{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">1.20.2 Afschriften van stukken Deze tarieven hebben betrekking op het verstrekken van stukken door ambtenaren uit het archief (facilitaire zaken) . Vanaf 1998 is een tarief opgenomen voor het plotten van kaartmateriaal en vanaf het jaar 2000 de kosten van het afdrukken van digitaal kaartmateriaal.Onder tabelnummer 1.20.2.13 is een tarief opgenomen voor het verstrekken van afschriften van tekeningen, kaarten en lichtdrukken van een groter formaat dan A3. Het betreft het in afschrift verstrekken van stukken uit het archief, voornamelijk bouwtekeningen. Het kopiëren van deze geschriften is uitbesteed aan een particuliere instelling. Het ontbreekt ons aan capaciteit en aan de juiste apparatuur.De leges zijn aangepast aan de kostprijs, vermeerderd met 25% wegens onze bemoeienis, zoals het wegbrengen en vouwen van het materiaal.Alle afschriften worden standaard in A0 formaat gekopieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opteren/naturaliseren Nederlanderschap (1.20.4)Het in behandeling nemen van een naturalisatieverzoek is per 1 januari 1996 overgedragen aan de gemeente. De tarieven worden vastgesteld door het Ministerie van Justitie en de gemeente mag daarvan niet afwijken. De tarieven zijn niet integraal in deze verordening opgenomen. De reden is dat de tarieven veelvuldig wijzigen, waardoor wij vaak achter de feiten aanlopen en inkomsten derven. Vanaf 26 juni 2003 (besluit van de raad) wordt daarom in de tarieventabel verwezen naar de wettelijke regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitstel tot begraven (1.20.5)Ingevolge artikel 17 van de Wet op de lijkbezorging kan de burgemeester voor de begraving of verbranding van een lijk een andere termijn stellen. Het komt geregeld voor dat begrafenisondernemers door uiteenlopende oorzaken een beroep hierop doen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/ omgevingsvergunning</h3>\n<p class=\"lf-p\">Algemene opmerkingen bij Titel 2.In deze titel zijn de diensten opgenomen die invloed hebben op de fysieke leefomgeving enplaatsgebonden zijn. Aanleiding is de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht(Wabo; Stb. 2008, 496), die de omgevingsvergunning regelt, en de daarbij horende invoeringswet. Wijhebben in deze titel zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het door SGBO ontwikkelde Model hoogteleges omgevingsvergunning, dat eind 2006 door het ministerie van VROM is gepubliceerd (zieomgevingsvergunning.vrom.nl). Dat model bouwt voort op het Model transparantie bouwgerelateerdeleges uit 2004, dat wij in hoofdstuk 5 (bouwgerelateerde leges) van de oude tarieventabel haddenverwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kruissubsidiëring en profijtbeginselBinnen deze titel bestaat beleidsruimte om kruissubsidiëring of het profijtbeginsel toe te passen. In hetkader van het kabinetsplan aanpak administratieve lasten heeft de minister van Economische Zakenaan de Tweede Kamer geschreven dat het kabinet er bij de omgevingsvergunning van uitgaat ‘dat detotale legesomvang voor deze vergunning niet de totale kosten van verlening van deze vergunningmag overschrijden’ (Kamerstukken II 2005- 2006, 29515, nr. 140, pag. 26). Kruissubsidiëring bij deWabo heeft ook de bijzondere aandacht van de Tweede Kamer (Handelingen II 2008–2009, 31953, nr. 24, pag. 27). Het verdient daarom aanbeveling kruissubsidiëring of toepassing van het profijtbeginsel binnen de kolom van de omgevingsvergunning te houden. Dit uitgangspunt is ook gehanteerd in het Model hoogte leges omgevingsvergunning (paragraaf 1.3, uitgangspunt 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Transparantie van de legesheffing (artikel 2.9, derde lid, Wabo)Artikel 2.9, derde lid, van de Wabo bepaalt dat de minister van VROM bij algemene maatregel vanbestuur regels kan stellen over de berekening en de bedragen van de leges. Dit lid is er door eenamendement ingekomen. De bedoeling is dat VNG, IPO en VROM eerst proberen afspraken overtransparantie maken (motie; Kamerstukken II 2007/2008, 30844, nr. 33). Die afspraken moeten vóór 1januari 2010 zijn gemaakt. Het is de intentie van de VNG dat gemeenten haar stappenplangenotsretriibutie (najaar 2009) volgen. Een uniforme berekeningswijze maakt de tarieven transparanter en beter vergelijkbaar. Het is de bedoeling dat gemeenten dit stappenplan ten grondslag leggen aan de tariefstellingen in hun legesverordening voor 2011. Voor de minister van VROM bestaat er dan naar onze inschatting geen aanleiding bij algemene maatregel van bestuur regels voor de leges te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opschorten invorderingsbevoegdheid bij verouderd bestemmingsplan (artikel 3.1, vierde lid, Wro)De financiële prikkel die in 2008 met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) aan gemeenten isgegeven (opgelegd) om bestemmingsplannen actueel te houden, is door de komst van de Wabo nietgewijzigd (artikel 3.1, vierde lid, Wro). Als een bestemmingsplan meer dan tien jaar oud is, vervalt debevoegdheid om de leges in te vorderen voor omgevingsvergunningen en dergelijke die verbandhouden met dat bestemmingsplan. In feite komt dat neer op het niet meer kunnen heffen van legesvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning. Het geldende overgangsrecht (tot 1 juli 2013) is niet gewijzigd. Gedurende de overgangsperiode kan de gemeente toch leges heffen als de dienstverlening een relatie heeft met het verouderde bestemmingsplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opschorting invorderingsbevoegdheid bij omgevingsvergunning (voorheen: projectbesluit)De Crisis- en herstelwet (CHW) heeft de bepalingen in de Wro en de Wabo over het opschorten van de invorderingsbevoegdheid gewijzigd. Tot 31 maart 2010 gold een opschorting van de invorderingsbevoegdheid als een projectbesluit waarbij van het bestemmingsplan of de beheersverordening werd afgeweken, niet tijdig in het bestemmingsplan of de beheersverordening werd ingepast (artikelen 3.13 en 3.40 Wro; artikel 2.9 en nieuw 2.9a Wabo). Dat moest binnen het jaar gebeuren. Na 18 maanden verviel zelfs de invorderingsbevoegdheid. Die regeling is sinds 31 maart 2010 anders:De bevoegdheid tot het invorderen van leges wordt opgeschort tot het tijdstip waarop het projectbesluit, onderscheidenlijk de omgevingsvergunning langs elektronische weg beschikbaar is gesteld, overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid vervalt indien het besluit niet binnen twee maanden op de voorgeschreven wijze beschikbaar is gesteld.Hierbij wordt gedoeld op de digitale raadpleegbaarheid van planologische besluitvorming. De materiële inhoud van de omgevingsvergunning (voorheen: het projectbesluit) zal daarom op zodanige wijze elektronisch beschikbaar moeten worden gesteld dat deze door een ieder kan worden geraadpleegd als hij het elektronisch bestemmingsplan raadpleegt. (De gemeente heeft sinds 1 januari 2010 de verplichting om de inhoud van (ruimtelijke) visies, plannen, besluiten en verordeningen in elektronische vorm vast te leggen en in die vorm vast te stellen. Voor de digitale vormgeving van deze ruimtelijke instrumenten is een pakket (digitale) standaarden ontwikkeld, dat is verankerd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008.)In verband met bovenstaande opschortingsregeling, verdient het aanbeveling met het opleggen van nota’s of aanslagen te wachten totdat genoemde elektronische beschikbaarstelling heeft plaatsgevonden (binnen twee maanden; anders vervalt de invorderingsbevoegdheid).Als sprake is van leges voor dienstverlening met betrekking tot een reconstructieplan als bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden geldt de volgende (oude) opschortingsregeling: de bevoegdheid om leges in te vorderen wordt opgeschort tot het tijdstip waarop het bestemmingsplan of de beheersverordening is vastgesteld overeenkomstig het reconstructieplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat moet binnen één jaar gebeuren. De invorderingsbevoegdheid vervalt indien het bestemmingsplan dan wel de beheersverordening niet binnen zes maanden na het verstrijken van die jaartermijn is vastgesteld (artikel 3.9a CHW; nieuw artikel 27a Reconstructiewet concentratiegebieden).</p>\n<p class=\"lf-p\">ZekerheidsstellingAls voor de versnelde uitvoering van lokale en (boven)regionale projecten met nationale betekenis (afdeling 7 CHW) de gemeenteraad een omgevingsvergunning verleent waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan, het inpassingsplan of de beheersverordening is afgeweken (voorheen: een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 Wro neemt), kan hij daaraan het voorschrift verbinden dat financiële zekerheid wordt gesteld voor het betalen van de verschuldigde leges voor de gemeentelijke dienstverlening die verband houdt met de omgevingsvergunning (voorheen: het projectbesluit) (artikel 2.23 CHW). In het voorschrift wordt het bedrag aangegeven waarvoor de zekerheid in stand moet worden gehouden. Ook kan het voorschrift inhouden dat hiervoor een verzekering wordt gesloten en in stand gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omgevingsvergunning van rechtswege (Lex silencio positivo)Voor het beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning gelden beslistermijnen. De Wabokent twee voorbereidingsprocedures: de reguliere (paragraaf 3.2 Wabo) en de uitgebreide (paragraaf3.3 Wabo). Op de uitgebreide procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht vantoepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3.10 van de Wabo geeft aan in welke gevallen deze procedure van toepassing is.Dit is bijvoorbeeld het geval bij buitenplanse en tijdelijke afwijkingen van het bestemmingsplan.Meestal zal de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing zijn. Alleen bij de reguliereprocedure kan sprake zijn van een omgevingsvergunning van rechtswege als de beslistermijnongebruikt is verstreken. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen en ter bescherming van belangenvan derden is de regeling met diverse waarborgen omkleed. Een belangrijke waarborg is datgedurende de bezwaartermijn van zes weken, van de vergunning nog geen gebruik kan wordengemaakt. Indien er bezwaar is ingesteld mag pas van de vergunning gebruik worden gemaakt nadatop het bezwaar is beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is geregeld in artikel 6.1, vierde lid, van de Wabo.De vraag komt dan op of desondanks leges kunnen worden geheven. Aan deze vraag is bij deherziening van de Woningwet (1992) aandacht besteed. De bewindslieden van het ministerie vanVolkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) hebben in dat verband opgemerkt dat legesheffing niet in de rede ligt indien sprake is van werkelijk ‘stilzitten’ van een gemeente.Legesheffing zou dan in strijd zijn met behoorlijk bestuur (Kamerstukken II 1988/89, 20066, nr. 9, p.30). Dit betekent naar onze mening echter niet dat legesheffing achterwege moet blijven als eenomgevingsvergunning van rechtswege wordt verleend. De leges zijn immers (al) verschuldigd voor hetin behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een omgevingsvergunningvan rechtswege wordt verleend en de gemeente aannemelijk maakt dat de aanvraag in behandeling isgenomen, kunnen leges worden geheven (vergelijk Hof Arnhem 1 februari 2002, nr. 01/00943, LJN:AD9872). Wel kan het redelijk zijn om een teruggaaf te verlenen indien bepaalde werkzaamheden nietzijn uitgevoerd (vergelijk Hof Arnhem 8 november 2001, nr. 99/1821, LJN: AD6167, Belastingblad2002/ 552). Indien de legesverordening niet in een teruggaafbepaling voorziet, kan in voorkomendgeval ook de hardheidsclausule worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legesvrijstelling voor milieu-inrichtingen en mijnbouwwerken (artikel 2.9, eerste lid, Wabo)In artikel 2.9, eerste lid, van de Wabo staat de vrijstelling van leges voor aanvragen omomgevingsvergunningen voor activiteiten met betrekking tot milieu-inrichtingen en mijnbouwwerken alsbedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Wij hebben deze vrijstelling opgenomen inartikel 4, onderdeel b, van de verordening. Zie de toelichting op dat artikelonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen wettelijke vrijstelling meer voor toegelaten instellingenEr geldt geen wettelijke legesvrijstelling meer voor toegelaten instellingen voor zowel socialewoningbouw als ingrijpende voorzieningen aan sociale huurwoningen. De artikelen die deze vrijstellingregelden, zijn vervallen: artikel 88 van de Woningwet dat de vrijstelling bevatte, is met ingang van 13juni 2008 vervallen (Stb. 2008, 197) en de uitwerking van de vrijstelling in artikel 34 Besluitwoninggebonden subsidies 1995 al eerder, namelijk met ingang van 27 december 2005 (Stb. 2005,498). Daarmee was het vervallen van de legesvrijstelling voor toegelaten instellingen wettelijkgeregeld. Er was naar de mening van de regering niet langer reden om woningcorporaties wat betreftde leges in een gunstiger positie te plaatsen dan andere partijen op de woningmarkt. Wij zijn vanmening dat de legesvrijstelling al sinds 1 januari 1998 niet meer geldt als gevolg van een wijziging vande Woningwet per die datum. Enkele gemeenten zijn nog verwikkeld in een juridische procedure overde legesvrijstelling voor toegelaten instellingen. Gemeenten nemen daarbij het standpunt van de VNGin. De uitkomsten van die procedures zijn nog van belang voor aanvragen voor bouw- ensloopvergunningen die zijn ingediend vóór 27 december 2005. Ook moet de eventueel al opgelegdeaanslag of nota nog niet onherroepelijk vaststaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">PlanschadeSinds 1 september 2005 kunnen gemeenten een vergoeding (recht) vragen voor een aanvraag omplanschadevergoeding (Stb. 2005, 305). Zie hiervoor Lbr. 05/55 – Planschade nieuwe stijl (7 juni2005). De huidige regeling staat in artikel 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening. Hoewel de wetgeverspreekt van het heffen van een recht, is dit niet een recht in de zin van artikel 229 Gemeentewet. Dit isin lijn met de uitspraak van de Hoge Raad van 13 augustus 2004, nr. 37863, LJN: AI0408. De HogeRaad heeft daarin beslist dat legesheffing voor planschadeverzoeken niet mogelijk is, aangezien geensprake van het verlenen van een dienst in de zin van artikel 229 van de Gemeentewet. In de wettelijkeregeling is een vast bedrag opgenomen van € 300,--. In een gemeentelijke verordening (let op: geenlegesverordening) kan dit bedrag naar boven of beneden worden aangepast tot ten hoogste € 500,-- of € 100,--.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 1 BegripsomschrijvingenDe begripsomschrijvingen van aanlegkosten, bouwkosten en sloopkosten zijn in dit hoofdstukgeclusterd.