{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Conform deze voorgenomen beleidsregels wordt de raad op de hoogte gebracht van instelling, verlenging en opheffing van cameratoezicht, waarbij de burgemeester inzicht geeft in de overwegingen die tot zijn besluit hebben geleid</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">OptochtBij een optocht moet gedacht worden aan: een carnavals- of Sinterklaasoptocht of ook wel een bloemencorso</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er is geen sprake van het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, waarbij de vrijheid van meningsuiting mede aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is gekozen voor een vergunningstelsel om de belangen, zoals openbare orde en verkeersveiligheid vooraf goed af te kunnen wegen tegen het belang van de beoogde optocht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Openbare manifestatiesDe Wet openbare manifestaties bevat een eenvormige regeling voor de activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 van de Grondwet vallen. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, voor zover die op openbare plaatsen gehouden worden In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt onder “openbare plaats” verstaan: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijk zal zijn, dat het gaat om collectieve uitingen. Bij een betoging gaat het er met name om, om met zoveel mogelijk mensen uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de uitoefening van de grondrechten uit de artikelen 6 en 9 van de Grondwet opgedragen aan de gemeente. Dit hangt samen met het gegeven dat met name het houden van een betoging een directe relatie heeft met de plaatselijke openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het oogpunt van deregulering, maar ook om zo weinig mogelijk barrières op te werpen tegen de uitoefening van onderhavige grondrechten, is niet gekozen voor een vergunning-, maar voor een kennisgevingsstelsel. Dat brengt met zich mee, dat de organisator van een openbare manifestatie vóór de openbare aankondiging ervan en tenminste 48 uur, voordat de manifestatie gehouden wordt, een schriftelijke kennisgeving dient te verstrekken aan de burgemeester. In de kennisgeving moeten bepaalde gegevens opgenomen worden, o.a. over het doel van de samenkomst en de maatregelen die de organisator genomen heeft om een ordelijk verloop van de manifestatie te bevorderen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beperking aanbieding gedrukte en geschreven stukken e.d.Dit artikel opent de mogelijkheid de aanbieding van drukwerk, maar ook een aantal andere activiteiten op de openbare weg, zoals het werven van leden of het uitdelen van producten voor een bepaald gebied en of gedurende een bepaalde tijd te verbieden. Dergelijke activiteiten hebben namelijk met name in winkelgebieden op drukke tijden een zeer negatieve invloed op de doorstroming van het (voetgangers)verkeer en daarmee op de bruikbaarheid van de weg. Om het artikel “operationeel” te maken, dient het college op grond van het tweede lid een uitvoeringsbesluit te nemen. Overwogen wordt dit te doen voor het kernwinkelgebied gedurende de drukke dagen c.q. dagdelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-159\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de wegIn het eerste lid is bepaald dat niet het college van burgemeester een wethouders, maar de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan is om aan een exploitant van een horeca-inrichting vergunning te verlenen om de weg of een weggedeelte als terras te mogen gebruiken. Dit houdt verband met het feit dat in artikel 174 van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester belast is met het toezicht op, onder meer, de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven Het artikel geldt niet voorzover het betreft rijks- of provinciale wegen. Dit vloeit voort uit het bepaalde in het zesde lid. Op grond van ditzelfde lid kan een vergunning voor een op te richten bouwwerk niet geweigerd worden op basis van welstandsmotieven. De welstandstoets dient plaats te vinden in het kader van de aanvraag van de voor het gebouw noodzakelijke bouwvergunning en kan eventueel leiden tot weigering van die vergunning, maar niet tot weigering van de APV-vergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is gewijzigd bij raadsbesluit van 3 maart 2008 (2208/062). Ten gevolge van dit besluit is komt de verplichting om een vergunning te hebben om van de weg gebruik te maken voor kleinere bouwactiviteiten, zonneschermen, stoepborden, uitstallingen, gedenktekens en automaten te vervallen. Tevens komt de vergunning te vervallen voor reclameborden, voorzover deze niet op of in de openbare weg worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de plaats daarvan komt er voor het gebruik t.b.v. kleinere bouwactiviteiten engedenktekens een meldingsplicht. Voor de in het negende lid onder b., c. en d. genoemde gebruiksvormen geldt een algemeen verbod om dit op een wijze te doen, die gevaar oplevert etc. Daarnaast kan het college algemene regels stellen, waaraan b.v. de plaatsing en afmeting van dergelijke zaken dient te voldoen en kan het in dat kader b.v. ook bepalen, dat plaatsing van uitstallingen in een bepaald gebied niet is toegestaan. Momenteel is dit het geval in het Kernwinkelgebied. Overtreding van deze algemene regels levert een strafbaar feit op; daarnaast kunnen deze regels bestuurlijk gehandhaafd worden via de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbrengen van reclameborden aan een onroerend goed is geregeld in artikel 114 APV (zie aldaar). Artikel 114 ziet op borden aan de gevel, op het dak van een pand, op het voorterrein behorend bij het pand, niet zijnde de openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot wijzen wij er nog op, dat voor zonneschermen aan woningen, die vallen onder de Monumentenwet of- verordening en voor schermen aan ander dan woongebouwen op grond van de Woningwet wel een bouwvergunning vereist blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor automaten met uitzondering van vrijstaande pinautomaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-160\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanleggen, beschadigen en veranderen van een wegZoals uit de leden 3 en 4 blijkt, geldt er een behoorlijk aantal uitzonderingen op de vergunningplicht, zoals omschreven in het eerste lid In lid 3 gaat het behalve over de rijks-, provinciale en gemeentelijke overheid, ook over nutsbedrijven, zoals TWM en Essent.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 4 wordt gesproken over de Telecommunicatiewet. In deze wet is voor de gemeenten een gedoogplicht vastgelegd voor werkzaamheden die verband houden met de aanleg van telecommunicatiekabels en daarmee samenhangende voorzieningen. De APV kan dus geen regels meer bevatten die de aanleg van die kabels en voorzieningen kunnen belemmeren en de aanleg vergunningplichtig kunnen maken. Verder wordt nog verwezen naar Telecommunicatieverordening, zoals die op 21 juni 1999 door de raad is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk geldt de vergunningplicht dus met name voor bedrijven die kabels naar hun vestiging willen laten aanleggen en daarvoor de barrière van een weg moeten nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-161\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Maken en veranderen van een uitwegIn dit artikel is geen sprake meer van een vergunningstelsel maar van een meldingsplicht. Omdat geen vergunning meer nodig is, komt ook de verplichting om leges te betalen te vervallen Omdat het van belang blijft om te beoordelen of de aanleg van een uitrit geen gevaar voor het verkeer oplevert of een onaanvaardbare aantasting van een groenvoorziening, blijft er wel sprake van een beoordeling door de gemeente. Tevens blijft het mogelijk om aan de uitvoering van de uitrit voorschriften te verbinden. Dit is nodig omdat er sprake is van uitwegen op de openbare weg en de gemeente aansprakelijk is, als er een gevaarlijke situatie zou ontstaan voor het verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om diezelfde reden en in het belang van een kwalitatief goede openbare ruimte, zal het aan de melder in het algemeen niet toegestaan worden om, indien er werkzaamheden in het openbaar gebied moeten plaatsvinden, deze zelf te verrichten, maar zullen deze door een door de gemeente aan te wijzen aannemer onder regie van de gemeente, maar opkosten van de melder, verricht worden. Tot aanleg van de uitrit wordt niet overgegaan dan nadat de melder zich hiermee akkoord heeft verklaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-162\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Veroorzaken gladheidDe verbodsbepaling van het eerste lid spreekt voor zich</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid wordt gewezen op artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerstgenoemde artikel heeft betrekking op het verbod om iets uit een gebouw te werpen of te gieten, op een zodanige wijze dat tengevolge hiervan iemand, die van de openbare weg gebruikt maakt, daarvan nadeel ondervindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet houdt het verbod in zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is dus sprake van gedrag dat valt onder één van beide genoemde artikelen, dan is artikel 16 niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-163\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WinkelwagentjesDe verantwoordelijkheid voor het voorkomen van het rondslingeren van winkelwagentjes op of langs de weg ligt bij de rechthebbende op een winkelbedrijf. Indien het winkelend publiek winkelwagentjes op of langs de weg achterlaat, dan rust op de eigenaar van het winkelbedrijf dan ook de plicht deze op te halen en deze op zijn terrein ordelijk op te stellen De omschreven “ophaalplicht” is de winkelier opgelegd, omdat hij het ook in zijn macht heeft een dusdanig systeem te hanteren, dat het euvel van het rondslingeren wordt voorkomen, bijvoorbeeld door de hantering van een muntmechanisme.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-164\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerpIndien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 125 van de Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rookverbod in natuurgebiedenBij raadsbesluit van 13 november 2000 is de bevoegdheid tot het instellen van het rookverbod in natuurgebieden toegekend aan de burgemeester. Voorheen berustte die bevoegdheid bij het college Aanleiding tot deze wijziging van bevoegdheidstoedeling vormde de vaststelling door het bestuur van de Regionale Brandweer Midden Brabant van een “Procedure rookverbod natuurgebieden”. Onderdeel van dit rapport vormde een lijst van 8 natuur- en bosgebieden, waarvoor een rookverbod ingesteld zou moeten kunnen worden. Voor Tilburg ging het om het waterwingebied van TWM.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het rapport wordt verder aangegeven dat de noodzaak tot het instellen van een rookverbod binnen enkele uren kan ontstaan, weshalve het van belang is dat zo’n verbod binnen 24 uur kan worden genomen. In dat kader past het die bevoegdheid bij de burgemeester neer te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het spreekt verder voor zich dat het doel van het rookverbod is bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 wordt nog gesproken over het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3e van het Wetboek van Strafrecht. In concreto gaat het over de strafbaarstelling van de persoon, die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SneeuwruimenIn de praktijk blijkt behoefte te bestaan aan handhaving van de verplichting tot sneeuwruimen, zodat in voorkomende gevallen ook een optreden mogelijk is tegen nalatige burgers Een vergelijkbare bepaling komt in de model APV van de VNG overigens niet (meer) voor.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-167\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen voor verkeer, verlichting en/of openbare orde en veiligheid e.d.In dit artikel wordt aan de rechthebbende op een bouwwerk een gedoogplicht opgelegd. Deze gedoogplicht kan echter niet zo ver gaan dat er sprake is van een beperking van het gebruiksrecht van de eigenaar van het bouwwerk Dit artikel gaat overigens verder dan het vergelijkbare artikel uit de model APV. Deze kent niet het onderdeel: en/of openbare orde en veiligheid. Dat deel is bij raadsbesluit van 13 maart 2000 toegevoegd aan het opschrift en opgenomen in de tekst. Dit had te maken met het voornemen om videocamera’s aan te brengen in het horecaconcentratiegebied. Deze zijn inmiddels ook aangebracht. Hiermee kan toezicht uitgeoefend worden, dat preventief optreden kan vergemakkelijken. Ook kan echter met behulp van verkregen beeldmateriaal de opsporing van stafbare feiten bevorderd worden. Ook repressief optreden is er dus beter mee mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 is bepaald dat het college, alvorens de voorzieningen worden aangebracht, de rechthebbenden van het betreffend besluit op de hoogte stelt. Dit besluit is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb en is dus vatbaar voor bezwaar en beroep.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verwijdering en dergelijke van voorzieningen voor verkeer en openbare verlichtingDit artikel hangt direct samen met artikel 22. Daar waar een gedoogplicht bestaat, geldt strikt genomen immers ook een verbod tot verwijdering, beschadiging etc. van betreffende voorzieningen In de model APV ontbreekt een soortgelijke bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 2 Toezicht op evenementenArtikel 25BegripsomschrijvingBij de omschrijving van het begrip evenement is de zgn. negatieve benaderingsmethode toegepast. Uitgaande van een algemeen geldend criterium: elk voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, wordt vervolgens enige evenementen genoemd die niet onder de definitie vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de jaarlijkse Tilburgse kermis, die van gemeentewege georganiseerd wordt, valt niet onder het begrip: evenement. Voor deze kermis is een aparte verordening in het leven geroepen. Daarnaast zijn er in de APV echter nog twee specifieke artikelen die de publiekrechtelijke regeling van de kermis betreffen. Het gaat om artikel 52 (innemen standplaats) en artikel 53 (openstellingstijden attracties). Deze artikelen richten zich tot de kermisexploitanten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-169\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">EvenementenVoor het houden van een evenement is een vergunning noodzakelijk. De burgemeester is het bestuursorgaan om zo’n vergunning al dan niet te verlenen. Hij toetst de aanvraag tegen de achtergrond van vier nader aangegeven belangen. In dat verband kan hij ook nadere voorschriften verbinden aan een vergunning tot het houden van een evenement. Die voorschriften moeten in het verlengde liggen van deze belangen In het derde lid worden van het vergunningsvereiste uitgezonderd de zogenaamde kleinschalige rommelmarkten. Voor rommelmarkten met randactiviteiten zoals optredens, uitgebreide horeca-activiteiten etc, die vaak een grotere publiekaantrekkende werking hebben, blijft de vergunningplicht van kracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">OrdeverstoringHet verbod de orde bij een evenement te verstoren, spreekt voor zich</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leden 2 en 3 geven nog extra verboden in relatie met het plaatsvinden van evenementen. Deze hebben betrekking op ongewenst gedrag en ongewenst bezit van messen en wapens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 bevat de verplichting gevolg te geven aan aanwijzingen die de politie of de brandweer geeft in het belang van de openbare orde of veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">MeldingsplichtStrikt genomen valt ook een betaald voetbalwedstrijd onder het begrip: evenement. Gezien de speciale problematiek die met zo’n wedstrijd kan samenhangen, is er echter voor gekozen een aparte bepaling op te nemen. Deze is in overeenstemming met de model-bepaling van het Landelijk Overleg Voetbalvandalisme (L.O.V.). Het is immers van belang dat er op dit terrein zoveel mogelijk dezelfde regels gelden Uit het artikel blijkt dat er voor het spelen van een betaald voetbalwedstrijd geen vergunning nodig is. Voor de organisator geldt een verplichting tot een kennisgeving/melding. Daarvoor moet hij gebruik maken van een formulier dat de burgemeester daartoe heeft vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 maakt het mogelijk dat de burgemeester bij een wedstrijd met een verhoogd risico een alcoholverbod of iets dergelijk oplegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 bevat de bevoegdheid van de burgemeester om het spelen van een voetbalwedstrijd zelfs te verbieden. Dat doet zich o.a. voor indien er vrees bestaat voor ernstige verstoring van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 9 is bepaald dat de burgemeester een wedstrijd ook als een risicowedstrijd kan aanwijzen, indien aan die wedstrijd een verhoogd risico is verbonden voor de openbare orde en veiligheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval gelden voor supporters duidelijke verplichtingen voor het volgen van door de politie aangewezen routes naar en van het stadion.