{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Alle inkomsten van een instelling die zendtijd heeft verkregen, waaronder de inkomsten uit nevenactiviteiten en vermogen, worden, voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, aangewend voor de verzorging van het programma waarvoor zij zendtijd heeft verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid, kunnen inkomsten uit programmabladen van omroepverenigingen tot ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag worden besteed aan verenigingsactiviteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 57d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 57, 57a en 57c zijn niet van toepassing op overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 58</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen stellen de gegevens van de door haar uit te zenden programma’s voor zover deze nodig zijn voor de opgaven van uit te zenden programma’s in de programmabladen, ter beschikking van de Stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Zij gedogen dat de Stichting de gegevens, bedoeld in het eerste lid, ter verveelvoudiging en openbaarmaking ter beschikking stelt van de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen alsmede van anderen die daartoe een overeenkomst met de Stichting hebben gesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als inbreuk op het auteursrecht op enig geschrift inhoudende opgaven van uit te zenden programma's, vervaardigd door of in opdracht van omroepverenigingen, de Stichting of enige andere instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, wordt voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid mede beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van lijsten of andere opgaven van die programma’s anders dan met toepassing van artikel 58 of met toestemming van de desbetreffende instelling die zendtijd heeft verkregen, tenzij wordt bewezen dat de gegevens in die lijsten of andere opgaven niet direct of indirect zijn ontleend aan enig geschrift als bedoeld in de aanhef van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 60</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 61</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 61a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Stichting Etherreclame draagt er zorg voor dat zij aangesloten is bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen is aan het toezicht van de Stichting Reclame Code. De Stichting Etherreclame toont dit aan door middel van een aan het Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 62</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen hun programma aan het Bedrijf ter uitzending aanbieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep: a. heffen een contributie van hun leden met een minimumbedrag van € 4,54 per jaar, b. verstrekken hun leden geen op geld waardeerbare voordelen zonder toestemming van het Commissariaat voor de Media, c. tonen ten genoegen van het Commissariaat aan dat hun leden op een democratisch aanvaardbare wijze invloed op hun beleid kunnen uitoefenen en d. brengen, in overeenstemming met hun werknemers die zijn belast met de samenstelling van programma's, een programmastatuut tot stand waarin de journalistieke rechten en plichten van deze werknemers worden geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemene maatregel van bestuur kan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, naar aanleiding van de ontwikkeling van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In de contributie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is de verstrekking van een programmablad niet begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is van overeenkomstige toepassing op de Programmastichting, de Stichting en de educatieve omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd artikel 64, aanhef en onderdeel d, brengen instellingen die zendtijd hebben verkregen, een programmastatuut tot stand waarin ten minste waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van hun werknemers, belast met de samenstelling van de programma's, ten opzichte van de sponsors.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Dit artikel geldt niet voor overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen die zendtijd hebben verkregen, brengen jaarlijks schriftelijk verslag uit aan het Commissariaat voor de Media omtrent de inkomsten uit sponsorbijdragen, de gesponsorde programma-onderdelen en de hoedanigheid van de sponsors, gespecificeerd per programma-onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat voor de Media kan nadere regels stellen omtrent de inrichting van het verslag, de termijn waarbinnen het verslag moet worden uitgebracht, en de periode waarop het verslag betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bijdragen van overheidsinstellingen en andere instellingen dan bedoeld in artikel 1, onderdeel ll.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel  6</h3>\n<p class=\"lf-p\">Uitzending door middel van omroepnetwerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 66</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media kan aan een instelling die voor toewijzing van zendtijd voor lokale omroep in aanmerking komt, op verzoek van die instelling, in plaats van het toewijzen van zendtijd toestemming verlenen een programma voor lokale omroep, bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51f, te verzorgen dat wordt uitgezonden door middel van een omroepnetwerk ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het bepaalde ten aanzien van toewijzing en intrekking van zendtijd voor lokale omroep is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het Commissariaat niet de dagen en uren aanwijst waarop het programma zal worden uitgezonden. Indien tussen de aanbieder van het omroepnetwerk en de instelling geen overeenstemming wordt bereikt over de dagen en uren waarop het programma zal worden uitgezonden, kan het Commissariaat ter zake bindende aanwijzingen geven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 67</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media kan aan een instelling die voor toewijzing van zendtijd voor regionale omroep in aanmerking komt, op verzoek van die instelling, in plaats van het toewijzen van zendtijd toestemming verlenen een programma voor regionale omroep, bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51e, te verzorgen dat wordt uitgezonden door middel van de omroepnetwerken in de desbetreffende provincie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het bepaalde ten aanzien van toewijzing en intrekking van zendtijd voor regionale omroep is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het Commissariaat niet de dagen en uren aanwijst waarop het programma zal worden uitgezonden. Indien tussen de aanbieder van het omroepnetwerk en de instelling geen overeenstemming wordt bereikt over de dagen en uren waarop het programma zal worden uitgezonden, kan het Commissariaat ter zake bindende aanwijzingen geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de dagen en uren waarop een programma als bedoeld in het eerste lid kan worden uitgezonden. Deze regels hebben uitsluitend betrekking op televisieprogramma's.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 68</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media kan aan een lokale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, op verzoek van die instelling, toestemming verlenen naast het programma, bedoeld in artikel 51f, een ander programma te verzorgen dat wordt uitgezonden door middel van een omroepnetwerk ter plaatse.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De toestemming, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden verleend, indien: a. het programma wordt uitgezonden op een ander kanaal dan het kanaal waarop het programma, bedoeld in artikel 51f, wordt uitgezonden; b. het programma wordt geproduceerd door een lokale omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen, of door een andere instelling zonder winstoogmerk; c. het programma, naast de onderdelen, bedoeld in artikel 43a, voor ten minste vijfenzeventig procent bestaat uit onderdelen van culturele aard en voor het overige deel, doch voor ten minste tien procent, bestaat uit onderdelen van culturele aard, die in het bijzonder betrekking hebben op de desbetreffende gemeente; en d. de aanvraag vergezeld gaat van een advies van de Raad voor cultuur, waaruit blijkt dat het programma naar het oordeel van de Raad voor cultuur van bijzonder belang is voor de verscheidenheid van het aanbod van kwalitatief hoogstaande programma-onderdelen van culturele aard in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend voor de duur van vijf jaar. De toestemming vervalt, indien de lokale omroepinstelling niet meer over zendtijd beschikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 69</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 70</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 70a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK  IV</h3>\n<p class=\"lf-p\">DE COMMERCIËLE OMROEP</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemmingen voor commerciële omroep</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet, is het een commerciële omroepinstelling slechts toegestaan een door haar verzorgd programma uit te zenden of te doen uitzenden, indien zij daarvoor toestemming van het Commissariaat voor de Media heeft verkregen. De toestemming is voor ieder programma afzonderlijk vereist. In de toestemming wordt aangegeven of zij betrekking heeft op een programma voor algemene omroep dan wel op een programma voor bijzondere omroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aanvragen tot het verlenen van toestemming worden ingediend en de termijn waarbinnen beslissingen daarop worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien toestemming is verleend voor het uitzenden of doen uitzenden van een televisieprogramma, is het de commerciële omroepinstelling tevens toegestaan: a. een toetsbeeld uit te zenden of te doen uitzenden; b. een teletekstprogramma uit te zenden of te doen uitzenden, indien dat op dezelfde frequentieruimte of hetzelfde kanaal tegelijkertijd met het in de aanhef bedoelde televisieprogramma of met het toetsbeeld wordt uitgezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De toestemming wordt verleend voor de duur van vijf jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De toestemming is niet overdraagbaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71b</span><span class=\"lf-art-t\">De toestemming kan uitsluitend worden geweigerd, indien:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. de door de commerciële omroepinstelling verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn; of b. redelijkerwijs te verwachten is dat de commerciële omroepinstelling de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen niet in acht zal nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media trekt de toestemming in, indien: a. de commerciële omroepinstelling het Commissariaat daarom verzoekt; of b. de commerciële omroepinstelling in gebreke blijft met de betaling van hetgeen krachtens artikel 71u verschuldigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat kan de toestemming intrekken, indien: a. de door de commerciële omroepinstelling verstrekte gegevens onjuist blijken te zijn; of b. de commerciële omroepinstelling overigens niet voldoet aan de verplichtingen gesteld bij of krachtens deze wet of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71d</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">Rechten en verplichtingen ten aanzien van de programma's van commerciële omroepinstellingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71e</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Iedere commerciële omroepinstelling bepaalt, onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, vorm en inhoud van haar programma en is daarvoor verantwoordelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De artikelen 52d en 53 zijn van overeenkomstige toepassing op een commerciële omroepinstelling en op het door haar verzorgde programma.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71f</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Reclameboodschappen of telewinkelboodschappen die zijn opgenomen in het programma van een commerciële omroepinstelling zijn als zodanig herkenbaar en door optische of akoestische middelen duidelijk onderscheiden van de andere programmaonderdelen. Er wordt geen gebruik gemaakt van subliminale technieken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De blokken van telewinkelboodschappen, bedoeld in artikel 71g, zesde lid, zijn gedurende de gehele uitzending daarvan door optische middelen als zodanig herkenbaar en door optische en akoestische middelen duidelijk onderscheiden van de andere programmaonderdelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71g</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste vijftien procent van de totale duur per dag uit reclameboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste twintig procent van de totale duur per dag uit telewinkelboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste twintig procent van de totale duur per dag uit een combinatie van reclameboodschappen en telewinkelboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het programma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten hoogste twaalf minuten per uur uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Reclameboodschappen in televisieprogramma's, of telewinkelboodschappen worden uitsluitend uitgezonden in blokken die, met inbegrip van de eventuele omlijsting, ten minste anderhalve minuut duren.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 In het programma van een commerciële omroepinstelling zijn ten hoogste acht blokken van telewinkelboodschappen per dag opgenomen, die per blok zonder onderbreking ten minste vijftien minuten duren en waarvan de totale duur ten hoogste drie uur per dag is. Het tweede tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op deze blokken van telewinkelboodschappen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71h</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Programmaonderdelen van commerciële omroepinstellingen worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen, indien de onderbreking geen afbreuk doet aan de integriteit, het karakter en de samenhang van het desbetreffende programmaonderdeel of aan de rechten van rechthebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Programmaonderdelen, bestaande uit de weergave van godsdienstige of levensbeschouwelijke samenkomsten, worden niet onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De volgende programmaonderdelen worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen, indien zij ten minste dertig minuten duren: a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws of commentaar op het nieuws; b. programmaonderdelen van godsdienstige of geestelijke aard, niet zijnde programmaonderdelen als bedoeld in het tweede lid; c. programmaonderdelen die bestemd zijn voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar; en d. niet-gedramatiseerde documentaires.