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.1.1.1 AanlegkostenOnderdeel 2.1.1.1 bevat een begripsomschrijving van de aanlegkosten. Doorgaans is dat deaannemingssom waarvoor het werk of de werkzaamheden worden verricht, exclusief omzetbelasting.Als het werk of de werkzaamheden door zelfwerkzaamheid plaatsvinden, geldt een geobjectiveerdeaannemingssom als heffingsgrondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.1.1.2 BouwkostenBij de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten is het tarief afhankelijk gesteld van de hoogte vande bouwkosten. In onderdeel 2.1.1.2 is een definitie gegeven van het begrip bouwkosten. Daarbij isaansluiting gezocht bij het begrip aannemingssom zoals dat is gedefinieerd in de Uniformeadministratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (UAV 1989; Bijlage 1). Indien noggeen aannemingssom bekend is moeten de bouwkosten worden bepaald aan de hand van de regeling zoals deze is opgenomen in het normblad van het Nederlands normalisatie-instituut (NEN 1979, nr 2631; Bijlage 2). Om te voorkomen dat de verordening gewijzigd moet worden op het moment dat het normblad wijzigt is in onderdeel 2.1.1.2 bepaald dat de meest recente versie van het normblad gehanteerd moet worden.Omdat de bouwkosten in de zin van het normblad NEN uitsluitend omvatten de kosten als genoemd inonderdeel 3.2 van dat normblad, zou dit ertoe kunnen leiden dat het bedrag van de bouwkosten lageruitvalt dan de aannemingssom geweest zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oorzaak hiervan kan zijn dat bepaalde bijkomendekosten als bedoeld in onderdeel 3.4 van het normblad NEN wel verwerkt zijn in de aannemingssommaar niet in de bouwkosten in de zin van het normblad NEN. Het voorgaande kan ertoe leiden dat deaannemingssom in de zin van de UAV en de raming van de bouwkosten als bedoeld in het normbladNEN van elkaar verschillen. Indien beoogd wordt de aannemingssom en de bouwkosten in de zin vanhet normblad zoveel mogelijk tot een zelfde uitkomst te laten leiden zou in onderdeel 2.1.1.2 geregeldkunnen worden dat voor zover een aannemingssom ontbreekt een raming van de bouwkosten alsbedoeld in onderdeel 3.2 en een aantal nader te noemen kostenposten genoemd in onderdeel 3.4 vanhet normblad NEN moet plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bouwkosten in onderdeel 2.1.1.2 zijn exclusiefomzetbelasting. Dat sluit aan bij de gegevens die bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voorbouwactiviteiten moeten worden verstrekt.Kosten van installaties, zoals liften, cv, airco en dergelijke behoren tot de bouwkosten. Het toekomstige derde lid van artikel 1 van de Woningwet bepaalt uitdrukkelijk dat onder een bouwwerk mede de daarvan deel uitmakende installaties wordt verstaan (Wet van 2 juli 2009, Stb. 324). Daarmee behoort elke discussie over de vraag of installaties, zoals liften, cv, airco e.d., behoren tot het bouwwerk tot het verleden. En in het verlengde daarvan, eveneens de discussie of de kosten van deze installaties tot de bouwkosten behoren.Overigens is de belastingrechter bevoegd om over de juistheid van de vaststelling van de bouwkostendoor de gemeente een oordeel uit te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 oktober1982, nr. 21.332, BNB 1982/289, Belastingblad 1983, blz. 11.Uit dit arrest blijkt bovendien dat de keuze voor de aannemingssom als maatstaf van heffing aansluitbij de opvattingen van de Hoge Raad hieromtrent. De Hoge Raad overwoog namelijk: ‘dat toch opgrond van het objectieve karakter van de onderhavige heffing dient te worden aangenomen dat onderoprichtings- en vernieuwingskosten in artikel 39, eerste lid, letter a, van de verordening moet wordenverstaan de prijs, welke aan een derde in het economische verkeer zou moeten worden betaald voorhet tot stand brengen van het bouwwerk waarvoor de vergunning werd verleend’. De Hoge Raadoverwoog verder ‘dat zulks ook strookt met de bedoeling van de gemeentelijke wetgever, dieklaarblijkelijk een verband heeft willen leggen tussen de hoogte van het wegens de onderhavige dienst,bestaande uit het verlenen van een bouwvergunning, geheven recht en de waarde van die dienst, welk verband met de zojuist bedoelde prijs het beste wordt benaderd’.Uit dit arrest blijkt dat tevens van de aannemingssom uitgegaan kan worden voor het vaststellen vande bouwkosten, in de gevallen waarin het werk niet door een aannemer wordt uitgevoerd, maar doorde eigenaar van een woning zelf.De Hoge Raad heeft het voorgaande bevestigd in zijn arrest van 9 oktober 1991, nr. 27.576,Belastingblad 1992, blz. 219.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een raming van de bouwkosten door de gemeente dient inovereenstemming te zijn met de geraamde prijs welke aan een derde in het economische verkeer zoumoeten worden betaald. Dit is ook in onderdeel 2.1.1.2 tot uitdrukking gebracht.Tot de bouwkosten kunnen niet worden gerekend kosten van werkzaamheden waarvoor geenomgevingsvergunning vereist is. Onderhoudskosten kunnen zodoende niet tot de bouwkosten wordengerekend, tenzij deze omgevingsvergunningplichtig zijn. Er is geen reden aan te nemen dat dejurisprudentie die over leges voor bouwvergunningen is gewezen, niet zou gelden voor deomgevingsvergunning voor bouwactiviteiten. Wij wijzen op de uitspraken over bouwvergunningen van:- Hof Leeuwarden van 17 september 1982, nr. 398/80 EI, Belastingblad 1983, blz. 238;- Hof Amsterdam 1 maart 1984, nr. 3902/81 EK III, Belastingblad 1985, blz. 84;- Hof Amsterdam 18 februari 2000, nr. 98/3379, LJN: AA7743, Belastingblad 2000, blz. 943;- Hof ‘s-Hertogenbosch 2 februari 2000, nr. 98/490, LJN: AA6004, Belastingblad 2000, blz. 942;- Hof ‘s-Gravenhage 2 september 2003, nr. 02/02664, LJN: AI0336, Belastingblad 2003, blz. 1368.Volgens Hof Arnhem moet de gemeente de aanvraag beoordelen voor het gehele project, ook indienslechts een deel van de bouwactiviteiten vergunningplichtig is, indien een belanghebbende, hoeweldaartoe niet verplicht, de aanvraag voor een bouwvergunning uitstrekt tot het volledige project en hetvolledige bedrag van de bouwkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook moet in zo’n geval tot de kosten van de bouwkundigewerken worden gerekend datgene wat voor het functioneren en de gehele afwerking van het bouwwerk noodzakelijk is (Hof Arnhem 18 februari 2002, nr. 98/2038, Belastingblad 2002, blz. 1125). Hof Amsterdam vindt dat als een splitsing tussen vergunningplichtig en niet-vergunningplichtig deel is te maken, de leges alleen geheven kunnen worden over het vergunningplichtige deel van debouwkosten, ook al zijn alle werkzaamheden onlosmakelijk met elkaar verbonden (Hof Amsterdam 11februari 2003, nr. 02/00204, LJN: AF5111).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.1.1.3 SloopkostenIn onderdeel 2.1.1.3 hebben wij een begripsomschrijving van de sloopkosten opgenomen. In beginselzijn de sloopkosten gelijk aan de aannemingssom waarvoor het sloopwerk wordt gedaan, exclusiefomzetbelasting. Als het slopen door zelfwerkzaamheid plaatsvindt, wordt ook een objectieveaannemingssom tot uitgangspunt genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.1.1.4 WaboIn onderdeel 2.1.1.4 is een verkorte aanduiding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtopgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdelen 2.1.2 en 2.1.3In de onderdelen 2.1.2 en 2.1.3 wordt aansluiting gezocht bij begripsomschrijvingen die gelden bij ofkrachtens de Wabo of een andere wet waar het toetsingskader voor de vergunning is geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2 Vooroverleg/beoordelen conceptaanvraagWeesp hanteert vooralsnog geen leges voor vooroverleg, waarvan de kosten dan verrekenbaar zijn met die van de omgevingsvergunning. Wij stellen ons op het standpunt dat een serieus vooroverleg in de meeste gevallen leidt tot een aanvraag van de vergunning. Is dit onverhoopt niet het geval dan zijn wij van mening dat deze kosten vallen onder de algemene informatie van een overheidslichaam die niet herleidbaar zijn tot een individuele dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3 OmgevingsvergunningIn dit hoofdstuk is geregeld waar het bij de Wabo allemaal om draait: de omgevingsvergunning.Uitgangspunt is: één aanvraag, één loket, één bevoegd gezag. Meestal is het college het bevoegdgezag (omgevingsloket). Zie hierover Lbr. 09/80 – Ledenraadpleging uitvoering Wabo en handhavingVROM-taken – 19 juni 2009. Zie ook artikel 3.3 en bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (BOR) diede gevallen noemen waarin een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders het bevoegdgezag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3Omdat er maar één aanvraag is, is er ook maar één belastbaar feit: het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. De verschuldigde leges zijn de som van de leges voor de afzonderlijke activiteiten (en eventuele extra toetsen). De activiteiten die onder deomgevingsvergunning vallen, zijn gebaseerd op de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo. Deze activiteiten (en genoemde extra toetsen) vormen afzonderlijke grondslagen voor de heffing van de leges. Wij hebben deze opgenomen als subonderdelen van onderdeel 2.3.Doorgaans zullen de leges voor de verschillende activiteiten waarop de omgevingsvergunningbetrekking heeft als som, dat wil zeggen in één keer, via een schriftelijke kennisgeving wordengeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar omdat het verschillende grondslagen betreft, is het ook mogelijk om per grondslag eenbedrag te vorderen. Het is namelijk toegestaan naar elke grondslag afzonderlijk een aanslag op teleggen (Hoge Raad 7 februari 1973, nr. 16885, BNB 1973/69). Wij hebben dat uitdrukkelijk inonderdeel 2.3 bepaald. Wij geven echter in overweging te streven naar een heffing in één keer.De Wabo kent een driedeling in soort activiteiten die onder de omgevingsvergunning vallen:- volledige integratie van toestemmingen krachtens wetten- volledige integratie van toestemmingen krachtens verordeningen- incidentele integratie van toestemmingen (aanhaken)Volledige integratie van toestemmingen krachtens wettenEen aantal vóór inwerkingtreding van de Wabo geldende, in afzonderlijke wetten opgenomenvergunningstelsels zijn volledig in de Wabo geïntegreerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Model hoogte legesomgevingsvergunning heet dit ‘volledige integratie van toestemmingen krachtens wetten’.Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo noemt de volgende activiteiten die onder de omgevingsvergunningvallen, waarvoor voorheen op grond van een specifieke wet een afzonderlijk toestemmingsstelsel gold:</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten Wabo TarieventabelBouwactiviteiten art. 2.1, eerste lid, 2.3.1onder aAanlegactiviteiten art. 2.1, eerste lid, 2.3.2onder bGebruik in strijd met planologische voorschriften art. 2.1, eerste lid, 2.3.3onder c 2.3.4Binnenplanse afwijking art. 2.12, eerste 2.3.3.1lid, onder a.1 2.3.4.1 Buitenplanse afwijking in de bij amvb bedoelde art. 2.12, eerste 2.3.3.2gevallen (binnenplanse kleine afwijking, ook wel lid, onder a.2 2.3.4.2‘kruimelgevallen’ genoemd) Afwijking bestemmingsplan of beheersverordening art. 2.12, eerste 2.3.3.3(voorheen: projectbesluit en projectafwijkingsbesluit lid, onder a.3 2.3.4.3of buiten toepassingverklaring beheersverordening) Tijdelijke afwijking art. 2.12, tweede 2.3.3.4lid 2.3.4.4 Activiteiten Wabo TarieventabelAfwijking exploitatieplan art. 2.12, eerste 2.3.3.5lid, onder b 2.3.4.5 Afwijking provinciale of nationale planologische art. 2.12, eerste 2.3.3.6voorschriften lid, onder c 2.3.3.72.3.4.62.3.4.7Afwijking voorbereidingsbesluit art. 2.12, eerste 2.3.3.8lid, onder d 2.3.4.8 Brandveilig gebruik art. 2.1, eerste lid, 2.3.5onder d Activiteiten bij milieu-inrichtingen of mijnbouwwerken art. 2.1, eerste lid, vrijstelling art.onder e 4, onder b Activiteiten bij monumenten art. 2.1, eerste lid, 2.3.6.1onder f;</p>\n<p class=\"lf-p\">Sloopactiviteiten art. 2.1, eerste lid, 2.3.7.1.1onder g;</p>\n<p class=\"lf-p\">Sloopactiviteiten in een beschermd stads- of art. 2.1, eerste lid, 2.3.6.2dorpsgezicht onder h;</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten behorend bij amvb aangewezen categorie art. 2.1, eerste lid, 2.3.14.1activiteiten onder i Volledige integratie van toestemmingen krachtens verordeningenIn artikel 2.2 van de Wabo is bepaald dat een provinciale of gemeentelijke verordening eenvergunning- of ontheffingstelsel kan bevatten, dat door wetsduiding als omgevingsvergunning wordtaangemerkt (artikel 2.2, eerste lid, aanhef en slotzinsnede, Wabo). In het Model hoogte legesomgevingsvergunning heet dit ‘volledige integratie van toestemmingen krachtens verordeningen’.Artikel 2.2, eerste lid, van de Wabo rekent daartoe in ieder geval:</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten Wabo Tarieventabel Sloopactiviteiten op grond van de Bouwverordening art. 2.2, eerste lid, 2.3.7.1.2onder a Activiteiten op grond van de Erfgoedverordening art. 2.2, eerste lid, 2.3.6.1onder b en c 2.3.6.2 Aanleggen weg op grond van de APV art. 2.2, eerste lid, 2.3.8onder d Uitwegen op grond van de APV art. 2.2, eerste lid, 2.3.9onder e Hebben alarminstallatie op grond van de APV art. 2.2, eerste lid, in toelichtingonder f 2.3.9A Kappen op grond van de APV art. 2.2, eerste lid, 2.3.10onder g Maken, voeren of toestaan handelsreclame op grond art. 2.2, eerste lid, in toelichtingvan de APV onder h en i 2.3.10A Activiteiten Wabo Tarieventabel Opslag roerende zaken op grond van de APV art. 2.2, eerste lid 2.3.11onder j en k Maar het kunnen ook provinciale, andere gemeentelijke of waterschapsverordeningen zijn waarin eenvergunning is geregeld (artikel 2.2, eerste lid, aanhef, en artikel 2.2, tweede lid, Wabo). Zie onderdeel2.3.14.2 van de tarieventabel.Bij de dereguleringsoperatie die de VNG in 2008 heeft afgerond, is een aantal vergunningen uit demodel-Algemene plaatselijke verordening (APV) gehaald. Het betreft:- de uitwegvergunning- de vergunning alarminstallaties- de reclamevergunning- de opslagvergunningDeze hebben wij daarom in beginsel niet meer opgenomen in de tarieventabel. In beginsel, omdat deprovincie nog wel een vergunning- of ontheffingstelsel kan hebben. Dit kan het geval zijn voor hetmaken, hebben, veranderen van (het gebruik van) een uitweg, of voor de opslag van roerende zaken.Vergunningstelsels die wij hebben gedereguleerd en die de provincie ook niet kent, hebben wij nietopgenomen. Dit betreft:- de vergunning alarminstallaties- de reclamevergunningDe deregulering in Weesp is in 2009 uitgevoerd. De bepalingen en de eventueel door te berekenen leges zijn aangepast aan de nieuwe APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele integratie (aanhaken)Het kan ook dat in wetten, algemene maatregelen van bestuur, provinciale, gemeentelijke ofwaterschapsverordeningen vergunningen of ontheffingen worden aangewezen die, voor zover zijsamenlopen met een plaatsgebonden project, aan de omgevingsvergunning worden ‘aangehaakt’.Aanhaken betekent dat de aanvraag om deze toestemming deel uit kan maken van een aanvraag omeen omgevingsvergunning en dat de omgevingsvergunning ook betrekking heeft op die toestemming.Voor zover deze toestemmingen niet plaatsgebonden zijn, blijft het afzonderlijke vergunning- ofontheffingstelsel van kracht. In het Model hoogte leges omgevingsvergunning heet dit aanhaken‘incidentele integratie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pag. 6 van dit model staat een aantal wettelijke aanhakers genoemd. Dezelijst, die dateert uit 2006 en is ontleend aan het wetsvoorstel Wabo uit 2006, is niet meer actueel. In dememorie van toelichting bij de Invoeringswet Wabo staat hierover:‘De volgende toestemmingen zullen aanhaken: de vergunningen ingevolge de Nb-wet 1998 (art 16 en19d), de ontheffing van de Ff-wet (art. 75, derde lid) en de ontheffing van regels uit de provincialemilieuverordening voor zover het de ontheffing voor gesloten stortplaatsen engrondwaterbeschermingsgebieden betreft (1.3, eerste lid, Wm). In de memorie van toelichting bij hetoorspronkelijke wetsvoorstel Wabo is een meer uitgebreide lijst opgenomen met aanhakendetoestemmingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg van verschillende ontwikkelingen zullen vooralsnog uitsluitend de vierhierboven genoemde toestemmingen aanhaken. In Bijlage 3 bij deze memorie wordt hierop ingegaan.’