{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. Onder venten wordt mede verstaan het om niet uitreiken van (monsters van) goederen en het om niet aanbieden van (een proeve van) diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder venten wordt niet verstaan: a.het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22; c.het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-15\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:15</span><span class=\"lf-art-t\">Ventverbod</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden te venten op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan nadere regels stellen omtrent het venten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op: situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-16\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:16</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijheid van meningsuiting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[vervallen] Afdeling4.Standplaatsen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-17\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:17</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Onder standplaats wordt niet verstaan: a.een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b.een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-18\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:18</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en geen medewerking is of zal worden verleend aan het afwijken middels een omgevingsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b.een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-19\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:19</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbende</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-20\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:20</span><span class=\"lf-art-t\">Afbakeningsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Verordening wegen Noord-Brabant 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-21\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:21</span><span class=\"lf-art-t\">Aanhoudingsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[gereserveerd] Afdeling5.Snuffelmarkten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-22\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:22</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen]</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:23</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarkt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">[Vervallen] Afdeling6.Openbaar water en waterstaatswerken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-24\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:24</span><span class=\"lf-art-t\">Voorwerpen op, in of boven openbaar water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, Verordening water Noord- Brabant, de Woonschepenverordening, de Havenverordening, de Telecommunicatiewet of Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-25\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:25</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Verordening water Noord- Brabant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college geven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-26\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:26</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-27\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:27</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod Verbod innemen ligplaats</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(vervallen)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:28</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Verordening water Noord- Brabant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:29</span><span class=\"lf-art-t\">Reddingsmiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-30\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:30</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het water</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Verordening water Noord- Brabant.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling7.Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-31a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:31a</span><span class=\"lf-art-t\">(Vervallen)</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-32\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:32</span><span class=\"lf-art-t\">Crossterreinen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben 2.Het verbod lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a.het voorkomen of beperken van overlast; b.van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c.de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-33\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:33</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verkeer in natuurgebieden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a.het voorkomen van overlast; b.de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c.de veiligheid van het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a.ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b.die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c.die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d.van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het verbod is voorts niet van toepassing: a.op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b.binnen de bij of krachtens de Provinciale milieuverordening Noord- Brabant aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het college kan ontheffing verlenen van verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling8.Vuurverbod</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-34\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:34</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c.vuur voor koken, bakken en braden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening Noord- Brabant 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling9.Asverstrooiing</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-35\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:35</span><span class=\"lf-art-t\">Definitie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:36</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden plaatsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: a.verharde delen van de weg; b.gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen; c.gemeentelijke sportvelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-37\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel5:37</span><span class=\"lf-art-t\">Hinder of overlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk6.Straf-, overgangs- en slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-1\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, artikel 2:12, eerste lid, en artikel 4:11, tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-2\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:2</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, zijn belast de ambtenaren van de politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering; de als buitengewoon opsporingsambtenaar of andere beëdigde ambtenaren zoals bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering; ambtenaren van de gemeente Steenbergen van de afdeling Wonen, Werken en Beleven, cluster VTH; ambtenaren van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en Staatsbosbeheer die vanuit hun functie belast zijn met toezicht en/of handhaving.