{"html": "<div class=\"lf-doc\"><h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-4-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:4</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking termijn (vervallen)Opgenomen in artikel 2:3</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-5-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:5</span><span class=\"lf-art-t\">Te verstrekken gegevens (vervallen)Opgenomen in artikel 2:3</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3: Verspreiden van gedrukte stukken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-6-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4: Vertoningen e.d. op de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-7-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Feest, muziek en wedstrijd e.d. (vervallen)Met het oog op het vereenvoudigen van de APV is dit artikel opgenomen onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie verder de toelichting bij die artikelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-8-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dienstverlening (Vervallen)De VNG heeft het dienstverleningsartikel in 2007 geschrapt vanwege het streven naar vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven. De deregulering is ingegeven door de opvatting dat de regeling niet (meer) voldeed aan het noodzaakvereiste zoals verwoord in de Europese Dienstenrichtlijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-9-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Straatartiest e.d. Het oude artikel 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd) is geschrapt. Feesten en wedstrij-den zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:24. Echter het optreden van een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is de straatmuzikant onder artikel 2:9 ge-bracht. Hetzelfde geldt voor straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:9</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5: Bruikbaarheid en aanzien van de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op andere openbare plaatsenDit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing van dit artikel moet gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden of zuilen, containers en e.d. De gemeente Middelharnis kiest ervoor om als een breed gestelde algemene regel op te nemen in plaats van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. De gemeenteraad maakt met het overnemen van dit model een nadrukkelijke keuze voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven. De gedachte is dat voor een groot aantal voorwerpen die in de openbare ruimte worden geplaatst een vergunning overbodig is, omdat deze voorwerpen volstrekt geen overlast veroorzaken of zelfs bijdragen aan de leefbaarheid WaboHet gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsgvergunning. Daarom is een nieuw vierde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken, straatmeubilair, terrassen en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een grootscheepse restauratie van monumentale panden – zowel de ontheffing van het bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als de omgevingsvergunning (vierde lid) nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen zijn. Met het oog op die gevallen kan overwogen worden om met toepassing van artikel 2.2, tweede lid van de Wabo alle activiteiten waarbij voorwerpen op of aan de weg worden geplaatst, onder de Wabo te brengen. Dat heeft als nadeel dat de zwaardere procedure van de Wabo in alle gevallen gevolgd moet worden. Wij verwachten dat deze situatie maar heel zelden zal voorkomen en hebben 2.2, tweede lid van de Wabo in de model-APV dan ook niet toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-10a-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:10a</span><span class=\"lf-art-t\">Winkeluitstallingen (Vervallen) Opgenomen in artikel 2:10</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (vervallen)In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Wij hebben ervoor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste hebben wij wel overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat. Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken) De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 1.2 modelAPV. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergun-ning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-12-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maken en veranderen van een uitwegIn het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. In andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het algemeen belang. Er is daarom voor gekozen de vergunningplicht te wijzigen in een meldingsplicht. Het stellen van algemene regels in plaats van een meldingsplicht is wel overwogen, maar is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek maatwerk gaat.De melding van een uitweg valt niet onder de Wabo. Er is immers geen sprake van een vergunning of ontheffing</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6: Veiligheid op de weg</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-13-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Veroorzaken van gladheidIn het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling te-gen het licht gehouden. Naast het feit dat het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet hier al in voorziet, is deze bepaling moeilijk te handhaven. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-14-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WinkelwagentjesDeze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50 eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden is gekozen om in de APV bepaling een verbod jegens de burger op te nemen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-14a-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:14a</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod rijden met skateboards, skelters, stepjes etcDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-15-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (Vervallen)In deze APV is het artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen voor het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel 2:10.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert. Daarmee vervalt de noodzaak van dit oude artikel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-16-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:16</span><span class=\"lf-art-t\">Openen straatkolken e.d.Deze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-17-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kelderingangen e.d. (Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet voorzien hier al in. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-18-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rookverbod in bossen en natuurterreinenHet verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Het verbod gaat niet zover dat het roken in de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-19-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (Vervallen)In deze APV is het artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen voor het plaat-en van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel 2:10.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert. Daarmee vervalt de noodzaak van dit oude artikel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-20-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vallende voorwerpen (vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het artikel voegt weinig toe aan privaatrechtelijke bevoegdheden evenals artikel 2:10 van deze verordening om tegen gevaarzettende situaties op te treden. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen voor verkeer en verlichtingIn beginsel biedt de Belemmeringenwet (privaatrecht) het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van dit artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21a-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen ten behoeve van handhaving van de openbare orde(Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het artikel voegt weinig toe aan de bevoegdheden genoemd in artikel 2:21. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-21b-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:21b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting(Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het artikel voegt weinig toe aan de bevoegdheden genoemd in artikel 2:21. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-22-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Objecten onder hoogspanningslijn Voor de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook grond als zodanig bestemd en worden gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Ontbreekt een bestemmingsplan dan bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. De Bouwverordening verbiedt het bouwen onder hoogspanningslijnen. Artikel 2:22 vult dit verbod aan voor andere objecten, zoals houtgewas, door te bepalen dat deze niet hoger mogen zijn dan twee meter</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-23-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid op het ijsHet oorspronkelijke tweede lid van dit artikel (“Eenieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen”) is geschrapt. Reden van schrapping is dat deze formulering ten onrechte aansprakelijkheid van de gemeente kan suggereren bij het door het ijs zakken. Het oude derde lid is vernummerd tot tweede lid</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7. Evenementen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-24-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsomschrijvingIn artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. Een klein evenement valt onder het begrip evenement. In het derde lid is het klein evenement gedefinieerd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">EvenementEvenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeente. Er worden verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor bijv. de hele stad, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt. Het oude artikel 2.2.2 ging uit van een algeheel verbod op het organiseren van een evenement zonder vergunning van de burgemeester. Het vervangen van vergunningvoorschriften door het doen van een melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte. Tevens zijn er categorieën evenementen benoemd. Dit naar aanleiding van de ‘Handreiking publieksveiligheid evenementen’ waarin de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond evenementen indeelt naar risicogroep. Deze indeling, die gebaseerd is op een zogenaamde ‘risicoscan’ zal ook worden gehanteerd bij de beoordeling van de aanvragen om een vergunning</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-26-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:26</span><span class=\"lf-art-t\">OrdeverstoringDeze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-27-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingenIn plaats van de term “horecabedrijf” wordt nu de term “openbare inrichting” gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk met “horecabedrijf” alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de zogenaamde “natte horeca”. De bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde “droge horeca”: tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-28-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Exploitatievergunning