{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Met dit lid wordt voor deze subsidie bepaald wat de streefdatum is om al het vastgoed in het aangewezen gebied aardgasvrij te maken. Het is de bedoeling om met deze streefdatum aansluiting te zoeken bij de Transitie Visie Warmte en de wijkplannen die uit de wijkaanpak volgen. De voornaamste werking van deze streefdatum ontstaat door de verplichting om een intentieverklaring te leveren die ertoe strekt dat al het vastgoed, binnen het gebied, in eigendom van de eigenaar waarop subsidieaanvraag betrekking heeft, aardgasvrij wordt (zoals genoemd in artikel 1.5, eerste lid onder e) en de mogelijkheid voor het college om een subsidieaanvraag (ten dele) te weigeren als die intentieverklaring onvoldoende stevig is (artikel 1.6, tweede lid, onder c). De datum voor dit gebied (de hele stad) is bepaald op 31 december 2040, zodat deze samenvalt met de ambitie die volgt uit het coalitieakkoord ‘Een Nieuw Lente, Een Nieuw Geluid’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor woningen, panden met meerdere woningen, kleinschalige transformatie en collectieve installaties is in het eerste lid €3.000.000.- beschikbaar gesteld. Dit kan tussentijds worden aangepast door het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor bedrijven en maatschappelijke organisaties is in het tweede lid € 500.000.- beschikbaar gesteld. Ook dit bedrag kan tussentijds worden aangepast door het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald welke activiteiten subsidiabel zijn. Een subsidieaanvraag kan in principe iedere mogelijke combinatie van de onder dit artikel genoemde activiteiten bevatten. Het is onmogelijk dat een pand met meerdere woningen tegelijkertijd ten dele en geheel aardgasvrije wordt, waardoor activiteiten uit het derde onderdeel de activiteiten uit het eerste onderdeel uit sluiten voor zo ver die laatste betrekking hebben op het gehele pand met meerdere woningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste onderdeel De activiteiten onder dit onderdeel leiden er allemaal toe dat een bestaande woning wordt omgezet in een aardgasvrije woning. Voor verschillende woningen kan een verschillende combinatie van activiteiten nodig zijn. Er is subsidie voor het omzetten van de warmtevoorziening, warm water voorziening en de kookvoorziening. Ook is er een subsidie voor de afsluitkosten die door de netbeheerder in rekening wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede onderdeel De activiteiten bij dit onderdeel leiden er allemaal toe dat een woning die bij een kleinschalige transformatie ontstaat, er is in deze gevallen geen sprake van nieuwbouw en het gaat altijd om minder dan 25 woningen, aardgasvrij wordt. Voor verschillende woningen kan een verschillende combinatie van voorzieningen nodig zijn. Er is subsidie voor het omzetten van de warmtevoorziening, warm water voorziening en de kookvoorziening. Er is bij kleinschalige transformatie geen subsidie voor afsluitkosten die door de netbeheerder in rekening worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde onderdeel De activiteiten onder dit onderdeel zien op panden met meerdere woningen met collectieve installaties, waar het als gevolg van gefragmenteerd bezit vaak erg moeilijk kan zijn om het gehele pand met meerdere woningen aardgasvrij te maken. Deze panden met meerdere woningen worden als gevolg van de onder dit onderdeel genoemde activiteiten ten dele aardgasvrij. Met “ten dele” wordt bedoelt dat een deel van de verblijfsruimten binnen het pand met meerdere woningen niet aardgasvrij wordt. In een pand met meerdere woningen met blokverwarming kan dit betekenen dit de collectieve installatie voor de gehele flat door een aardgasvrije vervangen wordt, maar dat slechts sommige van de verblijfsruimten ook de aan die verblijfsruimte verbonden aardgasaansluiting laten verwijderen. Met “ten dele” wordt niet bedoeld dat de individuele subsidiabele activiteiten slechts leiden tot een reductie in het aardgasgebruik, omdat er bijvoorbeeld een installatie wordt geplaatst uitsluitend tijdens piekbelasting aardgas gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde en vijfde onderdeel Het vierde en vijfde onderdeel regelen een subsidie voor het aardgasvrij maken van respectievelijk bestaand maatschappelijke vastgoed of een bestaande bedrijfsruimte door het uitvoeren van één of meerdere van de volgende activiteiten: de gasgestookte ruimteverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije; de gasgestookte tapwaterverwarmingsinstallatie omzetten naar een aardgasvrije; het door de netbeheerder laten verwijderen van de aardgasaansluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de eerste twee is essentieel dat de bestaande installatie gasgestookt is, installaties op hout of andere fossiele brandstoffen dan gas komen niet in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De begrippen maatschappelijk vastgoed en bedrijfsruimte zijn gedefinieerd in artikel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde onderdeel Het zesde onderdeel regelt een subsidie om bestaande bedrijfsruimte of bestaande maatschappelijk vastgoed aardgasvrij te maken door bestaande aardgasverbruikende bedrijfsmiddelen om te zetten naar aardgasvrije. Ook hier is essentieel dat een bestaand bedrijfsmiddelen omgezet wordt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit lid regelt welke kosten subsidiabel zijn voor de in artikel 2.3, onderdelen 1 tot en met 5 genoemde activiteiten. De voor subsidie in aanmerking komende kosten zijn de kosten die worden gemaakt voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Uitgekeerd wordt een totaalbedrag. Of BTW teruggevorderd kan worden door de aanvrager, doet voor de gemeente niet ter zake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat met deze regeling het doel, en niet de techniek, centraal gesteld wordt, kunnen de voorzieningen divers zijn. Voorzieningen en kosten worden daarom niet nader gespecificeerd; zo min mogelijk voorzieningen worden dan uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente behoudt het recht voor om externe expertise in te schakelen voor de beoordeling van de kosten en haalbaarheid van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit lid regelt welke kosten subsidiabel zijn voor de in artikel 2.3, onderdeel 6 genoemde activiteit, te weten subsidie voor bedrijfsmiddelen. In dit geval zijn uitsluitend meerkosten subsidiabel. Meerkosten betreffen het verschil tussen een nieuw gasverbruikend bedrijfsmiddel en een nieuw aardgasvrij bedrijfsmiddel. Er is bewust gekozen om een ‘nieuw’ gasverbruikend bedrijfsmiddel als referentie te nemen. Andere oplossingen waarbij meer rekening gehouden wordt met de huidige waarde van het bestaande bedrijfsmiddelen zijn in de praktijk niet uitvoerbaar, omdat er teveel sterk uiteenlopende bedrijfsmiddelen zijn, waardoor de bepaling van de waarde van het bedrijfsmiddel de kans op willekeur zou vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.7, derde lid wordt de aanvrager gevraagd om een onderbouwde kostenraming te geven voor een nieuw aardgas verbruikend bedrijfsmiddel. De kosten van het aardgasvrije bedrijfsmiddel blijken uit de offertes die de aanvrager op grond van artikel 1.5, eerste lid, onderdeel b moet overleggen. Of BTW teruggevorderd kan worden door de aanvrager, doet voor de gemeente niet ter zake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2.8, vierde lid kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren als de onderbouwde raming van de investeringskosten van het aardgas gebruikende bedrijfsmiddel niet redelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Dit lid regelt welke kosten geen onderdeel van de subsidiabele kosten kunnen zijn. Kosten(soorten) die in dit lid genoemd zijn worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend, ook niet als deze op basis van het eerste of tweede lid wel tot de subsidiabele kosten gerekend zouden kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a Kosten voor eigen arbeid worden in geen enkel geval gesubsidieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b De kosten voor isolatievoorzieningen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat het grootste deel van de investering in de isolatievoorziening zichzelf terugverdient door de daling in energielasten als gevolg van het afgenomen energieverbruik. Er zijn adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor isolatievoorzieningen betaald kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c De kosten voor zonnepanelen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat zonnepanelen zichzelf in principe terugverdienen als gevolg van de besparing op de energierekening vanwege de vergoeding die gegeven wordt voor de levering van elektriciteit aan het elektriciteitsnet. Verder zijn er adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor zonnepanelen gefinancierd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel d Vanwege de negatieve effecten op de luchtkwaliteit komen hout- en pelletkachels en biomassaverbrandingsketels niet in aanmerking voor subsidiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel e Installaties met fossiele brandstof als olie, butaangas of kolen komen ook niet in aanmerking, omdat deze nog vervuilender zijn dan aardgas. ‘Olie, butaangas of kolen’ vormen als zodanig geen limitatieve opsomming, de/alle andere fossiele brandstoffen zijn ook uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel f De aanschaf van pannen en ander keukengerei is niet aan te merken als een fysieke gebouwgebonden voorziening en de kosten die daarmee gemoeid zijn dus niet subsidiabel. Deze uitsluiting is daardoor in principe overbodig. De ervaring leert echter dat met een expliciet vermelding in de regeling onduidelijkheid vermeden kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel g Het is de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om te voldoen aan alle wettelijke verplichtingen of minimum kwaliteitseisen. De gemeente wil hiermee uitsluiten dat zij daaraan meebetaalt, terwijl het aan de aanvrager zelf is om dit gat te dichten alvorens subsidie wordt aangevraagd op grond van deze regeling. De voorzieningen moeten verder gaan dan het moeten voldoen aan wettelijke verplichtingen of gangbare minimum kwaliteitseisen. Het gaat erom dat de aanvrager die extra stap zet naar aardgasvrij, die zonder deze subsidie niet was gezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5 Hoogte van de subsidie In dit artikel wordt per activiteit bepaald wat de maximale subsidie is. De maximale subsidiebedragen zijn zo vormgegeven dat er maximaal €3000,- subsidie per aardgasvrije woning is. Daar komen de afsluitkosten van het aardgasnet nog bovenop. Voor woningen geldt dat de subsidiabele kosten tot het maximumbedrag vergoed worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid – collectieve installaties Het maximale subsidiebedrag wordt gelijk aan de voorgaande leden gemaximeerd op €2000,- per woning voor een aardgasvrije gasinstallatie en €5000,- per woning voor een aardgasvrije tapwater installatie, omdat een pand met meerdere woningen op basis van de activiteiten, zoals genoemd onder artikel 2.3, onder 3 slechts ten dele aardgasvrij wordt zijn de kosten voor het treffen van die voorzieningen ook slechts ten dele subsidiabel. De subsidiabele kosten zijn evenredig met het deel van het complex dat aardgasvrij wordt als gevolg van de voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een VvE van een pand met meerdere woningen met 50 woningen en een collectieve verwarmings- en tapwaterinstallatie wil subsidie aanvragen. Alle 50 deze woningen zijn aangesloten op de installatie; 10 van de woningen koken al elektrisch en hebben geen individuele woning gebonden gasaansluiting. Na de uitvoering van de beoogde voorzieningen is de collectieve verwarmings- en tapwater installatie aardgasvrij. Bovendien hebben 20 woningeigenaren de intentie uitgesproken binnen een jaar elektrisch te gaan koken en de individuele woning gebonden gasaansluiting te laten verwijderen. Dit betekent dat er na alle activiteiten 30 aardgasvrije woningen in het pand met meerdere woningen zullen zijn. Het vervangen van de gasinstallatie met een WKO installatie voor het gehele pand met meerdere woningen kost €200.000,-. De afsluiting van het aardgas voor de collectieve installatie kost €5.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag is echter hoger dan de maximale subsidie per aardgasvrije woning. Deze bestaat uit €2000,- voor de verwarmingsinstallatie (activiteit 2.3, onderdeel 3a) en €500,- voor de verwarmingsinstallatie (artikel 2.3, onderdeel 3b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij ruimteverwarming Aardgasvrije tapwater De maximale subsidie voor het omzetten van de verwarmingsinstallatie is daarom in dit geval €75.000,- Daar bovenop komt dan nog de subsidie voor het afsluiten van het aardgas (activiteit 2.4, derde lid onder c). €.5000,-. De maximale subsidie is daarom €80.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De 20 eigenaren en bewoners (en de VvE namens hen) die de intentie hebben uitgesproken om elektrisch te gaan koken en hun individuele woning gebonden gasaansluiting laten verwijderen kunnen vervolgens ook nog subsidie aanvragen op grond van artikel 2.3, onderdelen 1c en 1d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeeld 2:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een VvE van een pand met meerdere woningen met 100 woningen en een gasgestookte collectieve verwarmingsinstallatie wil subsidie aanvragen. 95 van de woningen zijn aangesloten op de installatie en 5 van de woningen in het pand met meerdere woningen zijn al op eigen houtje aardgasvrij en drie daarvan willen niet overstappen naar de collectieve installatie. In 10 van de woningen in het pand met meerdere woningen, waaronder de 5 aardgasvrije, wordt elektrisch gekookt. De helft van de woningen heeft een gasgestookte tapwater voorziening. De ander helft heeft een elektrische tapwater voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De VvE en alle bewoners behalve één besluiten om aardgasvrij te worden met behulp van stadwarmte. Deze éne bewoner zegt een emotionele verbinding met zijn geiser en gaskookplaat te hebben. Na de uitvoering van de beoogde voorzieningen is de collectieve verwarmingsinstallatie aardgasvrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat er na alle activiteiten 94 extra aardgasvrije woningen in het pand met meerdere woningen zullen zijn. 5 van de woningen waren al aardgasvrij, daar is dus geen subsidie voor. 1 woning blijft aan het aardgas. Het vervangen van de gasinstallatie met stadswarmte voor het gehele pand met meerdere woningen kost €250.000,-. De afsluiting van het aardgas voor de collectieve installatie kost €5.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag is hoger dan de maximale subsidie per woning. Deze bestaat uit €2000,- voor de verwarmingsinstallatie. (artikel 2.3, onderdeel 3a).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aardgasvrij ruimteverwarming De maximale subsidie voor het omzetten van de verwarmingsinstallatie is daarom in dit geval €188.000,- Daar bovenop komt dan nog de subsidie voor het afsluiten van het aardgas (artikel 2.3, onder 3c). €.5000,-. De maximale subsidie is daarom €193.