OCenW. Dit prijspeil heeft een directe relatie met de ruimtenormen die de grondslag vormen van de vergoedingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel B Vergoeding op basis van feitelijke kostenIn deze modelverordening is getracht zoveel mogelijk vergoedingen te normeren (deel A). Voor een beperkt aantal voorzieningen is echter geen genormeerde vergoeding opgenomen. Deze voorzieningen dienen derhalve op basis van feitelijke kosten te worden vergoed. Uiteraard kan op lokaal niveau een andere scheiding tussen de genormeerde vergoeding en vergoeding op basis van feitelijke kosten worden gemaakt. Deze keuze dient echter wel vastgelegd te worden in artikel 4 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op deel A is vergoeding op basis van feitelijke kosten, volgens deze modelverordening, van toepassing op de volgende voorzieningen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>verplaatsing van noodlokalen c.q. sloop van noodlokalen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>aanpassingen aan gebouwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>herstel van constructiefouten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>herstel van schade;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>kosten van bouwvoorbereiding; alsmede</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>aankoop van terreinen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>huur van gymnastiekruimten van derden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">–</span>huur van bestaande gebouwen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij vergoeding op basis van feitelijke kosten zijn de aanbestedingsregels, zoals vastgelegd in deze verordening, van toepassing. Dit geldt uiteraard niet voor aankoop c.q. huur van gebouwen en terreinen. Voor deze voorzieningen worden de overeengekomen aankoop- of huurprijs vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procedure vergoeding op basis van feitelijke kostenVergoeding op basis van feitelijke kosten betekent dat de hoogte van de vergoeding wordt gebaseerd op de daadwerkelijke geoffreerde prijs van de uit te voeren voorziening. Omdat offertes over het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben moet in de procedure voor de vaststelling van het programma worden gewerkt met een kostenraming. In eerste instantie dient de aanvrager deze kostenraming bij de aanvraag te voegen. Ten behoeve van de vaststelling van het bedrag en het programma wordt deze kostenraming beoordeeld en zonodig door de gemeente bijgesteld c.q. geactualiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag wordt na vaststelling van het programma in de beschikking voor de aanvrager vermeld. Dit bedrag is echter geen taakstellend budget (er kunnen derhalve geen rechten aan worden ontleend). De daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan de hand van de laagste geoffreerde prijs. Dat kan derhalve leiden tot meer- of minderkosten ten opzichte van de raming. Deze meer- of minderkosten hebben geen invloed meer op de voorzieningen, die op het reeds vastgestelde programma en overzicht zijn geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">AanbestedingsregelsAangezien de daadwerkelijke hoogte van de vergoeding wordt gebaseerd op de laagst geoffreerde prijs is het van belang dat het vragen van offertes door middel van een aanbestedingsprocedure op zeer zorgvuldige wijze gebeurt. Alhoewel het schoolbestuur in principe bouwheer is, mag de gemeente, met het oog op de gewenste zorgvuldigheid en de prijsvorming, eisen stellen aan de te volgen aanbestedingsprocedure. In het overleg tussen aanvrager en gemeente ingevolge artikel 15 worden nadere afspraken gemaakt over de te volgen aanbestedingsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanbestedingsprocedure heeft tot doel de rechtsverhouding tussen opdrachtgever enerzijds en de gegadigde(n) voor de opdracht anderzijds goed te regelen. De in ons land meest gehanteerde aanbestedingsprocedures zijn het Uniforme aanbestedingsreglement 1986 (UAR 1986) en, voor opdrachten die onder de EG-richtlijn vallen, het Uniform aanbestedingsreglement-EG 1991 (UAR-EG 1991). Beide reglementen zijn na uitvoerig overleg tussen de verschillende betrokkenen in de bouwwereld tot stand gekomen. Beide reglementen voldoen tevens aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts de rijksoverheid is verplicht om beide reglementen toe te passen. Veel gemeenten hebben echter het UAR 1986 op zichzelf van toepassing verklaard, dan wel mede op basis hiervan een eigen aanbestedingsbeleid geformuleerd. Als er van een eigen