{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Gezinshuizen betreft ook een vorm van Wonen. 41Zie H6.5 van deze beleidsregels. Binnen elke gemeente zijn er kinderen en jongeren die om verschillende redenen niet thuis kunnen blijven wonen. Voor sommige van hen is er meer nodig dan een pleeggezin: er is professionele begeleiding nodig. Over het algemeen zijn jeugdigen het beste af als zij binnen een gezinsverband kunnen opgroeien. Plaatsing in een gezinshuis biedt dan een oplossing. De jeugdige wordt opgevangen in een gezin waar hij of zij 24-uurs professionele jeugdhulp ontvangen. Soms voor korte, soms voor langere tijd. Zo kan de jeugdige in de vertrouwde omgeving blijven wonen en naar school blijven gaan. In een gezinshuis wonen gemiddeld 3 tot 6 uithuisgeplaatste jeugdigen samen met de gezinshuisouders (en hun eigen kinderen), in een normaal huis in een gewone buurt. Deze ouders zijn de vaste opvoeders en vormen de vaste basis. Zij bieden naast veiligheid en rust ook professionele begeleiding en toezicht. Anders dan in bijvoorbeeld een woongroep is dat 24 uur per dag en 7 dagen per week. En anders dan in een pleeggezin zijn de ouders professionele opvoeders. In voorkomende gevallen is het mogelijk wonen met begeleiding in deeltijd in te zetten. Dit wil zeggen dat de module gezinshuizen in dat geval een aantal dagen per week wordt ingezet, bijvoorbeeld vijf dagen per week.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gezinshuis is een stabiele plek met het perspectief om hier meerjarig te kunnen wonen. Dit om te voorkomen dat de jeugdige in een korte periode op (veel) verschillende woonvoorzieningen wordt geplaatst. In beginsel is pleegzorg voorliggend op de module Gezinshuizen met de kanttekening dat afhankelijk van de jeugdige, de situatie en/of de zwaarte van de problematiek, steeds gezocht moet worden naar de meest passende vorm van jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een jeugdige ook behandeling krijgt, dan werkt de aanbieder van de module Gezinshuizen samen met betreffende behandelaar of therapeut. 42Zie H6.5 van deze beleidsregels. Een zinvolle dag invulling is essentieel in het leven van de jeugdige, en het werken hieraan is altijd onderdeel van het wonen. Het uitgangspunt is dat jongeren gewoon naar school gaan. Uitsluitend in de situaties waar dagbesteding in plaats van het onderwijs noodzakelijk is wordt hier een aparte module voor afgegeven. 43Zie H2.15.3 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.4Medisch Orthopedagogisch Centrum (MOC) Het Medisch Orthopedagogisch Centrum (MOC) biedt hulp aan kinderen van 0-18 jaar en hun ouders. Het MOC biedt hulp aan kinderen met ontwikkelingsproblemen, en wanneer sprake is van ernstige opvoedproblemen. Zonder hulp zouden deze kinderen niet goed kunnen deelnemen aan het gezinsleven en onderwijs, en bij een aantal kinderen dreigt uitsluiting. Het MOC richt zich op herstel van de ontwikkelingsgang en het gewone leven. Samen met ouders, school en andere belangrijke opvoeders wordt gekeken waar ontwikkelingsmogelijkheden liggen – bij het individuele kind en bij het gezinssysteem. Er wordt gekeken naar wat er nodig is om de ontwikkeling te stimuleren en/of de ernstige opvoedproblemen te keren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de inzet en begeleiding van het MOC kunnen kinderen (blijven) deelnemen aan het gezinsleven en het onderwijs. Daarnaast worden ouders ondersteund in de begeleiding van hun kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de jeugdige leerplichtig is en het MOC ziet op onderwijs/heeft onderwijs tot doel is altijd afstemming met het samenwerkingsverband en leerplicht nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Pleegzorg Volgens de Jeugdwet moeten kinderen bij uithuisplaatsing zo thuis mogelijk worden opgevangen. 44Dit is anders bij vreemdelingen. Zie in dit verband artikel 1.2.2 Besluit jeugdwet of H9.2 van deze beleidsregels.45Nota Bene. Op grond van artikel 56 van de Verordening Brussel II bis en artikel 33 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag kan de GI verzoeken om internationale pleegzorgplaatsing bij de Ca. Zie ook H3.3.6 van deze beleidsregels. Pleegzorg is daarom een belangrijke vorm van jeugdhulp voor de gemeente. De gemeenten kan pleegzorg inzetten bij een uithuisplaatsing, maar ook preventief om te zorgen dat kinderen uiteindelijk weer thuis kunnen wonen. 46VNG. “Pleegzorg.” Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/pleegzorg#Wat_is_de_rol_van_gemeenten. Als oplossing voor gezins- en opvoedproblemen kan de gemeente in het vrijwillig kader een pleegzorgplaatsing aanwijzen. In overleg tussen VNG en Jeugdzorg Nederland is hiervoor een richtlijn opgesteld, die aangepast is aan de actuele wetgeving. Zie voor de richtlijn bijlage 5. Voor het gedwongen kader is de veldnorm beschikbaar. Zie voor de veldnorm bijlage 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5Jeugdzorgplus (gesloten jeugdhulp) Jeugdzorgplus is een vorm van gesloten jeugdhulp die wordt geboden aan kinderen en jongeren die niet bereikbaar zijn voor lichtere vormen van hulpverlening. Zonder behandeling vormen zij een risico voor zichzelf of hun omgeving. 47Jeugdzorg Nederland. “Jeugdzorgplus.” Geraadpleegd 8 november 2019 via https://www.jeugdzorgnederland.nl/jeugdhulp/jeugdzorgplus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het kind of de jongere ernstige gedragsproblemen heeft, kan opname in een instelling voor gesloten jeugdhulp een optie zijn. Jeugdzorgplus is een gedwongen opname. Het kind of de jongere krijgt dan, in zijn eigen belang, hulp in een gesloten omgeving. Jeugdzorgplus is niet bedoeld als straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdzorgplus is voor jongeren met ernstige (gedrags)problemen. Zij hebben bescherming nodig tegen zichzelf of tegen anderen. Het gaat bijvoorbeeld om agressieve jongeren, of om meisjes die problemen hebben met loverboys.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is in het belang van de jongeren zelf dat zij een behandeling krijgen in geslotenheid. Dit voorkomt dat zij zich onttrekken aan de zorg die ze nodig hebben. Of dat anderen voorkomen dat ze zorg krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.1.Procedure Jeugdzorgplus De Gemeente is verantwoordelijk voor de gesloten jeugdhulp. Voor opname in een instelling voor gesloten jeugdhulp is een machtiging nodig van de kinderrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure is als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een GI 48Zie H2.1.2 van deze beleidsregels. beslist of en welke zorg nodig is. De GI vraagt een machtiging aan bij de kinderrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kinderrechter beslist of een kind met ernstige gedragsproblemen gedwongen wordt opgenomen. Deze beslissing heet een 'machtiging gesloten jeugdzorg'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarna volgt opname in een instelling voor Jeugdzorgplus. Onder Jeugdzorgplus vallen gedwongen opname, gesloten verblijf en gedwongen behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kind of de jongere leert in een instelling voor gesloten jeugdhulp structuur aan te brengen in zijn of haar leven. Door het aanleren van sociale vaardigheden kan het kind of de jongere later weer functioneren in de samenleving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De behandeling moet zo kort als mogelijk en zo lang als nodig zijn. De ouders of andere familieleden zijn betrokken bij de behandeling. Het kind of de jongere gaat in de eerste fase van geslotenheid ook naar school in de instelling voor gesloten jeugdhulp. Veel instellingen voor gesloten jeugdhulp hebben op het eigen terrein een school. Bij andere instellingen voor gesloten jeugdhulp gaan de jongeren naar een school in de buurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het kind of de jongere zich in de instelling voor Jeugdzorgplus goed ontwikkelt, krijgt hij of zij geleidelijk meer vrijheden. Want het is de bedoeling dat jongeren uit de Jeugdzorgplus weer terug gaan naar de ouders of het pleeggezin. Of ze gaan door naar vervolgzorg, begeleid wonen of naar zelfstandige woonruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere jongere in een instelling voor gesloten jeugdhulp krijgt een hulpverleningsplan. Hierin kunnen beperkende maatregelen staan, in het belang van de behandeling. Zo kan een instelling voor gesloten jeugdhulp jongeren tijdelijk in afzondering plaatsen. Of het kind of de jongere mag beperkt zijn telefoon of andere communicatiemiddelen gebruiken. 49Rijksoverheid. “Wanneer komt mijn kind in aanmerking voor gesloten jeugdzorg?” Geraadpleegd 8 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdhulp/vraag-en-antwoord/wanneer-komt-mijn-kind-in-aanmerking-voor-gesloten-jeugdzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Vervoer 8.1Algemeen afwegingskader vervoer Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Vervoer van de jeugdige maakt in principe integraal onderdeel uit van de module en de daaraan gekoppelde tarieven. Uitgangspunt is dat de aanbieder in het vervoer dient te voorzien, daar waar de ouders/verzorgers van de jeugdige daarin niet kunnen voorzien. Dit laat onverlet dat aanbieders een beroep mogen doen op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van ouders/verzorgers. Bijvoorbeeld indien ouders/verzorgers in staat zijn de jeugdige naar de zorgboerderij te brengen, dienen zij dit zelf te organiseren. Daar waar het zelf organiserend vermogen van ouders/verzorgers wegens omstandigheden ontbreekt dient de aanbieder hier te voorzien. Daarbij mag ook verwacht worden dat ouders gelet op de extra kosten gebruik maken van de dichtstbijzijnde adequate voorziening. Dit betekent: In eerste instantie moeten ouders zelf het vervoer regelen. Lukt dat niet dan doen ze een beroep op het sociaal netwerk. Lukt dat niet, dan kan samen met De Toegang en eventueel de aanbieder in kwestie, worden gekeken naar een thuisnabij alternatief. Is dat er niet dan kunnen ouders/verzorgers zich wenden tot de jeugdhulpaanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die gevallen waar de ouders/verzorgers en de jeugdhulpaanbieder in kwestie samen geen oplossing vinden voor de vervoersbehoefte van de jeugdige, neemt de gemeente – na onderzoek door De Toegang – op grond van de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 augustus 2019 een besluit omtrent het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder (in het kort komt de uitspraak erop neer dat een besluit omtrent het vervoer van en naar een jeugdhulpaanbieder moet worden genomen door de gemeente en dat deze verantwoordelijkheid van de gemeente niet kan worden overgeheveld naar de zorgverlener). 50De Rechtspraak. “ECLI:NL:RBNNE:2019:3466,” 14 augustus 2019. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:3466.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2Vervoer bij daghulp Bij een verzoek om hulp-op-maat in de vorm van daghulp maakt De Toegang altijd een beoordeling – conform het algemeen afwegingskader vervoer 51Zie H8.1 van deze beleidsregels. – over de vervoersvraag van de inwoner, die verband houdt met het verzoek om hulp-op-maat in de vorm van daghulp, en brengt hierover advies uit aan de gemeente. Dit geldt ook wanneer de inwoner door de (huis)arts is verwezen naar hulp-op-maat in de vorm van daghulp, of wanneer de hulp-op-maat in de vorm van daghulp is bepaald door de GI. Conform de toelichting op hoofdstuk 3 van de Verordening jeugdhulp gemeente Emmen kent de gemeente dan vervoer naar de daghulp toe en het daarbij in deze toelichting opgenomen (geïndexeerde) tarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3Vervoer naar aanleiding van toepassing van het convenant woonplaatsbeginsel Op grond van het Convenant woonplaatsbeginsel zal bij verhuizing van een gezin/jeugdige naar een andere gemeente tijdens de jeugdhulpverlening, de ontvangende gemeente - als het gezin dit wenst - deze jeugdhulp zonder nadere indicering bij de huidige hulpverlener overnemen plus de kosten daarvan vergoeden. Dit geldt niet voor de vervoerskosten die hiermee gemoeid gaan, tenzij het vervoer van de jeugdige in kwestie van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden naar het oordeel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid en er naar het oordeel van de gemeente binnen redelijke termijn geen alternatieve, nabije hulpverlening beschikbaar is. Dit hoofdstuk blijft van kracht wanneer de in het convenant woonplaatsbeginsel opgenomen afspraak over het overnemen van de hulp in de wet is verankerd. 52Zie H3.2 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Jeugdhulp aan niet-rechtmatig in Nederland verblijvende jeugdigen 9.1.Inleiding In artikel 1.2 Besluit Jeugdwet is vastgelegd dat de gemeente verantwoordelijk is voor niet-rechtmatig in Nederland verblijvende jeugdigen. Deze jeugdigen verblijven over het algemeen op de zogenoemde gezinslocaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, COA. Hiervan zijn er enkele in Nederland, waaronder in Emmen (zie voor verder informatie over asiel en gezinslocaties bijlage 3). Dit laat onverlet dat niet-rechtmatig verblijvende jeugdigen ook feitelijk ergens anders in Emmen woonachtig kunnen zijn, of dat zij op een andere wijze onder de financiële verantwoordelijkheid van de gemeente vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2Afwegingskader jeugdhulp aan minderjarige vreemdeling en implicaties Ten aanzien van jeugdhulpverlening aan vreemdelingen gelden een aantal wettelijke restricties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 1.2.1 van het Besluit Jeugdwet mag de jeugdhulp alleen worden geboden aan minderjarigen. Ouders zonder geldige verblijfstitel zijn dus uitgesloten van de aanspraak op jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet betekent dit dat ouders geen recht hebben op bijvoorbeeld opvoedingsondersteuning. Dat kan tot onwerkbare en zeer onwenselijke situaties leiden. Het is immers vaak van cruciaal belang dat de ouders worden betrokken in het hulptraject dat is ingezet voor het kind. Daarbij is het uitsluiten van de ouders zonder geldige verblijfstitel in strijd met het Internationaal Inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Daarin is vastgelegd dat de overheid ouders indien nodig opvoedondersteuning moet bieden, hoewel ouders zonder geldige verblijfstitel volgens de nationale wetgeving dus geen aanspraak kunnen maken op jeugdhulp. De gemeente kan als dat noodzakelijk is – en met een beroep op het IVRK – toch een voorziening voor opvoedingsondersteuning toekennen. Verder kan worden geconcludeerd dat de zogenoemde ‘verlengde jeugdhulp’ 53Rijksoverheid. “Memorie van toelichting bij de Jeugdwet:” 18–19. hier niet van toepassing is. 54Zie ook H12 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 1.2.2 van het Besluit Jeugdwet worden de jeugdige vreemdelingen bij voorkeur niet in een pleeggezin geplaatst. Als de gemeente het verblijf bij een pleegouder nodig vindt, moet de gemeente in het besluit aangeven waarom het verblijf in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder niet voldoende is. De achterliggende gedachte van de wetgever is dat verblijf in een gezin meer aanleiding geeft tot hechting in de Nederlandse samenleving, terwijl juist zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat er verwachtingen worden gewekt omtrent het verblijf. Dit om de terugkeer naar het land van herkomst soepeler te laten verlopen. In het geval van onrechtmatig verblijf in Nederland schrijft de wet dus voor dat pleegzorg niet de gewenste vorm van verblijf is, waardoor de gemeente in principe ook geen pleegzorgtraject zal verlengen. 