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Films worden uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen, indien zij ten minste vijfenveertig minuten duren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Onverminderd het vierde lid, worden films ten hoogste eenmaal per volledig tijdvak van vijfenveertig minuten onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen. Indien een film ten minste twintig minuten langer duurt dan twee of meer volledige tijdvakken van vijfenveertig minuten, kan hij nog eenmaal worden onderbroken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71i\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71i</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij opeenvolgende onderbrekingen door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen in één programmaonderdeel voor televisie worden tussenpozen van ten minste twintig minuten in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In afwijking van het eerste lid, worden programmaonderdelen voor televisie die bestaan uit het verslag van een evenement uitsluitend onderbroken door reclameboodschappen of telewinkelboodschappen tijdens de in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende gebruikelijke zelfstandige onderdelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71j\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71j</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 71g, eerste, vierde en vijfde lid, is het een commerciële omroepinstelling toegestaan een televisieprogramma te verzorgen dat uitsluitend bestaat uit ten behoeve van zelfpromotie uitgezonden reclameboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 In een programma als bedoeld in het eerste lid mogen andere reclameboodschappen worden opgenomen, met inachtneming van de bepalingen die op het uitzenden daarvan van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In afwijking van artikel 71g, tweede tot en met zesde lid, is het een commerciële omroepinstelling toegestaan een programma te verzorgen dat uitsluitend bestaat uit telewinkelboodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In een programma als bedoeld in het derde lid mogen reclameboodschappen worden opgenomen, met inachtneming van de bepalingen die op het uitzenden daarvan van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71k\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71k</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De programmaonderdelen van een commerciële omroepinstelling worden uitsluitend gesponsord, indien die instelling een programmastatuut tot stand heeft gebracht waarin ten minste waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van haar werknemers, belast met de samenstelling van de programma's, ten opzichte van de sponsors.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Aan het begin of aan het einde van een gesponsord programmaonderdeel worden, ter informatie van het publiek, alle sponsors vermeld. De vermelding gebeurt door middel van naam of (beeld)merk en is zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In een gesponsord programmaonderdeel mogen producten of diensten van een sponsor worden vermeld of getoond, indien het publiek niet door middel van specifieke aanprijzingen of anderszins wordt aangespoord tot het kopen of huren van die producten of tot het afnemen van die diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Commerciële omroepinstellingen bedingen of aanvaarden geen sponsorbijdragen van personen, bedrijven of instellingen: a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten, of b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in onderdeel a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het (beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Programmaonderdelen van commerciële omroepinstellingen die toestemming hebben verkregen, bestaande uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie, worden niet gesponsord.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Indien een gesponsord programmaonderdeel uit het buitenland is aangekocht en aldaar ten behoeve van het buitenlandse publiek reeds als programma is uitgezonden, is dit artikel slechts van toepassing voor zover de sponsorbijdragen worden verstrekt ten behoeve van de aankoop van het programmaonderdeel door de commerciële omroepinstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een programmaonderdeel waarvoor een overheidsinstelling of een andere instelling dan bedoeld in artikel 1, onderdeel ll, een financiële of andere bijdrage heeft verstrekt ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van dat programmaonderdeel, teneinde de uitzending daarvan als programmaonderdeel te bevorderen of mogelijk te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71l\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71l</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan het begin of aan het einde van een programmaonderdeel van een commerciële omroepinstelling bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als programmaonderdeel te worden uitgezonden, mogen de namen of (beeld)merken van die personen, bedrijven of instellingen, die een financiële of andere bijdrage hebben verstrekt aan de totstandkoming van het evenement, worden vermeld of getoond. De vermelding of vertoning is zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van personen, bedrijven of instellingen; a. die zich voornamelijk bezighouden met de productie of verkoop van sigaretten of andere tabaksproducten; of b. die gebruik maken van namen of (beeld)merken die tevens worden gebruikt door personen, bedrijven of instellingen als bedoeld in onderdeel a, of daarmee een zo sterke gelijkenis vertonen dat het publiek redelijkerwijs de indruk krijgt dat het mede de naam of het (beeld)merk van een persoon, bedrijf of instelling als bedoeld in onderdeel a betreft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71m\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71m</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onverminderd het bepaalde in de artikelen 71j, 71k, tweede en derde lid, en 71l, eerste lid, worden in de programma's van commerciële omroepinstellingen geen namen, (beeld)merken, producten, diensten of activiteiten van personen, bedrijven of instellingen vermeld of getoond, indien de desbetreffende commerciële omroepinstelling, naar redelijkerwijs kan worden aangenomen, daarmee beoogt of mede beoogt het publiek te bewegen tot het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, dan wel gunstig te stemmen ten aanzien van een bepaald bedrijf, een bedrijfstak of een bepaalde instelling teneinde de verkoop van producten of de afname van diensten te bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het vermelden of tonen van een naam, (beeld)merk, product, dienst of activiteit van een persoon, bedrijf of instelling in een programma wordt geacht te geschieden met het oogmerk, bedoeld in het eerste lid, indien zulks tegen betaling geschiedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Dit artikel is niet van toepassing op reclameboodschappen en telewinkelboodschappen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71n\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71n</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste vijftig procent uit programmaonderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling, bestaat voor ten minste tien procent uit programmaonderdelen als bedoeld in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door: a. de desbetreffende commerciële omroepinstelling, of een andere instelling die een programma verzorgt; b. een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft; c. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of d. een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in het tweede lid, is niet ouder dan vijf jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programmaonderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten: a. programmaonderdelen, bestaande uit nieuws; b. programmaonderdelen die betrekking hebben op sport; c. programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programmaonderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben; d. programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen; en e. programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Dit artikel is niet van toepassing op: a. een televisieprogramma dat in slechts één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen; b. televisieprogramma's als bedoeld in artikel 71j; c. televisieprogramma's die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst in andere dan de lidstaten van de Europese Unie en die niet direct of indirect kunnen worden ontvangen door het publiek in één of meer lidstaten van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71o\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71o</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk percentage van de in het eerste lid bedoelde programmaonderdelen ten minste wordt voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling desgevraagd en onder voorwaarden de in het eerste en tweede lid bedoelde percentages lager vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het eerste lid is niet van toepassing op een programma voor bijzondere omroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71p\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71p</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële omroepinstelling neemt in haar programma geen films op buiten de met de rechthebbenden op de film overeengekomen periodes.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71q\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71q</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 71g, 71h, tweede tot en met vijfde lid, 71i, 71j, 71l en 71n tot en met 71p zijn niet van toepassing op een televisieprogramma dat niet direct of indirect buiten Nederland ontvangen kan worden, en dat: a. voorzover het de beeldinhoud betreft, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit stilstaande beelden; of b. hoofdzakelijk bestaat uit informatie met betrekking tot de door middel van een omroepzender of omroepnetwerk aangeboden programma's en diensten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3</span><span class=\"lf-art-t\">Overige rechten en verplichtingen van commerciële omroepinstellingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71r\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71r</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële omroepinstelling die programmaonderdelen bestaande uit reclameboodschappen verzorgt, draagt er zorg voor dat zij aangesloten is bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen is aan het toezicht van de Stichting Reclame Code. De commerciële omroepinstelling toont dit aan door middel van een aan het Commissariaat voor de Media over te leggen schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71s\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71s</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële omroepinstelling brengt in overeenstemming met de werknemers die zijn belast met de samenstelling van programma's, een programmastatuut tot stand waarin de journalistieke rechten en plichten van deze werknemers worden geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71t\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71t</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is een commerciële omroepinstelling niet toegestaan een programmaonderdeel als bedoeld in artikel 51d, tweede lid, voor zover het betreft een onderdeel van een televisieprogramma waarvan de verspreiding in Nederland slechts mogelijk is na verwerving van de daarop betrekking hebbende rechten, uit te zenden of te doen uitzenden, indien: a. de commerciële omroepinstelling niet tijdig aan de Stichting heeft medegedeeld dat zij de rechten, bedoeld in de aanhef, wenst te verwerven met uitsluiting van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; en b. de Stichting binnen een redelijke termijn na de mededeling, bedoeld in onderdeel a, aan de commerciële omroepinstelling te kennen heeft gegeven dat zij of een andere instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, het desbetreffende programmaonderdeel in haar programma wenst op te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71u\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71u</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële omroepinstelling is aan het Commissariaat voor de Media jaarlijks een bedrag verschuldigd ter vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan het toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De hoogte van de verschuldigde bedragen wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister, die hierbij een onderscheid maakt tussen radio- en televisieprogramma's en voorts in ieder geval rekening houdt met de gemiddelde duur van de uitzendingen en met het aantal huishoudens in Nederland, dat het programma kan ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Een commerciële omroepinstelling voldoet jaarlijks het met toepassing van artikel 128 vastgestelde bedrag aan het Commissariaat. Het Commissariaat stelt dit bedrag ter beschikking van Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot de betaling van voorschotten op hetgeen een commerciële omroepinstelling ingevolge deze wet aan het Commissariaat verschuldigd zal zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71v\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71v</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een commerciële omroepinstelling doet jaarlijks aan het Commissariaat voor de Media een opgave toekomen van het aantal huishoudens in Nederland, dat het programma op een door het Commissariaat te bepalen peildatum kan ontvangen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71w\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71w</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als inbreuk op het auteursrecht op enig geschrift inhoudende opgaven van uit te zenden programma's, vervaardigd door of in opdracht van een commerciële omroepinstelling, wordt voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid mede beschouwd het verveelvoudigen of openbaar maken van lijsten of andere opgaven van die programma's anders dan met toestemming van de desbetreffende commerciële omroepinstelling, tenzij wordt bewezen dat de gegevens in die lijsten of andere opgaven niet direct of indirect zijn ontleend aan enig geschrift als bedoeld in de aanhef van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71x\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71x</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een omroepvereniging die een erkenning, onderscheidenlijk een voorlopige erkenning, heeft verkregen, voornemens is na afloop van de periode waarvoor erkenning, onderscheidenlijk voorlopige erkenning, is verleend als commerciële omroepinstelling een programma te verzorgen, dan wel een belang te verwerven in een commerciële omroepinstelling, meldt zij dit aan het Commissariaat voor de Media.