(Kamerstukken II 2008/2009, 31953, nr. 3, pag. 9)Uit bijlage 3 van deze Kamerstukken (pag. 149) blijkt dat er een deregulerings-/moderniseringsslagplaatsvindt, waardoor een aantal toestemmingsstelsels binnen afzienbare termijn vervalt. Dit geldtvolgens die bijlage ook voor individuele beschikkingen in het kader van het vaststellen van een hogeregrenswaarde geluidsbelasting op grond van de Wet geluidhinder. Om die reden hebben wij hiervoorgeen zelfstandige bepaling in de tarieventabel opgenomen.Alleen de vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet 1998) en deontheffing van de Flora- en Faunawet (Ffwet) kunnen legesplichtig zijn als activiteit bij deomgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere twee genoemde activiteiten betreffen milieu-inrichtingen waarvoorgeen legesheffing mogelijk is (artikel 2.9, eerste lid, Wabo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangehaakte vergunningstelsels Artikel TarieventabelVergunning Natuurbeschermingswet 1998 art. 16, eerste lid, 2.3.12of art. 19d, eerstelid, Nb-wet 1998 Ontheffing Flora- en Faunawet art. 75. derde lid, 2.3.13Ffwet Vergunningen of ontheffingen op grond van provin- In verordening 2.3.14.2ciale, gemeentelijke of waterschapsverordening voorplaatsgebonden activiteit In het Model hoogte leges omgevingsvergunning zijn voor de tariefstelling voor de verschillendeactiviteiten de volgende keuzes gemaakt, die wij zoveel mogelijk hebben gevolgd (zie de verwijzingnaar de betreffende tariefbepaling):</p>\n<p class=\"lf-p\">Aspect van de omgevingsvergunning Is bouwen van een bouwwerk onderdeel van de desbetreffende omgevingsvergunning?Ja Nee Bouwen van een bouwwerk Percentage van debouwkosten, met eendegressief schijventarief,met een minimumtarief(2.3.1)Afwijken van het bestemmingsplan in Opslag op de leges Vast tarief (2.3.4.3)gevallen dat de wet en het bouwen van eenbestemmingsplan hierin niet voorzien bouwwerk (2.3.3.3) Tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan Opslag op de leges Vast tarief (2.3.4.4)bouwen van eenbouwwerk (2.3.3.4) Afwijken van het bestemmingsplan in Opslag op de leges Vast tarief (2.3.4.1)gevallen waarin het bestemmingsplan bouwen van eenhierin voorziet bouwwerk (2.3.3.1) Afwijken van het bestemmingsplan in bij Opslag op de leges Vast tarief (2.3.4.2)amvb geregelde gevallen bouwen van eenbouwwerk (2.3.3.2) Uitvoeren van een werk, geen bouwwerk Percentage van de aanlegkosten, met een zijnde, of van werkzaamheden, waarvoor degressief schijventarief, met een minimumop grond van het bestemmingsplan een (2.3.2; wij hebben geen schijventariefvergunning nodig is opgenomen ) Wijzigen van een rijks-, provinciaal of Opslag op de leges Vast tarief (2.3.6)gemeentelijk monument bouwen van eenbouwwerk (2.3.6; wijkiezen voor vast tarief) Het in gebruik nemen van gebouwen en Vaste tarieven, waarbij onderscheid wordt objecten gemaakt naar soort gebouw of inrichtingen naar oppervlakte (2.3.5; wij hebben geentariefdifferentiatie opgenomen, maar de gemeente is daar vrij in) Aspect van de omgevingsvergunning Is bouwen van een bouwwerk onderdeel van de desbetreffende omgevingsvergunning?Ja Nee Slopen van een bouwwerk Percentage van de sloopkosten, met eenminimumtarief (2.3.7) Aanleggen of veranderen van een weg Vast tarief (2.3.8) Maken, hebben of veranderen van een Vast tarief (2.3.9)uitweg Hebben van een alarminstallatie in, op of Vast tarief (2.3.9A, opgenomen in deze aan een onroerende zaak toelichting) Vellen of doen vellen van houtopstand Vast tarief (2.3.10) Maken of voeren van handelsreclame op of Geen leges (2.3.10A, Vast tarief (2.3.10A)aan een onroerende zaak opgenomen in dezetoelichting)Het opslaan van roerende zaken in een Vast tarief (2.3.11)daarbij aangewezen gedeelte van deprovincie of van een gemeente Vervaardigen, in voorraad hebben, te koop Vast tarief (onduidelijk waar dit betrekking aanbieden et cetera van toestellen die bij heeft; valt eventueel onder 2.3.14)amvb zijn bepaald Verrichten van handelingen in een Vast tarief (2.3.12.1)beschermd natuurgebied die schadelijkkunnen zijn voor het natuurschoon, denatuurwetenschappelijke betekenis of voorde dieren of planten</p>\n<p class=\"lf-p\">Het realiseren van projecten of andere Vast tarief (2.3.12.2)handelingen met gevolgen voor habitats ensoorten in een door de ministeraangewezen gebied Het verrichten van handelingen in een Vast tarief (2.3.13)beschermde leefomgeving Onderdeel 2.3.1 BouwactiviteitenDit onderdeel gaat over de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk (debouwactiviteit; de oude bouwvergunning). Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot hetverstrekken van een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten hebben wij vanaf het belastingjaar 2012 gekozen voor een vast tarief (raadsbesluit van 3 november 2011).Voorzien is ook in eenminimumtarief. Een degressief tarief en een maximumtarief zijn niet verplicht. Volgens de Hoge Raad is het hanterenvan een vast, bescheiden percentage van de bouwkosten niet onredelijk of willekeurig (Hoge Raad 14augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943, vng-3119; Nijkerk). In het betreffende geval hief de gemeenteleges van 1,4% van de bouwkosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naarmate het percentage hoger is, verdienen een degressief enmaximumtarief echter wel overweging.De achterliggende gedachte bij het opnemen van een degressief tarief is dat de te verrichtenwerkzaamheden niet evenredig toenemen met de bouwkosten. Bedacht moet echter worden dat nietalleen het kostenveroorzakingsbeginsel, maar ook het profijtbeginsel – uit beleidsmatige overwegingen – een rol kan spelen bij de tariefstelling.Om dezelfde redenen kan gekozen worden voor een maximumtarief. Vooral bij grote infrastructurelebouwwerken kan de bouwsom zo hoog zijn dat de toepassing van zelfs een degressieve tariefstellingertoe leidt dat het legesbedrag in geen verhouding staat tot de te verrichten werkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij hebben vooralsnog niet gekozen voor een maximumtarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">De categorieën gevallen waarin geen omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten is vereist, zijnopgenomen in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (BOR). De in deze bijlage opgesomdebouwwerken (en het daarmee samenhangende planologische gebruik) vormen in feite een voortzetting van de categorie bouwvergunningsvrije bouwwerken, die was opgenomen in artikel 43, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Woningwet en het daarop gebaseerde Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling bodemrapportSoms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit een archeologischof milieukundig bodemrapport worden overgelegd. De beoordeling daarvan roept extra kosten op.Hiervoor zijn in onderdeel 2.3.16 tariefbepalingen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.1.2 Extra welstandstoetsNiet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.1.3 Advies agrarische commissieNiet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.1.4 Achteraf ingediende aanvraagDe extra legesheffing voor een achteraf ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning is vantoepassing als er pas een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend nadat er al met debouwactiviteit is begonnen. Als de gemeente aannemelijk kan maken dat er extra kosten – let op: geen kosten van handhaving en controle, maar extra kosten die worden opgeroepen nadat de aanvraag is ingediend – worden gemaakt, zijn extra leges zonder meer toegestaan. Maar die extra kosten zijn volgens ons niet noodzakelijk. De gemeente kan de verhoging van het tarief ook rechtvaardigen vanuit het gevoerde beleid. Dan zijn de extra leges een financiële prikkel om voorafgaand aan het bouwen 'netjes' een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatvoering is hierbij belangrijk. De extra leges mogen niet zo hoog zijn dat het strafkarakter gaat overheersen. Een verhoging van 10% met een absoluut maximum van € 1.000 valt naar onze mening binnen de redelijke grenzen. Over extra leges in verband met een achteraf ingediende aanvraag is een aantal, andersluidende, rechterlijke uitspraken verschenen.- Rb. Almelo 10 juni 2009, nr. 09/45, LJN: BI8290, vng-3057: Objectieve vaststelling bouwkosten engeen verhoogd tarief bij vergunningaanvraag nadat al met de bouw is gestart- Rb. Zwolle-Lelystad 20 mei 2009, nr. 07/2042, LJN: BI4905, vng-3042: Verhoging aanslag wegensillegale bouw past niet in karakter belastingheffing (Ommen)- Hof 's-Hertogenbosch 7 augustus 2008, nr. 07/00312, LJN: BF1770, vng-2784: Geen verhogingvoor legalisatie bouwwerk- Rb. 's-Gravenhage 26 juli 2007, nr. 06/1383, LJN: BB9896, vng-2553: Verhoging bouwleges met100%, omdat al zonder bouwvergunning met de bouw is begonnen, wordt als boete aangemerktDeze uitspraken betreffen volgens ons specifieke situaties, waarbij is afgeweken van onzemodelbepaling of van onze, hiervoor omschreven bedoeling met de bepaling of waarbij de gemeenteonder andere kosten van handhaving en controle beoogd te dekken, dan wel kosten die zijn gemaaktvóór de vergunningaanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.1.5 Beoordeling aanvullende gegevensHet Model transparantie bouwgerelateerde leges uit 2004 kent een afzonderlijke tariefstelling voor het in behandeling nemen van aanvullende gegevens als gevolg van een onvolledige aanvraag. Achterliggende gedachte is dat de beoordeling van deze aanvullende gegevens extra kosten met zich brengt. Wij vinden dat afzonderlijke legesheffing hiervoor niet mogelijk is, omdat er geen sprake is van een nieuwe aanvraag en bovendien een onvolledige aanvraag moet worden aangevuld, waarna een normale beoordeling kan plaatsvinden. Blijft de aanvraag onvolledig dan kan deze buiten behandeling worden gesteld (artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.2 AanlegactiviteitenIn onderdeel 2.3.2 zijn de leges met betrekking tot de omgevingsvergunning voor aanlegactiviteitenondergebracht (artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo). De omgevingsvergunning vooraanlegactiviteiten is nader geregeld in artikel 3.3, aanhef en onder a, of artikel 3.38, derde lid, aanhefen onder a, van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan of de beheersverordening kan erinvoorzien dat met betrekking tot het uitvoeren van bepaalde werken (geen bouwwerken zijnde) ofwerkzaamheden, vooraf een omgevingsvergunning nodig is.Conform het Model hoogte leges omgevingsvergunning hebben wij gekozen voor een tariefstellingnaar een percentage van de aanlegkosten. Als alternatief hebben wij een vast bedrag opgenomen.De gemeentelijke kosten die gepaard gaan met de vergunningaanvraag nemen toe naarmate deomvang van het werk (uitgedrukt in kosten) groter is. Dat rechtvaardigt een percentagetarief. Deaanlegkosten zijn gedefinieerd in onderdeel 2.1.1.1. Doorgaans zijn de aanlegkosten deaannemingssom waarvoor het werk of de werkzaamheden worden verricht, exclusief omzetbelasting.Als het werk of de werkzaamheden door zelfwerkzaamheid plaatsvinden, geldt een geobjectiveerdeaannemingssom als heffingsgrondslag. Omdat de aanlegkosten in de praktijk vaak lastig te bepalenzijn, kan de gemeente ook kiezen voor een vast tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling bodemrapportSoms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een archeologischbodemrapport worden overgelegd. De beoordeling daarvan roept extra kosten op. Hiervoor is inonderdeel 2.3.16 een tariefbepaling opgenomen. \\Onderdelen 2.3.3 en 2.3.4 (artikel 2.12 Wabo) Planologische strijdig gebruikArtikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo benoemt het planologisch strijdig gebruik van gronden ofbouwwerken als activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. In de gevallen genoemd inartikel 2.12 van de Wabo kan de omgevingsvergunning worden verleend. Dit artikel maaktonderscheid tussen:- strijd met bestemmingsplan of beheersverordening (eerste lid, onder a)- binnenplanse afwijking (sub 1)- buitenplanse kleine afwijking (‘kruimelgevallen-amvb) (sub 2)- buitenplanse afwijking (voorheen projectbesluit of projectafwijkingsbesluit (= buitentoepassingverklaring beheersverordening) (sub 3)- strijd met exploitatieplan (eerste lid, onder b)binnenplanse afwijking van exploitatieplan- strijd met provinciale of nationale regels (regels staan afwijking toe) (eerste lid, onder c)- strijd met voorbereidingsbesluit (voorbereidingsbesluit staat afwijking toe) (eerste lid, onder d)- tijdelijke afwijking van bestemmingsplan of beheersverordening (tweede lid) Deze afwijkingen zijn alle gekoppeld aan de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’. Wij hebbenhiervoor tariefbepalingen opgenomen in de onderdelen 2.3.3 en 2.3.4.Onderdeel 2.3.3 ziet op het planologisch strijdig gebruik waarbij tevens sprake is van eenbouwactiviteit. Onderdeel 2.3.4 op de overige gevallen, waaronder aanlegactiviteiten. Het Modelhoogte leges omgevingsvergunning maakt dit onderscheid ook.Voor een overzicht van de tariefstellingen verwijzen wij naar de tabel die wij vóór de toelichting oponderdeel 2.3.1 (Bouwactiviteiten) hebben opgenomen. Als ook sprake is van bouwactiviteit(en) kiesthet Model hoogte leges omgevingsvergunning voor een opslag op de leges voor de aanvraag om eenomgevingsvergunning voor de bouwactiviteit(en).</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere gevallen voor een vast tarief. Reden hiervoor is dat in de meeste gevallen een verzoek om af te wijken van het bestemmingsplanvergezeld zal gaan van een bouwplan. De legesheffing heeft in dat geval betrekking op de activiteitendie niet bij de beoordeling van het bouwplan zijn verricht. Te denken valt hierbij aan het nemen vaneen besluit om van het bestemmingsplan af te wijken en het opstellen van een goede ruimtelijkeonderbouwing. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt de aanvraag voor eenomgevingsvergunning voor bouwactiviteiten die in strijd zijn met planologische voorschriften, medeaangemerkt als aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik.De VNG heeft bij de planologische afwijkingen bij bouwactiviteiten de tariefstelling geformuleerd als een percentage van de op grond van onderdeel 2.3.1.1 verschuldigde leges.