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De 89 eigenaren en bewoners (of de VvE namens hen) die de intentie hebben uitgesproken om elektrisch te gaan koken en hun individuele woning gebonden gasaansluiting laten verwijderen kunnen vervolgens ook nog subsidie aanvragen voor op grond van artikel 2.3, onder 1c en 1d. Voor de 10 aardgasvrije woningen en de ene bewoner die niet aardgasvrij wil worden is er geen subsidie op grond van artikel 2.3, onder 1c en 1d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien kunnen de 49 eigenaren en bewoners (of de VvE namens hen) die niet vooraf al elektrisch warm tapwater opwekken en de intentie hebben uitgesproken om over te stappen naar de collectieve tapwater installatie bestaat de mogelijkheid om subsidie aan te vragen op op grond van artikel 2.3, onder 1b. Voor de 50 reeds aardgasvrije tapwater installaties is er geen subsidie. Dus ook de drie woningbezitters die hun woning al aardgasvrij hadden, maar toch naar de collectieve installatie overstappen krijgen geen subsidie. Als vanzelfsprekend is er ook geen subsidie voor de ene bewoner die zijn woning niet aardgasvrij wil maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid onder d en derde lid onder c – afsluiten aardgas Met het (laten) afsluiten van de woning vastgoed is aansluiting gezocht met de tarieven, zoals deze vooraf zijn vastgesteld door de netbeheerder die in Amsterdam actief is. Op de website van de netbeheerder zijn de tarieven terug te vinden, zowel voor particuliere als zakelijke afsluitingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit artikellid regelt de hoogte van de subsidie voor het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed. Deze subsidiabele activiteiten staan omschreven in artikel 2.3, onder 4. De subsidiabele kosten waar in dit artikel naar verwezen wordt, worden bepaald op basis van artikel 2.4, eerste en derde lid. De maximale subsidie is nooit hoger dan 50% van deze subsidiabele kosten. Degene die zijn maatschappelijk vastgoed aardgasvrij maakt, wordt dus in ieder geval geacht de helft van de kosten voor die activiteiten zelf te dragen. Daarnaast zijn er nog twee maxima, waarbij de laagste het maximale subsidiebedrag bepaald. Er is een maximum van €3,- per jaarlijks bespaarde kubieke meter aardgas. Het aardgasverbruik wordt bepaald op basis van de, op grond van artikel 2.7, tweede lid vereiste, door de aanvrager bij de aanvraag meestuurde energierekening. Ook geldt er een maximum van € 60.000,- per verblijfsobject. Aanspraak op de maximale subsidie kan dus worden gedaan als er € 120.000,- aan subsidiabele kosten zijn en er voortaan 20.000 kubieke meter aardgas per jaar minder verstookt wordt. Het begrip verblijfsobject wordt in artikel 1.1 gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Dit artikellid regelt de hoogte van de subsidie voor het aardgasvrij maken van bedrijfsruimten. Deze subsidiabele activiteiten staan omschreven in artikel 2.3, onder 6. De subsidiabele kosten waar in dit artikel naar verwezen wordt, worden bepaald op basis van artikel 2.4, eerste en derde lid. De maximale subsidie is nooit hoger dan 50% van deze subsidiabele kosten. Degene die zijn bedrijfsruimte aardgasvrij maakt wordt dus in ieder geval geacht de helft van de kosten voor die activiteiten zelf te dragen. Daarnaast zijn er nog twee maxima, waarbij de laagste het maximale subsidiebedrag bepaald. Er is een maximum van €3,- per jaarlijks bespaarde kubieke meter aardgas. Het aardgasverbruik wordt bepaald op basis van de, op grond van artikel 2.7, tweede lid vereiste, door de aanvrager bij de aanvraag meestuurde energierekening. Ook geldt er een maximum van € 30.000,- per verblijfsobject. Aanspraak op deze maximale subsidie kan dus worden gedaan als er € 60.000,- aan subsidiabele kosten zijn en er 10.000 kubieke meter aardgas per jaar minder verstookt wordt. Het begrip verblijfsobject wordt in artikel 1.1 gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Dit artikellid regelt de hoogte van de subsidie voor het aanschaffen van aardgasvrije bedrijfsmiddelen. Deze subsidiabele activiteiten staan omschreven in artikel 2.3, onder 6. De subsidiabele kosten waar in dit artikel naar verwezen wordt, worden bepaald op basis van artikel 2.4, tweede en derde lid. De subsidiabele kosten zijn in dit geval de meerkosten van een aardgasvrij bedrijfsmiddelen t.o.v. een aardgasverbruikend bedrijfsmiddel dat hetzelfde doet. Als gevolg van dit artikel is de helft van deze meerkosten subsidiabel. Daarbij geldt bovendien een maximumsubsidie van € 1.000,- per verblijfsobject. Aanspraak op deze maximale subsidie kan gedaan worden als er sprake is van € 2.000,- of meer meerkosten. Het begrip verblijfsobject wordt in artikel 1.1 gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid De subsidie mag gecombineerd worden met andere subsidieregelingen. Dit kunnen andere subsidies van de gemeente Amsterdam zijn, maar ook subsidies van andere overheden. Als voorwaarde geldt dat het totaal van subsidies niet de totale subsidiabele kosten mogen overschrijden. Meldplicht van reeds ontvangen en nog te ontvangen subsidies ligt bij de aanvrager. Onder artikel 1.5, eerste lid, onder d en artikel 1.8, tweede lid wordt de aanvrager om deze gegevens gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.6 De aanvrager Zowel huurders als eigenaren in de vorm van particulieren, woningcorporaties, of andere entiteiten kunnen subsidie aanvragen voor het geheel aardgasvrij maken van woningen (artikel 2.3, onder 1 en 2) of het realiseren van aardgasvrije woningen in een kleinschalige transformatie. Onder eigenaren worden ook de bedrijfsmatige eigenaren van bestaande woningen verstaan die deze woningen bedrijfsmatig exploiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de woningcorporaties en ondernemingenkunnen vanuit het staatssteunrechtelijke kader andere eisen gelden dan voor particulieren. Zeker als er veel woningen door één aanvrager aardgasvrij worden gemaakt, zouden de subsidiabele kosten daarvan hoog kunnen zijn. Corporaties dienen aan de eisen te voldoen die vanuit de staatssteunregels voor hen gelden volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">VvE’s kunnen gezamenlijk een aanvraag indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Uitsluitend eigenaren, waaronder begrepen rechtspersonen waarmee eigenaren zich verenigen, kunnen voor het aardgasvrij maken van een pand met meerdere woningen subsidie aanvragen (art. 2.3, onder 3). Huurders zijn hiervan uitgesloten. Huurders hebben onvoldoende belang bij een op een pand met meerdere woningen gerichte aanvraag, omdat zij bijna nooit partij zijn als er sprake is van een VvE of andere rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Uitsluitend eigenaren, waaronder begrepen rechtspersonen waarmee eigenaren zich verenigen, kunnen voor het aardgasvrij maken van een pand met maatschappelijk vastgoed of bedrijfsruimten subsidie aanvragen (art. 2.3, onder 4, 5 en 6). Huurders zijn hiervan uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.7 bij de aanvraag in te dienen gegevens Als gevolg van de specifieke subsidiabele activiteiten in dit gebied zijn aanvullend specifieke gegevens noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid – Collectieve installatie Onderdeel a, b en c Om inzicht te krijgen in de aantallen woning waar een collectieve aanvraag betrekking op heeft zijn de onder dit gevraagde gegevens noodzakelijk. Het gevraagde overzicht zou een tabelvorm aan kunnen nemen die lijkt op de onderstaande:</p>\n<p class=\"lf-p\">Straat Huis# Toev.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na voorzieningen verbonden aan collectieve tapwater installatie Na voorzieningen verbonden aan collectieve verwarmingsinstallatie Individuele gasaansluiting Verwijderd individuele gasaansluiting Prinsengracht 342 HS 1 1 1 Prinsengracht 342 1A 1 1 1 1 Prinsengracht 342 1V 1 1 1 1 Prinsengracht 342 2A 1 1 Prinsengracht 342 2V 1 1 1 1 Prinsengracht 342 3 1 1 1 1 Prinsengracht 344 HS 1 1 1 Prinsengracht 344 1 1 1 Prinsengracht 344 2 1 1 1 Prinsengracht 344 3 1 Totaal 7 10 8 5 1 = ja 0 = nee Onderdeel d Bewijs dat de aanvrager gemachtigd is de aanvraag te doen kan verschillende vormen aannemen, Bij een VvE bijvoorbeeld een afschrift van de notulen van de VvE vergadering waaruit blijkt dat de leden instemmen met de activiteiten waar de subsidieaanvraag betrekking op heeft. Bij een stichting een handtekening van een daartoe bevoegd bestuurder Tweede lid - energierekening Aanvragers die subsidie aanvragen op grond van artikel 2.3, vierde en vijfde lid, zijnde subsidie voor het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed of een bedrijfsruimte, worden gevraagd om een recente energierekening voor een periode van een jaar mee te sturen. Het is aan de aanvrager zelf om te bepalen of ze de rekening van het afgelopen jaar of het jaar daarvoor meesturen. Deze ruimte is gelaten, omdat energiebedrijven niet altijd even regelmatig facturen. Er is bewust gekozen om niet de gegevens van het lopende jaar te gebruiken, omdat deze gegeven niet compleet zijn en extrapolatie van gedeeltelijke gebruiksgegevens tot discussie en willekeur zou kunnen leiden. Bovendien zou het gebruik van huidige jaargegeven aanvragers kunnen stimuleren om extra gas te verkwisten. De maximale subsidie per bespaarde m3 aardgas is immers hogers dan de prijs van dat aardgas. De gebruiksgegevens op deze energierekening worden gebruikt om te bepalen hoeveel aardgas er bespaard zal worden met de subsidiabele activiteiten. Deze informatie is van belang om de subsidiehoogte te bepalen op grond van artikel 2.5, vierde en vijfde lid, onderdelen a. Het niet meesturen van deze gegevens bij een subsidieaanvraag leidt er, na een verzoek tot aanvullende gegevens, toe dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, omdat deze niet volledig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid - aardgasverbruikend bedrijfsmiddel Aanvragers die subsidie aanvragen op grond van artikel 2.3, zesde lid, zijnde subsidie voor de aanschaf van aardgasvrije bedrijfsmiddelen, worden gevraagd een onderbouwde raming van de investeringskosten voor een aardgasverbruikend bedrijfsmiddel, dat het bestaande aardgasverbruikend bedrijfsmiddel zou kunnen vervangen mee sturen. Onderbouwing van die raming kan met behulp van een recente offerte of een unieke productomschrijving. Er is gekozen om zowel een recente offerte of een unieke productomschrijving te accepteren. Met een unieke productomschrijving wordt gedoeld op een naam van een specifiek product op basis waarvan het college kan bepalen hoeveel dat product kost. Een screenshot van een website waar het product te koop staat en waarbij de prijs vermeld staat zouden dat doel goed dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is gekozen om niet uitsluitend een offerte te accepteren, omdat het college zich ervan bewust is dat het niet altijd even makkelijk is om een offerte voor een product te krijgen, vooral als men dat product eigenlijk niet eens aan wil schaffen, maar simpelweg de offerte nodig heeft om in aanmerking te komen voor subsidie. De unieke productomschrijving is laagdrempeliger. De informatie uit deze raming wordt gebruikt om de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 2.4, tweede lid en indirect de hoogte van de subsidie, zoals bedoeld in artikel 2.5, zesde lid, te bepalen. Het niet meesturen van deze gegevens bij een subsidieaanvraag leidt er, na een vergeefs herhaald verzoek tot aanvullende gegevens, toe dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld, omdat deze niet volledig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid – geen intentieverklaring vereist voor huurders In afwijking van artikel 1.5, eerste, lid onder e is het voor subsidieaanvragers die geen eigenaar zijn en die subsidie aanvragen voor activiteiten zoals bedoeld artikel 2.3 niet verplicht om een schriftelijke, door de eigenaar of een namens de eigenaar gemachtigde natuurlijke persoon getekende intentieverklaring te overleggen, waaruit blijkt dat de eigenaar al zijn of haar vastgoed in het vastgestelde gebied voor de vastgestelde datum aardgasvrij zal proberen te maken, te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied en de datum aardgasvrij zijn in artikel 2.1 bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zou het aanvragen van subsidie door huurders in veel gevallen onmogelijk maken als zij de gevraagde intentieverklaring zouden moeten leveren. Van eeen individuele huurder kan niet verlangd worden om de plannen van de vastgoed eigenaar in het gehele gebied kennen. Om die reden zijn huurder die subsidie aanvragen op grond van dit hoofdstuk uitgezonderd van de verplichting om de intentieverklaring mee te sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgronden in artikel 1.6, tweede lid onder c en d stelt het college in de gelegenheid om te verzekeren dat huurders niet door eigenaren worden gebruikt om te ontkomen aan het leveren van de gevraagde intentieverklaring.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat een specifieke uitwerking van weigeringsgronden voor subsidieaanvragen op grond van het stadsbrede hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met deze weigeringsgrond wordt uitgesloten dat subsidie kan worden aangevraagd na 31 december 2022. Voor onvolledige aanvragen, die tijdig ingediend zijn, geldt dat de indiener de gebruikelijke eenmalige gelegenheid krijgt om deze binnen twee weken aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Met deze weigeringsgrond worden aanvragers die hun woning van de collectieve installatie af willen sluiten uitgesloten van subsidie. In afwezigheid van een gebiedsgericht plan waaruit blijkt dat een geïndividualiseerde warmteoplossing beoogd is, wordt met deze weigeringsgrond verzekert dat collectieve oplossingen niet afgebroken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Dit artikellid regelt dat het college kan weigeren subsidie te verlenen als voor dezelfde activiteit gelijktijdig subsidie wordt aangevraagd op grond van zowel artikel 2.3, vierde en vijfde lid. Aanvragen op grond van het vijfde lid worden geweigerd als het college voornemens is subsidie te verlenen op grond van het vierde lid. Voor subsidies op grond van het vierde lid gelden strengere voorwaarden, maar deze subsidies kennen ook gunstigere voorwaarden. In situatie waar subsidies niet gelijktijdig, maar na elkaar worden aangevraagd wordt gebruik gemaakt van de weigeringsgrond in artikel 1.6, tweede lid, onderdeel f.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Dit artikellid regelt een specifieke weigeringsgrond met betrekking tot de subsidie voor aardgasvrije bedrijfsmiddelen, zoals bedoeld in artikel 2.3, zesde lid. De subsidiabele kosten en uiteindelijk de hoogte van deze subsidie wordt bepaald op basis van het verschil in prijs tussen een aardgasvrije en een aardgasverbruikende variant van het bedrijfsmiddel (lees hierover meer bij de toelichting bij artikel 2.4, tweede lid en artikel 2.5, zesde lid). Deze situatie schept een prikkel voor de aanvrager om een zo goedkoop mogelijk aardgasverbruikend alternatief op te voeren. Een goedkoper aardgasverbruikend alternatief leidt immers tot hogere subsidiabele kosten en dus tot een hogere maximale subsidie. Deze weigeringsgrond maakt het mogelijk om in het geval van onredelijk goedkope aardgasverbruikende bedrijfsmiddelen de subsidie lager vast te stellen of te weigeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Verantwoording en vaststelling subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om inzicht te krijgen hoeveel woningen er bij een collectieve aanvraag nu daadwerkelijk aardgasvrij zijn geworden dient de aanvrager daarvan een overzicht in te dienen. Een dergelijk overzicht zou er als volgt uit kunnen zien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Straat Huis# Toev.