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">OmgevingsverbodTegen supporters die ordeverstorend gedrag vertonen in een stadion van een betaald voetbalorganisatie, kan worden opgetreden door zowel clubs als de KNVB. Dit kan leiden tot een civiel stadionverbod voor de betreffende supporter. Soms heeft dat niet het gewenste resultaat en begeeft de betreffende persoon zich dan naar de omgeving van het stadion met de bedoeling daar de openbare orde te verstoren. Het is van belang deze persoon dan ook uit de omgeving van het stadion te kunnen weren. De burgemeester kan daartoe dan een bestuursrechtelijk omgevingsverbod opleggen. Vooraf moet wel duidelijk vaststaan dat dat de betreffende persoon herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord en tevens dient aannemelijk te zijn dat hij dat in de toekomst weer zal doen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-172\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerwijderingsbevelIn het kader van de ordehandhaving rond voetbalwedstrijden doen zich van tijd tot tijd problemen voor met voetbalsupporters die niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs. Omdat zij niet bij de wedstrijd worden toegelaten, verspreiden zij zich in de omgeving van het stadion of verder de stad in en zorgen daar voor overlast of vormen een bedreiging voor de openbare orde. Met deze bepaling kan tegen deze supporters worden opgetreden Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingenParagraaf 1 Toezicht op de Horeca Artikel 31BegripsomschrijvingenEerste lidDe begripsomschrijvingen bepalen de reikwijdte van de bepalingen uit paragraaf 1, die met name betrekking hebben op het verplichte sluitingsuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip “inrichting” vallen alle horecabedrijven, dus zowel de “natte” horeca, dat wil zeggen waar alcoholhoudende dranken worden geschonken, als de “droge” horeca, zoals b.v. cafetaria’s, maar ook coffeeshops en inrichtingen, waarin Qat wordt verkocht voor gebruik ter plaatse. Verder vallen onder het begrip ook inrichtingen als sportkantines, sociëteiten en verenigingsgebouwen. Laatstgenoemde zijn voorbeelden van inrichtingen als bedoeld in het eerste lid onder 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het horecaconcentratiegebied is door de raad vastgesteld bij besluit van 26 juni 1995 (1995/130), uitgebreid bij besluit van 23 april 2001 (2001/70) en nogmaals uitgebreid bij besluit van 12 december 2005. Binnen dit gebied gelden op grond van artikel 32, derde lid, ruimere openingstijden dan die gelden voor de andere delen van de stad. Het begrip horecaconcentratiegebied speelt overigens niet alleen een rol in het kader van de APV, maar is ook van betekenis voor de geluidsnormen. Binnen dit gebied gelden minder strenge geluidsnormen. Dit is echter niet geregeld in de APV, maar in het kader van de milieuwetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDefiniëring van het begrip “bezoekers” is noodzakelijk, omdat artikel 32 bepaalt dat er na sluitingstijd geen “bezoekers” meer aanwezig mogen zijn in een inrichting. Eén van de uitgezonderde categorieën zijn personen, die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van Strafrecht. Dit artikel verplicht namelijk exploitanten van een hotel e.d. een register bij te houden van personen, die aldaar nachtverblijf krijgen. De in het register voorkomende personen gelden op grond van het tweede lid niet als bezoekers van de inrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SluitingsuurOp basis van het eerste lid mogen (horeca-)inrichtingen in de nachten van zondag op maandag tot en met die van woensdag op donderdag tot 02.00 uur geopend zijn. In de nachten van donderdag op vrijdag tot en met die van zaterdag op zondag mogen ze tot 03.00 uur geopend zijn Voor inrichtingen binnen het horecaconcentratiegebied geldt dat deze in de nachten van donderdag op vrijdag tot en met die van zaterdag op zondag tot 04.00 uur geopend mogen zijn, mits zij na 03.00 uur geen nieuwe bezoekers meer toelaten. Laatstgenoemde restrictie geldt krachtens het derde lid niet voor droge horeca-inrichtingen. Voor inrichtingen, die meer een sociaal-culturele functie hebben gelden op grond van het vierde lid beperktere openingstijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling van het sluitingsuur heeft ten doel de openbare orde te beschermen, zoveel mogelijk overlast te voorkomen en het woon- en leefklimaat te beschermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling geldt op grond van het zesde lid onder c. niet voor inrichtingen, die op grond van de Wet milieubeheer vergunningplichtig zijn én in wier vergunning één of meer bepalingen zijn opgenomen omtrent het in acht te nemen sluitingsuur. Dit is namelijk soms het geval, indien dit noodzakelijk is uit een oogpunt van milieubescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zesde en zevende lid is een afwijkende regeling getroffen voor bijzondere evenementen zoals carnaval en de jaarlijkse kermis.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-174\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Toegang ambtenaren van politieDit artikel beoogt te voorkomen, dat houders van inrichtingen politieambtenaren kunnen hinderen, indien deze toegang wensen tot de inrichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-175\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluitingDe bevoegdheid om afwijkende sluitingsuren vast te stellen of inrichtingen tijdelijk te sluiten vindt zijn grondslag in artikel 174 Gemeentewet. Op grond van dit artikel is de burgemeester belast met het toezicht op openbare samenkomsten, maar ook op “voor het publiek openstaande gebouwen”, zoals horeca-inrichtingen De burgemeester kan zijn in artikel 34 neergelegde bevoegdheid gebruiken in het belang van de openbare orde, de veiligheid, de gezondheid of in bijzondere omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het eerste lid kan de burgemeester voor één of meer horeca-inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen dan de geldende. Te denken is b.v. aan de situatie, dat er bij een bepaalde inrichting sprake is van een overlastpatroon, dat zich met name na twaalf uur ‘s nachts manifesteert. De burgemeester kan dan gedurende een bepaalde periode de sluitingstijd vaststellen op 24.00 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid inrichtingen gedurende een bepaalde tijd volledig te sluiten. Onder a t/m c. is een aantal concrete feiten opgesomd, die, als zij zich in de inrichting voordoen, kunnen leiden tot sluiting van de inrichting voor bepaalde tijd. Met het bepaalde onder d. is aangegeven, dat van de exploitant van een horeca-inrichting verwacht wordt, dat deze zijn volledige medewerking verleent aan de opsporing van ernstige strafbare feiten, zoals b.v. zware mishandeling, als die in de inrichting hebben plaatsgevonden. Indien onvoldoende medewerking wordt verleend of zaken worden verdoezeld, duidt dit er op, dat de inrichting op een wijze wordt geëxploiteerd, die een gevaar voor de openbare orde en de veiligheid met zich meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde onder e. maakt sluiting mogelijk in alle andere gevallen, waarin de openbare orde in gevaar is, zonder dat zich specifiek één van de onder a. t/m d. genoemde feiten heeft voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beleidsregels, die de burgemeester hanteert bij het gebruik maken van zijn bevoegdheid, zijn vastgelegd in de zogenaamde Handhavingsmodule Horeca.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid verwijst naar artikel 13 b Opiumwet. Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid een inrichting te sluiten, indien daar middelen als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 Opiumwet (hard- dan wel softdrugs) worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Deze bevoegdheid staat dus naast de sluitingsbevoegdheid op grond van artikel 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 b Opiumwet is bedoeld om op te kunnen treden tegen inrichtingen, waar drugs worden verkocht etc., waar dat niet wordt gedoogd. Indien zich openbare orde problemen (niet specifiek gekoppeld aan de verkoop van drugs) voordoen in een inrichting, waar de verkoop van soft drugs gedoogd wordt (coffeeshops) is niet artikel 13 b maar artikel 34 APV het aangewezen artikel om toe te passen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-176\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheid in gesloten inrichtingDe in de voorgaande artikelen opgenomen bepalingen richten zich tot de houder van de inrichting. Dit artikel richt zich op de bezoeker van de inrichting Paragraaf 2 ExploitatievergunningArtikel 37BegripsomschrijvingenVoor de exploitatie van inrichtingen als bedoeld in deze paragraaf is een exploitatievergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de beschrijving van het begrip “inrichting” volgt, dat dit vergunningstelsel van toepassing is op zowel “natte” als “droge” horeca-inrichtingen, inclusief inrichtingen, waarin Qat wordt verkocht voor gebruik ter plaatse.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38-177\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VergunningDe burgemeester is het vergunningverlenende orgaan, omdat de vergunningsplicht betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174 Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast In het derde lid is de burgemeester de bevoegdheid toegekend om voor één of meer afzonderlijke inrichtingen andere sluitingstijden vast te stellen dan die in artikel 32 zijn opgenomen. Deze bevoegdheid moet onderscheiden worden van de bevoegdheid van artikel 34. Laatstgenoemd artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om tijdelijk andere sluitingstijden vast te stellen. Artikel 38 geeft hem de bevoegdheid voor één of meer inrichtingen permanent andere sluitingstijden vast te stellen bij wege van vergunningvoorschrift. De burgemeester kan voor het gebruik van deze bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Hierin kan b.v. het beleid worden opgenomen om voor een bepaalde categorie inrichtingen aparte sluitingstijden vast te stellen. Dit moet dan wel zijn reden vinden in het belang van de openbare orde en/of het voorkomen van overlast c.q. de bescherming van het woon- en leefklimaat. Door de burgemeester zijn in september 2005 beleidsregels vastgesteld omtrent de sluitingstijden van coffeeshops In het vierde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag dient te worden beslist. Deze termijn komt overeen met de termijn die voor het beslissen op aanvragen voor een drank- en horecavergunning is opgenomen in de Drank- en Horecawet. De praktijk leert dat deze termijn veelal ook nodig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39-178\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">GedragseisenDit artikel is uitsluitend van toepassing op exploitanten van droge horeca-inrichtingen (inclusief Qat). Voor exploitanten van natte horeca-inrichtingen gelden al gedragseisen op grond van de drank- en Horecawet en het daarop berustende “Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999”</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren, dat de exploitant en de beheerder(s) van voldoende “kaliber” zijn om de inrichting op een goede wijze te exploiteren. Door het bepaalde in het tweede lid onder a. worden de eisen die krachtens de Drank- en Horecawet gelden voor exploitanten van alcoholschenkende inrichtingen van overeenkomstige toepassing verklaard op exploitanten van droge horeca-inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het “Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999” is bepaald, dat een exploitant of beheerder zich niet schuldig gemaakt mag hebben aan een aantal in het besluit opgesomde strafbare feiten. Indien de exploitant of beheerder zich aan deze feiten schuldig heeft gemaakt en hij terzake is veroordeeld tot een in het besluit aangegeven straf , dan voldoet hij niet aan de eisen en dient de vergunning geweigerd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij wijziging van beheerder dient dit gemeld te worden. Iedere nieuwe beheerder dient uiteraard ook aan de eisen van artikel 39 te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40-179\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">InrichtingseisenOok dit artikel is uitsluitend van toepassing op droge horeca-inrichtingen (incl. Qat). Voor natte horeca-inrichtingen gelden inrichtingseisen op grond van het “Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van dit artikel worden eisen gesteld aan de inrichting, zoals afmetingen, hoeveelheid licht, ventilatievoorzieningen e.d. Door het van overeenkomstige toepassing verklaren van de eisen zoals opgenomen in het “Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet” worden de eisen zoals die gelden voor de natte en de droge horeca geharmoniseerd. Uitzondering geldt voor de minimumvloeroppervlakte van de horecalokaliteit. Voor droge horeca-inrichtingen geldt een minimum van 25 m², voor de natte horeca van 35 m².