aanbestedingsbeleid sprake is, kan ook dit beleid, in plaats van het UAR 1986, van toepassing worden verklaard op opdrachten in het kader van deze verordening. Voorzover hierover in de gemeente nog niets is geregeld, verdient het aanbeveling om het UAR 1986 op de opdrachten in het kader van de onderwijshuisvesting van toepassing te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het UAR 1986 biedt een viertal mogelijke aanbestedingsprocedures, die afhankelijk van de omvang van de opdracht en de lokale omstandigheden kunnen worden toegepast, te weten:</p>\n<p class=\"lf-p\">De openbare aanbesteding: de aanbesteding wordt algemeen bekend gemaakt en ieder gegadigde kan een offerte indienen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbesteding met voorafgaande selectie: de aanbesteding wordt algemeen bekend gemaakt en gegadigden kunnen zich melden. Een beperkt aantal geselecteerde gegadigden wordt uitgenodigd een offerte in te dienen;</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderhandse aanbesteding: voor de aanbesteding wordt een beperkt aantal gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om offerte uit te brengen; en De onderhandse aanbesteding na selectie: voor de aanbesteding wordt een beperkt aantal gegadigden (ten minste 2) uitgenodigd om deel te nemen aan een selectie. De geselecteerde gegadigde wordt uitgenodigd offerte uit te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aspecten die bij de keuze voor een van de procedures een rol spelen zijn bijvoorbeeld de openbaarheid, de optimale prijsvorming door concurrentie, de kwaliteit van de aannemer, de kostendeskundigheid van de opdrachtgever, de mogelijkheden tot adequate directievoering van de opdrachtgever en dergelijke. Bij kleine en middelgrote projecten verdient het aanbeveling de procedure van de onderhandse aanbesteding dan wel de procedure van aanbesteding met voorafgaande selectie te volgen. Bij grote projecten, onder het EG-drempelbedrag, ligt de procedure van de openbare aanbesteding het meest voor de hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze in het UAR 1986 aangegeven wijzen van aanbesteding, kan er ook op basis van enkelvoudige uitnodiging worden gegund. Hierbij wordt vooraf een gegadigde, bijvoorbeeld een plaatselijke aannemer, uitgezocht en gevraagd offerte uit te brengen. Hierbij wordt derhalve afgezien van mogelijke voordelen van concurrentie en brede oriëntatie op de markt. Het vraagt tevens grote kostendeskundigheid van de opdrachtgever om tot reële prijsvorming te komen. Ook zullen er vele afspraken moeten worden vastgelegd bij de gunning, bijvoorbeeld t.a.v. termijnen, afstandsverklaring en dergelijke. Gezien het karakter van de enkelvoudige uitnodiging dient zeer terughoudend met deze mogelijkheid te worden omgegaan. Slechts bij zeer kleine opdrachten, dan wel bij zeer gespecialiseerde werkzaamheden kan overwogen worden van de enkelvoudige uitnodiging gebruik te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deel C Bepaling medegebruikstarievenMedegebruik is in eerste instantie de competentie van de schoolbesturen. Indien medegebruik plaatsvindt maken de schoolbesturen onderling afspraken over een aantal zaken, waaronder de vergoeding die de medegebruikende school aan de eigenaar geeft. Mocht hierover geen overeenstemming ontstaan, kan de gemeente de hoogte van de vergoeding bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het medegebruikstarief voorziet in een vergoeding voor de gebouwafhanklijke kosten, zoals gas, water, licht en dergelijke. In het bekostigingsstelsel voor de materiële instandhouding voor het basisonderwijs is dit bedrag vormgegeven in het bedrag van de vaste voet voor de zevende groep. Dit bedrag is tevens van toepassing voor medegebruik in het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen 1. Volgorde van hoofdprioriteitenHuisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van prioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit: voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen; voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs; voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding inhouden; voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 1.Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan capaciteit op te heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 2.Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden en de aanpassing ‘vervanging van een oliegestookte verwarmingsinstallatie’ in het primair onderwijs vormen de tweede hoofdprioriteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 3.Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad 4.Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteitenVervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening opnieuw toegepast.</div>\n<p class=\"lf-p\">Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen, vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder niet lesruimten vallen: kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen aan het terrein.</p>\n<p class=\"lf-p\">1 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op te heffen’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking: als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen; vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen en vervolgens die voorziening die noodzakelijk is als gevolg van de groepsgrootteverkleining en die als eerste een ruimtetekort opheft en vervolgens die relatief gezien een zo groot mogelijk geprognosticeerd kwantitatief tekort opheft en vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te handhaven’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; vervolgens die voorziening aan een theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; vervolgens die voorziening aan een niet lesruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend; vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; vervolgens de voorziening aan een theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; vervolgens de voorziening aan een vaklokaal/speellokaal dat niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; vervolgens de voorziening aan een niet lesruimte die niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; en vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet voldoet aan de wet en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Binnen de hoofdprioriteit ‘voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs’ komt voor plaatsing op het programma in aanmerking:als eerste de voorziening voor theorielokalen/leslokalen waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is; vervolgens de voorziening voor vaklokalen/speellokalen waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is; vervolgens de voorziening aan niet lesruimte die als lesruimte in gebruik wordt genomen waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt het hoogst is; vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; en vervolgens de activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard, waarbij de ouderdom van het niet aangepaste gebouw het hoogste is.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOELICHTINGVoor de vaststelling van het programma moet in de situatie dat het beschikbaar gestelde of beschikbaar te stellen budget onvoldoende is voor alle potentiële toekenningen – alle aanvragen voor voorzieningen die voldoen aan de beoordelingscriteria en die niet een spoedeisend zijn – een nadere en eenduidige volgorde worden vastgesteld. De urgentiecriteria zijn dan nodig om te bepalen welke voorzieningen achtereenvolgens als eerste in aanmerking komen voor bekostiging. Indien het budget ruim genoeg is, behoeven de urgentiecriteria niet te worden toegepast en volstaat het toepassen van de beoordelingscriteria en de toekenning van een bedrag, dus de beschreven regels in de bijlagen I tot en met IV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het vast te stellen budget onvoldoende ruimte biedt, ontkomt de gemeente niet aan toepassing van de urgentiecriteria. Exacte en daarmee correcte toepassing is zeer belangrijk, omdat de aandacht van de gemeenteraad zeker zal uitgaan naar de voorzieningen waarvoor geen budget meer is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het staande houden van een budgettaire afwijzing in beroep is het nodig de criteria die de volgorde bepalen, eenduidig vast te leggen en in de uitvoering daaraan strikt de hand te houden. Met de hieronder gehanteerde indeling in hoofd en subprioriteiten is dit mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorg voor adequate huisvesting volgens de wet betekent concreet dat het vastgestelde bedrag voor het programma minimaal zo groot dient te zijn dat: elke groep een dak boven het hoofd kan worden geboden (medegebruik/nieuwbouw/uitbreiding; blijvend of tijdelijk); vervanging en onderhoud/aanpassing (bouwkundige calamiteiten, constructiefouten, herstel en vervanging van schade in verband met bijzondere omstandigheden) absoluut noodzakelijk om de voortgang van het onderwijs niet in gevaar te brengen, worden vergoed; voor alle aanwezige leerlingen eerste aanschaf van onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorzieningen zullen altijd moeten worden