55VNG. “Pleegzorg standaard tot 21 jaar. Scenario’s,” geraadpleegd 30 juli 2018 via https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/nieuws/pleegzorg-standaard-tot-21-jaar%20.56Zie H13.1 van deze beleidsregels.57Bovendien mag de jeugdhulp conform artikel 1.2.1 van het Besluit Jeugdwet alleen worden geboden aan minderjarigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform artikel 1.2.3. van het Besluit Jeugdwet is de jeugdhulp aan minderjarige vreemdelingen in overeenstemming met de duur van het verblijf in Nederland met een maximum van 6 maanden. Na een half jaar moet in ieder geval opnieuw beoordeeld worden of de jeugdhulp nog nodig is. Dit vanuit de gedachte dat de situatie van een niet-rechtmatig verblijvende jeugdige snel kan wijzigen. Als blijkt dat jeugdhulp nog noodzakelijk is, zal deze wel weer opnieuw verleend kunnen worden voor maximaal 6 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meeste gezinnen die op gezinslocaties wonen, kampen met gezondheidsklachten, psychische problemen en stress. Kinderen gaan er weliswaar naar school, maar geven aan in voortdurende angst te leven. Ze zijn bang voor uitzetting, bang om te gaan slapen (omdat de meeste uitzettingen ’s morgens vroeg gebeuren) en bang om gescheiden te worden van ouders, broertjes en zusjes. Deze continue angst beschadigt kinderen, ook omdat ze het gevoel hebben dat ze in Nederland niet gewenst zijn en een vaak traumatiserende voorgeschiedenis hebben. 58Werkgroep Kind in AZC. “Gezinslocaties,” geraadpleegd 11 november 2019 via http://www.kind-in-azc.nl/gezinslocaties/. Het is van belang dat hiermee rekening wordt gehouden bij de beoordeling van het verzoek om hulp. Aan de andere kant is het trauma niet ten einde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit onderzoek blijkt dat slechts een klein deel van de kinderen die een oorlog of conflict hebben meegemaakt daadwerkelijk een trauma ontwikkelt. De grote meerderheid kan met steun, stabiliteit en een veilige omgeving zijn of haar leven weer oppakken. Gestructureerde, recreatieve sport- en spelactiviteiten hebben hier positieve invloed op. Ze versterken de lichamelijke, emotionele, sociale en intellectuele ontwikkeling van kinderen. Meedoen aan creatieve activiteiten, en sport- en spelactiviteiten, is laagdrempelig. Het is goed voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Het kan stress en depressie verminderen en zelfvertrouwen vergroten. 59Werkgroep Kind in AZC. “Zo kan het ook,” 2016, 16. Geraadpleegd 15 november 2019 via http://www.kind-in-azc.nl/wp-content/uploads/2016/11/Rapport-Zo-kan-het-ook.pdf. Beoordeeld wordt daarom eerst of (vanuit het preventieve aanbod) ingestoken kan worden op stabiliseren en het versterken van de weerbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.1Toegang tot jeugdhulp niet-rechtmatig in Nederland verblijvende jeugdigen Voor niet-rechtmatig in Nederland verblijvende inwoners geldt dat zij zich voor een beroep op jeugdhulp kunnen melden bij De Toegang, of dat zij verwezen worden via arts of specialist, Veilig Thuis Drenthe (VTD), of GI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor niet-rechtmatig in Nederland verblijvende inwoners die staan ingeschreven op de COA-gezinslocatie in Emmen loopt de toegang tot hulp-op-maat in principe via de aan het MDO (multidisciplinair overleg) verbonden wettelijke verwijzers en het NIDOS, dan wel de regiegroep. 60Zie H2.15.1 van deze beleidsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.2Veiligheidskwesties minderjarige jeugdigen op gezinslocatie (regie op bescherming) Naast het MDO en het NIDOS kunnen veiligheidszaken worden opgepakt door VTD en De Toegang team zuid. Dat wil zeggen: als een veiligheidszaak of –kwestie leidt tot een plan met maatregelen dat gemonitord moeten worden, kan het toegangsteam in beeld komen (een pragmatische oplossing omdat huisartsen en jeugdgezondheidszorgartsen dit in die zin niet tot hun taak rekenen).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4De levering van jeugdhulp aan minderjarige vreemdelingen De levering van hulp aan minderjarige vreemdelingen is altijd in zorg in natura (ZIN). De leveringsvorm PGB is uitgesloten, omdat deze jeugdhulpverlening daar niet geschikt voor is: de duur van het verblijf en de datum van vertrek zijn ongewis en de doelgroep kan over het algemeen geen gebruik maken van de SVB (dat wil zeggen: heeft Burgerservicenummer BSN, noch DigiD).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.18-/18+ Jongeren zijn meerderjarig als ze 18 jaar zijn. Van de ene op de andere dag moeten ze hun eigen zaken kunnen regelen. Niet alle jongeren zijn daartoe in staat. Sommige jongeren tussen de 16 en 27 jaar hebben moeite om op eigen kracht volwassen te worden. Het gaat bijvoorbeeld om jongeren zonder goed netwerk, jongeren met psychische problemen en jongeren met een (licht) verstandelijke beperking. Goede begeleiding kan voorkomen dat deze jongeren later veelvuldig gebruik maken van voorzieningen en/of in de criminaliteit belanden. De verschillende wettelijke contextlagen (kwalificatieplicht Leerplichtwet, Participatiewet, Wmo, Zvw, etc.) maken het voor de jongere niet eenvoudiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de jeugdhulp geldt dat deze altijd eindigt bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd (hierop worden in de MvT een aantal uitzonderingen 61Zie H12 van deze beleidsregels. genoemd). Dit is in zekere zin nogal abrupt. Er moet in aanloop naar de afsluiting van het jeugdhulptraject en het bereiken van de 18-jarige leeftijd daarom goed gekeken worden naar de veerkracht van een jeugdige. Veerkracht kan worden gedefinieerd als de kwaliteit die sommige jongeren in staat stelt om verwezenlijking te vinden in hun leven, ondanks hun achtergronden, de problemen of tegenslagen die ze hebben ervaren of de druk die ze kunnen ervaren. 62Mike Stein, Young people leaving care: supporting pathways to adulthood (Londen: Jessica Kingsley Publishers, 2012), 165.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan nodig zijn om de ondersteuning voor minder zelfredzame jongeren in zeker opzicht door te laten lopen, zodat ze zelfstandig worden. Het is daarom belangrijk dat betrokken professionals rondom een situatie een perspectiefplan opstellen voor iedere jeugdige die op zijn of haar 17e jeugdhulp ontvangt, vóórdat hij of zij 18 jaar wordt. Wanneer er sprake is van een maatregel kan een zogenoemde afschaaltafel 63Zie H2.15.2 van deze beleidsregels. worden georganiseerd. In dat laatste geval moet ermee rekening worden gehouden dat we eigenlijk niet van de jeugdige kunnen verwachten dat ze vóór hun achttiende al uit verblijf gaan, dat ze een stem zouden moeten hebben in het besluitvormingsproces rondom de afschaling en beëindiging van het jeugdhulptraject, en dat ze goed moeten worden toegerust om een zelfstandig bestaan te leiden. 64Stein, Young people leaving care: supporting pathways to adulthood, 42. Het is vooral van belang dat de ondersteuning vanuit één regisseur wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het perspectiefplan wordt gelet op het hierboven genoemde in ieder geval aandacht besteed aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Fysieke zelfredzaamheid Valt het binnen de mogelijkheden van de jeugdige om een startkwalificatie (Leerplichtwet) te halen, of zo nee, is er zicht op (arbeidsmatige) dagbesteding?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er zicht op huisvesting?</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er zicht op het verwerven van inkomen Is het nodig om de financiële huishouding te (tijdelijk) borgen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Emotionele-sociale zelfredzaamheid Valt het binnen de mogelijkheden van de jeugdige om (zakelijke) relaties en (sociale) contacten aan te gaan en te behouden?</p>\n<p class=\"lf-p\">Coördinatie van ondersteuning Hoe is de stem van de jeugdige (16+) gehoord en betrokken in het besluitvormingsproces rondom de afschaling en beëindiging van het jeugdhulptraject?</p>\n<p class=\"lf-p\">Welke afspraken zijn vastgelegd over eventueel (dat wil zeggen: indien noodzakelijk) te hervatten bemoeienis door de jeugdhulpverlener, op welke wijze dan ook, wanneer er hiaten ontstaan in de (al dan niet gedeeltelijke) fysieke en emotionele zelfredzaamheid van de jongere, tot het moment dat deze jongere 27 jaar is?</p>\n<p class=\"lf-p\">Concreet komt het erop neer dat de begeleiding, al dan niet bij behandeling vanuit de jeugdhulp, die de jeugdige (16+) ter voorbereiding op einde jeugdhulp (dan wel ondersteuning vanuit andere contextlagen) ontvangt, altijd eveneens gericht is op: praktische vaardigheden, waaronder budgetteren, winkelen, koken en schoonmaken; vaardigheden op het gebied van zelfzorg, waaronder persoonlijke hygiëne, voeding en gezondheid, seksuele gezondheid, drugs en alcoholadvies; emotioneel en interpersoonlijke vaardigheden, waaronder persoonlijk welzijn, en onderhandelingsvaardigheden, zoals het beheren van relaties en ontmoetingen met (andere) ondersteuningsprofessionals, verhuurders en werkgevers. 65Stein, Young people leaving care: supporting pathways to adulthood, 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Afbakening Onderwijs 11.1.1Passend onderwijs Kinderen met leer- en/of gedragsproblemen kunnen extra zorg op school nodig hebben. Scholen zijn ervoor verantwoordelijk dat leerlingen een zo passend mogelijke onderwijsplek krijgen. Ook als die leerlingen extra ondersteuning nodig hebben, dan wordt dat passend onderwijs genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenwerkingsverbanden in het primair, het voortgezet onderwijs en speciaal (voortgezet) onderwijs zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van passend onderwijs. De verantwoordelijkheid voor passend onderwijs is vastgelegd in de verschillende onderwijswetten, waaronder de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.2Zorgplicht scholen Scholen voor primair en voortgezet onderwijs hebben een zorgplicht. Dit betekent dat de school verplicht is om kinderen die extra ondersteuning nodig hebben een zo goed mogelijke plek (passend) in het onderwijs aan te bieden. Om de zorgplicht waar te kunnen maken werken scholen en schoolbesturen samen in regionale samenwerkingsverbanden. Voor primair onderwijs is dit het ‘PO-22-02’: Borger-Odoorn en Emmen, voor het voortgezet onderwijs het ‘VO-22-02’: Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen en Vlagtwedde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het principe is dat binnen het samenwerkingsverband betere samenwerking tussen scholen mogelijk is: zo kunnen scholen zich specialiseren en onderlinge afspraken maken welke school een kind het beste onderwijs kan geven (waaronder speciaal onderwijs). Daardoor ontstaat een samenhangend geheel van voorzieningen voor extra ondersteuning op de scholen binnen het samenwerkingsverband. Niet elke school hoeft zorgleerlingen op te vangen. Maar binnen het samenwerkingsverband moet er wel een passende plek te vinden zijn op een andere school.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorgplicht is niet van toepassing op leerlingen die alleen een taalachterstand hebben en extra ondersteuning nodig hebben om die achterstand in te lopen. Voor de bestrijding van achterstanden zijn middelen beschikbaar bij de scholen en bij de gemeenten, bijvoorbeeld vroeg- en voorschoolse educatie (VVE, vanuit onderwijsachterstandenbeleid). Als een leerling niet in staat kan worden geacht het onderwijs te volgen van de school waarvoor de leerling zich wil aanmelden, geldt de zorgplicht niet. De zorgplicht geldt eveneens niet bij aanmelding bij een instelling voor speciaal (voortgezet) onderwijs van cluster 1 of 2 (zie artikel 2, lid 4, Wet op de expertisecentra). Deze instellingen maken geen deel uit van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een leerling echter achterblijft en niet presteert zoals deze redelijkerwijs zou (moeten) kunnen, dan zal de onderwijsinstelling dit tijdig moeten onderkennen en in het kader van hetgeen in redelijkheid van haar mag worden verwacht, passende en concrete maatregelen moeten voorstellen en/of nemen, toegespitst op de specifieke situatie van de individuele leerling. Bij twijfel of de zorg geleverd moet worden door het (passend) onderwijs en/of de jeugdwet is een OPP (ondersteuningsperspectiefplan) een minimale onderlegger, die meegegeven kan worden aan ouders. Op deze manier kan er vanuit school ook actief contact gezocht worden met de (mogelijke) verwijzer om het overleg vanuit beide kanten (school – verwijzer | verwijzer – school) te stimuleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.3Mogelijkheden school Welke extra ondersteuning de school inzet, hangt af van de problemen van de leerling en de mogelijkheden die de school heeft. De mogelijkheden voor extra ondersteuning kunnen per school verschillen. In het schoolondersteuningsprofiel legt de school vast welke voorzieningen er op de school zijn voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Dit profiel wordt in de schoolgids geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.4Passende onderwijsplek Als een school een leerling geen passend onderwijs kan geven zoekt de school binnen het samenwerkingsverband naar een andere passende onderwijsplek. Het samenwerkingsverband beslist tevens welke leerling wordt toegelaten tot het speciaal basisonderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.5Ondersteuningsplan Elk samenwerkingsverband moeten eens in de 4 jaar een ondersteuningsplan vaststellen over de ondersteuning die de scholen bieden. Over dit ondersteuningsplan voert het samenwerkingsverband een op overeenstemming gericht overleg (OOGO) met de gemeente(n).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.6Speciaal onderwijs In principe zijn alle scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband. Ook onderwijsinstellingen voor speciaal onderwijs. Voor bepaalde onderwijsinstellingen is een uitzondering gemaakt. Instellingen voor speciaal (voortgezet) onderwijs behorend tot cluster 1 of 2 maken geen deel uit van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Voor hen geldt de zorgplicht niet. Overigens is speciaal onderwijs, dat onder de Wet op de expertisecentra valt, iets anders dan een school voor speciaal onderwijs, die onder de Wet op het primair onderwijs valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.7Verantwoordelijkheden ouders, passendonderwijs, en wet Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kind(eren), hieronder valt ook het kind stimuleren, ondersteunen en volgen in het onderwijs. Ook het geven of aanbieden van huiswerkondersteuning (particulier initiatief) is onderdeel van de verantwoordelijkheid van ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Passend onderwijs is voorliggend op de wet. Waar nodig kan uit de wet aanvullende hulp geboden worden. Dit is echter alleen van toepassing als het gaat om doelen gericht op gedrag, ontwikkeling en opvoeding. De school moet dan aantonen middels een ontwikkelingsperspectiefplan welke zorg/ondersteuning zij zelf al geboden hebben en wat er dan aanvullend nog nodig is. Binnen de scholen, zowel primair als voortgezet, zijn er mogelijkheden om bij behoefte aan integrale ondersteuning een beroep te doen op de voorliggende voorzieningen (bijvoorbeeld schoolmaatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg).</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanvulling op wat er nog nodig is, kan eventueel vanuit de wet (of vanuit andere wetgeving). Hierbij moet er zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van de lokale zorgstructuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wet is niet precies vastgelegd welke hulp onder ‘jeugdhulp’ valt. In universeel opzicht moet de hulp het doel hebben dat de jeugdige in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, rekening houdend met het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. In zekere zin is niet de aandoening en/of stoornis maatgevend voor de toekenning een jeugdhulpvoorziening, maar de belemmering en/of beperking die de jeugdige ondervindt als gevolg van de aandoening en/of stoornis.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2.Huiswerkbegeleiding en/of school gerelateerde ondersteuning Huiswerkbegeleiding en begeleiding bij leerproblemen of het leren plannen, vallen niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente (ook niet als er geen huiswerkinstituut beschikbaar is, of tijden van een huiswerkinstituut niet aansluiten op de lestijden), maar onder de verantwoordelijkheid van ouders en school. De kosten van huiswerkbegeleiding komen voor rekening van ouders zelf. Op grond van jurisprudentie 66De Rechtspraak. “ECLI:NL:RBALK:2011:BR7112,” 8 september 2011. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBALK:2011:BR7112. vallen de volgende activiteiten wat dat betreft niet onder de uitvoering van de jeugdhulp: het helpen van de jeugdige met het plannen van zijn huiswerk; het structureren van het huiswerk van de jeugdige; het bijhouden van een agenda van de jeugdige; het aanbieden van leertechnieken aan de jeugdige; de jeugdige geconcentreerd en gericht te laten bezig zijn met zijn of haar huiswerk; het bekijken van de door de jeugdige behaalde cijfers; het onderhouden van contact met de ambulant begeleider en de mentor van de school van de jeugdige om de voortgang te bespreken; het geven van bijles.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kind dat vanwege een aandoening, een stoornis en beperkingen, gedrag heeft dat het leren bemoeilijkt, is voor de daarbij behorende begeleiding aangewezen op het onderwijs, en een concentratieprobleem of wegloopgedrag kan niet leiden tot een indicatie voor de functie Begeleiding individueel – dat wil zeggen: hulp-op-maat volgens de module Meedoen en zelfredzaamheid – tijdens het onderwijs. 67De Rechtspraak. “ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1448.” 19 februari 2013. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1448.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er naast de gebruikelijke huiswerkbegeleiding (waaronder dus ook leren plannen valt), nog aanvullende begeleiding/persoonlijke verzorging nodig is in verband met de beperking van de jeugdige en die nodig is voor een betere zelfredzaamheid en participatie, kan er daarnaast begeleiding van de wet worden ingezet. De grens tussen wat onder begeleiding valt die de school/het passend onderwijs moet bieden en wat onder begeleiding valt die onder de Jeugdwet valt, is niet altijd scherp te trekken. Dat vraagt ook om een goede afstemming tussen de gemeente (dat wil zeggen: De Toegang, de regiegroep of de RIAA-tafel), het samenwerkingsverband en de school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de begeleiding door de school of de gemeente geboden moet worden, zal afhangen van de individuele situatie van de jeugdige. De invulling van de begeleiding onder schooltijd is onderdeel van het overleg tussen gemeenten en samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Het is mogelijk dat zowel school als gemeente deels verantwoordelijk zijn. De individuele situatie komt altijd aan bod tijdens de RIAA-tafel 68Zie H2.15.3 van deze beleidsregels. – in zo’n geval is het van belang dat de school en de gemeente overleggen over afstemming van de door hen geboden begeleiding. Om te bepalen welke ondersteuning onderwijs en/of jeugdhulp is zijn de doelen van deze ondersteuning leidend. Zijn de doelen gericht op onderwijs of op opvoeden en opgroeien (welke ook buiten de schoolsituatie van toepassing zijn)? Wanneer het beide is dan is zowel school als gemeente verantwoordelijk om integrale ondersteuning te organiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.Dyslexie Dyslexiezorg (diagnostiek en behandeling) is (in Drenthe) beschikbaar voor kinderen tot en met 13 jaar. Dyslexiezorg wordt uitgevoerd conform het geldende protocol “Dyslexie Diagnostiek &amp; Behandeling versie 2.0” uit 2013. Een jeugdige (tot en met 13 jaar) komt in aanmerking wanneer er sprake is van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED).</p>\n<p class=\"lf-p\">Diagnosestelling en behandeling van dyscalculie komen niet voor vergoeding in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.Kader verlengde jeugdhulp Jeugdhulp eindigt altijd bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Hierop worden in de MvT uitzonderingen genoemd: 69Rijksoverheid. “Memorie van toelichting bij de Jeugdwet:” 18–19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulp kan doorlopen tot maximaal het 23ste levensjaar, voor zover deze hulp niet onder een ander wettelijk kader valt en mits voldaan wordt aan de voorwaarden (wettelijk valt de wijze waarop de continuïteit van hulp wordt gewaarborgd, in het bijzonder ten aanzien van de persoon die door het bereiken van een bepaalde leeftijd geen jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet meer kan ontvangen, onder de Wmo 2015, artikel 2.1.2.4.e). Onderzocht moet worden of de zorg juridisch door andere wetgeving is geborgd (bij de zorgverzekeringswet gelden bijvoorbeeld de polisvoorwaarden van de jongere in kwestie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gesloten jeugdzorg is de doorloop op basis van jurisprudentie beperkt tot hooguit zes maanden na het 18e jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor jeugdreclassering en jeugdhulp die voortvloeien uit een strafrechtelijke beslissing geldt geen leeftijdsgrens. De grens van 18 jaar geldt niet als de jeugdhulp wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing. In dat geval kan de hulp doorlopen maximaal totdat de jeugdige 23 jaar is. Dat geldt voor alle vormen van jeugdhulp (zie artikel 1.1 Jeugdwet, evenals artikel 1.2 lid 3 in samenhang met artikel 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). Voor deze hulp geldt dat het moment waarop de hulp start en eindigt voortvloeit uit het Wetboek van Strafrecht (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 122). Het moet dan gaan om de jeugdige die 18 jaar oud is en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht. De definitie van een strafrechtelijke beslissing in de Jeugdwet is: ‘een beslissing van de officier van justitie of de strafrechter met toepassing van titel VIII A van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht of een beslissing als bedoeld in artikel 493 van het Wetboek van Strafvordering’ (Jeugdwet, art. 1.1). Dit zijn een vonnis, strafbeschikking of de voorwaarden die gelden in het verband van de schorsing van de voorlopige hechtenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van belang dat een goede overdracht plaatsvindt zodra een jongere na zijn 18e levensjaar in een ander wettelijk kader terecht komt, met name voor de continuïteit van zorg en daarmee voor het welzijn van de jeugdige. Gemeenten hebben hier een belangrijke rol te vervullen. Het streven dient te zijn om de ondersteuning, hulp of zorg – indien gewenst – bij dezelfde aanbieder te verlenen, zodat de jongere hier niets van hoeft te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.1Verlengde pleegzorg Het Rijk (VWS), de VNG en Jeugdzorg Nederland hebben middels een bestuurlijke afspraak afgesproken dat pleegzorg vanaf 1 juli 2018 standaard tot 21 jaar wordt ingezet. Er is afgestapt van het ‘nee tenzij systeem’, waarbij moet worden aangetoond dat pleegzorg vanaf het 18e jaar noodzakelijk is, en overgestapt op een ‘ja tenzij systeem’. Een pleegzorgrelatie kan alleen eindigen voor het 21e jaar wanneer pleegkinderen dit zelf willen. 70NJi en Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen. “Pleegzorg na 18 jaar.” 2018. Geraadpleegd 19 november 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Publicatie-NJi/Pleegzorg-na-18-jaar.pdf Of tenzij de rechter anders heeft beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE 1.Richtlijnen gebruikelijke hulp Algemeen kader gebruikelijke hulp Voor zover het gebruikelijk is dat ouders aan hun kinderen bepaalde hulp bieden, is de jeugdige ook niet aangewezen op hulp-op-maat op basis van de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderzoek door het De Toegang naar de aanspraak op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet richt zich allereerst op het bepalen van de stoornissen en beperkingen die voortkomen uit een aandoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens wordt beoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Welk deel van de benodigde hulp voortkomt uit de aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige;</p>\n<p class=\"lf-p\">Welk deel van deze hulp onder de gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdige valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is sprake van boven gebruikelijke hulp, als de voor de jeugdige noodzakelijke hulp in chronische situaties uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft, voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen. Van een chronische situatie is sprake wanneer er geen uitzicht is op een herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige binnen een periode van drie maanden. Voor situaties korter dan drie maanden geldt dat alle hulp door de ouder aan de jeugdige gebruikelijke hulp is. Welke hulp binnen welke leeftijdscategorie aangemerkt moet worden als gebruikelijke hulp is nader uitgewerkt in § 1.1 van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts voor het deel van de benodigde hulp dat voortkomt uit de aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige, kan, indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan, een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In § 1.2 van deze bijlage zijn enkele voorbeelden opgenomen van wat in bijzondere situaties moet worden aangemerkt als gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene uitzonderingen gebruikelijke hulp Voor zover een ouder geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp ten behoeve van jeugdige uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt van hem of haar met inachtneming van deze omstandigheden geen of een verminderde bijdrage verwacht. Deze uitzondering geldt alleen voor zover het handelingen betreft die bij een jeugdige zonder beperkingen niet voorkomen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het geven van sondevoeding of medicijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover een ouder overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen bijdrage verwacht, totdat deze (dreigende) overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er voor de ouder eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen hiertoe te worden aangewend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover gebruikelijke hulp bij jeugdigen van niet uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van de jeugdige, kan hiervoor een individuele voorziening worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indiceren gebruikelijke hulp bij (dreigende) overbelasting Wanneer door de gemeente reeds hulp-op-maat in het kader van de Jeugdwet is verstrekt, kan de zorg voor een zieke jeugdige niettemin zo zwaar worden dat van (dreigende) overbelasting sprake is. De beoordeling of sprake is van (dreigende overbelasting) is nader uitgewerkt in § 1.3 van deze bijlage.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de meeste gevallen zal de individuele voorziening die is toegekend op zich voldoende zijn om deze overbelasting te voorkomen, maar soms blijkt deze toch niet voldoende. In zulke gevallen kan de situatie opnieuw beoordeeld worden en zo nodig leiden tot een gewijzigd toekenningsbesluit, waarbij toekenning/uitbreiding van een individuele voorziening mogelijk is voor hulp die gewoonlijk als gebruikelijke hulp dient te worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bieden van een beschermende woonomgeving blijven ouders, ook bij overbelasting, zelf verantwoordelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Richtlijnen gebruikelijke hulp</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene richtlijnen per leeftijdscategorie Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van de jeugdige in relatie tot hulp-op-maat op grond van de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdigen van 0 tot 3 jaar hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig; zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdigen van 3 tot 5 jaar kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer); hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang; hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen; hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdigen van 5 tot 12 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week; kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. jeugdige kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is); hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen; hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie; zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers; hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan; hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdigen van 12 tot 18 jaar hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden; kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen; hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding; hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen); hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan jeugdigen is tot een leeftijd van 18 jaar gebruikelijke hulp, zowel in kortdurende als langdurige situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor jongvolwassenen geldt dat alle hulp die door de ouders geboden wordt aangemerkt dient te worden als boven gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullingen Gebruikelijke hulp omvat eveneens:</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen, maar die een gebruikelijke hulphandeling vervangen. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke hulphandelingen vervangen kunnen zijn: het geven van sondevoeding in plaats van eten; het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen; bij een jeugdige met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen. Ook zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp aan een jeugdige, kunnen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Bijvoorbeeld het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij jeugdigen met een lichamelijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen die een jeugdige zelf kan uitvoeren dan wel kan aanleren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de jeugdige;</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen Bij de individuele beoordeling wordt vanzelfsprekend rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Veel jeugdigen van 4 jaar zijn bijvoorbeeld overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een jeugdige van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare hulp en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van de jeugdige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp sprake is. Voorbeeld: alle jeugdigen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling in samenhang Het uitgangspunt van de richtlijn is de hulp die ouders volgens heersende maatschappelijke opvattingen moeten bieden aan jeugdigen zonder beperkingen, rekening houdend met verschillen die bij jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. De hierboven genoemde richtlijnen en aanvullingen/uitzonderingen daarop moeten daarom telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van de jeugdige worden beoordeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kan een zorghandeling die naar zijn aard en omvang voor een jeugdige van een bepaalde leeftijdsgroep gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie) waardoor deze hulp niet geheel als gebruikelijk kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kan bij een jeugdige van een bepaalde leeftijd dat is aangewezen op handelingen die niet bij alle gezonde jeugdigen voorkomen en die kunnen meelopen in het gebruikelijke patroon van dagelijkse verzorging, niet langer sprake zijn van gebruikelijke hulp vanwege de (extra) tijd die met deze zorghandelingen gemoeid gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een concrete uitwerking: het geven van medicatie (aard) bij een jeugdige van 9 jaar (leeftijd) is gebruikelijke hulp. Als de medicatie elke nacht (meerdere malen) moet worden toegediend, loopt dit niet mee in het dagelijkse patroon en moet beoordeeld worden of ouders hierdoor zodanig belast worden dat het niet meer redelijk is dit als gebruikelijke hulp te beschouwen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Voorbeelden gebruikelijke hulp voor specifieke zorgfuncties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke verzorging tijdens kinderopvang De opvang/zorg die instanties voor kinderopvang plegen te bieden is gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen voor de hulp die aanvullend nodig is aan de opvang/zorg zoals instanties voor kinderopvang die plegen te bieden, is er aanspraak op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. De niet-uitstelbare persoonlijke verzorging en verpleging kan tijdens kinderopvang geïndiceerd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Persoonlijke verzorging tijdens onderwijs De school biedt gangbare en normale dagelijkse hulp, zoals het strikken van veters, het aantrekken van een jas en hulp bij toiletgang bij kleuters. Voor deze gangbare en normale dagelijkse hulp kan geen hulp-op-maat worden ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende de tijd dat een jeugdige de school bezoekt, is er voor de niet-uitstelbare hulp geen verplichting voor de ouders om deze gebruikelijke hulp op school te leveren. Deze hulp kan dus worden toegekend. De Begeleiding naar het ziekenhuis Als een jeugdige vanwege bijvoorbeeld nierdialyse meerdere keren per week naar het ziekenhuis moet, is het gebruikelijk dat een ouder meegaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding naar zwemles Het is gebruikelijk dat ouders meegaan naar zwemles.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begeleiding tijdens kinderopvang Wanneer ouders werken, zijn/blijven zij verantwoordelijk voor de opvang/verzorging van de jeugdige. De Begeleiding die buiten dit werk/onderwijs om als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken/onderwijs volgen niet worden toegekend. Wanneer sprake is van boven gebruikelijke Begeleiding, wordt de omvang van de boven gebruikelijke Begeleiding vastgesteld over het hele etmaal/zeven dagen per week. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken/onderwijs volgen. Ouders kunnen de keuze maken wanneer zij de uren die voor bekostiging op grond van de Jeugdwet in aanmerking komen inzetten, thuis of tijdens de kinderopvang.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">§ 1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordelingskader (dreigende) overbelasting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Tekort schieten van het ‘coping mechanisme’ kan er de oorzaak van zijn; emotionele labiliteit en slapeloosheid het gevolg. Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de ouder zelf aan de hand is (draagkracht vermindering) en/of dat deze gevolg is van de ernst van de problematiek van de jeugdige (draaglast verhoging).</p>\n<p class=\"lf-p\">Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare zorgtaken, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te leveren is van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke hulpverlener. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van de gebruikelijke hulpverlener noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten en symptomen die bij een aanpassingsstoornis optreden, kunnen op overbelasting wijzen zonder dat van een stoornis in psychiatrische zin sprake hoeft te zijn. Het gaat om klachten en symptomen zoals: angst of gespannenheid: nervositeit, onrust, rusteloosheid, slecht slapen; depressie: hopeloosheid, huilbuien, somberheid; gedragsproblemen: negeren van normen en regels, onaangepast gedrag; gecombineerd emotioneel en gedragsgestoord: depressie en/of angst gecombineerd met een gedragsstoornis of onaangepast gedrag; lichamelijke klachten, verminderde prestaties of concentratieproblemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand aan de jeugdige biedt. Bij overbelasting door een dienstverband van te veel uren of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steeds zal daarom in het besluit worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting bijvoorbeeld door het herinrichten van het huiselijk leven en/of werk kan worden teruggedrongen, dit dan ook van een ouder, partner of huisgenoot wordt verwacht. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit verlopen is en een nieuwe aanvraag wordt gedaan, zal worden gekeken of en welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE 2.Stroomschema zorg op school Wie er onderwijsondersteuning of zorg moet bieden tijdens onderwijstijd, hangt af van de ondersteunings- en/of zorgbehoefte van de leerling. Met de invoering van passend onderwijs hebben scholen zorgplicht. Dat betekent dat de school waar ouders hun zoon of dochter schriftelijk hebben aangemeld verplicht is om een passende plek te bieden als het kind extra onderwijsondersteuning nodig heef. Soms is er naast onderwijsondersteuning ook extra zorg op school nodig. In onderstaand schema 73Rijksoverheid. “Stroomschema zorg op school,” geraadpleegd 7 november 2019via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2018/07/26/passend-onderwijs-en-zorg-stroomschema-zorg-op-school. zijn de verschillende vormen beschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg tijdens onderwijsuren, zoals begeleiding, persoonlijke verzorging en/of verpleging, wordt vergoed op basis van de Jeugdwet, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). De mogelijkheid bestaat dat meerdere zorgweten van toepassing zijn. Zo kan een leerling begeleiding en persoonlijke verzorging vanuit de Jeugdwet ontvangen en verpleging vanuit de Zvw. In dat geval kan er sprake zijn van twee verschillende PGB’s. Binnen een zorgwet is verder zowel zorg in natura, een PGB als een combinatie van beide mogelijk. In onderstaand schema is per zorgwet aangegeven welke mogelijkheden er zijn en hoe de inzet van zorg in onderwijs wordt geregeld en verantwoord. Hoewel de zorg en ondersteuning van een leerling soms vanuit verschillende systemen worden geleverd, komen deze samen in de gezamenlijke aanpak van zorg- en onderwijspartners.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij bekijken samen met ouders en leerling wat er nodig is en wie welke ondersteuning of zorg kan bieden. Ouders kunnen voor informatie en advies ook altijd een beroep doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning. Elke gemeente biedt deze cliëntondersteuning aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting op het stroomschema zorg op school Wet langdurige zorg Doelgroep en zorgbehoefte: kinderen die vanwege zorg in verband met een meervoudige verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke beperking blijvend (voor de rest van hun leven) behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid (anders dan gebruikelijke zorg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbod: Wlz-zorg kan zowel thuis geleverd worden, door één of meer professionele zorgaanbieders, als in een instelling of op school. Het Centrum Indicatiestelling Zorg indiceert. Het zorgkantoor heef voor cliënten met een Wlz-indicatie in zijn regio vervolgens zorgplicht. Het zorgkantoor is verantwoordelijk voor inkoop van Wlz-zorg van voldoende kwaliteit en is ook verantwoordelijk voor de ondersteuning van cliënten met een Wlz-indicatie als het gaat om hun toeleiding naar Wlz-zorg. Voor het kind wordt een zorgplan opgesteld. Een zorgplanbespreking tussen zorgaanbieder en ouders is daarbij verplicht. Indien een kind ook zorg op school nodig heef, wordt ook het onderwijs betrokken. Het zorgplan is de uitkomst van dat wat door partijen besproken is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgvorm: Wlz-zorg kent verschillende leveringsvormen: zorg in natura met verblijf in een instelling (ZIN), zorg in natura thuis (VPT: volledig pak ket thuis), persoonsgebonden budget (PGB) of een combinatie van PGB en zorg in natura (modulair pakket thuis: MPT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet op school: als een kind voorheen nog geen onderwijs volgde en nu wel naar school gaat, kan de zorgbehoefte veranderen. Bijvoorbeeld omdat er eerst sprake was van zorg door ouders/mantelzorgers en de zorg op school door een externe wordt geboden, of omdat een school voor speciaal onderwijs zelf een verpleegkundige in dienst heef. Een Wlz-indicatie is weliswaar voor onbepaalde tijd, maar hoef daarmee niet ook constant te zijn. Het verdient aanbeveling om bij het opstellen van het zorgplan en/of de evaluatiemomenten al rekening te houden met het (gaan) volgen van onderwijs en de eventuele consequenties die dit kan hebben voor de zorgvraag en –inzet. Als een deel van het trekkingsrecht PGB wordt ingezet voor Wlz-zorg op school betekent dit dat de budgethouder of diens vertegenwoordiger (een ouder) een contract heef met een Wlz-zorgaanbieder die op school Wlz-zorg levert. Er kan ook gebruik worden gemaakt van een zorgaanbieder waar de school zelf al afspraken mee heef.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoording: het deel van het trekkingsrecht PGB vanuit de Wlz dat wordt ingezet op school loopt mee in de wijze van verantwoording die geldt binnen de Wlz voor het gehele PGB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie: www.ciz.nl Intensieve Kind Zorg (Zorgverzekeringswet)74Bedoeld wordt: Kinderen met een intensieve zorgvraag; zie ook H6.1 van deze beleidsregels. Deze zorg werd tot 2018 geduid met de term ‘intensieve kindzorg’ (IKZ). Het criterium voor IKZ is per 1 januari 2018 afgeschaft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelgroep en zorgbehoefte:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen met zwaar complexe somatische problematiek met een behoef aan permanent toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen met lichtere complexe problematiek, waarbij 24-uur zorg per dag in de nabijheid nodig is, in combinatie met specifieke verpleegkundige handelingen zoals intraveneuze medicatietoediening. Zorg aan minderjarigen met ernstige medische problematiek die onder de verantwoordelijkheid staan van een medisch specialist of kinderarts.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijkste onderscheid tussen Wlz en IKZ is dat kinderen in de Wlz naast de behoefte aan intensieve medische zorg, levenslang en levensbreed op zorg aangewezen zijn vanwege hun ernstige verstandelijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbod: voor intensieve kindzorg geldt dat naast verpleging en daarmee samenhangende verzorging ook begeleiding thuis, verblijf in een kinderhospice, kortdurend verblijf en opvang in een verpleegkundig kinderdagverblijf inclusief het vervoer van en naar dit dagverblijf onder de Zvw-aanspraak vallen. Door de Nederlandse Zorgautoriteit zijn alleen de prestaties verpleging en verzorging beschreven. Voor de intensieve kindzorg is specifiek geregeld dat naast de verpleging ook de persoonlijke verzorging en de begeleiding in de thuissituatie vanuit de Zvw kan worden geleverd. Ook kortdurend verblijf valt voor deze kinderen onder de Zvw omdat het toezicht dat deze kinderen nodig hebben op het niveau van een verpleegkundige moet worden geboden. Vanaf 2016 valt het vervoer van en naar een verpleegkundig kinderdagverblijf onder de aanspraak op zittend ziekenvervoer in de Zvw. Gemeenten zijn dus te allen tijde verantwoordelijk voor het leerlingenvervoer van en naar school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgvorm: Zorg in Natura of PGB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet op school: in het kader van intensieve kindzorg worden verpleging, daarmee samenhangende verzorging en begeleiding ook geleverd op school. Vaak wordt deze zorg geleverd door een kinderverpleegkundige. Afspraken over de inzet van zorg in onderwijstijd worden vastgelegd in het zorgplan IKZ. Net als in de Wlz, verdient het aanbeveling o m bij het opstellen van het zorgplan en/of de evaluatiemomenten al rekening te houden met het (gaan) volgen van onderwijs en de eventuele consequenties die dit kan hebben voor de zorgvraag en –inzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoording: de zorgverzekeraar bepaalt op welke wijze verantwoording van het PGB plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie:www.regelhulp.nl en www.hoeverandertmijnzorg.nl Overige zorg uit de Zorgverzekeringswet Indien er geen sprake is van IKZ, maar wel van verpleging valt ook dit onder de Zvw. Als verpleging en daarmee samenhangende persoonlijke verzorging samen worden aangeboden, vallen beiden onder de Zvw. Als verpleging wordt aangeboden met begeleiding komt de zorg uit twee weten: verpleging valt onder de Zvw en de begeleiding valt onder de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdwet Doelgroep en zorgbehoefte: kinderen van 0 tot 18 jaar die hulp nodig hebben bij opvoed- en/of opgroeiproblemen en die begeleiding en/of persoonlijke verzorging op school nodig hebben. Bij persoonlijke verzorging kan worden gedacht aan hulp bij het opstaan, wassen, aankleden en toiletbezoek. Begeleiding is hulp in het dagelijks leven om zo zelfstandig mogelijk te kunnen leven. Daarbij valt te denken aan hulp bij praktische zaken, bij communicatie en dagopvang. Onder de Jeugdwet vallen ook de behandeling van psychische problemen en ernstige enkelvoudige dyslexie. Toegang tot de voorzieningen vanuit de Jeugdwet verloopt via een sociaal wijkteam of een jeugdteam. De huisarts, jeugdarts en medisch specialist kunnen ook verwijzen naar jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbod: ondersteuning van en hulp en zorg bij opvoed- en opgroeiproblemen, psychische hulp of behandeling, begeleiding of persoonlijke verzorging i.v.m. een somatische aandoening, een verstandelijke, lichamelijke, of zintuiglijke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgvorm: zorg in natura of een PGB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet op school: de gemeente is vanuit de Jeugdwet verantwoordelijk voor de bekostiging van begeleiding en persoonlijke verzorging op school. De gemeente maakt over de invulling van begeleiding en persoonlijke verzorging afspraken met het betrokken samenwerkingsverband. Ouders, school en gemeente maken afspraken over individuele voorzieningen voor een kind op school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoording: de gemeente bepaalt hoe er over de inzet van middelen verantwoording wordt afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie:www.regelhulp.nl en www.hoeverandertmijnzorg.nl Passend onderwijs Doelgroep en zorgbehoefte: Alle leerlingen die extra onderwijsondersteuning nodig hebben, zowel als er sprake is van een lichte als van een zware ondersteuningsbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteunings- en zorgaanbod: Scholen bieden extra onderwijsondersteuning. Het gaat dan om didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om de onderwijsdoelen te bereiken. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan ondersteuning van de leraar of een (tijdelijke) plaats voor de leerling in een bovenschoolse voorziening, het speciaal basisonderwijs of het (voortgezet) speciaal onderwijs . In het (voortgezet) speciaal onderwijs is expertise beschikbaar voor de specifieke doelgroep van de school. Dit betekent dat een school voor langdurig zieke leerlingen vaak ook enkele zorgvoorzieningen beschikbaar heef. Een school voor kinderen met gedragsproblematiek zal in veel mindere mate zorg op school aanbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgvorm: binnen passend onderwijs is er geen sprake van een persoonsgebonden budget voor ouders. Scholen maken binnen het samenwerkingsverband passend onderwijs afspraken over de inzet van de middelen voor extra ondersteuning. Deze wordt altijd in natura geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inzet op school: Voor leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, stelt de school een ontwikkelingsperspectief op. Hierin staan de onderwijsdoelen en -ondersteuning beschreven. De school voert hierover overleg met de ouders en waar mogelijk de leerling zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoording: Het samenwerkingsverband legt verantwoording over de besteding van middelen voor extra ondersteuning af in het jaarverslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer informatie:www.passendonderwijs.nl en https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs (link naar gesprekshandleiding) Tips https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs www.raadpleeg.org over aanpak pleegkinderen/hechtingsproblematiek ook in de klas. https://www.informatielangdurigezorg.nl/jeugd/school &gt; ook informatie over kinderen zonder Wlz-indicatie www.duo.nl/zakelijk/instellingsinformatie &gt;voor beschikbare middelen per schoolbestuur/samenwerkingsverband Screen hoogbegaafden! Zij lopen op VO vaak vast rondom dyslexie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vroegsignalering bij groep 1, 2 – observeren in de klas, niet direct diagnose, voor passende handvatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">IB’ers (individueel begeleiders) ondersteunen door consulenten jeugdhulp o.i.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op school zorg anders organiseren zodat er minder hulpverleners rondlopen. Bijvoorbeeld jeugdhulpverlener op school tijdens pauzemomenten als vraagbaak voor leraren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor organisatie zorg advies teams voorbeelden in den lande bekijken, bijvoorbeeld werkwijze oost-Achterhoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verpleegkundige GGD rol bij ziekmeldingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maak als gemeente afspraken maken met je contractpartners over de informatievoorziening richting ouders over huiswerkbegeleiding en de (on)mogelijkheden van vergoeding hiervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ga in gesprek met scholen over problemen van jeugdigen bij het structureren en plannen van huiswerk (wat bij veel pubers speelt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bekijk de sites van de samenwerkingsverbanden, zowel van het voortgezet als primair onderwijs. Bijvoorbeeld: http://vo2203.nl/website/home of http://www.po2203.nl/website/home Investeer in inzet POH jeugd 75Bedoeld wordt de HAO’er, zie H2.1.1.1 van deze beleidsregels. bij de huisartsen. Veel verwijzingen verlopen via de huisartsen en zij hebben onvoldoende kennis over welke ondersteuning onder (passend) onderwijs valt en welke onder de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE 3.COA-Gezinslocatie Emmen Samenvatting Emmen heeft een gezinslocatie. Op een gezinslocatie zijn gezinnen gehuisvest die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. (In een azc daarentegen verblijven zowel verblijfsgerechtigden die in afwachting zijn van een woning als asielzoekers die in de verlengde procedure zitten.) Asielprocedure algemeen Asielzoekers hebben bij aankomst in Nederland recht op opvang vanaf het moment dat ze asiel aanvragen totdat ze een verblijfsvergunning hebben of Nederland moeten verlaten. Het COA vangt hen op in opvangcentra, biedt basisvoorzieningen en begeleidt hen naar hun toekomst in Nederland of daarbuiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitstroom naar een gemeente Asielzoekers met de vluchtelingenstatus krijgen een verblijfsvergunning voor 5 jaar. Zij zijn dan ‘vergunninghouder’ of ‘statushouder’. Het COA koppelt hen aan een gemeente in de buurt van het azc. Die gemeente zorgt voor woonruimte. Tot die tijd hebben vergunninghouders recht op opvang door het COA en kunnen ze in het azc verblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vertrek uit Nederland Vreemdelingen die na het doorlopen van de procedure niet in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus hebben nog maximaal 28 dagen recht op opvang in een azc. In deze weken kunnen ze hun vertrek uit Nederland voorbereiden. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&amp;V) en het COA ondersteunen hen hierbij. Lees meer over de rol van het COA bij terugkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het nodig is, kunnen vreemdelingen na de vertrektermijn nog maximaal 12 weken naar een vrijheid beperkende locatie. Op die locatie is de begeleiding van de bewoners gericht op terugkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de vertrektermijn worden de verstrekkingen stopgezet en de opvang beëindigd. Als vreemdelingen weigeren de opvang te verlaten, kan het COA de Vreemdelingenpolitie (AVIM) vragen tot ontruiming over te gaan. Het is mogelijk dat een vreemdeling in bewaring wordt gesteld. Dit gebeurt als de vreemdeling niet wil meewerken aan zijn vertrek uit Nederland, terwijl de DT&amp;V de vreemdeling wel op korte termijn kan en mag uitzetten. Het komt ook voor dat een vreemdeling die niet wil meewerken aan zijn vertrek zich onttrekt aan het toezicht. Hij vertrekt dan ‘met onbekende bestemming’ (MOB) uit de opvang en zijn verblijfplaats is onbekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezinnen met minderjarige kinderen Gezinnen met minderjarige kinderen mogen in principe niet dakloos worden. Als zij geen recht meer hebben op opvang, worden ze vanuit het azc overgeplaatst naar een gezinslocatie. Op een gezinslocatie geldt een sober voorzieningenniveau. De begeleiding is volledig gericht op terugkeer. Gezinnen worden (wel) dakloos als ze het aangeboden onderdak in een gezinslocatie weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderen onder de 18 jaar behouden ook na afwijzing van de asielaanvraag recht op onderdak. Uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen worden daarom na de wettelijke vertrektermijn overgeplaatst naar een gezinslocatie. Deze locaties hebben een sober voorzieningenniveau, waarbij volwassenen uitsluitend eetgeld krijgen. Voor volwassenen gelden bovendien vrijheid beperkende maatregelen. Zo zijn zij verplicht binnen de gemeentegrens te blijven en hebben zij 5 keer per week meldplicht. Voor de kinderen zijn er dezelfde voorzieningen als op andere opvanglocaties. Zij gaan dus ook gewoon naar school. De begeleiding op deze locaties is gericht op vertrek uit Nederland. Vanaf het moment dat het kind meerderjarig is, is er geen recht meer op onderdak. Het vertrek van het gezin uit Nederland zal in de regel plaatsvinden vóór het kind meerderjarig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Minderjarige vreemdelingen algemeen Kinderen onder de 18 jaar behouden ook na afwijzing van de asielaanvraag recht op onderdak. Uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen worden daarom na de wettelijke vertrektermijn overgeplaatst naar een gezinslocatie. Deze locaties hebben een sober voorzieningenniveau, waarbij volwassenen uitsluitend eetgeld krijgen. Voor volwassenen gelden bovendien vrijheid beperkende maatregelen. Zo zijn zij verplicht binnen de gemeentegrens te blijven en hebben zij 5 keer per week meldplicht. Voor de kinderen zijn er dezelfde voorzieningen als op andere opvanglocaties. Zij gaan dus ook gewoon naar school. De begeleiding op deze locaties is gericht op vertrek uit Nederland. Vanaf het moment dat het kind meerderjarig is, is er geen recht meer op onderdak. Het vertrek van het gezin uit Nederland zal in de regel plaatsvinden vóór het kind meerderjarig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulp aan vreemdelingen Alle kinderen in Nederland hebben recht op bescherming, hulp, begeleiding en zorg. Dat vloeit voort uit het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Ook 'illegale' kinderen hebben dus recht op jeugdhulp. In Nederland geldt sinds 1998 het zogenoemde koppelingsbeginsel, waarin het recht op sociale voorzieningen wordt gekoppeld aan het hebben van een verblijfsstatus. Vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel hebben op grond van dit beginsel slechts beperkte toegang tot sociale voorzieningen. Zij hebben alleen recht op onderwijs, rechtsbijstand en noodzakelijke medische zorg. Rekening houdend met dit koppelingsbeginsel is in de jeugdwetgeving bepaald dat de voorzieningen van de Jeugdwet beschikbaar zijn voor alle in Nederland verblijvende minderjarigen, ongeacht hun verblijfstatus.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE 4.Stappenplan woonplaatsbeginsel (VNG, 2016) 76VNG. “Stappenplan verantwoordelijke gemeente.” Geraadpleegd 7 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/201707_mindmap_stappenplan_bepaling_gemeente_woonplaatsbeginsel.pdf BIJLAGE 5.Richtlijn netwerkpleegzorg gemeente – pleegzorgaanbieders, § 2 De richtlijn in stappen77NB. De termijnen worden vermeld in kalenderdagen.78VNG. “Richtlijn netwerkpleegzorg gemeente – pleegzorgaanbieders,” april 2016: 5–9. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/20160425_richtlijn_netwerkpleegzorg.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De richtlijn in stappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheidstoets binnen 7 dagen na melding bij de gemeente van een voldongen feit netwerkplaatsing c.q. na realisatie van de door de gemeente voorbereide plaatsing met een acuut karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 7 dagen na melding bij de gemeente van netwerkopvang c.q. na realisatie van de door de gemeente voorbereide plaatsing met een acuut karakter, vindt een door de gemeente uitgevoerde veiligheidstoets plaats op grond van een risicotaxatie van en huisbezoek aan het netwerkgezin. Bij twijfel, bijvoorbeeld over de veiligheid, kan de jeugdige niet in het netwerkgezin blijven en moet een alternatief worden gezocht, afhankelijk van de problematiek en de situatie. Hierover wordt door de gemeente mededeling gedaan aan het netwerkgezin en de ouders, zijn de vervolgstappen van deze richtlijn niet meer van toepassing en zal geen recht op pleegvergoeding ontstaan. Wanneer de gemeente met behulp van de tot haar beschikking staande middelen c.q. instrumenten het verblijf per definitie als onvoldoende veilig of ongeschikt beoordeelt, bekijkt de gemeente of en zo ja welke stappen er verder noodzakelijkzijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Uitgangspunt in deze richtlijn is dat er altijd een veiligheidstoets plaatsvindt, ongeacht of de gemeente met de netwerkplaatsing voor een voldongen feit wordt gesteld (niet betrokken was bij de plaatsing) of dat het gaat om acute realisatie van een plaatsing die vanuit de gemeente reeds in voorbereiding was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen sprake is van een crisissituatie of een reeds gerealiseerde plaatsing in een nog niet gescreend netwerkgezin, dan worden zoveel als mogelijk de normale wettelijke termijnen voor beoordeling van de wenselijkheid van de uithuisplaatsing en screening van de veiligheid in het netwerkgezin in acht genomen, voordat tot plaatsing en betaling kan worden overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijke beoordeling aanspraak op jeugdhulp verblijf bij een pleegouder binnen 7 tot 14 dagen na melding bij de gemeente van de gerealiseerde netwerkopvang c.q. na realisatie van de door de gemeente voorbereide plaatsing met een acuut karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als na een inhoudelijke beoordeling blijkt dat er geen sprake is van opgroei- en opvoedingsproblematiek die uithuisplaatsing noodzakelijk maakt en de jeugdige terug naar huis zou kunnen of op een andere wijze binnen het netwerk geholpen kan worden, dan wordt geen beschikking jeugdhulp afgegeven en daarmee is formalisering en financiering van de netwerkplaatsing niet aan de orde. Kiezen de ouders ervoor om het verblijf van de jeugdige in het netwerk voort te zetten, dan zijn zij daarvoor ook financieel verantwoordelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kan, in samenspraak met het gezin, zo nodig alternatieven onderzoeken. De gemeente deelt het besluit om wel of geen verleningsbeschikking jeugdhulp af te geven uiterlijk binnen 14 dagen na de melding mee aan