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Na de melding is het die omroepvereniging in het laatste jaar van de periode waarvoor de erkenning, onderscheidenlijk voorlopige erkenning, is verleend toegestaan die activiteiten te verrichten die noodzakelijk zijn om ervoor zorg te dragen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft, na afloop van de periode waarvoor de erkenning, onderscheidenlijk voorlopige erkenning, is verleend als commerciële omroepinstelling een programma kan verzorgen. Indien zij daardoor niet meer voldoet aan een of meer van de eisen genoemd in artikel 14, eerste lid, wordt zij voor de toepassing van de wet toch aangemerkt als een omroepvereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk IVA Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 72</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur wordt een lijst opgesteld van evenementen die, indien zij als een onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, in ieder geval worden uitgezonden op een open net. Daarbij kan worden bepaald welke van die evenementen tevens worden aangemerkt als evenementen als bedoeld in artikel 3 bis van de Europese richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een evenement kan op de in het eerste lid bedoelde lijst worden geplaatst indien in ieder geval wordt voldaan aan twee van de volgende voorwaarden: a. het evenement is van algemeen belang voor de Nederlandse samenleving; b. het evenement is van bijzondere culturele betekenis; c. het evenement werd in het verleden ook reeds op een open net uitgezonden en kon rekenen op een grote kijkdichtheid; d. het gaat om een groot internationaal sportevenement waaraan het nationale team deelneemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in het eerste lid. Hiertoe behoren in ieder geval regels die bepalen of de op de lijst genoemde evenementen, indien zij als onderdeel van een televisieprogramma worden uitgezonden, in ieder geval worden uitgezonden op een open net door middel van volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel door middel van volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 73</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een instelling die zendtijd heeft verkregen of een commerciële omroepinstelling oefent verworven uitzendrechten die betrekking hebben op evenementen die zijn vermeld op de lijst, bedoeld in artikel 72, eerste lid, uit overeenkomstig de krachtens artikel 72 gestelde regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een instelling die zendtijd heeft verkregen of een commerciële omroepinstelling oefent na 30 juli 1997 verworven uitzendrechten uit overeenkomstig de regels, die door andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig artikel 3 bis, eerste lid, van de Europese richtlijn zijn gesteld.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  V</h3>\n<p class=\"lf-p\">De Wereldomroep</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 73a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 74</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Stichting Radio Nederland Wereldomroep heeft onder meer tot taak: a. de uitvoering van de in artikel 13c, eerste lid, onderdeel c, bedoelde taak van de publieke omroep; en b. het vastleggen of doen vastleggen van programma-onderdelen op beeld- en geluidsdragers en het ter beschikking stellen daarvan ten behoeve van omroepinstellingen buiten Nederland ter opneming in hun eigen programma's.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het verzorgen van televisieprogramma’s door de Wereldomroep geschiedt in samenwerking met de Stichting. Ten behoeve van de verzorging van radioprogramma's door de Wereldomroep vindt samenwerking plaats met de Stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 52 tot en met 53a, 56a, eerste, vijfde en zesde lid, 64, eerste lid, aanhef en onderdeel d, 64b, eerste lid, en 64c is van overeenkomstige toepassing op de Wereldomroep en de door haar verzorgde programma's.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Ten minste vijftig procent van het televisieprogramma van de Wereldomroep bestaat uit programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn. Ten minste tien procent van het televisieprogramma van de Wereldomroep bestaat uit programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Artikel 54, tweede lid, derde volzin en onderdelen a tot en met d, en derde tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de programma’s van de Wereldomroep mogen programma-onderdelen van de Stichting Etherreclame worden opgenomen die bestaan uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, alsmede een omlijsting daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 39b, 41a en 50, achtste lid, met betrekking tot de zendtijd van de Stichting Etherreclame, is van overeenkomstige toepassing op het opnemen van programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid in de programma’s van de Wereldomroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 77</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wijzigingen in de statuten van de Wereldomroep behoeven de instemming van Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het bestuur van de Wereldomroep kan niet besluiten tot ontbinding van de Wereldomroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 78</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leden van het bestuur van de Wereldomroep worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Onze Minister wijst uit de leden de voorzitter aan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 79</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur van de Wereldomroep is voor zijn beleid verantwoording schuldig aan Onze Minister. Het bestuur maakt jaarlijks een verslag van de werkzaamheden van de Wereldomroep openbaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 80</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 81</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is een programmaraad die het bestuur van de Wereldomroep van advies dient over de inhoud van de programma's.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de programmaraad. De leden worden benoemd voor een periode van vijf jaren. Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het huishoudelijk reglement van de programmaraad behoeft de instemming van het bestuur van de Wereldomroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Stichting en de Wereldomroep roepen een commissie van overleg in het leven ter behartiging van aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De commissie pleegt onder meer overleg over: a. het wederzijds tegen betaling van vergoeding ter beschikking stellen van daarvoor in aanmerking komende omroepfaciliteiten, organen, diensten, alsmede van het hierbij werkzame personeel, en hulpmiddelen; b. buitenlandse aangelegenheden, die voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen en de Wereldomroep als geheel van belang zijn; en c. de wijze waarop de Stichting en de Wereldomroep samenwerken met het oog op de uitvoering van hun taken, alsmede het opstellen van het concessiebeleidsplan, bedoeld in artikel 30b, eerste lid, de tussentijdse concessiebeleidsplannen, bedoeld in artikel 30b, derde lid, de begroting, bedoeld in artikel 98b, en de begrotingen, bedoeld in de artikelen 99 en 108.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  VI</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het uitzenden van programma’s</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span><span class=\"lf-art-t\">Het gebruik van omroepzenders</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de aanbieder van een omroepzender toegestaan: a. programma’s van derden uit te zenden, indien de persoon of instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het programma, krachtens deze wet of krachtens de op die persoon of instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving gerechtigd is een voor uitzending bestemd programma te verzorgen; b. programma's uit te zenden die door de aanbieder zelf worden verzorgd, indien deze een instelling is die zendtijd heeft verkregen, of krachtens artikel 71a, eerste lid, toestemming heeft verkregen een programma uit te zenden of te doen uitzenden; c. programma’s uit te zenden die bestaan uit een onverkorte en rechtstreekse weergave van het verhandelde in een openbare vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van Provinciale Staten of van een gemeenteraad; d. toetsbeelden en informatie met betrekking tot de door middel van de omroepzender aangeboden programma’s en diensten uit te zenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het uitzenden van een programma door middel van een omroepzender wordt steeds als een oorspronkelijke uitzending aangemerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media kan aan natuurlijke of rechtspersonen toestemming verlenen door middel van een omroepzender een programma voor een bijzonder doel uit te zenden dat een beperkt bereik heeft of van beperkte duur is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de begrippen bijzonder doel, beperkt bereik en beperkte duur, bedoeld in het eerste lid, nader omschreven worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het Commissariaat kan aan het verlenen van toestemming als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">Het gebruik van frequentieruimte</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82d</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82e</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister, handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, wijst de frequentieruimte in de FM-band aan die wordt gebruikt voor het uitzenden van een radioprogramma dat overwegend bestaat uit Nederlandstalige muziek. Bij ministeriële regeling wordt nader omschreven in welke gevallen een radioprogramma aan deze eis voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister wijst, handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, andere frequentieruimte in de FM-band aan die slechts mag worden gebruikt voor het uitzenden van bij die aanwijzing vast te stellen categorieën radioprogramma’s die, gelet op hun aard, inhoud of doelgroep, verhoudingsgewijs lage inkomsten uit reclame of verhoudigingsgewijs hoge kosten meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien aard en omvang van de frequentieruimte in de FM-band die beschikbaar is voor het uitzenden van radioprogramma’s daartoe aanleiding geeft, kan Onze Minister, handelend in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, afzien van het aanwijzen van frequentieruimte in de FM-band op grond van het eerste en tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82f</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de uitzending van radioprogramma’s van eenzelfde instelling wordt niet meer frequentieruimte gebruikt dan één FM-frequentie of samenstel van FM-frequenties.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen een aantal met elkaar verbonden instellingen voor de toepassing van het eerste lid als één instelling wordt aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van het eerste lid, indien dat wenselijk is vanuit een oogpunt van doelmatig gebruik van frequentieruimte. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen verschillende categorieën frequentieruimte, bestaande uit FM-frequenties en samenstellen van FM-frequenties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82g</span><span class=\"lf-art-t\">De artikelen 82e en 82f zijn niet van toepassing op:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. de frequentieruimte die wordt gebruikt voor de uitzending van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen, of van de programma’s van de Wereldomroep; b. frequentieruimte die wordt gebruikt ten behoeve van uitzending door middel van een satelliet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3</span><span class=\"lf-art-t\">Het gebruik van omroepnetwerken</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82h</span><span class=\"lf-art-t\">Het is de aanbieder van een omroepnetwerk toegestaan:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">a. programma’s van derden uit te zenden, indien de persoon of instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het programma, krachtens deze wet of krachtens de op die persoon of instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving gerechtigd is een voor uitzending bestemd programma te verzorgen; b. programma's uit te zenden die door de aanbieder zelf worden verzorgd, indien deze krachtens artikel 71a, eerste lid, toestemming heeft verkregen een programma uit te zenden of te doen uitzenden; c. programma’s uit te zenden die bestaan uit een onverkorte en rechtstreekse weergave van het verhandelde in een openbare vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van Provinciale Staten of van een gemeenteraad; d. toetsbeelden en informatie met betrekking tot de door middel van het omroepnetwerk aangeboden programma’s en diensten uit te zenden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82i\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82i</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder van een omroepnetwerk zendt onverkort, ongewijzigd en gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk ten minste vijftien televisieprogramma's voor algemene omroep en ten minste vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep uit, waaronder in ieder geval: a. de televisie- en radioprogramma's waarvoor zendtijd is verkregen voor landelijke omroep en die worden uitgezonden op de televisie- en radioprogrammanetten, bedoeld in artikel 40, eerste en derde lid; b. het televisie- en radioprogramma, bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51e, waarvoor zendtijd is verkregen voor regionale omroep dan wel waarvoor toestemming is verkregen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, bestemd voor de provincie of deel van de provincie waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt; c. het televisie- en radioprogramma, bedoeld in de artikelen 30, onderdeel b, en 51f, waarvoor zendtijd is verkregen voor lokale omroep, dan wel waarvoor toestemming is verkregen als bedoeld in artikel 66, eerste lid, bestemd voor de gemeente waarbinnen het omroepnetwerk zich bevindt; d. twee televisieprogramma's en twee radioprogramma's van de Nederlandstalige landelijke Belgische omroepdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Voor zover een instelling die zendtijd heeft verkregen voor lokale omroep andere programma's voor algemene omroep dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, verzorgt, die gericht zijn op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden, zendt de aanbieder van een omroepnetwerk deze onverkort, ongewijzigd en gelijktijdig met de oorspronkelijke uitzending uit naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk, met dien verstande dat deze verplichting geldt voor uitzendingen op ten hoogste twee kanalen voor televisie en vijf kanalen voor radio. Op de volgens de vorige volzin doorgegeven programma's is artikel 51f, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Indien op eenzelfde kanaal van een omroepnetwerk niet gelijktijdig verschillende programma's voor algemene omroep worden uitgezonden, worden deze programma's voor de toepassing van het eerste lid als één programma aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het is de aanbieder van een omroepnetwerk toegestaan