{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">5.Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">61</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het volledig buitengewoon verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">63</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:10 alsmede artikel 9b:56 tot en met 9b:62 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:56, eerste lid. Op hem blijft artikel 9b:56 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">64</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 7. De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in een bezwarende functie op 1 januari 2006en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de werkgevers-bijdrage levensloop - in december 2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkingssfeer</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december 2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Analoge toepassing</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45, artikel 9b:45a en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledig buitengewoon verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">67</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt volledig buitengewoon verlof verleend voor een periode van 3 jaar tegen doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt, dan wordt het buitengewoon volledig verlof als bedoeld in het eerste lid verleend naar rato van het aantal dienstjaren, dat op dat moment is bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet het college uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie voor aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft de ambtenaar bij uittreden recht op buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste lid naar rato van aantal dienstjaren op dat moment met een maximum van 20 dienstjaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zevende lid niet van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond van het eerste tot en met zesde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Premie IZA-verzekering tijdens de periode van artikel 9b:67</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambtsjubileumgratificatie tijdens de periode van artikel 9b:67</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62 gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:67</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">71</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:67 van kracht is geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:67 van kracht is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel 9b:67.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">73</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">74</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34 alsmede 9b:67 tot en met 9b:73 van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9b</span><span class=\"lf-art-t\">75</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, blijft deze paragraaf van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 9c. Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 9d. Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997 geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1januari 2006 werkzaam waren in een functie, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9d</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997 geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari 2006 werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9d</span><span class=\"lf-art-t\">2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31 december 2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof verleend met behoud van de volledige bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar FLO-ontslag zou zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9d</span><span class=\"lf-art-t\">3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2 buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige bezoldiging, worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van hoofdstuk 9b gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9d</span><span class=\"lf-art-t\">4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 9e. De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</h3>\n<p class=\"lf-p\">Werkingssfeer</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3 van hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begripsomschrijvingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964; b. instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964; c. levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaarwordt gestort; d. levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; e. levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal; f. netto spaarverzekering: de bij Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als productnaam “Aanvullingsplan Netto”, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort; g. netto spaarverzekeringstegoed: het tegoed op de netto spaarverzekering; h. Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance: het product van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het FLOovergangsrecht, dat bestaat uit een levensloopverzekering en een netto spaarverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar: a. moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance en, b. de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om in te leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance op het moment dat de werkgever deze levensloopbijdrage verstrekt en, c. niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doel</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoek tot deelname levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht meldt dit bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 9e:5.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden deelname levensloopregeling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij één of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleg</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling FLOovergangsrecht het gewenste bedrag van de inleg per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar kan éénmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De inleg bestaat uit één of meerdere van de in artikel 9e:7 genoemde bronnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bronnen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9e-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9e</span><span class=\"lf-art-t\">7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit één of meer van de volgende bronnen: het salaris; de vakantietoelage; de eindejaarsuitkering; de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9; de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1; het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel9e</span><span class=\"lf-art-t\">8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig, dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, een tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekerings-tegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, sub g, van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid, en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of meer op dat moment, een tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of meer, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in een tegoed naar rato van het aantal dientjaren, dat op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd is bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, sub g, van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1Het college beëindigt de ndeelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt daarnaast: a. bij overlijden van de ambtenaar; b. bij beëindiging van zijn bezwarende functie; c. op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afkoop levensloopbijdrage</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, of 9b:35, eerste lid, heeft recht op een afkoopbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, of 9b:35, tweede lid, heeft recht op een afkoopbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed heeft overeenkomend met 210% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend met 140% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige leeftijd naar rato van het aantal dienstjaren op het moment van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald, waarbij: a. het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag voorafgaand aan het moment van ontslag; b. er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante waardeberekening wordt gehanteerd; c. het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond op hele maanden naar beneden, bij de oudwerkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, sub g, van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Levensloopbijdrage bij regionalisering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">11a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de ambtenaar die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot afkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de voorwaarde voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de ambtenaar het afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar stelt voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opname levenslooptegoed</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9e</span><span class=\"lf-art-t\">13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: a. ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg, hoofdstuk 6 of de periode van onbetaald volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en 9b:35; b. ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 10. Wachtgeld</h3>\n<p class=\"lf-p\">Betrokkene</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:1</span><span class=\"lf-art-t\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder `betrokkene':</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>waarin hij vast was aangesteld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard; b. de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling ontslag te verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lichamen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:2</span><span class=\"lf-art-t\">In dit hoofdstuk wordt verstaan onder `lichamen':</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Diensttijd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:3</span><span class=\"lf-art-t\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder `diensttijd':</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de aan het in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten beschouwing: diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling; tijd, bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement; tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dienstbetrekking</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezoldiging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:5</span><span class=\"lf-art-t\">1.1.In deze regeling wordt verstaan onder `bezoldiging':</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 3:6.