het netwerkgezin en aan de ouders. Afgifte van een beschikking jeugdhulp en financiering van de plaatsing is dus geen automatisme. Deze richtlijn en de genoemde termijnen zijn dan verder niet van toepassing op de situatie, ook als de situatie bij de netwerkouders in principe in de vorige fase als veilig is beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente het netwerkgezin na de inhoudelijke beoordeling als voldoende veilig heeft beoordeeld en als er volgens de gemeente sprake is van zodanige problematiek dat een (tijdelijke) uithuisplaatsing noodzakelijk is, zal de gemeente indien mogelijk binnen 7 maar uiterlijk binnen 14 dagen na de melding van de gerealiseerde netwerkopvang een verleningsbeschikking voor pleegzorg afgeven. Deze beschikking wordt, vergezeld van het dossier, waarin onder andere de uitkomsten van de veiligheidstoets zijn opgenomen, binnen deze 14 dagen doorgestuurd naar de pleegzorgaanbieder voor het opstellen van een pleegcontract. Gelijktijdig wordt door de gemeente bij de pleegzorgaanbieder een verzoek gedaan voor het opnemen van de begeleiding van het netwerkgezin en het starten van het netwerkonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Naast de bij stap 1 beschreven toets op veiligheid, moet de gemeente beoordelen of de inzet van jeugdhulp echt noodzakelijk is. Jeugdhulp is ondersteuning of hulp bij (dreigende) opgroei- en opvoedingsproblemen. Om een hulpvraag te kunnen vertalen naar een besluit tot afgifte van een verleningsbeschikking moet dus sprake zijn van (dreiging van) opgroei- en opvoedingsproblemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat een jeugdige, een netwerkgezin of ouders zich melden bij de gemeente met de mededeling dat de jeugdige in het gezin van een bekende wordt opgevangen, kan sprake zijn van een urgente situatie die een spoedige beslissing vraagt. Ook voor zo’n spoedige beslissing is de gemeente gehouden om die zorgvuldig te nemen. In overleg met de ouders volgt de gemeente volgens deze richtlijn netwerkpleegzorg een versnelde procedure om binnen 14 dagen te bepalen of de problemen van dien aard zijn, dat een uithuisplaatsing aangewezen is omdat er geen alternatieven zijn. Vervolgens moet bepaald worden of die uithuisplaatsing het beste in het aangemelde netwerkgezin kan gebeuren. Als het onderzoek uitwijst dat de vraag alleen (tijdelijke) huisvesting/opvang van het kind betreft en de gemeente komt tot de conclusie dat een formele uithuisplaatsing niet nodig is, dan geeft zij geen verleningsbeschikking jeugdhulp voorpleegzorg af. Dit betekent dat de jeugdige dan ofwel naar huis terug kan of met instemming en onder (ook financiële) verantwoordelijkheid van ouders in het netwerkgezin blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de gemeente op basis van onderzoek concludeert dat uithuisplaatsing noodzakelijk is, geeft zij daartoe een verleningsbeschikking af. De gemeente stuurt vervolgens de volledig ingevulde verleningsbeschikking naar de pleegzorgaanbieder, vergezeld van het dossier van de jeugdige. Hierin zijn in ieder geval de uitkomsten van de veiligheidstoets opgenomen, zowel de weging als de conclusies. Daarnaast bevat het dossier alle voor de pleegzorgaanbieder noodzakelijke informatie zoals aanleiding en motivatie voor besluitvorming, informatie over eventuele voorafgaande hulpverlening en praktische informatie zoals (adres)gegevens van ouders en netwerkgezin en de BRP-gegevens van de jeugdige. Zonder deze informatie - verleningsbeschikking en dossier – kan de overdracht naar de pleegzorgaanbieder niet plaatsvinden en kan niet worden overgegaan tot stap 3 van dit protocol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overdracht van begeleiding netwerkgezin en verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de jeugdige van de gemeente aan de pleegzorgaanbieder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Opstellen en ondertekenen pleegcontract door de pleegzorgaanbieder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Start netwerkonderzoek door de pleegzorgaanbieder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Start begeleiding en betaling door de pleegzorgaanbieder aan netwerkgezin. 79Vanaf het moment dat de pleegzorgaanbieder een pleegcontract sluit met het netwerkgezin en het netwerkonderzoek start, wordthet netwerkgezin in de praktijk aangeduid als aspirant netwerkpleegouders. Omwille van de leesbaarheid wordt in dit protocol ookin die fase gebruik gemaakt van de term netwerkgezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen 7 dagen na stap 2 (is binnen 3 weken na start bij de gemeente) vindt een warme overdracht plaats op basis van tenminste telefonisch contact. Het dossier is dan reeds overgedragen. Vanaf dat moment is de Pleegzorgaanbieder verantwoordelijk voor de veiligheid van de jeugdige in het netwerkgezin. Zij stelt zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen 7 dagen na stap 2, een pleegcontract op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra het pleegcontract door het netwerkgezin is ondertekend, start het netwerkonderzoek en de begeleiding van het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder. Vanaf de datum van ondertekening van het pleegcontract start ook het recht op de financiering (de pleegvergoeding). Dit recht werkt terug tot de datum verleningsbeschikking van de gemeente en geldt voor de duur die aangegeven wordt in de verleningsbeschikking. De Jeugdwet, voor wat betreft het pleegcontract en informatieverplichtingen, en de Regeling Jeugdwet 2015 zijn hierbij van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Zodra de gemeente tot een positieve beslissing is gekomen ten aanzien van zowel de veiligheid in het netwerkgezin als ten aanzien van de noodzaak om in het gedwongen kader tot een pleegzorgplaatsing over te gaan, wordt de plaatsing vervolgens geformaliseerd. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid in het netwerkgezin wordt door de gemeente overgedragen aan de pleegzorgaanbieder. De overdracht wordt “warm” gedaan. Dat wil zeggen dat er tenminste telefonisch contact is tussen de pleegzorgaanbieder en de medewerker van de gemeente waarin deze overgang van verantwoordelijkheid expliciet benoemd wordt en nog gelegenheid is om bijzonderheden te bespreken. Deze stap staat los van de taak van de gemeente om ervoor te zorgen dat de pleegzorgaanbieder over alle relevante informatie beschikt, zoals de verleningsbeschikking, de weging en conclusies van de veiligheidstoets en de overwegingen van de gemeente die tot de verleningsbeschikking hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldigheid van de verleningsbeschikking vangt aan op de dag van (vaststelling van) de beschikking, mits de plaatsing een aanvang heeft genomen. Recht op de pleegvergoeding ontstaat op de datum van ondertekening van het pleegcontract, maar werkt in het kader van deze richtlijn terug tot de datum verleningsbeschikking. Dit is een uitzondering ten opzichte van hetgeen is bepaald in artikel 5.3 van de Regeling Jeugdwet. Deze uitzondering is in de richtlijn opgenomen in verband met eerder genoemd onderzoek van de Nationale ombudsman, waarin hij concludeerde dat in situaties als waarvoor het protocol is opgesteld een versnelde procedure moet worden gevolgd waardoor sneller hulp en financiering kan worden geboden. Omdat het hier, als het gaat om de betaling, een uitzondering op de Regeling Jeugdwet betreft, moeten de gemeente en de pleegzorgaanbieder hierover nadrukkelijk afspraken maken met elkaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform de termijnafspraken die de gemeente en de pleegzorgaanbieder in het kader van dit protocol maken, houdt de terugwerkende krachtbepaling in de praktijk in dat de pleegzorgaanbieder tot maximaal 1 dag vóór datum ontvangst verleningsbeschikking een pleegvergoeding verstrekt. Het is daarom van belang dat de gemeente de bepaling tijdig naar de pleegzorgaanbieder stuurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het enkele feit dat de gemeente een verleningsbeschikking voor pleegzorg afgeeft wil nog niet zeggen dat het netwerkgezin definitief het netwerkpleeggezin op grond van de Jeugdwet wordt. De pleegzorgaanbieder heeft de wettelijke taak te beoordelen of de verzorging en opvoeding van de jeugdige door het netwerkgezin voldoende biedt voor de ontwikkeling van de jeugdige. Onderdeel van de screening is het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in verband met afgifte van de zogenaamde verklaring van geen bezwaar. Indien een dergelijke verklaring door de Raad voor de Kinderbescherming niet wordt afgegeven, komt de pleegzorgaanbieder in ieder geval tot het oordeel dat het netwerkgezin niet geschikt is. Het pleegcontract zal op grond daarvan worden beëindigd. In overleg met de gemeente moet een oplossing worden gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming heeft de pleegzorgaanbieder zelf ook de wettelijke taak onderzoek te doen naar de geschiktheid van het netwerkgezin. Zij heeft hiervoor op grond van artikel 5.1 lid 3 van de Jeugdwet maximaal 13 weken de tijd, gerekend vanaf het moment van ondertekening van het pleegcontract. In het kader van dit protocol wordt gerekend vanaf de dag na de datum van (vaststelling van de) bepaling jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van dit onderzoek door de pleegzorgaanbieder gelden verschillende eisen, die deels verankerd zijn in de Jeugdwet en deels in het “Kwaliteitskader Voorbereiding en screening aspirant pleegouders”. Dit kwaliteitskader is een kader dat door alle pleegzorgaanbieders wordt gehanteerd, voor zowel de voorbereiding en screening van bestandspleegouders als netwerkpleegouders. Met dit kader wordt transparantie en eenduidigheid geboden in het traject van voorbereiding en screening, ter bevordering van de veiligheid van het kind. De pleegzorgaanbieder voert haar onderzoekstaak zorgvuldig en op basis van wetgeving en landelijk beleid uit. Op basis van dit onderzoek kan zij tot de conclusie komen dat het netwerkgezin niet geschikt is. Dit onderzoek wordt ook ingesteld indien het een inmiddels door de gemeente geformaliseerde en reeds gerealiseerde plaatsing betreft in het netwerkgezin (met een verleningsbeschikking), waarvoor al op grond van een pleegcontract betaling op gang was gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij negatieve uitkomst van het onderzoek zal het pleegcontract alsnog op een nader te bepalen tijdstip worden beëindigd, inclusief de begeleiding en betaling door de pleegzorgaanbieder. Uiteraard zal de pleegzorgaanbieder hierover in overleg treden met de gemeente. De pleegzorgaanbieder heeft, zoals eerder gesteld, de wettelijke taak onderzoek te doen naar de geschiktheid van het netwerkgezin. Zij heeft hiervoor maximaal 13 weken de tijd, in deze veldnorm gerekend vanaf de dag na de datum van (vaststelling van de) bepaling jeugdhulp. De pleegzorgaanbieder houdt in het dossier het verloop van de termijn en daarbinnen voorkomende relevante ontwikkelingen bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 4: Einde voortzetting plaatsing in netwerkgezin Er zijn drie situaties te onderscheiden waarbij na de verleningsbeschikking en ondertekening van het pleegcontract voortzetting van de plaatsing onder verantwoordelijkheid van de gemeente en de pleegzorgaanbieder geen verdere doorgang meer kan vinden: de grond waarop de verleningsbeschikking is genomen is komen te vervallen; hiermee valt de beschikking; de pleegzorgaanbieder komt tot de conclusie dat het netwerkgezin niet het juiste gezin is voor deze jeugdige. Dit kan zijn omdat de Raad voor de Kinderbescherming geen verklaring van geen bezwaar afgeeft, dan wel dat het netwerkonderzoek door de pleegzorgaanbieder dit inzicht oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het netwerkgezin trekt zich terug en opvang moet worden beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In al deze gevallen zal de formele plaatsing onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeente en de pleegzorgaanbieder beëindigd moeten worden. Als jeugdhulp in de vorm van pleegzorg in situatie b en c nog wel noodzakelijk is (situatie a is niet van toepassing), dan zal de gemeente samen met de pleegzorgaanbieder zo snel mogelijk een alternatief moeten zoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang dit alternatief niet voorhanden is en terugkeer naar huis niet mogelijk is, zal de begeleiding vanuit pleegzorg (en de betaling) aan het netwerkgezin met verantwoordelijkheid van de pleegzorgaanbieder voor de veiligheid van de jeugdige in dat gezin nog doorgaan, indien dit redelijkerwijs mogelijk is. De gemeente zorgt dan voor de begeleiding van het gezinssysteem van de jeugdige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Besluit beëindigen bepaling jeugdhulp Als de noodzaak van de plaatsing in het kader van te verlenen jeugdhulp volgens de wet bij het netwerkgezin niet (meer) aanwezig is, vervalt hiermee ook de formele status van de plaatsing. De gemeente trekt de verleningsbeschikking in dat geval in. Begeleiding van, betaling aan en screening door de pleegzorgaanbieder met betrekking tot het netwerkgezin worden vanaf de datum van het besluit tot intrekken van de beschikking van de gemeente gestopt. De ouders zijn vanaf diezelfde datum verantwoordelijk voor het verblijf van het kind in het netwerkgezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit ongeschiktheid netwerkgezin Als de pleegzorgaanbieder na netwerkonderzoek tot de conclusie komt dat het netwerkgezin geschikt is als pleeggezin, dan worden het pleegcontract, de begeleiding en financiering voortgezet. Als het netwerkgezin op grond van de screening door de pleegzorgaanbieder echter niet geschikt blijkt en uithuisplaatsing wel noodzakelijk is, zal in overleg met alle betrokkenen een oplossing voor de jeugdige gezocht worden. Totdat deze oplossing gerealiseerd is, zullen de begeleiding en betaling aan het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder worden gecontinueerd, indien redelijkerwijs mogelijk en voor zover dit in het kader van veiligheid van de jeugdige verantwoord is. De gemeente en de pleegzorgaanbieder maken voor deze tijdelijke situatie afspraken over de veiligheid en eventuele in te zetten jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugtrekken netwerkgezin In de praktijk kan het voorkomen dat een netwerkgezin zich gedurende het onderzoek zelf terugtrekt en de plaatsing beëindigd moet worden. Indien uithuisplaatsing nog wel noodzakelijk wordt geacht, gaan de gemeente en de pleegzorgaanbieder in overleg met de ouders en het netwerkgezin op zoek naar een oplossing voor de korte termijn. Een oplossing kan zijn dat het netwerkgezin tijdelijk toch voor opvang zorgt totdat een structureel alternatief gezocht is. Totdat deze oplossing gerealiseerd is, zullen de begeleiding en betaling aan het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder worden gecontinueerd, indien redelijkerwijs mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het netwerkgezin geen tijdelijke opvang kan bieden, kan de jeugdige – bijvoorbeeld met extra begeleiding en/of jeugdhulp – tijdelijk terugkeren naar de ouders, in afwachting van een oplossing. De gemeente en de pleegzorgaanbieder maken voor deze tussenoplossing afspraken over de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en eventuele in te zetten jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE 6.Veldnorm Netwerkpleegzorg Jeugdbescherming – Pleegzorgaanbieders,§ 2 De veldnorm in stappen 80NB. De termijnen worden vermeld in kalenderdagen.81Jeugdzorg Nederland. “Veldnorm Netwerkpleegzorg Jeugdbescherming – Pleegzorgaanbieders:” 3–8, 1 januari 2016. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/2016_veldnorm_netwerkpleegzorg_jeugdbescherming_-_pleegzorgaanbieder_versie_1_januari_2016.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De veldnorm in stappen Stap 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Veiligheidstoets binnen 7 dagen na melding bij de GI van een voldongen feit netwerkplaatsing c.q. na realisatie van de door de GI voorbereide plaatsing met een acuut karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 7 dagen na melding bij de GI van netwerkopvang c.q. na realisatie van de door de GI voorbereide plaatsing met een acuut karakter, vindt een door de GI uitgevoerde veiligheidstoets plaats op grond van een risicotaxatie van en huisbezoek aan het netwerkgezin. Bij twijfel, bijvoorbeeld over de veiligheid, kan de jeugdige niet in het netwerkgezin blijven en moet een alternatief worden gezocht, afhankelijk van de problematiek en de situatie. Hierover wordt door de GI mededeling gedaan aan het netwerkgezin en de ouders, zijn de vervolgstappen van de veldnorm netwerkpleegzorg niet meer van toepassing en zal geen recht op pleegvergoeding ontstaan. Wanneer de GI met behulp van de tot haar beschikking staande middelen c.q. instrumenten het verblijf per definitie als onvoldoende veilig of ongeschikt beoordeelt, moet de GI de plaatsing onmiddellijk beëindigen of hiertoe de (juridische) mogelijkheden onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Uitgangspunt in deze veldnorm is dat er altijd een veiligheidstoets plaatsvindt, ongeacht of de GI met de netwerkplaatsing voor een voldongen feit wordt gesteld (niet betrokken was bij de plaatsing) of dat het gaat om acute realisatie van een plaatsing die vanuit de GI reeds in voorbereiding was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen sprake is van een acute situatie of een reeds gerealiseerde plaatsing in een nog niet gescreend netwerkgezin, dan worden zoveel als mogelijk de normale wettelijke termijnen voor beoordeling van de wenselijkheid van de uithuisplaatsing en screening van de veiligheid in het netwerkgezin in acht genomen, voordat tot plaatsing en betaling van een pleegvergoeding kan worden overgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Inhoudelijke beoordeling aanspraak op jeugdhulp verblijf bij een pleegouder binnen 7 tot 14 dagen na melding bij de GI van de gerealiseerde netwerkopvang c.q. na realisatie van de door de GI voorbereide plaatsing met een acuut karakter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als na een inhoudelijke beoordeling blijkt dat er geen sprake is van opgroei- en opvoedingsproblematiek die uithuisplaatsing noodzakelijk maakt en de jeugdige terug naar huis zou kunnen of op een andere wijze binnen het netwerk geholpen kan worden, dan wordt geen bepaling jeugdhulp op grond van artikel 3.5 Jeugdwet vastgesteld en daarmee is formalisering en financiering van de netwerkplaatsing niet aan de orde. Kiezen de ouders ervoor om het verblijf van de jeugdige in het netwerk voort te zetten, dan zijn zij daarvoor ook financieel verantwoordelijk. De GI kan, in samenspraak met het gezin, zo nodig alternatieven onderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GI deelt het besluit om wel of geen bepaling jeugdhulp vast te stellen uiterlijk binnen 14 dagen na de melding mee aan het netwerkgezin en aan de ouders. Afgifte van een bepaling jeugdhulp en financiering van de plaatsing is dus geen automatisme. De veldnorm netwerkpleegzorg en de termijnen zijn dan verder niet van toepassing op de situatie, ook als de situatie bij de netwerkouders in principe in de vorige fase als veilig is beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de GI het netwerkgezin na de inhoudelijke beoordeling als voldoende veilig heeft beoordeeld en als er volgens de GI sprake is van zodanige problematiek dat een (tijdelijke) uithuisplaatsing noodzakelijk is, zal de GI indien mogelijk binnen 7 maar uiterlijk binnen 14 dagen na de melding van de gerealiseerde netwerkopvang een bepaling jeugdhulp op grond van artikel 3.5 Jeugdwet vaststellen. Deze bepaling wordt, vergezeld van het dossier, waarin onder andere de uitkomsten van de veiligheidstoets zijn opgenomen, binnen deze 14 dagen doorgestuurd naar de pleegzorgaanbieder voor het opstellen van een pleegcontract. Gelijktijdig wordt door de GI bij de pleegzorgaanbieder een verzoek gedaan voor het opnemen van de begeleiding van het netwerkgezin en het starten van het netwerkonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Normaal gesproken heeft de GI voor een inhoudelijke beoordeling van de situatie en de vraag of jeugdhulp aangewezen is, meerdere weken nodig. Naast de bij stap 1 beschreven toets op veiligheid, moet de GI beoordelen of de inzet van jeugdhulp echt noodzakelijk is. Jeugdhulp is ondersteuning of hulp bij (dreigende) opgroei- en opvoedingsproblemen. Om een hulpvraag te kunnen vertalen naar een vaststelling tot bepaling jeugdhulp moet dus sprake zijn van (dreiging van) opgroei- en opvoedingsproblemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat een jeugdige, een netwerkgezin of ouders zich melden bij de GI met de mededeling dat de jeugdige in het gezin van een bekende wordt opgevangen, is sprake van een urgente situatie die een spoedige beslissing vraagt. Ook voor zo’n spoedige beslissing is de GI gehouden om die zorgvuldig te nemen. In overleg met de ouders volgt de GI volgens deze veldnorm netwerkpleegzorg een versnelde procedure om binnen 14 dagen te bepalen of de problemen van dien aard zijn, dat een uithuisplaatsing aangewezen is omdat er geen andere alternatieven zijn. Vervolgens moet bepaald worden of die uithuisplaatsing het beste in het aangemelde netwerkgezin kan gebeuren. Als het onderzoek uitwijst dat de vraag alleen (tijdelijke) huisvesting/opvang van het kind betreft en de GI komt tot de conclusie dat een uithuisplaatsing binnen het kader van de Jeugdwet niet nodig is, dan geeft zij geen bepaling jeugdhulp op grond van artikel 3.5 Jeugdwet af voor pleegzorg. Dit betekent dat de jeugdige dan ofwel naar huis terug kan of met instemming en onder (ook financiële) verantwoordelijkheid van ouders in het netwerkgezin blijft. Dit laatste mits de GI het verblijf conform intern beleid heeft goedgekeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de GI op basis van onderzoek concludeert dat uithuisplaatsing noodzakelijk is, stelt zij een bepaling jeugdhulp vast. De uithuisplaatsing in het gedwongen kader moet zo spoedig mogelijk ter bekrachtiging aan de kinderrechter worden voorgelegd. Immers, voor een dergelijke uithuisplaatsing is een machtiging van de kinderrechter vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De GI stuurt de volledig ingevulde bepaling jeugdhulp naar de pleegzorgaanbieder, vergezeld van het dossier van de jeugdige. Hierin zijn in ieder geval de uitkomsten van de veiligheidstoets opgenomen, zowel de weging als de conclusies. Daarnaast bevat het dossier alle voor de pleegzorgaanbieder noodzakelijke informatie zoals aanleiding en motivatie voor besluitvorming, informatie over eventuele voorafgaande hulpverlening en praktische informatie zoals (adres)gegevens van ouders en netwerkgezin en de BRP-gegevens van de jeugdige. Zonder deze informatie - bepaling jeugdhulp en dossier – kan de overdracht naar de pleegzorgaanbieder niet plaatsvinden en kan niet worden overgegaan tot stap 3 van deze veldnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 3:</p>\n<p class=\"lf-p\">Overdracht van begeleiding netwerkgezin en verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de jeugdige van de GI aan de pleegzorgaanbieder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Opstellen en ondertekenen pleegcontract door de pleegzorgaanbieder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Start netwerkonderzoek door de pleegzorgaanbieder;</p>\n<p class=\"lf-p\">Start begeleiding en betaling door de pleegzorgaanbieder aan netwerkgezin. 82Vanaf het moment dat de pleegzorgaanbieder een pleegcontract sluit met het netwerkgezin en het netwerkonderzoek start, wordt het netwerkgezin in de praktijk aangeduid als aspirant netwerkpleegouders. Omwille van de leesbaarheid wordt in deze veldnorm ook in die fase gebruik gemaakt van de term netwerkgezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen 7 dagen na stap 2 (is binnen 3 weken na start bij de GI) vindt een warme overdracht plaats op basis van tenminste telefonisch contact. Het dossier is dan reeds overgedragen. Vanaf dat moment is de pleegzorgaanbieder verantwoordelijk voor de veiligheid van de jeugdige in het netwerkgezin. Zij stelt zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen 7 dagen na stap 2, een pleegcontract op. Zodra het pleegcontract door het netwerkgezin is ondertekend, start het netwerkonderzoek en de begeleiding van het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder. Vanaf de datum van ondertekening van het pleegcontract start ook het recht op de financiering (de pleegvergoeding). Dit recht werkt terug tot de datum bepaling jeugdhulp van de GI en geldt voor ten hoogste de duur die aangegeven wordt in de bepaling. De Jeugdwet, voor wat betreft het pleegcontract en informatieverplichtingen, en de Regeling Jeugdwet 2015 zijn hierbij van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Zodra de GI tot een positieve beslissing is gekomen ten aanzien van zowel de veiligheid in het netwerkgezin als ten aanzien van de noodzaak om in het gedwongen kader tot een pleegzorgplaatsing over te gaan, wordt de plaatsing vervolgens geformaliseerd. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid in het netwerkgezin wordt door de GI overgedragen aan de pleegzorgaanbieder. De overdracht wordt ‘warm’ gedaan. Dat wil zeggen dat er tenminste telefonisch contact is tussen de pleegzorgaanbieder en de medewerker van de GI waarin deze overgang van verantwoordelijkheid expliciet benoemd wordt en nog gelegenheid is om bijzonderheden te bespreken. Deze stap staat los van de taak van de GI om ervoor te zorgen dat de pleegzorgaanbieder over alle relevante informatie beschikt, zoals de bepaling jeugdhulp, de weging en conclusies van de veiligheidstoets en de overwegingen van de GI die tot de bepaling jeugdhulp hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geldigheid van de bepaling jeugdhulp vangt aan op de dag van (vaststelling van) de bepaling, mits de plaatsing een aanvang heeft genomen. Recht op de pleegvergoeding ontstaat op de datum van ondertekening van het pleegcontract, maar werkt in het kader van deze veldnorm terug tot de datum bepaling jeugdhulp. Dit is een uitzondering ten opzichte van hetgeen is bepaald in artikel 5.3 van de Regeling Jeugdwet. Deze uitzondering is in de veldnorm opgenomen in verband met eerder genoemd onderzoek van de Nationale ombudsman, waarin hij concludeerde dat in situaties als waarvoor de veldnorm is opgesteld een versnelde procedure moet worden gevolgd waardoor sneller hulp en financiering kan worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het hier om een uitzondering op de Regeling Jeugdwet betreft, moeten de GI en de pleegzorgaanbieder hierover in overleg treden met de betreffende gemeente, gelet op diens rol en verantwoordelijkheden in het huidige stelsel. 83Voor de goede orde: het gaat hier om overleg over de toepassing van de afspraken uit de veldnorm en de uitzondering op de Regeling Jeugdwet in zijn algemeenheid en niet om overleg per casus.84Opgemerkt moet worden dat het kan zijn dat een pleegzorgaanbieder in voorkomende situaties – in verband met het woonplaatsbeginsel - afspraken moet maken met andere gemeenten dan de gemeente(n) waarmee al een inkooprelatie bestaat en waarmee afspraken op basis van deze veldnorm zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan het proces vertragen en daarmee inhouden dat de pleegzorgaanbieder een bepaald financieel risico neemt zolang er nog geen overeenstemming is met de betreffende gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conform de termijnafspraken die de GI en de pleegzorgaanbieder in het kader van dit deze veldnorm maken, zal de terugwerkende krachtbepaling in het kader van de betaling van de betaling van de pleegvergoeding in de praktijk inhouden dat de pleegzorgaanbieder tot maximaal 1 dag vóór datum ontvangst bepaling jeugdhulp een pleegvergoeding verstrekt. Het is daarom van belang dat de GI de bepaling tijdig naar de pleegzorgaanbieder stuurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het enkele feit dat de GI een bepaling jeugdhulp pleegzorg afgeeft wil nog niet zeggen dat het netwerkgezin definitief het netwerkpleeggezin op grond van de Jeugdwet wordt. De pleegzorgaanbieder heeft de wettelijke taak te beoordelen of de verzorging en opvoeding van de jeugdige door het netwerkgezin voldoende biedt voor de ontwikkeling van de jeugdige. Onderdeel van de screening is het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in verband met afgifte van de zogenaamde verklaring van geen bezwaar. Indien deze verklaring door de Raad voor de Kinderbescherming niet wordt afgegeven, komt de pleegzorgaanbieder in ieder geval tot het oordeel dat het netwerkgezin niet geschikt is. Het pleegcontract zal op grond daarvan worden beëindigd. In overleg met de GI moet een oplossing worden gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming heeft de pleegzorgaanbieder zelf ook de wettelijke taak onderzoek te doen naar de geschiktheid van het netwerkgezin. Zij heeft hiervoor op grond van artikel 5.1 lid 3 van de Jeugdwet maximaal 13 weken de tijd, gerekend vanaf het moment van ondertekening van het pleegcontract. In het kader van deze veldnorm wordt gerekend vanaf de dag na de datum van (vaststelling van de) bepaling jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van het onderzoek door de pleegzorgaanbieder gelden verschillende eisen, die deels verankerd zijn in de Jeugdwet en deels in het ‘Kwaliteitskader Voorbereiding en screening aspirant pleegouders’. Dit kwaliteitskader is een kader dat door alle pleegzorgaanbieders wordt gehanteerd, voor zowel de voorbereiding en screening van bestandspleegouders als netwerkpleegouders. Met dit kader wordt transparantie en eenduidigheid geboden in het traject van voorbereiding en screening, ter bevordering van de veiligheid van het kind. De pleegzorgaanbieder voert haar onderzoekstaak zorgvuldig en op basis van wetgeving en landelijk beleid uit. Op basis van dit onderzoek kan zij tot de conclusie komen dat het netwerkgezin niet geschikt is. Dit onderzoek wordt ook ingesteld indien het een inmiddels door de GI geformaliseerde en reeds gerealiseerde plaatsing betreft in het netwerkgezin (met een bepaling jeugdhulp), waarvoor al op grond van een pleegcontract betaling op gang was gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij negatieve uitkomst van het onderzoek zal het pleegcontract alsnog op een nader te bepalen tijdstip worden beëindigd, inclusief de begeleiding en betaling door de pleegzorgaanbieder. Uiteraard zal de pleegzorgaanbieder hierover in overleg treden met de GI.