{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">2.2.4 verslag (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs)Dit artikel borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de inwoner een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor hulp op maat. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de inwoner. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de inwoner van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van hulp op maat noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de inwoner overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat de gemeente en de inwoner dit plan ondertekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de inwoner nog nadere informatie moet aanleveren of dat de inwoner onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is snelle levering van het verslag niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in lid 5 van 2.2.4. de mogelijkheid opgenomen om een door de inwoner ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Stap 3: aanvraag2.3.1 aanvraag (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb)In de Awb, de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ worden regels gegeven omtrent de aanvraag. De verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier de gemeente), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Wmo en Jeugdwet geldt dat een aanvraag ook een ondertekend plan van aanpak kan zijn overeenkomstig met artikel 2.2.4. lid 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.2 aanvraag voor hulp-op-maat (Jeugdwet – Wmo – PW – Wgs)Voor de Wmo en de Jeugdwet kan naast de inwoner ook een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de inwoner die een melding kan doen. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel worden een aantal begrippen genoemd: gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp­op­maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Verordening wordt consequent gesproken over andere voorzieningen als het geen hulp-op-maat betreft. De Wmo 2015 noemt dit een algemene voorziening. Volgens de Wmo 2015 is een algemene voorziening: een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Een algemene voorziening is laagdrempelig en zonder toegangsbesluit beschikbaar voor alle inwoners van Bunschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene voorzieningen kan gedacht worden aan: boodschappendiensten van bijvoorbeeld supermarkten, pools voor rolstoelen en scootmobielen, en klussendiensten voor bijvoorbeeld kleine woningaanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze en andere algemene voorzieningen komen, met of zónder gemeentelijke inmenging, voor steeds meer personen beschikbaar. Een algemene voorziening is per definitie geen individuele voorziening en de wettelijke regels rond eigen bijdragen gelden niet. De gemeente kan wel een eigen bijdrage rekenen voor een algemene voorziening die bij verordening is ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is regelmatig verwarring tussen de begrippen algemene voorziening en een algemeen gebruikelijke voorziening. En hoe een algemene voorziening zich verhoudt tot algemeen gebruikelijke voorzieningen, collectieve voorzieningen en hulp-op-maat. Hieronder worden ter verduidelijking de verschillen uitgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorzieningen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke voorzieningen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo en komen daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Ook niet als sprake is van een laag inkomen, in dat geval is de Participatiewet voorliggend. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voor iedereen bereikbaar en behoren dus tot hetgeen inwoners zelf kunnen regelen (eigen kracht). Een voorziening is dus algemeen gebruikelijk als deze: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking; algemeen verkrijgbaar is; en niet (aanzienlijk) duurder is dan vergelijkbare producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Collectieve voorzieningen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Collectieve voorzieningen zijn algemene voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Een collectieve voorziening wordt ingezet op basis van de vraag. Een voorbeeld is de regiotaxi. Onder de Wmo 2015 vallen collectieve voorzieningen onder het begrip algemene voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.3 advisering (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb)De gemeente kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de inwoner en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo, artikel 17, tweede lid van de Participatiewet, artikel 7 van de Wgs en artikelen 13, tweede lid van de IOAZ en IOAW is een medewerkingsplicht opgenomen. De inwoner is verplicht aan de gemeente desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.4 beoordelen aanvraag (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.5 Beslistermijn (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb)De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4A, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Stap 4: beslissing2.4.1 inhoud besluit (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb)INHOUD BESLUIT AANVRAAG VANUIT WMOUitgangspunt van de Wmo is dat de inwoner een hulp in natura krijgt. Indien gewenst door de inwoner bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid onder a, en derde lid, onder a wordt vastgelegd waarvoor het is bedoeld, door bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ te noemen en niet ‘een scootmobiel’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder b, en derde lid, onder c: onder ‘wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder welke verplichtingen er voor hulp gelden, wordt binnen de Wmo in ieder geval verstaan dat een inwoner wordt geïnformeerd als sprake is van een te betalen bijdrage. Dit is uitsluitend ter informatie aan de inwoner. De gemeente neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening (hulp op maat) dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd wordt door het CAK.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2 verval van recht (Jeugdwet – Wmo)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5 uitzonderingen 2.5.1 jeugdhulp via arts e.a. (Jeugdwet – Wmo)Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialistDe Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichtingEen andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegang via Veilig Thuis (voorheen advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling)Tenslotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang is al in de Jeugdwet geregeld en komt niet terug in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.2 spoedeisende gevallen (Jeugdwet – Wmo – PW – Wgs)In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. De gemeente is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3. werk en participatieDe gemeente heeft in de Participatiewet de opdracht gekregen om bij verordening regels te stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 doelgroep (PW – IOAW – IOAZ)In artikel 10 van de Participatiewet is bepaald dat personen uit de doelgroep aanspraak kunnen maken op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door de gemeente noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de verordening. De personen uit de doelgroep staan beschreven in artikel 7, lid 1 van de Participatiewet: personen die algemene bijstand ontvangen; personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend; personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de Participatiewet; personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet; personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); en niet-uitkeringsgerechtigden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor inwoners met een uitkering is het verplicht om ondersteuning van de gemeente te accepteren. De ondersteuning wordt vastgelegd in een plan van aanpak.</p>\n<p class=\"lf-p\">ZorgtakenBij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar wordt rekening gehouden met de zorgtaken die ze hebben. Alleenstaande ouders kunnen op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde re-integratie-activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelzorg is geen reden voor ontheffing van de arbeids- en re-integratieverplichtingen. Wel houdt de gemeente rekening met de omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten voor kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte, adequate oplossingen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 samenwerking (PW – IOAW – IOAZ)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 budget (PW – IOAW – IOAZ)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 voorzieningen – werk (PW – IOAW – IOAZ)De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen de gemeente moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement, het leren van vaardigheden, het vergaren van kennis, of het opdoen van werkervaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning kan ook eenvoudigweg bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">VOORZIENINGEN VOOR ALLE DOELGROEPEN3.4.1 solliciteren (PW – IOAW – IOAZ)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.2 scholing (PW – IOAW – IOAZ)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.3 nazorg (PW – IOAW – IOAZ)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.4 tegemoetkoming kinderopvang (Jeugdwet – PW – IOAW – IOAZ – Awb)In principe is de tegemoetkoming kinderopvang via Belastingdienst Toeslagen geregeld. Via de Belastingdienst kunnen inwoners de kinderopvangtoeslag aanvragen. In sommige situaties vergoed de belastingdienst echter niet, of slechts een deel. In deze situaties is het mogelijk om als gemeente een tegemoetkoming te verstrekken, mits dit ten goede komt aan vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt van de inwoner of essentieel is voor de ontwikkelingskansen van het kind als ouders kampen met sociaal-medische problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.5 andere voorzieningen en vergoedingen (PW – IOAW – IOAZ)De gemeente kan nog allerlei andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk voor mensen met een arbeidshandicap te vergroten. Zo kan een tolk gebarentaal nodig zijn voor werkgevers die een persoon met een auditieve beperking in dienst nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de gemeente vergoedingen geven om te zorgen dat iemand aan een baan komt of zijn baan behoudt. Daarbij moet de inwoner of werkgever aantonen dat er sprake is van noodzakelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">VOORZIENING VOOR INWONERS MET EEN GROTE KANS OP BETAALD WERK3.4.6 proefplaatsing (PW – IOAW – IOAZ)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">VOORZIENINGEN VOOR INWONERS MET EEN KLEINE KANS OP BETAALD WERK3.4.7 sociale activering (PW – IOAW – IOAZ)Volgens de Participatiewet in artikel 6, lid 1 onder c wordt onder sociale activering verstaan: “het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie”. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan vrijwilligerswerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociale activering moet uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.8 participatieplaats (PW)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.9 persoonlijke ondersteuning (PW – IOAW – IOAZ)Werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie of werkgeverssubsidie komen volgens artikel 10da van de Participatiewet in aanmerking voor persoonlijke ondersteuning. De ondersteuning moet noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. (Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz. 115). De persoonlijke ondersteuning kan worden aangeboden in de vorm van een jobcoach. In overleg met de werkgever wordt gezocht naar de juiste inhoud en vorm voor een werknemer. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de regelgeving van het UWV.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.10 werkgeverssubsidie (PW – IOAW – IOAZ – Awb)De gemeente kan een werkgever die een persoon uit de doelgroep in dienst neemt, een incidentele of in tijd gelimiteerde financiële tegemoetkoming verstrekken, anders dan de loonkostensubsidie op grond van artikel 10d van de Participatiewet. De werkgeverssubsidie wordt niet verstrekt als een beroep gedaan wordt of kan worden op financiële tegemoetkomingen op grond van andere regelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.11 loonkostensubsidie (PW – Awb)De gemeente kan aan de werkgever loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet, verstrekken om in geval van een lagere arbeidsproductiviteit van de werknemer (tijdelijk) het verschil te compenseren. Loonkostensubsidie kan worden ingezet in geval van matching met een baan uit de banenafspraak, beschut werk en bij plaatsing op een reguliere baan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Loonkostensubsidie is gebaseerd op de loonwaarde die de werknemer heeft. Deze loonwaarde is samen met de overeengekomen arbeidsduur rechtstreeks bepalend voor de hoogte van de loonkostensubsidie voor de werkgever. Als de loonwaarde bijvoorbeeld wordt vastgesteld op 70 procent, dat wil zeggen dat deze persoon een productiviteit heeft van 70 procent in vergelijking met andere (nieuwe) werknemers in dezelfde functie, dan heeft de werkgever recht op een loonkostensubsidie van 30 procent van het wettelijk minimumloon (de subsidie vult de vastgestelde loonwaarde aan tot 100 procent WML).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente bepaalt de manier waarop de loonwaarde wordt vastgesteld wanneer een werkgever het voornemen heeft een persoon die tot de doelgroep behoort een baan aan te bieden. Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt de gemeente opgaven en inlichtingen van de inwoner, zijn (voormalige) begeleiders en de werkgever over de praktijkervaringen van de inwoner, bijvoorbeeld tijdens een stage van school, een leerwerkstage of proefplaatsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen de arbeidsmarktregio moeten gemeenten met eenzelfde methodiek voor de loonwaardebepaling werken. De arbeidsmarktregio Amersfoort heeft gekozen voor de methodiek van Dariuz. In de bijlage van de verordening staat deze methode beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4.12 beschut werk (PW)Beschut werk is een voorziening, bedoeld voor personen met een beperkt arbeidsvermogen, die alleen in een beschutte werkomgeving, met structurele begeleiding en/of een grote mate van werkplekaanpassing, werkzaamheden kunnen verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het UWV adviseert de gemeente of een inwoner tot de doelgroep beschut werk hoort. Het advies van het UWV is bindend. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan de gemeente besluiten het advies niet op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemeente, op basis van het UWV-advies, heeft vastgesteld dat iemand behoort tot de doelgroep beschut werk, moet de gemeente zorgen dat hij of zij ook daadwerkelijk een dienstbetrekking krijgt, waar in een beschutte werkomgeving en onder aangepaste omstandigheden wordt gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt jaarlijks vast hoeveel mensen met een indicatie beschut werk de gemeente moet plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat echter iedereen aan zijn of haar re-integratie moet werken, biedt de gemeente ook aan de andere inwoners met een indicatie beschut werk een passende (tijdelijke) oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 tegenprestatie (PW – IOAW – IOAZ)In artikel 9, lid 1 onder c van de Participatiewet is aangegeven wat de verplichting tot tegenprestatie inhoudt: “verplichting om naar vermogen door de gemeente opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat wel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatschappelijk nuttige werkzaamheden Beperkt in omvang en tijdsduur Additioneel en niet verdringen Naar vermogen Wat niet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegenprestatie mag geen bestaande participatieplek of werkstage betreffen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Mag primair geen arbeidsinschakeling beogen, want dan betreft het een regulier re-integratietraject, maar secundair wel. Dit betekent: ervaring opdoen met op tijd komen, gedrag op werkvloer; enz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen ‘dwangarbeid’, dus geen sneeuwschuiven, want dat valt onder de normale burgerplicht op grond van artikel 4, lid 3, Europees Verdrag Rechten van de Mens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wie:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om de “niet-kunners” en dus niet over de “niet-willers”. Afhankelijk van het vermogen tot arbeidsinschakeling heeft deze laatste groep een re-integratietraject dat leid naar werk of anderszins, en bij het niet nakomen van de verplichtingen is op deze groep het handhavings- en maatregelenbeleid (hoofdstuk 8 van deze verordening) van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op bovenstaande: omdat de tegenprestatie geen re-integratietraject mag zijn, en geen verdringing op de arbeidsmarkt mag veroorzaken, is de groep in een re-integratietraject uitgesloten van de tegenprestatie. Deze groep moet begeleid worden naar werk en wordt verondersteld hier fulltime mee bezig te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening wordt dus iedereen geduid met een bijstandsuitkering: afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden, heeft dus iedereen een traject: hetzij naar werk, hetzij naar maatschappelijk onbeloonde activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 meedoen in de samenleving 3.6.1 dagbesteding (Wmo)De doelstelling van dagbesteding is gelijk aan begeleiding. Dagbesteding is voorliggend op begeleiding. Persoonlijke begeleiding is pas aan de orde wanneer vanwege persoonskenmerken deelname aan groepsbegeleiding (nog) niet voldoet. Ook een combinatie van beiden vormen van begeleiding is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.2 persoonlijke begeleiding (Wmo)Dit artikel spreekt voor zich 3.6.3 rolstoel (Wmo)Een transportrolstoel geldt als meeneembare vervoersvoorziening waarvoor in principe geen resultaatsverplichting in het kader van de Wmo aanwezig is. Nadrukkelijk is het hier van belang naar uitleenmogelijkheden te kijken, bijvoorbeeld in het kader van de Wlz en de Zorgverzekeringswet. Een elektrische rolstoel die uitsluitend voor buitengebruik bedoeld is betreft een vervoersvoorziening die qua gebruiksdoel gelijk is aan een scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.4 contact met anderen (Wmo)Bij het bepalen van de vervoersbehoefte wordt rekening gehouden met een lagere behoefte vanwege: intramuraal verblijf in een instelling; een samenvallende vervoersbehoefte; een beperkte vervoersbehoefte; andere aanwezige vervoersvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Collectief taxivervoer (regiotaxi)Personen die geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer kunnen ook onder de Wmo 2015 tegen gereduceerd tarief gebruik maken van de Regiotaxi (ofwel het collectief vraagafhankelijk vervoer). Deze voorziening wordt verstrekt door middel van het beschikbaar stellen van een Wmo-vervoerspas. Met deze pas reist men tegen een gereduceerd tarief tot maximaal 600 zones exclusief opstapzones per jaar. Het is niet mogelijk bij een beroep op deze voorziening keuzevrijheid te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een combinatie van vervoersvoorzieningen valt te denken aan een scootmobiel voor het verplaatsen rondom de woning en middellange afstanden naast een pasje voor collectief vervoer (vervoersdoel middellange en lange afstanden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebruik van openbaar en collectief vervoer heeft het primaat wanneer deze de inwoner in voldoende mate in staat stelt tot participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7 meedoen aan sportactiviteiten (Wmo)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8 vervanging vervoermiddel of rolstoel (Wmo)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4. gezond en veilig opgroeien4.1 uitgangspunten bij het bieden van hulp (Jeugdwet)Dit artikel spreekt voor zich.</h3>\n<p class=\"lf-p\">4.2 preventieve maatregelen (Jeugdwet)De gemeente is bevoegd door te verwijzen naar vrij toegankelijke hulp die is belegd in de sociale basisinfrastructuur en om beroep te doen op het netwerk van de hulpvrager.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 hulp-op-maat (Jeugdwet)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 overgang van 18- naar 18+ (Wmo – Jeugdwet)In principe valt de jeugdige met het bereiken van de leeftijd van 18 jaar niet meer onder Jeugdwet, maar onder de WMO of Zvw. Indien jeugdige na 18 jaar ook nog hulp nodig heeft, is het van belang zo goed mogelijk te ondersteunen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan worden besloten om hulp bij jeugdhulpbieder door te laten lopen, maar te financieren vanuit de WMO. De zorgaanbieder moet dan wel gecontracteerd zijn voor het betreffende Wmo product. Indien de zorgaanbieder niet gecontracteerd is kan eventueel PGB worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de verlengde Jeugdwet (18-23 jaar) valt alle jeugdhulp waar geen ander wettelijk systeem in voorziet na het 18e jaar: pleegzorg, pedagogische ondersteuning aan de jeugdige, specifieke jeugdhulp. Voor jeugdreclassering geldt geen leeftijdsgrens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ambulante begeleiding individueel jeugd en dagactiviteiten jeugd kunnen niet als verlengde jeugdhulp worden ingezet omdat er in de Wmo vergelijkbare dienstverlening voorhanden is. Ambulante behandeling GGZ stopt op het moment dat jeugdige 18 wordt. De zorg wordt dan bekostigd uit ZVW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijf in een gezinshuis en pleegzorg loopt standaard door tot 21 jaar en dit kan worden verlengd tot uiterlijk 23 jaar via de criteria van de verlengde jeugdhulp: het moet al lopend zijn en noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 afstemming met andere vormen van hulp (Jeugdwet)In het kader van het uitgangspunt 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur, wordt de hulp of begeleiding die door verschillende partijen gegeven wordt op elkaar afgestemd. En in samenspraak met het gezin vastgelegd in een verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente houdt oog op voorliggende wetten die verantwoordelijk zijn voor financiering van zorg. Indien er verschuiving plaatsvindt in de verantwoordelijke wet, ondersteunt gemeente de cliënt bij de aanvraag hiervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg kan worden gefinancierd uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet langdurige zorg: voortdurende, intensieve zorg, wanneer er sprake is van blijvende behoefte aan permanent toezicht vanwege een beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgverzekeringswet: problematiek die binnen de basisverzekering valt. Aanvullende verzekering is optioneel voor jeugdige en ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wmo 2015: woningaanpassingen, vervoer om te kunnen participeren, hulpmiddelen die bijdragen aan zelfredzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderwijswetten: ondersteuning gericht op het leerproces, behalen van onderwijsdoelen of helpen in onderwijsontwikkeling wordt bekostigd vanuit het onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Veilig thuisDit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5. wonen in een veilige en gezonde omgeving5.1 uitgangspunten (Wmo)Dit artikel spreekt voor zich.