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele gasaansluiting verwijderd Prinsengracht 342 HS Was niet aanwezig Prinsengracht 342 1A Niet verwijderd Prinsengracht 342 1V SBA – 00012577 Prinsengracht 342 2A Was niet aanwezig Prinsengracht 342 2V SBA – 00012577 Prinsengracht 342 3 SBA – 00012590 Prinsengracht 344 HS Was niet aanwezig Prinsengracht 344 1 Was niet aanwezig Prinsengracht 344 2 Zie bijlage C1 Prinsengracht 344 3 Was niet aanwezig Totaal Als bewijs van afsluiting kunnen het SBA-nummer van de aanvraag van subsidie voor activiteiten, zoals bedoeld onder artikel 2.3, onder 1c of 1d voor die woning of een kopie van de betaalde factuur voor afsluiting van het aardgasnet van die woning dienen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Wildemanbuurt</h3>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk ziet op een subsidie voor een specifieke buurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebieds- en aardgasvrij datum bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met dit lid wordt het gebied bepaald waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk plaats dienen te vinden. Als de activiteiten buiten dit gebied liggen zijn ze niet subsidiabel op basis van dit hoofdstuk. Dit artikel omschrijft de grenzen van het gebied. De grenzen van dit gebied komen overeen met de gebiedsbepaling uit bijlage 2 van het college van B&amp;W van 19 november 2019. Met dit besluit is bepaald dat de netbeheerder geen verplichting meer heeft om nieuwe aardgasaansluitingen te faciliteren binnen het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 1 – Overzichtskaart van Amsterdam met het gebied ‘Wildeman’ rood gemarkeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 2 – Figuur 2 – Detailkaart waarin het gebied ‘Wildemanbuurt’ blauw gemarkeerd is De volgende postcodes worden geacht binnen het gebied te liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">1068AB 1068BA 1068CA 1068AC 1068BB 1068CB 1068AD 1068BC 1068CC 1068AE 1068BD 1068AJ 1068BE 1068DB 1068AG 1068BG 1068DC 1068AH 1068BH 1068DD 1068AK 1068BJ 1068DJ 1068AL 1068BK 1068DG 1068AM 1068BL 1068DH 1068AN 1068BM 1068DK 1068AP 1068BN 1068DL 1068AR 1068BP 1068DE 1068AS 1068BR 1068DM 1068AT 1068BS 1068DN 1068AV 1068BT 1068DP 1068AW 1068BV 1068DR 1068AX 1068BW 1068DS 1068AZ 1068BX 1068DT 1068BZ 1068DV 1068EA 1068DW 1068EB 1068LD 1068DX 1068EC 1068LE 1068DZ 1068ED 1068LJ 1068EE 1068LK 1068MA 1068EJ 1068LL 1068MB 1068EG 1068LM 1068MC 1068EH 1068LN 1068MD 1068EN 1068LP 1068ME 1068EP 1068LS 1068MG 1068ER 1068LR 1068MH 1068ES 1068LT 1068MJ 1068ET 1068LV 1068MK 1068EV 1068LW 1068ML 1068LX 1068MT 1068XB 1068LZ 1068XC 1068SL 1068XD 1068ZA 1068SM 1068XE 1068ZB 1068SR 1068XH 1068ZC 1068ST 1068XG 1068ZD 1068SW 1068XJ 1068ZE 1068PP 1068XK 1068ZG 1068PR 1068XL 1068ZH 1068PN 1068XM 1068ZJ 1068XN 1068XP 1068XR 1068XS 1068XT 1068XV 1068XW 1068XX 1068XZ Tweede lid Met dit lid wordt voor dit hoofdstuk bepaald dat de streefdatum om al het vastgoed in de Wildeman buurt aardgasvrij te maken 31 december 2030 is. De voornaamste werking van deze streefdatum ontstaat door de verplichting om een intentieverklaring te leveren die ertoe strekt dat al het vastgoed, binnen het gebied, in eigendom van de eigenaar waarop subsidieaanvraag betrekking heeft, aardgasvrij wordt (zoals genoemd in artikel 1.5, eerste lid onder e) en de mogelijkheid voor het college om een subsidieaanvraag (ten dele) te weigeren als die intentieverklaring onvoldoende stevig is (artikel 1.6, tweede lid, onder c).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt, conform artikel 4:22 Awb, het subsidieplafond voor de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk bepaald.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald welke activiteiten, binnen het in artikel 3.1, eerste lid bepaalde gebied, subsidiabel zijn. Een subsidieaanvraag kan ook een combinatie van de onder dit artikel genoemde activiteiten bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste onderdeel De activiteiten onder dit onderdeel leiden er toe dat de verwarmingsinstallatie en de tapwaterinstallatie in een bestaande woning wordt omgezet aardgasvrije. Het is daarbij niet nodig dat de woning als geheel aardgasvrij wordt. De activiteit voorziet daarmee in de mogelijkheid voor aanvragers om, zonder in te grijpen in de kookvoorzieningen in de woning, toch subsidie te ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede onderdeel De activiteiten in dit onderdeel leiden er toe dat de gasgestookte kookinstallatie en de gasaansluiting in de woning verwijderd worden. Subsidie voor deze activiteit kan afzonderlijk aangevraagd worden van de activiteit in het eerste onderdeel, maar in dat geval moeten de verwarmingsinstallatie en de tapwaterinstallatie wel al aardgasvrij zijn. De woning moet immers wel aardgasvrij zijn, nadat deze activiteiten zijn uitgevoerd. Hoewel er sprake is van een woning waar al eerder subsidie voor is aangevraagd op basis van de subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij Amsterdam, maakt het college in deze gevallen in principe geen gebruik van de weigeringsgrond in artikel 1.6, tweede onderdeel, onder f, sub iv.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4</span><span class=\"lf-art-t\">Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in aanmerking komende kosten zijn de kosten die worden gemaakt voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Uitgekeerd wordt een totaalbedrag. Of BTW teruggevorderd kan worden door de aanvrager, doet voor de gemeente niet ter zake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat met deze regeling het doel, en niet de techniek, centraal gesteld wordt, kunnen de voorzieningen divers zijn. Voorzieningen en kosten worden daarom niet nader gespecificeerd; zo min mogelijk voorzieningen worden dan uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente behoudt het recht voor om externe expertise in te schakelen voor de beoordeling van de kosten en haalbaarheid van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste onderdeel: Kosten voor eigen arbeid worden in geen enkel geval gesubsidieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede onderdeel: De kosten voor isolatievoorzieningen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat het grootste deel van de isolatievoorziening zichzelf terugverdienen door de daling in energielasten die het afgenomen energieverbruik veroorzaakt. Er zijn adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor isolatievoorzieningen betaald kunnen worden. Bovendien kan vanaf 2 september 2019 voor isolatiemaatregelen gebruik gemaakt worden van de subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) die het Rijk aanbied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde onderdeel: De kosten voor zonnepanelen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat zonnepanelen zichzelf in principe terugverdienen de besparing op de energierekening door de vergoeding die gegeven wordt voor de terug levering van elektriciteit aan het elektriciteitsnet. Er zijn adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor zonnepanelen betaald kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde onderdeel: Vanwege de negatieve effecten op de luchtkwaliteit komen hout- en pelletkachels en biomassaverbrandingsketels niet in aanmerking voor subsidiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde onderdeel: Installaties met fossiele brandstof als olie, butaangas of kolen komen ook niet in aanmerking, omdat deze nog vervuilender zijn dan aardgas. Olie, butaangas of kolen vormen geen limitatieve opsomming, andere fossiele brandstoffen zijn ook uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde onderdeel: De aanschaf van pannen en ander keukengerei is niet aan te merken als een fysieke gebouwgebonden voorziening en de kosten die daarmee gemoeid zijn dus niet subsidiabel. Deze uitsluiting is daardoor in principe overbodig. De ervaring leert echter dat met een expliciet vermelding in de regeling onduidelijkheid vermeden kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende en achtste onderdeel: Het is de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om te voldoen aan alle wettelijke verplichtingen of minimum kwaliteitseisen. De gemeente wil hiermee uitsluiten dat zij daaraan meebetaalt, terwijl het aan de aanvrager zelf is om dit gat te dichten alvorens subsidie wordt aangevraagd op grond van deze regeling. De voorzieningen moeten verder gaan dan het moeten voldoen aan wettelijke verplichtingen of gangbare minimum kwaliteitseisen. Het gaat erom dat de aanvrager die extra stap zet naar aardgasvrij, die zonder subsidie niet was gezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt per activiteit bepaald wat de maximale subsidie is. De maximale subsidiebedragen zijn zo vormgegeven dat er maximaal €3500,- subsidie per aardgasvrije woning is. Voor woningen geldt dat de subsidiabele kosten tot het maximumbedrag vergoed worden. derde lid De subsidie mag gecombineerd worden met andere subsidieregelingen. Dit kunnen andere subsidies van de gemeente Amsterdam zijn, maar ook subsidies van andere overheden. Als voorwaarde geldt dat het totaal van subsidies niet de totale subsidiabele kosten mogen overschrijden. Meldplicht van reeds ontvangen en nog te ontvangen subsidies ligt bij de aanvrager. Onder artikel 1.5, eerste lid, onder d en artikel 1.8, onder twee wordt de aanvrager om deze gegevens gevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-36-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg van de specifieke subsidiabele activiteiten in dit gebied zijn aanvullend specifieke gegevens noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwijking van artikel 1.5, eerste lid, onder e is het voor subsidieaanvragers die geen eigenaar zijn en die subsidie aanvragen voor activiteiten, zoals bedoeld artikel 3.3, niet verplicht om een schriftelijke, door de eigenaar of een namens de eigenaar gemachtigde natuurlijke persoon getekende, intentieverklaring waaruit blijkt dat de eigenaar al zijn of haar vastgoed in het vastgestelde gebied voor de vastgestelde datum aardgasvrij zal proberen te maken te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied en de datum aardgasvrij zijn in artikel 3.1 bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zou het aanvragen van subsidie door huurders in veel gevallen onmogelijk maken als zij de gevraagde intentieverklaring zouden moeten leveren. Een invidivuele huurder kan vrijwel onmogelijk de plannen van de vastgoed eigenaar binnen het gehele gebied kennen. Om die reden zijn huurder die subsidie aanvragen op grond van dit hoofdstuk uitgezonderd van de verplichting om de intentieverklaring mee te sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgronden in artikel 1.7, tweede lid onder c en d stelt het college in de gelegenheid om te verzekeren dat huurders niet door eigenaren worden ingezet om te ontkomen aan het leveren van de gevraagde intentieverklaring.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bevat voor de Wildemanbuurt specifieke uitwerking van weigeringsgronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met deze weigeringsgrond wordt uitgesloten dat subsidie kan worden aangevraagd na 31 december 2024. Voor onvolledige aanvragen, die tijdig ingediend zijn, geldt dat de indiener de gebruikelijke eenmalige gelegenheid krijgt om deze binnen twee weken aan te vullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Deze uitzondering op de weigeringsgrond met betrekking tot ‘het begonnen zijn met het treffen van maatregelen’ zorgt ervoor dat het mogelijk is om subsidie te ontvangen voor het verwijderen van het kookgas uit een woning en het verwijderen van de aardgasaansluiting als deze voorzieningen niet langer dan 16 maanden voor de aanvraag en niet voor de inwerkingtreding van de regeling zijn getroffen. Aanvullend vereiste is daarbij wel dat de aanvraag betrekking heeft op meerdere woningen. De voornaamste aanleiding voor deze uitzondering is het beperken van de administratieve lasten die gepaard gaan met het verwijderen van aardgas bij huurdersmutatie. Uit overleggen met de in deze buurt aanwezige partijen blijkt dat het voor verhuurders eenvoudiger is om bij huurdersmutatie de kookvoorzieningen op aardgas te verwijderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij mutatie is er namelijk geen sprake van huurrechten van de zittende huurder. Het is voor verhuurders echter niet mogelijk om te plannen wanneer huurdersmutatie plaats zal vinden, de huurders bepalen (in de meeste gevallen) immers wanneer ze de huurovereenkomst verkiezen te beëindigen. Tegelijkertijd hebben verhuurders vaak een zeer korte periode waarbinnen de maatregelen getroffen moeten worden. Zowel verhuurders als de gemeente Amsterdam willen leegstand namelijk zoveel mogelijk voorkomen. Om de voorgaande redenen het is voor verhuurders lastig om vooraf subsidie aan te vragen. Overwegende dat er binnen de vastgoedportefeuille van een verhuurder binnen een gebied al snel 50 huurdersmutaties per jaar plaats kunnen vinden is het bovendien ook in de uitvoering van de regeling praktischer als partijen gebundelde periodieke aanvragen voor kookgasmutatie kunnen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met deze uitzondering is gebundelde periodieke/jaarlijkse aanvraag subsidie voor kookgasmutatie mogelijk gemaakt. [1] Klimaatakkoord – Den Haag – 28 juni 2019 https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2019/06/28/klimaatakkoord</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3a Bernard Loderbuurt</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3a-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">1 gebieds- en aardgasvrij datum bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met dit lid wordt het gebied bepaald waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk plaats dienen te vinden. Als de activiteiten buiten dit gebied liggen zijn ze niet subsidiabel op basis van dit hoofdstuk. Dit artikel omschrijft de grenzen van het gebied. De grenzen van dit gebied komen overeen met de gebiedsbepaling uit bijlage 2 van het college van B&amp;W van 2 juni 2020. Met dit besluit is bepaald dat de netbeheerder geen verplichting meer heeft om nieuwe aardgasaansluitingen te faciliteren binnen het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied Bernard Loderbuurt in Amsterdam wordt als volgt begrensd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de noordzijde door de Antony Moddermanstraat, tussen de Jan de Louterstraat en de Burgemeester de Vlughtlaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de noord- en oostzijde door de Slotermeerlaan, tussen aan de westzijde de burgemeester de Vlughtlaan en aan de zuidzijde de burgemeester Vening Meineszlaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de noordzijde door de Burgemeester Vening Meineszlaan, tussen de Slotermeerlaan en de Jacob Melkmanstraat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de oostzijde door de Jacob Melkmanstraat, tussen de Burgemeester Vening Meineszlaan en de David Vosstraat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de zuidzijde door een lijn die zowel het noordelijke uiteinde van de David Vosstraat en het oostelijke uiteinde van de Nieuwenhuysenstraat raakt, tussen de Slotermeerlaan en Jacob Melkmanstraat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de oostzijde door de Slotermeerlaan, tussen de Nieuwenhuysenstraat en Jan de Louterstraat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de zuid- en westzijde door de Jan de Louterstraat. figuur 1 - overzichtskaart van Amsterdam met het gebied ‘Bernard Loderbuurt’ gemarkeerd figuur 2 - Detailkaart met daarin het gebied ‘Bernard Loderbuurt’ gemarkeerd De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het gebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcodes Huisnummers Postcodes Huisnummers 1063 BA alle 1063 JV alle 1063 BB alle 1063 JW 150 1063 BK alle 1063 KS alle 1063 BL alle 1063 KT alle 1063 BM alle 1063 KV alle 1063 BN alle 1063 KW alle 1063 BP alle 1063 KX 2 t/m 92 (even) 1063 BT alle 1063 LB alle 1063 HZ alle 1063 LC alle 1063 JA alle 1063 LD alle 1063 JB alle 1063 NZ alle 1063 JC alle 1063 PA alle 1063 JD alle 1063 PB alle 1063 JE alle 1063 PC alle 1063 JG alle 1063 PD 55, 57 1063 JH alle 1063 PJ alle 1063 JJ alle 1063 PK alle 1063 JK alle 1063 PL alle 1063 JL alle 1063 PM alle 1063 JM alle 1063 PN alle 1063 JN 105 t/m 133 (oneven) 1063 PP alle 1063 JP Alle 1063 PR alle 1063 JR Alle 1063 PS alle 1063 JS alle 1063 PT alle 1063 JT alle Tweede lid Met dit lid wordt voor dit hoofdstuk bepaald dat de streefdatum om al het vastgoed in de Bernard Loderbuurt aardgasvrij te maken 31 december 2030 is. De voornaamste werking van deze streefdatum ontstaat door de verplichting om een intentieverklaring te leveren die ertoe strekt dat al het vastgoed, binnen het gebied, in eigendom van de eigenaar waarop subsidieaanvraag betrekking heeft, aardgasvrij wordt (zoals genoemd in artikel 1.5, eerste lid onder e) en de mogelijkheid voor het college om een subsidieaanvraag (ten dele) te weigeren als die intentieverklaring onvoldoende stevig is (artikel 1.6, tweede lid, onder c).