{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">24.6.2 Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragenCessie of stille verpanding van een uit te betalen bedrag is mogelijk mits dit bedrag voldoende bepaald is omschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stille verpanding is mogelijk vanaf het moment dat de aanspraak op teruggaaf van het saldo van positieve en negatieve elementen van de belastingaanslag of de teruggaafbeschikking materieel vaststaat. Dit is op zijn vroegst het geval na het einde van het jaar of tijdvak waarop de teruggaaf betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.3 Instemming of weigering met een cessie of verpandingDe weigering van een instemming met de cessie of verpanding heeft betrekking op de gehele cessie of verpanding. De instemming wordt niet gedeeltelijk verleend. Wel bestaat de mogelijkheid om een uit te betalen bedrag in gedeelten te cederen of te verpanden. De ontvanger moet dan bij iedere cessie of verpanding afzonderlijk beoordelen of hij daarmee instemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Instemming met een cessie of verpanding wordt alleen geweigerd als de ontvanger gegronde redenen heeft om aan te nemen dat instemmen met de cessie of verpanding zal kunnen leiden tot oninbaarheid dan wel onverhaalbaarheid van een ten tijde van de mededeling invorderbare belastingaanslag (of anderszins voor verrekening vatbare schuld) waarmee het uit te betalen bedrag zonder cessie of verpanding had kunnen worden verrekend. De weigering voorkomt aldus dat de invordering van deze aanslag wordt gefrustreerd. Deze situatie zal zich onder meer voordoen bij een belastingschuldige die bekend staat als een notoir slechte betaler.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met nadruk wordt vermeld dat bij de beoordeling of met een cessie of verpanding moet worden ingestemd geen rekening wordt gehouden met materieel ontstane belastingschulden die nog niet zijn geformaliseerd in een belastingaanslag. De ontvanger is verplicht met een cessie of verpanding in te stemmen als op het tijdstip van de mededeling van de cessie of verpanding ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare (en dus geformaliseerde) schuld invorderbaar is. In verband met het cessie- en verpandingsverbod van artikel 7b van de wet geldt dit niet voor uitbetalingen inkomstenbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de derde - in dit geval de pandhouder of cessionaris - bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving, waarbij de belastingschuldige op de mogelijkheid wordt gewezen bij het college beroep in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.4 Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en AwbOnverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet geldt met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, dat de ontvanger de indiener verzoekt het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.5 Bekendmaking beschikking college bij cessie of verpandingDe beschikking van het college op het beroepschrift wordt bekend gemaakt door toezending of uitreiking van de beschikking aan zowel de belastingschuldige als de derde, in dit geval de pandhouder of cessionaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.6.6 Houding ontvanger bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpandingDe belastingschuldige kan zich tot de voorzieningenrechter wenden met het verzoek de ontvanger te verbieden de instemming te weigeren. Totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan, gaat de ontvanger niet tot verrekening over.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de rechter het verzoek afwijst, dan verrekent de ontvanger niet eerder dan nadat 14 dagen zijn verstreken na de dag van de uitspraak, tenzij tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de rechter het verzoek ook in hoger beroep afwijst, verrekent de ontvanger niet eerder dan nadat de uitspraak in hoger beroep onherroepelijk vaststaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel25</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstel van betaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 25 van de wet kan de ontvanger - onder door hem te stellen voorwaarden - uitstel van betaling verlenen aan de belastingschuldige voor (een gedeelte van) een opgelegde belastingaanslag. Het verlenen van uitstel van betaling gebeurt in beginsel op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan de ontvanger ook ambtshalve uitstel van betaling verlenen. De ontvanger kan een verleend uitstel van betaling bij beschikking tussentijds beëindigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 25 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid; uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag. uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag; uitstel in verband met betalingsproblemen; betalingsregeling voor particulieren; betalingsregeling voor ondernemers; administratief beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1 Algemene uitgangspunten uitstelbeleid25.1.1 Houding van de ontvanger tijdens behandeling verzoek om uitstelGedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.2 Toewijzing van het verzoek om uitstel van betalingBij toewijzing van het verzoek vermeldt de ontvanger de voorwaarden waaronder hij uitstel van betaling verleent in de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.3 Redenen afwijzing verzoek om uitstelEen verzoek om uitstel van betaling kan worden afgewezen als: het verzoek niet schriftelijk is ingediend, tenzij sprake is van een verzoek om uitstel als bedoeld in artikel 25.5.3 of 25.6.2d; de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is; onjuiste gegevens worden verstrekt; de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de door de ontvanger daartoe gestelde termijn zijn verstrekt. Als de verstrekte gegevens onvolledig zijn, stelt de ontvanger de belastingschuldige in de gelegenheid de ontbrekende gegevens alsnog binnen 2 weken te verstrekken; de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld (zie artikel 25.1.1, 25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad); de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kan worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde belasting te betalen; de betalingsregeling zich over een voor de ontvanger onaanvaardbare termijn uitstrekt; de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling volgens de ontvanger geen uitkomst zal bieden; sprake is van een verzoek om uitstel van betaling van een belastingaanslag in verband met betalingsmoeilijkheden en voorafgaande aan dat verzoek uitstel is genoten in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen die aanslag, terwijl gedurende die procedure betalingsmiddelen ter beschikking hebben gestaan, waarmee de belastingschuld kon worden betaald; de belastingschuldige reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen; ter zake van de aanslag reeds een beslagopdracht naar de belastingdeurwaarder is uitgegaan dan wel door de belastingdeurwaarder reeds beslag is gelegd; in geval van een vordering op grond van artikel 19 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger is niet verplicht de belastingschuldige in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te laten brengen voordat hij het verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk afwijst. Als het verzoek om uitstel wordt afgewezen, moet gemotiveerd worden waarom tot afwijzing van het verzoek is besloten. Daarbij moeten alle afwijzingsgronden worden genoemd; er kan niet worden volstaan met het noemen van de voornaamste afwijzingsgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.4 Redenen beëindigen uitstelHet uitstel wordt in ieder geval beëindigd als: niet aan de voorwaarden wordt voldaan waaronder het uitstel is verleend; tijdens de looptijd van het uitstel blijkt dat onjuiste gegevens zijn verstrekt; de aanleiding tot uitstel van betaling is weggevallen; de financiële omstandigheden van de belastingschuldige zodanig veranderen of zijn veranderd dat het naar het oordeel van de ontvanger onjuist is het uitstel te continueren; de medewerking van de verzoeker aan de gemeente naar het oordeel van de ontvanger onvoldoende is; zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 10 van de wet en de ontvanger van mening is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt; belastingschuldige in staat van faillissement wordt verklaard, hem surseance van betaling wordt verleend of hij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijnAls de belastingschuldige een betalingsregeling van meer dan één termijn niet nakomt, kan de ontvanger alvorens hij de regeling beëindigt, de belastingschuldige in de gelegenheid stellen om alsnog binnen 14 dagen de achterstand te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.6 Van rechtswege vervallen van een verleend uitstelAls de ontvanger uitstel heeft verleend tot een bepaald tijdstip en dit tijdstip is verstreken, dan is daardoor het uitstel van rechtswege vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.7 Geen invordering tijdens verleend uitstelTenzij in de leidraad anders is aangegeven, kan de ontvanger voor een belastingaanslag waarvoor hij uitstel van betaling heeft verleend, geen invorderingsmaatregelen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.8 Na (afwijzen) uitstel 14 dagen wachttijdAls de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uitstel beëindigt, of als het college afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, dan wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van 14 dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege als op telefonisch verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van 14 dagen niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet onmiddellijk aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad. Verder geldt deze termijn niet als een executieverkoop wordt opgeschort en in verband daarmee uitstel van betaling is verleend in samenhang met een prolongatieovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.9 en 25.1.10 (N.v.t.)25.1.11 Uitstel voor een bestuurlijke boeteDe ontvanger verleent uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger verleent ook uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en de bedragen van die belastingaanslag en die van de boetebeschikking op één aanslagbiljet zijn vermeld. De ontvanger verleent dit uitstel niet als uit het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zich niet richt tegen de bestuurlijke boete.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het uitstel kan de ontvanger voorwaarden verbinden die ertoe strekken de belangen van de gemeente veilig te stellen. De ontvanger verleent het uitstel tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.12 (Vervallen)25.1.13 Zekerheid bij uitstelDe ontvanger kan bij het verlenen van uitstel van betaling de voorwaarde stellen dat de belastingschuldige of een derde zekerheid stelt. Bij het stellen van zekerheid gaat de voorkeur uit naar zekerheden die op eenvoudige wijze kunnen worden gesteld, bewaakt en uitgewonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aangeboden zekerheid in de vorm van een bezitloze verpanding van voorraden is in beginsel niet aanvaardbaar vanwege de aard van deze zekerheid. De ontvanger aanvaardt een bezitloze verpanding van voorraden slechts als aannemelijk is dat de belastingschuld niet kan worden betaald en andere zekerheidsvormen niet voorhanden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.14 Tijdstip indiening verzoek om uitstelDe ontvanger neemt een verzoek om uitstel van betaling altijd in behandeling, ongeacht het tijdstip van indiening en het stadium van de invordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger wijst een verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen in het algemeen af als het verzoek is ingediend nadat aankondiging van een ten laste van de belastingschuldige te houden executoriale verkoop heeft plaatsgevonden, of als publicatie daarvan niet meer is te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de belangen van de gemeente niet te schaden, kan de ontvanger de beslissing op een vlak voor de executoriale verkoop ingediend verzoek om uitstel mondeling bekend maken. De ontvanger bevestigt deze beslissing zo spoedig mogelijk bij beschikking. In dat geval geldt uiteraard niet de termijn van 14 dagen waarbinnen de ontvanger de invordering niet mag aanvangen of voortzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger willigt geen enkel verzoek om uitstel meer in als de belastingdeurwaarder is begonnen met de executoriale verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.1.15 Verzoekschriften aan andere instellingenDe ontvanger houdt de invordering aan als een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college of de (gemeentelijke) ombudsman tot op dat verzoekschrift is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als naar het oordeel van de ontvanger aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van de gemeente worden geschaad, kan de ontvanger na voorafgaande toestemming van het college toch invorderingsmaatregelen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2 Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag25.2.1 Bezwaar tegen hoogte belastingaanslagDe belastingschuldige kan bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag door middel van een bezwaarschrift kenbaar maken. Een in verband daarmee gevraagd uitstel van betaling kan de ontvanger verlenen tot het moment waarop de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift doet. Onder een bezwaarschrift wordt ook begrepen