</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41-180\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Weigering vergunningDe vergunning voor een droge horeca-inrichting (incl. Qat)) dient geweigerd te worden als niet voldaan wordt aan één of meer van de persoonlijkheids- en inrichtingseisen, zoals opgenomen in de artikelen 39 en 40 Voor alle inrichtingen geldt al weigeringsgrond, dat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan of de Leefmilieuverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kan de burgemeester verder een vergunning voor de vestiging van een inrichting ook weigeren in het belang van de openbare orde, de voorkoming van overlast of anderszins te vrezen aantasting van het woon en leefklimaat. Op basis van deze bepaling kan de burgemeester voor een bepaald soort inrichtingen of voor een bepaald gebied c.q. een combinatie van beide een maximumstelsel hanteren. Hieraan dienen dan wel beleidsregels ten grondslag te liggen, die in een dergelijk maximum voorzien. In de beleidsregels dient gemotiveerd te worden om welke aan de hiervoor genoemde belangen te ontlenen redenen het maximum wordt gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze mogelijkheid is benut voor de vestiging van coffeeshops. In de “Eindnota koffieshop-problematiek” van september 1992 is het vestigingsbeleid voor coffeeshops opgenomen. Deze nota is een tweetal malen aangevuld en wel door de “Nota lokaal drugsbeleid 1997” en de “Nota aanpassing vestigingsbeleid koffieshops”, die is vastgesteld op 14 juni 2001. Op basis hiervan geldt een maximum voor het aantal in Tilburg te vestigen koffieshops van twaalf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor inrichtingen, waarin Qat wordt verkocht voor gebruik ter plaatse zal van deze mogelijkheid gebruik gemaakt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de mogelijkheid van het stellen van een maximum, kan er ook voor gekozen worden op andere wijze ongewenste vestiging van inrichtingen in kwetsbare gebieden te voorkomen. Ook hieraan dient beleid ten grondslag te liggen. Uitgangspunt voor dat beleid is het bepaalde in het derde lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het vijfde lid kan een vergunning eveneens geweigerd worden, indien er in de afgelopen drie jaar problemen zijn geweest met de betreffende exploitant en/of beheerder op het vlak van de openbare orde. Beoogd wordt hiermee te voorkomen, dat een vergunning verleend zou moeten worden aan een exploitant of ten behoeve van een beheerder van wie duidelijk is, dat hij niet in staat is op een juiste wijze leiding te geven aan een horeca-inrichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42-181\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opheffing vergunningplichtDit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid te bepalen, dat bepaalde soorten inrichtingen dan wel bepaalde delen van de gemeente niet onder de vergunningplicht vallen Voor dit soort inrichtingen geldt op grond van het tweede lid wel een algemene zorgplicht ten aanzien van openbare orde en het woon- en leefklimaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43-182\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Intrekking vergunningIntrekking van de vergunning voor een droge horeca-inrichting (incl. Qat) is mogelijk, als niet meer voldaan wordt aan één of meer van de op grond van de artikelen 39 en 40 gestelde eisen. Daarnaast is voor alle inrichtingen intrekking mogelijk als aannemelijk is, dat de exploitant betrokken is bij of ernstige nalatigheid verweten kan worden ten aanzien van overtreding van de Opiumwet of een aantal andere strafbare feiten, zoals genoemd in artikel 34 APV (b.v. verboden wapenbezit). Intrekking is ook mogelijk als dit anderszins noodzakelijk is het belang van de openbare orde of ter bescherming van het woon- en leefklimaat De gronden voor intrekking van de vergunning zijn (nagenoeg) gelijk aan de gronden om een inrichting tijdelijk te sluiten op grond van artikel 34. In welke gevallen van welke bevoegdheid gebruik gemaakt zal worden is uitgewerkt in de “Handhavingsmodule horeca”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het derde lid kan bij intrekking van de vergunning bepaald worden, dat gedurende een alsdan te bepalen termijn van maximaal vijf jaar geen nieuwe vergunning verleend zal worden voor dezelfde inrichting. Deze bevoegdheid komt overeen met een soortgelijke bevoegdheid die is opgenomen in artikel 27, tweede lid, van de Drank- en Horecawet. Gebruikmaking van deze bevoegdheid is b.v. aan de orde als er in een inrichting gehandeld is in harddrugs. Voorkomen moet worden, dat na intrekking van de vergunning direct een nieuwe vergunning moet worden verleend, omdat dan te vrezen is, dat deze handel zal worden voortgezet. Door het pand op deze wijze enige tijd als het ware aan zijn horecabestemming te onttrekken wordt beoogd de bekendheid van het pand als adres waar harddrugs te verkrijgen zijn weg te nemen en op die manier “de loop” er uit te halen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44-183\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheid leidinggevendeOp grond van dit artikel is het verboden een inrichting geopend te hebben zonder dat daar een bevoegde (= op de vergunning vermelde) leidinggevende aanwezig is. Deze bepaling komt overeen met artikel 24 Drank- en Horecawet (voor de natte horeca) en met artikel 100 APV (voor seksinrichtingen). Bedoeling is te verzekeren dat er te allen tijde bekwame leiding aanwezig is Hoe tegen overtreding van deze bepaling wordt opgetreden is geregeld in de “Handhavingsmodule horeca”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45-184\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging vergunningDit artikel legt de verplichting op de exploitant om wijzigingen tijdig door te geven. Voldoet hij niet aan deze verplichting dan kan de vergunning ingetrokken worden</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 2a Exploitatievergunning grow- en smartshopsArtikel 45aBegripsomschrijvingenDe omschrijving van het begrip \"inrichting\" is zo ruim mogelijk gehouden.</h3>\n<p class=\"lf-p\">Growshops zijn detailhandels- of groothandelsbedrijven die zich kenmerken doordat zij benodigdheden verkopen voor de thuiskweek van cannabis. Telkens als daarvan in mindere of meerdere mate sprake van is valt de inrichting onder het begrip growshop; dus ook als de verkoop van dit soort artikelen niet de hoofdzaak is of als het bedrijf zichzelf niet als growshop afficheert. Een smartshop kenmerkt zich doordat zij ecodrugs (paddo´s ofwel paddestoelen, cactussoorten etc.) en/ of smartproducts (smartdrinks, voedingssupplementen, energydranken, extacy-vervangers, euforiserende en ontspannende middelen etc). verkoopt. Telkens als daarvan in mindere of meerdere mate sprake van is valt de inrichting onder het begrip smartshop; dus ook als de verkoop van dit soort artikelen niet de hoofdzaak is of als het bedrijf zichzelf niet als smartshop afficheert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Smartshops zijn winkels en groothandelsbedrijven die ecodrugs (paddo´s ofwel paddestoelen, cactussoorten ) of smartproducts verkopen (smartdrinks, voedingssupplement, energydranken, extacy-vervangers, euforiserende en ontspannende middelen etc). Het betreft legale drugs die niet voorkomen op lijst I (harddrugs) of lijst II (softdrugs) van de Opiumwet, in een smartshop mag geen hash of wiet worden verkocht. Het gaat hierbij om een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet handelingen en werkzaamheden worden verricht, die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smartshop.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45b-185\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VergunningDe burgemeester is het vergunning verlenende orgaan, omdat de vergunningplicht betrekking heeft op voor het publiek openstaande inrichtingen en artikel 174 Gemeentewet de burgemeester met het toezicht daarop belast In het derde lid is bepaald, dat binnen dertien weken op een vergunningaanvraag dient te worden beslist. Deze termijn spoort met de termijn, die geldt voor vergunningverlening op grond van de Drank- en Horecawet en met die voor de exploitatievergunning voor de horeca. Deze termijn is nodig, omdat een BIBOB-onderzoek onderdeel uitmaakt van de toetsing van de aanvraag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45c-186\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45c</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">MaximumstelselUit een inventarisatie is gebleken, dat er in Tilburg momenteel 22 growshops (in twee gevallen gecombineerd met een smartshop) en 2 (zuivere) smartshops actief zijn Deze aantallen vormen dan ook het maximum aantal waarvoor vergunning verleend kan worden. Mochten er growshops en smartshops of mengvormen daarvan, aantoonbaar actief zijn op het moment van inwerkingtreden van dit artikel, die bij ons niet bekend zijn, dan zullen deze aan de lijst van bestaande inrichtingen worden toegevoegd en zal het maximum worden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien blijkt, dat in sommige gevallen voor bestaande inrichtingen geen vergunning kan worden verleend, omdat zich één van de weigeringsgronden van artikel 45e voordoet, neemt het maximum automatisch af tot het aantal, waarvoor wel vergunning verleend kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uiteindelijke maximum aantal is dus het aantal inrichtingen, dat op het moment van inwerkingtreden van dit artikel aantoonbaar actief is en waarvoor geen weigeringsgrond aanwezig is conform artikel 45 e, zodat vergunning verleend kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid heeft betrekking op inrichtingen, waarvoor wel vergunning verleend wordt. Indien de exploitatie van deze in de toekomst wordt gestopt - hetzij vrijwillig hetzij gedwongen - dan neemt het maximum verder af. Dit betekent dus ook, dat overdracht van de exploitatie van een bestaande shop aan een nieuwe exploitant niet mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-45d-187\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45d</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">GedragseisenMet het stellen van deze eisen wordt beoogd te verzekeren dat de exploitant en de andere leidinggevenden van voldoende \"kaliber\" zijn om de inrichting op een goede wijze te leiden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Weigering vergunningDe weigeringsgrond van het eerste lid is het sluitstuk van het maximumstelsel. Concreet betekent dit, dat zich geen nieuwe growshops en smartshops in Tilburg meer kunnen vestigen en dat het aantal bestaande shops geleidelijk af zal nemen De grond, genoemd in het vijfde lid, beoogt te voorkomen, dat vergunning verleend moet worden aan een exploitant, van wie het verleden heeft aangetoond, dat hij niet in staat is op een juiste wijze een inrichting te exploiteren. Daarnaast geldt uiteraard dat de vergunning geweigerd kan worden op basis van de wet BIBOB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 fVerplaatsing inrichtingVanwege het systeem van een maximumstelsel is vestiging van en nieuwe inrichting niet meer mogelijk. Hetzelfde geldt voor verplaatsing van een bestaande inrichting, daar hiervoor een nieuwe vergunning moet worden afgegeven, wat niet mogelijk is vanwege het systeem van het afnemend maximum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder omstandigheden kan het juist ter bevordering van het woon- en leefklimaat in een wijk echter gewenst zijn, dat een inrichting verplaatst wordt naar een andere locatie. Artikel 45f opent voor de burgemeester de mogelijkheid om in dat geval toch vergunning te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 gIntrekking vergunningDaarnaast geldt uiteraard dat de vergunning ingetrokken kan worden op basis van de wet BIBOB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 hAanwezigheid leidinggevendeOp grond van dit artikel is het verboden een inrichting geopend te hebben zonder dat daar een bevoegde leidinggevende aanwezig is. Deze bepaling komt overeen met de regels, die gelden voor horeca- en sexinrichtingen. Bedoeling is te verzekeren, dat er te allen tijde bekwame leiding aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe tegen overtreding van deze bepaling wordt opgetreden, is geregeld in de Handhavingsmodule growshops en smartshops.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 iWijziging vergunningBij een verandering van omstandigheden is met name te denken aan een wisseling van leidinggevenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3 Overige inrichtingenArtikel 46BegripsomschrijvingenHet begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid betreft iedere openbare gelegenheid, waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. De Wet op de Kansspelen bevat een vergunningstelsel voor het organiseren van kansspelen, dat wil zeggen spelen waarbij “de aanwijzing van de winnaars geschiedt door enige kansbepaling, waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed hebben”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hier opgenomen artikelen richten zich niet op de organisator van het kansspel, zoals de wet op de Kansspelen doet, maar op de exploitant van de speelgelegenheid, waarin de kansspelen, maar ook andere spelen om geld zoals behendigheidsspelen worden georganiseerd. Het bestaan van dergelijke gelegenheden kan namelijk risico’s met zich meebrengen voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat. Om te kunnen toetsen of daar in een concreet geval sprake van is, is het vergunningstelsel in het leven geroepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-47\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 47</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VergunningDe vergunningplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid. Artikel 47 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat ten doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van die wet is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit dient te worden tegengegaan De vergunningplicht geldt niet voor exploitanten van speelautomatenhallen. Voor deze geldt al een vergunningplicht op grond van artikel 30, eerste lid, onder c. van de Wet op de Kansspelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-48\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 48</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">GedragseisenDe hier gestelde eisen komen overeen met de eisen, die gelden voor exploitanten van horeca-inrichtingen. Zij hebben ten doel te verzekeren, dat de exploitant van voldoende kaliber is om leiding te geven aan een speelgelegenheid Artikel 49 en 50Weigering/intrekking vergunning en sluitingIndien de vestiging van een speelgelegenheid gevaar oplevert voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat kan de vergunning geweigerd worden. Een reeds verleende vergunning kan worden ingetrokken, indien dit noodzakelijk is met het oog op diezelfde belangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook sluiting van een inrichting is mogelijk, nu artikel 34 APV van overeenkomstige toepassing is verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van aantasting van de openbare orde is ook sprake, indien in de speelgelegenheid kansspelen worden beoefend in strijd met het daaromtrent bepaalde in de Wet op de Kansspelen. Naleving van deze wet in een speelgelegenheid is dusdanig belangrijk, dat bij niet naleving daarvan de vergunning dient te worden ingetrokken en de gelegenheid te worden gesloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51-190\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SpeelautomatenIn artikel 30 c, tweede lid, van de Wet op de Kansspelen is bepaald, dat de gemeente in een verordening dient te regelen hoeveel speelautomaten in een inrichting mogen worden geplaatst. Speelautomaten worden onderscheiden in behendigheidsautomaten (keren geen geld uit, uitkomst is grotendeels afhankelijk van de behendigheid van de speler) en kansspelautomaten (keren geld uit, uitkomst is kwestie van geluk). Op grond van artikel 30 c mogen in laagdrempelige inrichtingen geen kansspelautomaten worden geplaatst en in hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee kansspelautomaten Onder hoogdrempelige inrichtingen verstaat artikel 30 sub d van de wet een inrichting als bedoeld in artikel 1 Drank- en Horecawet, waar het café- en restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, die zelfstandige betekenis hebben; verder geldt dat de activiteiten zich in belangrijke mate moeten richten op personen ouder dan 18 jaar. Wordt aan deze voorwaarden niet voldaan dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is veel jurisprudentie over de uitleg van deze begrippen. Zo is b.v. een bowlingcentrum een laagdrempelige inrichting (er vinden activiteiten plaats, die los staan van de activiteiten die hun basis vinden in de Drank- en horecawet) en is een sportkantine veelal een hoogdrempelige inrichting, omdat daar uitsluitend café- en/of restaurant-activiteiten plaatsvinden, die zich vaak veelal richten op personen, die 18 jaar en ouder zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft het dus aan de gemeente over gelaten te bepalen hoeveel speelautomaten in een inrichting geplaatst mogen worden; maar wel heeft hij daarbij een grens gesteld aan het aantal toe te laten kansspelautomaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rekening houdend met die grens en met het bestaande beleid is in artikel 51 het aantal toegelaten speelautomaten als volgt vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor hoogdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor laagdrempelige inrichtingen maximaal twee speelautomaten, niet zijnde kansspelautomaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-52-191\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 52</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Innemen standplaatsDe burgemeester is op grond van artikel 174 Gemeentewet o.a. belast met het toezicht op openbare vermakelijkheden. Vanuit deze verantwoordelijkheid is in artikel 52 bepaald, dat hij aanwijzingen kan geven over het innemen van standplaats op de kermis Bij niet naleving van deze aanwijzingen kan bestuursrechtelijk worden opgetreden door de toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. Eén en ander is voor wat betreft de jaarlijkse kermis in de binnenstad nader geregeld in de Handhavingsnota “Veiligheid op en rond de kermis”.