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">2 Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met dit artikel wordt, conform artikel 4:22 Awb, het subsidieplafond voor de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk bepaald. Op basis van dit artikel kan het college niet meer subsidie verlenen dan het genoemde bedrag. Aanvragen die leiden tot een afschrijding van het plafond worden lager of nihil vastgesteld, zodat het plafond niet wordt overschreden. Conform artikel 7 van de ASA2013 is de volgorde waarop aanvragen compleet zijn leidend bij het bepalen welke aanvragen lager of nihil worden vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">3 Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is bepaald welke activiteiten, binnen het in artikel 3a.1, eerste lid bepaalde gebied, subsidiabel zijn. Om in aanmerking te komen voor subsidie dienen de woning geheel aardgasvrij te worden. Een subsidieaanvraag zal vaak een combinatie van de onder dit artikel genoemde activiteiten bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste onderdeel De activiteiten onder dit onderdeel leiden er toe dat de verwarmingsinstallatie en de tapwaterinstallatie in een bestaande woning wordt omgezet aardgasvrije. De woning dient daarbij geheel aardgasvrij te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede onderdeel De activiteiten in dit onderdeel leiden er toe dat de aardgasgestookte kookinstallatie uit de woning verwijderd wordt. Subsidie voor deze activiteit kan afzonderlijk aangevraagd worden van de activiteit in het eerste onderdeel, maar in dat geval moeten de verwarmingsinstallatie en de tapwaterinstallatie wel al aardgasvrij zijn. De woning moet immers wel aardgasvrij zijn, nadat deze activiteiten zijn uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde onderdeel De activiteiten onder dit onderdeel zien op het door de netbeheerder laten verwijderen van de gasaansluiting uit de woning. De netbeheerder brengt hiervoor kosten in rekening. De woning dient daarbij geheel aardgasvrij te worden. U kunt dus niet in aanmerking voor deze subsidie komen als de woning nog wel gebruik maakt van een aardgasverbruikende gebouwgebonden verwarmingsinstallatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">4 Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in aanmerking komende kosten zijn de kosten die worden gemaakt voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Uitgekeerd wordt een totaalbedrag. Of BTW teruggevorderd kan worden door de aanvrager, doet voor de gemeente niet ter zake.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente behoudt het recht voor om externe expertise in te schakelen voor de beoordeling van de kosten en haalbaarheid van de aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste onderdeel Kosten voor eigen arbeid worden in geen enkel geval gesubsidieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede onderdeel De kosten voor isolatievoorzieningen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat het grootste deel van de isolatievoorziening zichzelf terugverdienen door de daling in energielasten die het afgenomen energieverbruik veroorzaakt. Er zijn adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor isolatievoorzieningen betaald kunnen worden. Bovendien kan vanaf 2 september 2019 voor isolatiemaatregelen gebruik gemaakt worden van de subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) die het Rijk aanbied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde onderdeel De kosten voor zonnepanelen worden niet gesubsidieerd. De gedacht hierachter is dat zonnepanelen zichzelf in principe terugverdienen de besparing op de energierekening door de vergoeding die gegeven wordt voor de terug levering van elektriciteit aan het elektriciteitsnet. Er zijn adequate leenfaciliteiten beschikbaar waarmee de investeringskosten voor zonnepanelen betaald kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde onderdeel Vanwege de negatieve effecten op de luchtkwaliteit komen hout- en pelletkachels en biomassaverbrandingsketels niet in aanmerking voor subsidiering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde onderdeel Installaties met fossiele brandstof als olie, butaangas of kolen komen ook niet in aanmerking, omdat deze nog vervuilender zijn dan aardgas. Olie, butaangas of kolen vormen geen limitatieve opsomming, andere fossiele brandstoffen zijn ook uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde onderdeel De aanschaf van pannen en ander keukengerei is niet aan te merken als een fysieke gebouwgebonden voorziening en de kosten die daarmee gemoeid zijn dus niet subsidiabel. Deze uitsluiting is daardoor in principe overbodig. De ervaring leert echter dat met een expliciet vermelding in de regeling onduidelijkheid vermeden kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende en achtste onderdeel Het is de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om te voldoen aan alle wettelijke verplichtingen of minimum kwaliteitseisen. De gemeente wil hiermee uitsluiten dat zij daaraan meebetaalt, terwijl het aan de aanvrager zelf is om dit gat te dichten alvorens subsidie wordt aangevraagd op grond van deze regeling. De voorzieningen moeten verder gaan dan het moeten voldoen aan wettelijke verplichtingen of gangbare minimum kwaliteitseisen. Het gaat erom dat de aanvrager die extra stap zet naar aardgasvrij, die zonder subsidie niet was gezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">5 Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel wordt per activiteit bepaald wat de maximale subsidie is. De maximale subsidiebedragen zijn zo vormgegeven dat er maximaal €5000,- plus de door de netbeheerder in rekening gebracht afsluitkosten per aardgasvrije woning subsidie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Op de kosten voor de realisatie van een aardgasvrije verwarmings- en tapwaterinstallatie wordt eerst een vast bedrag in mindering gebracht. Dit een forfaitair bedrag gebaseerd op de kosten die een woningeigenaar gemiddeld en over het algemeen zou hebben om de gasinstallatie te vernieuwen. Dit bedrag is forfaitair bepaald en de daadwerkelijke bespaarde kosten zijn niet van invloed op de hoogte hiervan. Nadat het forfaitair bedrag in mindering is gebracht blijven de ‘meerkosten’ over. Eigenaren worden geacht om een eigen bijdrage te doen van 50% van de meerkosten. De helft van de resterende kosten worden daarom tot het genoemde maximumbedrag gesubsidieerd. Ter verduidelijking twee voorbeelden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vervanging van een gasgestookte CV ketel door een aansluiting op het stadswarmtenet brengt de volgende kosten met zich mee:</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening subsidiabele kosten (artikel 3a.4) Voorbeeld 1 Voorbeeld 2 Bijdrage Aansluitkosten (BAK) € 4.000,- € 8.000,- Subsidiabel Kast warmtewisselaar € 500,- € 1.000,- Subsidiabel Inpandig leidingwerk € 2.000,- € 4.000,- Subsidiabel Installeren driedubbel glas Niet subsidiabel Subsidiabele kosten € 6.500,- € 13.000,- Berekening subsidie (artikel 3a.5), eerste lid Subsidiabele kosten € 6.500,- € 13.000,- Forfaitair bedrag -€ 2.500,- -€ 2.500,- Subsidiabele meerkosten € 4.000,- € 10.500,- Eigen bijdrage (50%) -€ 2.000,- -€ 5.250,- Subsidie (ongemaximeerd) € 2.000,- € 5.250,- Subsidie (gemaximeerd) € 2.000,- € 4.500,- Naast deze bedragen voor de verwarmings- en tapwaterinstallatie kan in de meeste gevallen in dezelfde aanvraag ook subsidie worden aangevraagd voor het omzetten van de kookvoorziening en het verwijderen van de kookgasaansluiting (artikel 3a.3, tweede en derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Eigenaren wordt geacht om een eigen bijdrage te doen van 50% van de kosten voor de realisatie van een aardgasvrij kookvoorziening. De helft van de resterende kosten worden daarom tot het genoemde maximumbedrag gesubsidieerd. Ter verduidelijking een voorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Berekening subsidiabele kosten (artikel 3a.4) Voorbeeld 1 Aanschaf kookplaat € 500,- Subsidiabel Verzwaren stroomaansluiting € 800,- Subsidiabel Plaatsen perilex stekker € 200,- Subsidiabel Pannen Niet subsidiabel Subsidiabele kosten € 1.500,- Berekening subsidie (artikel 3a.5), eerste lid Subsidiabele kosten € 1.500,- Eigen bijdrage (50%) -€ 750,- Subsidie (ongemaximeerd) € 750,- Subsidie (gemaximeerd) € 500,- Naast deze bedragen voor de kookvoorziening kan in de meeste gevallen in dezelfde aanvraag ook subsidie worden aangevraagd voor het omzetten van de verwarmings- en warmtapwaterinstallatie en het verwijderen van de kookgasaansluiting (artikel 3a.3, eerste en derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Liander heeft een vast tarief voor het afsluiten van het aardgas. Dit bedrag wordt in principe geheel vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De subsidie mag gecombineerd worden met andere subsidieregelingen. Dit kunnen andere subsidies van de gemeente Amsterdam zijn, maar ook subsidies van andere overheden. Als voorwaarde geldt dat het totaal van subsidies niet de totale subsidiabele kosten mogen overschrijden. Meldplicht van reeds ontvangen en nog te ontvangen subsidies ligt bij de aanvrager. Onder artikel 1.5, eerste lid, onder d en artikel 1.8, onder twee wordt de aanvrager om deze gegevens gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvragers dragen zelf verantwoordelijkheid voor om na te gaan of de beoogde stapeling van subsidies ook toelaatbaar is volgens de regels van de andere subsidie en de Europese verdragsregels met betrekking tot toelaatbare staatssteun.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">6 Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met deze weigeringsgrond wordt uitgesloten dat subsidie kan worden aangevraagd na 31 december 2024. Voor onvolledige aanvragen, die tijdig ingediend zijn, geldt dat de indiener de gebruikelijke eenmalige gelegenheid krijgt om deze binnen twee weken aan te vullen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3a</span><span class=\"lf-art-t\">7 Reeds gestarte of uitgevoerde activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen]</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3b Reimerswaalbuurt</h3>\n<p class=\"lf-p\">Dit hoofdstuk ziet op een subsidie voor een specifieke buurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3b-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3b</span><span class=\"lf-art-t\">1 gebieds- en aardgasvrij datum bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met dit lid wordt het gebied bepaald waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk plaats dienen te vinden. Als de activiteiten buiten dit gebied liggen zijn ze niet subsidiabel op basis van dit hoofdstuk. Dit artikel omschrijft de grenzen van het gebied. De grenzen van dit gebied komen overeen met de gebiedsbepaling uit bijlage 3 van het college van B&amp;W van 2 juni 2020. Met dit besluit is bepaald dat de netbeheerder geen verplichting meer heeft om nieuwe aardgasaansluitingen te faciliteren binnen het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied Reimerswaalbuurt in Amsterdam wordt als volgt begrensd: aan de noordzijde door de Ookmeerweg; aan de oostzijde door het Wevelswalepad; aan de zuidzijde door de Osdorperban; en aan de Westzijde door de Baden Powellweg. figuur 1 – overzichtskaart van Amsterdam met het gebied ‘Reimerswaalbuurt’ gemarkeerd Figuur 2 – Detailkaart met daarin het gebied ‘Reimerswaalbuurt’ gemarkeerd De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het gebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcodes Huisnummers Postcodes Huisnummers 1069 AA alle 1069 BP alle 1069 AB alle 1069 BR alle 1069 AC alle 1069 BS alle 1069 AD alle 1069 BT alle 1069 AE alle 1069 BV alle 1069 AG alle 1069 BW alle 1069 AJ alle 1069 BX alle 1069 AL alle 1069 MP alle 1069 AT alle 1069 MR alle 1069 BB alle 1069 MS alle 1069 BC alle 1069 MT alle 1069 BD alle 1069 MV alle 1069 BE alle 1069 MX alle 1069 BG alle 1069 MZ alle 1069 BH alle 1069 ZR 130 tot en met 138, 698 tot en met 840 (even) 1069 BJ alle 1069 ZT alle 1069 BK alle 1069 ZW alle 1069 BL alle 1069 ZZ alle 1069 BM alle 1069 BN alle Tweede lid Zie hiervoor de toelichting bij artikel 3b.1, tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3b</span><span class=\"lf-art-t\">2 tot en met 3b.