een door de belastingschuldige ingediend (hoger) beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in artikel 25.2 van deze leidraad beschreven uitstelbeleid heeft uitsluitend betrekking op het door de belastingschuldige bestreden deel van de belastingaanslag waarvoor uitstel is verzocht of verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.2 Bezwaarschrift geldt als verzoek om uitstel; beroepschrift nietVoor het bestreden bedrag van een aanslag moet de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling indienen. Het indienen van een bezwaarschrift geldt niet tevens als een verzoek om uitstel van betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift en een ingesteld hoger beroep of beroep in cassatie tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen bij de ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.2a Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschriftAls de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient bij de ontvanger in verband met een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag dan moet hij in het verzoek het bestreden bedrag van de aanslag en de berekening van dat bedrag vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.2b Nadere gegevensDe ontvanger kan aan de belastingschuldige nadere gegevens vragen ter bepaling van de hoogte van het bestreden bedrag. De ontvanger geeft de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand vanaf de dagtekening van zijn verzoek om nadere gegevens. De invordering wordt voor die termijn geschorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen in dit artikel is vermeld is van overeenkomstige toepassing op een uitdrukkelijk verzoek om uitstel van betaling opgenomen in het bezwaarschrift zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is hetgeen in dit artikel is vermeld van overeenkomstige toepassing op een door de belastingschuldige bij de ontvanger ingediend verzoek om uitstel in verband met een op korte termijn in te dienen bezwaarschrift. In dit laatste geval licht de ontvanger de inspecteur daaromtrent in en wordt het verzoek tevens aangemerkt als een pro forma bezwaarschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als sprake is van een verzoek om uitstel in verband met een ingediend beroepschrift, dient tevens een kopie van het beroepschrift te worden overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.3 De beslissing op het verzoek om uitstel van betalingIn het algemeen wijst de ontvanger een verzoek om uitstel van betaling in verband met een bezwaarschrift toe als aan de in de artikelen 25.2.2, 25.2.2a en 25.2.2b gestelde eisen is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan aan het uitstel voorwaarden verbinden. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het bestreden bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.4 (N.v.t.)25.2.5 Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaarAls voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen voor de bestreden belastingschuld. In beginsel vraagt de ontvanger alleen zekerheid als de aard van de belastingschuld dan wel de omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn, daartoe aanleiding geeft. Daarnaast houdt de ontvanger bij zijn beslissing rekening met het betalingsgedrag van de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.6 Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuldZolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet onherroepelijk vaststaat, treft de ontvanger voor de betwiste belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de gemeente of de belangen van de belastingschuldige door het achterwege laten van onherroepelijke invorderingsmaatregelen worden geschaad, dan kan de ontvanger die maatregelen wel treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het leggen van beslag dat feitelijk dienst doet als een bewaringsmaatregel geldt niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.7 Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaarAls de ontvanger uitstel heeft verleend, blijft verrekening van het bestreden bedrag met een teruggaaf op een andere belastingaanslag of andere uit te betalen bedragen achterwege, in afwachting van de uitspraak op het bezwaarschrift, tenzij anders is bepaald in deze leidraad onder artikel 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan hiervan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldige zodanig is - bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van diens onderneming in relatie tot de hoogte van de (bestreden) belastingschuld - dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en verder niet voldoende zekerheid is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ontvanger overgaat tot verrekening, licht hij de belastingschuldige in bij de bekendmaking van de beschikking omtrent zijn beweegredenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.7a Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstelAls de ontvanger bij het verlenen van het uitstel geen nadere voorwaarden heeft gesteld, kan hij uiterlijk binnen 4 maanden vanaf de datum dat het uitstel is verleend voor het ingediende bezwaarschrift schriftelijk aan de belastingschuldige nadere voorwaarden stellen. Hierbij kijkt de ontvanger of de looptijd voor het afdoen van het bezwaarschrift in relatie tot de hoogte van het bestreden bedrag van de aanslag daartoe aanleiding geeft. Voor de beoordeling of hij zekerheid verlangt voor de bestreden belastingschuld, past de ontvanger de in artikel 25.2.5 van deze leidraad opgenomen voorwaarden toe. Indien de belastingschuldige tijdig voldoet aan deze voorwaarden, continueert de ontvanger het uitstel. De ontvanger trekt het uitstel in als de belastingschuldige niet aan deze voorwaarden voldoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.8 Geen uitstel voor het niet bestreden bedragAls sprake is van een bestreden en niet-bestreden bedrag van een belastingaanslag, dan verleent de ontvanger uitstel onder de opschortende voorwaarde dat het niet-bestreden bedrag per omgaande dan wel tijdig wordt betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als niet per omgaande dan wel niet tijdig wordt betaald, wordt de invordering zonder nadere aankondiging voor de gehele belastingaanslag aangevangen dan wel voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar neemt de ontvanger pas in behandeling als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.9 Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslagDe ontvanger trekt het uitstel van betaling in, als dit is verleend in verband met bezwaar voor het volledige bedrag van de belastingaanslag en later blijkt dat het bezwaar slechts betrekking heeft op een gedeelte van dat bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger deelt daarbij mee dat hij een nieuw verzoek om uitstel voor de betreffende belastingaanslag in verband met bezwaar pas in behandeling neemt, als het niet-bestreden gedeelte van de belastingaanslag tijdig is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3. Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag25.3.1. Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragenAls binnen afzienbare tijd een door de ontvanger uit te betalen bedrag wordt verwacht, kan de ontvanger uitstel van betaling verlenen tot het moment waarop hij dit uit te betalen bedrag kan verrekenen met de belastingaanslag waarvoor uitstel wordt gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf als: het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt verwacht is afgelopen; en de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend; en over die teruggaaf tussen de inspecteur en de belastingplichtige geen verschil van mening bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.2 Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstelBij het verzoek om uitstel moet een berekening van het uit te betalen bedrag zijn gevoegd. Als dit ontbreekt of onvoldoende is gemotiveerd, geeft de ontvanger de belastingschuldige een termijn van ten hoogste een maand om alsnog zijn verzoek (nader) te motiveren. De termijn begint te lopen vanaf de dagtekening van de kennisgeving van de ontvanger dat de belastingschuldige zijn verzoek (nader) moet motiveren. De invordering wordt voor die termijn geschorst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een langere termijn (of verlenging van de eerder gegeven termijn) is mogelijk als de ontvanger van oordeel is dat dit redelijk is. Als de belastingschuldige de verleende termijn ongebruikt voorbij laat gaan, wijst de ontvanger het verzoek om uitstel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.3 Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedragDe ontvanger beslist - onder door hem te stellen voorwaarden - in het algemeen positief op een volledig gemotiveerd verzoek om uitstel van betaling. De toewijzende beslissing strekt zich niet verder uit dan tot het te verrekenen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het te verrekenen bedrag moet de belastingschuldige tijdig betalen. De ontvanger kan echter een betalingsregeling toestaan als daartoe aanleiding bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.4 Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedragUit te betalen bedragen waarop het uitstel geen betrekking heeft, verrekent de ontvanger met de openstaande belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct gevaar loopt als gevolg van een eventuele verrekening van teruggaven en niet hoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld, dan kan hij deze teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4 Uitstel in verband met betalingsproblemen25.4.1 Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemenAls de belastingschuldige de belasting - geheel of gedeeltelijk - niet binnen de wettelijke betalingstermijnen kan voldoen, kan de ontvanger aan de belastingschuldige op diens verzoek een betalingsregeling toestaan. De ontvanger kan daarbij voorwaarden stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van het verzoek om uitstel spelen niet alleen de omstandigheden van dat moment een rol. Als de belastingschuldige in het verleden bijvoorbeeld niet heeft gereserveerd voor redelijkerwijs voorzienbare schulden of nalatig is geweest bij het doen van betalingen, kan dit een rol spelen bij het toestaan en verlengen van een betalingsregeling of bij het stellen van voorwaarden bij een betalingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan een betalingsregeling weigeren als de betalingsproblemen zijn terug te voeren op structurele problemen of activiteiten die geen perspectief bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.2 (N.v.t.)25.4.3 Verrekening tijdens een betalingsregelingTijdens een betalingsregeling verrekent de ontvanger belastingteruggaven en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar aanleiding toe is, kan de ontvanger afzien van het verrekenen van bepaalde teruggaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.4 Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseanceFaillissementsschulden en belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, moet de ontvanger op de gebruikelijke wijze bij de curator dan wel de bewindvoerder aanmelden. Voor deze schulden treft de ontvanger geen betalingsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo lang onzeker is of alle boedelschulden uit de boedel kunnen worden voldaan kan de ontvanger voor de betaling daarvan uitstel verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan tijdens een surseance van betaling op verzoek van de bewindvoerder uitstel van betaling verlenen voor de belastingschuld die voor de aanvang van de surseance materieel verschuldigd is geworden. De ontvanger stelt daarbij de voorwaarde dat de belastingschuldige nieuw opkomende verplichtingen stipt nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan ook tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling onder de gebruikelijke voorwaarden uitstel van betaling verlenen voor belastingaanslagen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling niet van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor belastingaanslagen zekerheid is gesteld, wint de ontvanger deze uit. Daarna informeert hij de curator dan wel de bewindvoerder over de wijziging in de hoogte van de belastingschuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.4.5 (N.v.t.)25.5 Betalingsregeling voor particulieren25.5.1 Duur betalingsregelingDe ontvanger verleent de belastingschuldige uitstel van betaling voor een periode van ten hoogste 12 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn, kan hij de belastingschuldige een langere termijn gunnen dan 12 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien uit het verzoek om uitstel blijkt dat de belastingschuldige niet in staat is om binnen 24 maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.2 Voorwaarden aan betalingsregelingDe ontvanger kan aan het verlenen van uitstel verschillende voorwaarden verbinden. In ieder geval stelt de ontvanger aan het verlenen van een betalingsregeling de voorwaarde dat nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen - waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen - tijdig worden nagekomen. De ontvanger kan echter op verzoek van de belastingschuldige toestaan dat nieuwe belastingaanslagen, waarvan het ontstaan of onbetaald laten niet aan de belastingschuldige kan worden toegerekend, in een bestaande betalingsregeling worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan alvorens het uitstel te verlenen, zekerheid eisen als de aard van de belastingschuld dan wel de omvang van de belastingschuld in relatie tot de verhaalsmogelijkheden die bij de ontvanger bekend zijn, daartoe aanleiding geeft. Ook het betalingsgedrag in het verleden kan aanleiding zijn voor het eisen van zekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.3 Kort uitstelOp schriftelijk verzoek kan een betalingsregeling worden getroffen met een looptijd tot maximaal 4 maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag, als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend; (vervallen) Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend;</p>\n<p class=\"lf-p\">N.v.t.;</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingschuldige heeft geen belastingschuld openstaan waarvoor een hernieuwd bevel van betaling is betekend door de belastingdeurwaarder.