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-53-192\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 53</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Openstelling inrichtingDit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid tijden vast te stellen gedurende welke de kermisinrichtingen geopend mogen zijn. Van deze bevoegdheid is nog geen gebruik gemaakt. Praktijk is, dat voor de jaarlijkse kermis de sluitingstijden worden vastgesteld via de Kermisvoorwaarden, derhalve op privaatrechtelijke basis Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheidArtikel 54Betreden gesloten woning of lokaalDe burgemeester is op grond van artikel 174a Gemeentewet bevoegd een woning te sluiten van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, dat wil zeggen niet bepaalt, dat het betreden van zo’n woning strafbaar is, is in dit artikel het betredingsverbod opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 13 b Opiumwet heeft de burgemeester een zelfde bevoegdheid ten aanzien van alle woningen, lokalen of voor het publiek toegankelijke inrichtingen en daarbij horende erven, waar drugs worden verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Ook de Opiumwet regelt de rechtsgevolgen niet en daarin voorziet nu het tweede lid van artikel 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de grote persoonlijke gevolgen, die aan het sluiten van een woning verbonden zijn, is in het vierde lid een mogelijkheid van ontheffing van het verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b Opiumwet kan ontheffing verleend worden, b.v. voor de exploitant zelf of zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het publiek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-55-193\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 55</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladdenEerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de grondwet, artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 55 van de APV maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent van of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 55 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 55 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Ingevolge het bepaalde in het vierde lid geldt het plakverbod niet voor het aanbrengen van meningsuitingen op de door het college aangewezen aanplakborden en overeenkomstig de door dit college gestelde nadere regels. Er zijn tot op heden de volgende locaties aangewezen: de locatie in de Veemarktstraat, op het Koningsplein, het hoekpand Willem II straat - Tuinstraat, 5 plaatsen op het NS-plein, en in de Spoorlaan. In een later stadium zijn hierbij nog de locaties op het Verdiplein, de winkelcentra Heyhoef en Westermarkt, en de locatie op het Pater van de Elzenplein toegevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-56-194\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervoer plakgereedschapDoor deze bepaling wordt de effectiviteit van het in artikel 55 opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient aldus te worden verstaan dat de omstandigheid dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd worden voor handelingen, welke ingevolge artikel 55 APV zijn verboden, een rechtvaardigingsgrond oplevert Bij de redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57-195\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 57</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigenDeze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod tot het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58-196\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 58</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BedelverbodDit verbod stond tot voor enkele jaren in het Wetboek van Strafrecht. In de praktijk brengt met name het bedelen in winkelgebieden overlast met zich mee. Om die reden is besloten dit verbod op te nemen. De afschaffing van deze bepaling in het Wetboek van Strafrecht staat hier niet aan in de weg</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-59-197\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 59</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geprepareerde tassenHet gebruik van voorwerpen als hier bedoeld neemt de laatste tijd sterk toe. Naast tassen worden ook jassen, paraplu’s, schoendozen etc. geprepareerd met lood en/of aluminiumfolie met het oogmerk winkeldiefstal te plegen zonder dat het elektronisch alarm afgaat. Het verbod op deze voorwerpen vergemakkelijkt het politieoptreden en kan in een aantal gevallen winkeldiefstal voorkomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 61</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SchietenArtikel 424 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) regelt de mogelijkheid om op te treden tegen baldadigheid tegen personen of goederen op of aan de openbare weg of op enig voor het publiek toegankelijke plaats (straatschenderij). Artikel 431 WvSr heeft betrekking op het verstoren van de nachtrust door rumoer of burengerucht. Kan de gedraging niet worden ondergebracht bij een van deze twee bepalingen dan kan mogelijk nog een beroep worden gedaan op artikel 61 APV</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 62</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op of aan de wegOp grond van deze bepaling kan er tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt reeds “straatschenderij” strafbaar. Van straatschenderij is sprake als iemand op of aan de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats tegen personen of goederen enige baldadigheid pleegt waardoor gevaar of nadeel kan worden teweeggebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 426bis wordt voorts het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Het eveneens genoemde artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip weg uit artikel 49 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeersweg 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1 van de APV). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg en daarbij leidt tot verkeershinder, als omschreven in artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, is artikel 49 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 63</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afwijking routeDeze bepaling is bedoeld om in gevallen van mogelijke ongeregeldheden groepen mensen langs een bepaalde route te laten manoeuvreren. Hierbij valt onder andere te denken aan betogingen of de geleiding van voetbalfans na afloop van een voetbalwedstrijd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 64</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nachtverblijf in voertuigDit artikel beoogt een handvat te geven om op te kunnen treden tegen het overnachten in voertuigen op of aan de openbare weg, wanneer daardoor overlast wordt veroorzaakt Weliswaar verbiedt artikel 15 van de Wet op de Openluchtrecreatie het plaatsen van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein, maar dit artikel is niet van toepassing op andere objecten dan kampeermiddelen. Daaronder worden verstaan tenten, caravans, kampeerauto’s e.d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 65</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinder in verband met harddrugs dan wel een andere bedreiging van de openbare ordeDit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid een gebied aan te wijzen, waarbinnen het verboden is om deel te nemen aan een verzameling van meer dan drie personen, waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat deze verzameling een bedreiging van de openbare orde met zich meebrengt. Dit wordt ook wel een samenscholingsverbod genoemd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-66-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 66</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik harddrugsOp grond van de Opiumwet is het “aanwezig hebben” van harddrugs verboden. In de praktijk blijkt die wet echter toch onvoldoende middelen te bevatten om op te treden tegen overlast gevende drugsgebruikers, wanneer deze de drugs niet openlijk voorhanden hebben, maar ze wel gebruikt hebben c.q. zich opmaken om ze te gaan gebruiken. Dit artikel beoogt de Politie meer middelen te geven om op te treden in overlastsituaties</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-67-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 67</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorbereidingshandelingen (ver)koop harddrugsHet verkopen of te koop aanbieden van drugs is strafbaar gesteld in de Opiumwet. Artikel 67 beoogt de overlast, die het gevolg is van die handel op straat,tegen te gaan. Het heeft daarmee een ander motief dan de Opiumwet Het geeft de Politie de mogelijkheid op te treden niet alleen wanneer daadwerkelijk gehandeld wordt, maar ook wanneer duidelijk is, dat betrokkenen voornemens zijn te gaan handelen c.q. drugs aan te kopen. Deze voornemens dienen afgeleid te worden uit de concrete omstandigheden en dienen zonodig toegelicht te worden in het door de Politie op te maken proces verbaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-68-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 68</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Weggooien van spuitenHet artikel verbiedt het weggooien van attributen, die bij het gebruik van (hard)drugs worden gehanteerd. Aangezien deze objecten een gevaar kunnen opleveren, is gekozen voor een algemeen verbod om deze op de openbare weg achter te laten. Ook het weggooien in (openbare) afvalbakken is niet toegestaan vanwege de risico’s voor derden b.v. voor de gezondheid Zo’n verbod kan ter bescherming van de openbare orde opgelegd worden, als er sprake is van voortdurende overlast ten gevolge van het gebruik van en/of de handel in harddrugs dan wel ten gevolge van andere oorzaken (b.v. overlast ten gevolge van het op luidruchtige wijze samenscholen van groepen jongeren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod kan voor maximaal zes maanden worden opgelegd, maar deze termijn kan wel worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is voor een beperkte termijn gekozen, omdat het om een ingrijpend middel gaat, dat inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid, wat met zich meebrengt dat dit niet lichtvaardig dient te worden toegepast en periodiek geëvalueerd dient te worden. Om diezelfde reden is er ook een beleidskader opgesteld, waarin is aangegeven wanneer instelling van een samenscholingsverbod eventueel in combinatie met andere verboden is geïndiceerd. Dit kader is door de raad geaccordeerd op 13 oktober 2003 (2003/120).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-69-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 69</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijk gebruik van genotmiddelenHet eerste lid van dit artikel bevat een algemeen verbod om op of aan de weg alcoholhoudende dranken of andere genotsmiddelen, die het bewustzijn kunnen beïnvloeden (denk b.v. aan QAT) te gebruiken, aanwezig te hebben of te verhandelen, als dit leidt tot verstoring van de openbare orde, aantasting van het woon- en leefklimaat of aanleiding geeft tot overlast Het tweede lid maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen, waar het op voorhand verboden is dergelijke middelen überhaupt te gebruiken, aanwezig te hebben of te verhandelen. Als zo’n gebied is aangewezen is degene, die in het bezit is van die middelen dus zonder meer strafbaar, ook al veroorzaakt hij wellicht op dat moment geen overlast. Een dergelijk preventief verbod is slechts gerechtvaardigd in bijzondere gevallen, waarin er sprake is van grote overlast in een gebied, omdat het om een ingrijpend middel gaat, dat inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid. Mede om die reden is er een beleidskader opgesteld, waarin is aangegeven, wanneer instelling van een dergelijk verbod, mogelijk in combinatie met andere verboden, is geïndiceerd. Dit kader is door de raad geaccordeerd op 13 oktober 2003 (2003/120).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de eerste twee leden opgenomen verboden gelden niet voor terrassen bij een horeca-inrichting en ook niet voor plaatsen, waar een vergunning ex artikel 35 Drank- en Horecawet geldt voor het schenken van zwak alcoholhoudende dranken bij b.v. evenementen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om een gebied aan te wijzen, waar het gedurende een bepaalde periode verboden is drinkglazen of flessen, die kennelijk bestemd zijn voor het nuttigen van drank op de openbare weg, bij zich te hebben. Bedoeling van deze bepaling is met name het voorkomen van overlast ten gevolge van het aanwezig zijn van glas en glasscherven in het openbaar gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt bij besluit van het college van 12 mei 1998 (A15), waarbij het horecaconcentratiegebied is aangewezen op de donderdag-, vrijdag- en zaterdagavond.