openbare inrichtingArtikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend. Op grond van het nieuwe artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien jaar, dan is het alleen op gronden ontleend aan dwingende reden van algemeen belang geoorloofd een termijn te stellen. Krachtens artikel 1:4 van de APV kunnen voorschriften worden verbonden aan de exploitatievergunning Voorwaarden moeten vallen onder randvoorwaarden van artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat om-schreven in het vierde lid. De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten bekeken of het horeca-exploitatievergunningstelsel gehandhaafd of geschrapt moet worden. De gemeente Middelharnis heeft gekozen voor het handhaven van de horeca-exploitatievergunning, maar alleen voor inrichtingen die• niet onder de Drank- en Horecawet vallen, dit in verband met de Bibob-toets, en• wel onder de Drank- en Horecawet vallen en die voor ernstige overlast hebben gezorgd. Bedrijven die géén ernstige overlast veroorzaken krijgen een vrijstelling van de vergunningplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting bij artikel 2:28, vijfde lid:Hier wordt een alternatief geïntroduceerd voor de openbare inrichtingen die onder de Drank- en Horecawet vallen, de zogenaamde “natte horeca”. Indien deze in de afgelopen twaalf maanden geen ernstige overlast gegeven hebben, verleent de burgemeester aan dergelijke bedrijven ambtshalve of op verzoek een vrijstelling. De horeca-exploitatievergunning fungeert in dit systeem dan nog alleen als stok achter de deur voor de “natte” horecabedrijven die ernstige overlast geven. Tegen de verlening van zo’n vrijstelling staat bezwaar en beroep open. De burgemeester kan de vrijstelling ambtshalve verlenen. Daardoor hoeft de vergunninghouder de vrijstelling niet aan te vragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-29-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SluitingstijdArtikel 2:29 voorziet in een sluitingsregeling. Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven vaststellen in het belang van de openbare orde. Deze bevoegdheid houdt ook in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld. De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken. Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's, het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-30-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluitingNet als voor de in artikel 2:29, tweede lid, genoemde bevoegdheid, vormt ook hier artikel 174 van de Gemeentewet de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2:29, tweede lid, die een individueel karakter heeft zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in tegenstelling tot artikel 2:29, tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-31-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:31</span><span class=\"lf-art-t\">OrdeverstoringDeze bepaling geeft een verbod om de orde in openbare inrichtingen te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-32-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het college als bevoegd bestuursorgaanHet begrip ‘openbare inrichting’ als omschreven in artikel 2:27 onder a, ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar college het bevoegde bestuursorgaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geldigheidsduur van de vergunning (Vervallen)Wegens een nieuwe redactie van de exploitatievergunning, namelijk een mogelijkheid voor een vrijstelling, vervalt de noodzaak van dit artikel en kan dus derhalve komen te vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging exploitatie (Vervallen)Wegens een nieuwe redactie van de exploitatievergunning, namelijk een mogelijkheid voor een vrijstelling, vervalt de noodzaak van dit artikel en kan dus derhalve komen te vervallen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf</h3>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen uit deze afdeling zijn aanvullend op artikel 438 Wetboek van Strafrecht. Op grond van de APV moet ieder persoon zijn identiteit kenbaar maken; op grond van het Wetboek van Strafrecht moet alleen het hoofd van een gezin dat. Deze afdeling geeft de burgemeester en de politie een zo volledig mogelijk overzicht van het nachtverblijf.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-35-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:35</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsbepalingDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-36-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:36</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving exploitatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en kampeerinrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-37-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nachtregister (vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het Wetboek van Strafrecht voorzien hier al in. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-38-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:38</span><span class=\"lf-art-t\">Verschaffing gegevens nachtregister</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te verstrekken.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</h3>\n<p class=\"lf-p\">De Wet op de Kansspelen verplicht dat bij verordening wordt aangegeven dat voor hoogdrempelige inrichtingen voor twee kansspelautomaten vergunning kan worden verleend en dat voor laagdrempelige gelegenheden geen vergunning voor kansspelautomaten wordt verleend. Ten slotte moet worden aangegeven voor hoeveel behendigheidsautomaten per inrichting vergunning wordt verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-39-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SpeelgelegenhedenHet begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegen-heden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de model APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40</span><span class=\"lf-art-t\">Speelautomaten Zie voor toelichting artikel 2:39</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40a-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheidsvergunning(Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het artikel voegt weinig toe aan de bepalingen in de Wet op de kansspelen en de Algemene wet bestuurrecht. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40b-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overname(Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het artikel voegt weinig toe aan de bepalingen in de Wet op de kansspelen, de Algemene wet bestuurrecht en artikel 1: 5 van deze verordening. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40c-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40c</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gokken op/aan de openbare weg(Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het artikel voegt weinig toe aan de hinderbepalingen van deze verordening om op te treden. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40d-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen (Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het artikel voegt weinig toe aan de bepalingen in de Gemeentewet. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 11: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-41-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Betreden gesloten woning of lokaalDe Burgemeester is met toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Het is nodig om voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken een strafbepaling op te stellen die het verbiedt om een gesloten pand te betreden. Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid toegevoegd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Plakken en kladdenIn het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik eens anders recht wordt geschonden. De gemeente kent een aantal zogenaamde ‘vrije’ plakplaatsen; deze vloeien voort uit lid 4.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-43-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer plakgereedschap e.d.Deze bepaling vergroot de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplakverbod. Het tweede lid van de bepaling dient zo te worden gelezen dat de omstandigheid, dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd voor handelingen die ingevolge de voorgaande bepaling zijn verboden, een rechtvaardi-ingsgrond oplevert</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-44-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer inbrekerswerktuigenDeze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te be-moeilijken. Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strek-ken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-45-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:45</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d. Het artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-46-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:46</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rijden over bermen e.d. (Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. De noodzaak van deze bepaling is niet gebleken alsmede voorziet artikel 4:12 en 5:11 hier al in. Handhaving is eveneens moeilijk. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-47-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:47</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijk gedrag op openbare plaatsenOp basis van dit artikel (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. Artikel 424 Wetboek van Strafrecht stelt ‘straatschenderij’ strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-48-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verboden drankgebruikIn dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Het gaat uitdrukkelijk om een excesbepaling: oogmerk is het voorkomen c.q. tegengaan van hinderlijk gedrag als gevolg van drankgebruik. Dit is bij een buurtbarbeque c.q. feest of een festival op de openbare weg in principe niet het geval. Ontwikkelt een dergelijk gebeuren zich gaandeweg toch tot een overlastsituatie dan is er grond voor toepassing van dit artikel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-49-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:49</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden gedrag bij of in gebouwenVoor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50-264\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimtenDeze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip ‘weg’ of ‘openbare plaats’. Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-51-265\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Neerzetten van fietsen e.d. Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van overlast. Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-52-266\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overlast van fiets of bromfiets op markt e.d.Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-53-267\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bespieden van personen (Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Deze bepaling is vooralsnog nooit toegepast en is alleen gericht op excessieve situaties. In die gevallen biedt het strafrecht al het handvat om op te treden. Het artikel voegt dus weinig toe aan het Wetboek van Strafrecht. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen Artikel 2:54 bedelarijIn het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Omwille van de logica is dit artikel verplaatst naar artikel 2:65.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-55-268\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:55</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Alarminstallaties (Vervallen)Op nieuwe, gecertificeerde alarminstallaties gelden eisen op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en de kwaliteitseisen van de Regeling BORG 1.1. Daarnaast is de handhaving van dit artikel een bijzondere zware last voor burgers, welke niet in verhouding staan tot het te dienen doel. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen.Op een vergunning- of ontheffingsstelsel voor alarminstallaties is de Wabo van toepassing. Omdat het artikel nu vervalt is hier geen regeling opgenomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-56-269\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Loslopende hondenAan dit artikel ligt het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:• de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht;• het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;• het voorkomen van hinder voor voetgangers;• het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.);• het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.Artikel 2:57 kent geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Daarbij kan artikel 4 Wet op de dierenbescherming analoog worden toegepast</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-57-270\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:57</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verontreiniging door hondenStraatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-58-271\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevaarlijke hondenVoor de vaststelling van het gevaarlijk of hinderlijk zijn van een hond is politierapportage daarover een goed uitgangspunt. Voor zover het gevaar van een hond voortvloeit uit een besmettelijke dierziekte zoals hondsdolheid, dient de burgemeester op grond van artikel 21 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren de maatregelen te nemen die hem door of vanwege het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij worden opgedragen ter voorkoming van – verdere – besmetting. Artikel 27 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren geeft de burgemeester de bevoegdheid een bevel uit te vaardigen dat de door hem aangewezen dieren moeten worden vastgelegd of opgesloten ter bestrijding van besmettelijke dierziekten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-59-272\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Houden van hinderlijke of schadelijke dierenHet kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt Voor zover het college bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Fauna-wet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-60-273\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:60</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Loslopend veeDit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-61a-274\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:61a</span><span class=\"lf-art-t\">Geleiden van paardenHet artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-61b-275\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:61b</span><span class=\"lf-art-t\">Berijden van paardenHet artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-61c-276\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:61c</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door paardenHet artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-62-277\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:62</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Duiven (Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. De noodzaak van deze bepaling is niet gebleken. Daarnaast wordt door de gemeente hierop niet gehandhaafd. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-63-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:63</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijen Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat de “aanvliegbanen” hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veilig-heid van de weg opleveren. Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden terugge-bracht. Het zal echter vaker voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overmatige overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom kan in sommige gevallen het houden van bij-en daarom onaanvaardbaar zijn.Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand “op de openbare weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats” valt aan te wijzen, kan men toch van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op “openbare belangen”</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-64-279\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:64</span><span class=\"lf-art-t\">Paarden, pony's en honden op het strandHet artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-65-280\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:65</span><span class=\"lf-art-t\">Bedelarij Het artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</h3>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving zijn deze bepalingen tegen het licht gehouden. Het Wetboek van strafrecht (WvSr.). bevat genoeg bepalin-gen die de bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Daarom is gekozen om deze bepalingen te laten vervallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-66-281\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:66</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling Bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-67-282\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:67</span><span class=\"lf-art-t\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-68-283\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:68</span><span class=\"lf-art-t\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht Bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-69-284\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:69</span><span class=\"lf-art-t\">Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-70-285\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:70</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijvenDit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2:32</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 13: Vuurwerk</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-71-286\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:71</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsbepalingenDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-72-287\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagenDit artikel beoogt het aantal verkooppunten te reguleren in het belang van de handha-ving van de openbare orde. Artikel 2:72 is gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet. Naast een vergunning op basis van de APV is voor de opslag van vuurwerk in beginsel ook een milieuvergunning vereist</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-73-288\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:73</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisselingIn het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is. Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 14: Drugsoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-74-289\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74</span><span class=\"lf-art-t\">Drugshandel op straatDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-74a-290\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74a</span><span class=\"lf-art-t\">Openlijk drugsgebruikDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-74b-291\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verzameling van personen in verband met drugs (Vervallen).In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Het artikel 2.1 van deze verordening hier al in. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-74c-292\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:74c</span><span class=\"lf-art-t\">Weggooien van spuiten e.d.Deze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 15: Bestuurlijke ophouding veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-75-293\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:75</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bestuurlijke ophoudingArtikel 2:75 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de bur-gemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:75 voorziet hierin. De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze voorwaarden zijn hiervoor beschreven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76-294\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VeiligheidsrisicogebiedenOp grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:• vervoermiddelen te onderzoeken;• een ieders kleding te onderzoeken;• te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:• feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan;• zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers (privacy);• subsidiariteit en proportionaliteit;• breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid en veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76a-295\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76a</span><span class=\"lf-art-t\">VerblijfsontzeggingDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-76b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:76b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Voorbereidingshandelingen) zakkenrollen (Vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling te-gen het licht gehouden. Handhaving van deze bepaling is bijzonder moeilijk. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-77-297\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Cameratoezicht op openbare plaatsenOp grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uit-strekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen omkleed.De gemeenteraad kan de bevoegdheid van de burgemeester inperken. De volgende varianten zijn bijvoorbeeld denkbaar:• De gemeenteraad besluit expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen camera toezicht toe te passen.• De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag besluiten tot het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen, bijvoorbeeld in de binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden.• De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de bevoegdheid aan de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare orde op openbare plaatsen</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1: Begripsbepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV. De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen. Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet, maar - voor zover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op artikel 151a Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-1-298\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingenDe omschrijving van het begrip prostitutie en prostituee is afgeleid van de definitie in artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De term ‘besloten ruimte’ van lid c omvat meer dan het begrip ‘gebouw’: daaronder wordt ook begrepen een vaar- of een voertuig. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, of zelfs een website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte bepaalt de vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van advertenties en andere reclameuitingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-2-299\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd bestuursorgaanVolgens artikel 162 is het college belast met de uitvoering van raadsbesluiten tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Artikel 174 belast de burgemeester met ‘het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven’ en met ‘de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht’. In veruit de meeste gevallen is de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan. In de definitie van seksinrichtingen is het ruimere begrip ‘ruimte’ opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen evenals bij escortbedrijven. Om deze afbakening – waar aan de orde – niet steeds opnieuw volledig te moeten weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip ‘bevoegd bestuursorgaan’ gehanteerd en is dat in artikel 3:2 eenmalig gedefinieerd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-3-300\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nadere regelsVergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij van overeenkomstige toepassing. Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester) over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van de Aw</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2: Seksinrichtingen, straat prostitutie, sekswinkels en dergelijke</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-4-301\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SeksinrichtingenDe exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven wordt gereguleerd door middel van een vergunning. Het wijzigen van de seksinrichting valt ook onder de vergunningplicht om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie. Gekozen is voor een eenduidige systematiek om escortbedrijven aan dezelfde vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. De vergunning voor escortbedrijven zal veel minder omvattend zijn. De activiteiten van een escortbedrijf vinden niet in een inrichting plaats. De toetsing van de vergunningaanvraag zal zich beperken tot de toetsing van de antecedenten van de exploitant en beheerder. Wie de inrichting exploiteert en beheert is relevant, omdat deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn en dienen te voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel 3:5. De vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet overdraagbaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-5-302\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedragseisen exploitant en beheerderDe opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het ‘decriminaliseren’ van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van) prostitutie. Daarom is het van belang dat bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de exploitant en de beheerder(s). Daartoe is het Besluit inlichtingen justitiële documentatie gewijzigd. In artikel 3:5 wordt zoveel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Hore-awet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk geval sprake is van ‘in enig opzicht slecht levensgedrag’. Het is geen limitatieve opsomming. Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden aangesloten bij de daarover bestaande jurisprudentie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-6-303\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SluitingstijdenEr is voor gekozen het hier bedoelde sluitingsuur uit te breiden naar a. op maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 8.00 uur;b. op zaterdag en zondag tussen 0.00. en 12.00 uur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-7-304\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluitingTen opzichte van artikel 3:6 biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te wijken. Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen ten grondslag liggen. Het bevoegd bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en dergelijke De sluitingsbevoegdheid kan bijvoorbeeld worden toegepast in gevallen waarin openbare inrichtingen het decor vormen voor allerlei vormen van criminaliteit die strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is niet in strijd met deze formeel wettelijke regelingen omdat daaraan een afwijkend oogmerk ten grondslag ligt. Voor toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-8-305\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerderOm effectiever te kunnen optreden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid de verplichte aanwezigheid van de exploitant of beheerder opgenomen. Dit is van belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede lid. Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de inrichting. De exploitant is – uiteraard binnen redelijke grenzen – verantwoordelijk voor de gang van zaken in de inrichting. Deze toezichtverplichting geldt ook voor de beheerder(s). Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-9-306\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">StraatprostitutieDe wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere regulering behoeft. Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft aangewezen. Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden gehouden met de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid. Aan de hand van de omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot aanwijzing van een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen van de gemeente) of juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving of de openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone onderdeel zou uitmaken)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-10-307\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SekswinkelsZoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan voorafgaand toezicht te onderwerpen Artikel 3;10 is opgenomen, zodat gebieden of delen van de gemeente kunnen worden aangewezen waarin het in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving niet is toegestaan een sekswinkel te (doen) exploiteren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-11-308\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijkeDit artikel heeft een repressief karakter. Het schept niet zonder meer een verbod, maar slechts voor zover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft besloten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-12-309\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beslissingstermijn De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Daarom is een langere beslissingstermijn dan die in artikel 1:2 opgenomen. Het is een termijn van orde. Overschrijding ervan doet niet af aan de bevoegdheid te beslissen over een ingediende aanvraag, maar leidt wel tot een fictieve weigering waartegen belanghebbenden bezwaar kunnen aantekenen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-13-310\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WeigeringsgrondenDe hier genoemde belangen vormen tezamen de ‘huishouding’, tot het regelen en besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Deze belangen vormen de grondslag voor de uit-efening van de bevoegdheden die het gemeentebestuur ter zake toekomen. Eerste lid, onder b: bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordeningHet kan voorkomen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt. Daarom is strijdigheid met het bestemmingsplan, alsmede met een eventueel stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening als weigeringsgrond opgenomen. Dit is aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig, illegaalDeze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker voorkomende weigeringsgrond: vrees voor ernstige verstoring van de openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 250a WvSr is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten of minderjarigen laat werken. Onderdanen van de EU-lidstaten kunnen in Nederland op legale wijze arbeid verrichten, ook in de prostitutie, onder de voorwaarde dat de verworven inkomsten niet marginaal en bijkomstig zijn. Voor onderdanen van niet-EU-lidstaten geldt dat niet. Zij dienen, als zij in Nederland arbeid in loondienst willen verrichten, te beschikken over een vergunning tot verblijf die het verrichten van arbeid in loondienst toestaat. Houders van een vergunning tot vestiging, houders van de vluchtelingenstatus, houders van een vergunning tot verblijf om humanitaire redenen en houders van een vergunning tot verblijf bij (huwelijks)partner (indien het deze partner is toegestaan zonder nadere voorwaarden te werken) hebben in principe zo’n vergunning. Zij hebben vrije toegang tot de arbeidsmarkt en mogen dus ook in een seksinrichting werkzaam zijn. De werkgever behoeft in die gevallen niet te voldoen aan de verplichting een tewerkstellingsvergunning voor de desbetreffende werknemer aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder c: woon- en leefklimaatHet belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een maximumbeleid en een concentratiebeleid ter onderlinge versterking in combinatie toegepast.Een aspect van bescherming van de woon- en leefomgeving is de omvang van de inrichting. In een vergunningvoorschrift, dat overigens tevens betrekking heeft op de hierna te noemen grond veiligheid van personen, kan het maximale aantal werkzame prostituees worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder d: veiligheid personen of goederenBij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot belang de brandveiligheid te waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de inrichting zelf; en biedt de Bouwverordening daarvoor de grondslag voor zover het gaat om het gebruik van de inrichting. Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting bestreken door de Brandbeveiligingsverordening.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4. beëindiging exploitatie; wijziging beheer</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-14-311\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:14</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging exploitatieOnder beëindiging wordt ook verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere namen van de exploitanten</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-15-312\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging beheerAnders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege vervallen van de vergunning. Ten aanzien van de nieuwe beheerder(s) dient een antecedentenonderzoek plaats te vinden. De nieuwe beheerder kan aan de slag vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend. Wijziging van beheer is doorgaans vaker aan de orde dan de wijziging van de exploitatie</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5: Overgangsbepaling</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3:16</span><span class=\"lf-art-t\">OvergangsbepalingDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1. Geluidhinder</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-1-314\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:1</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsbepalingenDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-2-315\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzing collectieve festiviteiten De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-3-316\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kennisgeving incidentele festiviteitenDe bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen Derde en vierde lidHet college dient minimaal twee weken voor de aanvang van de festiviteit met een kennisgevingsformulier op de hoogte gesteld te worden van de festiviteit. Uit de formulering van het eerste en tweede lid volgt dat wanneer de houder van de inrichting geen kennisgeving heeft gedaan en desondanks een festiviteit houdt, deze niet kan worden beschouwd als een incidentele festiviteit op grond van het besluit. Omdat er dan geen sprake is van een incidentele festiviteit dient voldaan te worden aan alle in het Besluit horeca , sport en recreatie inrichtingen milieubeheer (Besluit) gestelde voorschriften. Niet naleving van die voorschriften kan ertoe leiden dat op grond van artikel 18.