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstukken 3a en 3b zijn behalve voor het aangewezen gebied en het plafondbedrag inhoudelijk vrijwel identiek. De toelichting van de artikelen uit dit hoofdstuk is daarom ook identiek. Voor de toelichting bij artikelen 3b.2 tot en met 3b.6 wordt u verwezen naar respectievelijk artikelen 3a.2 tot en met 3b.6. De kanttekening is daarbij dat u gevraagd wordt op alle plaatsen waar 3a staat 3b te lezen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3c Banne Noord</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3c</span><span class=\"lf-art-t\">1 gebieds- en aardgasvrij datum bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met dit lid wordt het gebied bepaald waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk plaats dienen te vinden. Als de activiteiten buiten dit gebied liggen zijn ze niet subsidiabel op basis van dit hoofdstuk. Dit artikel omschrijft de grenzen van het gebied. De grenzen van dit gebied komen overeen met de gebiedsbepaling uit bijlage 2 van het college van B&amp;W van 26 oktober 2021. Met dit besluit is niet bepaald dat de netbeheerder geen verplichting meer heeft om nieuwe aardgasaansluitingen te faciliteren binnen het gebied. De verwachting is dat die aanwijzing zal gebeuren wanneer de concrete plannen voor het gehele gebied vastgesteld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied van Banne Noord wordt volgt begrensd: aan de zuidwestzijde door de IJdoornlaan; aan de zuidoostzijde door het Noord-Hollandsch Kanaal; aan de noordoostzijde door de Ringweg A10; en aan de noordwestzijde door de sloot die overbrugd wordt door de bruggen met nummers 1729 en 1731. figuur 1 - overzichtskaart van Amsterdam met het gebied ‘Banne Noord’ gemarkeerd figuur 2 - Detailkaart met daarin het gebied ‘Banne Noord’ gemarkeerd De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het gebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer Postcode Huisnummer 1034JE Alle 1034MX Alle 1034RK Alle 1034KL Alle 1034MZ Alle 1034RL Alle 1034KM Alle 1034NA Alle 1034RM Alle 1034KN Alle 1034NB Alle 1034RN Alle 1034KP Alle 1034NC Alle 1034RP Alle 1034KP Alle 1034ND Alle 1034RR Alle 1034KR Alle 1034NE Alle 1034RS Alle 1034KS Alle 1034NG Alle 1034RT Alle 1034KT Alle 1034NH Alle 1034RV Alle 1034KV Alle 1034NJ Alle 1034RW Alle 1034KW Alle 1034NK Alle 1034RX Alle 1034KX Alle 1034NL Alle 1034RZ Alle 1034KZ Alle 1034NM Alle 1034SB Alle 1034LA Alle 1034NN Alle 1034SC Alle 1034LB Alle 1034NP Alle 1034SE Alle 1034LC Alle 1034NR Alle 1034SG Alle 1034LD Alle 1034NS Alle 1034SH Alle 1034LE Alle 1034NT Alle 1034SJ Alle 1034LG Alle 1034NV Alle 1034SK Alle 1034LH Alle 1034NX Alle 1034SL Alle 1034LJ Alle 1034NZ Alle 1034SM Alle 1034LK Alle 1034PA Alle 1034SN Alle 1034LL Alle 1034PB Alle 1034SP Alle 1034LM Alle 1034PC Alle 1034SR Alle 1034LN Alle 1034PD Alle 1034ST Alle 1034LP Alle 1034PE Alle 1034SV Alle 1034LR Alle 1034PG Alle 1034SW Alle 1034LS Alle 1034PH Alle 1034SX Alle 1034LT Alle 1034PJ Alle 1034SZ Alle 1034LV Alle 1034PL Alle 1034TA Alle 1034LW Alle 1034PK Alle 1034TB Alle 1034LX Alle 1034PM Alle 1034TC Alle 1034LZ Alle 1034PN Alle 1034TD Alle 1034MA Alle 1034PP Alle 1034TE Alle 1034MB Alle 1034PR Alle 1034TG Alle 1034MC Alle 1034PS Alle 1034TH Alle 1034MD Alle 1034PT Alle 1034TJ Alle 1034ME Alle 1034PV Alle 1034TK Alle 1034MG Alle 1034PW Alle 1034TL Alle 1034MH Alle 1034PX Alle 1034TM Alle 1034MJ Alle 1034PZ Alle 1034TN Alle 1034MK Alle 1034RA Alle 1034TP Alle 1034ML Alle 1034RB Alle 1034TR Alle 1034MN Alle 1034RC Alle 1034TS Alle 1034MP Alle 1034RD Alle 1034TT Alle 1034MR Alle 1034RE Alle 1034TV Alle 1034MS Alle 1034RG Alle 1034VA Alle 1034MT Alle 1034RH Alle 1034VB Alle 1034MV Alle 1034RJ Alle 1034VC Alle Tweede lid Met dit lid wordt met betrekking tot dit hoofdstuk de streefdatum om al het vastgoed in de van de Pekbuurt aardgasvrij te maken bepaald op 31 december 2031 is. De voornaamste werking van deze streefdatum ontstaat door de verplichting om een intentieverklaring te leveren die ertoe strekt dat al het vastgoed, binnen het gebied, in eigendom van de eigenaar waarop subsidieaanvraag betrekking heeft, aardgasvrij wordt (zoals genoemd in artikel 1.5, eerste lid onder e) en de mogelijkheid voor het college om een subsidieaanvraag geheel of gedeeltelijk te weigeren als die intentieverklaring onvoldoende stevig is (artikel 1.6, tweede lid, onder c).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3c</span><span class=\"lf-art-t\">2 tot en met 3c.6, eerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3c is behalve voor het aangewezen gebied en het plafondbedrag inhoudelijk vrijwel identiek aan hoofdstuk 3a. De toelichting van de artikelen uit dit hoofdstuk is daarom ook identiek. Voor de toelichting bij artikelen 3c.2 tot en met 3c.6, eerste wordt u verwezen naar respectievelijk artikelen 3a.2 tot en met 3b.6. De kanttekening is daarbij dat u gevraagd wordt op alle plaatsen waar 3a staat 3c te lezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3c</span><span class=\"lf-art-t\">6, tweede lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit twee artikellid ziet er dat mensen die kort voor het beschikbaar komen van de subsidie op grond van hoofdstuk 3c hun woning aardgasvrij gemaakt hebben toch in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Het tweede lid ziet er op dat het college niet meer verplicht is de subsidie te weigeren, omdat men reeds begonnen is met het treffen van de subsidiabele maatregelen. Het is slechts tot 90 dagen na de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit subsidie duurzaam Amsterdamse gebouwen, waarmee dit hoofdstuk tezamen wordt toegevoegd aan de subsidieregeling Duurzame Amsterdamse gebouwen, mogelijk om aanspraak te maken op deze artikelleden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3d Molenwijk</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3d</span><span class=\"lf-art-t\">1 gebieds- en aardgasvrij datum bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met dit lid wordt het gebied bepaald waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk plaats dienen te vinden. Als de activiteiten buiten dit gebied liggen zijn ze niet subsidiabel op basis van dit hoofdstuk. Dit artikel omschrijft de grenzen van het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied Molenwijk, waarbinnen subsidiabele activiteiten, zoals bedoeld in artikel 3d.3, plaats dienen te vinden is als volgt begrenst: aan de noordzijde door de Molenaarsweg; aan de oostzijde, door de Molenaarsweg; tussen de Molenaarsweg en de Stellingweg door de sloot tussen basisschool de Krijtmolen en de gebouwen aan het Zuideinde ligt door de delen van de Stellingweg die niet bij de Molenflats eindigen; aan de zuid- en westzijde door de delen van de Stellingweg die niet bij de Molenflats eindigen. figuur 3d.1.1 - overzichtskaart van Amsterdam met het gebied ‘Molenwijk’ gemarkeerd figuur 3d.1.2 - detailkaart met daarin het gebied ‘Molenwijk’ gemarkeerd De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het gebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummers Postcode Huisnummers Postcode Huisnummers 1035AA alle 1035BJ alle 1035CV alle 1035AB alle 1035BK alle 1035CW alle 1035AC alle 1035BL alle 1035CX alle 1035AD alle 1035BM alle 1035CZ alle 1035AE alle 1035BN alle 1035EA alle 1035AG alle 1035BP alle 1035EB alle 1035AH alle 1035BR alle 1035EC alle 1035AJ alle 1035BS alle 1035ED alle 1035AK alle 1035BT alle 1035EE alle 1035AL alle 1035BV alle 1035EG alle 1035AM alle 1035BW alle 1035EH alle 1035AN alle 1035CA alle 1035EJ alle 1035AP alle 1035CB alle 1035EK alle 1035AR alle 1035CC alle 1035EL alle 1035AS alle 1035CD alle 1035EM alle 1035AT alle 1035CE alle 1035EN alle 1035AV alle 1035CG alle 1035EP alle 1035AW alle 1035CH alle 1035ER alle 1035AX alle 1035CJ alle 1035ES alle 1035AZ alle 1035CK alle 1035ET alle 1035BA alle 1035CL alle 1035EV alle 1035BB alle 1035CM alle 1035BC alle 1035CN alle 1035BD alle 1035CP alle 1035BE alle 1035CR alle 1035BG alle 1035CS alle 1035BH alle 1035CT alle Tweede lid Met dit lid wordt voor dit hoofdstuk bepaald dat de streefdatum om al het vastgoed in de Molenwijk aardgasvrij te maken 31 december 2031 is. De voornaamste werking van deze streefdatum ontstaat door de verplichting om een intentieverklaring te leveren die ertoe strekt dat al het vastgoed, binnen het gebied, in eigendom van de eigenaar waarop subsidieaanvraag betrekking heeft, aardgasvrij wordt (zoals genoemd in artikel 1.5, eerste lid onder e) en de mogelijkheid voor het college om een subsidieaanvraag (ten dele) te weigeren als die intentieverklaring onvoldoende stevig is (artikel 1.6, tweede lid, onder c).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Met dit lid wordt de werking van artikel 2.1, eerste lid gewijzigd. De hoofdregel is dat stadsbrede subsidievoorwaarden uit hoofdstuk 2 niet van toepassing is in gebieden waar een specifieke uitwerking voor bestaat. Als gevolg van dit lid blijven de stadsbrede subsidievoorwaarden uit hoofdstuk 2 van toepassing voor bedrijven en maatschappelijke organisaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3d</span><span class=\"lf-art-t\">2 Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt de hoogte en de looptijd van het subsidieplafond voor de subsidies op grond van artikel 3d.3. De looptijd van het plafond vangt aan bij de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit aardgasvrijsubsidie Molenwijk. In artikel II van dat Wijzigingsbesluit staat dat het in werking treedt met ingang van de dag na bekendmaking. De inwerkingtreding van het plafond valt dus samen met ingang van de dag na de bekendmaking van het Wijzigingsbesluit aardgasvrijsubsidie Molenwijk. Als het subsidieplafond gedurende de looptijd bereikt is worden subsidieaanvragen geweigerd op grond van artikel 4:24, tweede lid Awb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3d</span><span class=\"lf-art-t\">3 Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt voor welke activiteiten op grond van dit hoofdstuk subsidie aangevraagd kan worden. Het is uitsluitend mogelijk om subsidie aan te vragen voor deze activiteiten voor zover ze uitgevoerd worden aan vastgoed dat gelegen is binnen het in artikel 3d.1, eerste lid gelegen gebied. In de aanhef wordt bepaald dat het mogelijk is voor elke combinatie van de in de onderdelen a tot en met d opgesomde activiteiten subsidie aan te vragen onder de voorwaarden dat het ertoe leidt dat een bestaande woning aardgasvrij wordt. De begrippen aardgasvrij, bestaande woning en fysieke gebouwgebonden voorzieningen worden allemaal gedefinieerd in de algemene definities uit artikel 1.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3d</span><span class=\"lf-art-t\">4 Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt welke van de kosten die gemoeid zijn met het uitvoeren van de in artikel 3d.3 bepaalde activiteiten subsidiabel zijn. Het gaat in principe om alle gemaakte kosten voor de uitvoering, maar de soorten kosten in de opsomming worden uitzondert. Deze formulering wijkt nauwelijks af van de formulering van artikel 2.4 en voor verdere toelichting bij de verschillende subonderdelen wordt u daarom verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3d</span><span class=\"lf-art-t\">5 Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt de hoogte van de subsidie verleent en vastgesteld kan worden voor de activiteiten uit artikel 3d.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid bepaalt de subsidie die beschikbaar is voor aardgasvrij maken van de ruimteverwarmingsinstallatie, zoals bedoeld in artikel 3d.3, onderdeel a en voor het aardgasvrij maken van de tapwaterverwarmingsinstallatie, zoals bedoeld in artikel 3d.3, onderdeel b. Het maximale subsidiebedrag wordt bepaald op basis van de combinatie van de subsidiabele kosten voor de uitvoering van onderdelen a en b. Het gehele forfaitaire bedrag wordt in mindering gebracht ongeacht of één of beide activiteiten uitgevoerd worden. Nadat het forfaitaire bedrag in mindering is gebracht op de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 3d.4 komt de helft van het resterende bedrag in aanmerking voor subsidie. Die subsidie kan niet hoger dan het maximale bedrag per woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt de subsidie die beschikbaar is voor het aardgasvrij maken van de kookvoorziening, zoals bedoeld in artikel 3d.3, onderdeel c. Bij het berekenen van de hoogte van de subsidie voor de kookvoorziening wordt geen forfaitair bedrag in mindering gebracht. De helft van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 3d.4 komt in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid bepaalt de subsidie die beschikbaar is voor het verwijderen van de gasaansluiting. Het gaat nadrukkelijk om de door de netbeheerder beheerde gasaansluiting. In principe komen alle door de netbeheerder in rekening gebrachte kosten in aanmerking, maar er is wel een maximumbedrag per aansluiting ingesteld. Het college wil voorkomen dat het groter dan verwachte subsidies moet verstrekken als bijvoorbeeld aanvullende kosten zijn als gevolg van de wensen van de aanvrager of als er grootverbruik aansluitingen verwijderd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid is anders dan de eerste drie leden. In dit lid wordt namelijk bepaalt dat de subsidie in geen geval hoger kan zijn dan de subsidiabele kosten verminderd met eventuele andere verleende of vastgestelde subsidies voor dezelfde activiteiten. Hiermee voorkomt het college dat de aanvrager meer subsidie krijgt voor de activiteiten dan dat de activiteiten zelf daadwerkelijk kosten. Als gevolg van het feit dat voor de activiteiten uit artikel 3d.3, onderdelen a, b en c slechts een deel van de subsidiabele kosten in aanmerking komen voor subsidie is er vaak voldoende ruimte voor aanvragers om andere subsidies aan te vragen voor de activiteiten, zonder dat dat er toe leidt dat de subsidie op grond van dit artikellid lager vastgesteld dient te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede volzin in dit artikel ziet er op dat het college naar redelijkheid kan beoordelen of een eventuele andere verleende subsidie mogelijk lager vastgesteld zal worden. Op die manier kan onder andere voorkomen worden dat een aanvrager dubbel gekort wordt op de subsidie als een bepaalde activiteit niet geheel is uitgevoerd. Het college bepaalt of er sprake is van andere subsidies op grond van de stukken die op grond van artikel 1.5, onderdeel d moet worden verstrekt bij de aanvraag tot subsidieverlening en op grond van artikel 1.8, onderdeel 2 moet worden verstrekt bij de aanvraag tot subsidievaststelling. Op grond van artikel 4:46, eerste lid kan het college de subsidie lager vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag dat bij de verlening wordt bepaald betreft een maximumbedrag dat op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten en de eventuele andere te ontvangen subsidie naar beneden bijgesteld kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3d</span><span class=\"lf-art-t\">6 Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt de een aanvullende of afwijkende weigeringsgronden die voor subsidies op grond van dit hoofdstuk van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid betreft een aanvullende weigeringsgrond. Deze weigeringsgrond is in aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 1.6 van het algemene hoofdstuk. De weigeringsgronden uit artikel 1.6 zijn op hun beurt weer een aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 9 van de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013. Het regelt dat aanvragen die na 31 december 2026 worden ingediend worden geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid betreft een afwijking op de weigeringsgrond uit artikel 1.6, eerste lid onder a. Dat is het artikel dat er op ziet dat de subsidie geweigerd wordt als reeds begonnen is met de uitvoeren van de activiteiten voordat de subsidie is aangevraagd. Het gevolg van deze afwijking is dat activiteiten die tussen 1 juli 2021 en de 91ste dag na de inwerkingtredingdatum van het Wijzigingsbesluit aardgasvrijsubsidie Molenwijk toch in aanmerking komen voor subsidie op grond van dit hoofdstuk. Een aanvrager die aanspraak wil maken op deze uitzondering moet zijn subsidieaanvraag echter wel binnen 90 dagen na de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit aardgasvrijsubsidie Molenwijk indienen. Als die 90 dagen termijn verstreken zijn de reeds uitgevoerde activiteiten niet meer subsidiabel.