</h3>\n<p class=\"lf-p\">5.2 zelfstandig en veilig wonen5.2.1 geschikte woning (Wmo)Woontechnische aanpassingen hebben betrekking op voorzieningen die de woning geschikt maken voor specifieke beperkingen. Denk hierbij aan trapliften en het wegnemen van drempels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bouwtechnische aanpassingen zijn aanpassingen die ingrijpen op de constructie van de woning. Denk hierbij aan het verplaatsen van een steunmuur of veranderen van de dakconstructie. Deze aanpassingen zijn niet aan te merken als een Wmo voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.2 een schone en leefbare woning (Wmo)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2.3 beschermd wonen (Wmo)Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen indien de inwoner is aangewezen op ondersteuning in een beschermende woonomgeving (inclusief noodzakelijk verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Die kan betrekking hebben op onder meer het psychisch en psychosociaal functioneren of een psychiatrisch ziektebeeld en zich manifesteren op verschillende levensgebieden. Daarnaast is het zo dat de maatwerkvoorzieningen zoals ambulante begeleiding geen passende bijdrage kunnen bieden. Verder is beschermd wonen primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de inwoner er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (in de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de inwoner het PGB wenst te besteden aan een niet-gecontracteerde aanbieder. Het college stelt daarover nadere regels. Het kan zijn dat de inwoner, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook inwoners zijn die levenslang afhankelijk zijn van een beschermende woonomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om zo goed mogelijk maatwerk te kunnen bieden, wordt de indicatie voor beschermd wonen gesteld in de vorm van een zorgarrangement. Het college werkt nader uit wat onder zorgarrangementen wordt verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 mantelzorg5.3.1 ondersteuning mantelzorger (Wmo)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.2 Mantelzorgwaardering (Wmo)Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening (andere voorziening), maatwerkvoorziening (hulp op maat) of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de mantelzorgwaardering wordt aangesloten bij de dag van de mantelzorg. De uitvoering wordt gedaan door welzijnsorganisatie ‘De Boei’. Er wordt op deze dag een activiteit georganiseerd voor mantelzorgers. Daarnaast wordt als blijk van waardering voor de mantelzorger een gift gegeven bestaande uit bon(nen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor de blijk van waardering voor de mantelzorger, dient de mantelzorger geregistreerd te staan bij de welzijnsorganisatie ‘De Boei’, die de mantelzorgondersteuning verzorgt. Registratie als mantelzorger vindt plaats wanneer men ten minste gemiddeld 8 u per week en drie maanden lang mantelzorg verleent.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 6. de vorm van de hulp6.1 hulp in natura (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Gemeentewet)Dit artikel spreekt voor zich.</h3>\n<p class=\"lf-p\">6.2 hulp in geld (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Gemeentewet)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 persoonsgebonden budget (Wmo – Jeugdwet)6.3.1 voorwaardenDe gemeente kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo en artikel 8.1.1. van de Jeugdwet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van de gemeente worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de inwoner dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid onder a geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd wonen is primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling (zie ook artikel 5.2.3 van deze verordening). Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de inwoner er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht of tenminste een overwegend deel van een etmaal en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de inwoner het PGB wenst te besteden aan een niet-gecontracteerde aanbieder. De gemeente stelt daarover nadere regels. Het kan zijn dat de inwoner, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook inwoners zijn die levenslang afhankelijk zijn van ondersteuning met noodzakelijk verblijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.2 Pgb door hulp bij personen uit het sociale netwerkDit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.3 hoogte en tarief pgb (Wmo – Jeugdwet)In dit artikel staat vermeld op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de hulp op maat. De situatie waarin het door de inwoner beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van de gemeente betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Inwoners kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod. De gemeente kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door de gemeente voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen hulp op maat al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door de gemeente ingekochte hulp in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb zal de inwoner die is aangewezen op hulp-op-maat een uitvoeringsplan pgb moeten opstellen. Hoewel de gemeente bij het beoordelen van de voorwaarden ook op grond van art. 2.3.6 van de wet kan vragen om een budgetplan, ontleent de gemeenteraad deze bevoegdheid naar analogie van de opdracht in art. 2.1.3, tweede lid onder c van de wet. Hiermee wordt gewaarborgd dat de hulp-op-maat die met het pgb wordt ingekocht van voldoende kwaliteit is. Ook is opgenomen dat de budgethouder verplicht is om gebruik te maken van de modelzorgovereenkomst van de Sociale verzekeringsbank (SVB). De modelzorgovereenkomsten van de SVB zijn ter bescherming van de budgethouders opgesteld. Door op te nemen dat de budgethouder hier gebruik van dient te maken wordt geborgd dat alle noodzakelijke gegevens in de overeenkomst worden opgenomen en dat de belangen van de budgethouder hiermee worden gediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Speciaal voor de Wmo geldt ook:</p>\n<p class=\"lf-p\">De CRvB heeft op 17 mei 2017 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1803) een uitspraak gedaan over verboden delegatie bij de Wmo. De raad stelt dat de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de hoogte van het pgb en het vaststellen van het pgb niet kan worden gedelegeerd aan de gemeente. De essentialia van het voorzieningenpakket dienen in de verordening te worden vastgelegd. Volgens de CRvB behoort de berekeningswijze van de hoogte van de pgb tarieven tot de essentialia.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van deze uitspraak is lid 5 van artikel 6.3.2. toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de onderdelen a en b van lid 5 maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een persoon in dienst van een zorgaanbieder wordt een hoger tarief gehanteerd dan voor een zzp’er of een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Onder iemand uit het sociale netwerk worden in ieder geval bloed- of aanverwanten in eerste en tweede graad verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor lichte of basale vormen ondersteuning wordt een lager tarief gehanteerd dan voor specialistische vormen van ondersteuning. Ook de opleiding van de persoon die de hulp levert kan een onderscheidend criterium zijn. Daarbij is getracht een duidelijke relatie te leggen met het tarief voor vergelijkbare ondersteuning als deze door een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder zou zijn geleverd. Het tarief wordt daarbij telkens bepaald op basis van het in de regio overeengekomen tarief voor hulp in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van de gemeente is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt de gemeente mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">De hulp op maat die de aanvrager zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt” kan in bepaalde gevallen ook een tweedehands voorziening betreffen. Als dat zo is, dan worden de kostprijs en afschrijvingstermijn daarop gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd Wonen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tarief voor het PGB Beschermd Wonen is gebaseerd op de tarieven zoals bepaald bij de inkoop van Zorg in Natura (ZIN) 2018. Het tarief is tot stand gekomen door middel van overleg met representatieve zorgaanbieders en vinden hun basis in de cao GGZ. De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd en het college stelt jaarlijks de tarieven vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indicatie voor beschermd wonen bestaat, naast de beschermende woonomgeving (het noodzakelijke verblijf) uit niveaus van bijbehorende noodzakelijke ondersteuning. Bij het stellen van de indicatie wordt bepaald waar de cliënt op is aangewezen. In het geval van overgangsrecht kan het oude tarief (75%) aan de orde zijn. Het kan dat de cliënt in aanmerking komt voor een PGB, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Wordt het PGB besteed aan een accommodatie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen (zie art. 28 van de nadere regel Wmo), dan kan het zijn dat de hoogte van het PGB als bedoeld in het eerste lid niet toereikend is. Voor die gevallen kan het college een aanvullende toeslag verstrekken in de vorm van een wooninitiatieventoeslag. Deze cliënten zijn doorgaans zelf kosten verschuldigd die te maken hebben met de beschermende woonomgeving, zoals