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestuursrechtelijk of op grond van artikel 18.18 van de Wm strafrechtelijk wordt opgetreden. De termijn voor het indienen van een kennisgeving stelt het college in staat te beoordelen op welke wijze de houder van de inrichting zoveel mogelijk overmatige geluidshinder dan wel lichthinder tracht te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lidVindt in een inrichting een festiviteit plaats die redelijkerwijs niet te voorzien was, bijvoorbeeld wanneer iemand in de lotto ‘de honderdduizend’ gewonnen heeft, kan het college dit feest terstond aanwijzen als incidentele festiviteit zodat de voorschriften van het besluit, zonder dat daartoe een kennisgeving is gedaan, niet van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde, zevende en achtste lid.Deze leden zijn toegevoegd naar aanleiding van een advies vanuit het ISGO en zal eilandelijk worden overgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-4-317\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verboden incidentele festiviteiten (vervallen)De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden. Die bevoegdheid van de burgemeester hoeft in de verordening niet te worden herhaald</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-5-318\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:5</span><span class=\"lf-art-t\">Onversterkte muziek (Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6-319\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overige geluidhinder e.v.Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:• een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;• het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen;• het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;• het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;• het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen;• het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.• overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat;• het houden van dieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften. Wegens regelmatige overlast situaties is gekozen om een geluidsbepaling op te nemen met betrekking tot dieren. Dit biedt namelijk betere handhavingmogelijkheden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-7-320\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Straatvegen Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling. Een dergelijke bepaling moet, gezien het verschil in motief, mogelijk worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet. Artikel 4:7 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen en uren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-8-321\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:8</span><span class=\"lf-art-t\">Natuurlijke behoefte doenDeze bepaling staat al sinds jaar en dag in de APV. Er wordt op deze bepaling strikt gehandhaafd</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-9-322\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwenDit artikel betreft een samenvoeging van de in Bouwverordening geschrapte artikelen 334 en 336. Dit zijn bepalingen die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen en dus beter in de APV thuis horen Afdeling 3: Bodem-, weg- en milieuverontreinigingArtikel 4:10 BegripsbepalingenEr bestaat behoefte aan een regeling die uitsluitend betrekking heeft op een de bescher-ming van bomen. Gekozen is voor een vergunningsstelsel conform het vastgestelde beleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11-323\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstandenArtikel is opgesteld conform vastgesteld beleid. De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder g. van de Wabo. Vaak zal naast de vergunning nog een vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Natuurbe-schermingswet of de Flora- en Faunawet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun nesten in de bomen. De Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet haken aan bij de Wabo. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of gewei-gerd. De Boswet haakt echter niet aan bij de Wabo. Indien die van toepassing is, blijft dus een aparte vergunning vereist In de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn indie-ningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen. Naast een aantal algemene indieningsvereisten (zie daarvoor de toelichting bij artikel 1:2 van de model-APV) zijn er in artikel 7.3 van de Mor nog een aantal speciale indieningsvereisten voor het vellen van houtopstanden opgenomen. Dit artikel 7:3 luidt als volgt:1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de wet, identificeert de aanvrager op de aanduiding als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van deze regeling iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.2. In of bij de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager per genummerde houtopstand:a. de soort houtopstand;b. de locatie van de houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf;c. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld;d. de mogelijkheid tot herbeplanten, alsmede het eventuele voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4:11 a Intrekking vergunning Zie motivering onder 4:10 en 4:11</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-11b-324\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:11b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere vergunningsvoorschriften (Vervallen)Artikel 4:11c Herplant-/instandhoudingsplicht (Vervallen)Artikel 4:11d Schadevergoeding (Vervallen)Artikel 4:11 e Bestrijding iepziekte (Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12-325\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:12</span><span class=\"lf-art-t\">Bescherming groenvoorzieningenBepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-13-326\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d. en landbouwproducten en afval. Ze ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’ in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de ‘weg’ daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften. Voor zover de Wet Milieubeheer (Wm) deze activiteiten niet regelt kunnen de hinderlijke effecten ervan met diverse bepalingen uit de APV worden bestreden.Voldoet een autowrak aan de omschrijving in het Besluit nadere omschrijving begrip autowrakken dan is de opslag daarvan ingevolge artikel 10.17 van de Wm verboden. Verkeert de auto rijtechnisch wel in onvoldoende staat van onderhoud, maar is voorzien van een geldig kenteken dan is de opslag daarvan niet ingevolge artikel 10.17 van de Wm verboden. Wel kan hier iets tegen gedaan worden op grond van artikel 4:13 van de APV. Voor autowrakken die op de weg zijn geplaatst zie artikel 5:5</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-14-327\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen)Vanuit dereguleringsoogpunt heeft de VNG dit artikel in 2008 geschrapt. Via de Meststoffenwet wordt veel geregeld. Op zandgronden mag maar zeer beperkt mest wordt uitgereden (ca 6 maanden per jaar). Veel mest wordt bovendien al emissiearm aangewend, dus dan geldt het artikel niet</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-15-328\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4:15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning voor handelsreclameBepaling spreekt voor zich. Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de Wabo van toepassing</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</h3>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 1. Parkeerexcessen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WVW 1994 geeft aan dat de gemeente bevoegd is parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is artikel 149 Gemeentewet. Uit de jurisprudentie volgt dat in de eerste plaats van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg, strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - in de eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een voertuig te kunnen laten staan. Voor bepaalde (categorieën van) voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij mag het niet te diep ingrijpen in het ‘normale’ verkeer, en dus ook niet in het ‘normale’ parkeren. In het ‘normale’ verkeer voorziet de geldende wettelijke verkeersregeling exclusief. Verder is sprake van een parkeerexces als het parkeren op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente, beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen. Plaatsing in hoofdstuk 5 is gedaan, omdat aan deze bepalingen meerdere motieven ten grondslag liggen. Complementair aan de vaststelling van parkeerexcesbepalingen is- in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid van vervangende parkeergelegenheid geregeld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-1-330\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingenVan het begrip voertuigen is een aantal categorieën uitgezonderd, zoals treinen en trams, tweewielige fietsen en bromfietsen, invalidenvoertuigen en andere kleine voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking krijgen. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn activiteiten die door deze bepalingen niet worden bestreken. De bepalingen van afdeling 5.1 van de APV richten zich ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-2-331\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.Eerste lidDeze bepaling maakt optreden mogelijk tegen autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hen toebehoren en/of zijn toevertrouwd. Het betreffen situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en daarom niet toelaatbaar is Eerste lid, onder bReparatie- en sloopwerkzaamheden aan op een openbare plaats geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg. Daarom is het wenselijk de strafbaarheid van het herstellen of slopen op een openbare plaats niet te relateren aan de omstandigheid dat er sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene ‘toebehoren of zijn toevertrouwd’. Alleen degene, die bij herhaling de weg als werkplaats voor reparatie- en/of sloopdoeleinden gebruikt is strafbaar. Het vierde lid opent de mogelijkheid aan de door hem gebruikte auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe afdeling rechtspraak van de Raad van State besliste dat het bij elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een taxibedrijf niet onder de werking van deze bepaling valt. De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit artikel. Omdat het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder ‘verhuren’ mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidOnder a is het woord ‘vergen’ gebruikt om twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. De in het derde lid gestelde verbodsbepaling geldt niet voor het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(‘s) van de exploitant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidHet verlenen van een ontheffing zal in het algemeen alleen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg of een andere openbare plaats te parkeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-3-332\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Te koop aanbieden van voertuigenVan aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is bij het te koop aanbieden van een enkel voertuig niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden. Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen trekt kooplustigen aan. Ook wordt een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Het college heeft de bevoegdheid gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht is. Aan de hand van de plaatselijke omstandigheden moet beoordeeld worden of het verbod nodig is. Het begrip ‘parkeren’ wordt zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-4-333\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Defecte voertuigenHet excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Deze bepaling ziet slechts op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het zou te ver gaan deze gedragingen ook buiten de weg te verbieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-5-334\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VoertuigwrakkenDe onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van wrakken vindt reeds regeling in artikel 4.7.1 en tevens in artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De de-lictsomschrijving bevat daarom niet het bestanddeel ‘van de weg af zichtbaar’. Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-6-335\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kampeermiddelen e.a.Het artikel richt zich tegen het langer dan nodig parkeren van caravans, campers, kampeerwagens e.d. op de weg. Het excessieve van het hier bedoelde parkeren is gelegen in het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Tevens dient aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente te worden voorkomen. In sub a is drie dagen aangehouden opdat betrokkenen de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen of caravan voor een te ondernemen reis gereed te maken respectievelijk na de reis op te ruimen. Met het gebruik van de woorden ‘drie achtereenvolgende dagen’ is beoogd aan te geven dat niet hoeft te worden bewezen dat het betrokken voertuig (of aanhanger) drie dagen onafgebroken op dezelfde plaats heeft gestaan en dus niet- al was het maar één meter- is verplaatst. Volstaan kan worden met aan te tonen dat het voertuig (of de aanhanger) op enig tijdstip (op drie achtereenvolgende dagen) op de weg geparkeerd heeft gestaan. Dat behoeft niet dezelfde plaats te zijn</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-7-336\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van reclamevoertuigenHet excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Verder kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8-337\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van grote voertuigenIn gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer) redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:8 en 5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-9-338\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:9</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigenDe in lid twee opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) ‘hoog-werkers’, meetwagens e.d</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-10-339\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen (vervallen)In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. De noodzaak van deze bepaling is niet gebleken. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-11-340\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:11</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigenBepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-12-341\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:12</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets of bromfietsBepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 2: Collecteren</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-13-342\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inzameling van geld of goederenAangegeven is dat, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden, dit niet meebrengt dat voor het houden van de inzameling geen vergunning vereist is. Het collecteren en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken –is bewust van elkaar gescheiden. Uit jurisprudentie blijkt dat door genoemde collectebepalingen wel - op geoorloofde wijze - het inzamelen van gelden, doch niet het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken in het algemeen verboden of van een vergunning afhankelijk gesteld wordt. Het houden van openbare inzamelingen is vergunningplichtig, niet het daarbij aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken De bepaling laat het aanbieden van geschreven of gedrukte stukken onverlet. Wordt een aanvraag om een collectevergunning geweigerd en was de aanvrager voornemens om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan.Venten of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het aanbieden van gedrukte stukken en het ontvangen van een geldelijke vergoeding ‘gekoppeld’ en niet te scheiden zijn, is artikel 5:13 niet van toepassing op het te koop aanbieden, verkopen en afleveren van gedrukte stukken (waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard). Bij het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken is deze koppeling niet aanwezig. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, is er sprake van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij ter ondersteuning van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidHet begrip ‘besloten kring’ veronderstelt een nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal tevens moeten aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar is.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3: Venten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-14-343\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingVan venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf een andere plaats aanbiedt, tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen is. Er geldt een verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is in strijd met de verleende ventvergunning Tweede lid Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de volgende criteria toegestaan:• de beperking mag geen betrekking hebben op de inhoud van de gedrukte stukken;• er dient gebruik van enige betekenis te resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de periode waarin goederen vanaf dezelfde plaats (gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen) in de openbare ruimte worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Het tien minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning.Omdat tussen het venten met goederen en het aanbieden van goederen vanaf een standplaats een onderscheid wordt gemaakt, is het noodzakelijk dat in de APV bepaling waarin het venten met goederen wordt geregeld, een uitzondering wordt gemaakt voor het aanbieden van goederen vanaf een standplaats.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 4: Standplaatsen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats hierboven onder ‘venten’.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 5: Snuffelmarkten</h3>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn verschillende soorten markten, elk met een eigen juridisch regime. Te onderscheiden zijn: I De weekmarkt en de jaarmarkt in de zin van artikel 151 van de Gemeentewet.Het begrip ‘markt’ is niet nader omschreven in de Gemeentewet. De omvang van een markt zal mede afhangen van plaatselijke omstandigheden. In de regel worden op een weekmarkt ‘geregelde’ waren verkocht. Het artikel ziet niet deze markten. De gemeente kent een weekmarkt waarvoor een Marktverordening van kracht is. II ‘Vlooienmarkt’, ‘zwarte markt’,’vrije markt’, ‘snuffel- of rommelmarkt’. Deze categorie markten kan commercieel of niet-commercieel van aard zijn. Voor zover deze markten uitsluitend verkoop door particulieren betreft en die hun tweedehands spullen aan de man willen brengen, bestaat daartegen in principe geen bezwaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is sprake van een meer commerciële markt dan wordt van de zijde van de reguliere handel gesproken over oneerlijke concurrentie, in verband met het overtreden van de vestigingswetgeving en van de Wet op de omzetbelasting. Afdeling 5 richt zich niet tot degene die standplaats wil innemen, maar tot de organisator van de markt en de rechthebbende op het gebouw waarin deze markt wordt gehouden De Winkeltijdenwet is op het houden van een ‘vrije markt’ van toepassing als de markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit zal afhankelijk zijn van de aard van de op deze markt ontplooide activiteiten, geregelde of ongeregelde goederen, en de frequentie waarmee deze markt gehouden wordt.III Markten niet in een gebouw of op een plaats en niet zijnde een week- of een jaarmarkt in de zin van artikel 151 van de GemeentewetDe markten waarvoor afdeling 5 is geschreven, worden gehouden in een gebouw of plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien eenmalig vergunning wordt verleend voor het houden van een markt op of aan de openbare weg, bijvoorbeeld een braderie in een winkelstraat, dan is afdeling 5 niet van toepassing maar zou kunnen worden volstaan met het verlenen van een evenementenvergunning op basis van artikel 2:25.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 6. Openbaar water</h3>\n<p class=\"lf-p\">Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare vaarwater.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-23-344\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwerpen op, in of boven openbaar waterDit artikel is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit reglement) Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 2:10. van deze verordening, het plaatsen van voorwerpen op de weg. Ook bij dit artikel is een vergunning vervangen door een breed gestelde algemene regel. Daarmee legt de overheid nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en onderhoud. Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 2:10, waar het veelal gaat om tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is aan dit artikel anders dan bij artikel 2:10 een meldingsplicht verbonden. Op die manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle financiële gevolgen van dien.