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.4 Behandeling verzoek betalingsregelingIn andere gevallen als bedoeld in artikel 25.5.3 van deze leidraad verleent de ontvanger in ieder geval geen uitstel van betaling als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd al uitstel op grond van artikel 25.5.3 van deze leidraad is verleend, ongeacht of dit uitstel nog loopt of reeds is beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.5 Vermogen en betalingsregelingDe aanwezigheid van vermogen op het moment van het indienen van het verzoek staat een betalingsregeling in het algemeen in de weg. Dit geldt met name indien het vermogen zonder bezwaar liquide is te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder vermogen wordt in dit verband verstaan de bezittingen van de belastingschuldige en diens echtgenoot, verminderd met de schulden die een hogere preferentie hebben dan de belastingschuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.6 t/m 25.5.9 (N.v.t.)25.5.10 Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voorAls een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een betalingsregeling voorstelt waarbij de schuld binnen 12 maanden wordt afbetaald en deze regeling afwijkt van hetgeen de ontvanger heeft berekend, dan hoeft een niet al te grote afwijking niet te leiden tot afwijzing van het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de regeling die door de belastingschuldige is voorgesteld voor de ontvanger niet aanvaardbaar is, maar een andere regeling wel ingewilligd kan worden, dan deelt de ontvanger onder afwijzing van het verzoek de belastingschuldige mee welke regeling hij desgevraagd wel kan verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.5.11 Betalingsregeling langer dan 12 maandenHet beleid bij regelingen tot en met 12 maanden is van overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan 12 maanden duurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.6 t/m 25.6.3 N.v.t.25.6.4 Uitstel en overheidssteun/subsidieAls het de ontvanger bekend is dat van overheidszijde een onderzoek wordt ingesteld naar de mogelijkheid van subsidie- of steunverlening om de schuld te voldoen of een sanering mogelijk te maken, dan verleent de ontvanger uitstel van betaling als hij de verwachting heeft dat het verzoek door de (potentiële) subsidiënt zal worden gehonoreerd. De belastingschuldige moet dan wel aan de lopende verplichtingen voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7 Administratief beroep25.7.1 Toetsing uitstelbeschikking door het collegeAls de belastingschuldige het niet eens is met een door de ontvanger genomen beslissing op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de wet, kan de belastingschuldige daartegen administratief beroep instellen bij het college. De belastingschuldige moet het beroepschrift indienen bij de ontvanger die de beschikking heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de behandeling van het beroepschrift handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek om uitstel is toegewezen. Als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de gemeente kunnen worden geschaad, kan hij ondanks de behandeling van het beroep wel invorderingsmaatregelen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.2 Beroepsfase uitstelMet overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift 10 dagen bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.3 Beslissing college op beroepschrift bij uitstelIn alle gevallen waarin het college van de gemeente het beroep gegrond oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen, hetzij door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de gronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.4 Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstelDe belastingschuldige kan beroep instellen bij het college tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op een verzoek om uitstel van betaling. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger uitstel van betaling had moeten verlenen, dan hoeft het college niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.7.5 Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de ontvangerDe ontvanger merkt een door de belastingschuldige ingediend bezwaarschrift tegen de beslissing op het verzoek om uitstel aan als een beroepschrift. Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel indient voor dezelfde belastingschuld als waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om uitstel geheel of gedeeltelijk had afgewezen, zonder daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in het eerste lid bedoelde situaties geeft de ontvanger een nieuwe beschikking af, als hij op dat moment aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe beschikking niet eens is, kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep gaan bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de belastingschuldige in zijn nieuwe verzoek om uitstel voor dezelfde belastingschuld andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt, beslist de ontvanger zelf op dat verzoek. Bij zijn beslissing houdt hij rekening met deze feiten of veranderde omstandigheden. Als de belastingschuldige het ook met de nieuwe beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep gaan bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de belastingschuldige opnieuw verzoekt om uitstel van betaling, ter zake van een belastingschuld waarvoor het college reeds op een administratief beroep afwijzend heeft beslist, zonder daarbij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, wijst de ontvanger dit verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak van het college. Als de belastingschuldige het met deze beschikking niet eens is, dan kan hij daartegen binnen tien dagen in beroep gaan bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel25at/m 26 (N.v.t.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27</span><span class=\"lf-art-t\">Verjaring</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 27 regelt enkele specifieke (aanvullende) zaken met betrekking tot verjaring: dat stuiting van de verjaring door de ontvanger mogelijk is door het zenden van een schriftelijke mededeling waarin het recht op betaling ondubbelzinnig wordt voorbehouden; als de belastingschuldige heeft opgehouden te bestaan (oftewel: de onderneming bestaat niet meer) en er is iemand aansprakelijk gesteld voor de belastingschuld, dan treedt de aansprakelijkgestelde in de plaats van de belastingschuldige (oftewel: in dat geval kan ook de aansprakelijkheidsschuld zelfstandig worden gestuit of verlengd).</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op afdeling 4.4.3 Awb en artikel 27 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: versnelde invordering en verjaring; aansprakelijkgestelden en verjaring; stuiting van de verjaring; schorsing van de verjaring; afstand van verjaring; rente en kosten van verjaring; verjaring van belastingteruggaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.1 Versnelde invordering en verjaringAls de invordering is aangevangen met toepassing van artikel 10 van de wet begint de verjaringstermijn te lopen op het moment dat de belastingaanslagen onmiddellijk en tot het volle bedrag invorderbaar werden. De oorspronkelijke vervaldag heeft op dat moment voor de verjaring geen belang meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.2 Aansprakelijkgestelden en verjaringEen aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag ter zake waarvan aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.3 Stuiting van de verjaringAls de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in over het doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de verjaring te stuiten kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden betekend. Als de ontvanger de verjaring van een rechtsvordering tot betaling stuit door een schriftelijke mededeling, maakt hij die schriftelijke mededeling bekend aan de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.4 Schorsing van de verjaringUitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.5 Afstand van verjaringVan eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De ontvanger beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als zonder meer duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk bedoelt afstand van de verjaring te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.6 Rente en kosten en verjaringDe op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de belastingaanslag verbonden. Als voor een belastingaanslag de verjaring is ingetreden, laat de ontvanger dus ook voor de rente en kosten invordering en verrekening achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.7 Na verjaring geen civiele invorderingNa intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de mogelijkheid om een belastingschuld in te vorderen door middel van een dagvaarding.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-278\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel27.8</span><span class=\"lf-art-t\">Verjaring van belastingteruggaven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verjaring van belastingteruggaven geldt eenzelfde verjaringstermijn als voor belastingschulden. Na verjaring ontstaat een natuurlijke verbintenis. De ontvanger zal een beroep op de verjaring doen, tenzij hij gerede twijfel heeft of de belastingaanslag aan de belastingschuldige is bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel27a(N.v.t.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel28</span><span class=\"lf-art-t\">Invorderingsrente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 28 van de wet regelt het in rekening brengen en vergoeden van invorderingsrente.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 28 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: correctie berekende invorderingsrente; vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente; kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk; drempelbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.1 (Vervallen)28.2 Correctie berekende invorderingsrenteDe ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag waaraan een nieuwe dagtekening wordt toegekend die leidt tot een ander aanvangstijdstip voor de renteberekening. Daarnaast wordt invorderingsrente gecorrigeerd in de volgende gevallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover na het in rekening brengen van de invorderingsrente een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen en geen rente wordt vergoed op grond van artikel 28b van de wet. Deze situatie zal zich voordoen: bij vermindering van belastingaanslagen, en; als een positieve belastingaanslag wordt gevolgd door een negatieve belastingaanslag over dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.3 Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrenteAls de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente in rekening brengt, kan er slechts in uitzonderlijke situaties aanleiding bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan van mening zijn dat het niet tijdig voldoen van de belastingschuld niet kan worden verweten aan de belastingschuldige en bovendien dat de invordering van rente onredelijk en onbillijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift de verschuldigde rente verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.4 en 28.5 (Vervallen)28.6 Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijkKwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De ontvanger doet ook geen toezegging dat de rente niet zal worden ingevorderd. Dit laat onverlet dat de ontvanger rente buiten invordering laat als hij de hoofdsom buiten invordering laat.</p>\n<p class=\"lf-p\">28.7 (Vervallen)28.8 DrempelbedragRentebedragen van € 50 of minder worden bij een slotbetaling op een belastingaanslag niet in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">28a t/m 29Er zijn in deze leidraad op artikel 28a t/m 29 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel30</span><span class=\"lf-art-t\">Beschikking invorderingsrente</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 30 van de wet bepaalt dat de ontvanger het bedrag van de invorderingsrente vaststelt bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Op deze beschikking is hoofdstuk V van de AWR van toepassing. De ontvanger kan geen betalingskorting verlenen van belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: verzoek tot vermindering rente is bezwaar; invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie; invorderingsrente: uitstel van betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.1 (N.v.t.)30.2 Verzoek tot vermindering rente is bezwaarEen verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.3 (N.v.t.)30.4 Invorderingsrente: uitstel van betalingIndiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel van betaling wordt verzocht is het beleid van artikel 25 van deze leidraad en artikel 34 van de regeling van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.5 (N.v.t.) Artikel31en 31a Er zijn in deze leidraad op de artikelen 31 en artikel 31a van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel32</span><span class=\"lf-art-t\">Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 32 van de wet bepaalt dat naast de aansprakelijkheidsbepalingen die in hoofdstuk VI van de wet zijn opgenomen, de ontvanger ook een beroep kan doen op aansprakelijkheidsbepalingen in andere wettelijke regelingen. De ontvanger kan dus ook een beroep doen op aansprakelijkheidsbepalingen uit bijvoorbeeld het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Koophandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: keuze aansprakelijkheid; gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">32.1 Keuze aansprakelijkheidIn situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de belangenafweging die aan de aansprakelijkstelling voorafgaat, wordt in beginsel doorslaggevend gewicht toegekend aan die aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijke in de gelegenheid is zich te disculperen.