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recht op wachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene: ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd; op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling 2.De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bepaling van de duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing van: artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeits-pensioen vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt genomen. artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge artikel 10:8 van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duur van het wachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de betrokkene: in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</p>\n<p class=\"lf-p\">3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en 4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentelling van: perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Perioden, waarin een betrokkene: recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%; ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend; een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend; na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet; een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind: beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid volledig, en vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet meegeteld de periode waarin: de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid, of de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens vakantie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd een van hen die naar hun oordeel als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder: een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind; een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-8\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene: die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd; die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%; die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het volgende lid, in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere verlenging, buiten aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgwachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-9\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De betrokkene die het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste lid, heeft bereikt en voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het vervolgwachtgeld een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrag van het wachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedrag van het vervolgwachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen bij ziekte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een WAOuitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhuiskosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermindering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke bezoldi-ging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opgave van inkomsten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlenging</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opschorting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van 65% tot 80%: 80%;</p>\n<p class=\"lf-p\">55% tot 65%: 60%;</p>\n<p class=\"lf-p\">45% tot 55%: 50%;</p>\n<p class=\"lf-p\">35% tot 45%: 40%;</p>\n<p class=\"lf-p\">25% tot 35%: 30%;</p>\n<p class=\"lf-p\">15% tot 25%: 20%; minder dan 15%: 0%.</p>\n<p class=\"lf-p\">De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen en het verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, wordt gedurende de termijn waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts uitbetaald voor zover het evenbedoelde uitkeringen te boven gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar boven tot een volle gulden afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld werd genoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het wachtgeld over langere termijnen geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afkoop</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verval van wachtgeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:22</span><span class=\"lf-art-t\">1.Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet; indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt; indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te verblijven; indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn gesteld; indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven; indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10;12, zesde lid, aan wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:23</span><span class=\"lf-art-t\">1.Het recht op wachtgeld vervalt:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">met ingang van de dag waarop betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt; op de dag na het overlijden van de betrokkene; op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen; op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te aanvaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overlijdensuitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10:24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid, verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse termijnen betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23 van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotbepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10:29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31 december 2000.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 10a. Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen.</h3>\n<p class=\"lf-p\">1 Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: werkloosheid: werkloosheid in de zin van artikel 16 van de Werkloosheidswet; betrokkene: de ambtenaar die werkloos geworden is; dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, zonder de maximering van het dagloon, als bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen; bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de aansluitende uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Aanvullende uitkering Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die: recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8 of 8:12.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: indexering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1 januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens LOGA-partijen vastgestelde wijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wijzigt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: bedrag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering bedragen tezamen een percentage van de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt: gedurende de eerste vijftien maanden 80% en vervolgens 70%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">5a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan 57,5 jaar, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een verlengde uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde uitkering in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">5b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herleving van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlenging van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering, vastgelegd in de erkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen en sancties</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anti-cumulatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholing</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling op ziekengeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten 3.Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling op Waz-uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">12a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op een aanvulling tot het voor haar geldende dagloon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvulling op REA-uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">12b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op een uitkering op grond van de Wet op (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk wanneer hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er ook in dit geval recht op aanvulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitkering bij overlijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grensarbeiders</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">13a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als betrokkene buiten Nederland woont in verband met artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland woont.