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-24-345\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ligplaats woonschepen en overige vaartuigenArtikel 31, tweede lid, van de Wet op Woonwagens en Woonschepen bepaalde dat de gemeenteraad bevoegd is regels te stellen onder andere betreffende de plaats die woonschepen mogen innemen bij verblijf binnen de gemeente. Uit jurisprudentie bleek dat in beginsel in iedere gemeente met openbaar water mogelijk moet zijn om met een woonschip ligplaats in te nemen. Op 1 maart 1999 is de Wet op Woonwagens en Woonschepen ingetrokken. De jurisprudentie is echter opgenomen in de Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met bovengenoemde wet. Een verbod met een ontheffingen- of vergunningenstelsel is wel toegestaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25-346\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwijzingen ligplaatsNaast de algemene regels die krachtens artikel 5:24, tweede lid, kunnen worden uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt daarvoor de grondslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26-347\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:26</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaatsBepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27-348\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beschadigen van waterstaatswerkenProvinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn. De bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpoli-tiereglement legt aan degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28-349\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ReddingsmiddelenOm te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29-350\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheid op het waterHet Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar water</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30-351\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigenBepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">CrossterreinenIndien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaatsvindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Artikel 5:32 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen o.i.d. in het vooruitzicht wordt gesteld. Is artikel 5:32 van toepassing dan is een vergunning op basis van artikel 2:25 niet meer van toepassing.Voor het organiseren van evenementen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 7 van toepassing. ‘Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en 5:33. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31-352\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking verkeer in natuurgebiedenTer bescherming van de natuur of voorkoming van geluidsoverlast is het verboden te crossen met fiets, motor of auto dan wel paard te rijden in de genoemde plaatsen. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet geldt</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32-353\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stokenBestaande doorlopende ontheffingen op basis van de APV, blijven van kracht, met dien verstande dat sinds 2003 naast deze ontheffing een ontheffing noodzakelijk is op basis van de Wet Milieubeheer Artikel 5:34 bescherming gemeentewapen, -vlag en gemeentelijk logoingenBepaling spreekt voor zich.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 10. Verstrooiing van as</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35-354\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:35</span><span class=\"lf-art-t\">BegripsomschrijvingBepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36-355\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verboden plaatsenAsverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan worden opge-nomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar ver-wachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37-356\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinder of overlastHet verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt achtergelaten</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1-357\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">StrafbepalingOp grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met open-baarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van de tweede categorie bedraagt € 2.250. Op grond van artikel 91 jo artikel 51 WvSr vallen ook rechtspersonen onder de werking van gemeentelijke strafbepalingen. In een aantal bepalingen wordt het college de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens artikel 1:4 gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning of een ontheffing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2-358\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ToezichthoudersIn dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit hoofdstuk geeft regels voor het toe-zicht. Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften (artikel 5:11 van de Awb). De aanwijzing van toezichthouders kan in de APV plaatsvinden. Een deel van de toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen. Hiernaast kunnen toezichthouders door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen Deze bevoegdheid vloeit voort uit de artikelen 162 en 174 van de Gemeentewet waarin het college respectievelijk de burgemeester belast zijn met de uitvoering van gemeentelijke verordeningen. Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht belaste personen behoren. Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren. Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-359\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnentreden woningenHet is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is toezichthouders deze bevoegdheid reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat het ‘huisrecht’ regelt. Het betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het wat beperktere, vormvoorschriften. De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie elementen:– de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn verleend;– de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet te worden aangewezen;– er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel 100 van de Woningwet. Deze bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of personen belast met een opsporings of toezichthoudende taak in het kader van de wetshandhaving. Voorts bestaan bevoegdheden tot binnentreden voor de uitvoering van rechterlijke taken en bevelen, de uitoefening van bestuursdwang, de handhaving van de openbare orde, ter bescherming van de volksgezondheid en ter uitvoering van noodwetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In artikel 6:3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid. Voor een aantal bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere wet. Het betreft de volgende artikelen. a. artikel 2:3 inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de Wet openbare manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen en andere plaatsen geregeld.b. de artikelen 2:66 tot en met 2:70, de op de artikelen 437 en 437ter van het WvSr gebaseerde gemeentelijke helingsvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 552 van het WvSv bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren (dus niet de buitengewone opsporingsambtenaren) toegang tot elke plaats hebben waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij door een van de daar genoemde ondernemers wor-den gebruikt. Dit geldt zowel voor toezicht als opsporing.c. De artikelen die gebaseerd zijn op artikel 10.10 van de Wet milieubeheer (Wm).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18.5 van de Wm geeft aan in welke situaties een toezichthouder bij zijn toezichthoudende taak een woning kan binnentreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Algemene wet op het Binnentreden (Awbi) zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning wil betreden met of zonder toestemming van de bewoner in acht moet nemen. Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij de vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt, dient zich op vordering van de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet opvolgen van deze vordering levert het ambtsmisdrijf van artikel 370 WvSr op.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4-360\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordeningEen besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is gesteld, wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden. Na de bekendmaking wordt dit besluit meegedeeld aan het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen. Ingevolge artikel 142 van de Gemeentewet treden (straf)verordeningen in werking op de achtste dag na die, waarop zij zijn afgekondigd ALFABETISCH REGISTERA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbieden (van geschreven of gedrukte stukken) 2:6Aanbrengen van voorwerpen enz. op de weg. 2:10Aanhanger (verbod tot parkeren). 5:6Aanleggen van een weg.... 2: 11Aanlijngebod voor honden. 2:57Aanplakregeling.............................................. 2:42Aanvraag (te laat ingediend) 1:2/1:3Aanvullen voorschriften en beperkingen. 1:4Aanwijzing gemeenteambtenaren. 6:2Aanwezigheid exploitant/beheerder seksinrichting 3:8Afsteken vuurwerk.......................................... 2:73Afval opslag……………. 4:13Afvalstoffen opslag ................................................ 4:13Afwijking sluitingstijd ................................... 2:30; 3:7Algemene Plaatselijke Verordening......................... .6:6Algemene termijnenwet...................................... 1:7Ambtenaren (belast met toezicht op). 6:2Autohandelaar (parkeren door). .5:3 B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bebouwde kom............................................... 1:1Beëindiging seksinrichting (of wijzigingen). 3:14Begripsbepalingen............................. ....1:1; 2:24; 2:27; 2:71; 3:1; 4:1; 5:1Beheer (wijziging seksinrichting) 3:15Beperking verkeer……………………… 5:31Beperkingen................................................ 1:4Beschadigen van een wegdek. 2:11Beslissingstermijn......................................... 1:2; 3:12Bestuursorgaan………………… .1:2; 1:3; 2:34; 3:2Betoging....................................................... 2:3Betreden gebouwen en terreinen. 2:41; 6:3Binnentreden van woningen, gebouwen, terrein enz. 6:3Borden (gedoogplicht)...................................... 2:21Bromfiets…………......... 4:13; 5:11; 5:30Bij zich hebben van vuurwerk. 2:73 C.</p>\n<p class=\"lf-p\">Caravan (verbod tot parkeren).............................. 5:6Caravan (verbod tot opslag)………………………. 4:13Categorie (aangewezen geluidsapparaten).............. .4:6Citeertitel………………………………………. 6:6Collecteren................................................ 5:12Commerciële reclame voertuigen i.v.m. parkeren............. 5:7Crossen.................................................… 5:30Crossterrein………………………………. 5:30 D.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelnemen (aan verboden optocht)........................... 2:3Dieren (gevaarlijke)....................................... 2:59;2:60Doelloos rondhangen........................................ 2:47;2:49Drank- en horecabedrijf................................ 2:27Drank- en horecawet…………………………………. 2:24; 2:48; 3:5Drankgebruik…………………………. 2:48Dronkenschap............................................... 2:48Drugs...................................................... 2:74 E.</p>\n<p class=\"lf-p\">Erotisch-pornografische goederen e.d.… 3:11Escortbedrijf (omschrijving)…………………… 3:1Escortbedrijf (verbod exploitatie van)…………… 3:4Evenement.................................................. 2:24; 2:25Exploitatie seksinrichting……………………… 3:4Exploitatie seksinrichting (beëindiging)……… 3:14 F.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feest...................................................... 