naar een aangeslotene op het omroepnetwerk, op diens verzoek, minder dan vijftien televisieprogramma's voor algemene omroep en minder dan vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep uit te zenden, mits ten minste de programma's genoemd in het eerste lid, onder a tot en met d, worden uitgezonden, en mits aan de desbetreffende aangeslotene een tarief in rekening wordt gebracht dat evenredig lager is dan het tarief dat in rekening wordt gebracht voor de ontvangst van het met inachtneming van het eerste lid uitgezonden aantal programma's. Het derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het Commissariaat voor de Media kan een aanbieder van een omroepnetwerk desgevraagd geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, indien de kosten voor het onverkort nakomen van deze verplichtingen niet opwegen tegen het belang dat de aangeslotenen op het omroepnetwerk verzekerd zijn van de ontvangst van de programma's, bedoeld in het eerste en tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82j\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82j</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82k\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82k</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In gemeenten waar een omroepnetwerk aanwezig is, stelt de gemeenteraad een programmaraad in die de aanbieder van het omroepnetwerk adviseert welke vijftien televisieprogramma's voor algemene omroep en vijfentwintig radioprogramma's voor algemene omroep hij krachtens artikel 82i, eerste lid, ten minste uitzendt naar alle aangeslotenen op het netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De aanbieder van een omroepnetwerk kan de programmaraad voorts een advies vragen over de overige programma's voor algemene omroep die hij uitzendt naar alle aangeslotenen op het omroepnetwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De programmaraad maakt in zijn advies een duidelijk onderscheid tussen advisering als bedoeld in het eerste lid en advisering als bedoeld in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Onverminderd artikel 82i, gaat de programmaraad in zijn advisering uit van een pluriforme samenstelling van het pakket programma's voor algemene omroep, rekening houdend met de in de gemeente levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke behoeften.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De aanbieder van een omroepnetwerk volgt het advies, bedoeld in het eerste lid, tenzij zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82l\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82l</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leden van een programmaraad als bedoeld in artikel 82k, eerste lid, worden benoemd door de gemeenteraad van de gemeente waar het omroepnetwerk aanwezig is. In gemeenten waar reeds een programmaraad functioneert, vindt de benoeming plaats na overleg met deze programmaraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien een aantal omroepnetwerken gekoppeld is en daardoor feitelijk als één omroepnetwerk functioneert, wordt met betrekking tot die gekoppelde omroepnetwerken één programmaraad ingesteld door de onderscheidene gemeenteraden gezamenlijk. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor benoeming tot lid van een programmaraad komen in aanmerking personen die: a. woonachtig zijn in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft, en b. die aangesloten zijn op het omroepnetwerk in dat gebied, dan wel deel uitmaken van een huishouden dat daarop is aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Met het lidmaatschap van een programmaraad zijn onverenigbaar: a. een lidmaatschap van een gemeenteraad in een gemeente die behoort tot het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft, b. een lidmaatschap van een College van Burgemeester en Wethouders in een gemeente als bedoeld in onderdeel a, c. een binding met de aanbieder van het omroepnetwerk dat aanwezig is in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft, en d. een lidmaatschap van het bestuur van of een betrekking, al dan niet tegen betaling, bij een instelling van de publieke omroep dan wel een commerciële omroepinstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Een vacature van de programmaraad wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De leden van een programmaraad worden benoemd voor een periode van vier jaar met de mogelijkheid van een eenmalige herbenoeming voor dezelfde periode.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82m\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82m</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De programmaraad is representatief voor de belangrijkste in de gemeente of gemeenten voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen en beschikt als geheel over voldoende kennis van de informatiebehoeften van bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling binnen het kijk- en luisterpubliek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De gemeenteraad bepaalt de omvang van een programmaraad, met dien verstande dat een programmaraad bestaat uit ten minste zeven en ten hoogste vijftien leden. Artikel 82l, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82n\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82n</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een programmaraad beschikt over een reglement waarin in ieder geval regels zijn opgenomen over: a. de wijze waarop de instelling, de taak en de samenstelling van de programmaraad kenbaar wordt gemaakt aan de aangeslotenen op het omroepnetwerk in het gebied waarop het advies van de programmaraad betrekking heeft, en b. de totstandkoming, de inhoud, de vaststelling, de openbaarmaking en de geldigheidsduur van het advies van de programmaraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het reglement van een programmaraad voorziet in een transparante adviesprocedure.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82o\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82o</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 82k tot en met 82n zijn niet van toepassing op de aanbieder van een omroepnetwerk waaraan het Commissariaat voor de Media ontheffing heeft verleend op grond van artikel 82i, vijfde lid.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  VII</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het Bedrijf</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf N.V. maakt de programma's van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, gereed voor uitzending en doet deze programma's uitzenden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 84</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is het Bedrijf, na toestemming door Onze Minister, toegestaan de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 83, geheel of ten dele te doen geschieden door een andere rechtspersoon, indien de desbetreffende rechtspersoon: a. is opgericht in overeenstemming met het recht van een der lidstaten van de Europese Unie; b. een geplaatst kapitaal heeft dat voor ten minste eenenvijftig procent wordt verschaft door het Bedrijf; en c. een rechtspersoon is waarin het Bedrijf de bevoegdheid heeft de meerderheid van de bestuurders te benoemen, te schorsen en te ontslaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister kan aan het verlenen van toestemming voorschriften verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In geval van toepassing van het eerste lid, blijft het Bedrijf jegens Onze Minister verantwoordelijk. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is jegens het Bedrijf verplicht tot naleving van de ingevolge deze wet op het Bedrijf rustende verplichtingen. Het Bedrijf geeft aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, daartoe de nodige instructies, die deze gehouden is op te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In geval van toepassing van het eerste lid, geldt het bij of krachtens de artikelen 88 tot en met 95 en artikel 173 bepaalde met betrekking tot het Bedrijf mede ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 85</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 86</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 87</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 88</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Bedrijf draagt er zorg voor dat de programma's die worden aangeboden door instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, worden uitgezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien zich een onverwachte gebeurtenis van nationaal of groot maatschappelijk belang of een onverwachte internationale gebeurtenis van bijzondere aard voordoet, stelt het Bedrijf op verzoek van de Stichting de faciliteiten ter beschikking die nodig zijn om de verslaglegging van die gebeurtenis door de Stichting mogelijk te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 89</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 83, stelt Onze Minister gelden ter beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Aan het ter beschikking stellen van gelden kunnen voorschriften worden verbonden. Onze Minister kan de beschikking tot het ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen, indien de aan de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Bedrijf brengt aan de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, geen tarieven in rekening voor de activiteiten waarvoor Onze Minister met toepassing van artikel 89 aan het Bedrijf gelden ter beschikking stelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 91</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Bedrijf voert voor de taak, bedoeld in artikel 83, een boekhouding die inzicht geeft in de financiën die op die taak afzonderlijk betrekking hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 93</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De begroting en jaarrekening van het Bedrijf met betrekking tot de taak, bedoeld in artikel 83, behoeven de instemming van Onze Minister. Deze hoort daaromtrent de Stichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 94</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op vordering van de Staat heft de voorzieningenrechter in kort geding een beslag op bezittingen van het Bedrijf op voor zover het beslag de uitzending van programma’s in gevaar brengt en dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd is met het algemeen belang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 95</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Bedrijf in strijd handelt met artikel 83, is Onze Minister bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 96</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 97</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 98</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  VIII</h3>\n<p class=\"lf-p\">Financiering</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span><span class=\"lf-art-t\">De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 98a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur stelt jaarlijks vóór 1 augustus voor elk televisie- en radioprogrammanet een netbegroting op.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De netbegrotingen bevatten in ieder geval: a. een beschrijving van de wijze waarop op het televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet, invulling wordt gegeven aan de voorgenomen programmering, rekening houdend met het netprofiel van het televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel e, en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 13c en hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de programma's en de programmering op de televisie- en radioprogrammanetten; b. een beschrijving van de voornemens van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en wier zendtijd op het net is ingedeeld met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid; c. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens met betrekking tot de programmering op het televisie-, onderscheidenlijk radioprogrammanet, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, te verwezenlijken, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende vier jaren; d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De netbegrotingen hebben geen betrekking op het programma en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De wettelijke bepalingen omtrent de inhoud en inrichting van de begroting, bedoeld in artikel 99, zijn van overeenkomstige toepassing op de netbegrotingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 98b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 augustus een begroting voor het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, alsmede de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De begroting, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de voorgenomen programmering van de Stichting, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 13c en hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de programma's en de programmering op de televisie- en radioprogrammanetten; b. een beschrijving van de voornemens van de Stichting met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid; c. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar naar het oordeel van de raad van bestuur nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van de verzorging van het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende vier jaren; d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; e. een beschrijving van de samenwerking met de Wereldomroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De wettelijke bepalingen omtrent de inhoud en inrichting van de begroting, bedoeld in artikel 99, zijn van overeenkomstige toepassing op de begroting van de Stichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 98c</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 99</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Stichting doet jaarlijks voor 1 oktober een begroting voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, toekomen aan Onze Minister en het Commissariaat voor de Media. De begroting wordt, rekening houdende met de netbegrotingen, bedoeld in artikel 98a, door de raad van bestuur vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De begroting bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de wijze waarop door de instellingen die zendtijd hebben verkregen op de televisie- en radioprogrammanetten invulling wordt gegeven aan de voorgenomen programmering, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens artikel 13c en hetgeen overigens bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de programma's en de programmering op de televisieen radioprogrammanetten; b. een beschrijving van de voornemens van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep met betrekking tot activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid; c. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar nodig zullen zijn om de voornemens van de landelijke omroep en van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, te verwezenlijken, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende vier jaren; d. een beschrijving van de wijze waarop de raad van bestuur voornemens is het bedrag dat beschikbaar is voor versterking van de programmering, de gelden, bedoeld in artikel 106a, alsmede de uitkeringen, bedoeld in artikel 170c, tweede lid, te besteden; e. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; f. een beschrijving van de samenwerking met de Wereldomroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In de begroting worden afzonderlijk opgenomen: a. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van de verzorging van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, van de Programmastichting en de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°. het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, van de Stichting;</p>\n<p class=\"lf-p\">3°. het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, van de educatieve omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep;</p>\n<p class=\"lf-p\">4°. de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen; b. de bedragen die nodig zullen zijn voor het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, door de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; c. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. de Stichting, voor zover die kosten niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma en het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid; en 2°. het uitzenden van de programma's van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; d. de bedragen die nodig zullen zijn voor de versterking van de programmering; e. de eigen inkomsten van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, voor zover die moeten worden aangewend voor de verzorging van het programma; f. het aantal uren zendtijd, dat de Programmastichting en de omroepverenigingen ten minste zullen gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In de begroting wordt tevens aangegeven de hoogte van de bedragen: a. die de omroepverenigingen voornemens zijn te besteden aan programma-onderdelen van informatieve, educatieve en culturele aard, waaronder programma-onderdelen die betrekking hebben op kunst; b. die de omroepverenigingen voornemens zijn te besteden aan programma-onderdelen die gericht zijn op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder in elk geval jeugd en minderheden; c. die de Programmastichting voornemens is te besteden aan programma-onderdelen van culturele aard en programma-onderdelen gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder in elk geval jeugd en minderheden; d. de bedragen die de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijk omroep voornemens zijn te besteden aan programma-onderdelen als bedoel in artikel 54, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De begroting bevat tevens: a. een beschrijving van de wijze waarop door de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep in het afgelopen jaar invulling is gegeven aan de programmering; b. een beschrijving van de mate waarin in het afgelopen jaar de in de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 30b, zevende lid, vastgelegde doelstellingen met betrekking tot het programma-aanbod en het publieksbereik van de landelijke omroep zijn bereikt; c. een overzicht van de feitelijke bestedingen van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, ingedeeld volgens de onderverdeling die in het tweede tot en met vierde lid is opgenomen, welk overzicht in ieder geval betrekking heeft op de twee voorafgaande kalenderjaren; d. een verslag over de naleving van de gedragscode, bedoeld in artikel 16, vijfde lid, in het afgelopen jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Ten behoeve van het opstellen van het overzicht van de feitelijke bestedingen doet elke instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, jaarlijks voor 1 mei aan de Stichting toekomen een individuele opgave van haar feitelijke bestedingen in het voorafgaande kalenderjaar, ingedeeld volgens de onderverdeling die in het tweede tot en met vierde lid is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De begroting wordt door de raad van bestuur openbaar gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 99a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud en inrichting van de begroting, bedoeld in artikel 99.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 100</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media zendt voor 1 november zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting, bedoeld in artikel 99, aan Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 101</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december vast welke bedragen voor het volgende kalenderjaar beschikbaar zijn voor de kosten van: a. de verzorging van de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Programmastichting en de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen tezamen; b. de verzorging van het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de activiteiten, als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting; c. de verzorging van het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de educatieve omroepinstelling die zendtijd heeft verkregen; d. de verzorging van televisieprogramma's onderscheidenlijk radioprogramma's en de activiteiten, bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen tezamen; e. de verzorging van de televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, van de overige instellingen die zendtijd hebben verkregen, te zamen; f. de Stichting, voor zover die kosten niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma; g. het uitzenden van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep; en h. de versterking van de programmering.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister stelt de bedragen voor het volgende kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, vast op tachtig procent van de overeenkomstige bedragen die zijn vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, indien de Stichting de begroting, bedoeld in artikel 99, niet tijdig en met inachtneming van de regels, gesteld krachtens artikel 99a, aan Onze Minister heeft doen toekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het bedrag dat beschikbaar is voor versterking van de programmering, bedraagt vijfentwintig procent van het totaal van de bedragen die beschikbaar zijn voor de verzorging van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag. Onder versterking van de programmering wordt verstaan: a. versterking van het onderscheidend karakter van de programmering van de publieke omroep; b. bevordering van een herkenbare programmering op de onderscheiden televisie- en radioprogrammanetten, waaronder tevens wordt verstaan bevordering van samenwerkingsprojecten op en tussen de programmanetten; c. bevordering van de programmering van programma-onderdelen gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen, waaronder in elk geval jeugd en minderheden; d. bevordering van de programmering van programma-onderdelen van culturele aard en programma-onderdelen die betrekking hebben op kunst, waaronder in elk geval toneel, documentaires, film, hoorspelen, klassieke muziek en opera.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het bedrag dat beschikbaar is voor versterking van de programmering, komt geheel ten goede aan de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 102</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt de bedragen, bedoeld in artikel 101, eerste lid, ter beschikking van de raad van bestuur. De raad van bestuur verdeelt de bedragen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 103</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 januari, op basis van het door Onze Minister met toepassing van artikel 101, eerste lid, onderdeel a, genomen besluit, vast welke bedragen voor het volgende kalenderjaar ter beschikking worden gesteld aan de Programmastichting en de omroepverenigingen die zendtijd hebben verkregen, ten behoeve van de verzorging van hun televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, met dien verstande dat: a. de Programmastichting en de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel a, elk hetzelfde bedrag ontvangen; b. de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 39, eerste lid, aanhef en onderdeel b, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftig procent van het bedrag, bedoeld in onderdeel a; en c. de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning hebben verkregen, elk een bedrag ontvangen ter hoogte van vijftien procent van het bedrag, bedoeld in onderdeel a.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De raad van bestuur stelt jaarlijks voor 1 januari, op basis van het door Onze Minister met toepassing van artikel 101, eerste lid, onderdelen d en e, genomen besluit, vast welk bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, die is toegewezen en gebruikt, voor het volgende kalenderjaar ter beschikking wordt gesteld aan de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen, en aan de overheid ten behoeve van overheidsvoorlichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, bedoeld in het tweede lid, kan verschillend zijn per categorie instellingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 103a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De raad van bestuur kan voor een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, de voor het volgende kalenderjaar vast te stellen bedragen, bedoeld in artikel 103, eerste en tweede lid, verminderen met ten hoogste 15% van de overeenkomstige bedragen die zijn vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, indien de desbetreffende instelling inbreuk heeft gemaakt op bindende besluiten van de raad van bestuur, dan wel indien een omroepvereniging of de educatieve omroepinstelling naar het oordeel van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking, bedoeld in artikel 32, derde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 103b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover er een verschil bestaat tussen het totaal van de bedragen die op basis van artikel 102 door Onze Minister ter beschikking zijn gesteld van de raad van bestuur, en het totaal van de bedragen die op basis van de artikelen 103 en 103a door de raad van bestuur ter beschikking worden gesteld aan de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, wordt dit verschil door de raad van bestuur aangewend ter versterking van de programmering. Artikel 101, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 104</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Programmastichting , de omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling die zendtijd hebben verkregen, ontvangen van de raad van bestuur het op basis van artikel 103, eerste lid, of artikel 103a vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van de verzorging van hun televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het op basis van artikel 101, eerste lid, onderdeel b, of artikel 103a vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van het televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting blijft ter beschikking van de raad van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De overige instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, ontvangen van de raad van bestuur ter vergoeding van de kosten van de verzorging van hun televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, een bedrag dat verkregen wordt door vermenigvuldiging van het aantal toegewezen en gebruikte uren zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's, met het op basis van artikel 103, tweede en derde lid, of artikel 103a berekende bedrag per uur zendtijd voor televisieprogramma's, onderscheidenlijk radioprogramma's.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In bijzondere gevallen kan de raad van bestuur op aanvraag van een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, bepalen dat ten hoogste tien procent van het bedrag dat aan die instelling ter beschikking wordt gesteld ter vergoeding van de kosten van de verzorging van haar radioprogramma, kan worden besteed aan de kosten van de verzorging van haar televisieprogramma, of andersom.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 105</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het op basis van artikel 101, eerste lid, onderdeel f, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten die niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van het programma en de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de Stichting die niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van het programma van de Stichting, blijft ter beschikking van de raad van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het op basis van artikel 101, eerste lid, onderdeel g, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van het uitzenden van de programma’s van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, blijft ter beschikking van de raad van bestuur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 106</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, ontvangen van de raad van bestuur voorschotten volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Wanneer blijkt dat de voorschotten worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn gegeven, kan de raad van bestuur de verstrekking van voorschotten beëindigen of verminderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 106a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister kan – naast de bedragen, bedoeld in artikel 101, eerste lid – gelden ter beschikking stellen van de raad van bestuur, welke gelden voor doeleinden die door Onze Minister bij het ter beschikking stellen zijn vastgesteld, kunnen worden aangewend ten behoeve van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Aan het ter beschikking stellen van gelden kunnen voorschriften worden verbonden. Onze Minister kan de beschikking tot het ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen, indien de aan de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 106b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is niet van toepassing op politieke partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 107</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het provinciebestuur draagt zorg voor de bekostiging van het functioneren van ten minste één regionale omroepinstelling in de provincie door vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het functioneren van de regionale omroepinstelling, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat een kwalitatief hoogwaardige programmering mogelijk is en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd. Deze bekostiging waarborgt in ieder geval dat per provincie het in 2004 bestaande niveau van de activiteiten met betrekking tot de verzorging van radio- en televisieprogramma’s en van de activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van de regionale omroepinstelling(en) ten minste gehandhaafd blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Aan de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, worden geen voorwaarden gesteld of voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit artikel, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 3</span><span class=\"lf-art-t\">De Wereldomroep</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 108</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Wereldomroep doet jaarlijks voor 1 oktober een begroting toekomen aan Onze Minister en het Commissariaat voor de Media.