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3e Gentiaanbuurt</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3e</span><span class=\"lf-art-t\">1 gebieds- en aardgasvrij datum bepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Met dit lid wordt het gebied bepaald waarbinnen de subsidiabele activiteiten in dit hoofdstuk plaats dienen te vinden. Als de activiteiten buiten dit gebied liggen zijn ze niet subsidiabel op basis van dit hoofdstuk. Dit artikel omschrijft de grenzen van het gebied. Gelijktijdig met dit besluit is bepaald dat de netbeheerder geen verplichting meer heeft om nieuwe aardgasaansluitingen te faciliteren binnen het gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied van de Gentiaanbuurt wordt volgt begrensd: aan de noordwestzijde door de Gentiaanstraat; aan de noordoostzijde door het Mosveld; aan de zuidoostzijde door de Wingerdweg; aan de westzijde door de Hagedoornweg. figuur 3e.1.1 - Overzichtskaart van Amsterdam met het gebied ‘Gentiaanbuurt’ gemarkeerd figuur 3e.1.2 - Detailkaart met daarin het gebied ‘Gentiaanbuurt’ gemarkeerd De volgende postcodes en bijbehorende huisnummers worden geacht binnen het gebied te liggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Postcode Huisnummers Postcode Huisnummers 1031AB Alle 1031BB Alle 1031AC Alle 1031BC Alle 1031AD 49 t/m 71 oneven 1031BD Alle 1031AG Even 1031BE Alle 1031AL Alle 1031BG Alle 1031AP Alle 1031BH Alle 1031AR Alle 1031BJ Alle 1031AS Alle 1031BK Alle 1031AT Alle 1031BL Alle 1031AV Alle 1031BR Alle 1031AW Alle 1031BS Alle 1031AZ Alle 1031BT Alle 1031BW Alle 1031BX Alle 1031BZ Alle Tweede lid Met dit lid wordt voor dit hoofdstuk bepaald dat de streefdatum om al het vastgoed in de Gentiaanbuurt aardgasvrij te maken 31 december 2030 is. De voornaamste werking van deze streefdatum ontstaat door de verplichting om een intentieverklaring te leveren die ertoe strekt dat al het vastgoed, binnen het gebied, in eigendom van de eigenaar waarop subsidieaanvraag betrekking heeft, aardgasvrij wordt (zoals genoemd in artikel 1.5, eerste lid onder e) en de mogelijkheid voor het college om een subsidieaanvraag (ten dele) te weigeren als die intentieverklaring onvoldoende stevig is (artikel 1.6, tweede lid, onder c).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Met dit lid wordt de werking van artikel 2.1, eerste lid gewijzigd. De hoofdregel is dat stadsbrede subsidievoorwaarden uit hoofdstuk 2 niet van toepassing is in gebieden waar een specifieke uitwerking voor bestaat. Als gevolg van dit lid blijven de stadsbrede subsidievoorwaarden uit hoofdstuk 2 van toepassing voor bedrijven en maatschappelijke organisaties.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3e</span><span class=\"lf-art-t\">2 Subsidieplafond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt de hoogte en de looptijd van het subsidieplafond voor de subsidies op grond van artikel 3e.3. De looptijd van het plafond vangt aan bij de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit aardgasvrijsubsidie Gentiaanbuurt. In artikel II van dat Wijzigingsbesluit staat dat het in werking treedt met ingang van de dag na bekendmaking. De inwerkingtreding van het plafond valt dus samen met ingang van de dag na de bekendmaking van het Wijzigingsbesluit aardgasvrijsubsidie van de Gentiaanbuurt. Als het subsidieplafond gedurende de looptijd bereikt is worden subsidieaanvragen geweigerd op grond van artikel 4:24, tweede lid Awb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3e</span><span class=\"lf-art-t\">3 Subsidiabele activiteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt voor welke activiteiten op grond van dit hoofdstuk subsidie aangevraagd kan worden. Het is uitsluitend mogelijk om subsidie aan te vragen voor deze activiteiten voor zover ze uitgevoerd worden aan vastgoed dat gelegen is binnen het in artikel 3e.1, eerste lid gelegen gebied. In de aanhef wordt bepaald dat het mogelijk is voor elke combinatie van de in de onderdelen a tot en met d opgesomde activiteiten subsidie aan te vragen onder de voorwaarden dat het ertoe leidt dat een bestaande woning aardgasvrij wordt. De begrippen aardgasvrij, bestaande woning en fysieke gebouwgebonden voorzieningen worden allemaal gedefinieerd in de algemene definities uit artikel 1.1.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3e</span><span class=\"lf-art-t\">4 Subsidiabele kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid van dit artikel bepaalt welke van de kosten die gemoeid zijn met het uitvoeren van de in artikel 3e.3 bepaalde activiteiten subsidiabel zijn. Het gaat in principe om alle gemaakte kosten voor de uitvoering, maar de soorten kosten in de opsomming worden uitgezonderd. Deze formulering wijkt nauwelijks af van de formulering van artikel 2.4 en voor verdere toelichting bij de verschillende subonderdelen wordt u daarom verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid van dit artikel betreft een zeer buurt specifieke bepaling. Deze bepaling regelt dat kosten, die aan alle in de onderdelen van dit lid genoemde voorwaarden voldoen, ook aangemerkt kunnen worden als subsidiabele kosten. Het bijzondere is dat dit kosten betreft voor reeds uitgevoerde activiteiten. Normaliter is het als gevolg van de weigeringsgrond in artikel 1.6, eerste lid, onderdeel a niet mogelijk om subsidie te krijgen voor activiteiten die reeds uitgevoerd zijn. De subsidie voor deze reeds uitgevoerde activiteiten wordt immers geweigerd. Een aanvrager die aanspraak wil maken op deze bepaling moet bij de subsidieaanvraag meer stukken indienen. Lees daarover meer in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3e.6. Lees meer over de aanleiding voor deze bepaling aan het einde van de algemene toelichting over de Gentiaanbuurt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3e</span><span class=\"lf-art-t\">5 Hoogte van de subsidie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt de hoogte van de subsidie verleent en vastgesteld kan worden voor de activiteiten uit artikel 3e.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid bepaalt de subsidie die beschikbaar is voor aardgasvrij maken van de ruimteverwarmingsinstallatie, zoals bedoeld in artikel 3e.3, onderdeel a en voor het aardgasvrij maken van de tapwaterverwarmingsinstallatie, zoals bedoeld in artikel 3e.3, onderdeel b. Het maximale subsidiebedrag wordt bepaald op basis van de combinatie van de subsidiabele kosten voor de uitvoering van onderdelen a en b. Het gehele forfaitaire bedrag wordt in mindering gebracht ongeacht of één of beide activiteiten uitgevoerd worden. Nadat het forfaitaire bedrag in mindering is gebracht op de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 3e.4 komt de helft van het resterende bedrag in aanmerking voor subsidie. Die subsidie kan niet hoger dan het maximale bedrag per woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt de subsidie die beschikbaar is voor het aardgasvrij maken van de kookvoorziening, zoals bedoeld in artikel 3e.3, onderdeel c. Bij het berekenen van de hoogte van de subsidie voor de kookvoorziening wordt geen forfaitair bedrag in mindering gebracht. De helft van de subsidiabele kosten, zoals bedoeld in artikel 3e.4 komt in aanmerking voor subsidie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid bepaalt de subsidie die beschikbaar is voor het verwijderen van de gasaansluiting. Het gaat nadrukkelijk om de door de netbeheerder beheerde gasaansluiting. In principe komen alle door de netbeheerder in rekening gebrachte kosten in aanmerking, maar er is wel een maximumbedrag per aansluiting ingesteld. Het college wil voorkomen dat het groter dan verwachte subsidies moet verstrekken als bijvoorbeeld aanvullende kosten zijn als gevolg van de wensen van de aanvrager of als er grootverbruik aansluitingen verwijderd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid is anders dan de eerste drie leden. In dit lid wordt namelijk bepaalt dat de subsidie in geen geval hoger kan zijn dan de subsidiabele kosten verminderd met eventuele andere verleende of vastgestelde subsidies voor dezelfde activiteiten. Hiermee voorkomt het college dat de aanvrager meer subsidie krijgt voor de activiteiten dan dat de activiteiten zelf daadwerkelijk kosten. Als gevolg van het feit dat voor de activiteiten uit artikel 3e.3, onderdelen a, b en c slechts een deel van de subsidiabele kosten in aanmerking komen voor subsidie is er vaak voldoende ruimte voor aanvragers om andere subsidies aan te vragen voor de activiteiten, zonder dat dat er toe leidt dat de subsidie op grond van dit artikellid lager vastgesteld dient te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede volzin in dit artikel ziet er op dat het college naar redelijkheid kan beoordelen of een eventuele andere verleende subsidie mogelijk lager vastgesteld zal worden. Op die manier kan onder andere voorkomen worden dat een aanvrager dubbel gekort wordt op de subsidie als een bepaalde activiteit niet geheel is uitgevoerd. Het college bepaalt of er sprake is van andere subsidies op grond van de stukken die op grond van artikel 1.5, onderdeel d moet worden verstrekt bij de aanvraag tot subsidieverlening en op grond van artikel 1.8, onderdeel 2 moet worden verstrekt bij de aanvraag tot subsidievaststelling. Op grond van artikel 4:46, eerste lid kan het college de subsidie lager vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subsidiebedrag dat bij de verlening wordt bepaald betreft een maximumbedrag dat op basis van de daadwerkelijk gemaakte kosten en de eventuele andere te ontvangen subsidie naar beneden bijgesteld kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3e</span><span class=\"lf-art-t\">6 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt dat er voor specifieke subsidies op grond van dit hoofdstuk aanvullende indieningsvereisten bestaan. Deze indieningsvereisten komen bovenop die indieningsvereisten die volgen uit artikel 1.5. De vereisten uit artikel 1.5 komen op hun beurt weer bovenop de indieningsvereisten uit artikel 5, tweede lid van de ASA2013. De aanvullende indieningsvereisten gelden voor subsidies die aanspraak maken op de mogelijkheid om bepaalde reeds gemaakte kosten op te voeren, zoals omschreven in artikel 3e.4, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a regelt dat de facturen voor reeds uitgevoerde activiteiten meegezonden moeten worden. Voor deze facturen gelden dezelfde kwaliteitseisen als gelden voor de facturen die in het kader van de subsidievaststelling moeten worden verzonden, zoals bedoeld in artikel 1.8, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b regelt dat de aanvrager een schriftelijke toelichting moet geven waarin de in de subonderdelen genoemde onderwerpen worden omschreven. Deze gegevens worden gebruikt om te bepalen in hoeverre de opgevoerde kosten in aanmerking genomen kunnen worden op grond van artikel 3e.4, tweede lid. De schriftelijke toelichting mag nadrukkelijk door de aanvrager zelf geschreven zijn, maar kan ook bestaan uit documenten die door andere partijen zijn opgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3e</span><span class=\"lf-art-t\">7 Weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de hoofdstuk specifieke weigeringsgronden. Deze komen bovenop de weigeringsgronden in artikel 1.6, die op hun beurt weer bovenop de weigeringsgronden uit artikel 9 van de ASA2013 komen. Deze weigeringsgronden zijn alleen van toepassing op aanvragen waar op grond van artikel 3e.3 subsidie voor wordt aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid ziet op een weigeringsgrond voor aanvragen die na 31 december 2026 zijn ingediend. Aanvragen die na die datum zijn ingediend worden geweigerd op grond van dit artikel. In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 7, eerste lid van de ASA2013 wordt bij de bepaling van het tijdstip van indiening het moment waarop de aanvraag is ingediend, ongeacht of deze op dat moment compleet was. Aanvragers die op de valreep een incomplete aanvraag indienen zullen door middel van korte termijnstelling voor het aanleveren van aanvullende stukken gedwongen worden om de aanvraag binnen 2 weken na het verstrijken van de in dit artikel genoemde datum compleet te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid regelt de mogelijkheid om gedurende een korte periode na de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit met terugwerkende kracht subsidie aan te kunnen vragen voor activiteiten die</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 5 – Duurzame Nieuwbouw</h3>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5.1, onderdeel b – Gebiedsbepaling Buiksloterham De Buiksloterham wordt gedefinieerd met behulp van een verwijzing naar de investeringsnota Buiksloterham 2020. Afbeelding 1.2.1 waar naar verwezen wordt ziet er als volgt uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de legenda volgt dat uitsluitend het rood aangemerkte deel het plangebied van de investeringsnota betreft. Subsidies die beschikbaar zijn voor de Buiksloterham zijn daarom uitsluitend beschikbaar in het rood aangemerkte gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De investeringsnota waar naar wordt verwezen is via de website amsterdam.raadsinformatie.nl bij agendapunt 6 van de raadsvergadering van de gemeente Amsterdam van 5 november 2020 terug te vinden. Ook kan de volgende URL gebruikt worden om deze op te zoeken: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/9402485/1/raadsbesluit_189A_1195_3a_20_Bijlage%20Concept%20Investeringsnota%20Buiksloterham%202020%20gecomprimeerd artikel 5.1, onderdeel d – DAEB-vrijstellingsbesluit Dit is het besluit op grond waarvan diensten van algemene economisch belang niet als staatsteun aangemerkt worden. Lees daarover meer in de algemene toelichting van hoofdstuk bij de laatste alinea van de paragraaf Subsidie voor duurzame sociale huurwoningen Strandeiland en Buiksloterham. artikel 5.1, onderdeel e – energielabel Het energielabel speelt een belangrijke rol bij het bepalen de energieprestaties van een woning. De energieprestaties met betrekking tot de energiebehoefte, het primair fossiel energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie maken tegenwoordig onderdeel uit van dit label. Essentieel is dat het energielabel van een gebouw opgenomen is in de landelijke database EP-online. Met opname in de landelijke database wordt geborgd dat het een door een gekwalificeerde organisatie en gecertificeerd duurzaamheidsexpert afgegeven, conform NTA 8800 bepaalde indicator van de energieprestaties van een woning is. Op grond van het besluit energieprestaties gebouwen dient een gebouw bij oplevering een in de landelijke database opgenomen energielabel te hebben. De aanvullende verplichting uit artikel 5.12, onderdeel e borgt dat dit energielabel voor de woningen waarvoor subsidie is verleend ook daadwerkelijk de informatie bevat die nodig is om te bepalen of de beoogde energieprestaties bereikt zijn. artikel 5.1, onderdelen f en k – energieneutrale en nul-op-de-meter woning Er is met deze definitie van energieneutraal en nul-op-de-meter aansluiting gezocht bij de systematiek die ook gebruikt wordt om de voor een bouwvergunningsvereiste energieprestaties van een woning te bepalen. De norm NTA 8800 wordt landelijk toegepast in het kader van de BENG-normen. Het idee is dat een aanvrager deze informatie in de voorbereiding van de bouw van een woning per definitie beschikbaar zal hebben. Nul-op-de-meter woningen hebben binnen deze definities nog betere energieprestaties dan energieneutrale woningen. Elke nul-op-de-meter woning is per definitie ook een energieneutrale woning. artikel 5.1, onderdeel i – Milieuprestatiegebouwwwaarde</p>\n<p class=\"lf-p\">De milieuprestatiegebouwwaarde (MPG) geeft uitdrukking aan de milieukosten voor een gebouw. Deze wordt uitgedrukt in euro's per m² bvo per jaar. De MPG heeft betrekking op het gehele gebouw. Dat betekent dat individuele appartementen hun MPG delen met andere appartementen in het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanleggen van zonnepanelen kan een negatief effect hebben op de MPG van een gebouw. Tegelijkertijd is het nadrukkelijk de bedoeling van deze subsidieregeling om ook de aanleg van zonnepanelen te stimuleren. Daarom wordt in deze definitie geregeld dat voorgenomen zonnepanelen, voor zover die niet nodig zijn om aan wettelijke vereisten op het gebied van energieprestaties te voldoen, niet meegerekend hoeven te worden bij de berekening van de MPG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het maken van een MPG-berekening en het behalen van een waarde van 1 of lager een verplicht onderdeel is van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woningen zijn er geen of nauwelijks geïnstitutionaliseerde methoden om de kwaliteit van dergelijke berekeningen te borgen. Centraal staat het gebruik van een goedgekeurde rekentool, maar er zijn geen certificaten waaruit vaardigheid met die tools of betrouwbaarheid van ingevoerde gegevens verzekerd wordt. De milieuprestatiegebouwwaarde is daarom een kwetsbaar onderdeel van deze subsidieregeling. De regeling voorziet daarom op verschillende manieren op verplichtingen van de aanvrager om de achterliggende gegevens achter zo een MPG-berekening te bij te houden en beschikbaar te stellen aan de gemeente. artikel 5.1, onderdeel m – Gebiedsbepaling Strandeiland Het Strandeiland wordt gedefinieerd met behulp van een verwijzing naar de investeringsnota Inrichting 1e fase Strandeiland. De grenzen van dit gebied komen overeen met de grenzen van het plangebied van de grondexploitatie Inrichting 1 fase Strandeiland. In de door de gemeente raad vastgestelde investeringsnota en grondexploitatie ziet het plan er uit als de onderstaande afbeelding. De plangrenzen worden daarop aangegeven met het gele vlak met zwarte lijn, welke aan de oostzijde gestippeld is. artikel 5.1, onderdelen g en m – energieneutraal en nul-op-de-meter De begrippen energieneutraal en nul-op-de-meter worden gedefinieerd aan de hand van de norm NTA 8800. Dit is ook de norm die in het bouwbesluit gehanteerd wordt om te bepalen of gebouwen voldoen aan het BENG-vereiste (BENG staat voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen). De begrippen energieneutraal en nul-op-de-meter stellen respectievelijk hoger en nog hogere eisen aan de energieprestaties van het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg van de bepaling conform NTA-8800 geldt dat er voor lichte constructies 5 kWh per m2 per jaar van de berekende waarde van de maximale energiebehoefte mag worden afgetrokken. In die gevallen moet de aanvrager wel duidelijk aangegeven dat het beoogde gebouw zal voldoen aan het criterium voor lichte constructies dat ook in het bouwbesluit wordt gehanteerd. artikel 5.1, onderdelen n en o – woning en verblijfsobject Met de begrippen woning en verblijfsobject is aansluiting gezocht bij de begrippen die in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen wordt gehanteerd. Uitdaging bij dit hoofdstuk is dat in de planvormende fase waarin verlening voor deze subsidie aangevraagd kan worden vaak nog geen adressen afgegeven zijn voor de woningen. Bij oplevering en dus bij aanvraag tot vaststelling van de subsidie zijn de adressen wel afgegeven en op basis van die gegevens kan de subsidie verlaagd worden, zodat het aansluit bij hetgeen gerealiseerd is. artikel 5.2 - toepasselijkheid ASA 2013 De algemene subsidieverordening Amsterdam 2013 is het door gemeenteraad vastgestelde kader voor subsidieverlening binnen de gemeente Amsterdam. Het is bovendien de wettelijke grondslag voor de bevoegdheid van het college om deze subsidie vast te stellen. De ASA 2013 is daarom van toepassing op dit hoofdstuk. artikel 5.3 - Doel van de in het hoofdstuk omschreven subsidie De regeling in dit hoofdstuk is nadrukkelijk gericht op nieuwbouw, sociale huurwoningen en de specifieke gebieden en om in juist met die woningen hogere energieprestaties en milieuprestaties te behalen. artikel 5.4 - Europees kader bij subsidies aan woningcorporaties De subsidiebepaling in dit hoofdstuk voorzien in de mogelijkheid om grote bedragen van vele miljoenen euro’s naar woningcorporaties over te maken. Strikt genomen zijn woningcorporaties aan te merken als ondernemingen in de zin van het Verdrag van de Werking van de Europese Unie en is er dus mogelijk sprake van staatsteun. Op grond van het DAEB-vrijstellingsbesluit zijn vele vormen van steun en grote steunbedragen aan ondernemingen die op grond van een wettelijke taak bezig houden met het betaalbare huisvesting niet aangemerkt als staatsteun. De subsidiebepalingen met betrekking tot Strandeiland en Buiksloterham voorzien uitsluitend in subsidie voor woningcorporaties. Woningcorporaties zijn toegelaten instellingen met de door het DAEB-vrijstellingsbesluit vereiste wettelijke taak. De bepalingen in dit hoofdstuk zijn geformuleerd om te voldoen aan de compensatiebenadering uit het Altmark-arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5.5 - Subsidiabele activiteiten Met dit artikel wordt bepaald voor welke activiteiten er subsidie is. Elk van de leden van dit artikel bepaalt de subsidiabele activiteiten voor een afzonderlijk gebied. In beide leden is uitsluitend sprake van een eenmalige subsidie. Met het begrip eenmalig wordt aangegeven dat er geen sprake van een periodieke of herhalende subsidie. Dit begrip sluit ook uit dat er twee maal subsidie kan worden aangevraagd voor de dezelfde activiteit. Als dat wel gebeurt kan het college op grond van artikel 9, tweede lid van de ASA 2013 de subsidieaanvraag geheel of gedeeltelijk weigeren. In beide leden komen de begrippen nieuwbouw en sociale huurwoning voor. Deze begrippen zijn gedefinieerd in respectievelijk artikel 5.1, onderdelen j en l. Het begrip milieuprestatiegebouwwaarde is gedefinieerd in artikel 5.1, onderdeel i. De begrippen energieneutrale woning en nul-op-de-meter woning zijn gedefinieerd in respectievelijk artikel 5.1, onderdelen f en k. Het begrip voedselvermalersysteem is gedefinieerd in artikel 5.1, onderdeel o. artikel 5.5, eerste lid, onderdelen a, b en c – onderlinge samenhang In het gebied Buiksloterham worden er drie subsidiabele activiteiten onderscheiden. Om aanspraak te maken op onderdelen a en b moet de woning in ieder geval een milieuprestatiegebouwwaarde van kleiner of gelijk aan 0,5 zullen hebben. De of-bepaling aan het eind van onderdeel leidt er toe dat de activiteiten in onderdelen a en b elkaar uitsluiten. In logische termen uitgedrukt is hier sprake van een XOR of EXOF. De aanvrager kan of subsidie aanvragen voor energieneutraal of subsidie voor nul-op-de-meter. De reden hiervoor is dat een woning die nul-0p-de-meter is per definitie ook energieneutraal is en de aanvrager anders dubbel aan zou kunnen vragen. De hoogte van de subsidiebedragen in artikel 5.6, eerste lid, onderdelen a en b is nadrukkelijk bepaald met de keuze tussen energieneutraal of nul-op-de-meter in gedachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste onderdeel van dit lid, onderdeel c, kan juist uitsluitend aangevraagd worden in combinatie met de onderdeel a of b. Er kan dus geen aanspraak gemaakt worden op subsidie voor het realiseren van een voedselvermalersysteem als er de woning niet ook een milieuprestatiegebouwwaarde van kleiner of gelijk aan 0,5 zal hebben en tenminste energieneutraal zal worden. artikel 5.6 – hoogte van de subsidie De twee leden van dit artikel regelen de respectievelijk de hoogte van de subsidie bij verlening en de hoogte van de subsidie bij vaststelling. De tweedeling is gebaseerd op artikel 4:31 AWB. Het bedrag dat in de verleningsbeschikking wordt vermeld moet aangemerkt worden als het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, zoals bedoeld in 4:31, tweede lid, AWB. artikel 5.6, eerste lid - subsidiebedragen In het eerste lid wordt voor ieder van de subsidiabele activiteiten uit artikel 5.5, het maximale subsidiebedrag per woning bepaald. Voor de activiteiten in onderdelen a en b gelden er in feite twee maxima, waarbij het laagste van toepassing is. Het eerste maximum wordt bepaald door het gebruiksoppervlak van de woning te vermenigvuldigen met het genoemde bedrag. Het tweede maximum is een vast bedrag, dit bedrag is in principe een honderdvoud van het bedrag per vierkante meter gebruiksoppervlak. De gedachte daarachter is, dat de kosten voor het realiseren van de maatregelen niet volledig lineair oplopen met de grootte van de woning. Het komt er dus op neer dat er voor woningen groter dan 100m2 even veel subsidie is als voor woningen die precies 100 m2 zijn. Indien een aanvraag meerdere woningen omvat worden deze maximumbedragen per individuele woning toegepast. Met andere woorden: de vierkante meters boven de 100 van een grotere woning kunnen niet meegeteld worden bij de vierkante meters van een kleinere woning. Voor het realiseren van een voedselvermalersysteem, zoals in onderdeel c, staat een vast bedrag per woning. artikel 5.6, tweede lid – vaststellingen op lager dan het maximum Het tweede lid bestaat uit twee losstaande onderdelen die onafhankelijk toegepast moeten worden. Toepassing kan leiden tot lagere vaststelling van de subsidie dan het maximumbedrag dat bij de verlening is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a regelt dat de uitgangspunten voor het bepalen van de maximale subsidie uit het eerste lid van toepassing zijn, maar dat vastgestelde of verleende subsidies daarop in mindering worden gebracht. Er is gekozen om andere subsidies in mindering te brengen, omdat met de hoogte van de subsidiebedragen in het eerste lid wordt getracht om een nabij kostendekkende subsidie te bieden. Tegelijkertijd bestaat er wel de nadrukkelijke wens om aanvragers te belonen als ze een andere subsidies aanvragen. Door 70% van de verleende of vastgestelde subsidies in mindering te brengen wordt blijft 30% voor de aanvrager over. Deze berekening mag op gebouw of projectniveau worden gedaan. Het is niet wenselijk om deze vermindering voor iedere individuele woning te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het geniet altijd de voorkeur om vastgestelde subsidie te gebruiken om deze mindering te bepalen. Op die manier wordt voorkomen dat een subsidie die op een later moment lager vastgesteld wordt toch voor 70% in mindering wordt gebracht. Fiscale maatregelen zoals de Energie-investeringsaftrek (EIA) en de Milieu-investeringsaftrek (MIA) worden nadrukkelijk niet als subsidies aangemerkt. Het kan zijn dat de aanvrager op het moment van de vaststellingsaanvraag van de subsidie op basis van dit hoofdstuk al weet dat een verleende subsidie lager vastgesteld zal worden. In dat geval zou het niet terecht zijn om toch het gehele verleende subsidiebedrag in mindering te brengen. De tweede zin in deze bepaling voorziet in de mogelijkheid om op basis van een onderbouwing door de aanvrager een lager bedrag in mindering te brengen. Er zijn diverse redenen mogelijk waarom de verwachting bestaat dat een andere verleende subsidie lager vastgesteld zal worden. Voorbeelden daarvan zijn dat niet alle subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd of dat de andere subsidieverlener juist de subsidie op grond van dit hoofdstuk in mindering brengt op de subsidie. De aanvrager verschaft de informatie die benodigd is om deze mindering toe te passen op grond van artikel 5.13, tweede lid, onderdeel b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b is nadrukkelijk bedoelt om in ieder geval te voorkomen dat de aanvrager meer subsidie krijgt dan dat zij aan kosten voor de subsidiabele activiteiten hebben. Zoals ook beschreven bij artikel 5.4 wordt uitgegaan van een compensatiebenadering. Uit het Altmark-arrest volgt dat de compensatie niet hoger mag zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van openbare dienstverplichtingen, in dit geval het duurzamer realiseren van de sociale huurwoning, geheel te dekken. Andere verleende en vastgestelde subsidies worden in mindering gebracht op de kosten. Wederom worden fiscale maatregelen niet als subsidies aangemerkt. Het is niet wenselijk om deze vermindering voor iedere individuele woning te bepalen. Eenzelfde bepaling als in onderdeel a is van toepassing indien andere subsidies waarschijnlijk lager worden vastgesteld. De aanvrager heeft op grond van artikel 5.12, onderdeel d de verplichting om deze kosten te administreren. Op grond van artikel 5.13, tweede lid, onderdeel a bevat het financieel verslag dat bij de aanvraag tot vaststelling wordt ingediend de benodigde informatie om deze bepaling toe te passen. Indien de aanvrager deze informatie niet bijgehouden heeft kan het college, op grond van artikel 4:46, tweede lid onderdeel b, de subsidie lager vaststellen, omdat hij in dat geval niet voldaan heeft aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. artikel 5.8 - Subsidieplafond In de leden van dit artikel worden de subsidieplafonds bepaald. Elk van de leden bepaalt het plafond voor één gebied. De plafonds staan nadrukkelijk los van elkaar en als het éne plafond is uitgeput kan er geen aanspraak gemaakt worden op een ander. artikel 5.9 - de aanvrager De subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door woningcorporaties. Het begrip woningcorporaties is gedefinieerd in artikel 5.1, onderdeel q. artikel 5.10 - bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens De twee leden van dit artikel regelen welke stukken bij een subsidieaanvraag ingediend moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid gaat uitdrukkelijk om documenten die in aanvulling op de ASA2013 moet worden ingediend. Meer vereiste documenten staan in artikel 5, tweede lid van de ASA2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in onderdeel a van het eerste lid vereiste bewijs dat de bankrekening op aan van de aanvrager staat is noodzakelijk om te verzekeren dat het geld van de subsidie ook daadwerkelijk naar de juiste partij gaat. Met bijvoorbeeld een kopie van een bankpas, een bankafschrift of een brief van een bank waarmee de opening van de rekening wordt bevestigd kan aan dit vereiste worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderdelen b, c en d van het eerste lid vereisen allemaal een schriftelijke verklaring of andere documenten waaruit het één en ander blijkt. Met het oog op het laagdrempelig houden van de aanvraag is gekozen voor deze ruime verwoording. Deze verwoording biedt de aanvrager de gelegenheid om bestaande documenten die in het kader van de interne besluitvorming of de voorbereiding van een omgevingsvergunningaanvraag worden gebruikt te benutten. De subsidie kan dan ook al relatief vroeg in het planproces worden aangevraagd. De voornaamste beperking op het vroeg aanvragen volgt uit artikel 5.12, onderdeel a. De bouw moet immers binnen een jaar na de subsidieverlening zijn begonnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bevat een specificering van zaken die in de beschrijving van activiteiten opgenomen moeten zijn. De beschrijving van activiteiten is als gevolg van artikel 5, tweede lid, onderdeel a van de ASA2013 een verplicht onderdeel van de aanvraag. De gegevens bij onderdeel a worden onder andere gebruikt om te toetsen of er aan de weigeringsgrond uit artikel 5.11, tweede lid, onderdeel a voldaan is. Onderdeel b wordt gebruikt om te bepalen of de te realiseren woningen binnen de gebieden waarvoor subsidie beschikbaar is gesteld liggen. Ook speelt deze informatie een rol bij het bepalen de weigeringsgrond uit artikel 5.12, eerste lid onderdeel c van toepassing is. De informatie over het aantal woningen en de vierkante meters uit onderdeel c en d is noodzakelijk om op grond van verschillende onderdelen van artikel 5.6, eerste lid de hoogte van de maximale subsidie te kunnen bepalen. De informatie over de datum van de start van de bouw, uit onderdeel e, is van belang om te bepalen of de weigeringsgrond uit artikel 5.11, eerste lid, onderdeel a van toepassing is. artikel 5.11 - weigeringsgronden De twee leden van dit artikel regelen weigeringsgronden. De weigeringsgronden in het eerste lid zijn dwingend en leiden wanneer ze van toepassing zijn tot weigering om subsidie te verlenen. De weigeringsgronden in het tweede lid zijn verschillen, omdat er sprake van een kan-bepaling. Dit betekent dat het college kan kiezen om subsidie te weigeren of juist te verlenen. Ook kan het college kiezen om de subsidie gedeeltelijk te weigeren. Gedeeltelijk kan zowel gedeelten van subsidiabele activiteiten als gedeelten van de aanvraag betreffen. Een gedeeltelijke weigering kan leiden tot een lagere subsidieverlening. artikel 5.11, eerste lid onderdeel a Dit onderdeel ziet er op dat de aanvraag voor subsidie tijdig ingediend moet worden. De start van de bouw van de woningen waarvoor de subsidie wordt aangevraagd mag ten hoogste 6 maanden voor de aanvraag hebben plaatsgevonden. Het begrip start van de bouw komt elders in de regeling ook voor. In principe wordt bij het bepalen van de datum van de start bouw uitgegaan van de informatie door de aanvrager wordt verschaft op grond van artikel 5.10, tweede lid onderdeel e. De gemeente kan deze informatie ook toetsen met de andere afspraken die tussen de gemeente en de aanvrager bestaan over de start van de bouw, feitelijke constateringen door inspecteurs en verklaringen van derden met betrekking tot de start van de bouw. Als de subsidie al verleend is en later blijkt dat de bouw al eerder dan 6 maanden voor de aanvraag was gestart, dan kan het college op grond van artikel 4:48, eerste lid, onderdeel c de subsidie intrekken of wijzigen ten nadele van de ontvanger.