woonkosten. Deze wooninitiatieventoeslag is bestemd voor kosten die gemaakt moeten worden voor het organiseren van de ondersteuning van PGB-houders, de gemeenschappelijke ruimte en infrastructuur in het kader van doelmatige ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Contact met anderen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vergoeding voor een vervoersvoorziening op basis van een pgb bepaalt het college de maximum budgetten per vervoersmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanpassingen van een auto (op basis van een pgb) geldt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor noodzakelijke aanpassingen aan een eigen auto, die niet ouder is dan 3 jaar en de afschrijvingstermijn van de voorziening is ten minste vijf jaar, wordt een budget beschikbaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het overzetten van noodzakelijke voorzieningen in de eigen auto naar een andere auto wordt ongeacht de leeftijd van de auto waarin de voorziening wordt geplaatst een budget beschikbaar gesteld, tenzij de voorziening niet langer als adequaat kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het budget wordt verhoogd met de noodzakelijke kosten voor rij- en gewenningslessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.4 verantwoording pgb (Wmo – Jeugdwet)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.5 opschorten pgb (Wmo)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 wat is de eigen bijdrage?Als hoofdregel geldt binnen de Wmo dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In tegenstelling tot de Wmo 2007 biedt de Wmo 2015 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing (in natura of als pgb) wordt verleend voor een minderjarige. Voor de hoogte van de bijdrage wordt vanzelfsprekend aansluiting gezocht bij het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Welke voorzieningen bij verordening worden aangewezen moet worden opgenomen in de verordening (derde lid). De gemeente kan in de verordening voorts aangeven voor welke maatwerkvoorzieningen en voor welke algemene voorzieningen geen eigen bijdrage wordt gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.1.4, derde lid, van de wet wijst de gemeente bij verordening algemene voorzieningen aan die onder de maximale eigen bijdrage vallen. Waaronder in ieder geval die algemene voorzieningen moeten worden aangewezen waarbij een duurzame hulpverleningsrelatie wordt aangegaan tussen degenen aan wie een voorziening wordt verstrekt en de hulpverlener.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met hulpverleningsrelatie wordt hier bedoeld dat de kenmerken “band, “doel” en taakopdracht” aanwezig zijn waarbij er een betrokkenheidaspect is tussen de cliënt en de hulpverlener waarbij continuïteit van die band van waarde is. Dit aspect en belang wordt voor de maatwerkvoorzieningen bijvoorbeeld gereflecteerd door artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo 2015 (niet telkens een ander gezicht). De arbeidsverhouding op basis waarvan de maatschappelijkeondersteuning wordt verstrekt brengt in de regel werkgevers- en opdrachtgeververplichtingen met zich mee. Onder “duurzaam” wordt over het algemeen verstaan langer dan 6 maanden en algemene voorzieningen waarop de cliënt, vanwege de aard van de beperkingen, langdurige een beroep zou moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.1.4a, derde lid, van de wet kan de gemeente in de verordening bepalen dat het (collectief) vervoer zowel in de vorm van een maatwerkvoorziening als in de vorm van een algemene voorziening niet onder de maximale eigen bijdrage wordt gebracht. De gemeente mag voor deze voorziening zelf een eigen bijdrage bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente dient in de verordening aan te geven hoe de hoogte van de kostprijs van de maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening tot stand komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en deze mogen kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening, uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is dus van belang – om een passende bijdrage te kunnen leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van een cliënt – dat een algemene voorziening financieel toegankelijk is voor de cliënt. In individuele gevallen is het mogelijk dat dit niet het geval is ondanks de geldende kortingsregeling (bijvoorbeeld vanwege schulden of andere hoge kosten). In dat geval is verwijzing naar de bijzondere bijstand niet mogelijk en komt de cliënt – als de ondersteuning noodzakelijk is – in aanmerking voor een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermd wonen (in natura, intramuraal) en maatschappelijke opvang vallen buiten het abonnementstarief. Hiervoor blijven de huidige inkomensafhankelijke eigen bijdragesystematieken bestaan. Het pgb voor beschermd wonen (met wooncomponent) komt onder dezelfde systematiek te vallen als Beschermd wonen in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage in kosten voor hulp op maat (maatwerkvoorziening) mag niet meer bedragen dan de kostprijs. Wanneer sprake is van een product vallen de maandelijkse kosten en onderhoudskosten ook onder de kostprijs. De inwoner betaalt dus niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de hulp op maat (maatwerkvoorziening). De kostprijs van het pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de algemene voorziening huiselijke hulp voor mantelzorgers, bedoeld om mantelzorgers te ondersteunen, draagt de gemeente maximaal 1,5 uur per week bij. Voor de overige uren is de bijdrage van de inwoner gelijk aan de kostprijs van de aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 7. inkomen en schulden7.1. lokaal inkomensbeleid (PW – Wgs – Wmo – Gemeentewet)Voor de komst van de Participatiewet was lokaal inkomensbeleid mogelijk waarbij bepaalde doelgroepen een geldbedrag ontvingen. Met de komst van de Participatiewet is dit niet meer mogelijk, met uitzondering van: een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering; een individuele inkomenstoeslag of studietoeslag aan groepen, mits vastgelegd in een verordening; maatschappelijke, culturele en sportieve activiteiten aan groepen conform artikel 57 van de Participatiewet, mits er een individuele toetsing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met individuele toetsing wordt bedoeld dat de gemeente moet kijken naar: omstandigheden; mogelijkheden; en middelen van de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.1. wat wil de gemeente?De gemeente legt in beleidsplannen vast hoe het beleid met betrekking tot lokaal inkomensbeleid voor een bepaalde periode er uit gaat zien. Dit zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleidsplan Sociaal Domein Beleidsplan Armoede en Schulden 2020-2023 In deze beleidsplannen wordt beschreven wat voor de verschillende doelgroepen geregeld wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2. bijzondere bijstand (PW)In de Participatiewet is zeer gedetailleerd vastgelegd wat de bijzondere bijstand inhoudt. De keuzes die in de Participatiewet gevraagd worden aan de gemeente, zijn vastgelegd in de Nadere regels Bijzondere Bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3. zorgkosten (PW)Al jaren heeft de gemeente een contract met Achmea Zilveren Kruis voor een collectieve gemeentelijke collectieve zorgverzekering. Door landelijke ontwikkelingen, bekijkt de gemeente nu jaarlijks wat de beste optie lijkt voor de meeste inwoners met een minimaal inkomen. Daarbij adviseert de gemeente de inwoner om vooral jaarlijks aan het eind van het jaar (november/december) de zorgverzekeringen te vergelijken op persoonlijke omstandigheden en mogelijke zorgkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4. studietoeslag (PW)De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de Participatiewet: de individuele studietoeslag. Het is een vorm van bijzondere bijstand (artikel 5 onderdeel d Participatiewet) en bedoeld voor arbeidsgehandicapte studenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedachte achter de individuele studietoeslag is dat een diploma vooral voor mensen met een arbeidshandicap van belang is. De wetgever verwacht dat de drempel om een contract aan te bieden lager is als een werkgever ziet dat iemand met succes een studie heeft afgerond. Met het verstrekken van een individuele studietoeslag krijgen mensen met een arbeidshandicap een extra steun in de rug. Een studieregeling stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan. Doel van de studietoeslag is om studenten met een beperking een bron van inkomsten te geven ter vervanging van inkomsten uit een bijbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het recht op studietoeslag vast te stellen, wordt gekeken naar de Participatiewet en de regels in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 36b van de Participatiewet is bepaald dat de inwoner: minimaal 18 jaar moet zijn; recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS-tegemoetkoming; geen vermogen mag hebben (als beschreven in artikel 34 van de Participatiewet); de inwoner kan aantonen dat hij of zij het wettelijk minimumloon niet kan verdienen, maar wel kan werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast staat in de Participatiewet dat de artikelen 12, 43, 49 en 52 niet van toepassing zijn. Dit betekent dat: de onderhoudsplicht voor ouders voor hun kinderen tot 21 jaar niet geldt; de toeslag direct na aanvraag toegekend kan worden; de toeslag niet als lening kan worden verstrekt als de inwoner met de toeslag schulden wil aflossen; de toeslag niet als voorschot kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.1. doelgroep (PW)In dit artikel worden de voorwaarden uit de Participatiewet artikel 36b gedeeltelijk herhaald en aangevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 1, onder a staat een aanvulling op de eis “recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS-tegemoetkoming”. De voorwaarden dat een inwoner recht moet hebben op studiefinanciering of een WTOS-tegemoetkoming, moet niet zo worden geïnterpreteerd dat de inwoner ook daadwerkelijk studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het is voldoende dat hij/zij recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor lid 1, onder c, vraagt de gemeente aan de inwoner bewijs dat de inwoner wegens medische beperkingen / belemmeringen niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft in lid 1, onder d een extra voorwaarde opgenomen, conform regionale afspraken. De inwoner moet zelfstandig of zelfstandig onder begeleiding wonen. De gemeente gaat er daarbij vanuit dat studenten die thuiswonend zijn het zowel in praktische als financiële zin makkelijker hebben dan zelfstandig wonenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 1, onder e wordt aangegeven dat een inwoner geen recht heeft op de toeslag als hij/zij naast de studiefinanciering andere inkomsten heeft van meer dan € 100,– per maand. Bij lagere inkomsten worden de inkomsten aangevuld tot het bedrag van de studietoeslag. Onder andere inkomsten valt ook de situatie dat betrokkene op grond van een andere studieregeling