</p>\n<p class=\"lf-p\">32.2 GemeenschapsschuldenDe ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een gemeenschapsschuld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33</span><span class=\"lf-art-t\">Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 33 van de wet bevat hoofdelijke aansprakelijkheidsregels die gelden voor de invordering van alle (rijks)belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regels dienen ertoe om, als op het in dit artikel genoemde lichaam geen verhaal meer kan worden uitgeoefend, die personen voor de nog verschuldigde belasting aan te spreken, die in een nauwe betrekking staan of stonden tot het desbetreffende lichaam en invloed (hadden) kunnen uitoefenen op het betalen van de belastingschulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger; feitelijke vestiging; lichaam dat is ontbonden; vereffenaar; bestuurder; gewezen bestuurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.1 Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheidDe begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn dezelfde als bij de heffing van de diverse belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.2 Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheidHet begrip 'gevestigd' in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.3 Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheidDe ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet doelt, kan - behalve op grond van de verschillende formele ontbindingsbepalingen - onder omstandigheden ook worden afgeleid uit handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende ontbinding - bedoeld in de vorige volzin - geacht zich te hebben voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde 'leeg' maken van het lichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.4 Vereffenaar bij aansprakelijkheidNiet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet, maar ook degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een uitdrukkelijke lastgeving sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger moet aannemelijk maken dat het niet-betalen van de belastingschuld is te wijten aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de vereffenaar. De betekenis van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur in dit lid is dezelfde als in artikel 36 van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.5 (Vervallen)33.6 Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheidDe ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode materieel is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">33.7 Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigersBestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover zij bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen is te wijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld, waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan plotseling betalingsonmacht ontstaan door een bijzondere gebeurtenis, bijvoorbeeld een niet voorzienbare, omvangrijke miscalculatie of door het faillissement van een belangrijke debiteur. Bij dit laatste geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf uitoefent op een te zwakke financiële basis zich niet gemakkelijk op niet-verwijtbaarheid zal kunnen beroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel33a</span><span class=\"lf-art-t\">Aansprakelijkheid van begunstigden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in deze leidraad op artikel 33a van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34t\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel34t</span><span class=\"lf-art-t\">/m 47 (N.v.t.)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel48</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 48 van de wet regelt niet de aansprakelijkheid van de erfgenaam, maar geeft aan dat de erfgenaam - als rechtsopvolger van de erflater - niet voor alle belastingaanslagen voor het volle bedrag zal worden aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 48 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: beneficiaire aanvaarding; invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.1 Beneficiaire aanvaardingAls een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien verstande dat de ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging van zijn rechten (zie echter ook artikel 14.1.3 van deze leidraad).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.2 Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwegeAls voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan € 23 moet worden ingevorderd achterwege, tenzij het de hoofdsom van de aanslag betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden buiten invordering te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel48a(N.v.t.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel49</span><span class=\"lf-art-t\">Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 49 van de wet regelt de formele bepalingen voor aansprakelijkstellingen. Het geeft aan op welke wijze een materiële aansprakelijkheid wordt omgezet in een formele aansprakelijkstelling. De bepalingen gelden niet alleen voor de in de wet opgenomen aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook voor de aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking, en wel afzonderlijk voor een ieder die aansprakelijk wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete; aansprakelijkstelling voor invorderingsrente; vooraankondiging aansprakelijkstelling; de aansprakelijkstelling - in gebreke zijn; informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid; informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden; eerst uitwinning belastingschuldige; volgorde van aansprakelijk stellen; bezwaar en uitstel van betaling; overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.1 Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boeteDe ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de beschikking voor de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld bekendmaakt. De ontvanger moet dan in de beschikking de gronden vermelden waarop de aansprakelijkstelling voor de boete berust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, waarop het voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete berust, te betwisten of de ontvanger is van oordeel dat de betwisting van de aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de hoogte stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op de voet van artikel 49, eerste lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.2 Aansprakelijkstelling voor invorderingsrenteAls aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet worden gebracht, dan wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag geen rente in rekening gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.2a (N.v.t.)49.3 De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn49.3.1 Wanneer in gebrekeDe belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn belastingschuld niet heeft plaatsgevonden binnen de betalingstermijn die voor de belastingaanslag geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.3.2 In gebreke zijn en versnelde invorderingDe belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de belastingaanslag op grond van artikel 10 van de wet terstond invorderbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.3.3 In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’Als de ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft gestuurd waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen de belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de desbetreffende belastingschuld niettemin aansprakelijk worden gesteld, mits die mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.4 (N.v.t.)49.5 Informatieverstrekking aan aansprakelijkgesteldenOp grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid, van de wet moet de ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt, behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Hieronder worden verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken moeten desgevraagd ook andere gegevens worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk gestelde - vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel artikel 49, zesde lid, van de wet betrekking heeft op de gegevens over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking hebben als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.6 Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldigeDe ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning van de vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde, tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4, laatste volzin, van de leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.7 Volgorde van aansprakelijk stellenAls de ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer dan één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de ontvanger verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van verschillende aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.8 Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling49.8.1 Uitstel in verband met bezwaar tegen een beschikking aansprakelijkstellingHet beleid voor uitstel van betaling verwoord in artikel 25.2 is van overeenkomstige toepassing: als bezwaar wordt gemaakt tegen de beschikking aansprakelijkstelling; als beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de ontvanger op het bezwaarschrift tegen een beschikking aansprakelijkstelling, en; als hoger beroep of beroep in cassatie wordt ingesteld tegen een rechterlijke uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.8.2 t/m 50 (Vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel51</span><span class=\"lf-art-t\">Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet is niet van toepassing op een aansprakelijkgestelde. Wel heeft de ontvanger de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen op grond van artikel 51 van de wet met toepassing van de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 51 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">51.1 Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaarAls er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijkgestelde verzoekt om uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de beschikking, dan verleent de ontvanger alleen uitstel van betaling als er zekerheid wordt gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel52</span><span class=\"lf-art-t\">Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 52, eerste lid, van de wet heeft de aansprakelijkgestelde een betalingstermijn van 6 weken na dagtekening van de beschikking van de aansprakelijkstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft plaatsgevonden en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is ingediend, is het in de beschikking vermelde bedrag invorderbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 52 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over vermindering van de belastingaanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">52.1 Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstellingAls de inspecteur de aanslag vermindert, past de ontvanger het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit uit de vermindering en deelt dat mee aan de aansprakelijkgestelde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel53</span><span class=\"lf-art-t\">Aansprakelijkheid: verhaalsrechten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger heeft op grond van het bepaalde in artikel 53 recht om ook de regels voor de verrekening (artikel 24 van de wet met uitzondering van het tweede lid) toe te passen voor een aansprakelijkgestelde. Dit leidt ertoe dat een openstaande aansprakelijkheidsschuld kan worden verrekend met een aan de aansprakelijkgestelde uit te betalen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de aansprakelijkgestelde niet in staat is - anders dan met buitengewoon bezwaar - de belastingschuld waarvoor hij aansprakelijk is gesteld geheel of gedeeltelijk te voldoen, dan kan aan hem op verzoek ontslag van betalingsverplichting worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld; ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">53.1 Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuldEen aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">53.2 Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheidDe ontvanger verleent geen ontslag van betalingsverplichting als sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de aansprakelijk gestelde. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de regeling. De vraag of sprake is van verwijtbaarheid beoordeelt de ontvanger op basis van gedragingen van de aansprakelijk gestelde. Dit betekend dat als de aansprakelijkstelling van een bestuurder is gebaseerd op artikel 36, vierde lid, van de wet, het enkele feit dat het lichaam niet op de juiste wijze heeft gemeld niet in de weg hoeft te staan aan ontslag van betalingsverplichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel54</span><span class=\"lf-art-t\">Mededeling aan de aansprakelijkgestelde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het aanhouden van de betaling van een teruggaaf bij aansprakelijkstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">54.1 Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstellingDe ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf - als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet - aan gedurende 4 weken na de dagtekening van de schriftelijke mededeling aan de belastingschuldige. In deze periode kan de belastingschuldige - als de derde zich al voor de aansprakelijkheidsschuld op hem heeft verhaald - derdenbeslag leggen onder de ontvanger op het bedrag van de teruggaaf. In de derdenbeslagprocedure zal worden uitgemaakt aan wie de ontvanger het bedrag van de teruggaaf moet betalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55t\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel55t</span><span class=\"lf-art-t\">/m 57 (N.v.t.)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel58</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 58 van de wet regelt de verplichting voor de belastingschuldige en de aansprakelijkgestelde tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen en het ter beschikking stellen van gegevensdragers die voor de invordering van de 'eigen' belastingschulden van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder regelt artikel 58 van de wet de identificatieverplichting tegenover de ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen' belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 58 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure; gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.1 Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedureHet is de ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen instellen, nadat de rechter de ontvanger in de gelegenheid heeft gesteld bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde stellingen, indien en voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om dat bewijs te kunnen leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">58.2 (Vervallen)58.3 (N.v.t.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel59</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 249 Gemeentewet is artikel 59 van de wet niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen. Artikel 59 legt aan degene die de boekhouding of gegevens van de belastingschuldige of aansprakelijkgestelde (bij)houdt de verplichting op de gevraagde gegevens aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst te verstrekken. Het artikel kan op grond van artikel 246a Gemeentewet bij algemene maatregel van bestuur geheel of gedeeltelijk van toepassing worden verklaard voor gemeentelijke belastingen. In de betreffende algemene maatregel van bestuur, het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing (Stb. 1995, 346) is ten aanzien van de invordering geen bepaling opgenomen die overeenkomt met artikel 59. In artikel 7 van het Besluit gegevensverstrekking is alleen bepaald dat de rijksbelastingdienst desgevraagd gegevens en inlichtingen moet verstrekken over de inkomens- en vermogenspositie van de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belasting heeft gedaan op de voet van artikel 26 van de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel60</span><span class=\"lf-art-t\">Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 60 van de wet regelt de formele bepalingen voor de informatieverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 60 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van informatie; de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.1 Redelijke termijn voor verstrekken van informatieDe ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de gegevensdragers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.2 Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellenAls de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt, herhaalt de ontvanger zijn verzoek en vordert hij op basis van artikel 60, eerste lid, van de wet correcte en concrete gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde eisen, beoordeelt de ontvanger of hij een civiele procedure begint of de strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de belastingschuldige die niet voldoet aan de verplichting van artikel 60, tweede lid, van de wet, kan de ontvanger een verzuimboete als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet opleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats. In uitzonderingssituaties kan de ontvanger toestaan dat de gegevens mondeling worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering zorgt de ontvanger voor een vastlegging van het gesprek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel61</span><span class=\"lf-art-t\">Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 61 van de wet bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en 60 van de wet opgenomen verplichtingen dat niemand zich op geheimhouding kan beroepen, zelfs niet als die geheimhoudingsverplichting bij wettelijk voorschrift zou zijn opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 61 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">61.1 Niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke gegevensDe ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie van de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële gegevens gescheiden. Als het onvermijdelijk is dat de ontvanger privacygegevens onder ogen krijgt, vormt dit geen grond om de verstrekking van gegevens of de beschikbaarstelling van gegevensdragers te weigeren. De ontvanger is op grond van artikel 67, eerste lid, van de wet gehouden tot geheimhouding van die gegevens.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel62</span><span class=\"lf-art-t\">Informatieverplichtingen van de administratieplichtige</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 249 Gemeentewet is artikel 62 van de wet niet van toepassing bij de invordering van gemeentelijke belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 62 van de wet legt aan derden de verplichting op om gegevens en inlichtingen die voor de invordering van belang kunnen zijn te verstrekken aan de ontvanger van de rijksbelastingdienst. In artikel 246a Gemeentewet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld om artikel 62 Invorderingswet 1990 geheel of gedeeltelijk van toepassing te verklaren of een overeenkomstige bepaling vast te stellen. In de betreffende algemene maatregel van bestuur, het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing is ten aanzien van de invordering geen bepaling opgenomen die overeenkomt met artikel 62. In een aantal gevallen kunnen gemeenten echter toch gebruik maken van inlichtingen van derden. Het kan daarbij gaan om de volgende gevallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verschaffing inlichtingen door de rijksbelastingdienst. De Staatssecretaris van Financiën heeft in onderdeel 2.1.1.3 van het Voorschrift informatieverstrekking 1993 bepaald dat aan gemeenten desgevraagd informatie wordt verstrekt voor zover die zijn belast met de uitvoering van de belastingwet of invordering op basis van de Invorderingswet 1990. Op grond van dit voorschrift kunnen aan de rijksbelastingdienst ten aanzien van een derde bijvoorbeeld gegevens over werkgevers of uitkerende instanties worden gevraagd indien een beslag op loon of uitkering wordt overwogen. Opgemerkt wordt dat het voorschrift geen wettelijke verplichting aan de rijksbelastingdienst oplegt tot het verstrekken van inlichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inlichtingenplicht derden op grond van artikel 475g Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel62bis(N.v.t.) Artikel62at/m 63ab Er zijn in deze leidraad op de artikelen 62a, 63, 63a, 63aa en 63ab van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel63b</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke boeten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 63b van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: algemene uitgangspunten; betalingsverzuim bij aanslagbelastingen verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">63b.1 Algemene uitgangspuntenBij het opleggen van bestuurlijke verzuimboeten op grond van hoofdstuk VIIA van de wet zijn, naast de bepalingen van de AWR die in artikelen 63b van de wet worden genoemd, de voorschriften van titel 5.1 en titel 5.4 van de Awb van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">63b.2 Betalingsverzuim bij aanslagbelastingenVoor het opleggen van de boete wordt een systematiek gehanteerd waarbij de boete wordt gerelateerd aan de hoogte van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zake van een verzuim als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de wet kan de ontvanger een boete opleggen van 5 procent van de niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaalde belasting tot het wettelijk maximum van die bepaling. De boete wordt minimaal gesteld op € 50. In afwijking hiervan kan de ontvanger in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, eerste lid, van de wet genoemde maximum opleggen, zonder rekening te houden met de genoemde 5 procent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een aanslag in meerdere termijnen betaald mag worden, kunnen er met betrekking tot die aanslag ook meerdere verzuimen als bedoeld in artikel 63b, eerste lid, van de wet voorkomen. Als er meerdere dergelijke verzuimen zijn, zijn er even zoveel beboetbare feiten. Bij de bepaling van de hoogte van de boete vanwege een verzuim, houdt de ontvanger alleen rekening met de belasting die betrekking heeft op de desbetreffende betalingstermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">63b.3. Verzuimboete bij niet nakomen verplichting artikel 60, tweede lid van de wetTer zake van het verzuim als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet kan de ontvanger een verzuimboete opleggen van 50 procent van het in dat artikel genoemde wettelijk maximum. In afwijking hiervan kan in uitzonderlijke gevallen een boete tot het in artikel 63b, tweede lid, van de wet genoemde maximum worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn verplichting voldoet. Dit kan een ander zijn dan de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) beslissing te worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel63cen 64 Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63c en 64 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel65</span><span class=\"lf-art-t\">Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bij het niet of niet correct nakomen van een verplichting tot het verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van gegevensdragers, kan sprake zijn van opzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet wordt de strafmaat voor dit strafbare feit gegeven. De beide straffen die in die leden zijn genoemd, kunnen cumulatief worden toegepast. Artikel 65a van de wet merkt dit strafbare feit aan als een misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid van artikel 65 van de wet bevat de zogenaamde 'inkeerregeling': het recht op strafvervolging vervalt als een persoon tijdig tot inkeer komt en alsnog zorgt voor een juiste en volledige verstrekking van informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 65 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte opzetcriterium bij een misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">65.1 Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijfDe vereiste opzet voor de toepassing van artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet behoeft zich niet uit te strekken tot het feit dat te weinig belasting wordt ingevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel65aen artikel 66 Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en artikel 66 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel67</span><span class=\"lf-art-t\">Geheimhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als: bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift; sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen die bij ministeriële regeling (voor de gemeente geldt: bij besluit van het college) zijn aangewezen; de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan het college op grond van het derde lid ontheffing van de geheimhoudingsplicht verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf; informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">67.1 Bekendmaking aan de belastingschuldigeDe geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens aan degene op wie zij betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Ook het verstrekken van informatie over belastingschulden aan de belastingschuldige zelf valt niet onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier mede worden verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of erfgenaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">67.2 Bekendmaking aan derden in het belang van de invorderingDe geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de Invorderingswet 1990. Dat laatste moet ruim worden opgevat. Als bekendmaking van belang is voor de invordering van de verschuldigde belasting (aanslag) of een aansprakelijkheidsvordering (beschikking), kan de bekendmaking (aan derden) plaatsvinden zonder dat daarmee de geheimhoudingsplicht wordt geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">67.3 (N.v.t.