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De uitkering op grond van dit artikel: eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, of n WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geeindigd; is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op een WW-uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland zou hebben gewoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar het recht van zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland had gewoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid naar het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Aansluitende uitkering Diensttijd</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze paragraaf wordt verstaan onder “diensttijd”: de aan het ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden, alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten beschouwing: diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid; diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling; tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het pensioenreglement; tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die: recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van her derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die door het college op basis van artikel 10a:9, derde lid, een gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel 8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste volzin biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de verlengde uitkering is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtste lid, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duur van de uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene: die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd; die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met: de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en twee jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">16a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene: die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd; die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5% en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering genoemd in artikel 10a:5a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55 jaar of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">16b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">17</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">3 is van toepassing op de aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: indexering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">18</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">4 is van toepassing op de aansluitende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van de uitkering: bedrag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de Ziektewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig artikel 10a:16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nawerking Ziektewet en Waz</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">20a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien er op grond van de Ziektewet danwel op grond van de Waz na aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt deze uitkering in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Herleving van het recht op uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen en sancties</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anti-cumulatie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Scholing</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitkering bij overlijden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grensarbeiders</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">25a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben gewoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, twede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van € 2.270,-- worden toegekend als tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde: de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf tenminste 50% met een minimum van vijf uur te verminderen; te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de oorspronkelijk vastgestelde beëindigingdatum van de uitkeringsperiode; arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de overlegging van het arbeidscontract; zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet bedragen; schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is verhuisd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reïntegratietoeslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag indien: hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet aanvaardt en het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn overeengekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel 10a:32, van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet zou hebben verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De reïntegratietoeslag wordt beëindigd: indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken; indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe betrekking; indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b, wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe betrekking per kalenderweek: ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren resteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis van dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid, onderdeel c, is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reïntegratiepremie</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden toegekend indien: betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens werkloosheid geniet en hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van de Werkloosheidwet door betrokkene te worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het verzoek betrekking heeft op gehele bovenwettelijke uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21 herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene omtrent de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen invloed op de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10a</span><span class=\"lf-art-t\">34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het dagloon van de betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Overgangsbepalingen -</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotbepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10a</span><span class=\"lf-art-t\">38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 10d. Van werk naar werk-aanpak en voorzieningen bij werkloosheid</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 1 Werkingssfeer en begripsbepalingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10d</span><span class=\"lf-art-t\">1 Werkingssfeer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg van een organisatieverandering boventallig is geworden of op grond van artikel 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10d</span><span class=\"lf-art-t\">2 Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder: aanvullende uitkering: uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering; grondslag: het gemiddelde van het salaris, de toegekende salaristoelage(n) en de toelage overgangsrecht (TOR) hoofdstuk 3, berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de start van de re-integratiefase of de start van het Van werk naar werk-traject, vermeerderd met het IKB, bedoeld in artikel 3:28 lid 2, onderdeel a en b. Deze wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de gemeentelijke sector; gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard; boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de reorganisatie; na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering; werkloosheid: werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente; werkloosheidsuitkering: uitkering op grond van de Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2 Samenloop met lokale afspraken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10d</span><span class=\"lf-art-t\">3 Samenloop met lokale afspraken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de bepalingen in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en vakorganisaties in de Commissie voor Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden overgegaan van deze lokale afspraken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10d</span><span class=\"lf-art-t\">4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het college een passende regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het college gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van de paragraaf over aanvullende uitkering bij ontslag uit dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4 Procedure van re-integratiefase bij ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6)</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10d-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">5Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een re-integratieplan afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk te voorkomen; re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de re-integratie- inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie van de ambtenaar te bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">6 Re-integratiefase voor ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6 heeft recht op een re-integratiefase.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 8:6.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het besluit tot ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de re-integratiefase.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De duurvan de re-integratiefase bedraagt bij een dienstverband van: a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 tot 10 jaar 4 maanden b.</p>\n<p class=\"lf-p\">10 tot 15 jaar 8 maanden c.</p>\n<p class=\"lf-p\">15 jaar of meer 12 maanden Einde re-integratiefase</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10d</span><span class=\"lf-art-t\">7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10d</span><span class=\"lf-art-t\">8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit het re-integratieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke re-integratiefase.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college de nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het re-integratieplan van kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">9 Verlenging re-integratiefase door middel van levensloop</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase met maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de re-integratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn reïntegratieverplichtingen en indien: onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het re-integratieplan, tijdens de verlenging van de re-integratiefase worden voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de re-integratiefase van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">10 Re-integratieplan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de re-integratiefase een re-integratieplan op.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In het re-integratieplan worden afspraken opgenomen over de re-integratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd worden. In het re-integratieplan staan in ieder geval afspraken over: verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het re-integratieplan; scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten; opstellen arbeidsmarktprofiel; sollicitatieactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende activiteiten uit het re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,-</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 5 Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">11Toepassingsbereik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop deze boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste twee jaar heeft bij de betreffende gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">12Duur van een Van werk naar werk-traject</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk naar werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het college besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en artikel 10d:22.