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-70-207\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 70</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VerblijfsontzeggingOp grond van het eerste lid van dit artikel kan de burgemeester personen in het belang van de openbare orde schriftelijk verbieden om gedurende een bepaalde termijn in een in dat verbod aangeduid gebied te verblijven. Deze termijn kan volgens de huidige redactie van lid 3 ten hoogste 8 weken duren; eerder was een termijn van 4 weken vastgesteld. Dat bleek minder effectief te zijn Overigens heeft de burgemeester beleid vastgesteld in welke gevallen hij overgaat tot oplegging van een verblijfsverbod. Daarbij moet vaststaan dat de betreffende persoon strafbare feiten heeft begaan, welke een aantasting van de openbare orde opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zal de burgemeester een bepaalde procedure volgen. Daartoe behoort dat hij een waarschuwing geeft dat verblijfsontzegging volgt, indien binnen een bepaalde periode wederom een overtreding begaan wordt. Verder zal hij ten aanzien van het voornemen om daadwerkelijk een verblijfsontzegging op te leggen toepassing geven aan artikel 4:8 van de Awb, dit wil zeggen dat hij de betrokken persoon in de gelegenheid stelt zijn zienswijze naar voren te brengen ten aanzien van de voorgenomen verblijfsontzegging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-71-208\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 71</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Meevoeren wapens De verbodsbepaling tot het openlijk bij zich dragen van wapens op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen openbare gebouwen en terreinen is bij raadsbesluit van 22 mei 2000 in de APV opgenomen. Dit geschiedde in het kader van de regeling van de bestuurlijke ophouding. Hiermee wordt gedoeld op de bevoegdheid van de burgemeester om groepen ordeverstoorders op een bepaalde plaats onder te brengen en daar vast te houden, dit met inbegrip van het overbrengen naar die plaats Van de bevoegdheid tot aanwijzing van wegen c.a. waar de verbodsbepaling geldt, heeft het college tot heden geen gebruik gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een meer uitgebreide toelichting op het fenomeen bestuurlijke ophouding, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 8.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-72-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hinderlijk gedrag bij of in gebouwenDit artikel beoogt evenals de artikelen 62 en 73 a een handvat te geven om op te kunnen treden tegen personen, die zich hinderlijk gedragen. Artikel 62 is van toepassing op de openbare weg, artikel 72 op (woon)gebouwen en artikel 73 op meer algemeen toegankelijke gebouwen als parkeergarages</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-73-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 73</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimtenZie de toelichting op artikel 72</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aan deze bepaling bestaat behoefte, omdat op basis van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (huis, lokaal, of erfvredebreuk) slechts opgetreden kan worden, indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie kan op basis van dat artikel niet zonder tussenkomst van de rechthebbende ingrijpen, terwijl dit soms wel wenselijk is uit een oogpunt van handhaving van de openbare orde.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-74-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 74</span><span class=\"lf-art-t\">StraatartiestenVoor het optreden als straatartiest is geen vergunning vereist</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het komt in de praktijk echter regelmatig voor dat er (groepen) straatartiesten zijn die irritant en opdringerig gedrag vertonen bij met name terrassen en in het winkelgebied. Dit kan leiden tot problemen met de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel beoogt de politie een handvat te bieden om op te treden in situaties, waarin er sprake is van overlast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Spelen om geldDeze bepaling richt zich op het gokken op de openbare weg met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen (b.v. “balletje-balletjespel”) en heeft ten doel verloedering van de openbare ruimte tegen te gaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-76-213\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 76</span><span class=\"lf-art-t\">Neerzetten van fietsen e.d.Het eerste lid verbiedt het hinderlijk neerzetten van fietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het tweede lid kan het college plaatsen aanwijzen, waar het verboden is fietsen te stallen buiten de aanwezige stallingsvoorzieningen. Reden voor een dergelijke aanwijzing kan o.a. gelegen zijn het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente en/of het voorkomen van overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft bij besluit van 24 mei 2005 (Nr.17) een deel van de binnenstad aangewezen als een gebied in de zin van het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77-214\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 77</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bespieden van personenMet deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy te verbieden. Deze bepaling kan als aanvulling gezien worden op artikel 285b. van het Wetboek van Strafrecht inzake stalking. In dit artikel is het inbreuk maken op eens anders levenssfeer, om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden dan wel vrees aan te jagen, strafbaar gesteld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-78-215\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 78</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende hondenRegel is dat de eigenaar etc. van een hond deze aangelijnd moet uitlaten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kinderspeelplaats, zandbak, speelweide en adoptieveld zijn voor honden verboden gebied. Zij mogen er ook niet aangelijnd verblijven. Het college kan overigens ook nog andere plaatsen als verboden gebied aanwijzen. Van die bevoegdheid heeft het echter nog geen gebruik gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een adoptieveld is een speelweide, die door de buurt is geadopteerd. Zoals gezegd, heeft een hond daar geen toegang en zeker mag hij er zijn behoefte niet doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een renveld – in de wandeling ook wel aangeduid als: losloopveld of losloopzone - is een afgescheiden gedeelte van een plantsoen, waar honden los mogen lopen en hun behoefte kunnen doen. De uitwerpselen dienen echter wel opgeruimd te worden. Het college heeft meerdere ren-/losloopvelden aangewezen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-79-216\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 79</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verontreiniging door hondenHet artikel houdt voor de eigenaar etc. van de hond de plicht in ervoor te zorgen dat de hond zich op de aangegeven plaatsen niet van zijn uitwerpselen ontdoet. Doet de hond dat toch, dan dient degene die de hond uitlaat, de hondenpoep onmiddellijk op te ruimen. Het bij zich hebben van een hulpmiddel is daarbij niet verplicht, maar dit vergemakkelijkt wel het verwijderen van de poep. Door de uitwerpselen daadwerkelijk op te ruimen, wordt de strafbaarheid opgeheven</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-80-217\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gevaarlijke hondenDit artikel richt zich tot eigenaren etc. van gevaarlijke en agressieve honden. Te denken valt daarbij aan honden van het type pitbullterriër. De eigenaar etc. van zo’n gevaarlijke en agressieve hond dient bij het college bekend te zijn, alvorens het college hem het gebod tot kort aanlijnen dan wel kort aanlijnen plus muilkorven kan opleggen. Dit gebod geldt, zoals uit het artikel blijkt, op het moment dat hij die hond wil laten verblijven of wil laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81-218\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 81</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Loslopend vee en pluimveeDit artikel is mede gericht op de verkeersveiligheid. Het komt namelijk wel eens voor dat een koe of een ander dier uit de wei is gebroken en zich op de weg bevindt. Een verplichting om dit te voorkomen, is daarom op zijn plaats Een verbod tot het los laten lopen van honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 78.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-82-219\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 82</span><span class=\"lf-art-t\">Schade door duivenVerwilderde duiven kunnen in het voorjaar schade berokkenen aan jonge gewassen doordat zij akkerbouwgebieden als foerageerplaats gebruiken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft het college de mogelijkheid om tussen 1 maart en 1 juni een periode aan te wijzen, waarin de eigenaren of bezitters van duiven verplicht zijn de duiven binnen te houden. Dit geeft jagers de mogelijkheid om het verwilderde duivenbestand enigszins terug te dringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens kan vermeld worden dat het college een dergelijk tijdvak totnogtoe niet aangewezen heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-83-220\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 83</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VoederverbodEen van de oorzaken van overlast van duiven of watervogels is het grote voedselaanbod dat voor deze vogels beschikbaar is. Dit aanbod wordt nog vergroot doordat burgers deze vogels regelmatig voederen. Het gevolg hiervan is de toename van het aantal vogels in een bepaald gebied en een verstoring van het biologisch evenwicht in dat gebied met alle gevolgen van dien Vermeld kan nog worden dat dit artikel bij raadsbesluit van 20 januari 2003 in de APV is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de mogelijkheid om plaatsen aan te wijzen, waarvoor het voederverbod geldt, heeft het college overigens nog geen gebruik gemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-84-221\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BijenHet vliegen van bijen kan, indien de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst zijn en op zodanige wijze dat “aanvliegbanen” hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren Dit gevaar kan tot geringe omvang worden teruggebracht door de aanvliegroute te verleggen door het plaatsen van een afscheiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt ook voor dat omwonenden op hun erf of zelfs in hun huis overlast van bijen ondervinden. Door de gestelde verbodsbepaling wordt de kans op deze overlast zoveel mogelijk beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid is bij raadsbesluit van 13 maart 2000 opgenomen. Het maakt het de bijenhouder mogelijk om korven en kasten te plaatsen op minder dan 30 meter van zijn eigen woning of gebouwen. De afstand van 30 meter tot omliggende woningen, andere gebouwen of wegen blijft vanzelf gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederenArtikel 85BegripsomschrijvingenIn de artikelen 416 en 417 van het Wetboek van Strafrecht wordt het misdrijf van heling strafbaar gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 437 van datzelfde wetboek stelt de handelaar strafbaar die geen inkoopregister bij houdt. Hieruit dient de herkomst te blijken van de goederen, die hij heeft verworven en onder zich heeft. Op welke handelaren die verplichting rust en aan welke eisen het inkoopregister dient te voldoen is geregeld in een op dit artikel gebaseerde Algemene Maatregel van Bestuur (KB 06-01-1992).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 van dit besluit noemt: opkopers en handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken, kunstvoorwerpen, auto’s motorfietsen, bromfietsen, foto, film, radio en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 437ter stelt de handelaar strafbaar, die bepalingen overtreedt, die in een gemeentelijke verordening ter bestrijding van heling zijn opgenomen. Dit artikel vormt de basis voor de bepalingen van afdeling 5.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-86-222\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 86</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregisterZoals hiervoor aangegeven regelt het Wetboek van Strafrecht al, dat bepaalde handelaren een inkoopregister moeten bijhouden. Artikel 86 voegt daar de verplichting aan toe om ook een verkoopregister, dat wil zeggen een register, waarin is aangegeven aan wie gebruikte en ongeregelde goederen zijn verkocht, bij te houden. Deze aanvullende wetgevende bevoegdheid is gebaseerd op artikel 437 ter Wetboek van Strafrecht De bepaling heeft ten doel de bestrijding van heling te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen, die aan het verkoopregister worden gesteld, zijn analoog aan de eisen, die gelden voor het inkoopregister.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-87-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 87</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van StrafrechtArtikel 437 ter geeft de gemeentelijke wetgever de bevoegdheid nadere regels te stellen. Tevens bepaalt dit artikel, dat een handelaar strafbaar is als hij van zijn activiteiten niet van tevoren schriftelijk melding heeft gemaakt bij de burgemeester c.q. een door hem aangewezen ambtenaar. In artikel 87 is de meldingsplicht nader geregeld en zijn verder nog een aantal voorschriften gegeven, die beogen de bestrijding van heling te vergemakkelijken Het bepaalde onder d. van dit artikel legt op de handelaar een verplichting aangifte te doen, als hij redelijkerwijs kan vermoeden, dat een hem aangeboden goed van misdrijf afkomstig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-88-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 88</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vervreemding van door opkoop verkregen goederenArtikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht bepaalt onder f., dat de burgemeester een last kan geven aan een handelaar bepaalde goederen gedurende maximaal veertien dagen te bewaren of in bewaring te geven. Artikel 88 gaat verder en bevat een verbod door inkoop verkregen gebruikte of ongeregelde goederen van de hand te doen gedurende de eerste drie dagen nadat deze verkregen zijn. Bedoeling is daarmee de opsporing van gestolen goederen te vergemakkelijken en anderzijds, door hantering van een termijn van drie dagen, de handel van (legaal verkregen) goederen niet te zeer te belemmeren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 89</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Handel in horeca-inrichtingenArtikel 14 van de Drank en Horecawet verbiedt de kleinhandel in horeca-inrichtingen. Hieronder vallen uitsluitend verkoophandelingen. Artikel 89 verbiedt ook het verwerven en het op andere wijze dan door verkoop overdragen van goederen in die inrichtingen. Het richt zich op de exploitant van de inrichting. Het is dan ook geen nadere regeling als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht, dat zich richt op de handelaar, maar is een autonome bepaling gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet Het artikel is opgenomen, omdat bekend is, dat in sommige cafés regelmatig gestolen goederen verhandeld worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 6 Gevaarlijke stoffenArtikel 90 Plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffenVoor de bekendmaking van het in het eerste lid genoemde besluit van algemene strekking dient te worden voldaan aan het gestelde in artikel 3:42 Awb. Artikel 90 APV geldt als aanvulling op hetgeen staat geregeld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS). Deze wet stelt geen nadere regels met betrekking tot het plaatsen van voertuigen met gevaarlijke stoffen maar concentreert zich op het vervoeren van de stoffen en het laden en lossen ervan. Van de in het eerste lid genoemde bevoegdheid is door het college gebruik gemaakt. Op de parkeerplaats, ingesloten tussen de Gebroeders Deprezstraat en de H. Blomjousstraat, is het toegestaan een voertuig dat in gebruik is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 7 VuurwerkArtikel 91BegripsomschrijvingHet Vuurwerkbesluit heeft betrekking op zowel professioneel vuurwerk als ook op consumentenvuurwerk. Dit besluit heeft als doel om een betere waarborging te scheppen voor de bescherming van mens en milieu tegen de effecten die het opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk kunnen veroorzaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-92-226\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 92</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagenSinds 22 mei 1993 worden er, met betrekking tot het vuurwerk, landelijke regels gesteld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen. Die zien er in het kort als volgt uit Artikel 2.3.2 lid 2 van het Vuurwerkbesluit Wet Milieugevaarlijk Stoffen verbiedt vuurwerk af te leveren aan de particuliere gebruiker, behalve op 29, 30 of 31 december (als een van deze dagen een zondag is, mag het ook op 28 december);</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de eisen van de Wet milieubeheer moet zijn voldaan;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen hoeveelheid van meer dan 10 kg per keer worden afgeleverd (zie artikel 2.3.3);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden af te leveren aan personen die jonger zijn dan 16 jaar (zie artikel 2.3.5);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden vuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur (zei artikel 2.3.6);</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden vuurwerk op een voor publiek toegankelijke plaats voorhanden te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vaststellen van een periode voor het afsteken van vuurwerk komt de veiligheid van het product als ook van de toepassing ervan ten goede. Vuurwerkgebruik in het bijzijn van volwassenen wordt op deze wijze zo veel mogelijk bevorderd en onnodige geluidhinder voor mens en dier wordt zo veel mogelijk beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het afsteken van vuurwerk bij evenementen is altijd een landelijke vergunning nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in deze bepaling opgenomen vergunningenstelsel is een aanvulling op het Vuurwerkbesluit. Dit stelsel is in het leven geroepen in het belang van de regulering van het aantal afleveringspunten van consumentenvuurwerk en de spreiding daarvan over de stad uit een oogpunt van openbare orde. Een concentratie van afleveringspunten op bepaalde plaatsen moet worden voorkomen, evenals vestiging op (zeer) druk en door jong en oud bezochte (winkel)locaties. Zie hiervoor de nota Uitvoering Vuurwerkbesluit. In de gemeente worden jaarlijks ongeveer 20 verkooppunten vergunningen verleend. Aan de vergunning kunnen ter verzekering van een goede controle en handhaving voorschriften worden verbonden. De opslag van meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk en de opslag van professioneel vuurwerk is geregeld in de Wet milieubeheer, voor het overige is het college bevoegd gezag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-93-227\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 93</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisselingMet het bezigen van vuurwerk wordt bedoeld het (proberen te) bewerkstelligen van het effect dat wordt beoogd met vuurwerk oftewel het tot ontbranding brengen van vuurwerk Van de in het eerste lid weergegeven bevoegdheid van het college is tot op heden geen gebruik gemaakt. Als voorbeeld voor plaatsen die zouden kunnen worden aangewezen kunnen plaatsen in de buurt van ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels etc. worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 3 van deze bepaling wordt verwezen naar artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht. Hierin is ondermeer bepaald dat hij die een vuurwerk ontsteekt op zo korte afstand van gebouwen of goederen, dat daardoor brandgevaar kan ontstaan gestraft wordt met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen e.d.AlgemeenMet ingang van 1 oktober 2000 is het exploiteren van prostitutie, behoudens onder bijzondere omstandigheden, niet langer strafbaar. Hierdoor is het voor gemeenten mogelijk geworden een vergunningstelsel in het leven te roepen voor de exploitatie van seksinrichtingen. Deze bevoegdheid is ook opgenomen in de Gemeentewet en wel in artikel 151 a, dat bepaalt, dat de raad een verordening kan vaststellen, “waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling”. In deze afdeling zijn deze voorschriften opgenomen naast enkele bepalingen, die berusten op de autonome verordenende bevoegdheid van de raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het prostitutiebeleid, waarop deze afdeling berust, is door de raad vastgesteld bij besluit van 4 september 2000 ( nota lokaal prostitutiebeleid 2000/192).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94-228\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 94</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsomschrijvingenOnder het begrip “seksinrichting” wordt zowel een inrichting verstaan, waar prostitutie bedreven wordt, als een inrichting, waarin uitsluitend vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven (b.v. een seksbioscoop). De voorschriften, waarin deze te onderscheiden vormen dienen te voldoen verschillen echter nogal, met name omdat in laatstgenoemde categorie geen seksuele diensten worden verleend en er dus b.v. geen daarop gerichte hygiënevoorschriften behoeven te worden gesteld Thuiswerkers vallen niet onder het begrip seksinrichting en zijn dus niet vergunningplichtig. Wat onder thuiswerkers dient te worden verstaan is geregeld in hoofdstuk 6.3 van de nota lokaal prostitutiebeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de definitie is verder gekozen voor de term “besloten ruimte”, hetgeen inhoudt, dat het niet alleen gaat om gebouwen, maar daaronder ook begrepen worden voer- of vaartuigen. Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in de omschrijving genoemd. Het gaat hier om een niet-limitatieve opsomming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder het begrip “escortbedrijf” wordt een bedrijf verstaan, dat bemiddelt tussen klanten en prostituees, maar waarin de daadwerkelijke contacten op een andere plaats plaatsvinden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-95-229\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 95</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd bestuursorgaanOp grond van artikel 174 Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Dat betekent, dat voor seksinrichtingen, die een dergelijk karakter hebben de burgemeester het bestuursorgaan is, dat bevoegd is tot vergunningverlening Voor besloten clubs, waarbij er bijvoorbeeld sprake is van een verplicht lidmaatschap, is het college het bevoegde orgaan. Ook voor escortbedrijven is het college het bevoegde orgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om niet steeds in ieder artikel deze tweedeling te hoeven opnemen, wordt in die artikelen steeds gesproken van het “bevoegd bestuursorgaan” en is in artikel 95 dit begrip eenmalig gedefinieerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-96-230\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 96</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nadere regelsHet college kan nadere regels stellen met het oog op de in artikel 104 genoemde belangen. Hierbij kan gedacht worden aan de vaststelling van standaardvoorschriften, te verbinden aan te verlenen vergunningen. Hoewel in de nota lokaal prostitutiebeleid van 4 september 2000 werd aangekondigd, dat het college van deze bevoegdheid gebruik zou gaan maken, is dit tot nu toe niet gebeurd. In de praktijk worden overigens wel standaard aan te verlenen vergunningen een aantal voorwaarden verbonden, die in hoofdlijnen overeenkomen met de in paragraaf 3.1.4 van bedoelde nota genoemde</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-97-231\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 97</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Seksinrichtingen en dergelijkeDit artikel bevat de vergunningplicht voor seksinrichtingen en escortbedrijven. In de nota lokaal prostitutiebeleid zijn de toetsingscriteria opgenomen voor vergunningaanvragen. Belangrijk criterium waaraan voldaan moet worden is de zogenaamde locatietoets. In hoofdlijnen houdt deze in, dat vestiging niet alleen toegelaten moet zijn op grond van het vigerende bestemmingsplan, maar dat ook nog aan andere eisen voldaan moet zijn, die als gemeenschappelijke noemer hebben dat zij beogen overlast ten gevolge van de vestiging van een seksinrichting zoveel mogelijk tegen te gaan. Daarbij speelt de aard van de straat, waaraan het bedrijf zich wil vestigen een belangrijke rol alsmede de afstand tot andere prostitutiebedrijven en scholen. Voor een verdere toelichting zij verwezen naar bedoelde nota De locatietoets geldt niet voor escortbedrijven vanwege de specifieke aard daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden. Deze betreffen o.a. zaken op het terrein van de bescherming van de openbare orde, hygiënevoorschriften en voorschriften in het belang van de volksgezondheid. Zie voor een nadere uitwerking meergenoemde nota.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98-232\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 98</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gedragseisen exploitant en beheerderBij aanvraag van de vergunning wordt aan de in dit artikel opgenomen gedragseisen getoetst. Daarnaast wordt periodiek getoetst of aan deze eisen voldaan blijft worden. Is dit niet meer het geval dan kan de vergunning worden ingetrokken conform het bepaalde in het vierde lid van artikel 104 De gedragseisen hebben ten doel te verzekeren, dat de exploitant van voldoende kaliber is. Zij komen overeen met de eisen, die gelden voor exploitanten van horeca-inrichtingen, met dien verstande, dat er nog een aantal eisen aan toegevoegd is. Zo mag de exploitant of beheerder ook niet veroordeeld zijn voor zedendelicten of mishandeling of voor delicten, die te maken hebben met mensenhandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opsomming van strafbare feiten is niet limitatief, in die zin, dat ook in andere gevallen de vergunning geweigerd kan worden, indien de exploitant of beheerder in enig (ander) opzicht van slecht levensgedrag is. Deze aanvullende weigeringsgrond is opgenomen in het eerste lid, onder b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-99-233\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 99</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">SluitingsuurDit artikel verklaart de voor horeca-inrichtingen geldende sluitingstijden en de mogelijkheid om inrichtingen tijdelijk te sluiten, zoals geregeld in de artikelen 32 t/m 34 APV, van overeenkomstige toepassing op seksinrichtingen. Doel hiervan is overlast voor omwonenden zoveel mogelijk te voorkomen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-100-234\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 100</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerderDe aanwezigheidsverplichting beoogt schijnbeheer tegen te gaan. Voor horeca-inrichtingen is een dergelijke plicht opgenomen in artikel 24 Drank- en Horecawet De exploitant en de beheerder dienen er op toe te zien, dat in de inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden en tevens, dat er geen prostituees werkzaam zijn zonder geldige verblijfstitel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-101-235\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 101</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">StraatprostitutieDit artikel verbiedt straatprostitutie volledig. Achtergrond hiervan is, dat deze vorm van prostitutie per definitie een zeer negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving Het verbod richt zich niet alleen tot de prostituee, maar ook tot de potentiële klant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-102-236\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 102</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d.Voor het tentoonstellen etc. van dergelijke goederen geen geldt geen vergunningplicht, maar op basis van dit artikel kan het college wel de exploitant van een sekswinkel e.d. aanschrijven, als het van mening is, dat de wijze waarop hij zijn artikelen ten toon stelt een gevaar oplevert voor de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat. Daarnaast kan het college nadere regels stellen over dit onderwerp. Van deze mogelijkheid is tot nu toe geen gebruik gemaakt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103-237\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 103</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BeslissingstermijnOp grond van artikel 4:13 Awb geldt voor de beslissing op aanvragen, als in de bijzondere regeling geen termijn is opgenomen, een termijn van acht weken. Voor de beoordeling van vergunningaanvragen voor seksinrichtingen is dit een te korte termijn. Om die reden is in dit artikel een termijn van twaalf weken opgenomen met een eenmalige verlengingsmogelijkheid van nogmaals twaalf weken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-104-238\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 104</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Weigeringsgronden c.a.In het eerste lid van dit artikel zijn de gronden opgenomen, die tot weigering van de vergunning moeten leiden. Het betreft het niet voldoen aan de gedragseisen, het niet in overeenstemming zijn met het ruimtelijke ordeningsregiem en het bestaan van aanwijzingen, dat er sprake is van mensenhandel of te werk stelling van prostituees zonder geldige verblijfstitel In het tweede lid zijn de gronden opgenomen, die kunnen leiden tot weigering van de vergunning. Deze gronden veronderstellen meer dan de in het eerste lid genoemde een afweging van belangen alvorens van de weigeringsgrond gebruik gemaakt wordt. Deze weigeringsgronden zijn nader beleidsmatig ingevuld in de nota lokaal prostitutiebeleid. Te denken is daarbij aan de locatietoets en aan de inrichtingseisen, waaraan voldaan moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid maakt weigering van een vergunning mogelijk als een eerdere vergunning voor dezelfde inrichting is ingetrokken of als de inrichting is gesloten in verband met openbare orde problemen dan wel overtreding van de Opiumwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid zijn de gronden opgenomen, die kunnen leiden tot intrekking van een vergunning. Dit is o.a. het geval als niet langer voldaan wordt aan de gedrags- of inrichtingseisen, als er sprake is van verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat en als in de inrichting strafbare feiten zijn gepleegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-105-239\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 105</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Beëindiging exploitatieDit artikel voorziet in de omstandigheid, dat de exploitant zijn bedrijf heeft beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. In dat geval vervalt de vergunning van rechtswege Toch dient de exploitant hiervan op grond van het tweede lid melding te maken, omdat het van belang is een actueel overzicht te hebben van in de gemeente werkzame exploitanten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-106-240\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 106</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging beheerIn geval niet de exploitant, maar uitsluitend de beheerder wijzigt dient ook hiervan melding gemaakt te worden. Een nieuwe beheerder mag zijn functie uitoefenen in afwachting van het besluit over de wijziging van de vergunning, mits uiteraard wel een daartoe strekkende aanvraag is ingediend Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het uiterlijk aanzien van de gemeenteAfdeling 1 Geluid- en lichthinder Artikel 108Aanwijzing collectieve festiviteitenEerste lid Door het college worden de collectieve festiviteiten aangewezen. De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde (geluids-)voorschriften niet gelden, vloeit voort uit artikel 2.21 van het \"Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Besluit)\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, Koninginnedag, kermis, culturele, sportieve of recreatieve manifestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Besluit wordt geen maximum gesteld aan het aantal collectieve festiviteiten Gemeenten zijn derhalve vrij om het maximum aantal dagen te bepalen waarvoor de voorschriften niet gelden. Voor zover in verband met de viering van een collectieve festiviteit ook afgeweken wordt van voorschrift 4.113 van het Besluit dient er tevens een aanwijzing te geschieden krachtens het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Bij gemeentelijke verordening kan, op grond van voorschrift 4.113 uit het Activiteitenbesluit worden afgeweken van het in het Besluit neergelegde voorschrift over lichthinder. Wordt er in verband met de viering van een collectieve festiviteit afgeweken van dit voorschrift dan dient een aanwijzing te geschieden krachtens het tweede lid. Dit lid is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit in het kader van het tweede lid is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Een dergelijke aanwijzing is een besluit van algemene strekking en de bekendmakingsregels van artikel 3:42 Awb moeten dan ook in acht worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Wanneer er een feest plaatsvindt dat niet was te voorzien heeft het college de bevoegdheid dit feest terstond aan te wijzen als een collectieve festiviteit waardoor de voorschriften van het Besluit niet van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109-241\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 109</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing incidentele festiviteitenEerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid komt voort uit 2.21 van het Activiteitenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden is, zoals een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een straatfeest.