aanspraak kan maken op een financiële tegemoetkoming. Ook het UWV heeft een studieregeling. Dit is een voorliggende voorziening op de studietoeslag zoals bedoeld in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.2. vaststellen beperking (PW)Artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.3. hoogte en duur van de toeslag (PW)In dit artikel is de hoogte van de toeslag opgenomen. De toeslag bedraagt € 100 per maand. Dit bedrag is gebaseerd op de aanname dat het verwerven van circa € 25 aan extra inkomsten per week voor studerenden zonder beperkingen naast hun studie reëel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De studietoeslag wordt als periodieke bijzondere bijstand maandelijks verstrekt. Daarmee wordt de studietoeslag door de Belastingdienst gezien als inkomen en is deze belast. Dit is te voorkomen door de toeslag één maal per jaar uit te betalen. Dit strookt echter niet met het doel van de studietoeslag. Daarom wordt de toeslag netto aan inwoner uitgekeerd en betaalt de gemeente de belasting over de toeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5. inkomenstoeslagDe hoogte van de bijstand wordt jaarlijks zo vastgesteld dat het genoeg is voor noodzakelijke kosten van bestaan én iets te reserveren voor onvoorziene omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch kan de financiële positie van mensen, die langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen, onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze situatie is de individuele inkomenstoeslag in artikel 36 van de Participatiewet opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het recht op inkomenstoeslag vast te stellen, wordt gekeken naar de Participatiewet en de regels in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 36 van de Participatiewet is bepaald dat de inwoner: minimaal 21 jaar moet zijn en niet ouder mag zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd; geen uitzicht heeft op inkomensverbetering; in de laatste 12 maanden geen inkomenstoeslag heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast staat in de Participatiewet dat de artikelen 12, 43, 49 en 52 niet van toepassing zijn. Dit betekent dat: de onderhoudsplicht voor ouders voor hun kinderen tot 21 jaar niet geldt; de toeslag direct na aanvraag toegekend kan worden; de toeslag niet als lening kan worden verstrekt als de inwoner met de toeslag schulden wil aflossen; de toeslag niet als voorschot kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.1. doelgroep (PW)In het eerste lid onder a worden de omschrijvingen van de begrippen langdurig en laag inkomen uitgewerkt. Het lage inkomen is 100% van het voor de betrokkene toepasselijke bijstandsnorm naar gezinssituatie, plus in die referteperiode maximaal het bedrag dat wettelijk vrijgelaten kan worden als inkomstenvrijlating in de wet, als bedoeld in artikel 31, lid 2 onder n (Per 1 januari 2017 bedraagt dit 6 maal € 200 is € 1.200 in totaal). Dit bedrag wijzigt bij iedere normwijziging van de bijstand. Bij een hoger inkomen in de referteperiode is er geen recht op een individuele inkomenstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid onder b is ook bepaald dat er geen zicht mag zijn op een inkomensverbetering. Studenten worden hier expliciet uitgesloten van de inkomenstoeslag. De overweging hierachter is dat bij studenten, die zich met hun studie voorbereiden op de beroepspraktijk op hoger niveau, geen sprake is van een gebrek aan zicht op inkomensverbetering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet de gemeente rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon; en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is voor een systematiek waarin sprake is van “geen zicht op inkomensverbetering’, indien voldaan wordt aan de inkomenseis. Er wordt dus teruggekeken. Verder is bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag de inwoner een zelfstandige huishouding moet hebben gevoerd tijdens de referteperiode. De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor personen en huishoudens die door een gebrek aan inkomen geen mogelijkheden hebben te reserveren voor vervangingsuitgaven van duurzame gebruiksgoederen. Personen die geen zelfstandige huishouding voeren hebben in veel mindere mate te maken met vervangingsuitgaven. Op grond daarvan is in de verordening bepaald dat wil er recht zijn op een individuele inkomenstoeslag er sprake moet zijn van het voeren van een zelfstandige huishouding. Van het voeren van een zelfstandige huishouding is geen sprake als de inwoner inwoont bij een of beide ouders of indien de inwoner langdurig verblijft in een AWBZ bekostigde verpleeginrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid staat dat het recht op toeslag bij gehuwden of samenwonenden ontstaat als beiden aan alle voorwaarden voor toekenning voldoen. Zie voor de uitzondering artikel 7.5.2, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.2. hoogte van de toeslag (PW)In dit artikel wordt de hoogte van de toeslag geregeld. Voor echtparen is de hoogte vastgesteld op 3,2% van de voor gehuwden geldende bijstandsnorm, afgerond op hele euro’s naar boven. Onder de oude wet waren er toeslagen op de bijstandsnorm voor een alleenstaande en voor alleenstaande ouders. Het nieuwe systeem in de wet is anders (alleenstaande ouders krijgen bijstand naar de norm voor een alleenstaande en een toeslag via de belastingdienst). Daarom wordt er voor de categorieën alleenstaande ouders en alleenstaanden bij de bepaling van de hoogte van de toeslag gekozen voor een afgeleide van de toeslag van echtparen. De hoogte van de toeslag voor een alleenstaande ouder is 90% van de toeslag voor gehuwden en de hoogte van de toeslag voor een alleenstaande is 70% van de toeslag voor gehuwden. Door voor deze vorm te kiezen blijft de verhouding gelijk als onder de oude regeling. Door uit te gaan van een percentage (3,2%) hoeft het bedrag van de toeslag niet jaarlijks aangepast te worden door een apart besluit. De bedragen volgen automatisch de aanpassingen van de normbedragen van de Participatiewet. Om een indruk te geven: momenteel (1 januari 2017) bedraagt 3,2% van de gehuwdennorm op jaarbasis inclusief vakantietoeslag een bedrag van € 540.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De peildatum is de datum waarop een inwoner de individuele inkomenstoeslag aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6. Kinderen in armoedeIn het beleidsplan Armoede en schulden 2020-2023 is vastgelegd welke minimaregelingen de gemeente heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De minimaregelingen zijn in twee groepen verdeeld. Het kindpakket is een pakket aan minimaregelingen speciaal voor kinderen. Het volwassenenpakket is een pakket aan minimaregelingen waarop volwassenen aanspraak kunnen maken voor hunzelf of voor het gezin. We vinden het belangrijk dat kinderen kunnen meedoen. Meedoen met sporten, meedoen met kunst en cultuur, meedoen op school.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6.1. doelgroep (PW – Gemeentewet)Met het kindpakket probeert de gemeente alle kinderen onder de 18 jaar te bereiken die afhankelijk zijn van het inkomen van hun ouders. Als het inkomen van de ouders niet toereikend is om de kinderen mee te laten doen aan sporten, kunst en cultuur en op school, heeft de gemeente mogelijkheden binnen het kindpakket.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zoekt de gemeente zo veel mogelijk naar mogelijkheden van de kracht van de samenleving en de basiszorginfrastructuur. Daarbij gelden de criteria van deze professionele organisaties. Over het algemeen houden deze organisaties 120% van de bijstandsnorm aan als criterium voor ontoereikend inkomen. Als gemeente hanteren wij voor ons beleid een lager percentage voor onder andere bijzondere bijstand, studietoeslag en inkomenstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6.2. inhoud kindpakket (PW – Gemeentewet)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7. tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval (Wmo)De bevoegdheid om een tegemoetkoming meerkosten te verlenen vormt binnen de Wmo bij uitstek maatwerk in het individuele geval. Een forfaitaire tegemoetkoming kan meer op zijn plaats zijn dan het verstrekken van hulp in natura. De mogelijkheid van het verlenen van een tegemoetkoming meerkosten is verder begrensd tot een aantal kostensoorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuiskostenvergoeding wordt alleen verstrekt als de inwoner redelijkerwijs niet had kunnen zien aankomen dat een woningaanpassing nodig zou zijn en er onvoldoende financiële draagkracht is. De vergoeding vindt plaats op declaratiebasis tot een maximum als aangegeven in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegemoetkoming voor meerkosten door extra afval is mogelijk als sprake is van specifieke problemen (waardoor bijvoorbeeld afval als stomamateriaal). Hiervoor geldt een forfaitaire vergoeding, zie hiervoor de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. Levenfasegebonden problematiek als incontinentie is voor deze vergoeding uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8. schuldhulpverleningIn het beleidsplan Armoede en Schulden 2020-2023 is het beleid van de gemeente vastgelegd. Dit artikel beschrijft de verplichtingen van de gemeente als basis van dit beleidsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8.1. samenwerking en toegang (Wgs)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8.2. schuldhulpverlening (Wgs)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 8 afspraken tussen inwoner en gemeente8.1. hoe gaan we met elkaar om?8.1.1. de rol van de gemeente (PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Wmo – Jeugdwet – Gemeentewet – Awb)De gemeente zoekt samen met de inwoner naar oplossingen. In lid 1 van dit artikel staat hoe de gemeente samen met de inwoner naar oplossingen zoekt. Als een inwoner verwacht dat de gemeente geld besteed aan de oplossing voor de inwoner, verwacht de gemeente dat de inwoner zich houdt aan de plichten bij deze oplossing. In het tweede lid is aangegeven dat de gemeente de inwoner goed moet informeren over de plichten en wat er gebeurt als een inwoner zich daar niet aan houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.2. de rol van de inwoner (PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Wmo – Jeugdwet – Gemeentewet – Awb)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2. afspraken en verplichtingen over uitkeringenAls een inwoner zelf niet genoeg inkomen kan verdienen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft de inwoner recht op een uitkering. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om genoeg inkomen te krijgen om onafhankelijk te worden van de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt gedetailleerd beschreven hoe de gemeente moet handelen als een inwoner niet voldoet aan de plichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een inwoner. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de gemeente tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet de gemeente af van een dergelijke verlaging. De gemeente moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. De gemeente kan dan ook van een verlaging afzien als de gemeente daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemmen in de ParticipatiewetMet ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening is de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van inwoner aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. De herbeoordeling heeft slechts als doel vast te stellen of inwoner tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als de inwoner daarom vraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verlaging op grond van de maatregelenverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat inwoner zich zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan inwoner hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld: inwoner beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd op grond van de verordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan inwoner hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afstemmen in de IOAW en de IOAZSinds 1 juli 2010 heeft de gemeente de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te weigeren als een inwoner de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel van de 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening (artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet verlenen van medewerkingHet niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schenden van de inlichtingenplichtDe bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.1. afstemming op houding en gedrag van de inwoner (PW – IOAW – IOAZ – Awb)De gemeente moet bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de ernst van de gedraging, de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet de gemeente af van een verlaging. De gemeente geeft de inwoner daarom de kans zijn mening te geven over de gebeurtenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een inwoner bezwaar en beroep indienen. Wat in het besluit moet worden vermeld, staat in de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.2. verjaring (PW – IOAW – IOAZ – Awb)In dit artikel wordt beschreven wanneer de gemeente afziet van verlagen van de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afzien van verlagenHet afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt\", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel 20, derde lid, van de IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan de gemeente te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan geen verlaging opleggen voor gedragingen die langer dan één of langer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden. De vervaltermijn is afhankelijk van de hoogte van de maatregel. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na één jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van € 340 of minder kan worden opgelegd. De bevoegdheid tot het afstemmen vervalt na vijf jaar nadat de overtreding heeft plaatsgevonden als een verlaging van meer dan € 340 kan worden opgelegd. Deze verjaringstermijn laat overigens onverlet dat het vanuit het oogpunt van effectiviteit (“lik op stuk”) nastrevenswaardig wordt geacht zo spoedig mogelijk een verlaging op te leggen nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Dat heeft bovendien als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afzien van verlagen in verband met dringende redenenOnder b is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de inwoner onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord \"dringend\" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor inwoner en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit inherent is aan het verlagen van een uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingenDe Participatiewet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet de gemeente een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de omstandigheden van een inwoner en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als – volgens de gemeente - dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de gemeente besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke mededeling in verband met recidiveHet doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat de gemeente afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive. Het opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 8.2.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.3. ingangsdatum en periode verlaging (PW – IOAW – IOAZ – Awb)Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een verlaging. Dan hoeft niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlagen met terugwerkende krachtHet is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast. Het maatregelbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het maatregelbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke datum te koppelen aan de gedraging van een inwoner of is de verlaging het gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te solliciteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkeringEen verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen van een verlaging is niet mogelijk als een inwoner geen recht op bijstand (meer) heeft. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op te leggen als inwoner binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. De gemeente moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 8.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat worden opgelegd. De gemeente moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een maatregelbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.4. berekening verlaging (PW – IOAW – IOAZ – Awb)UitkeringsnormIn het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm. Onder de uitkeringsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW respectievelijk van de IOAZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere bijstandIn het tweede lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan een inwoner bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in de definitie van de uitkeringsnorm in hoofdstuk 11 geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid is het mogelijk dat de gemeente in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een inwoner en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">InkomenstoeslagDe Participatiewet geeft ook de mogelijkheid om een verlaging toe te passen op de individuele inkomenstoeslag. De gemeente maakt hier geen gebruik van. De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een individuele inkomenstoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.5. niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen (PW – Awb)De wettelijke arbeidsverplichtingen worden opgesomd in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet. Dit zijn: het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het uitvoering geven aan de door de gemeente opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau; het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen; bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; bereid zijn om te verhuizen, indien de gemeente is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de inwoner een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de inwoner geldende bijstandsnorm, kan aangaan; het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag; het gebruik maken van door de gemeente aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste keer dat de gemeente een verwijtbaar niet naleven van een geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de uitkeringsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). Bij het vaststellen van de duur van de verlaging is de ernst van de gedraging leidend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente vindt de verplichtingen in zwart (onderdelen a, c, d, e en h) ernstiger dan de verplichtingen in oranje (onderdelen b, f en g) en verlaagt de uitkering daarom langer bij de verplichtingen in het zwart. Dit is in het eerste en tweede lid van dit artikel bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekenen verlagingDe gemeente heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer inwoner tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt inwoner weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekenen bij bijzondere omstandighedenEr is met het derde lid gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan: vergroting schuldenproblematiek; (dreigende) huisuitzetting; afsluiting van gas en elektriciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is sprake van een lichte overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over twee maanden. Van een lichte overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdelen b, f en g, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende één maand. Aan de maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand wordt de helft van het bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig procent bedraagt (derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Is sprake van een zware overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan kan worden verrekend over drie maanden. Van een zware overtreding is sprake bij schending van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet. Bij een dergelijke overtreding wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende twee maanden. Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt een derde van het bedrag van de verlaging toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel 66,67 procent bedraagt (derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">De term ‘maand van oplegging’ is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid van de Participatiewet. Met de ‘maand van oplegging’ wordt de maand bedoeld waarin de uitkering feitelijk wordt verlaagd (dus de maatregel geëffectueerd wordt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde arbeidIn het vierde lid is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening plaatsvindt zoals bedoeld in dit artikel. Het betreft het niet aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de zwaarte van de gedraging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen verrekening bij recidiveIs sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingenVerrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit dit artikel en artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.6. niet nakomen andere arbeidsverplichtingen (PW – IOAW – IOAZ – Awb)De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde vóór 1 januari 2015 bepaalt dat de gemeente moest afstemmen als een inwoner de verplichtingen \"niet of onvoldoende nakomt\". Met het huidige artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in \"het niet nakomen van de verplichtingen\". Het woord \"onvoldoende\" valt hiermee weg. Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid wordt bepaald hoe om te gaan met de verwijtbare gedraging “het niet voldoende proberen werk te vinden”. Dit is niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime als vastgelegd in artikel 8.2.5. Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 8.2.6 als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zoals: - het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, en – het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid, onder d. gaat over de inspanningen voor jongeren in de eerste vier weken na de melding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van de gemeente onvoldoende, dan verlaagt de gemeente de uitkering. De verlaging kan in principe al worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 8.2.4. van deze verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk. Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld gaat om een inwoner die in de vijfde of zesde week na de melding de fout in gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd opgenomen in de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is gekozen voor een maatregelregime bij gedragingen zoals bedoeld in dit artikel dat afwijkt van de maatregel bij schending van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Dit ondanks dat enkele van de in dit artikel genoemde gedragingen verwant zijn aan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.7. stoppen verlaging (PW – Awb)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.8. te weinig besef van verantwoordelijkheid (PW – Awb)Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leidt een gedraging ertoe dat inwoner eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat inwoner eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): het te snel interen van vermogen; het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt als een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 8.2.5. van deze verordening. Op grond van dit artikel kan een verlaging worden opgelegd wegens het tonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijstand in de vorm van een geldleningAls sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan de gemeente tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet. Als de gemeente besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.9. zeer ernstige misdragingen (PW – IOAW – IOAZ – Awb)Zeer ernstige misdragingen zijn in elk geval elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon. Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'. Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de betreffende personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Dus als er uitvoering gegeven wordt aan de betreffende wetten. Het is anders als betrokkenen elkaar buiten werktijd tegen komen; dan is alleen het strafrecht van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting. Deze verplichting staat dus op zichzelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.10. niet nakomen van andere verplichtingen (PW – Awb)De Participatiewet geeft de gemeente de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten: verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; en verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend vastgesteld. Omdat de verplichtingen die de gemeente op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een inwoner. De gemeente zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht de gemeente de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een inwoner. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.11. samenloop van gedragingen (PW – IOAW – IOAZ – Awb)Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een inwoner een rol. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenloop met een bestuurlijke boeteAls sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en de maatregel dient de gemeente in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. De gemeente bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan de gemeente in dit geval nog één of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van de maatregel zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere maatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.12. herhaling (recidive) van een gedragingRecidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting (lid 1)Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een inwoner een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges. Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Recidive schending niet-geüniformeerde arbeidsverplichting (lid 1 tot en met 2)Verdubbeling duur verlaging (lid 1)Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Daarom is bij gedragingen waar relatief zware verlagingen voor gelden, gekozen voor een verdubbeling van de duur van de maatregel in plaats van de hoogte. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdubbeling hoogte verlaging (lid 2)Als binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte of duur van de verlaging. Voor lichte verlagingen is gekozen voor een verdubbeling van de hoogte van de verlaging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingenOok in het geval dat een inwoner voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste keer recidive – dat ofwel de hoogte ofwel de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Bij lichte gedragingen geldt een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Bij zware gedragingen geldt een verdubbeling van de duur van de verlaging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Telkens wordt de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de hoogte of de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de hoogte of de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenzelfde gedraging vereist voor recidiveVoor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van \"eenzelfde verwijtbare gedraging\" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon onacceptabel gedrag vertoont (zich zeer ernstig misdragen) (artikel 8.2.9.) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 8.2.6.), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet \"eenzelfde gedraging\" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een inwoner niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (8.2.6 lid 1 onder b) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 8.2.6. lid 1 onder d). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3. terugvorderen uitkering8.3.1. terugvordering en incasso (PW – IOAW – IOAZ)In de Participatiewet is het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand een verplichting geworden van de gemeente (artikel 58 van de Participatiewet). De manier waarop wordt beschreven in nadere regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitkering is voor inwoners om in hun noodzakelijke kosten te kunnen voorzien, als ze dat zelf niet kunnen. De gemeente vindt het belangrijk dat de uitkering alleen terecht komt bij die inwoners die hierop recht hebben. Het plegen van uitkeringsfraude mag onder geen enkele voorwaarde worden beloond. Daarom worden inwoners gekort in hun uitkering als ze zich niet aan hun verplichtingen houden of wordt onterecht verstrekte uitkering van de inwoners terug gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de andere kant wil de gemeente voorkomen dat inwoners de noodzakelijke kosten van hun bestaan niet kunnen betalen. Hierdoor zouden mensen meer schulden kunnen krijgen en daardoor meer hulp-op-maat nodig hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geeft de gemeente de lastige taak om aan de ene kant onterecht verstrekte uitkering terug te vorderen en aan de andere kant te voorkomen dat inwoners nog meer een beroep moeten doen op hulp-op-maat. Daarbij helpt de berekening van de beslagvrije voet en de werkwijze van de omgekeerde toets.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4. beëindigen en terugvorderen voorzieningIn dit artikel worden regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4.1. beëindiging voorziening (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs)Artikel 8.4.1. lid 1 is een ‘kan’-bepaling. De gemeente kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in dit artikel. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon werk heeft aanvaard. Onder beëindigen wordt ook verstaan het stopzetten van voorzieningen aan werkgevers, zoals een loonkostensubsidie of huisgenoten, bijvoorbeeld bij een pgb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8.4.1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">onder h. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft de gemeente de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het eerste lid, onder g 8.4.2. terugvordering voorziening (Wmo – PW – Burgerlijk Wetboek)In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wmo zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan de gemeente gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat de gemeente het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om hulp-op-maat terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten hulp-op-maat terug te vorderen, kan de gemeente de waarde van de genoten hulp-op-maat uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 8.4.1, lid 2 is de bepaling opgenomen die de gemeente de bevoegdheid geeft tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte hulp-op-maat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integatiekosten die onnodig zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5. hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?Controle vindt plaats door handhaving. Onder handhaving worden “alle activiteiten die ervoor zorgen dat mensen zich aan wet- en regelgeving houden” verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handhaving draagt bij aan een goede balans tussen het recht op een voorziening / hulp-op-maat en de plichten die daarbij horen. Fraude verstoort dit evenwicht. Wie ten onrechte gemeenschapsgeld misbruikt, haalt uiteindelijk de solidariteit onderuit en belemmert een doeltreffende uitgave van gemeenschapsgeld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat handhaving in de wetten een prominente plaats heeft gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het onderwerp is expliciet aandacht besteed in artikel 8b Participatiewet, artikel 35 IOAW en artikel 35 IOAZ, en artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo. In artikel 53a van de Participatiewet krijgt de gemeente de bevoegdheid om onderzoek te doen zonder toestemming van de inwoner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk bij het handhavingsbeleid te onderkennen dat er achtereenvolgens gehandeld kan worden met preventieve maatregelen en repressieve maatregelen. Preventieve maatregelen richten zich op het voorkomen van fraude door optimale voorlichting en dienstverlening. Tot de repressieve maatregelen behoren het vroegtijdig constateren en afhandelen van niet nagekomen verplichtingen en fraude.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hierboven al aangegeven staat op het terrein van handhaving het bevorderen van de spontane nalevingbereidheid van de inwoners voorop. Inwoners worden (iedere keer weer) gewezen op de aan de hulp-op-maat verbonden verplichtingen. Het is daarbij echter niet realistisch te denken dat daarmee in alle gevallen voorkomen wordt dat door inwoners onjuiste of onvolledige informatie verstrekt wordt. In die gevallen zullen repressieve maatregelen gehanteerd worden. In dit kader zijn dat opsporing, zo nodig met inzet van de sociale recherche en sanctionering.