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pleegzorgaanbieder heeft, zoals eerder gesteld, de wettelijke taak onderzoek te doen naar de geschiktheid van het netwerkgezin. Zij heeft hiervoor maximaal 13 weken de tijd, in deze veldnorm gerekend vanaf de dag na de datum van (vaststelling van de) bepaling jeugdhulp. De pleegzorgaanbieder houdt in het dossier het verloop van de termijn en daarbinnen voorkomende relevante ontwikkelingen bij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 4:</p>\n<p class=\"lf-p\">Einde voortzetting plaatsing in netwerkgezin Er zijn drie situaties te onderscheiden waarbij na de bepaling jeugdhulp en ondertekening van het pleegcontract voortzetting van de plaatsing onder verantwoordelijkheid van de GI en de pleegzorgaanbieder geen verdere doorgang meer kan vinden: de GI komt in de loop van het hulpverleningsproces, na (verder) onderzoek en beoordeling van de problemen, alsnog tot de conclusie dat er geen hulpvraag of begeleidingsvraag (meer) is waarop pleegzorg het antwoord is. Hiermee vervalt de grond voor de bepaling jeugdhulp; de pleegzorgaanbieder komt tot de conclusie dat het netwerkgezin niet het juiste gezin is voor deze jeugdige. Dit kan zijn omdat de Raad voor de Kinderbescherming geen verklaring van geen bezwaar afgeeft, dan wel dat het netwerkonderzoek door de pleegzorgaanbieder dit inzicht oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het netwerkgezin trekt zich terug en opvang moet worden beëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In al deze gevallen zal de formele plaatsing onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van de GI en de pleegzorgaanbieder beëindigd moeten worden. Als jeugdhulp in de vorm van pleegzorg in situatie b en c nog wel noodzakelijk is (situatie a is niet van toepassing), dan zal de GI samen met de pleegzorgaanbieder zo snel mogelijk een alternatief moeten zoeken. Zolang dit alternatief niet voorhanden is en terugkeer naar huis niet mogelijk is, zal de begeleiding vanuit Pleegzorg (en de betaling) aan het netwerkgezin met verantwoordelijkheid van de pleegzorgaanbieder voor de veiligheid van de jeugdige in dat gezin nog doorgaan, indien en voor zolang dit redelijkerwijs mogelijk is. De GI zorgt dan voor de begeleiding van het gezinssysteem van de jeugdige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting Beëindigen bepaling jeugdhulp Als de noodzaak van de plaatsing in het kader van te verlenen jeugdhulp volgens de wet bij het netwerkgezin naar de mening van de GI niet (meer) aanwezig is, vervalt hiermee ook de formele status van de plaatsing. De GI beëindigt de bepaling jeugdhulp in dat geval. Begeleiding van, betaling aan en screening door de pleegzorgaanbieder met betrekking tot het netwerkgezin worden vanaf de datum van het besluit tot intrekken van de bepaling van de GI gestopt. Het is vervolgens aan de GI om te besluiten of er geen bezwaren zijn om de plaatsing op vrijwillige basis te (laten) continueren. Normaal gesproken zijn de ouders vanaf diezelfde datum verantwoordelijk voor betaling en veiligheid van het kind in het netwerkgezin, maar vooral bij een ondertoezichtstelling is de GI minstens medeverantwoordelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ongeschiktheid netwerkgezin Als de pleegzorgaanbieder na netwerkonderzoek tot de conclusie komt dat het netwerkgezin geschikt is als pleeggezin, dan worden het pleegcontract, de begeleiding en financiering voortgezet. Als het netwerkgezin op grond van de screening door de pleegzorgaanbieder echter niet geschikt blijkt en uithuisplaatsing wel noodzakelijk is, zal in overleg met alle betrokkenen een oplossing voor de jeugdige gezocht worden. Totdat deze oplossing gerealiseerd is, zullen de begeleiding en betaling aan het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder worden gecontinueerd, indien redelijkerwijs mogelijk en voor zover dit in het kader van veiligheid van de jeugdige verantwoord is. De GI en de pleegzorgaanbieder maken voor deze tijdelijke situatie afspraken over de veiligheid en eventuele in te zetten jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugtrekken netwerkgezin In de praktijk kan het voorkomen dat een netwerkgezin zich gedurende het onderzoek zelf terugtrekt en de plaatsing beëindigd moet worden. Indien uithuisplaatsing nog wel noodzakelijk wordt geacht, gaan de GI en de pleegzorgaanbieder in overleg met de ouders en het netwerkgezin op zoek naar een oplossing voor de korte termijn. Een oplossing kan zijn dat het netwerkgezin tijdelijk toch voor opvang zorgt totdat een structureel alternatief gezocht is. Totdat deze oplossing gerealiseerd is, zullen de begeleiding en betaling aan het netwerkgezin door de pleegzorgaanbieder worden gecontinueerd, indien redelijkerwijs mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het netwerkgezin geen tijdelijke opvang kan bieden, kan de jeugdige – bijvoorbeeld met extra begeleiding en/of jeugdhulp - tijdelijk terugkeren naar de ouders, in afwachting van een oplossing. De GI en de pleegzorgaanbieder maken voor deze tussenoplossing afspraken over de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en eventuele in te zetten jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE 7.Graadpleegde bronnen85Conform Chicago-/CMS-systeem, 16e editie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beeldnummer 286, Olifanten ouder en kind. 16 maart 2011. Foto. Beeldbank gemeente Emmen, Emmen.</p>\n<p class=\"lf-p\">BMC. ‘Evaluatieonderzoek Wet op de jeugdzorg. Eindrapport’. Oktober 2009. Geraadpleegd 6 december 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Jeugdzorg_Evaluatieonderzoek_Wet_091103.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">BVIKZ. ‘Wanneer is er sprake van IKZ.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.bvikz.nl/downloads/ewExternalFiles/IKZ%20en%20wetgeving.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:CRVB:2019:2362.’ 19 juli 2019. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2019:2362.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:RBNNE:2019:3466.’ 14 augustus 2019. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:3466.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:RBALK:2011:BR7112.’ 8 september 2011. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBALK:2011:BR7112.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Rechtspraak. ‘ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1448.’ 19 februari 2013. Geraadpleegd 7 november 2019 via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1448.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdzorg Nederland. ‘Jeugdzorgplus.’ Geraadpleegd 8 november 2019 via https://www.jeugdzorgnederland.nl/jeugdhulp/jeugdzorgplus/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdzorg Nederland. ‘Veldnorm Netwerkpleegzorg Jeugdbescherming – Pleegzorgaanbieders.’ 1 januari 2016. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/2016_veldnorm_netwerkpleegzorg_jeugdbescherming_-_pleegzorgaanbieder_versie_1_januari_2016.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mitchell, T.R., Daniels, D. ‘Motivation.’ In Handbook of Psychology volume 12. Geredigeerd door W. C. Borman, D.R. Ilgen; R. J. Klimoski, 229. Hoboken: John Wiley &amp; Sons, Inc.</p>\n<p class=\"lf-p\">Movisie. ‘Multidisciplinaire aanpak MDA++.’ Geraadpleegd 8 november 2019 via https://gemeenten.movisie.nl/doel/huiselijk-geweld-en-kindermishandeling-aanpakken/beleid/multidisciplinaire-aanpak-mda.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJi. ‘Memorie van toelichting.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Memorie-van-toelichting-Wetsvoorstel-maatschappelijke-ondersteuning-2015.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">NJi en Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen. ‘Pleegzorg na 18 jaar.’ 2018. Geraadpleegd 19 november 2019 via https://www.nji.nl/nl/Download-NJi/Publicatie-NJi/Pleegzorg-na-18-jaar.pdf Per Saldo. ‘Kinderen met een intensieve zorgvraag en MSVT.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.pgb.nl/pgb/zvw/voor-wie-welke-zorg/intensieve-kindzorg/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per Saldo. ‘PGB-test.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.pgb.nl/pgb/wat-is-een-pgb/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raad voor Volkesgezondheid en Samenleving. ‘Recept voor maatschappelijk probleem. Medicalisering van levensfasen.’ Maart 2017. Geraadpleegd 11 december 2019 via https://www.raadrvs.nl/documenten/publicaties/2017/04/04/recept-voor-maatschappelijk-probleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksoverheid. ‘Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (Ca).’ Geraadpleegd 11 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/contact/contactgids/centrale-autoriteit-internationale-kinderaangelegenheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksoverheid. ‘Handreiking voor toetsing op (minimale) PGB-vaardigheid.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/zorg-en-ondersteuning-thuis/documenten/brochures/2019/06/26/handreiking-voor-toetsing-op-minimale-pgb-vaardigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksoverheid. ‘Internationale kinderbescherming.’ Geraadpleegd 11 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdbescherming/internationale-kinderbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksoverheid. ‘Memorie van toelichting bij de Jeugdwet.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2013/07/01/memorie-van-toelichting-bij-de-jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksoverheid. ‘Stroomschema zorg op school.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2018/07/26/passend-onderwijs-en-zorg-stroomschema-zorg-op-school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijksoverheid. ‘Wanneer komt mijn kind in aanmerking voor gesloten jeugdzorg?’ Geraadpleegd 8 november 2019 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/jeugdhulp/vraag-en-antwoord/wanneer-komt-mijn-kind-in-aanmerking-voor-gesloten-jeugdzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rooijmans, H.G.M. ‘Onbegrepen lichamelijke klachten en conversie.’ Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde 130 (1986): 2174-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stein, M. Young people leaving care: supporting pathways to adulthood. Londen: Jessica Kingsley Publishers, 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede Kamer der Staten-Generaal. ‘Parlementaire Werkgroep Toekomstverkenning, Jeugdzorg, Jeugdzorg dichterbij (Kamerstukken II 2009/10, 32 296, nr. 7).’ 19 mei 2010. Geraadpleegd 6 december 2019 via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32296-8.html.</p>\n<p class=\"lf-p\">VNG. ‘Pleegzorg.’ Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/pleegzorg#Wat_is_de_rol_van_gemeenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">VNG. ‘Pleegzorg standaard tot 21 jaar. Scenario’s.’ Geraadpleegd 30 juli 2018 via https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/jeugdhulp/nieuws/pleegzorg-standaard-tot-21-jaar%20.</p>\n<p class=\"lf-p\">VNG. ‘PRACHT Drenthe: een oplossingsverplichting voor elke casus’. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/onderwerpenindex/jeugd/zorglandschap-jeugdhulp/pracht-drenthe-een-oplossingsverplichting-voor-elke-casus.</p>\n<p class=\"lf-p\">VNG. ‘Richtlijn netwerkpleegzorg gemeente – pleegzorgaanbieders.’ April 2016. Geraadpleegd 8 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/20160425_richtlijn_netwerkpleegzorg.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">VNG. ‘Stappenplan verantwoordelijke gemeente.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://vng.nl/files/vng/201707_mindmap_stappenplan_bepaling_gemeente_woonplaatsbeginsel.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkgroep Kind in AZC. ‘Gezinslocaties.’ Geraadpleegd 11 november 2019 via http://www.kind-in-azc.nl/gezinslocaties/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkgroep Kind in AZC. ‘Zo kan het ook.’ 2016. Geraadpleegd 15 november 2019 via http://www.kind-in-azc.nl/wp-content/uploads/2016/11/Rapport-Zo-kan-het-ook.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wienen, A. W. Inclusive education: from individual to context. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgbelang Drenthe. ‘Ombudsman sociaal domein gemeente Emmen.’ Geraadpleegd 7 november 2019 via https://www.zorgbelang-drenthe.nl/ombudsman-sociaal-domein-zorgbelang-drenthe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikte afkortingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Abw: Algemene wet bestuursrecht AKJ: Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg Ca: Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden COA: Centraal Orgaan opvang asielzoekers EED: Ernstige Enkelvoudige Dyslexie GGZ: geestelijke gezondheidszorg GI: Gecertificeerde Instelling HAO: Huisartsondersteuners KDC: Kinderdienstencentrum MOC: Medisch Orthopedagogisch Centrum OKH: Ouder-/kindhuis OOGO: op overeenstemming gericht overleg OPP: ondersteuningsperspectiefplan PGB: persoonsgebonden budget RIAA: Regie Integraal Advies en Arrangement SVB: Sociale verzekeringsbank RVS: Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving VOG: Verklaring Omtrent Gedrag Wlz: Wet langdurige zorg Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning ZIN: zorg in natura Zvw: Zorgverzekeringswet In deze beleidsregels wordt regelmatig verwezen naar een ander officieel document. Meestal gaat het om een publicatie dat te vinden is op de website van bijvoorbeeld de Rijksoverheid of een andere instantie, zoals het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). In sommige gevallen gaat het om een wetenschappelijke publicatie, in andere bijvoorbeeld om jurisprudentie. De verwijzing is te herkennen aan een cijfer bij een of meerdere zinnen of bij een alinea. Dit cijfer correspondeert met een voetnoot onderaan de betreffende bladzijde. Dit houdt in dat de zin of het deel van de voorafgaande tekst geciteerd is uit, of gebaseerd is op de publicatie in kwestie. In bijlage 7 is een alfabetische opsomming van alle geraadpleegde bronnen opgenomen. Ook wordt in de voetnoten iets verduidelijkt of verwezen naar hoofdstukken in de Verordening jeugdhulp of deze beleidsregels die verband houden met de desbetreffende paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De pleegzorg kan doorlopen tot het 23ste levensjaar, voor zover deze hulp niet onder een ander wettelijk kader valt en mits voldaan wordt aan de voorwaarden. 71Rijksoverheid. “Memorie van toelichting bij de Jeugdwet:” 18–19. De gemeente stelt in overleg met de jongere, de pleegouders en de pleegzorgaanbieder vast of er vervolgens ook nog verlenging na de 21e verjaardag (tot 23 jaar) nodig is. Pleegzorg stopt wanneer de pleegjongere geen hulp meer wil, geen hulp meer nodig heeft, of 23 jaar wordt. 72NJi en Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen. “Pleegzorg na 18 jaar.”</p></div>", "next": 0}