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Besluit is het maximum aantal incidentele festiviteiten bepaald op 12. Vooralsnog wordt, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, een aantal van 2 voldoende geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Dit lid heeft betrekking op lichthinder en vloeit voort uit voorschrift 4.113 van het Activiteitenbesluit. Voor het overige zie de toelichting bij het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Op basis van dit lid is het mogelijk te bepalen, dat binnen een bepaald gebied niet iedere inrichting incidenteel ontheffing kan krijgen, maar dat er sprake moet zijn van een gezamenlijke aanvraag, bijvoorbeeld per plein. Bedoeling hiervan is te voorkomen, dat in een gebied, waar veel horeca-inrichtingen gevestigd zijn, iedere weekend wel ergens de geluidsnormen mogen worden overschreden, met alle overlast van dien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De termijn voor het indienen van een kennisgeving is met name van belang om het college in staat te stellen na te gaan op welke wijze de houder van de inrichting tracht overmatige geluid- of lichthinder te voorkomen. De beoordeling van de wijze waarop de houder van een inrichting overmatige geluid- of lichthinder tracht te voorkomen kan resulteren in het opleggen van nadere eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de houder van de inrichting geen kennisgeving gedaan dan gelden alsnog alle voorschriften uit het Besluit. Niet-naleving van laatstgenoemde voorschriften kan leiden tot bestuursrechtelijk (artikel 18.2 Wet milieubeheer) of strafrechtelijk (artikel 18.18 Wet milieubeheer) optreden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-109a-242\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 109a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Geluidhinder door vroege oproepen tot gebedIn artikel 6 van de Grondwet is in het eerste lid bepaald dat ieder het recht heeft zijn godsdienst oflevensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens iedersverantwoordelijkheid volgens de wet. De Wet Openbare Manifestaties (Wom) bevat wettelijkebepalingen betreffende de uitoefening van dit recht tot vrije uitoefening van godsdienst enlevensovertuiging.Artikel 10 van de Wom luidt als volgt:\"Klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden enlijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, zijntoegestaan. De gemeenteraad is bevoegd ter zake regels te stellen met betrekking tot duur engeluidsniveau.\"In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd van kerkgenootschappen om door middel van klokgelui ofop een andere manier op te roepen tot gebed.In de Memorie van Toelichting op dit artikel wordt ten aanzien van de bevoegdheid om klokken teluiden het volgende gesteld:“Uiteraard dient de uitoefening van deze bevoegdheid binnen redelijke grenzen te blijven. Tegenonverhoopte uitwassen wat betreft duur of geluidsniveau zal, afhankelijk van de plaatselijkeomstandigheden en behoeften, op grond van de tweede volzin door gemeenten regulerend kunnenworden opgetreden.”De raad heeft, gelet op het voorgaande, dus de bevoegdheid om regels te stellen met betrekking totduur en geluidsniveau van oproepen tot gebed Geluidsnorm voor vroege oproepen tot gebedDe periode waarop het in dit artikel opgenomen verbod betrekking heeft is de nacht- en vroegeochtendperiode. Die periode duurt van 23.00u - 08.00u, zijnde de periode waarop de meeste mensenvan hun nachtrust genieten.Deze nachtrust kan worden verstoord wanneer er op een luide wijze wordt opgeroepen tot gebed.Deze vorm van overlast hoeft op dit vroege uur niet te worden getolereerd.In het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna Besluit) zijn geluidsnormenopgenomen.Deze normen gelden niet rechtstreeks voor klokgelui of oproepen tot gebed. Volgens artikel 2.18 vanhet genoemde Besluit wordt bij de bepaling van de geluidsniveaus het geluid ten behoeve van hetoproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige oflevensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houdenvan deze bijeenkomsten of plechtigheden, buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de toelichting bij ditbesluit is het samenstel van de Wet openbare manifestaties en de regels van de gemeenteraad hetgeëigende kader voor de regulering van klokgelui en oproepen tot gebed.Uit de genoemde geluidsnormen blijkt echter wanneer er in objectieve zin gesproken kan worden overgeluidsoverlast. Vandaar dat in het onderhavige voorstel, voor de bepaling van de norm diegehanteerd wordt ten aanzien van vroege oproepen tot gebed, is aangesloten bij de in artikel 2.17 vanhet Besluit opgenomen geluidsgrenswaarden. Voorzover hier van belang luidt dit artikel:Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax),veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in deinrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en inde onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan dein die tabel aangegeven waarden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 2.17a 07:00–19:00 uur 19:00–23:00 uur 23:00–07:00 uur LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Uit literatuur volgt dat overlast binnen een woning bij een overschrijding van de genoemde normenmet 5-10 dB(A) op de gevel van een woning kan worden gekwalificeerd als \"veel overlast\".Overschrijding met 10-15 dB(A) kan worden gekwalificeerd als \"ernstige overlast\" en een overschrijding met 15-20 dB(A) wordt gekwalificeerd als \"zeer ernstige overlast\".Ten aanzien van het oproepen tot gebed moet, ook als dit op een vroeg tijdstip gebeurt, enige overlastgeaccepteerd worden, nu het oproepen tot gebed voortvloeit uit de vrijheid van godsdienst. Vandaardat vroege oproepen tot gebed pas bij ernstige geluidsoverlast niet meer getolereerd hoeven teworden en dat alleen voor die gevallen regels zijn vastgesteld.Dit betekent dat, ten aanzien van klokgelui of andere oproepen tot gebed die in de vroege ochtendplaatsvinden, er sprake is van geluidhinder wanneer een geluidsniveau wordt geproduceerd dat meerdan 10 dB(A) ligt boven de normen uit het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer enmeer dan 10 dB(A) boven het geluid van de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is dan sprake van excessief klokgelui dat nietgetolereerd hoeft te worden.Van belang om op te merken is dat het luiden van de klok danwel op een andere wijze oproepen totgebed door deze verbodsbepaling niet onmogelijk wordt gemaakt. Er kan nog steeds op een vroegtijdstip worden opgeroepen tot gebed, als het geluidsniveau maar niet boven de in het artikel gesteldenorm uitkomt. Er is dus geen sprake van de beperking van een grondrecht danwel van het recht totluiden van de klok: dit recht kan binnen de daartoe gestelde normen ten volle worden uitgeoefend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-110-243\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 110</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overige geluidhinderDeze bepaling vervult de functie van kapstokartikel en heeft betrekking op vormen van hinder waarin de andere artikelen niet voorzien, zoals het vanuit gebouwen ten gehore brengen van muziek in winkelstraten of het draaien van koelaggregaten op vrachtwagens. Dit artikel geldt als algemeen vangnet-artikel voor niet-inrichtingsgebonden geluidsactiviteiten. Voor de inrichtingsgebonden geluidsactiviteiten geldt de Wet milieubeheer Eerste lid Naast de gevallen waarin geluidhinder te wijten is aan handelingen kan met behulp van dit artikel ook worden opgetreden indien de oorzaak van geluidhinder is gelegen in het louter in werking zijn van machines.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Of er in concreto sprake is van geluidhinder, waartegen opgetreden dient te worden, hangt af van de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld van het soort dier en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder. Het zal duidelijk zijn, dat dit artikel in agrarische gebied niet snel toegepast zal worden, terwijl dit in stedelijk gebied eerder het geval zal zijn. Door middel van bestuursdwang of vervolging met een eventuele boeteoplegging kan worden opgetreden, met name in ernstige overlastsituaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Ontheffing kan, zo nodig, met voorschriften worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Artikel 110 heeft alleen betrekking op hobbymatige activiteiten. Op bedrijfsmatige activiteiten is de Wet milieubeheer (Wm) van toepassing en hiervoor geldt dus niet artikel 110. Overigens moet het begrip bedrijfsmatige activiteiten, zoals gehanteerd in de Wm niet te stringent worden opgevat. Hieronder vallen namelijk ook beunhazerij of een uit de hand gelopen hobby en ook hiervoor geldt dus niet artikel 110.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlastArtikel 112Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ongebruikte landbouwproducten en dergelijkeDeze bepaling heeft geen betrekking op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving (zie hiervoor: hoofdstuk 5, afdeling 1 “Parkeerexcessen”). Indien het activiteiten betreft waarop de Wet milieubeheer van toepassing is dan geldt artikel 112 niet. Is er sprake van niet-inrichtingsgebonden activiteiten dan kunnen de hinderlijke effecten hiervan wel met de artikelen 110 en 112 van de APV worden bestreden. Zie ook de afvalstoffenverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooralsnog is door het college geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid als genoemd in het eerste lid tot het aanwijzen van plaatsen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-113-244\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 113</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffenHet doel van deze bepaling is om stankoverlast op bepaalde dagen tegen te gaan. Het tegengaan van stankoverlast is een belang dat de huishouding van de gemeente betreft, zoals bedoeld in artikel 149 van de Gemeentewet. Artikel 113 is een aanvulling op het Besluit gebruik meststoffen, welk besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer. De hoofdregel in het Besluit gebruik meststoffen is dat meststoffen emissie-arm worden aangewend. De APV geeft de regels ten aanzien van het emissie-arm uitrijden. Wordt tijdens het uitrijden de mest direct ondergewerkt dan geldt het verbod niet omdat er dan immers geen sprake is van stankoverlast, omdat er geen emissie plaatsvindt</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114-245\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 114</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames en dergelijkeDit artikel ziet op reclameborden, die niet in het openbare gebied worden geplaatst, maar wel vanaf de openbare weg zichtbaar zijn. Er geldt geen vergunningplicht, maar wel mogen de reclameborden geen gevaar opleveren voor het verkeer of hinder of in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Ook kan het college nadere regels stellen met het oog op die belangen en ook daar mag het reclamebord dan niet mee in strijd zijn. Deze kunnen b.v. betrekking hebben op de hoeveelheid borden en de afmeting daarvan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115-246\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 115</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">AanschrijvingOp grond van dit artikel bestaat de mogelijkheid om ook op te treden in die gevallen waarin geen vergunning op grond artikel 114 APV is vereist. Deze bepaling heeft een grotere reikwijdte dan artikel 114, omdat in artikel 115 eveneens de opschriften, aankondigingen en afbeeldingen zijn opgenomen die een ander doel hebben dan handelsreclame Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeenteAfdeling 1 ParkeerexcessenAlgemeen.De in deze afdeling opgenomen bepalingen dienen er in de eerste plaats toe om het excessief in beslag nemen van parkeerruimte te voorkomen. In die zin hebben deze bepalingen een verkeersmotief. Daarnaast geldt dat een aantal vormen van parkeren, zoals hier opgenomen, tevens een negatieve uitwerking heeft op het aanzien van straten en dergelijke. Dit betreft het motief van het uiterlijk aanzien. Mede om die reden is ervoor gekozen deze bepalingen in een apart hoofdstuk op te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116-247\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 116</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsomschrijvingenVoor in de begripsomschrijving opgenomen definities van “weg”, “voertuigen” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de verkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117-248\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijkeDeze bepaling maakt optreden mogelijk tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingruimte voor auto’s, die hun toebehoren of zijn toevertrouwd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118-249\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 118</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Defecte voertuigenHet gedrag dat hier beschreven wordt, heeft tot gevolg dat de schaarse parkeerruimte gebruikt wordt voor een doel waarvoor die parkeerruimte niet gecreëerd is. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente met zich meebrengen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119-250\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 119</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">VoertuigwrakkenEen autowrak geeft aanstoot, omdat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en andere weggebruikers Zowel het verkeersmotief als het motief van het uiterlijk aanzien spelen bij deze bepaling dus een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod richt zich met name tot de burger die een autowrak op de weg plaatst of heeft. Plaatst of heeft een bedrijf autowrakken op de weg, dan zal, indien het samenhangt met de aard van het bedrijf, de Wet milieubeheer van toepassing zijn. De betreffende vergunning zal dan duidelijkheid moeten geven over de toelaatbaarheid van het plaatsen of hebben van de autowrakken op de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-120-251\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 120</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Caravans en dergelijkeHet parkeren gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen wordt niet verboden. De betrokken persoon heeft zodoende gelegenheid zijn kampeerwagen of caravan in gereedheid te brengen voor de te ondernemen reis, respectievelijk na die reis op te ruimen Indien het aantal van drie dagen wordt overschreden, dan is dat excessief te noemen vanwege het buitensporig gebruik dat alsdan van de beperkt beschikbare parkeerruimte gemaakt wordt. Daarnaast is het excessieve gelegen in de ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121-252\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 121</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van reclamevoertuigenDeze bepaling richt zich tegen degene die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclamevoorschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Van zodanige reclame is echter geen sprake, indien op het voertuig de naam vermeld is van het bedrijf, waarbij het voertuig in gebruik is of een vermelding voorkomt van de goederen of diensten die het bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt met het doel om daarmee reclame te maken, maar vooral als vervoermiddel</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122-253\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van grote voertuigenHet eerste lid verschaft het college de mogelijkheid om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente tegen te gaan door te bepalen dat op een nader aangewezen plaats een parkeerverbod geldt voor grote voertuigen Het tweede lid maakt het optreden van het college mogelijk tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg, omdat dit gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg. Zodanig optreden is echter niet mogelijk als het parkeren plaats vindt gedurende de normale werkuren op werkdagen. Dat zou de belangen van het bedrijfsleven te veel kunnen schaden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de aanwijzingsbevoegdheid van het eerste lid heeft het college gebruik gemaakt bij zijn besluit van 20 oktober 1992. Het gaat om de voor het openbaar verkeer openstaande straten en wegen binnen de bebouwde kom. Enkele wegen en straten, gelegen op enige industrieterreinen, zijn uitgezonderd van het parkeerverbod.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123-254\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 123</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigenDit artikel maakt optreden mogelijk tegen het op de weg parkeren van grote voertuigen, waardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van een gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124-255\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffenDit artikel wil overlast en hinder voorkomen, die bewoners en gebruikers van nabij gelegen gebouwen en terreinen kunnen ondervinden van het parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals bijvoorbeeld vrachtauto’s van destructiebedrijven of vismeelfabrieken De redactie van het artikel is zodanig dat dit ook geldt voor het parkeren van het voertuig buiten de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder geldt dat, indien het parkeren van deze voertuigen geschiedt door een bedrijf, in de meeste gevallen een milieuvergunning verstrekt zal zijn. De Wet milieubeheer is dan dus van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125-256\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 125</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aantasting van groenvoorzieningen door voertuigenHet komt maar al te veel voor dat groenstroken, plantsoenen en grasperken worden gebruikt voor het parkeren van voertuigen. Met dit artikel kan daartegen worden opgetreden. Het voorkomt daardoor mede de beschadiging van het groen, dat juist tot doel heeft het uiterlijk aanzien van de gemeente te verfraaien Afdeling 2 Collecteren, venten en uitstallingenArtikel 126 Inzameling van geld of goedToezicht op inzamelingsacties door middel van een vergunningenstelsel wordt een gemeentelijke taak geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Voor de toepasselijkheid van de onderhavige bepaling is het niet nodig dat de inzameling zich naar haar aard en opzet richt tot eenieder zonder onderscheid. Een inzameling wordt als openbaar aangemerkt als deze aan de openbare weg of van daaraf zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plek plaatsvindt. Ook indien een inzameling beperkt is tot de op intekenlijsten voorkomende namen kan dus van een openbare inzameling sprake zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In dit lid is met zoveel woorden aangegeven dat, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden, dit niet meebrengt dat voor het houden van de inzameling geen vergunning vereist is. Het komt veelvuldig voor, dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij dan een beroep wordt gedaan op de charitatieve bestemming van de opbrengst daarvan. Het tweede lid stelt dat uitsluitend het houden van openbare inzamelingen van een vergunning afhankelijk is, niet het daarbij aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Het eerste lid onderwerpt een openbare inzameling van geld of goederen aan een vergunning. Volgens het tweede lid wordt onder zodanige inzameling mede verstaan het bij het aanbieden van geschreven of gedrukte stukken aanvaarden van geld of goederen. Het aanbieden van geschreven of gedrukte stukken wordt door de bepaling absoluut onverlet gelaten. Wordt bijvoorbeeld een aanvraag om een collectevergunning geweigerd en was de aanvrager voornemens om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet worden onderscheiden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. In het laatste geval wordt vooral het dekken van de kosten van verspreiding beoogd. Venten of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, lid 1, van de Grondwet en artikel 126 is hierop dan ook niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Naast het gemeenschappelijk lidmaatschap moet er eveneens sprake zijn van een zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar wil er kunnen worden gesproken van “in besloten kring”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid In dit lid is geregeld wanneer er voor het houden van een collecte geen vergunning nodig is. De (landelijke) instellingen, zoals weergegeven in het collecterooster Centraal Bureau Fondsenwerving, behoeven geen vergunning en zijn slechts meldingsplichtig. In dit rooster zijn onder andere het Koningin Julianafonds opgenomen, de Hartstichting en het Leger des Heils. In beginsel is het gemeentebestuur gebonden aan dit (landelijke) collecteplan. Wel kan het voorschriften stellen zoals het opleggen van een meldingsplicht, de aanduiding van een periode waarin de vrijstelling geldt, de verplichting om financiële verantwoording af te leggen over de gevoerde actie, het opleggen van legitimatieplicht voor de collectanten dan wel de verplichting om de collecte te houden met gesloten bussen (geen lijstcollecten).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127-257\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 127</span><span class=\"lf-art-t\">Venten en dergelijkeEr dient onderscheid te worden gemaakt tussen de volgende situaties</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Goederen worden telkens vanaf verschillende plaatsen te koop aangeboden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Goederen worden te koop aangeboden vanaf een vaste plaats op de openbare weg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Goederen worden gepresenteerd/uitgestald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 127 heeft betrekking op de eerst genoemde situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan gebieden aanwijzen waar niet gevent mag worden. In alle andere gebieden mag het wel mits aan een aantal minimumeisen voldaan wordt (zie het tweede lid) en mits de openbare orde, veiligheid of volksgezondheid niet in gevaar gebracht wordt (zie het eerste lid).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128-258\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 128</span><span class=\"lf-art-t\">Uitstallingen op de wegVervallen</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 3 LijkbezorgingArtikel 129Tijdvak voor begraven en dergelijkeDe Wet op de Lijkbezorging bepaalt, dat bij plaatselijke verordening geregeld moet worden:</h3>\n<p class=\"lf-p\">het tijdvak van begraven, het gedrag en dergelijke op begraafplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bepaalt diezelfde wet, dat ook nog het één en ander geregeld moet worden ten aanzien van het beheer van Algemene begraafplaatsen. Dit laatste is geregeld in de “Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 4 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebiedenArtikel 132 CrossterreinenOp het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto´s, motoren, bromfietsen, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden (zie ook het begrip weg in artikel 1 APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de werking van de Wet milieubeheer (Wm) en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Krachtens artikel 8.1 Wm is voor dergelijke inrichtingen een vergunning vereist. Hiervoor is geen APV-vergunning vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV geldt voor die gevallen die niet genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Gedacht kan worden aan een terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. In onderhavige gevallen dient mogelijk ook gekeken te worden naar het op grond van de Zondagswet (artikel 3, eerste lid) verbod om op zondag zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken. Eveneens dient te worden gekeken naar de mogelijke gebruiksvoorschriften die zijn verbonden aan de bestemming die gelegen is op het betreffende terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133-259\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 133</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebiedenDeze bepaling geldt voor gebieden, die vallen buiten de wegen in de zin van de WVW 1994</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Er dient te worden bezien of er op het betreffende gebied mogelijk de provinciale milieuverordening van toepassing is die ondermeer verbiedt een aantal toestellen te gebruiken binnen een milieubeschermingsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 5 Verbod vuur te stokenArtikel 134 Verbod vuur te stokenArtikel 134 heeft een aanvullende werking op de artikel 10.63 tweede lid van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer heeft betrekking op de verbranding van afvalstoffen buiten inrichtingen en beperkt zich tot het milieuhygiënische belang. In tegenstelling tot laatst genoemd artikel kan op grond van artikel 134 wel een vergunning worden geweigerd indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Aan de APV ligt dus een ander motief ten grondslag. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De APV-bepaling geldt verder ook indien er sprake is van het verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen. In deze laatste situatie wordt door de Wet milieubeheer niet voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 6 OverigArtikel 135Het aanbrengen van tatoeagesDit artikel legt een verplichting op de exploitant van een tatoeage-inrichting om regels van hygiëne e.d. in acht te nemen. Het college kan terzake nadere aanwijzingen geven. Met het toezicht is de GGD belast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136-260\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 136</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Openbaar waterHet college mag geen algeheel verbod opleggen. Een verbod met een ontheffingen- of vergunningenstelsel is wel toegestaan. Vooralsnog zijn er geen waterplassen aangewezen waar het aanwezig hebben dan wel varen met een motorvaartuig is verboden Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingenArtikel 137StrafbepalingOp grond van artikel 154 Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. De maximale hechtenis bedraagt drie maanden en daarnaast kan de raad er voor kiezen een geldboete van de eerste (maximaal € 225) dan wel de tweede (maximaal € 2250) categorie op te nemen dan wel per overtreding nog een onderscheid te maken voor welke categorie gekozen wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit geval is er voor gekozen om integraal te kiezen voor een boete van de tweede categorie. De ernst van de overtredingen verschilt niet zodanig, dat dit een verdeling in eerste en tweede categorie nodig zou maken en uiteindelijk is het toch de rechter die afhankelijk van de omstandigheden van het geval, de hoogte van de geldboete bepaald, waarbij overigens zelden het maximum wordt opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138-261\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 138</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ToezichthoudersToezichthouders zijn personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zo zegt artikel 5:11 van de Awb. In de betreffende verordening, in dit geval de APV, dient geregeld te worden wie bevoegd is de toezichthouders aan te wijzen. Op grond van artikel 138 zijn het college respectievelijk de burgemeester bevoegd toezichthouders aan te wijzen Naast de toezichthoudende bevoegdheid staat de opsporingsbevoegdheid. Laatstgenoemde heeft een strafrechtelijk karakter. Soms komt het voor dat een ambtenaar zowel een toezichthoudende bevoegdheid dient te hebben als een opsporingsbevoegdheid. In dat geval dient de betreffende verordening de (categorie) ambtenaren, voor wie dat geldt, met zoveel woorden te noemen als toezichthouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheden van toezichthouders zijn geregeld in de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb en betreffen o.a. het betreden van plaatsen en het doorzoeken van vervoermiddelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139-262\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Binnentreden woningenZoals al aangegeven in de toelichting op artikel 138 regelt de Awb de bevoegdheden van toezichthouders. Dit geldt echter niet voor de bevoegdheid om woningen en vergelijkbare plaatsen te betreden, omdat daar een fundamenteel grondrecht in het geding komt. Om die reden bepaalt de wet, dat deze bevoegdheid alleen gebruikt mag worden, als deze met zoveel woorden in de desbetreffende bijzondere wettelijke regeling, in dit geval de APV, is opgenomen De verdere spelregels, die gelden bij het binnentreden van woningen e.d., zoals in acht te nemen vormvoorschriften, zijn opgenomen in de Algemene wet op het binnentreden (Awbi).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-140-263\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 140</span><span class=\"lf-art-t\">InwerkingtredingDeze bepaling komt overeen met het bepaalde in artikel 142 Gemeentewet</span></h4></div>", "next": 0}