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.1. controle (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ)Om te achterhalen of aan een inwoner onterecht te veel is verstrekt, wordt openbare informatie en worden gegevens die aan de gemeente zijn verstrekt, bekeken. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het Inlichtingenbureau. Als iemand bijvoorbeeld verhuist en dit bij de balie van de gemeente opgeeft, maar niet aan de contactpersoon Inkomen, krijgt de contactpersoon Inkomen via het Inlichtingenbureau een signaal. Deze signalen worden onderzocht, de inwoner wordt gehoord en indien nodig wordt te veel betaalde uitkering teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.2. voorkomen van fraude (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ)Dit artikel spreekt voor zich 8.5.3. beleidsplan en beleidsverslag (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ)De gemeente stelt in het beleidsplan Sociaal Domein en in het Handhavingsbeleidsplan vast hoe zij handhaaft en zo zorgt dat gemeenschapsgelden niet onterecht verstrekt worden. Daarbij worden zowel preventieve maatregelen als repressieve maatregelen meegenomen in het beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.4. privacy (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ)Privacy is een belangrijke aandachtspunt voor de gemeente. De gemeente vindt de eenmalige gegevensuitvraag (artikel 2.1.3. van deze verordening) belangrijk, maar dit mag nooit de privacy van de inwoner schenden. Daarom maakt de gemeente aan de inwoner duidelijk wat de gemeente met de gegevens van de inwoner doet en wanneer de gemeente zonder toestemming van de inwoner bepaalde onderzoeksmethoden inzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.5. toezichthouders (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Awb)In artikel 3.4. eerste lid van de Wmo is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo is bepaald dat de gemeente personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In de andere wetten is dit niet expliciet bepaald. De gemeente heeft de GGD, fraudeconsulenten en sociaal rechercheurs aangewezen om toezicht te houden en onderzoek te doen naar naleving van de regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 9 Adviesraad Sociaal DomeinIn dit hoofdstuk wordt uitvoering gegeven aan artikel 47 van de Participatiewet, derde lid van artikel 2.1.3 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 2.10 van de Jeugdwet. In deze artikelen wordt de gemeente verplicht om cliëntenparticipatie te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikelen zijn zo goed als gelijkluidend.</p>\n<p class=\"lf-p\">InspraakBehalve de verplichting om als gemeente inwoners te betrekken bij uitvoering van de wet, heeft de gemeente ook de verplichting om inspraak voor inwoners te regelen. Op basis van artikel 150 van de Gemeentewet, is deze verplichting vormgegeven in de Inspraakverordening. De eerste paragraaf is de basis voor die verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1. inspraak van inwoners (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Gemeentewet)De basis voor dit artikel is artikel 150 waarin inspraak verplicht wordt gesteld. De uitwerking is in de Inspraakverordening van de gemeente Bunschoten vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2. adviesraad sociaal domein (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ)Omdat het niet mogelijk is om alle cliënten persoonlijk te betrekken bij de uitvoering van de wetten, ligt het voor de hand een adviesraad samen te stellen die bestaat uit afgezanten van de cliënten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat lid van de adviesraad kan worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedereen die zelf gebruik maakt van een voorziening als beschreven in de Jeugdwet, Wmo, Participatiewet of een van de aanpalende wetten binnen het gehele Sociale Domein zoals de Wet publieke gezondheid, IOAZ en wet op het primair onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwoners die zich sterk betrokken voelen bij één van bovenstaande groepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgers met kennis van het Sociaal Domein of delen daarvan, voor zover deze niet vallen onder de hiervoor genoemde groepen en zelf ook geen aanbieder zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lidmaatschap (lid 2 tot en met 6)In het tweede lid is bepaald dat de adviesraad uit minimaal 5 en maximaal 7 leden bestaat en een onafhankelijk voorzitter en een onafhankelijke secretaris. Dit aantal is gekozen om de besluitvorming binnen de adviesraad slagvaardig te houden. Een oneven aantal wordt hierbij geadviseerd, zodat bij stemming altijd een meerderheid ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is bepaald dat de leden in principe daadwerkelijk in de gemeente Bunschoten moeten wonen. De leden die buiten de gemeente Bunschoten wonen, moeten zij wel een aantoonbare binding met de gemeente Bunschoten hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid is bepaald dat vertegenwoordigers van professionele organisaties die een zakelijk belang hebben bij beleid, geen lid kunnen worden van de adviesraad. Er mag dus geen inkoop of subsidierelatie van het lid met de gemeente Bunschoten zijn binnen het Sociaal Domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid is bepaald dat als de adviesraad minder dan vijf leden heeft zij leden nieuwe leden moeten werven in een openbare sollicitatieprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lidmaatschap (lid 6)Het zesde lid gaat over het lidmaatschap in de adviesraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden worden voor minimaal 2 jaar en maximaal 8 jaar benoemd. Een kortere of langere periode is niet wenselijk voor de voortgang en objectiviteit van de adviesraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn drie redenen waarom een inwoner geen onderdeel meer kan zijn van de adviesraad:</p>\n<p class=\"lf-p\">Automatisch omdat de periode is afgelopen of omdat de persoon niet meer voldoet aan artikel 4 lid 1, 3, 4, 5 en 6;</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging omdat de persoon geen lid meer wil zijn (na minimaal 2 jaar);</p>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging vanuit de gemeente omdat het lid niet functioneert in de adviesraad, hetzij op verzoek van een meerderheid van de adviesraad, hetzij naar weloverwogen en gemotiveerd oordeel van de gemeente. Hierbij moet hoor en wederhoor toegepast worden door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergaderen (lid 7 t/m 9)De gemeente kiest voor een adviesraad waarbij de gemeente zo min mogelijk de adviezen kan beïnvloeden. De gemeente is alleen op uitnodiging bij de vergaderingen van de adviesraad. Bij vragen over beleid en uitvoering, reageert de gemeente adequaat. Bij gevraagd advies, wordt een toelichting gegeven. Onder contact worden diverse vormen van contact verstaan zoals schriftelijk, telefonisch en mondeling contact.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evaluatie (lid 10)De adviesraad en de gemeente evalueren één keer per jaar over de samenwerking. Een verslag wordt aan de gemeente gestuurd. Op uitnodiging van de adviesraad zal de portefeuillehouder bij deze vergadering aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3. taken en bevoegdheden adviesraad sociaal domein (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ)In dit artikel wordt aangegeven wat de formele rol van de adviesraad is. Dit is bedoeld om de afspraken tussen de gemeente en adviesraad te regelen zodat beide partijen weten wat ze van elkaar kunnen verwachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid geven aan dat de adviesraad het college kan adviseren over plannen om beleid, regels of de uitvoering daarvan bij te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid geeft aan dat als een vertegenwoordiger van een organisatie lid is van de adviesraad, deze op persoonlijke titel lid is en niet de belangen van zichzelf of een ander individu vertegenwoordigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde lid geeft de mogelijkheid aan de adviesraad om regels vast te stellen over de werkwijze van de adviesraad. In deze regels kan bijvoorbeeld beschreven worden hoe adviezen tot stand komen en wie daarbij betrokken wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4. budget, vergoeding en voorzieningen (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ)Werkbudget (lid 1)De gemeente geeft de adviesraad een werkbudget om activiteiten te kunnen uitvoeren die verband houden met hun taken, zoals deskundigheidsbevordering, inwinnen van advies, achterbanraadpleging en organisatiekosten. Dit werkbudget moet jaarlijks aangevraagd worden op basis van de Algemene Subsidieverordening. In deze verordening is aangegeven wat in de aanvraag moet staan en wat verwacht wordt van de verantwoording. De aanvraag bestaat daarmee uit een overzicht van te verwachten activiteiten om de taken uit te voeren en een financiële begroting. De verantwoording bestaat uit een overzicht van wat er in een jaar is gedaan en waaraan het werkbudget besteed is. Van de uitgaven kunnen bonnen gevraagd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Andere vergoedingen inspraak (lid 2)Deze worden naar aanleiding van de inspraakverordening vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Presentiegelden (lid 3 en 4)Leden en de voorzitter krijgen per bijgewoonde vergadering een onkostenvergoeding zoals is vastgelegd in het rechtspositiebesluit Raads- en commissieleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De secretaris ontvangt per bijgewoonde vergadering tweemaal de onkostenvergoeding zoals is vastgelegd in het rechtspositiebesluit Raads- en commissieleden, omdat er van de secretaris meer gevraagd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimte (lid 5)De gemeente stelt een vergaderruimte beschikbaar waar de adviesraad gebruik van kan maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medewerker (lid 6)De gemeente wijst een medewerker aan als contactpersoon voor de adviesraad. Deze medewerker zorgt dat vragen beantwoord worden en dat de juiste medewerkers binnen de gemeente betrokken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 10 kwaliteit en aanbestedingVoor de Wmo geldt dat bij verordening regels moeten worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van de gemeente door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">De kostprijselementen waar de gemeente ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren zijn de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.1. kwaliteit (Jeugdwet – Wmo – Gemeentewet)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2. inkoop en aanbesteding (Jeugdwet – Wmo – Gemeentewet)Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 11 van oud naar nieuw11.1. uitvoeringsregels (Gemeentewet)Artikel spreekt voor zich.</h3></div>", "next": 239767}