2:24Fiets……………………………………………. 2:51; 2:52; 4:13; 5:31Fotograaf (op of aan de weg)............................... 2:9 G.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik vuurwerk.............................. 2:73Gedrag (hinderlijk)........................................ 2:47; 2:49Gedragseisen(exploitant/beheerder seksinrichting)…… 3:5Gedoogplicht borden voor openbaar verkeer.................. 2:21Geluidshinder (overige)…………..................................... 4:6Geluidsapparaat…………………....................... 4:6Gemeenteambtenaren...................... 6:2Gevaar door vee............................................ 2:62Gebruik vuurwerk.................................... 2:73Gegevens (te verstrekken)………………………… 2:3Gesloten woning (betreden van)……………… 2:41Gevaarlijke dieren........................................ 2:60Gevaarlijke honden……………………………… 2:59Grote voertuigen (verbod parkeren van)………………….. 5:8; 5:9 H.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handel in horecabedrijf………………………………………… 2:32Handelen zonder vergunning of ontheffing................... 6:1Hinder door rondhangen..................................... 2:47 t/m 2:49Hinderlijk gedrag.......................................... 2:47 t/m 2:49Hinderlijk parkeren door vrachtwagens...................... 5:8Honden..................................................... 2:58; 2:59Honden (gevaarlijk)…………………………. .2:59Honden (aanlijngebod)...................................... 2:57Hondenpoep.................................................. 2:58Hoogspanningslijn…………………………… 2:22Horecabedrijf............... ..................….. 2:27; 2:28; 2:32; 2:48;Houder vergunning of ontheffing........................... .1:5; 1:6 I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Identificatiekenmerk……………………………….. 2:59Inbrekerswerktuigen (vervoer).............................. 2:44Incidentele festiviteit (twaalfdagenregeling)……….. 4:3Intrekking vergunning/ontheffing........................... 1:6; 3:5;Inwerkingtreding overgangsmaatregel........................ 6:4; 6:5Inzage vergunning.......................................... 2:42Inzameling van geld of goed.......................... 5:12 J.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kampeerwagen (verbod tot parkeren)......................... 4:13; 5:6Kansspelen (Wet op de)………………………………… 2:39; 2:40Kennisgeving................................... 2:3; 4:3Kladden……………………………………………. 2:42Kom (bebouwde)............................................ . 1:1 L.</p>\n<p class=\"lf-p\">Laden................................... 2:10; 5:1Landbouwproducten(ingekuild)……………………… 4:13Loslopende honden.......................................... 2:57Loslopend vee.............................................. 2:62Lossen................................. .2:10; 5:9 M.</p>\n<p class=\"lf-p\">Materialen (opslag van oude)............................... 2:43; 4:13Muilkorven van honden...................................... 2:59 N.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere regels.............................................. 2:42; 3:3; 2:59Naleving verordening....................................... 3:9; 6:1; 6:2; 6:3Natuurgebied…………………………………….. 2:18; 5:33Natuurlijke behoefte doen (verbod op)………………………….. 4:8Niet rijklare voertuigen op de weg (parkeren).............. 5:5Nutsvoorzieningen (gedoogplicht voorwerpen t.b.v.)......... 2:21;</p>\n<p class=\"lf-p\">O.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbetamelijk gedrag bij bijeenkomsten...................... 2:33; 2:47Ongeregeldheden…………………………………. 2:1Ontheffing (sluitingsuur).................................. 2:29; 3:6Ontsiering…………………………………………. 4:13Openbare dronkenschap...................................... 2:47; 2:48Openbare plaats……………………………… 1:1; 2.1; 2.3Openbare manifestaties (wet)…………………… 2:3; 2:24Openbare plaats (kennisgeving betoging).................... 2:3Openbare vermakelijkheid.................................. 2:24; 2:25Openbare vertoning......................................... 2:24; 2:25Openbaren (gedachten/gevoelens)……………… 2:10; 3:11; 5:14; 5:15; Opslag oude materialen..................................... 4:13Opiumwet……………………………………….. 2:41; 2:74Optocht (verbod)..................................... 2:25Ordeverstoring............................................. 2:26; 2:33Ordeverstoring bij bijeenkomsten........................... 2:26; 2:33Orgaan (bevoegd)........................................... 1:2; 1:3; 2:34; 3:2Overgangsmaatregel........................ 6:4; 6:5Overlast van (brom)fiets………………………………….. 2:52; 5:11Overlast door rondhangen................................... 2:47; 2:49Overlast door vee.......................................... 2:62Overlast door vuurwerk...................................… 2:73Overgangsbepaling (bestaande seksinrichting)…………….. 3:16; 6:5 P.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paarden (verbod ruiters zich te bevinden op bepaalde plaatsen)....... 5:31Parkeren (begripsomschrijving)...........................… 5:1Parkeren (door autohandelaren etc.)......................… 5:2Parkeren grote voertuigen................................… 5:8Parkeren (uitzicht belemmerend)............................ 5:9Parkeren niet rijklare voertuigen........................… 5:5Parkeren reclamevoertuigen...............................… 5:7Parkeren recreatievoertuigen.............................… 5:6Persoonlijk karakter (vergunning/ontheffing)………… ..1:5; 1:6Plakken………………………………………………… 2:42Plakmiddelen (vervoer)...................................… 2:43Plantsoenen (rijden of parkeren in, betreden)......................…. 5:11; 5:33Pluimvee……………………………………………………… 2:62 R.Raamprostitutie (verbod op)…………….. 3:9Rechthebbende.............................................. 2:21; 2:62; 3:11; 5:18Reclamevoertuig (parkeren)............................... .5:7Recreatievoertuigen (parkeren)............................ .5:6Riool……………………………………… .4:9Rondhangen (doelloos).................................... ..2:47Rookverbod……………………………………….. 2:18 S.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenkomsten.............................................. 2:1; 2:24Samenscholing (verbod)………………………. .2:1Samenscholing (verwijderen)................................ 2:1Schriftelijk............................................... 2:3; 2:42; 3:14; 3:15Seksinrichting (omschrijving)……………………………… 3:1Seksinrichting (verbod exploitatie zonder vergunning)………… 3:4Sloot……………………………………………… 4:9Sluiting horecabedrijf (tijdelijk)……………………………….. 2:30Sluitingsuur (horecabedrijf; seksinrichting).............. 2:29; 3:6; 3:7Snuffelmarkt………………………………………….. 5:20; 5:21Speelautomatenbeleid………………………………… 2:40Sportwedstrijd.........................................…. 2:24; 5:30Speelautomaat………………………… ….2:40Stalling van auto's op de openbare weg......... ............5:2: 5:6Standplaatsen........................................... ...2:10; 5:14; 5:15; 5:16 t/m 5:19Storten van afval........................................ ..4:13Straatartiest………………………… ……2:9Straatprostitutie (tippelverbod)…… …….3:9Strafbepaling.................................... ..........6:1 T.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekenaar (op of aan de weg).................... ............2:9Tentoonstelling....................................... .....2:24Termijnen.................................. .1:7; 3:12; 3:16; 6:5Tippelverbod……………………… …..3:9Toestel......................................... ...........4:6; 5:31Toezichthouders…………………… ……………..6:2Toezicht op vee.............................. 2:62Twaalfdagenregeling ……………………… ….4:3Twaalfdagenregeling (kennisgeving incidentele festiviteit)… .4:3 U.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitstalling………………………………………… …2:10; 5:17; 5:18Uitweg (maken/veranderen)…………………… …..2:12Uitwerpselen van honden................................... .2:58Uitzichtbelemmerend parkeren............................ ...5:9Urineren............................................... ....4:8 V.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vee........................................................ 2:62Vee (toezicht op)....................................... ...2:62Veldloop.................................................. .2:24Venten................................................... ..5:13; 5:14Verbod tot deelname aan optochten e.d........ ..............2:24Verbod (evenement)................................... ....…2:24Verboden drankgebruik………………………. 2:48Verdovende middelen (verhandelen op de weg)............. .............2:74Verfgereedschap........................................ ....2:42Vergadering (ordeverstoring)...................... .........2:33Vergunning/vergunningaanvraag.................. ............1:2; 1:3; 1:4; 1:5; 1:6Vergunningsplicht (opheffing)……………… ………..1:3Verhandelen (van drugs)op de weg................... ................2:74Verhandelen van goederen…………………… .5:12 t/m 5: 21Vermakelijkheid......................................... ...2:24; 2:25Verontreiniging door honden………………… ……2:58Verstoring van de openbare orde......................... ...2:26; 2:33Verstoring van de orde bij bijeenkomsten............. ......2:33Vervallen verordening................................... ...6:4Vervoer plakgereedschap e.d.......................... ......2:43Vervoer inbrekerswerktuigen.......................... ......2:44Verwijderen afvalstoffen................................ ...4:13Verwijderen uit samenscholing e.d..................... .....2:1Voertuig(en).......................... .2:47; 2:60; 2:74; 4:13; 4:17;</p>\n<p class=\"lf-p\">H5 Afd. 1; 5:30; 5:31Voertuigen (parkeren grote)............ ....................5:8Voertuigen (parkeren niet rijklare)...... ..................5:4Voertuigwrak (begripsomschrijving)...... ...................5:5Voorschriften aan een vergunning/ontheffing..... ...........1:4Voorwerpen op, in, over of aan de weg.................... ..2:10Voorzieningen voor het openbaar verkeer.... .2:21Vorm vergunning of ontheffing............................. .1:5Vrachtwagens (verbod tot parkeren)...................... ...5:8; 5:9Vrijheid van meningsuiting............................... ..2:42; 5:15Vuurwerk (afleveren van)…………………… …2:72Vuurwerk.................................. ..2:72; 2:73Vuilnis (zich ontdoen van).......................... ....... 4:13 W.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanordelijkheden..................................... ......2:1Water...................................................... 1:1;4:9Water (verontreiniging van)..................... .........…4:9Weg....................................................... .1:1Weg (voorwerpen op, in, over of boven).... .................2:10Weg (bekladden openbare)............................ .......2:42Weg (vervuiling van)................................... ....2:42Weigeringsgronden (afgifte vergunning seksinrichting) …1:8; 3:13Welstand……………………...................... ....2:10Werkzaamheden (verontreiniging van de weg)...... ........4:12; 5:2; 5:9; 5.11Wijziging beheer (seksinrichting)………………… ……………….3:15Wijzigen vergunning of ontheffing.................. ........1:6Wildplassen……………………………………… ……..4:8 IJ.</p>\n<p class=\"lf-p\">IJs (veiligheid op het ijs)……… …………..2:23 Z.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zich ontdoen van afval..................... ................ 4:13Zonneschermen................................... ...........2:10</p></div>", "next": 0}