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Model hoogte legesomgevingsvergunning gaat bij de bouwactiviteiten ook uit van een verhoging als opslag op de leges,maar formuleert dit vervolgens als een verhoogd percentage op de bouwkosten. De VNG heeft gekozen voor een tariefstelling als opslag op de leges voor de bouwactiviteit en niet als verhoogd percentage van de bouwkosten, omdat anders ook steeds een maximum aan de bepaling toegevoegd moet worden. Door een opslag op de verschuldigde leges voor de bouwactiviteit te nemen die door de VNG is voorzien van een maximum, zit er bij de afwijking van het bestemmingsplan automatisch eenmaximum in. Weesp heeft in afwijking van de VNG gekozen voor een vast bedrag, omdat de werkzaamheden onafhankelijk van de bouwsom nagenoeg gelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is ook het geval bij andere dan bouwactiviteiten.In bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (BOR) is de categorie van gevallen aangewezen waarmeeop grond van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2º, van de Wabo, omgevingsvergunning kanworden verleend. Het gaat hier om een voortzetting van de zogenoemde ‘kruimellijst’ van gevallen vanbeperkte planologische betekenis welke was opgenomen in artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijkeordening (buitenplanse kleine afwijking; onderdelen 2.3.3.2 en 2.3.4.2 van de tarieventabel).Wij merken bij de planologische afwijkingen nog op dat het Model hoogte leges omgevingsvergunninguit 2006 niet de afwijkingen van exploitatieplan, provinciale of nationale regelgeving ofvoorbereidingsbesluit noemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reden zal zijn dat deze pas later in de wetgeving zijn vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aftopping leges bij planologisch strijdig in combinatie met lage bouwkostenEen paar keer per jaar wordt medewerking verleend aan een relatief kleine bouwactiviteit waar ook een afwijking (voorheen vrijstelling) van het bestemmingsplan voor nodig is. Naast de bouwleges worden hier ook leges in rekening gebracht die verband houden met de afwijking van het bestemmingsplan. De hoogte van de kosten staan bij kleine bouwplannen niet in verhouding tot de investering en worden als onredelijk ervaren. In de raadsvergadering van 3 november 2011 is het besluit genomen om deze leges te maximeren. Wij verwijzen naar onderdeel 2.3.3.1.1 Beoordeling bodemrapportSoms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het planologisch strijdig gebruik vangronden of bouwwerken een archeologisch bodemrapport worden overgelegd. De beoordeling daarvan roept extra kosten op. Hiervoor is in onderdeel 2.3.16 een tariefbepaling opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.4.9 Onrechtmatige bewoning recreatiewoningenHet wetsvoorstel Wet vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen (KST 32366, in behandeling bij Eerste Kamer) beoogt te regelen dat een bewoner die een recreatiewoning onrechtmatig bewoont bij zijn gemeente onder voorwaarden een (persoonsgebonden) omgevingsvergunning verkrijgt voor het bewonen van een recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan of de beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).Het is een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken i.s.m. bestemmingsplan, enz. (art. 2.1, eerste lid, onder c, Wabo). Omdat de tekst van de Wet luidt 'In afwijking van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 2, Wabo', gaat het hier om een afwijking van een bij amvb mogelijk gemaakte buitenplanse kleine afwijking (kruimelgeval).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kruimelgeval van permanente bewoning staat dus niet in die amvb.Omdat sprake is van een afwijking van art. 2.12, eerste lid, onder a, 2 Wabo geldt het tarief van onderdeel 2.3.4.2 tarieventabel niet, dat uitgaat van toepassing van dit artikelonderdeel. Daarom is een aanvullende tariefbepaling nodig. De mogelijkheid om een vergunning aan te vragen vervalt 2 jaar na inwerkingtreding van de wet. Wanneer die inwerkingtreding is, wordt bij KB geregeld. In de memorie van toelichting staat: ‘Het tijdstip van inwerkingtreding zal overeenkomstig de Code Interbestuurlijke Verhoudingen worden bepaald.’ Gelet hierop is de verwachting dat gemeenten voldoende tijd krijgen om hun legesverordening aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij hebben al nieuwe tariefbepalingen opgenomen. Zolang de Wet vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen niet in werking is getreden, zijn de onderdelen 2.3.4.9 en 2.3.4.10 een ‘dode letter’.Wij merken bij de planologische afwijkingen nog op dat het Model hoogte leges omgevingsvergunning uit 2006 niet de afwijkingen van exploitatieplan, provinciale of nationale regelgeving of voorbereidingsbesluit noemt. Reden zal zijn dat deze pas later in de wetgeving zijn vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.5 In gebruik nemen of gebruiken bouwwerken in relatie tot brandveiligheidOp grond van artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Wabo is voor het brandveilig gebruik vanbouwwerken een omgevingsvergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.2 van het Besluit omgevingsrecht (BOR)bepaalt welk gebruik van een bouwwerk vergunningplichtig is:a het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader vanverzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, dan wel het in afwijkingdaarvan bij de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, bepaalde aantal personen;b het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin dagverblijf zal worden verschaftaan:1°. meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of2°. meer dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehan dicapte personen.Onder een bouwwerk wordt mede verstaan delen van een bouwwerk die zijn ontworpen of aangepastom afzonderlijk te worden gebruikt.Een omgevingsvergunning brandveilig gebruik is alleen nog nodig voor de meest risicovolle vormenvan gebruik, bijvoorbeeld:- kinderdagverblijven met meer dan tien kinderen- basisscholen- hotels- tehuizen met meer dan tien beddenDe omgevingsvergunningen brandveilig gebruik hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken in dezin van de Woningwet (Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3, pag. 92, Wabo).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder vallen bijvoorbeeld niet hotelboten, opslagschepen en drijvende restaurants.Gemeenten kunnen in een brandbeveiligingsverordening regelen dat het gebruik van dergelijkeinrichtingen uitsluitend is toegestaan indien daarvoor een vergunning is verleend. De tariefbepaling diedaarbij hoort hebben wij in hoofdstuk 6 van titel 3 opgenomen.Zowel bij onderdeel 2.3.5 als bij onderdeel 3.6 is het mogelijk om naast een vast tarief een opslag perm² te rekenen. Het Model hoogte leges omgevingsvergunning noemt daarnaast als mogelijkheid eentariefonderscheid naar soort gebouw of inrichting. Met een tariefdifferentiatie kan bereikt worden dathet tarief meer afgestemd is op de hoeveelheid werk die verricht moet worden om de gevraagdevergunning te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.6 Activiteiten met betrekking tot monumenten of beschermde stads- of dorpsgezichtenIn onderdeel 2.3.6 hebben wij de vergunningplichtige activiteiten geclusterd met betrekking totmonumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten.Onderdeel 2.3.6.1 ziet op monumenten. Het daarin genoemde artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, vande Wabo heeft betrekking op rijksmonumenten en artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wabo ziet op provinciale of gemeentelijke monumenten. De activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, zijn:a het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen een beschermd monument,onderscheidenlijk provinciaal of gemeentelijk monument;b het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument, onderscheidenlijkprovinciaal of gemeentelijk monument op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaargebracht.In de praktijk lopen deze activiteiten vaak samen met bouwactiviteiten, waarvoor eveneens eenomgevingsvergunning nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De legesheffing voor de inhoudelijke beoordeling van het bouwplan zitgedeeltelijk verdisconteerd in de hogere bouwsom (dan vergelijkbare niet-monumenten) via de aanvraag omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Door het vele meerwerk bij monumenten, ook als gevolg van het in onze gemeente gevoerde monumentenbeleid is het echter gerechtvaardigd om een opslag op de bouwleges zoals bedoeld in 2.3.1. te heffen. De opslag heeft in dit geval dus vooral betrekking op de procedurele kosten. Voor archeologische monumenten geldt de Wabo (nog) niet. Daarvoor blijft het vergunningstelsel gebaseerd op artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988. De minister van Onderwijs en Wetenschappen is voor de vergunningverlening het bevoegd gezag.Onderdeel 2.3.6.2 heeft betrekking op beschermde stads- of dorpsgezichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het slopen vanbouwwerken binnen deze stads- of dorpsgezichten is een omgevingsvergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1,eerste lid, onderdeel h, van de Wabo regelt de door het rijk aangewezen beschermde stads- ofdorpsgezichten, artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c, van de Wabo de in provinciale of gemeentelijkeverordening aangewezen stads- of dorpsgezichten. Ook hier hebben wij gekozen voor een vast tarief.Als externe advisering nodig is, bjjvoorbeeld van een gemeentelijke monumentencommissie ofgedeputeerde staten, kunnen de kosten daarvan via onderdeel 2.3.17 worden doorberekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling bodemrapportSoms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen in een beschermd stads- ofdorpsgezicht een archeologisch bodemrapport worden overgelegd. De beoordeling daarvan roeptextra kosten op. Hiervoor is in onderdeel 2.3.16 een tariefbepaling opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.7 Sloopactiviteiten anders dan bij monumenten of beschermde stads- of dorpsgezichtenIn onderdeel 2.3.7 zijn tarieven opgenomen voor sloopactiviteiten die geen betrekking hebben op eenmonument of niet worden verricht in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Die laatste zijn geregeld in onderdeel 2.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.7.1Wij hebben bij de sloopactiviteiten onderscheid gemaakt tussen:- een omgevingsvergunning voor sloopactiviteiten bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g, van deWabo of op grond van een provinciale verordening bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef enonder a, van de Wabo (onderdeel 2.3.7.1);De omgevingsvergunning voor sloopactiviteiten bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo is nodig op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, en 3.38, derde lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening. Deze betreft een louter planologische maatregel. De gemeente kan in het bestemmingsplan of in de beheersverordening bepalen dat een omgevingsvergunning om bouwwerken te slopen alleen wordt verleend als vervangende bouw plaatsvindt om gaten in de bebouwing te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een eventuele provinciale verordening die een omgevingsvergunning voor sloopactiviteiten verplicht stelt, zal eenzelfde bedoeling hebben.De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk op grond van artikel 8.1.1 van de modelbouwverordening geeft uitvoering aan het bepaalde in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, van deWoningwet. Met name veiligheidsaspecten spelen hier een rol.Het Model hoogte leges omgevingsvergunning maakt dit onderscheid niet en kiest voor eentariefstelling (eventueel tariefklassen) afhankelijk van de sloopkosten, met een minimumtarief.Wij hebben dat niet onverkort overgenomen. Omdat de sloopkosten vaak moeilijk zijn te bepalen, kan als alternatief voor een vast tarief – eventueel per bouwwerk met een maximumtarief – worden gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.7.2Als de aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 8.1.1 van de bouwverordeningbetrekking heeft op het slopen van een bouwwerk waarin asbest of asbesthoudend materiaal aanwezig is, moet aan meer (veiligheids)voorschriften worden voldaan. Dit betekent een zwaardere toetsing van de aanvraag en hogere kosten voor de gemeente. Door een afzonderlijke tariefstelling hiervoor worden de kosten gelegd daar, waar ze worden opgeroepen. Onderdeel 2.3.7.2 voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling bodemrapportSoms moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het slopen op grond van artikel 8.1.1van de bouwverordening een miliieukundig bodemrapport worden overgelegd. De beoordeling daarvan roept extra kosten op. Hiervoor is in onderdeel 2.3.16 een tariefbepaling opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">SloopmeldingDe sloopmelding bedoeld in artikel 8.2.1 van de model-bouwverordening maakt geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Omdat de sloopmelding daarmee wel sterk verband houdt, hebben wij deze als hoofdstuk 9 in titel 2 opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.8 tot en met 2.3.11 Aanleggen of veranderen weg; uitweg/inrit; kappen; opslag vanroerende zakenVoor een toelichting op deze APV-toestemmingen die integreren in de omgevingsvergunning,verwijzen wij naar wat hierover is opgemerkt bij Volledige integratie toestemmingen krachtensverordeningen. De Algemene plaatselijke verordening kent ook de uitwegvergunning.niet meer. Omdat een provincie die vergunningstelsels wel kan hebben, hebben wij de verwijzing naarde gemeentelijke verordening in de betreffende tariefbepalingen gemarkeerd. Gemeenten die dezevergunningstelsels ook hebben gedereguleerd, moeten de gemarkeerde tekst schrappen, gemeentendie de vergunningstelsels nog niet heeft gedereguleerd, moeten de gemarkeerde tekst overnemen eninvullen (onderdelen 2.3.9 en 2.3.11). In Weesp is met ingang van oktober 2009 de APV volgens het model van de VNG ingevoerd. Daarbij is een deel komen te vervallen, aangezien voor die dienstverleningen geen vergunningplicht meer geldt, danwel is gedereguleerd. Bij de tariefbepalingen is daarmee rekening gehouden.Conform het Model hoogte leges omgevingsvergunning hebben wij gekozen voor vaste bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.12 Projecten of handelingen in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998Het betreft hier een zogenaamde wettelijke aanhaker. De toestemmingen haken aan bij deomgevingsvergunning als er sprake is van een samenloop met andere activiteiten waarvoor eenomgevingsvergunning is vereist. Het college van burgemeester en wethouders zal dan meestal hetbevoegde gezag zijn. Het oorspronkelijk bevoegde gezag (gedeputeerde staten of de minister vanLandbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)) wordt via een verklaring van geen bedenkingenbetrokken bij de beslissing op de aanvraag (vergelijk onderdeel 2.3.17). Gedeputeerde staten of deminister van LNV blijft het bevoegde gezag als er geen samenloop is met een activiteit waarvoor eenomgevingsvergunning nodig is. De gemeente heeft dan geen bemoeienis met de aanvraag.Het Model hoogte leges omgevingsvergunning vermeldt dat de meeste provincies voor detoestemmingen (nog) geen leges heft. Het Interprovinciaal overleg heeft in zijn modelverordening leges hiervoor nihiltarieven opgenomen. In de toelichting staat: ‘Aangezien de kosten ter zake vanvergunningen en ontheffingen van verboden uit de Natuurbeschermingswet en de Flora- en Faunawet(grotendeels) door het Rijk zijn gecompenseerd, ligt het in zoverre niet voor de hand om ter zake legeste heffen.’ Het verdient daarom aanbeveling de tariefstelling af te stemmen met de provincie of hetministerie van LNV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.13 Handelingen in het kader van de Flora- en FaunawetZie voor een toelichting onderdeel 2.3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.14 Andere activiteitenDit onderdeel vormt een restbepaling voor bij amvb of provinciale, gemeentelijke ofwaterschapsverordening aangewezen categorieën activiteiten, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,onder i, of artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo. Uit de wettekst en de toelichting daarop volgt dat ditniet alleen ‘aanhakers’ kunnen zijn, maar ook gevallen waarin sprake is van volledige integratie in deomgevingsvergunning. Voor de amvb-categorie gevallen hebben wij gekozen voor een vast bedrag.Voor de bij gemeentelijke verordening aangewezen categorie gevallen verklaren wij het tarief voor devergunning of ontheffing voor zover de activiteit niet plaatsgebonden zou zijn van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbijgaan wij ervan uit dat sprake is van ‘aanhaken’. Het tarief moet dan wel elders in de tabel zijnopgenomen. Dit zou bijvoorbeeld de splitsingsvergunning woonruimte kunnen zijn, waarvan het tarief is geregeld in onderdeel 3.4. Voor gevallen waarin bij gemeentelijke verordening is bepaald dat hetvergunningstelsel volledig wordt geïntegreerd in de omgevingsvergunning, hebben wij een slotzin aande tariefbepaling toegevoegd, waarbij een vast bedrag als tariefstelling is opgenomen. Desgewenstkan bij volledige integratie ook een apart hoofdstuk in titel 2 worden opgenomen, conform deonderdelen 2.3.8 tot en met 2.3.11. Voor de bij provinciale of waterschapsverordening aangewezencategorie gevallen hebben wij de begrotingsconstructie opgenomen, omdat de kosten moeilijk van tevoren zijn in te schatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desgewenst kunt u vaste bedragen opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.15 Omgevingsvergunning in twee fasenMet elkaar samenhangende activiteiten dienen gelijktijdig in één aanvraag te worden aangevraagd,anders is sprake van een onvolledige aanvraag. De aanvrager dient hier primair voor te zorgen. Hij kan wel ervoor kiezen om de omgevingsvergunning in zo’n geval in twee fasen te laten verlenen(artikel 2.5 Wabo). De aanvrager kan dan bepalen welke activiteiten dan in de eerste fase, dan wel in de tweede fase worden beoordeeld. Voor de combinatie van ‘bouwactiviteiten’ (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wabo) en ‘planologisch strijdig gebruik’ (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wabo) geldt een bijzondere regeling. Een aanvraag die slechts ziet op de bouwactiviteit wordt van rechtswege tevens een aanvraag om vergunning voor de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ (artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo). Die twee activiteiten kunnen dus niet worden gesplitst.Zowel op de aanvraag eerste fase als op de aanvraag tweede fase wordt beslist bij beschikking. Beidepositieve beschikkingen vormen samen de omgevingsvergunning. In onderdeel 2.3.15 verwijzen wijvoor de tarieven naar de leges voor de verschillende activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.16 Beoordeling bodemrapportOnderdeel 2.3.16 voorziet in extra legesheffing voor de beoordeling van een milieukundig ofarcheologisch bodemrapport, omdat een dergelijke beoordeling extra kosten met zich brengt.Het beoordelen van dergelijke rapporten kan zich, voor zover wij kunnen overzien, voordoen bijbouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, planologisch strijdig gebruik of sloopactiviteiten in een beschermdstads- of dorpsgezicht. Wij hebben de tariefbepaling daarom in een apart onderdeel opgenomen, datgeldt voor alle voorgaande onderdelen. Daarmee wordt tevens bereikt dat geen dubbele heffingoptreedt bij een combinatie van activiteiten.Bij een aanvraag die ziet op bouwactiviteiten kan sprake zijn van beoordeling van zowel eenmilieukundig als archeologisch bodemrapport (zie artikel 2.7, onder c, van de ministeriële regelingomgevingsrecht (MOR) in samenhang met artikel 8, derde lid, van de Woningwet, en artikel 2.3, onderj, MOR).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 8, derde lid, van de Woningwet is een archeologisch bodemrapport bijbouwactiviteiten uitsluitend nodig met betrekking tot bouwwerken:a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven,b voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van het Besluit omgevingsrecht (BOR) geen omgevingsvergunning is vereist, enc 1. die de grond raken, of2. ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.Als een bodemonderzoeksrapport is vereist, moet dat rapport zijn gebaseerd op onderzoek dat isuitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluitbodemkwaliteit.Bij een aanvraag die ziet op aanlegactiviteiten kan sprake zijn van beoordeling van een archeologischbodemrapport (zie artikel 3.1, onder f, MOR).Bij een aanvraag die ziet op planologisch strijdig gebruik kan sprake zijn van beoordeling van eenarcheologisch bodemrapport (zie artikel 4.1, onder h, MOR).Bij een aanvraag die ziet op een sloopactiviteit in een beschermd stads- of dorpsgezicht kan sprakezijn van beoordeling van een archeologisch bodemrapport (zie artikel 6.4, tweede lid, MOR; artikel 14,tweede lid, onder e, van de model-Erfgoedverordening).Als de aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 8.1.1 van de bouwverordeningbetrekking heeft op het slopen van een bouwwerk en op grond van het historisch gebruik teverwachten valt dat een te slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd metgevaarlijke afvalstoffen, dient een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijkeverontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om deomgevingsvergunning worden gevoegd.Het Model transparantie bouwgerelateerde leges uit 2004 gaat uit van vaste bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar nodigkan het vaste tarief worden gedifferentieerd, al naar gelang de omvang van de beoordeling die moetplaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.17 Advies (artikel 2.26 Wabo)In een aantal gevallen zal het voor het behandelen van de aanvraag om een omgevingsvergunningbevoegde bestuursorgaan advies aan een ander bestuursorgaan of andere instantie moeten vragenvoordat de vergunning kan worden verleend (artikel 2.26 Wabo). Dit is uitgewerkt in artikel 6.1 van hetBesluit omgevingsrecht (BOR). In de toelichting daarop staat over de advisering onder meer:‘Wat betreft de aanwijzing van adviseurs brengt de Wabo geen wijziging in het systeem vanaanwijzingen van verplichte adviseurs. Het adviseurschap draait strikt genomen niet om eenbepaald belang bij het besluit, maar is bedoeld om het bevoegd gezag in de besluitvorminggebruik te laten maken van informatie van een ander bestuursorgaan dat ter zake van eenaangevraagde activiteit relevante deskundigheid bezit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De adviseurs die bij een aanvraag van eenomgevingsvergunning verplicht moeten worden geconsulteerd, zijn aangewezen in de artikelen6.1 tot en met 6.4 van het besluit. Zo zijn in artikel 6.1, eerste lid, burgemeester en wethoudersaangewezen als adviseur in die gevallen dat gedeputeerde staten (of de minister) deomgevingsvergunning zullen verlenen. Verder is de aanwijzing van bestuursorganen als adviseurafhankelijk van de aspecten en benodigde deskundigheden, die bij een aanvraag om eenomgevingsvergunning een rol spelen.Het uitbrengen van een advies laat onverlet dat het bevoegd gezag integraal verantwoordelijkblijft voor het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag zal derhalveover een zodanige deskundigheid moeten beschikken dat zij de uitgebrachte adviezen kanbeoordelen en kan integreren met de overige bouwstenen van de omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dezeverantwoordelijkheid van het bevoegd gezag geldt ook voor de adviezen, bedoeld in artikel 2.26,vierde lid, van de wet.’Omdat het advies aan een externe moet worden gevraagd, hebben wij een begrotingsconstructie inonderdeel 2.3.17 opgenomen. U kunt ook afspraken maken met bijvoorbeeld de provincie overkostendoorberekening en een (gemiddeld) vast bedrag in de tarieventabel opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.3.18 Verklaring van geen bedenkingen (artikel 2.27 Wabo)De toelichting op het Besluit omgevingsrecht (BOR)vermeldt: ‘In paragraaf 6.2 is de verklaring vangeen bedenkingen (vvgb) in een beperkt aantal gevallen verder uitgewerkt. Deze uitwerking isgebaseerd op artikel 2.27 van de wet. Het gaat ten eerste om de gevallen waarin de vergunning voorin hoofdzaak een mijnbouwwerk tevens betrekking heeft op het ondergronds opslaan van afvalstoffendie van buiten het mijnbouwwerk afkomstig zijn, dan wel gevaarlijke afvalstoffen. In de tweede gaat het om gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op een inrichting waarin niet in hoofdzaakactiviteiten met betrekking tot een mijnbouwwerk plaatsvinden.Vervolgens wordt de vvgb toegepast in een tweetal gevallen in de ruimtelijke ordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eersteplaats betreft dit gevallen waarin van een bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken(de voormalige projectbesluiten uit de Wro). De omgevingsvergunning voor deze afwijking kan alleenworden verleend als de gemeenteraad hierover een verklaring van geen bedenkingen heeftafgegeven. In de tweede plaats betreft dit gevallen in relatie tot ontheffingen van een provincialeverordening of van een amvb als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wro. Naast deze gevallen is via deInvoeringswet een vvgb-constructie opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- enfaunawet. Het gaat hierbij om vergunningverlening die thans op provinciaal of nationaal niveauplaatsvindt. Voor die gevallen dat sprake is van samenloop met een omgevingsvergunningplichtigeactiviteit waarvoor een ander orgaan bevoegd gezag is, zal de toetsing aan de belangen in die wettenplaatsvinden in de vorm van een vvgb.’ Hoofdstuk 4 VerminderingWij hebben twee omstandigheden benoemd waarin aanspraak bestaat op vermindering van leges.Onderdeel 2.4.1 bepaalt dat de voor de aanvraag om een omgevingsvergunning verschuldigde legesworden verminderd met het bedrag dat al voor vooroverleg of het beoordelen van eenconceptaanvraag voor hetzelfde project is betaald.Onderdeel 2.4.2 bevat een vermindering als sprake is van een gecombineerde aanvraag. Eengecombineerde aanvraag betreft verschillende activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodigis. Naarmate de aanvraag meer vergunningplichtige activiteiten omvat, zal er sprake zijn van relatiefminder administratief werk voor de beoordelende instantie(s). Omdat hierdoor kostenverminderingoptreedt en om te stimuleren dat aanvragen om een omgevingsvergunning betrekking hebben op zoveel mogelijk activiteiten (bijvoorbeeld kappen, slopen, bouwen) die deel uitmaken van een project,hebben wij in dergelijke gevallen een vermindering op het legesbedrag opgenomen. We onderkennendrie klassen: 5 tot 10, 10 tot 15 en 15 of meer activiteiten. Het percentage van de vermindering looptmet de hoeveelheid activiteiten iets op. De gemeente kan de percentages invullen en/of kiezen voormeer ‘verminderingsklassen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 5 TeruggaafOnderdeel 2.5.1 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning voor bouw-,aanleg- of sloopactiviteitenOnderdeel 2.5.1 ziet op de situatie dat de aanvraag wordt ingetrokken binnen een bepaald tijdsbestekna het in behandeling nemen van de aanvraag maar voor het verlenen van de vergunning.Uitgangspunt is dat de burger een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen (of niet alle berekendeleges hoeft af te rekenen), maar dat de gemeente al wel kosten heeft gemaakt bij het in behandelingnemen van de aanvraag. Wij hebben de teruggaaf niet beperkt tot de leges voor bouwactiviteiten, maar ook de leges voor aanleg- en sloopactiviteiten eronder gebracht.Niet alleen vanwege de inmiddels wettelijke ingekorte afhandelingtermijn van een vergunningsaanvraag (acht weken), maar ook gezien het feit dat wij als plantoetsers niet altijd brood in een aanvraag zien en deze dan geweigerd moet worden, is geen onderscheid gemaakt in de tijd waarbinnen een aanvraag wordt ingetrokken. De teruggave is in alle gevallen op 75% gesteld. Door dit relatief hoge percentage is het veelal aantrekkelijker om de aanvraag in te trekken. Hierdoor ontlopen wij het opmaken van een weigeringsbesluit, hetgeen veel tijd en inspanning bespaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.5.2 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw-,aanleg- of sloopactiviteitenIn onderdeel 2.5.2 gaat het om de situatie dat de gevraagde vergunning is verleend maar de bouw-,sloop- of aanlegactiviteiten niet worden uitgevoerd. De werkzaamheden ter beoordeling van devergunningaanvraag zijn wel verricht, maar de werkzaamheden verbonden aan het houden vantoezicht hoeven niet verricht te worden, terwijl bij het vaststellen van het tarief wel met de kostendaarvan rekening is gehouden. Daarom kan worden besloten een deel van de geheven leges terug tebetalen. Het is wel van belang dat de vergunning wordt ingetrokken, omdat anders teruggaafplaatsvindt terwijl de aanvrager vervolgens alsnog met de bouw of werkzaamheden zou kunnenaanvangen. In onderdeel 2.5.2 moet bepaald worden binnen welke termijn na verlening van devergunning nog recht bestaat op teruggaaf. In de model-bouwverordening wordt bij de bouwactiviteiten een termijn van zes maanden gehanteerd.Het stellen van een maximumtermijn is als alternatief genoemd in het Model transparantiebouwgerelateerde leges uit 2004. Gelet op bovenstaande bedoeling achter de teruggaaf, hebben wijde voorwaarde gehandhaafd dat de vergunning nog niet mag zijn gebruikt. Ook hebben wij de legesvoor sloop- en aanlegactiviteiten onder de teruggaafregeling gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.5.3 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw-,aanleg- of sloopactiviteitenDe situatie van onderdeel 