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De begroting bevat in ieder geval: a. een beschrijving van de wijze waarop door de Wereldomroep uitvoering wordt gegeven aan haar taak, bedoeld in artikel 76; b. de hoogte van de bedragen die voor het volgende kalenderjaar nodig zullen zijn om de voornemens van de Wereldomroep te verwezenlijken, alsmede een financieel overzicht, inhoudende een raming van de voorziene benodigde middelen voor de daarop volgende vier jaren; c. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; d. een beschrijving van de wijze van samenwerking met de Stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In de begroting worden afzonderlijk opgenomen: a. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van de verzorging van de programma’s van de Wereldomroep; b. de bedragen die nodig zullen zijn ter bestrijding van de kosten van:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. de Wereldomroep, voor zover die kosten niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma's; en 2°. het uitzenden van de programma’s van de Wereldomroep; c. de eigen inkomsten van de Wereldomroep, voor zover die moeten worden aangewend voor de verzorging van de programma's.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 In de begroting wordt tevens een overzicht gegeven van de feitelijke bestedingen van de Wereldomroep. Het overzicht heeft in ieder geval betrekking op de twee voorafgaande kalenderjaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 In de begroting wordt tevens aangegeven het aantal uren dat de Wereldomroep voornemens is te besteden aan programma-onderdelen die zijn geproduceerd door of in opdracht van een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, dan wel voor programma-onderdelen die reeds als programma-onderdelen van een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, zijn uitgezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud en inrichting van de begroting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 108a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media zendt voor 1 november zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting, bedoeld in artikel 108, aan Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 108b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 december vast welke bedragen voor het volgende kalenderjaar beschikbaar zijn voor de kosten van: a. de verzorging van de programma’s van de Wereldomroep; b. de Wereldomroep, voor zover die kosten niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma's; en c. het uitzenden van de programma’s van de Wereldomroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister stelt de bedragen voor het volgende kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, vast op tachtig procent van de overeenkomstige bedragen die zijn vastgesteld voor het lopende kalenderjaar, indien de Wereldomroep de begroting, bedoeld in artikel 108, niet tijdig en met inachtneming van de regels, gesteld krachtens artikel 108, zesde lid, aan Onze Minister heeft doen toekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 108c</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt de bedragen, bedoeld in artikel 108b, eerste lid, ter beschikking van het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat besteedt deze bedragen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 108d</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media het op basis van artikel 108b, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van de verzorging van haar programma's.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media het op basis van artikel 108b, eerste lid, onderdeel b, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten die niet rechtstreeks samenhangen met de verzorging van haar programma's.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media het op basis van artikel 108b, eerste lid, onderdeel c, vastgestelde bedrag ter vergoeding van de kosten van het uitzenden van haar programma's.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-108e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 108e</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Wereldomroep ontvangt van het Commissariaat voor de Media voorschotten volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Wanneer blijkt dat de voorschotten worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn gegeven, kan het Commissariaat de verstrekking van voorschotten beëindigen of verminderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4</span><span class=\"lf-art-t\">De rekening en verantwoording</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 109</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep – met uitzondering van de overheid – en de Wereldomroep leggen financiële rekening en verantwoording af aan het Commissariaat voor de Media ten behoeve van de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven. Zij doen daartoe jaarlijks voor 1 mei hun jaarrekening toekomen aan het Commissariaat. Het boekjaar is gelijk aan een kalenderjaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep – met uitzondering van de overheid – doen jaarlijks voor 1 mei een afschrift van hun jaarrekening over het voorafgaande boekjaar toekomen aan de raad van bestuur. De raad van bestuur zendt voor 1 juni zijn opmerkingen met betrekking tot de jaarrekeningen aan het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Titel 9 van het Tweede Boek van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de instellingen, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat zij de winst- en verliesrekening vervangen door een exploitatierekening; op deze rekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De jaarrekening bevat tevens de gegevens, bedoeld in artikel 99, zesde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting van de jaarrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het Commissariaat brengt als onderdeel van het financieel verslag, bedoeld in artikel 12, tweede lid, verslag uit over de rechtmatigheidstoetsing, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 109a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het bedrag dat aan een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, ter beschikking is gesteld voor de verzorging van haar televisieprogramma, onderscheidenlijk radioprogramma, en activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, de blijkens de jaarrekening daarvoor gemaakte kosten te boven gaat, wordt het resterende deel door die instelling gereserveerd ter besteding aan het doel waarvoor het bedrag oorspronkelijk ter beschikking was gesteld, onverminderd artikel 104, vierde lid. De raad van bestuur kan voor deze reserveringen een maximum per categorie instellingen vaststellen. Indien het deel van het ter beschikking gestelde bedrag dat niet nodig is om de kosten te dekken, groter is dan het in de vorige zin bedoelde maximum, wordt het verschil door de instelling terugbetaald aan de raad van bestuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien het bedrag dat krachtens artikel 108d, eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid, aan de Wereldomroep ter beschikking is gesteld, de blijkens de jaarrekening gemaakte kosten te boven gaat, wordt het resterende deel door de Wereldomroep gereserveerd ter besteding aan het doel waarvoor het bedrag oorspronkelijk ter beschikking was gesteld. Het Commissariaat voor de Media kan voor deze reserveringen een maximum vaststellen. Indien het deel van het ter beschikking gestelde bedrag dat niet nodig is om de kosten te dekken, groter is dan het in de vorige zin bedoelde maximum, wordt het verschil door de instelling terugbetaald aan het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor zover ter beschikking gestelde bedragen zijn gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven: a. betaalt de instelling op eerste vordering van het Commissariaat deze bedragen terug aan de raad van bestuur, tenzij het de Stichting of de Wereldomroep betreft; b. betaalt de Stichting of de Wereldomroep op eerste vordering van het Commissariaat deze bedragen terug aan het Commissariaat; c. betaalt, indien het gelden als bedoeld in artikel 101, eerste lid, onderdeel h, en derde en vierde lid, artikel 106a, of artikel 170c, tweede lid, betreft die aan de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen beschikbaar zijn gesteld en onverminderd de onderdelen a en b, de instelling op eerste vordering van de raad van bestuur deze bedragen terug aan de raad van bestuur; d. betaalt, indien de in onderdeel c bedoelde gelden met instemming van de raad van bestuur zijn gebruikt, de raad van bestuur op eerste vordering van het Commissariaat deze bedragen terug aan het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Indien de toewijzing van zendtijd aan een instelling wordt beëindigd, betaalt zij de reserveringen, bedoeld in het eerste lid, en de ter beschikking gestelde bedragen, voor zover deze niet zijn gebruikt overeenkomstig artikel 104, op eerste vordering aan de raad van bestuur terug.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 109b</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien met toepassing van deze wet een bijdrage in investeringen is verleend aan een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, betaalt de instelling bij vervreemding van het desbetreffende onroerend goed of bij beëindiging van de haar toegewezen zendtijd de vergoeding terug aan de raad van bestuur. De terug te betalen bijdrage wordt evenwel verminderd met de door de raad van bestuur vast te stellen afschrijvingspercentages voor elk vol jaar dat is verstreken sedert de vergoeding is gegeven. Terugbetaalde vergoedingen worden aangewend ter versterking van de programmering en de coördinatie; artikel 101, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien met toepassing van deze wet een bijdrage in investeringen is verleend aan een instelling die zendtijd voor regionale omroep heeft verkregen, betaalt de instelling bij vervreemding van het desbetreffende onroerend goed of bij beëindiging van de haar toegewezen zendtijd de vergoeding terug aan het Commissariaat voor de Media. De terug te betalen bijdrage wordt evenwel verminderd met de door het Commissariaat vast te stellen afschrijvingspercentages voor elk vol jaar dat is verstreken sedert de vergoeding is gegeven. Terugbetaalde vergoedingen worden aangewend ter bestrijding van de kosten, bedoeld in artikel 28, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 28, onderdeel d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 109c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, haar jaarrekening niet tijdig aan het Commissariaat voor de Media doet toekomen, vermindert de raad van bestuur op eerste verzoek van het Commissariaat de verstrekking van de bevoorschotting, bedoeld in artikel 106, eerste lid, met twintig procent. Indien een instelling ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat in gebreke blijft met het indienen van haar jaarrekening, kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de verstrekking van de bevoorschotting verder te verminderen of te beëindigen. De raad van bestuur voldoet terstond aan een dergelijk verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Indien de Wereldomroep zijn jaarrekening niet tijdig aan het Commissariaat doet toekomen, vermindert het Commissariaat de verstrekking van de bevoorschotting, bedoeld in artikel 108e, eerste lid, met twintig procent. Indien de Wereldomroep ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat in gebreke blijft met het indienen van zijn jaarrekening, kan het Commissariaat de verstrekking van de bevoorschotting verder verminderen of beëindigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 109d</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze paragraaf is op kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag slechts van toepassing, voor zover het betreft de activiteiten en financiën die betrekking hebben op de omroepactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Deze paragraaf is niet van toepassing op politieke partijen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 109e</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instellingen die zendtijd hebben verkregen voorzien op onafhankelijke wijze in publieke omroep door verzorging van publieke omroepprogramma's. Daartoe hebben de instellingen die zendtijd hebben verkregen op de wijze zoals geregeld in deze wet aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas die een kwalitatief hoogwaardige programmering mogelijk maakt en waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 111</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter uitvoering van artikel 110 en ter bestrijding van de overige kosten genoemd in artikel 28, met uitzondering van de onder d bedoelde, wordt onder de naam rijksomroepbijdrage jaarlijks door Onze Minister een bedrag beschikbaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid bedoelde rijksomroepbijdrage bestaat ten minste uit het bedrag van de in het jaar 1998 door de Dienst omroepbijdragen op grond van de toen geldende bepalingen van deze wet aan Onze Minister afgedragen inkomsten. Onze Minister stelt het in de vorige volzin bedoelde bedrag jaarlijks bij met de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index voor de groei van het aantal huishoudens in Nederland en met de door het Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het op grond van het tweede lid vastgestelde bedrag van de rijksomroepbijdrage wordt verminderd met € 92,448 miljoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste tot en met derde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Aan de beschikbaarheid van de rijksomroepbijdrage worden geen andere voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die bij of krachtens deze wet zijn of kunnen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 Het in het tweede lid bedoelde bedrag wordt verlaagd met het bedrag dat over het kalenderjaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikellid ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Media, beschikbaar wordt gesteld ten behoeve van regionale omroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 111a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 111b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-111c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 111c</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 112</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 113</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 114</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 115</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 116</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 117</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 117a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 118</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 119</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 120</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 121</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122c</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122d</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122e</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122f</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122g</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122h</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122i\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122i</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122j\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122j</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122k\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122k</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122l\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122l</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122m\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122m</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122n\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122n</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  IX</h3>\n<p class=\"lf-p\">Steunmaatregelen voor persorganen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 123</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is een Stimuleringsfonds voor de pers dat ten doel heeft het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming. Het Stimuleringsfonds heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente 's-Gravenhage.