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel67a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in deze leidraad op artikel 67a van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68t\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel68t</span><span class=\"lf-art-t\">/m 72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 68, 70 tot en met 70f zijn niet van toepassing voor de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn in deze leidraad op de artikelen 68, 69, 70, 70a, 70aa, 70ba, 70c, 70ca, 70d, 70e, 70ea, 70f, 71 en 72 van de wet geen beleidsregels gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel73</span><span class=\"lf-art-t\">Insolventieprocedures</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures opgenomen: de algemene uitgangspunten insolventieprocedures; insolventieprocedure en wettelijke schuldsanering; insolventieprocedure en surseance; insolventieprocedure en faillissement; insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (\"NVVK\") of gemeenten; insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten; insolventieprocedures en akkoorden; wettelijk breed moratorium.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1 Algemene uitgangspunten insolventieprocedures73.1.1 Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissementUiterlijk 14 dagen vóór de verificatievergadering meldt de ontvanger zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder. Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven, geacht worden van dag tot dag te ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter verificatie aan bij de bewindvoerder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen naar artikel 19.2 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.2 Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissementAansprakelijkstelling voor belastingaanslagen tijdens zowel het faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling is mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.3 BoedelschuldenDe ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen over de toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de ontvanger rechtstreeks verhaal zoeken op de boedel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke schuldsaneringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de invordering van boedelschulden kan de ontvanger tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling niet het faillissement van de schuldenaar aanvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze leidraad).</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.4 ProceskostengarantieAls de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een bate voor de boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel niet toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de ontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het bedrag dat niet uit de boedel kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van het verzoek neemt de ontvanger als uitgangspunt dat: de boedel bij de actie van de curator moet zijn gebaat; de ontvanger (een deel van) de in het faillissement ingediende vordering zal kunnen innen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast stelt de ontvanger de eis dat de schuldeisers - die bij een verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke opbrengst van de procedure - bereid zijn om naar evenredigheid mee garant te staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor boedelschuldeisers. Als een bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling de ontvanger een verzoek om garantstelling doet, treedt de ontvanger in overleg met het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.5 t/m 73.1.7 (N.v.t.)73.1.8 Uitstel in relatie tot faillissement en WSNPVoor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.1.9 t/m 73.1.12 (N.v.t.)73.2 Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering73.2.1 De WSNP is beëindigd met een schone leiBelastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel 356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de ontvanger bij de bewindvoerder zijn aangemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging (met schone lei) van die regeling, zal de ontvanger in beginsel afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat: de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag voorafgaande voorlopige teruggaven dan wel het ontbreken daarvan voldoende op juistheid heeft getoetst; en over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact heeft opgenomen met de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belastingteruggaven met een dagtekening gelegen na de datum waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd met een schone lei, die materieel betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zal de ontvanger in beginsel niet verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. De ontvanger verrekent deze belastingteruggaven alleen als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de hij de belastingteruggave niet kan verrekenen. Daarvan is in ieder geval sprake als de vordering van de ontvanger, en de belastingteruggaaf zien op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot belastingteruggaven die betrekking hebben op de periode voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na beëindiging van die regeling, geldt het volgende. Teruggaven (na mogelijke verrekening met openstaande schulden) van minder dan € 500 worden uitbetaald aan de belastingschuldige zelf. Indien de belastingteruggave (na mogelijke verrekening met openstaande schulden) € 500 of meer bedraagt, zal de ontvanger contact opnemen met de gewezen bewindvoerder om met hem te overleggen of de vereffening moet worden heropend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger voortzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.2 De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokkenDe WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (artikel 358, tweede lid, Fw) en de reeds verstrekte schone lei kan worden ingetrokken (artikel 358a, eerste lid, Fw). In die situaties kan de ontvanger de invordering hervatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.2.3 De WSNP is tussentijds beëindigdAls een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd in de zin van artikel 350, vijfde lid, Fw, blijft omzetting in faillissement achterwege als er geen baten beschikbaar zijn. In die situatie geldt het invorderingsbeleid voor natuurlijke personen bij opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten (artikel 73.4.14 van deze leidraad).</p>\n<p class=\"lf-p\">73.3 Insolventieprocedure en surseance73.3.1 Uitstel en surseanceVoor uitstel van betaling in relatie tot surseance wordt verwezen naar artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.3.2 (N.v.t.)73.3a. WHOA-akkoord73.3a.1. Geldend beleid bij aangeboden WHOA-akkoordHet beleid in deze leidraad en in de regeling dat ziet op kwijtschelding van belastingen is ook van toepassing op een verzoek om instemming met een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, tenzij daarvan wordt afgeweken in de volgende artikelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.3a.2. Voorwaarden WHOA-akkoordDe ontvanger kan instemmen met een aan hem aangeboden akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het akkoord is schriftelijk aangeboden en voldoet aan de in artikel 375 FW gestelde eisen; de ontvanger is in de juiste klasse ingedeeld; het is aannemelijk dat het aangeboden akkoord, afgezien van de daarvoor nog te verrichten formaliteiten, door de rechtbank zou worden gehomologeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger houdt bij de beoordeling van een aan hem aangeboden bedrag in het kader van een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, rekening met de zogenoemde 20%-regel als bedoeld in artikel 374, tweede lid, FW.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan ook instemmen met een aan hem aangeboden akkoord als bedoeld in artikel 370 FW, als dit niet ziet op alle schuldeisers van de belastingschuldige. De ontvanger kan eveneens instemmen met een akkoord als er nog een redelijke mogelijkheid is om een derde aansprakelijk te stellen. Zie in dit verband artikel 73.3a.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan instemmen met een aan hem aangeboden akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, waarbij een of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan, niet kwijtschelden maar omzetten in aandelen. De ontvanger stemt echter niet in met een akkoord als de betaling van het akkoordbedrag aan hem, geschiedt door omzetting van de belastingschuld in aandelenkapitaal of enige andere betalingsvorm van gelijke strekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvoor in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.3a.3. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord bij instemmingAls de ontvanger instemt met een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, nadat het akkoord tot stand is gekomen dan wel is gehomologeerd en hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan voor belastingaanslagen waarvoor derden in redelijkheid aansprakelijk kunnen worden gesteld toezeggen dat daarvoor ten aanzien van de belastingschuldige geen verdere invorderingsmaatregelen worden genomen in plaats van kwijtschelding te verlenen. De ontvanger vermeldt in dat geval in de beschikking dat hij zich het recht voorbehoudt om derden aansprakelijk te stellen voor de betreffende belastingaanslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.3a.4. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord zonder instemmingAls een akkoord als bedoeld in artikel 370, eerste lid, FW, waarmee de ontvanger niet heeft ingestemd, door de rechtbank wordt gehomologeerd, verleent de ontvanger voor het resterende deel van de belastingaanslagen geen kwijtschelding maar neemt hij geen verdere invorderingsmaatregelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belastingvorderingen die resteren na homologatie van een akkoord zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belastingteruggaven met een dagtekening gelegen na de datum van homologatie van een akkoord die materieel betrekking hebben op een periode waarop het akkoord betrekking heeft, zal de ontvanger in beginsel niet verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. De ontvanger verrekent deze belastingteruggaven alleen als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als hij de belastingteruggaaf niet kan verrekenen. Daarvan is in ieder geval sprake als de vordering van de ontvanger en de belastingteruggaaf zien op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4 Insolventieprocedure en faillissement73.4.1 Faillissementsaanvraag: algemeenDe belastingaanslag(en) waarvoor de ontvanger het faillissement aanvraagt, moet(en) onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.2 Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraagAls sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig noch te verwachten zijn, dan wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van die rechtspersoon conform artikel 2:19a BW boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.3 Particulieren en faillissementHet aanvragen van het faillissement van een particulier blijft achterwege als wordt verwacht dat de ontvanger de eventuele vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement kan uitwinnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd als particulieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.4 Saneringsaanbod en faillissementsaanvraagAls de belastingschuldige - voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen - een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel 73.6 van deze leidraad), dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren. Er wordt ook van afgeweken als het aanbod gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het aanbod bij beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.5 Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechterAls de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling doet, voordat de rechtbank de faillissementsaanvraag in behandeling heeft genomen, dan zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren, of als het verzoek onvoldoende past binnen het door de gemeente gehanteerde uitstelbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek bij beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.6 Toestemming voor faillissementsaanvraagDe ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk toestemming van het college hebben. Het voorgaande geldt ook voor in hoger beroep te voeren zaken over een faillissementsaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.7 Steunvordering derden voor faillissementsaanvraagAls de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de vordering van een derde als zogenoemde steunvordering, doet hij dit alleen als de derde schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.8 Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraagVoor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt niet hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.7 is vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het college vereist, als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden. De gegevens worden uitsluitend schriftelijk verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is vermeld in artikel 73.4.1, 73.4.3, 73.4.6 en 73.4.7 van deze leidraad. In dat geval is dus ook toestemming van het college vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.9 Verzet tegen faillietverklaringAls de ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen de faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 FW heeft hij hiervoor toestemming van het college nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.10 (N.v.t.)73.4.11 Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissementVoor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.12 Opkomen in faillissementVan de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de wet om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt verwezen naar artikel 19.2.3 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.13 (N.v.t.)73.4.14 Na de toepassing van het faillissementDe ontvanger maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid van artikel 196 FW, om na de beëindiging van een faillissement het proces-verbaal van de verificatievergadering voor het onbetaald gebleven bedrag tegen de schuldenaar te executeren. Als er wel aanleiding tot invordering bestaat, doet de ontvanger dit zoveel mogelijk bij dwangbevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij natuurlijke personen hervat de ontvanger slechts in bijzondere omstandigheden de invordering na beëindiging van het faillissement. Deze omstandigheden doen zich onder andere voor als de betrokkene binnen 5 jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of over vermogensbestanddelen van substantiële waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen gelden moeten worden terugbetaald, treedt de ontvanger in verband met artikel 194 FW in overleg met de curator.