2.5.3 doet zich voor indien de aanvraag niet leidt tot het verlenen van devergunning. Ook hier zullen de controlewerkzaamheden niet worden verricht, wat een lager tariefrechtvaardigt. Uitgangspunt is dat de burger een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen. Wijhebben de sloop- en aanlegactiviteiten ook onder de regeling gebracht.Met een weigering hebben wij gelijkgesteld het geval dat de vergunning door de rechter wordtvernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.5.4 Minimumbedrag teruggaafUit doelmatigheidsoverwegingen hebben wij bepaald dat de teruggaaf een bepaald bedrag te bovenmoet gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.5.5 Geen teruggaaf legesdeel advies of verklaringen van geen bedenkingenAls naar aanleiding van een aanvraag om een omgevingsvergunning een extern advies of eenverklaring van geen bedenkingen nodig is (zie hoofdstuk 17 en 18 van deze titel), zijn dit voor degemeente niet beïnvloedbare kosten. Daarom bestaat geen aanspraak op teruggaaf van dezelegesdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 6 Intrekking omgevingsvergunningOp grond van artikel 2.33, tweede lid, onder b, van de Wabo kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning op verzoek van de vergunninghouder geheel of gedeeltelijk intrekken. Hiervoor is een tariefbepaling opgenomen. Deze tariefbepaling is niet van toepassing als intrekking plaatsvindt conform het bepaalde in onderdeel 2.5.2. Dan bestaat immers aanspraak op teruggaaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 7 Wijziging omgevingsvergunning als gevolg van wijziging projectIn hoofdstuk 7 is een regeling opgenomen voor de situatie dat de behandeling van de aanvraag al is afgerond en de vergunning is verleend, maar nog geen gebruik is gemaakt van de vergunning. Met de bouw is dus nog niet begonnen. Indien de aanvrager nu het oorspronkelijke bouwplan wil wijzigen zal opnieuw een aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit ingediend moeten worden, waarvoor opnieuw leges gerelateerd aan de bouwkosten betaald zouden moeten worden. Wanneer de wijzigingen ten opzichte van het vorige bouwplan naar de omstandigheden beoordeeld gering zijn, zullen de werkzaamheden die door de gemeente verricht moeten worden gering zijn. Omdat het hier relatief kleine wijzigingen betreft ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag, is in het Model transparantie bouwgerelateerde leges uit 2004 gekozen voor een vast bedrag. Hoofdstuk 7 is niet van toepassing indien het bouwplan in grote mate afwijkt van het oude bouwplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 8 Bestemmingswijzigingen zonder activiteitenOnderdeel 2.8.1 heeft betrekking op het op aanvraag vaststellen, daaronder begrepen herzien, van een bestemmingsplan bedoeld in artikel 3.1 Wro .Onderdeel 2.8.2 ziet op het op verzoek door het college wijzigen van het bestemmingsplan door gebruik te maken van zijn wijzigingsbevoegdheid op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wro.De Wabo bevat hierover geen bepalingen. Omdat deze aanvragen wel verband houden met de fysieke leefomgeving en mogelijk aanstaande activiteiten, hebben wij ze in titel 2 opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 9 SloopmeldingDe sloopmelding bedoeld in artikel 8.2.1 van de model-bouwverordening maakt geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Omdat de sloopmelding daarmee wel sterk verband houdt, hebben wij deze als apart hoofdstuk in titel 2 opgenomen. Artikel 8.2.1 van de model-bouwverordening formuleert de sloopmelding als afwijking van de vergunningplicht. Slopen is pas mogelijk nadat een mededeling van het college van burgemeester en wethouders is ontvangen dat geen omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit nodig is. Het college kan aan de mededeling voorschriften verbinden over de verwijdering, opslag en afvoer van asbest. In verband hiermee is het in behandeling nemen van een melding een dienst, waarvoor leges kunnen worden geheven. Het college moet de mededeling binnen acht dagen na de melding afgeven, anders is de mededeling van rechtswege gedaan. In het laatste geval, bij werkelijk stilzitten van de gemeente, verdient het aanbeveling legesheffing achterwege te laten of teruggaaf te verlenen. Vergelijk wat wij opmerken bij ‘Omgevingsvergunning van rechtswege’ in deze toelichting. Er is voor gekozen om geen tarief op te nemen. In principe worden door ons geringe kosten gemaakt als er sprake is van asbest. Om het melden van de aanwezigheid van asbest niet te ontmoedigen is geen tarief opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 10 In deze titel niet benoemde beschikkingHoofdstuk 10 is een restpost (kapstokartikel). Er is alleen ‘beschikking’ genoemd, dit in afwijking van bijvoorbeeld titel 3, hoofdstuk 6, omdat de ‘overige omgevingsvergunningen’ al zijn genoemd in onderdeel 2.3.14.Titel 3 Dienstverlening vallend onder Europese Dienstenrichtlijn Algemene opmerkingen bij Titel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter bevordering van de vrijheid van vestiging en de vrije verrichting van grensoverschrijdende diensten streeft de Europese Dienstenrichtlijn (EDR) naar:- vereenvoudiging van administratieve procedures- de opheffing van belemmeringen voor dienstenactiviteiten en- vergroting van het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten onderling en van dienstverrichters enconsumenten in de interne markt.(Richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L 376.)Eind 2006 is de EDR in werking getreden. Deze moet 28 december 2009 geïmplementeerd zijn in deNederlandse regelgeving. De EDR heeft consequenties voor de legesheffing voor díevergunningstelsels die onder haar reikwijdte vallen.Wanneer valt vergunningstelsel onder de EDR?Een vergunningstelsel valt alleen onder de EDR als het vergunningstelsel specifiek is gericht opdienstverrichters of dienstverleners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een algemeen vergunningstelsel (bijv. de omgevingsvergunningvoor bouw- of aanlegactiviteiten) valt niet onder de EDR omdat dit zich niet uitsluitend richt opdienstverrichters/dienstverleners, maar ook op particuliere burgers. Ook bevat de EDR een aantaluitgezonderde gebieden. Alle modelverordeningen zijn gescreend op toepassing van de EDR. Daaruitis een aantal vergunningstelsels naar voren gekomen, die onder de EDR vallen. Wij hebben die‘afgezonderd’ in titel 3 van de tarieventabel leges. Als een gemeente nog andere vergunningstelselskent dan die in de modelverordeningen zijn opgenomen, zal zij deze zelf moeten toetsen aan de EDR.Als het vergunningstelsel daaronder valt en de gemeente heft hiervoor leges, dan moet deze ook intitel 3 van de tarieventabel worden opgenomen.EDR en legesDe EDR heeft geen betrekking op belastingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13, tweede lid, EDR bepaalt dat eventuelekosten voor de aanvragers in verband met hun vergunningaanvraag redelijk zijn en evenredig met dekosten van de vergunningsprocedures in kwestie en de kosten van de procedures niet mogenoverschrijden. Dit betekent dat legesheffing mogelijk is. De kostentoerekening hoeft niet op individuelebasis plaats te vinden. De EDR laat toe dat vaste (forfaitaire) bedragen voor dienstverlening in verbandmet vergunningprocedures worden gehanteerd, mits die forfaitaire kosten zijn gebaseerd opgemiddelde kosten.EDR en kruissubsidiëringDoor de formulering van de artikel 13, tweede lid, van de EDR is kruissubsidiëring alleen nogtoegestaan binnen clusters van sterk samenhangende vergunningstelsels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft alleen dediensten aan dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. Wij hebben die in titel 3 opgenomen.Elk hoofdstuk van titel 3 dient de gemeente te controleren op kostendekkendheid. Indien uit controleblijkt dat er op het betreffende vergunningstelsel of samenhangende vergunningstelsels winst wordtgemaakt, dienen de tarieven te worden aangepast tot of onder 100% kostendekkendheid.Zie voor meer informatie de Notitie Europese Dienstenrichtlijn en kostenverhaal van vergunningen(nieuwsbericht 13 juli 2009; www.vng.nl, beleidsveld belastingen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 1 HorecaOp grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet (Stb. 2000, 185) is het verboden zondervergunning van het college van burgemeester en wethouders een horecabedrijf of slijtersbedrijf uit teoefenen. Het gaat dan om het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudendedrank voor gebruik ter plaatse (horecabedrijf) of voor gebruik elders dan ter plaatse (slijtersbedrijf).Voor het afgeven van dergelijke vergunningen kunnen gemeenten leges heffen en daarbij zelf dehoogte van de te heffen leges vaststellen. In onderdeel 3.1.1 is hiervoor een tariefbepalingopgenomen.Indien een inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij burgemeester en wethouders te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgemeester en wethouders verstrekken, indien nog aan de ten aanzien van de inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie. In onderdeel 3.1.2 is hiervoor een tariefbepaling opgenomen.Onderdeel 3.1.3 bevat een tariefbepaling voor ontheffingen als bedoeld in artikel 35 van de Drank- enHorecawet. Hiervoor kan de gemeente zelf de hoogte van de leges bepalen met inachtneming van hetuitgangspunt van maximale kostendekking. Het Algemeen uitvoeringsbesluit Drank- en Horecawet,waarin voorheen de tarieven voor ontheffingen stonden is op 1 november 2000 ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2 Organiseren van evenementen of marktenDit hoofdstuk bevat een evenementenvergunning, een snuffelmarktvergunning (model-APV) en eenvergunning voor het organiseren van een markt (model-Marktverordening (vergunning organisatie)).Het expliciet noemen van deze vergunningen houdt verband met de Europese Dienstenrichtlijn,waaronder deze vergunningstelsels vallen. Wij beschouwen deze vergunningen als samenhangendevergunningstelsels. Daarom hebben wij ze in één hoofdstuk geplaatst.Onderdeel 3.2.1 is afgestemd op de verschillende evenementen die in de model-APV wordengenoemd. Hierin komt de omvang van het evenement tot uitdrukking, wat een tariefdifferentiatiemogelijk maakt. Wellicht dat de gemeente jaarlijks een evenementenlijst vaststelt, waarnaar kanworden verwezen. Dit komt de duidelijkheid in de regelgeving ten goede.Eventueel kan een verdere tariefdifferentiatie worden aangebracht, bijvoorbeeld een lager tarief vooralgemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) die een evenement organiseren. Hierbij moet welworden bedacht dat kruissubsidiëring alleen binnen dit hoofdstuk mogelijk is.In dit verband verwijzen wij naar de toelichting op artikel 4 van de verordening, waarin wij ingaan op de mogelijkheid tot het opnemen van een vrijstelling voor ANBI’s.De ultieme (rechterlijke) toets is of de verordening niet leidt tot een onredelijke en willekeurige heffingdie de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot heffen niet bedoeld kan hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3 ProstitutiebedrijvenIndien een gemeente een vergunningstelsel kent voor prostitutiebedrijven zoals in de model-APV, kanze hiervoor deze tariefbepalingen opnemen. Ook dit vergunningstelsel valt onder de EuropeseDienstenrichtlijn.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 Splitsingsvergunning woonruimteNiet van toepassing</h3>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 5 LeefmilieuverordeningIn dit hoofdstuk hebben wij een ontheffing of vergunning op grond van een in de gemeente geldendeleefmilieuverordening opgenomen. In de databank modelverordeningen.nl zijn geen model-, maar welvier voorbeeldverordeningen opgenomen, te weten voor een:- stadswijk waar een bestemmingsplan zonder gebruiksvoorschriften geldt;- dorpskern van een recreatiegemeente;- stadsvernieuwingswijk waar gedeeltelijk een verouderd bestemmingsplan geldt;- stadsvernieuwingswijk waar een verouderd bestemmingsplan geldt.Wij merken hierbij op dat afdeling 9.2 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening overgangsrechtbevat voor de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing (WSDV). De WSDV is ingetrokken per 1 juli2008 (artikel 9.2.1 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening). Een Leefmilieuverordening die vóór diedatum in ontwerp ter inzage is gelegd loopt nog maximaal 5 jaar door onder het oude rechtsregime(artikel 9.2.2). Als de gemeente een leefmilieuverordening kent, kunnen dus nog gedurende die 5 jaren ontheffingen worden verleend als bedoeld in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 6 BrandbeveiligingsverordeningDe Brandbeveiligingsverordening regelt de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk isgeregeld. De gebruiksvergunning op grond van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken isopgegaan in de omgevingsvergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder d, Wabo). Gemeenten kunnen ineen brandbeveiligingsverordening regelen dat het gebruik van inrichtingen die niet vallen onder deomgevingsvergunning uitsluitend is toegestaan indien daarvoor een vergunning is verleend. Bij hetgebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het om 'niet-bouwwerken'.Het kan gaan om bijvoorbeeld een omheind weiland of een los met de wal verbonden drijvend hotel ofdiscotheek. In de meeste gevallen zal de gebruiksvergunning worden aangevraagd doordienstverrichters of dienstverleners in de zin van de EDR. In verband hiermee hebben wij degebruiksvergunning in deze titel geregeld.Op grond van hoofdstuk 6 kunnen voor deze vergunningen leges in rekening gebracht worden. Het ismogelijk om naast een vast tarief een opslag per m² te rekenen. Hiermee kan bereikt worden dat hettarief meer afgestemd is op de hoeveelheid werk die verricht moet worden om de gevraagdevergunning te verlenen.In Weesp is dit tarief (nog) niet van toepassing. Het is overigens een activiteit van de regionale brandweerorganisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 7 In deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikkingIn hoofdstuk 7 zijn tarieven opgenomen voor diensten die niet in één van de eerdere hoofdstukken van deze titel afzonderlijk zijn benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor eensluidend afschrift.de griffier, Mw. M.Walrave.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting1Artikelgewijze toelichting op de Legesverordening 2012 vastgesteld in de raad van 8 december 2011.