toegekend los van het feit of het budget het op dat moment toelaat of niet. Dat kan invloed hebben op het budget voor de volgende programma’s en op de mogelijkheden andere, minder urgente voorzieningen toe te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij twee of meer aanvragen die in één categorie voor bekostiging in aanmerking komen, dient in de hoofdprioriteit nadere invulling plaats te vinden om te bepalen welke aanvraag steeds als eerste op het programma wordt geplaatst. De volgorde van subprioriteit is bepalend voor de volgorde van de lijst van goed te keuren voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de subprioriteiten is met enkelvoudige criteria gewerkt om de bewerkingen niet nodeloos gecompliceerd te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan één integraal budget vaststellen voor alle drie de onderwijssectoren tezamen. Dit zorgt voor een integrale afweging. Van die systematiek is in de verordening uitgegaan. De gemeente kan ook deelbudgetten vaststellen. Dat dient dan echter vóór de beoordeling van de voorzieningen plaats te vinden. Een dergelijke handelwijze komt overeen met die van het ministerie vóór 1997.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een gemeente een bepaald beleid wil prioriteren, dan dient dit in de systematiek van de verordening te geschieden door een wijziging van de urgentiecriteria, en dus door een wijziging van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzieningen die in het kader van dat beleid aan de orde zijn worden opgenomen als hoofdprioriteit 1. Desgewenst kunnen daarbinnen nog subprioriteiten worden onderscheiden. (Eerste) nieuwbouw, ingebruikneming, uitbreidingen en aanpassingen die capaciteitstoevoegingen inhouden voor hetzelfde relatieve aandeel, worden gelijkgeschakeld qua prioriteit ongeacht de onderwijssector, de benodigde oppervlakte en de kosten. De prioriteit is hier dus hoger naarmate de voorziening bestemd is voor een groter deel van de school (de prioriteit wordt dus in een percentage uitgedrukt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Herschikking levert altijd een extra waarde op ten opzichte van de som van individuele nieuwbouw en uitbreidingen. In de fase van de beoordeling moet scherp gelet worden op de noodzakelijkheid van elk van de in de herschikking gevraagde voorzieningen om te voorkomen dat er een sluiproute ontstaat voor individuele aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afweging van de volgorde bij de voorzieningen voor een adequaat onderhoudsniveau wordt op basis van de conditie van het onderdeel of de onderdelen gemaakt. Er wordt gewerkt met scores van het bouwkundig onderzoek en de hoogte van de scores bepaalt de volgorde. De slechtste conditie wordt als eerste gehonoreerd. In de subprioriteit bij de hoofdprioriteiten 2 en 3 is een volgorde qua gewicht bepaald: eerst voorzieningen als het hele gebouw een zekere mate van onderhoud/aanpassingen nodig heeft; vervolgens voorzieningen voor (bepaalde) lesruimten en eindigend met overige ruimten/niet lesgebouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpassingen om te voldoen aan wettelijke verplichtingen (bijvoorbeeld Bouwbesluit, Arbo, brandweereisen) vallen onder hoofdprioriteit 3. Voor zover sancties dreigen, die leiden tot sluiting van het schoolgebouw op korte termijn indien niet aan het vereiste wordt voldaan, is er sprake van een voorziening die spoedeisend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenvatting urgentiecriteria:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdprioriteiten Subprioriteiten Rangorde bepaling door:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>capaciteitstekorten a. met herschikking percentage capaciteitstekort b. zonder herschikking percentage capaciteitstekort c. bij gymnastieklokalen percentage capaciteitstekort 2. adequaat onderhoudsniveau a. gebouw score bouwkundige kwaliteit b. theorie / leslokaal score bouwkundige kwaliteit c. vak / speellokaal score bouwkundige kwaliteit d. niet lesruimte score bouwkundige kwaliteit e. overige ruimte score bouwkundige kwaliteit 3. voldoen aan wettelijke ver- plichtingen a. gebouw score bouwkundige kwaliteit b. theorie / leslokaal score bouwkundige kwaliteit c. vak / speellokaal score bouwkundige kwaliteit d. niet lesruimte score bouwkundige kwaliteit e. overige ruimte score bouwkundige kwaliteit 4. nieuwe onderwijskundige inzichten a. voor theorie / leslokalen percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt b. voor vak / speellokalen percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt c.</div></div>", "next": 239797}