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Naast de taken die het Stimuleringsfonds heeft op grond van andere wettelijke bepalingen, heeft het Stimuleringsfonds tot taak: a. het uitoefenen van toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde met betrekking tot de pers b. het verrichten dan wel doen verrichten van onderzoek met betrekking tot het functioneren van de pers.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Met het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde toezicht op de naleving zijn belast de leden van het bestuur van het Stimuleringsfonds en de bij besluit van het bestuur daartoe aangewezen medewerkers van het Stimuleringsfonds.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Van een besluit als bedoeld in het derde lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 124</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Stimuleringsfonds voor de pers heeft een bestuur dat bestaat uit een voorzitter en zes andere leden. Zij worden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemd en ontslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Een benoeming geschiedt voor een periode van vijf jaren. Herbenoeming voor een aansluitende periode is éénmaal mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Met het lidmaatschap van het bestuur zijn onverenigbaar: a. een betrekking in dienst bij een ministerie of bij een instelling of een dienst die, dan wel een bedrijf dat, onder de verantwoordelijkheid van een minister werkzaam is; b. een bestuurslidmaatschap bij, of een betrekking in dienst van een persorgaan, of de uitgever van een persorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Naast ontslag op eigen verzoek van de betrokkene is ontslag alleen mogelijk op grond van ongeschiktheid, wegens het hebben van financiële belangen bij instellingen ten aanzien waarvan het Stimuleringsfonds wettelijke bevoegdheden heeft en wegens het aanvaarden van een betrekking die, of van een lidmaatschap dat met het lidmaatschap van het bestuur van het Stimuleringsfonds onverenigbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bezoldiging en de verdere rechtspositie van de bestuursleden van het Stimuleringsfonds en van zijn personeel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 125</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het bestuur van het Stimuleringsfonds voor de pers neemt besluiten bij meerderheid van stemmen. Van een besluit tot steunverlening wordt binnen een week nadat het is genomen mededeling gedaan aan Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het bestuur stelt regels vast over de besluitvorming en de werkwijze van het bestuur. Deze regels behoeven de instemming van Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van het Stimuleringsfonds voor de pers worden door Onze Minister vergoed. De begroting en de jaarrekening behoeven zijn instemming.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 127</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten van het Stimuleringsfonds voor de pers kunnen gedurende zes weken na de mededeling daarvan aan Onze Minister, dan wel gedurende de tijd dat het besluit is geschorst, bij koninklijk besluit worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Schorsing van besluiten van het Stimuleringsfonds kan slechts plaatsvinden gedurende vier weken dagen na de mededeling daarvan aan Onze Minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 In afwijking van artikel 10:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan schorsing of vernietiging alleen geschieden wegens strijd met het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Een koninklijk besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing of tot vernietiging wordt in het Staatsblad geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Een besluit tot toekenning van financiële steunverlening treedt eerst in werking na afloop van een termijn van vier weken of zoveel eerder als Onze Minister heeft medegedeeld niet tot een voordracht voor schorsing of vernietiging over te gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 128</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister bepaalt welk percentage van de inkomsten uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen van de Stichting Etherreclame, de lokale en regionale omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen, en de commerciële omroepinstellingen jaarlijks wordt uitgekeerd ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de pers. Dit percentage is niet hoger dan vier.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De uitgaven van het Stimuleringsfonds worden bestreden uit de in het eerste lid bedoelde inkomsten en uit andere beschikbare middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Onze Minister kan nadere regels geven over de vaststelling van de in het eerste lid bedoelde inkomsten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 129</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Stimuleringsfonds voor de pers kan binnen de door Onze Minister met toepassing van artikel 128 beschikbaar gestelde bedragen ten behoeve van persorganen aan de uitgever van een persorgaan financiële steun verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Financiële steun kan uitsluitend worden verleend ten behoeve van persorganen die voldoen aan de volgende eisen: a. zij worden in Nederland uitgegeven en zijn bestemd voor het publiek in Nederland; b. zij bevatten in belangrijke mate nieuws, analyse, commentaar en achtergrondinformatie over een gevarieerd deel van de maatschappelijke actualiteit, mede in het belang van politieke meningsvorming; c. zij worden geredigeerd door een zelfstandige redactie op basis van een statuut waarin de redactionele identiteit is neergelegd; d. zij verschijnen regelmatig en tenminste maandelijks; e. zij zijn voor iedereen verkrijgbaar; f. zij worden verkrijgbaar gesteld tegen betaling; g. zij worden niet uitgegeven door of vanwege de overheid; h. zij worden niet uitgegeven of verspreid in samenhang met het lidmaatschap, donateurschap of deelnemerschap van een vereniging, kerkgenootschap of andere organisatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 130</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Stimuleringsfonds voor de pers kan ten behoeve van persorganen individuele financiële steun verlenen in de vorm van krediet en kredietfaciliteiten, indien de continuïteit dan wel het starten van de exploitatie van het persorgaan in gevaar is respectievelijk niet mogelijk is en de noodzakelijke steun niet of niet afdoende op andere wijze kan worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De financiële steun wordt slechts verleend indien de verantwoordelijke uitgever een project indient dat uitzicht biedt op een rendabele exploitatie binnen een redelijke periode. De financiële steun wordt slechts verleend onder voorwaarde van uitvoering van het door het Stimuleringsfonds goedgekeurde project.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Financiële steun voor de start van de exploitatie van een persorgaan kan uitsluitend worden verleend aan persorganen die tenminste zes keer per week verschijnen en voor ten hoogste de helft van de begrote kosten van het in het tweede lid bedoelde project.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Uitsluitend ten behoeve van een éénmalige reorganisatie van een persorgaan kan de in het eerste lid bedoelde financiële steun worden verleend in de vorm van een uitkering indien het in het tweede lid bedoelde project niet op doeltreffende wijze kan worden uitgevoerd met behulp van kredietverlening en kredietfaciliteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde gevallen nadere regels worden gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 131</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het Stimuleringsfonds voor de pers in andere gevallen dan bedoeld in artikel 130, vierde lid, financiële steun aan persorganen kan verlenen in de vorm van uitkeringen. Daarbij wordt bepaald voor welke doeleinden de uitkering kan worden verleend, alsmede aan welke nadere eisen persorganen en de uitgevers van die persorganen dienen te voldoen om voor een uitkering in aanmerking te komen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 132</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Financiële steun wordt verleend op aanvraag. Het Stimuleringsfonds voor de pers beslist schriftelijk op de aanvraag. Aanvragen voor individuele financiële steun op grond van artikel 130 worden in volgorde van ontvangst in behandeling genomen en beslist. Indien het in een jaar ter beschikking staande bedrag voor steunverlening volledig is toegewezen, worden volgende aanvragen afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven over de aard van de voorschriften die het Stimuleringsfonds aan een besluit tot financiële steunverlening kan verbinden. De voorschriften hebben geen betrekking op de inhoud van de persorganen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de indiening en de wijze van behandeling van de aanvragen tot financiële steun, de hoogte en de wijze van berekening daarvan, de er aan te verbinden voorschriften, de verstrekking van voorschotten, de beëindiging en de terugvordering van de steun.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 133</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  X</h3>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursrechtelijke handhaving door het commissariaat voor de media</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 134</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens: a. de hoofdstukken III tot en met VI, met uitzondering van de artikelen 18 tot en met 24, 31 tot en met 38, 40 tot en met 41, 41b en 41c; b. de artikelen 98b tot en met 99a, 103b, 106a en 107 tot en met 109e; c. hoofdstuk XI.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat oefent geen voorafgaand toezicht uit op de inhoud van een programma.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Met het toezicht op de naleving van de in het eerste lid genoemde onderdelen van deze wet zijn belast de leden van het Commissariaat en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Van een besluit als bedoeld in het derde lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Het Commissariaat stelt jaarlijks voor 1 november Onze Minister in kennis van het voorgenomen handhavingsbeleid in het volgende kalenderjaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 134a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 135</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media kan de Stichting, de verzorger van een programma dat door middel van een omroepzender of een omroepnetwerk wordt uitgezonden, de aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk en de Wereldomroep een bestuurlijke boete opleggen: a. van ten hoogste € 225 000,– per overtreding, bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 71t, 72, 73, 82i, 82j, 82f, 82k, tweede lid, 173 en 174; b. van ten hoogste € 135 000,– per overtreding, bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13c, 39b, 41a, 43b, 43c, 48 tot en met 52d, 53, zesde lid, 53a tot en met 58, 61a tot en met 68, 71a, 71e tot en met 71s, 76, vierde lid, 82a tot en met 82e, 82h, 161, 166, 167c en 168; c. van ten hoogste € 35 000,–, per overtreding, bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens enig ander bij of krachtens deze wet gesteld voorschrift of artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het Commissariaat draagt de opbrengst van de bestuurlijke boeten af aan Onze Minister. De afgedragen opbrengst dient ter aanwending voor door Onze Minister te bepalen mediadoeleinden in brede zin.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 136</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 137</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een boete opgelegd krachtens artikel 135 kan bij dwangbevel door het Commissariaat voor de Media worden ingevorderd. Het dwangbevel wordt op kosten van degene tot wie het gericht is bij deurwaardersexploit betekend en ten uitvoer gelegd op de wijze bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van vonnissen en authentieke akten voorgeschreven. Binnen 30 dagen na de betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het Commissariaat. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 138</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 138a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 138b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in artikel 134, derde lid, bedoelde toezichthouders zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 138c</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 138d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen die een programma voor binnenlandse omroep verzorgen en de Wereldomroep bewaren gedurende twee weken na de uitzending opnamen van hun uitgezonden programma's. Zij stellen deze opnamen desgevraagd ter beschikking van het Commissariaat voor de Media.