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.15 Opening nationale (secundaire) insolventieprocedureAls de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de EU - niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie verkeert terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond van de EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of secundaire procedure worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen van een secundaire of territoriale procedure in Nederland. Een secundaire procedure betreft alleen de liquidatieprocedure - dus niet de surseance van betaling - en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht. De staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.4.16 Omzetting faillissement in WSNPAls omzetting van een faillissement in een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de ontvanger - als de schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt - een door de schuldenaar in het faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge artikel 19a en 22a van de regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.5 Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten73.5.1 Voorwaarden voor MSNPStabilisatiefaseEen schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener als hierna bedoeld in onderdeel b. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een schriftelijke mededeling van de schuldhulpverlener waarin staat dat hij activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële situatie van de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst neemt de ontvanger gedurende een periode van maximaal 240 dagen geen dwanginvorderingsmaatregelen. Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in overleg met de schuldhulpverlener. Daarnaast vindt verrekening alleen plaats met belastingteruggaven die (materieel) zijn ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen. Het in deze alinea beschreven terughoudende beleid geldt niet in situaties waarin op voorhand duidelijk is dat de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling op basis van het hierna in dit artikel beschreven beleid. De ontvanger informeert de schuldhulpverlener hierover.</p>\n<p class=\"lf-p\">SchuldregelingsovereenkomstNadat de schuldhulpverlener de ontvanger schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot stand is gekomen, verleent de ontvanger uitstel van betaling voor een periode van, in beginsel, maximaal 18 maanden als: de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen; de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel 73.5a); een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen; een schuldregelingsovereenkomst tot stand is gekomen conform de Module Schuldregeling in het kader van schuldhulpverlening voor ondernemers van de NVVK of een daarmee gelijk te stellen overeenkomst en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen, voor zover de schuldregeling ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer; het aannemelijk is dat het bedrijf of beroep tijdens en na het volledig hebben doorlopen van de schuldregeling met een levensvatbare bedrijfsuitoefening kan worden voortgezet, voor zover de schuldregeling ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer; redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige - afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden - in aanmerking zou komen voor een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a FW; aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden onder d en e zijn niet van toepassing op een ex-ondernemer indien aannemelijk is dat hij in de toekomst geen bedrijf zal uitoefenen of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan ervoor kiezen om aanslagen, waarvoor hij redelijkerwijs derden aansprakelijk kan stellen, niet te betrekken in de schuldregeling, voor zover deze ziet op een natuurlijk persoon, zijnde ondernemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan in bijzondere omstandigheden een langere termijn voor uitstel van betaling toekennen dan 18 maanden. Daarbij gelden als voorwaarden dat de schuldhulpverlener daar schriftelijk om verzoekt en aannemelijk maakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere periode rechtvaardigen en dat de belangen van de belastingschuldige onevenredig worden geschaad als wordt vastgehouden aan de termijn van 18 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De schuldhulpverlener streeft ernaar dit onderzoek af te ronden binnen 120 dagen, maar uiterlijk binnen 240 dagen, gerekend vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, zet de schuldhulpverlener de schuldregelingsovereenkomst voort; hij stelt de schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de schuldhulpverlener niet tijdig in het tot stand brengen van de schuldregeling, dan beëindigt hij de schuldregelingsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend (zoals belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting), omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling ook van toepassing is op die belastingaanslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst en is definitief in die zin dat daarop van de zijde van de ontvanger in beginsel niet meer kan worden teruggekomen. In voorkomend geval wordt het bedrag van de verschuldigde belastingen door middel van schatting bepaald. In het geval de in de vorige volzin bedoelde schatting naar achteraf blijkt substantieel te laag mocht zijn, kan de ontvanger daarop alleen terugkomen indien ter zake van die belasting ten tijde van de schatting ten onrechte geen aangifte was gedaan dan wel indien de belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten dat de schatting te laag was.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.5.2 (Vervallen)73.5.3 Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelenEventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen (en de schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekening kan plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.5.4 Houding ontvanger tijdens uitstel MSNPAls sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van een schuldregelingsovereenkomst, handelt de ontvanger gedurende de periode van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke schuldsaneringsregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">De middelen die onder financieel beheer van de schuldhulpverlener berusten, worden niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.5.5 Intrekken uitstel gedurende MSNPDe ontvanger trekt het uitstel in als: hij niet uiterlijk binnen 240 dagen na de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener schriftelijk is geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst wordt voortgezet; de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, onbetaald laat; de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet nakomt; de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen; de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan in de zin van artikel 73.5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitstel wordt in de situatie genoemd bij het eerste gedachtestreepje niet ingetrokken als blijkt dat een verzoek om een schuldregeling, als bedoeld in artikel 287a FW, is ingediend bij de rechter. De ontvanger trekt het uitstel in deze situatie niet eerder in, dan nadat de rechter heeft beslist op het verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het eerste, tweede, derde en vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in, dan nadat hij de schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen 14 dagen zijn verplichtingen correct nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.5.6 De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNPAls de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de regeling of artikel 22a van de regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Voor de gevolgen van een buitengerechtelijk akkoord wordt verwezen naar artikel 73.6.3 van deze leidraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.5.7 Na de toepassing van de MSNPMet betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode waarin de minnelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging van die regeling, zal de ontvanger in beginsel, als de schuldenaar aan zijn verplichtingen uit die regeling heeft voldaan, afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat: de schuldhulpverlener de aan de betreffende aanslag voorafgaande voorlopige teruggaven dan wel het ontbreken daarvan voldoende op juistheid heeft getoetst; en hij over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact heeft opgenomen met de ontvanger.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-735a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel73.5a</span><span class=\"lf-art-t\">Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AlgemeenVerzoeken om een minnelijke schuldsaneringsregeling gedaan door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet, niet zijnde een NVVK-lid of een gemeente, worden in behandeling genomen met inachtneming van het volgende. De ontvanger zal een belangenafweging moeten maken en zich daarbij moeten afvragen of hij al dan niet tot instemming met de schuldregeling kan komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad. Artikel 73.5 is daarbij van overeenkomstige toepassing. Dit betekent onder meer dat de schuldregeling betrekking moet hebben op natuurlijke personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen: is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd; is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht; biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar; biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de ontvanger: hoe groot is de kans dat de weigerende ontvanger dan evenveel of meer zal ontvangen; bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen; wat is de zwaarte van het financiële belang dat de ontvanger heeft bij volledige nakoming; hoe groot is het aandeel van de weigerende ontvanger in de totale schuldenlast; staat de weigerende ontvanger alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers; is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een dergelijk verzoek dan verleent de ontvanger op het moment van het ingaan van de schuldregeling voor 18 maanden uitstel van betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.6 Insolventieprocedures en akkoorden73.6.1 Buitengerechtelijk akkoordIn het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP - namelijk het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de gezamenlijke schuldeisers over de sanering van de schulden zonder tussenkomst van een rechter - ook voor de gemeente laten gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verzoek tot het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord kan een ieder indienen, ook de schuldenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.6.2 (Vervallen)73.6.2a. Betaling bedrag saneringsakkoordBetaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De ontvanger kan toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan enkel indien belastingschuldige een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent en aannemelijk maakt dat de termijnen, bedoeld in de tweede volzin, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig zullen worden nagekomen. In dat geval treedt de ontvanger voorwaardelijk toe tot het akkoord. Op de uitstelregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1 en 25.6.2 van toepassing met dien verstande dat in afwijking van: artikel 25.4.3 van deze leidraad geen verrekening plaatsvindt van belastingteruggaven en andere teruggaven die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek tot het sluiten van het saneringsakkoord is ingediend; artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, niet alleen gedurende de uitstelregeling, maar gedurende de gehele looptijd van de saneringsprocedure nakomt; artikel 25.6.2 van deze leidraad belastingschuldige