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-11\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsomschrijvingenOm duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de tarieventabel voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1.Artikel 2 Belastbaar feitDe verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor leges worden geheven. Daarom is het niet mogelijk om in artikel 2 een algemene omschrijving van het belastbare feit op te nemen die betrekking heeft op alle in de heffing te betrekken diensten.Daarom is naast de in artikel 2 opgenomen algemene omschrijving van het belast¬bare feit voor iedere dienst afzonderlijk een verdere omschrijving van het belastbare feit in de tarieventabel opgenomen.Dat is dan ook de reden dat in artikel 2 wordt gesproken van ‘diensten, bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel’.Omdat ingevolge artikel 217 van de Gemeentewet het voorwerp der belasting en het tarief moeten zijn vermeld in de belastingverordening, mag er geen twijfel over bestaan dat de tarieventabel deel uitmaakt van de verordening Vandaar dat de woorden ‘daarbij behorende’ zijn gebruikt. In de tarieventabel en in de bij de verordening en de tarieventabel behorende bijlagen wordt dit eveneens uitdrukkelijk aangegeven.De omschrijving van het belastbare feit is van belang voor de vraag of de materiële belastingschuld ontstaat en het tijdstip waarop die belastingschuld ontstaat.Het belastbare feit zou op verschillende manieren omschreven kunnen worden. Zo kan bijvoorbeeld worden gekozen voor ‘het verlenen van een vergunning’ maar ook kan worden gekozen voor ‘het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning’.In de verordening is gekozen voor de laatste formulering. Dit heeft als voordeel dat leges reeds verschuldigd zijn op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag en dat niet bepalend is het moment waarop de vergunning wordt verleend.Zou het belastbare feit zijn ‘het verlenen van de vergunning’ dan heeft op het moment van het in behandeling nemen van de aanvraag het belastbare feit zich nog niet voorgedaan en is derhalve de materiële belastingschuld nog niet ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooruitbetaling voor het moment van het ontstaan van de materiële belastingschuld is niet mogelijk.Overigens kan op grond van wettelijke bepalingen niet in alle gevallen het belastbare feit worden omschreven als ‘het in behandeling nemen van een aan¬vraag’. Zo kunnen alleen voor het voltrekken van een huwelijk, en niet voor het in behandeling nemen van de aanvraag daarvan, leges geheven worden, dit op grond van de Wet rechten burgerlijke stand (Stb. 1879, 72).Artikel 3 BelastingplichtIngevolge artikel 217 van de Gemeentewet dient in de belastingverordening te worden vermeld wie de belastingplichtige is. Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende diensten is gekozen voor een ruime omschrijving van de belastingplicht, om te voorkomen dat in bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou kunnen worden.Het gebruik van de woorden ‘dan wel’ is bedoeld om te voorkomen dat ter zake van dezelfde dienst van twee belastingplichtigen, te weten de aanvrager en degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, leges zullen worden geheven.Vanuit de systematiek van de verordening ligt het voor de hand in eerste instantie de aanvrager van de dienst in de heffing te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het niet mogelijk is een aanvrager als belastingplichtige aan te wijzen, bijvoor¬beeld indien de aanvrager duidelijk niet de belanghebbende is, dan kan degene ten behoeve van wie de dienst wordt verleend als belastingplichtige aangemerkt worden. Dit laatste zal zich niet snel voordoen omdat, zoals reeds eerder is geconstateerd, de aanvrager per definitie een belang heeft bij de dienstverle¬ning. Wij zijn van mening dat zich bij het aanwijzen van de belastingplichtige geen keuzesituatie kan voordoen. In verband hiermee is het stellen van beleids¬regels voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-12\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijstellingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel aIn onderdeel a hebben wij een (verplichte) vrijstelling opgenomen voor diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 (grondexploitatie) van de Wet ruimtelijke ordening zijn of worden verhaald. Deze vrijstelling houdt verband met de zogenaamde Grondexploitatiewet (Stb. 2007, 271) die op 1 juli 2008 in werking is getreden en onderdeel uitmaakt van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (afdeling 6.4). Uitgangspunt van de Grondexploitatiewet vormt een verplichting tot kostenverhaal. Deze verplichting houdt in, dat een gemeente de gemaakte kosten op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar tot een ontwikkeling van de gronden overgaat. De gemeente mag hier bovendien niet meer van afzien, zoals vóór 1 juli 2008 nog wel het geval kon zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van een bouwplan zoals omschreven in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening moeten de kosten (zoals opgenomen op de limitatieve kostensoortenlijst van artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening) worden verhaald op de particuliere ontwikkelaar. Deze kosten kunnen niet nogmaals via de leges in rekening worden gebracht. Dit zou namelijk betekenen, dat de aanvrager van de bouwvergunning bepaalde kosten twee keer zou gaan betalen. Het verplichtende karakter van het kostenverhaal op grond van de Grondexploitatiewet houdt ook in, dat het niet toegestaan is voor de gemeente om af te zien van het kostenverhaal van verleende diensten via het stelsel van de Grondexploitatiewet, om deze kosten vervolgens alsnog via de leges te verhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente heeft dus geen keuzevrijheid om het kosten voor verleende diensten via de grondexploitatiewet, dan wel via de leges te verhalen, maar moet verplicht het stelsel van de Grondexploitatiewet gebruiken.De Grondexploitatiewet legt allereerst een nieuwe basis voor privaatrechtelijke overeenkomsten over grondexploitatie tussen gemeenten en particuliere eigenaren die tot ontwikkeling van hun grondeigendom willen overgaan (artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening). Deze privaatrechtelijke overeenkomst biedt de gemeente de mogelijkheid om met een particuliere eigenaar afspraken te maken over het kostenverhaal van de betreffende bouwlocatie, alsmede ook afspraken te maken over eventuele planschade en over bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen buiten de locatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kent voor deze privaatrechtelijke overeenkomst een volledige contractsvrijheid, met inachtneming van wet- en regelgeving en de algemene rechtsbeginselen. Verder omvat de wet een publiekrechtelijk spoor voor situaties, waarin de partijen binnen de privaatrechtelijke onderhandelingen geen onderlinge overeenkomst over het kostenverhaal hebben bereikt (artikel 6.12 tot en met artikel 6.22 van de Wet ruimtelijke ordening). Van centrale betekenis binnen dit publiekrechtelijke spoor is het exploitatieplan, waarin de gemeente de uitgangspunten voor de grondexploitatie kan vastleggen. Dit exploitatieplan moet tegelijkertijd worden vastgesteld en bekendgemaakt met het bestemmingsplan, het wijzigingsplan, of de buiten toepassingverklaring (ook wel het project(afwijkings)besluit genoemd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanvraag van een bouwvergunning zal vervolgens via de toetsing aan het vigerende ruimtelijke plan en het bijbehorende exploitatieplan de bijdrage van de particuliere ontwikkelaar aan het kostenverhaal worden vastgesteld en in de voorschriften bij de bouwvergunning worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening is een limitatieve lijst opgenomen met kosten die moeten worden verhaald binnen het publiekrechtelijke spoor van de Grondexploitatiewet. Deze lijst omvat onder meer de kosten van het verrichten van onderzoek, waaronder in ieder geval begrepen grondmechanisch en milieukundig bodemonderzoek, akoestisch onderzoek, ander milieukundig onderzoek, archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek (artikel 6.2.4, sub a), de kosten van het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen ten behoeve van het exploitatiegebied (artikel 6.2.4, sub i) en de kosten van andere door het gemeentelijk apparaat of in opdracht van de gemeente te verrichten werkzaamheden, voor zover deze werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in het besluit bedoelde voorzieningen, werken, maatregelen en werkzaamheden (artikel 6.2.4, sub j).Per 1 november 2010 zijn op bovengenoemde verplichting tot kostenverhaal via het exploitatieplan drie uitzonderingen van kracht geworden (Stb. 2010, 684; artikel 6.2.1a Besluit ruimtelijke ordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente hoeft geen exploitatieplan vast te stellen en kan, als het kostenverhaal ook niet heeft plaatsgehad via een privaatrechtelijke overeenkomst, alsnog overgaan tot het heffen van leges voor de geleverde diensten:a. Als de netto-opbrengsten van het exploitatieplan in relatieve zin niet opwegen tegen de bestuurlijke kosten (opbrengst minder dan € 10.000). De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de exploitatiebijdrage per omgevingsvergunning wordt berekend door het totaal van de te verhalen kosten dat is toe te rekenen aan de betreffende vergunning te verminderen met de inbrengwaarde van de gronden waar de omgevingsvergunning betrekking op heeft en de vergoeding voor door de eigenaar zelf verrichte werkzaamheden (artikel 6.19 Wet ruimtelijke ordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als naar verwachting het totaal der exploitatiebijdragen dat kan worden verhaald via de af te geven omgevingsvergunning gezamenlijk ten hoogste 10.000 euro bedraagt, kan de gemeente afzien van het vaststellen van het exploitatieplan. b. Als er via het exploitatieplan in absolute zin nauwelijks reële kosten zijn die de gemeente kan verhalen of als er geen verhaalbare kosten zijn voor een vijftal aangewezen kostensoorten op de kostensoortenlijst (de kostensoorten bedoeld in artikel 6.2.4, sub b tot en met f, Besluit ruimtelijke ordening). Deze kostensoorten omvatten de kosten van bodemsanering en grondwerken, de kosten van de aanleg van voorzieningen, de kosten van maatregelen, plannen, besluiten en rechtshandelingen, de aan de exploitatie toerekenbare kosten die gemaakt worden buiten het exploitatiegebied en de kosten in verband met het in exploitatie brengen van gronden die in de naaste toekomst voor bebouwing in aanmerking komen. c.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen. Het gaat hier om voorzieningen waarvan de gemeente de kosten meestal ook na vaststelling van het ruimtelijk besluit nog zal kunnen verhalen via een overeenkomst. Voorbeelden zijn het maken van een inrit naar de openbare weg of een aansluiting op het riool.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel bOnderdeel b heeft betrekking op het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een (milieu-)inrichting of mijnbouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Hiervoor kunnen geen leges worden geheven op grond van artikel 2.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dat luidt:‘1. Voor zover aanvragen tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning betrekking hebben op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, worden geen rechten geheven.’Dit is dus ook een wettelijke vrijstelling, die wij voor een goed begrip hebben opgenomen in de legesverordening. Deze vrijstelling geldt ook als de gemeente deze niet opneemt in de legesverordening. Het is van belang, omdat de gemeente de kosten die met de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor deze milieuactiviteiten gepaard gaan, niet langs een omweg kan verhalen via de leges voor bijvoorbeeld een bouw- of aanlegactiviteit. Een nauwkeurige, controleerbaar vastgelegde kostentoerekening is dus noodzakelijk.Zoals bekend zijn de milieuleges met ingang van 1 januari 1998 wettelijk onmogelijk geworden (artikel 15.34a Wet milieubeheer en artikel 86a Wet bodembescherming). Dat is in de Wabo dus doorgetrokken. Gemeenten zijn/worden gecompenseerd via het gemeentefonds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel cDe vrijstelling onder c heeft betrekking op de zogenaamde ‘omgevingsvergunning beperkte milieutoets’ (OBM). Dit is een toestemming van het bevoegd gezag die bedrijven sinds 1 januari 2011 voor een aantal activiteiten uit het Activiteitenbesluit (officiële naam: 'Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer') nodig hebben om met deze activiteiten op een specifieke locatie te kunnen starten. De OBM is van toepassing op twee typen activiteiten:- activiteiten waarvoor een m.e.r-beoordeling verplicht is; en- activiteiten waarvoor het bevoegd gezag een lokale toets moet uitvoeren om te beoordelen of de activiteit ingepast kan worden in de lokale situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De OBM is gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht. De OBM bestaat uit een toestemming of een weigering. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan de OBM verbinden (artikel 5.13a Besluit omgevingsrecht).Zoals bekend bestaat er sinds 1998 een legesvrijstelling voor milieuactiviteiten, waarvoor gemeenten destijds een extra uitkering in het gemeentefonds hebben ontvangen. Omdat de OBM activiteiten betreft die voorheen ‘gewoon’ milieuvergunningplichtig waren en dus onder de wettelijke legesvrijstelling voor milieuvergunningen vielen, zou ook voor de OBM een wettelijke legesvrijstelling moeten gelden. De wetgever heeft echter verzuimd deze vrijstelling in artikel 2.9a van de Wabo te regelen, maar gaat dit nog wel doen. Er is geen sprake van een nieuwe of verzwaring van de taak van gemeenten (eerder het tegendeel), er hangt alleen een ander label op: de ‘i-vergunning’. In verband met een en ander hebben wij vooruitlopend op de wettelijke legesvrijstelling een vrijstelling in de modelverordening leges opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel dDe vrijstelling voor het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent inkomen en vermogen (onderdeel d) is vrij algemeen en heeft bijna iedere gemeente in zijn verordening opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel eVanwege de gewenste openbaarheid van bestuur is onderdeel d opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel fOnderdeel e is opgenomen vanaf 1997. Het gaat hierbij om verzoeken van instel¬lingen die een goed doel nastreven. Er is geen winstoogmerk en de opbrengsten gaan naar derden. Enkele voorbeelden zijn inzamelingsactie voor derde wereld landen, kledinginzamelingsactie, collecte van de nierstichting, hartstichting, maar ook bepaalde doelgroepen zoals milieugroepen (milieudefensie, Green Peace), het Leger des Heils en dergelijke. Het gaat niet om het \"spekken\" van de eigen verenigingskas, dus bijvoorbeeld een ledenwerfactie van de voetbalvereniging of een sponsorloterij. Ook VVW- activiteiten, culturele activiteiten (synagoge), sinterklaasoptochten (commer¬cieel doel) en dergelijke vallen er buiten. Wij zijn van mening dat het opnemen van deze vrijstellingsbepaling niet leidt tot een precedentwerking voor andere dan de bedoelde groepen. Overigens zal bij twijfel geen vrijstelling worden verleend. Eventuele bezwaar¬schriften van deze strekking zullen na overleg met de desbetreffende porte¬feuillehouder worden afgehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 4 zijn niet vermeld de vrijstellingen die voorkomen in hogere wettelijke regelingen.De legesverordening kan geen inbreuk maken op, - of bepaalde beper¬kingen opnemen met betrekking tot de bij wet verleende vrijstellingen. Die vrijstellingen zijn onder meer:– ingevolge artikel 243 van de Gemeentewet kunnen de ministers van Binnenland¬se Zaken en Financiën vrijstelling van gemeentelijke belastingen verlenen indien het volkenrecht dan wel het internationale gebruik daartoe noopt.Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt, althans voor zover voor de leges van belang, middels de ‘Regeling diplomatieke en internationale vrijstel¬lingen gemeentelijke belastingen 1997’ (Regeling van 20 december 1996, FO96/ U2383, Stcrt. 1996, 249, Belastingblad 1997, blz. 91, nadien gewijzigd).– de vrijstelling voor het doen van nasporingen (door de aanvrager zelf) in de gemeentearchieven bedoeld in de Archiefwet 1995, dit vanwege het openbare karakter van archiefbewaarplaatsen (artikel 14 van de Archiefwet 1995);– de vrijstellingen opgenomen in de artikelen 2 en 4 van de Wet rechten burgerlijke stand 1879, Stb. 72, laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 17 december 1997, Stb 660.– de 'vrijstelling' met betrekking tot de verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing krachtens de Wet milieubeheer (artikel 15.34a Wet milieu-beheer).Voorts komen in talloze andere wetten vrijstellingen voor, onder andere:– artikel 55 van de AWR;– artikel 67 van de Arbeidswet 1919;– artikel 2 van de Dienstplichtwet;– artikel 51 van de Algemene weduwen en wezenwet;– artikel 34 van de Pensioen en Spaarfondsenwet;– artikel 111 van de Pensioenwet politieke ambtsdragers;– artikelen 78, eerste lid, 79, eerste en tweede lid, 95, eerste lid, en 99, negende lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (zie ook de toelichting op hoofdstuk 4 van de tarieventabel);– artikel 41 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945;– artikel 52 van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940 1945;– artikel 57, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-13\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maatstaven van heffing en tarievenVoor een toelichting verwijzen wij naar Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting), onder 6, Maatstaf van heffing, en onder 7, Belastingtarief. Meer specifiek merken wij met betrekking tot de leges nog het volgende op. In de memorie van toelichting van de Wet materiële belastingbepalingen wordt als voorbeeld van tariefdifferentiatie genoemd dat de huwelijksleges voor mensen van buiten de gemeente hoger mogen zijn dan voor inwoners van de gemeente Eerste lidVoor de maatstaven van heffing en tarieven wordt in dit artikel verwezen naar de bij de verordening behorende tarieventabel die, zoals in de toelichting op artikel 2 reeds is opgemerkt, deel uitmaakt van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidVoor woningbouwprojecten en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen projecten kan de gemeenteraad op verzoek of ambtshalve een projectuitvoeringsbesluit nemen (artikel 2.9 en 2.10 Crisis- en herstelwet). Het projectuitvoeringsbesluit vervangt de bestaande vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen of andere besluiten die zonder de Crisis- en herstelwet (CHW) voor de ontwikkeling en verwezenlijking voor het project nodig zouden zijn. In veel gevallen zal sprake zijn van grondexploitatie, waarop afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing is. Een groot aantal kostencomponenten moet in deze gevallen via het exploitatieplan worden verhaald (afdeling 6.4 Wro; artikel 6.2.4 Besluit ruimtelijke ordening).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente zal alleen overgaan tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als dit kostenverhaal verzekerd is. Als een verzoek tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit wordt gedaan, kan de gemeente voor de (administratieve) behandeling van dat verzoek leges heffen. Het tweede lid voorziet hierin. Het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van de bestaande vergunningen, ontheffingen, vrijstellingen en andere benodigde besluiten. De toetsingskaders blijven echter van kracht, tenzij het projectuitvoeringsbesluit op grond van wet of verordening anders bepaalt (artikel 2.10, vijfde lid, CHW). In verband hiermee hebben wij bij de tariefstelling aangesloten bij de in de tarieventabel opgenomen tarieven die voor de vergunningen, ontheffingen en dergelijke verschuldigd zouden zijn geweest als de CHW niet zou gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overzichtelijkheid hebben wij de tariefbepaling in artikel 5 opgenomen. Bij die keuze hebben de volgende overwegingen meegespeeld:- de CHW is eerder in werking getreden dan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning). In de legesverordening was nog overgangsrecht opgenomen totdat de Wabo in werking trad (oude hoofdstuk 5, bouwgerelateerde leges, van de tarieventabel was nog van toepassing tot 1 oktober 2010; daarna is titel 2 van de tarieventabel van toepassing). - de CHW geldt voor het grootste deel tot 1 januari 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidIn het derde lid van dit artikel is een regeling opgenomen voor die diensten, waarbij als maatstaf van heffing het aantal uren, bladzijden en dergelijke is gehanteerd. Door deze bepaling behoeft in de tarieventabel niet steeds te worden vermeld dat gedeelten van bijvoorbeeld uren of bladzijden voor een geheel uur of een gehele bladzijde zullen worden gerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tariefstelling en kostendekkendheid; kruissubsidiëring; profijtbeginselHet is constante jurisprudentie dat de hoogte van de tarieven niet ter beoordeling van debelastingrechter staat, tenzij de verordening zou leiden tot strijd met wettelijke regels of tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing, waarop de wetgever met het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet het oog kan hebben gehad. Tussen de hoogte van de leges enerzijds en de omvang van de terzake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de voor de dienst door de gemeente gemaakte kosten anderzijds is geen rechtstreeks verband vereist (zie onder meer: Hoge Raad 18 september 1991, nr. 27457, BNB 1991/351; Hoge Raad 24 december 1997, nr. 32569, LJN AA3345, BNB 1998/70).Op grond van artikel 229b van de Gemeentewet mag de legesverordening als geheel bezien maximaal kostendekkend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de belastingrechter heeft zich op dit standpunt gesteld (zie onder meer: Hoge Raad 4 februari 2005, nr. 38860; LJN:AP1951; Hoge Raad 14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943). Niet elke post zal dus afzonderlijk op zijn kostendekkendheid worden beoordeeld. Dit laatste zou ook moeilijk realiseerbaar zijn gezien het feit dat de kosten voor de individuele diensten moeilijk zijn te bepalen. Dat neemt niet weg dat een gemeente wel een kostendekkendheid per dienst of per samenhangende groep van diensten mag nastreven, als de gemeente in dit opzicht maar een consequente lijn volgt (vergelijk Hof ’s-Hertogenbosch 3 oktober 2002, nr. 99/30246, LJN: AE9620).Op grond van het bovenstaande is het mogelijk om kruissubsidiëring toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderkruissubsidiëring wordt verstaan: het hoger stellen van tarieven van leges voor sommige diensten om daarmee de tarieven voor andere diensten laag te kunnen houden. Daarnaast kan bij de tariefstelling uitdrukking worden gegeven aan het profijtbeginsel. Dat is een aparte beleidsmatige afweging. Onderlinge verschillen in - op zichzelf geoorloofde - kostendekkingspercentages tussen groepen van diensten zijn niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel. Een motivering voor die verschillen is niet vereist (Hoge Raad 14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943).</p>\n<p class=\"lf-p\">Europese Dienstenrichtlijn en Wabo doorkruisen artikel 229b GemeentewetDe mogelijkheden tot kruissubsidiëring zijn door de komst van de Europese Dienstenrichtlijn (EDR) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) beperkter geworden.De EDR maakt kruissubsidiëring binnen een cluster van samenhangende vergunningstelsels mogelijk.Dit betreft alleen de diensten aan dienstverrichters waarop de EDR van toepassing is. De wetgever heeft hierin geen aanleiding gezien om artikel 229b van de Gemeentewet te wijzigen. Bij de introductie van de Wabo (omgevingsvergunning) gaat de wetgever ervan uit dat kruissubsidiëring tussen het cluster omgevingsvergunning en andere in de legesverordening opgenomen dienstverleningen niet mogelijk is (Kamerstukken 29515 2005/2006, nr. 140, pag. 26; Kabinetsplan aanpak administratieve lasten).De Wabo en de EDR doorkruisen daarmee de wettelijke regeling van artikel 229b Gemeentewet. Dat is de reden dat wij de tarieventabel in drie titels hebben verdeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms alleen kopieerkosten door te berekenenSoms mogen slechts bepaalde kosten voor een dienst worden doorberekend. Zie bijvoorbeeld de artikelen 2:11, tweede lid, 3:11, derde lid, en 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 19.1b van de Wet milieubeheer. Een aantal van deze artikelen is aan de orde geweest in de uitspraken van Hof Amsterdam 21 december 2001, nr. 00/2665, Belastingblad 2002, blz. 959, en van Hof Arnhem van 27 augustus 2002, nr. 01/01610, LJN: AE8932. Een redelijke uitleg van deze wettelijke bepalingen leidt naar het oordeel van de hoven tot de conclusie dat voor het verstrekken van kopieën als de onderhavige uitsluitend de kosten van het vervaardigen van kopieën, afschriften etc. inenge zin door middel van het heffen van leges in rekening mogen worden gebracht. Tot de kosten die in dat geval in rekening mogen worden gebracht behoren onder meer wel de arbeidskosten van het kopiëren zelf, maar niet de kosten van het opzoeken en weer opbergen van de desbetreffende originelen. Het kosteloos ter inzage leggen c.q. geven, zoals de wet dat in deze gevallen voorschrijft, impliceert eventuele opzoek- en opbergwerkzaamheden en de daaraan te besteden tijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie over kostenberekening en kostentoerekeningVoor een verdere beantwoording van de vraag welke kosten wel en welke kosten niet kunnen worden doorberekend, verwijzen wij naar:- het stappenplan genotsretributie, VNG, najaar 2009- de Handreiking kostentoerekening leges en tarieven, die het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sinds juli 2007 via haar website beschikbaar stelt. Deze handreiking geeft inzicht in de doorberekening van de kosten in de rechten, heffingen en tarieven die maximaal 100% kostendekkend mogen zijn;- het boekje Kostentoerekening en gemeentelijke heffingen, VNG-uitgeverij (thans: SDUuitgevers), Den Haag 1999.- Model kostenonderbouwing leges omgevingsvergunning (versie 1.0). Uitgave van onder andere de VNG van april 2010.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-14\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wijze van heffingIngevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op andere wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van aanslag. Van alle dienstverleningen ontvangt de afdeling belastingen een opgave. Aan de hand hiervan wordt een aanslag opgelegd. De vordering wordt dus in de admini¬stratie opgenomen. Bij niet betaling volgt een herinnering, aanmaning en dwangbevel.Een uitzondering hierop vormen de leges die aan de legeskas bij de afdeling burgerzaken door middel van een kassabon worden afgerekend</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Termijnen van betalingDit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Het ontstaan van de (materiële) belastingschuld is overigens niet in de veror¬dening geregeld. Dit hangt samen met het feit dat bij de leges het ontstaan van de belastingschuld samenvalt met het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet.Artikel 8 Vermindering of teruggaaf.Bij een teruggaaf wordt een op zich juist vastgesteld belastingbedrag niet verlaagd, maar teruggegeven als gevolg van een omstandigheid waarmee bij de heffing geen rekening kon of mocht worden gehouden. De teruggaaf leidt dus niet tot vermindering van de aanslag of het gevorderde bedrag, maar tot een terug¬gaaf. Deze wordt bij afzonderlijke beschikking vastgesteld.Een voorbeeld hiervan is de teruggaaf van bouwleges indien van een verleende bouwvergunning geen gebruik wordt gemaakt.De teruggaaf kan min of meer als een in de verordening geregelde hardheidsclau¬sule worden gezien.Er zijn gevallen denkbaar waar de verordening niet in teruggaaf voorziet, terwijl deze teruggaaf toch gerechtvaardigd moet worden geacht Leidt bijvoor¬beeld het in behandeling nemen van een aanvraag om verstrekking van een stuk niet tot uitreiking daarvan en zijn er door de gemeente geen werkzaamheden verricht, dan kan er reden bestaan voor een ambtshalve teruggaaf van leges (op grond van de zogenoemde hardheidsclausule; artikel 63 AWR). Afhankelijk van de verrichte werkzaamheden kan ook gedeeltelijk teruggaaf worden verleend.Dit artikel is nieuw en houdt verband met hoofdstuk 4 van titel 2 van de tarieventabel. Hierin is opgenomen dat aanspraak bestaat op vermindering van leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning als de aanvraag op meer dan vijf activiteiten betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8 is algemeen gesteld. U kunt hierdoor bijvoorbeeld ook in titel 1 een hoofdstuk vermindering opnemen, waarin is bepaald dat aanspraak bestaat op vermindering als de aanvraag en/of afhandeling van een aanvraag langs elektronische weg plaatsvindt. Al naar gelang en beperkt tot de mogelijkheden in de gemeente.De vermindering kan ambtshalve worden toegepast (artikel 65 AWR) – direct bij het berekenen van de leges – of op aanvraag (artikel 242 Gemeentewet).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nadere regels door het college van burgemeester en wethoudersHet college kan nadere beleidsregels vaststellen met betrekking tot de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen. Onder andere met betrekking tot de volgende zaken zijn beleidsregels vastge¬steld:- de gemeentelijke ‘Leidraad invordering’. Dit betreft een instructie hoe te handelen in voorkomende gevallen bij de invordering van belastingen;- het nemen van aanwijzingsbesluiten en aanstellingsbesluiten;- aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie (n.v.t. op leges);</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inwerkingtreding en citeertitelHoewel bekendmaking langs elektronische weg nog niet verplicht is voor de decentrale overheden en dus geen voorwaarde voor de inwerkingtreding, moet de vastgestelde legesverordening vanaf 28 december 2009 wel elektronisch beschikbaar en raadpleegbaar zijn in verband met de diensten die onder de EDR vallen (artikel 7, derde lid, EDR).Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen (algemene toelichting) Voor eensluidend afschrift,de griffier, Mw. M.Walrave.</p></div>", "next": 0}