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 138e</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Iedere instelling die zendtijd heeft verkregen en de Wereldomroep dragen er zorg voor dat de leden van het Commissariaat voor de Media en de door hen daartoe aangewezen medewerkers van het Commissariaat desgevraagd inzage verkrijgen in - en kopieën kunnen maken van - de zakelijke gegevens en bescheiden van de bedrijven of ondernemingen die hebben meegewerkt aan de verzorging van hun programma-onderdelen, voor zover dat voor de vervulling van de toezichthoudende taak van het Commissariaat met betrekking tot de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 52, 52a, 52b, 55, 56 en 56a door de instellingen die zendtijd hebben verkregen en de Wereldomroep, redelijkerwijs nodig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 140</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 141</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 142</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 143</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 144</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 144a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 144b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 144c</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 144d</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145c</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145d\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145d</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145e\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145e</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145f\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145f</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145g\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145g</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-145h\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 145h</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk  XI</h3>\n<p class=\"lf-p\">Overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-146\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 146</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media, de Stichting en het Bedrijf staan als hoofdelijke schuldenaar over en weer garant voor de nakoming van de financiële verplichtingen die voor 1 januari 1988 door de Nederlandse Omroep Stichting zijn aangegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 147</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-148\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 148</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 149</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-150\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 150</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 151</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 152</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-153\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 153</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Indien het Rijk met toepassing van de Omroepwet aan een instelling die zendtijd heeft verkregen, een bijdrage in investeringen heeft verleend, betaalt de instelling bij vervreemding van het desbetreffende onroerend goed of bij beëindiging van de haar toegewezen zendtijd de vergoeding terug aan het Commissariaat voor de Media. De terug te betalen bijdrage wordt evenwel verminderd met de door het Commissariaat vast te stellen afschrijvingspercentages voor elk vol jaar dat is verstreken sedert de vergoeding is gegeven. Terugbetaalde vergoedingen worden aangewend ter bestrijding van de kosten, bedoeld in artikel 28, met uitzondering van de kosten, bedoeld in artikel 28, onderdeel d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 154</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 155</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 156</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 157</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 158</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 159</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 160</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 161</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de Kerkeraad van de Gereformeerde Kerk van Bloemendaal toegestaan een radioprogramma voor algemene omroep te verzorgen dat bestaat uit de weergave van kerkdiensten van de Gereformeerde Kerk te Bloemendaal. De uitzendingen zijn bestemd voor inwoners van de gemeente Bloemendaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Het is de Generale Synode der Gereformeerde Kerken toegestaan een radioprogramma voor algemene omroep te verzorgen dat bestaat uit de weergave van kerkdiensten van de Gereformeerde Kerk te Apeldoorn. De uitzendingen zijn bestemd voor inwoners van de gemeente Apeldoorn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Met betrekking tot het in dit artikel bepaalde kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld, daaronder begrepen de mogelijkheid tot intrekking van de in dit artikel gegeven toestemmingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 162</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 163</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 164</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 165</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-165a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 165a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 2</span><span class=\"lf-art-t\">Slotbepalingen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 166</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media kan eenmaal voor een periode van drie jaren zendtijd voor televisie toewijzen aan de Stichting ten behoeve van een programma dat bestaat uit een samenstel van ten minste zeven verschillende regionale programma-edities die tegelijkertijd op een van de televisieprogrammanetten, genoemd in artikel 40, worden uitgezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De zendtijd, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend, indien: a. de Stichting en de gezamenlijke regionale omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen, overeenstemming hebben bereikt zowel over de dagen en uren waarop het programma zal worden uitgezonden, als over de inhoud van de verschillende regionale programma-edities; b. de Stichting en de gezamenlijke regionale omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen, overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de inkomsten uit de reclameboodschappen en telewinkelboodschappen in en aansluitend op de verschillende regionale programma-edities; en c. de verschillende regionale programma-edities worden geproduceerd door de regionale omroepinstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Voor de toepassing van deze wet wordt het programma, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een programma voor landelijke omroep, onderscheidenlijk een programma van een instelling die zendtijd heeft verkregen voor landelijke omroep, met dien verstande dat op de verschillende programma-edities niet artikel 51d, maar artikel 51e van toepassing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 167</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-167a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 167a</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-167b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 167b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-167c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 167c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Commissariaat voor de Media kan regels stellen met betrekking tot het uitzenden van toetsbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen of op welke tijden geen toetsbeelden worden uitgezonden door middel van de omroepzenders door middel waarvan ook de programma’s van de instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, worden uitgezonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 168</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het uitzenden van programma’s uitsluitend bestemd voor de in Nederland gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 169</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister stelt regels ter uitvoering van de artikelen 12, 15 en 16 van de Europese richtlijn, voor zover naar het oordeel van Onze Minister een of meer van deze artikelen niet, niet voldoende, niet juist of niet tijdig zijn uitgewerkt in de Nederlandse Reclame Code of in een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling, dan wel de Stichting Reclame Code in gebreke blijft met het toezicht daarop.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 170</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister richt de Stichting stimuleringsfonds Nederlandse culturele omroepprodukties op.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De stichting heeft tot taak het verstrekken van financiële bijdragen voor de ontwikkeling en vervaardiging van programmaonderdelen en programmamateriaal voor activiteiten als bedoeld in artikel 13c, derde lid, van bijzondere Nederlandse culturele aard, ten behoeve van omroepverenigingen, de Stichting, de Programmastichting, de educatieve omroepinstelling, dan wel kerkgenootschappen of genootschappen op geestelijke grondslag die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, alsmede de Wereldomroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 De stichting heeft een bestuur dat bestaat uit een voorzitter en zes andere leden. De leden van het bestuur worden benoemd en ontslagen door Onze Minister. Twee leden worden benoemd uit de kring van de omroep en twee leden uit de kring van de film- en podiumkunsten. Van de andere leden wordt één tot voorzitter benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Wijzigingen in de statuten van de stichting behoeven de instemming van Onze Minister. Het bestuur van de stichting kan niet besluiten tot ontbinding van de stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Onze Minister verstrekt jaarlijks aan de stichting uit de middelen bedoeld in artikel 28 en artikel 110 een uitkering. De hoogte van de uitkering is tenminste gelijk aan eenzestiende deel van de afgedragen inkomsten van de Stichting Etherreclame van dat jaar. De begroting en jaarrekening behoeven zijn instemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De stichting verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 Onze Minister zendt telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de stichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-170a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 170a</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De instellingen die zijn aangewezen op grond van artikel 28, onderdelen j en k, dienen eenmaal per vier jaren bij Onze Minister een meerjarenplan voor de volgende periode van vier jaren in. Deze meerjarenplannen zijn afgestemd op de voor de desbetreffende periode geldende cultuurnota, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, en op de voor de desbetreffende periode geldende begroting voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, bedoeld in artikel 99.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen jaarlijks voor 1 juni bij Onze Minister een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Het meerjarenplan en de jaarrekening behoeven de instemming van Onze Minister. Met betrekking tot het meerjarenplan hoort Onze Minister daaromtrent de Stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Aan het ter beschikking stellen van een vergoeding als bedoeld in artikel 28, onderdelen j en k, kunnen voorschriften worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Indien niet wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in het eerste en tweede lid, of de aan de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd, kan Onze Minister de beschikking waarbij de desbetreffende instelling is aangewezen, intrekken, dan wel de beschikking tot het ter beschikking stellen van een vergoeding wijzigen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-170b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 170b</span><span class=\"lf-art-t\">Vervallen</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-170c\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 170c</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister kan een deel van de inkomsten van de Stichting Etherreclame, bedoeld in artikel 28, en de rijksomroepbijdrage, bedoeld in artikel 111, reserveren ten behoeve van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van politieke partijen, en de Wereldomroep (de algemene omroepreserve).</p>\n<p class=\"lf-p\">2 Onze Minister kan uit de algemene omroepreserve uitkeringen doen aan de raad van bestuur en, ten behoeve van de Wereldomroep, aan het Commissariaat voor de Media. Het doen van uitkeringen aan de raad van bestuur geschiedt met toepassing van artikel 106a.</p>\n<p class=\"lf-p\">3 Aan het doen van uitkeringen kunnen voorschriften worden verbonden. Onze Minister kan de beschikking tot het doen van uitkeringen intrekken of wijzigen, indien de aan de beschikking verbonden voorschriften niet worden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4 Het beheer van de algemene omroepreserve berust bij het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat legt over het beheer jaarlijks verantwoording af aan Onze Minister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 171</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een wijziging van de Europese richtlijn gaat voor de toepassing van de artikelen 4, 54, 71n, 72, 73, en 76 en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 172</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten van het Commissariaat voor de Media houdende nadere regels die op grond van deze wet worden vastgesteld worden gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 173</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur worden, op voordracht van Onze Minister-President na overleg met Onze Minister, regels gesteld op grond waarvan in geval van buitengewone omstandigheden zendtijd en het gebruik van studio's, omroepnetwerken en andere hulpmiddelen ter beschikking worden gesteld aan de bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aangewezen autoriteiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 174</span><span class=\"lf-art-t\">1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onze Minister-President is bevoegd in de algemene noodtoestand, na overleg met Onze Minister, regels te stellen ten aanzien van de inhoud van radio- en televisieprogramma’s en het toezicht daarop. In die regels kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 134.</p>\n<p class=\"lf-p\">2 De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt onverwijld beëindigd zodra artikel 31, eerste lid, van de Oorlogswet voor Nederland in werking wordt gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 175</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een krachtens de artikelen 30a, vijfde lid, 39, vijfde lid, 39b, 41c, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 43c, derde lid, 52, tweede lid, 57a, tweede lid, 64, tweede lid, 71o, tweede lid, 130, vijfde lid, 131 en 132, tweede en derde lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door tenminste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 176</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij koninklijk besluit wordt bepaald op welk tijdstip deze wet in werking treedt, welk tijdstip voor de onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 177</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze wet kan worden aangehaald als Mediawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegeven te 's-Gravenhage 21 april 1987 Beatrix De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, L. C. Brinkman De Minister van Verkeer en Waterstaat, N. Smit-Kroes de vierde juni 1987 De Minister van Justitie, F. Korthals Altes</p></div>", "next": 0}