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">13Inspanningsverplichting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in een passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de ambtenaar van een functie buiten de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">14Start Van werk naar werk-traject</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het besluit tot boventalligverklaring in werking is getreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoud Van werk naar werk-traject</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10d</span><span class=\"lf-art-t\">15 Van werk naar werk-onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject onderzoeken college en ambtenaar gezamenlijk de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen van de ambtenaar op de regionale arbeidsmarkt onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingeschakeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vòòr de datum waarop het Van werk naar werk-traject begint en is uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">16Van werk naar werk-contract</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Binnen drie maanden na afronding van het Werk naar werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk naar werk-contract op.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen, de voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken, nadere afspraken en daaraan verbonden termijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Afspraken kunnen worden gemaakt over: het al dan niettoekennen van professionele begeleiding en de tijdsduur daarvan; het al dan niet elders opdoen van werkervaring; de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het Van werk naar werk-traject verricht; het al dan niet volgen van een opleiding en het daarvoor beschikbare budget; eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek; de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen gericht op het vinden van een nieuwe werkkring. Deze tijd bedraagt tenminste 20% van de omvang van de aanstelling; het al dan niet gebruik maken van specifieke flankerende voorzieningen, zoals bedoeld in het artikel 17:7.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject komen tot een bedrag van € 7.500,- voor rekening van het college. Ten aanzien van kosten die dit bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10</span><span class=\"lf-art-t\">d17Uitvoering van het Van werk naar werk-contract</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar werk-contract wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte afspraken gevolgd. Iedere drie maanden wordt de voortgang in het traject geëvalueerd. Hiervan wordt een verslag opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlenging en einde Van werk naar werk-traject</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10d</span><span class=\"lf-art-t\">18 Einde Van werk naar werk-traject</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen verzoek of ontslag om een andere reden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">19Tussentijdse beëindiging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten de gemeente weigert.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse beëindiging van het Van werk naar werk-traject en ontslag, indien de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het Van werk naar werk-contract.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de in het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. In dit geval kan het college aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid en vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">20Advies loopbaanadviseur</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21 maanden sinds de start ervan niet met een positief resultaat is afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een advies uit aan het college over het vervolgtraject. Hierbij worden in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in artikel 10d:17 in acht genomen. De ambtenaar ontvangt een afschrift van het advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is, gelet op de vooruitzichten op korte termijn en de mate waarin voortzetting de kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn vergroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur wel of niet wordt overgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">21Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist het college over het vervolg van het Van werk naar werk-traject, en stelt de ambtenaar in kennis van deze beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24 maanden niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de Van werk naar werk-termijn van twee jaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">22Verlenging Van werk naar werk-traject</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een redelijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer dan één keer worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van werk naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd, verleent het college de ambtenaar ontslag op grond van artikel 8:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de eerste dag na afloop van de periode waarmee het Van werk naar werk-traject is verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">23Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar werk-contract</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien één van beide partijen van mening is dat de andere partij zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in het Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop gericht gezamenlijk afspraken te maken over verbetering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld in het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de in het Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van het contract. Deze partij maakt dit schriftelijk aan de andere partij kenbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar werk-traject wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een redelijke termijn, waarbij de periode die door de niet-nakoming verloren is gegaan als richtlijn kan dienen. Gedurende de periode van verlenging herstelt het college zoveel als mogelijk de gebreken die bij de uitvoering van het Van werk naar werk-contract zijn ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19, tweede lid, en ontslag verlenen op grond van artikel 8:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk naar werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in dit artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit geschil voorleggen aan de paritaire commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paritaire commissie voor toezicht op Van werk naar werk-trajecten</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">24Paritaire commissie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het college stelt een paritair samengestelde commissie in, die desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de bepalingen in deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld in artikel 10d:23, lid 5, voorleggen aan deze commissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De commissie brengt een zwaarwegend advies uit over het geschil, bedoeld in lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college stelt een reglement vast waarin de samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie worden vastgelegd (zie bijlage).</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf6Aanvullende uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">25Aanvullende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die: op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:7, tweede en derde lid, niet aan de orde is; of op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van werk naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de situatie zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan de orde is; en recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">26Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van de grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, over het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering: voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,- 10%; voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf € 4.375,- tot een bedrag van € 5.250,- 20%; voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf € 5.250,- 30%.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering: voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) van € 4.375,- tot een bedrag van € 5.250,- 10%; voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf € 5.250,- tot een bedrag van € 6.560,- 20%; voor ambtenaren met een salaris en de toegekende salaristoelage(n) vanaf € 6.560,- 30%.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">27Duur aanvullende uitkering bij ontslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de aarste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">28Sancties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het college besluiten om het recht op na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">29Einde aanvullende uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf7Na-wettelijke uitkering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">30Na-wettelijke uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering indien: de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering voortduurt; hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">31Hoogte na-wettelijke uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de grondslag zoals gedefinieerd in artikel 10d:2 onderdeel b, niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel10d</span><span class=\"lf-art-t\">32Duur na-wettelijke uitkering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke sector maal een conrectiefactor. De correctiefactor is 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</p></div>", "next": 239864}