</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5.11, eerste lid, onderdeel b Deze bepaling regelt het einde van de aanvraagbaarheid van subsidie op grond van dit hoofdstuk. Aanvragen die vanaf 2028 worden ingediend worden op deze grond geweigerd. Het hoofdstuk zelf voorziet niet in een vervaldatum. Het college zal indien gewenst, nadat alle op grond van dit hoofdstuk verleende subsidies zijn afgehandeld, apart besluiten om dit hoofdstuk te laten vervallen. artikel 5.11, eerste lid, onderdeel c Deze bepaling regelt dat het niet mogelijk is om subsidie aan te vragen voor activiteiten aan kavels waarover voor 10 november 2020 al afspraken bestonden. De datum van 10 november 2020 sluit aan met het moment waarop de raad ingestemd heeft met het investeringsbesluit voor de Buiksloterham. Het is niet wenselijk om projecten te subsidiëren waartoe voor deze datum al afspraken bestonden. Deze datum heeft, als het goed is, in de praktijk geen consequentie voor het Strandeiland, omdat er op die datum nog geen afspraken gemaakt zouden zijn. Het Strandeiland was op dat moment nog niet in een voldoende vergevorderd stadium van planvorming. artikel 5.11, tweede lid, onderdeel a Deze bepaling ziet op een mogelijkheid tot weigering van de subsidie in het geval dat de gemeente via andere wegen dan deze subsidie met andere partijen dan de aanvrager afspraken heeft gemaakt die ertoe leiden dat de in de subsidieregeling gestelde vereisten gerealiseerd zullen worden. Deze bepaling ligt dicht tegen de weigeringsgrond uit artikel 8, tweede lid, onderdeel d van de ASA2013. In de meeste gevallen waar er al afspraken met andere partijen bestaan om het vereiste te realiseren zou kunnen worden gesteld dat de aanvrager ook zonder subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de activiteit te realiseren. Deze bepaling vermijd echter dat vastgesteld moet worden of die middelen er daadwerkelijk zijn en bevrijdt de gemeente van de onderzoeksplicht om te bepalen op welke wijze het realiseren van de subsidiabele activiteiten is geformaliseerd in de onderlinge afspraken tussen de aanvrager en de derde partij. Het voorgaande betekent overigens niet dat de gemeente dat niet mag doen als dat in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit nodig is. artikel 5.11, tweede lid, onderdeel b Deze subsidiebepaling regelt de mogelijkheid aan het college om een subsidie bij de verlening lager te bepalen dan het aangevraagde bedrag. Zonder een dergelijke bepaling zou het college de aanvrager moeten vragen om het aangevraagde subsidiebedrag naar beneden bij te stellen als het aangevraagde bedrag de maximum subsidiehoogte zou overschrijden. Met deze bepaling krijgt de college de mogelijkheid om het subsidiebedrag zelf lager te bepalen en daarbij het te hoge aangevraagde bedrag onderbouwd terzijde te schuiven.</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5.11, tweede lid, onderdeel c Deze bepaling regelt de mogelijkheid om subsidie te weigeren als de aanvraag niet bijdraagt aan de realisatie van de doelen van het hoofdstuk, zoals gedefinieerd in artikel 5.3. Deze bepaling ligt dicht tegen de weigeringsgrond uit artikel 9, tweede lid, onderdeel h aan, maar is explicieter en vereist in feite dat met de subsidiabele activiteiten specifiek het doel van dit hoofdstuk wordt bereikt. artikel 5.12 – aanvullende verplichtingen De in dit artikel geregelde verplichtingen zijn nadrukkelijk in aanvullingen op de verplichtingen die volgen uit artikelen 10 en 11 van de ASA 2013. Het niet nakomen van deze verplichtingen leidt ertoe dat het college de subsidie op grond van artikel 4:46, tweede lid, onderdeel b lager vast kan stellen. artikel 5.12, onderdeel a en b – termijnstelling De aanvullende verplichtingen in deze onderdelen zijn er op gericht de aanvrager te dwingen om de activiteiten waarvoor subsidie is verleend ook tijdig uit te voeren. Het is voor het college wenselijk om kortere termijnen aan te houden, omdat veranderende omstandigheden ertoe kunnen leiden dat over tijd mogelijk te hoog geworden subsidies als een onverantwoorde besteding van overheidsgeld aangemerkt kunnen worden. Als die situatie zich voordoet kan het college overigens op grond van artikel 4:50, eerste lid, onderdeel b AWB de subsidieverlening wijzigen of intrekken. Een dergelijk besluit is echter vaak onwenselijk en vergt veel onderbouwing. Het stellen van deze termijnen schept duidelijke verwachtingen en maakt het eenvoudiger voor het college om een nadelige wijziging van de subsidie te rechtvaardigen. Voor beide onderdelen geldt dat de termijn in principe uit de regeling volgt, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn gesteld wordt. Het college kan ook uitstel verlenen als de aanvrager daarom tijdig verzoekt. Een dergelijk uitstel moet goed onderbouwd zijn en is bij voorkeur schriftelijk. Een goede onderbouwing gaat in ieder geval in op de volgende vragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoeveel uitstel is er nodig?;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom is uitstel nodig?;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat heeft de aanvrager gedaan om te voorkomen dat uitstel nodig zou zijn?;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat heeft de aanvrager redelijkerwijs nagelaten om te voorkomen dat uitstel nodig zou zijn; en Wat had de gemeente Amsterdam kunnen doen om te voorkomen dat uitstel nodig zou worden?</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdigheid van een aanvraag tot uitstel wordt in ieder geval begrenst door te eisen dat de aanvraag tot uitstel wordt verstuurd voordat de termijn voor uitvoering verstreken is. Deze mogelijkheid tot het aanvragen tot uitstel hang nauw samen met de verplichting van de subsidieontvanger om het college zo spoedig mogelijk schriftelijk te informeren over ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de voorwaarden, zoals de voorwaarde uit onderdelen a en b, niet nageleefd kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a ziet er op te borgen dat de bouw op tijd gestart wordt. Het begrip start bouw is bewust niet nauwkeurig geformuleerd, om de beleidsvrijheid te vergroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b ziet er op te borgen dat het gebouw op tijd klaar is. Voor het moment van oplevering is aangesloten bij het Besluit energieprestaties gebouwen. De reden hiervoor is dat in het besluit energieprestaties gebouwen de verplichting is vastgelegd om bij oplevering te zorgen voor een energielabel. Het energielabel is van belang bij het bepalen of de door de subsidieregeling vereiste energieprestaties behaald zijn. Lees hierover meer bij de toelichting bij artikel 5.1, onderdeel e. artikel 5.12, onderdeel c - inspectie Onderdeel c ziet er op te verzekeren dat het college een inspecteur kan sturen om te voortgang van de uitvoering van de subsidiabele activiteiten te controleren. Van de aanvrager wordt verwacht dat deze inspecteur daar medewerking voor ontvangt. Dat betekent dat afspraken voor bezichtiging binnen korte termijn tot stand kunnen komen. Deze inspectie kan er toe leiden dat geconstateerd wordt dat andere aanvullende voorwaarden niet nagekomen worden. De bevindingen van de inspecteur kunnen ook aanleiding zijn om de subsidie ten nadele van de aanvrager te wijzigen of in te trekken. Dit kan op grond van artikel 4:48, eerste lid, onderdeel b. artikel 5.12, onderdeel d – kostenadministratie DAEB Onderdeel d ziet er op de woningcorporatie te verplichten om een goede kostenadministratie bij te houden waaruit blijkt welke kosten daadwerkelijk het gevolg zijn van de subsidiabele activiteiten. Deze subsidiabele activiteiten moet afgescheiden worden van de reguliere bedrijfsvoering. In het kader van dit hoofdstuk kan het realiseren van een woning die voldoet aan de wettelijke vereisten beschouwd worden als reguliere bedrijfsvoering. artikel 5.12, onderdeel e – energielabel Onderdeel e regelt dat het energielabel dat de aanvrager voor de opgeleverde woning op moet laten opstellen en opnemen in de landelijke database de noodzakelijke informatie bevat om het college in staat te stellen te beoordelen of de subsidiabele activiteiten op het gebied van energieprestaties uitgevoerd zijn. Als deze verplichting niet nagekomen wordt kan het college niet bepalen of de energieprestaties bereikt zijn. Dat kan aanleiding zijn voor een aanzienlijk lagere vaststelling van de subsidie. artikel 5.12, onderdeel f – materialenadministratie Onderdeel f regelt de verplichting voor de aanvrager om de bij de realisatie daadwerkelijk toegepaste materialen te administreren. Deze informatie is nodig om te kunnen bepalen of de nagestreefde energieprestatie ook daadwerkelijk bereikt is. Het college kan gedurende de subsidievaststelling, op grond van artikel 5.13, vierde lid, onderdeel c, subonderdeel i om deze informatie vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">artikel 5.13 verantwoording van de subsidie Na de uitvoering van de subsidiabele maatregelen en ten hoogste 12 weken oplevering van de woningen dient een verantwoording ingediend te worden. Dat gebeurt doormiddelen van een zogenaamde aanvraag tot vaststelling. Met het indienen van de aanvraag tot vaststelling begint de vaststellingsfase. In de verleningsfase zijn relatief lage eisen aan de documenten gesteld. In de vaststellingsfase zullen de verantwoordingsdocumenten moeten bewijzen dat de subsidiabele activiteiten zijn uitgevoerd. Om toch de administratieve lasten laag te houden is gekozen om veel van de benodigde informatie onderdeel te maken van documenten die als gevolg van de ASA 2013 aangeleverd moeten worden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het eerste en tweede lid van dit artikel, waar respectievelijk aanvullende eisen aan het activiteitenverslag en het financieel verslag worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.13 eerste lid Dit artikellid beschrijft welke aanvullende informatie in het activiteitenverslag bij de aanvraag tot vaststelling opgenomen moet zijn. De postcodes en huisnummers en het aantal vierkante meters uit onderdeel a en c dienen om het gerealiseerde woningaantal en de oppervlakken van die woningen definitief te kunnen bepalen. Deze getallen hebben dus een direct effect op de hoogte van de subsidie, zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid. De milieuprestatiegebouwwaarde is één van de subsidiabele activiteiten. In samenhang met de bevoegdheid uit het vierde lid van dit artikel worden deze gegevens gebruikt om te bepalen of een voldoende lage milieuprestatiewaarde is bereikt. Of de beoogde energieprestaties zijn bereikt wordt bepaald op basis van de gegevens in de nationale energieprestatie database. Lees daar meer over bij de toelichting bij artikel 5.12, onderdeel f. artikel 5.13, tweede lid Dit artikellid beschrijft welke aanvullende informatie bij de aanvraag tot vaststelling in het financieel verslag opgenomen moet zijn. Zowel onderdelen a als b dienen om de hoogte van de vast te stellen subsidie te bepalen. De informatie bij onderdeel a hangt samen met artikel 5.6, tweede lid, onderdeel b. De informatie over de gemaakte kosten wordt gebruikt om uit te sluiten dat de subsidie niet tot overcompensatie leidt. Lees daarover meer bij de toelichting bij artikel 5.6, tweede lid, onderdeel b. De informatie bij onderdeel b wordt gebruikt om voor 70% in mindering te brengen op de maximale subsidie, zoals volgt uit artikel 5.6, tweede lid, onderdeel a. Lees daar bij de toelichting bij dat artikel meer over. artikel 5.13, derde lid Dit artikellid regelt dat de aanvrager betaalde facturen opstuurt. Uit het feit dat de facturen zijn betaald volgt met voldoende zekerheid dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat het systeem gerealiseerd is. Uit de Europese productgarantie volgt met voldoende zekerheid dat het systeem werkt. Uit de facturen zelf blijkt niet direct dat ze betaald zijn. Het college kan daarom op grond van artikel 5.13, vierde lid, onderdeel d om betaalbewijzen vragen. artikel 5.13, vierde lid De in dit artikellid opgesomde informatie is niet nadrukkelijk onderdeel van de vereiste stukken. Het college kan het tijdens de voorbereiding van de vaststellingsbeschikking echter noodzakelijk achten om bepaalde gegevens verifiëren. Onderdeel a dient om de gestelde bedragen van andere (te) ontvangen subsidies, dan wel de onderbouwing van de verwachte lagere vaststelling van andere subsidies te verifiëren. Dit vereiste hang nauw samen met artikel 5.13, tweede lid, onderdeel a. Onderdeel b dient om het tot stand gekomen energielabel te kunnen verifiëren. Onderdeel c dient ertoe om de milieuprestatieberekening die aan de grondslag van bij het eerste lid, onderdeel b gevraagde milieuprestatiegebouwwaarde te controleren. Onderdeel d ziet er op dat het college kan controleren dat eventuele facturen die onderdeel zijn van de aanvraag tot vaststelling ook daadwerkelijk betaald zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.13, vijfde lid Het vijfde lid maakt expliciet dat de oplevering het moment is waarop het college de subsidiabele activiteiten afgerond acht. Dit is expliciet gemaakt, omdat daarmee een directe koppeling ontstaat tussen de aanvullende verplichting die gaat over het moment van oplevering, zoals bedoeld in artikel 5.12, onderdeel b en het moment waarop de subsidieaanvraag ingediend dient te worden. Deze directe koppeling draagt bij aan een eenvoudige controle en effectieve mogelijkheden tot handhaving op naleving van de geregelde termijnen.</p></div>", "next": 0}