geen zekerheid hoeft te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger stemt alleen in met een buitengerechtelijk akkoord als het bodemvoorrecht of de waarde van de bodemzaken tot uitdrukking komt in het aangeboden bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.6.3 Gevolgen buitengerechtelijk akkoordDe ontvanger heft de beslagen op zodra hij ontvangt wat hij heeft gevorderd op grond van het buitengerechtelijke akkoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.6.4 Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoordDe betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens plaatsvinden. Als de ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met betaling in termijnen eist hij zekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.6.5 (N.v.t.)73.6.6 Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoordBij de beoordeling van een akkoord stelt de ontvanger eerst vast op welke belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt daarbij is de materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag dat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag waarop een buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er rust een inspanningsverplichting op de gemeente om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, in die zin dat de materieel verschuldigde belasting wordt geformaliseerd in een aanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten integraal in een akkoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.6.7 (N.v.t.)73.6.8 Gevolgen dwangakkoordAls de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt de ontvanger het deel van de belastingschuld dat onvoldaan blijft oninbaar. De belastingvorderingen die resteren na het dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belastingteruggaven met een dagtekening gelegen na de datum van het akkoord die betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, zal de ontvanger in beginsel niet verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. De ontvanger verrekent deze belastingteruggaven alleen als het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de belastingteruggaaf niet te kunnen verrekenen. Daarvan is in ieder geval sprake als de vordering van de ontvanger en de belastingteruggaaf zien op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak.</p>\n<p class=\"lf-p\">73.6.9 (N.v.t.)73.7 Wettelijk breed moratoriumGedurende een door de rechtbank afgekondigde afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, schort de ontvanger lopende invorderingsmaatregelen op. Verrekeningen met belastingteruggaven vinden gedurende de afkoelingsperiode niet plaats, ongeacht de periode waarin die teruggaaf is ontstaan. De afkoelingsperiode is niet van invloed op een eventueel verleend uitstel van betaling. Hierop blijft het in deze leidraad opgenomen beleid op artikel 25 van de wet van toepassing. Gedurende de afkoelingsperiode schort de ontvanger de uitbetaling aan een derde op in verband met een executoriaal beslag op belastingteruggaven van de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel74(N.v.t.)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel75</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten van vervolging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten van vervolging. Met 'vervolgingskosten of kosten' wordt bedoeld de kosten die op grond van de Kostenwet in rekening worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele wijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is het volgende beleid over kosten van vervolging opgenomen: gevorderde som bevat geen vervolgingskosten; aan derden toekomende bedragen; rechtsmiddelen en vervolgingskosten; verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar; niet in rekening brengen van vervolgingskosten; onverschuldigdheid van vervolgingskosten; niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten; versnelde invordering en vervolgingskosten; aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten; geen kwijtschelding van vervolgingskosten; limitering betekeningskosten dwangbevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.1 Gevorderde som bevat geen vervolgingskostenDe gevorderde som bij een aanmaning of dwangbevel (waarvan onderscheidenlijk sprake is in artikel 2 en 3, eerste lid, Kostenwet) is te verstaan als het belastingbedrag waarvoor de aanmaning of het dwangbevel is uitgevaardigd, dus zonder de vervolgingskosten en eventuele - pro memorie opgenomen - rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.2 Aan derden toekomende bedragenOnder de bedragen die op grond van artikel 6 Kostenwet aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht, vallen: de kosten van de advertenties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en 4, eerste lid, Kostenwet; de vergoeding van de bewaarder dan wel door hem ingeschakelde derden; de kosten van het openen van deuren en huisraad als bedoeld in artikel 444 Rv; de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de verkoop ter plaatse van de in beslag genomen zaken; de kosten van het verrichten van werkzaamheden door makelaars, deskundigen en afslagers; de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen zaken als de verkoop elders plaatsvindt; de kosten van het aanbrengen en verwijderen door derden van wielklemmen of andere bestanddelen die verhindering van gebruik, vervoer en belasting van de in beslaggenomen roerende zaken bewerkstelligen; de kosten van opslag, afvoer en bewaarneming van inbeslaggenomen roerende zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in rekening gebracht als de verkoop op uitdrukkelijk verzoek van de belastingschuldige elders gebeurt dan wel als daarbij voornamelijk zijn belang is gediend. Eventuele gemaakte reiskosten door de gemeente voor de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kunnen niet op de belastingschuldige worden verhaald, evenals mogelijke porti- en telefoonkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.3 Rechtsmiddelen en vervolgingskostenAls de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit Beroep in Belastingzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de Kostenwet relevant zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) stuit op grond van artikel 6:16 Awb niet de aanvang of de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de akte van vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is verwoord in artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.4 Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaarEen verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in rekening gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift. Het bepaalde in artikel 75.3 van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.5 Niet in rekening brengen van vervolgingskostenIn de volgende gevallen brengt de ontvanger voor het uitbrengen van exploten geen vervolgingskosten in rekening: herhaalde betekening van een dwangbevel; (herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting van de verjaring; betekening van een vordering; betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad met dien verstande dat de eerste betekening wel, maar de tweede betekening (aan de wettelijke vertegenwoordiger) niet in rekening wordt gebracht; betekening van een beslissing van het college op een beroepschrift tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan de derde die het beroepschrift heeft ingediend, de beslagene en zo nodig de bewaarder, al dan niet gepaard gaande met gehele of gedeeltelijke opheffing van het beslag; betekening van een proces-verbaal van overgang van de bewaring van beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek of door toedoen van de belastingschuldige.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.6 Onverschuldigdheid van vervolgingskostenNaast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de betaling op de rekening van de gemeente is bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn geworden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen: bij vermindering van belastingaanslagen; als een positieve belastingaanslag wordt gevolgd door een negatieve belastingaanslag over dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op te schorten. Hierbij valt te denken aan: een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel; een ingediend verzoekschrift bij het college, de raad of de gemeentelijke ombudsman.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het noodzakelijk is de invordering wel voort te zetten. In dat geval komen de hieraan verbonden kosten vanzelfsprekend niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten worden in afwijking van het voorgaande altijd in rekening gebracht als sprake is van trainering van de invordering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als na het in rekening brengen van de kosten aan de belastingaanslag een nieuwe dagtekening is toegekend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld in artikel 14.4.1 van deze leidraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zaken - die in een onroerende zaak aanwezig zijn - zowel in een beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken roerend dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet verschuldigd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zaken - die op of in een schip van de belastingschuldige aanwezig zijn - zowel in een beslag op het schip als in een beslag op roerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken een bestanddeel vormen van het schip dan wel zelfstandige roerende zaken zijn, en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet verschuldigd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, en de belastingschuldige binnen 2 werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet de openstaande belastingschuld betaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.7 Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskostenIn uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan de in rekening gebrachte vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd - te verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om verzoekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de invordering van vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke geval- onredelijk en onbillijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.8 Versnelde invordering en vervolgingskostenAls invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, vermeldt de belastingdeurwaarder in de akte van betekening bij het dwangbevel dat de in verband met die maatregelen berekende vervolgingskosten niet verschuldigd zijn als de openstaande belastingschuld binnen 2 werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet wordt betaald. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de beslagkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.9 Aansprakelijkgestelden en vervolgingskostenVoor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg zijn van invorderingsmaatregelen die tegen de aansprakelijkgestelde zijn genomen, is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.10 Geen kwijtschelding van vervolgingskostenKwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens vermeende betalingsonmacht. De ontvanger doet in dat geval ook geen toezegging dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd. Het voorgaande laat onverlet dat kosten buiten invordering worden gelaten, wanneer de hoofdsom buiten invordering wordt gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">75.11 Limitering betekeningskosten dwangbevelAls door de ontvanger of de belastingdeurwaarder op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere dwangbevelen worden betekend, is de belastingschuldige niet meer betekeningskosten verschuldigd dan het, op grond van artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, maximaal in rekening te brengen bedrag voor het betekenen van een dwangbevel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76t\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel76t</span><span class=\"lf-art-t\">/m 79 (N.v.t.)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel80</span><span class=\"lf-art-t\">Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 Awb en het moment van vaststelling van naheffingsaanslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">80.1 Tenuitvoerlegging termijndwangbevelEen eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als de eindvervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">80.2 Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagenHet overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb (Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling) bepaalt kort gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is vastgesteld of ontstaan voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor die datum. Voor betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de genoemde afdeling 4.4.1. Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de datum van dagtekening van de aanslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Krimpenerwaard en de Beleidsregels voor de invordering van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke vorderingen van 23 februari 2016 wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel82</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel83</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit wordt aangehaald als: Leidraad invordering Krimpenerwaard 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoort bij het besluit van het College van de gemeente Krimpenerwaard van 14 december 2021.de secretaris,J.Hennipde burgemeester, mr. R.S.Cazemier</p></div>", "next": 0}