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordeninggegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-4\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:4</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene plaatselijke verordening 2013, zoals vastgesteld op 20 juni 2013, wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-5\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:5</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsbepaling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:6</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop zij is bekendgemaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-7\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel6:7</span><span class=\"lf-art-t\">Citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Steenbergen, 28 januari 2016De raad voornoemd,de griffier de voorzitterdrs. E P.M. van der Meer R.P. van den Belt, MBAToelichting op de Algemene plaatselijke verordening 2016 (APV) (behoort bij de op 28 januari 2016 door de raad van de gemeente Steenbergen vastgestelde APV met nummer BM1502323) AlgemeenPeriodiek wordt de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) geactualiseerd in verband met wijzigingen in wet- en regelgeving, jurisprudentie en praktijkervaringen. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) herziet elk jaar haar model-APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">In regionaal verband is in 2012 een regionaal model van de APV tot stand gekomen, gebaseerd op het model van de VNG en aangepast naar de regionale behoeften. Gezien de ontwikkelingen en de wijziging van het model door de VNG, wordt in regionaal verband jaarlijks een regionaal model-APV vastgesteld. Dit regionale model is het uitgangspunt van de APV van de gemeente Steenbergen. Op deze manier kan worden bereikt dat op regionaal niveau de uniformiteit en kwaliteit van deze regelgeving zo veel mogelijk wordt geborgd. Er zijn een aantal artikelen toegesneden op de eigen, lokale situatie in de gemeente Steenbergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze toelichting is te beschouwen als een gebruiksaanwijzing voor het lezen en interpreteren van de APV. Het bevat een aantal aanwijzingen voor het uitvoeren van specifieke bepalingen. De toelichting is daarmee vooral een hulpmiddel bij de uitvoering door de bestuursorganen van de gemeente Steenbergen, maar ook gericht op burgers en bedrijven die rechten kunnen ontlenen aan de APV of met bepaalde verplichtingen kunnen worden geconfronteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de APV wordt in diverse regelingen de Lex Silencio Positivo (LSP) niet van toepassing verklaard. Dit is de zogenaamde positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen. Dit wordt geregeld in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. De LSP houdt in dat een vergunning of ontheffing wordt geacht te zijn verleend, indien een beslissing op een aanvraag door het bevoegde bestuursorgaan binnen de wettelijke termijn uitblijft. Dit wordt ook wel het van rechtswege verlenen van vergunningen of ontheffingen genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op diverse plaatsen in de APV wordt aan het college de bevoegdheid verleend om nadere regels te stellen dan wel een aanwijzingsbesluit te nemen. Deze nadere regels dan wel aanwijzingsbesluiten worden door het college of de burgemeester bij afzonderlijk besluit genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen bezwaar en beroep mogelijk tegen APVDe APV bevat algemeen verbindende voorschriften. Een algemeen verbindend voorschrift is een naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende algemene regel, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. Een algemeen verbindend voorschrift onderscheidt zich van andere besluiten doordat het algemene abstracte regels bevat, die zich zonder nadere normering voor herhaalde concrete toepassing lenen. Tegen een algemeen verbindend voorschrift staan de bestuursrechtelijke rechtsmiddelen bezwaar en beroep niet open. toetsing ex nuncOp aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc). geen nadeliger positieOp bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening, met dien verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius).</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijs Hoofdstuk 11:1(bebouwde kom) Hier wordt de alternatieve bepaling omtrent ‘bebouwde kom’ van het APV-model van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gevolgd. Dit alternatief brengt namelijk de minste administratieve lasten met zich mee. Bovendien is er de minste kans op een verkeerde uitleg van het begrip.</p>\n<p class=\"lf-p\">1:1(openbare plaats) Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). De weg maakt daar onderdeel van uit. Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op bestemming of vast gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn: openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr. 6).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-3-198\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">(Indiening aanvraag) Deze bepaling is in 2017 geschrapt. De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. In dat systeem past niet dat de gemeente een nieuwe reden introduceert waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. In plaats van buiten behandeling laten zal een aanvraag die onredelijk laat wordt ingediend waardoor een goede beoordeling niet mogelijk is moeten worden afgewezen. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 1:8 1:3, lid 2Deze bepaling maakt een langere beslistermijn mogelijk voor de door het bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-6-199\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffingMet de aanpassing is erin voorzien dat de verordening grondslag biedt om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet wordt gebruikt, bijvoorbeeld bij het innemen van een standplaats</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-7-200\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:7</span><span class=\"lf-art-t\">Termijnen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2927) blijkt dat voor onbepaalde tijd verleende vergunningen zich niet altijd verdragen met het formele gelijkheidsbeginsel. Bij schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers het gevolg zijn dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat onbepaalde tijd en schaarse vergunningen zich niet met elkaar verdragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-8-201\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1:8</span><span class=\"lf-art-t\">(Weigeringsgronden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De wetgever heeft in de Awb een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Awb is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. Gemeenten kunnen bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in artikel 1:3 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een –volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigeringsgrondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 22:1, lid 1Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.” Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het zesde lid is dit dan ook gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts is het verbod van toepassing op het uitjouwen of op andere wijze lastig vallen van personen. Artikel 266 WvStr stelt het beledigen van personen strafbaar maar niet het uitjouwen of uitschelden van personen. Toch kunnen deze uitingen worden beschouwd als een verstoring van de openbare orde en zijn om die reden ongewenst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:1, lid 2In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende) ongeregeldheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 van de Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid bevat het geven van een bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld via opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1. Ook in het proces-verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. artikel 6:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke BOA’s hebben alleen de bevoegdheid voor toepassing van artikel 2:1, eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:1, lid 4Deze bepaling biedt de politie echter extra handvatten om op te treden tegen wanordelijkheden. Het is namelijk een zelfstandig strafbaar feit waartegen de politie proces verbaal kan opmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:3, lid 1De termijn van achtenveertig uur is ook in de vorige APV gebruikt en blijkt in de praktijk hanteerbaar en bruikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:10Sinds 2009 is de mogelijkheid opgenomen tot het vrijstellen van een vergunningsplicht voor de meest voorkomende objecten. In de praktijk blijkt het goed te werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:12Regionaal is het vergunningstelsel (opnieuw) ingevoerd na een aantal jaren werken met een meldingstelsel. In Steenbergen is het vergunningstelsel nooit vervallen en geeft het vaste beleid in combinatie met een vergunningplicht de meeste garanties op een gemeentebrede eenduidige en overzichtelijke uitvoering en realisering van uitwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtspraak van de Raad van State laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen is het aantal weigeringsgronden beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg wordt o.a. geweigerd indien de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. Hieronder wordt verstaan een door de gemeente aangelegde parkeerplaats, parkeerstrook of parkeervak, niet zijnde parkeren op de rijbaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:13 en 2:14Modder op de weg is een dermate probleem dat het effectief daarop kunnen handhaven een must is. De Afvalstoffenverordening regelt andere motieven (voornamelijk milieu) en daar is het modderprobleem zowel juridisch als praktisch niet of nauwelijks op te handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast neemt voor de gemeente de maatschappelijke druk toe om effectief tegen wegvervuiling op te treden. Daarom voelt de gemeente zich geroepen om beschermende regels te stellen die ondernemers tevens bewust maken tot het nemen van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Op die wijze wil de gemeente inspelen op de tendens tot maatschappelijk verantwoord ondernemen die de laatste jaren veel opgang maakt in het bedrijfsleven. De land- en tuinbouwsector vormt een volwaardig onderdeel daarvan. Door het stimuleren van verantwoordelijkheid om tijdens campagnes maatregelen op de weg te nemen die de risico’s voor andere weggebruikers tot een minimum beperken meent de gemeente op integrale en afgewogen wijze de belangen van alle verkeersdeelnemers, ondernemer of niet, te dienen. Die belangen kunnen maar op één manier gediend worden: door modder die onverhoopt op het wegdek terecht is gekomen, direct te verwijderen. Alleen op die manier kunnen gevaarlijke situaties en bekeuringen worden voorkomen. Daarom is een regeling over dit onderwerp in de Steenbergse APV opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk is om stil te staan bij de reikwijdte van het begrip ‘ontdoen’ in artikel 2:14. Dit behelst nu ook het schoonspuiten. Het snel en effectief berijdbaar maken van de rijweg in slechte weercondities is het sleutelwoord en dat kan ook in alle redelijkheid worden gevraagd van de vervuiler. Het door het schoonspuiten verdwijnen van modder in de bermen, hetgeen een al dan niet tijdelijke verslechtering van de afwatering van de weg als gevolg kan hebben, wordt als een zeer klein potentieel verkeersgevaar gezien, zeker in vergelijking met het uitvoeren van voor andere verkeersdeelnemers hinderlijke werkzaamheden tot het verzamelen en vervolgens verwijderen van modder (voor zover dat mogelijk is). Overigens wordt door een adequaat bermbeheer (berminspectie) dit soort mogelijke problemen in het algemeen voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:15De bepaling wordt gezien als een vangnetbepaling. Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Steenbergen is er behoefte gebleken aan nadere regels over overhangende begroeiing. Derhalve is in het tweede lid voor het college de mogelijkheid opgenomen om deze nadere regels vast te stellen. Deze nadere regels zijn bedoeld voor handhavingdoeleinden in overlastsituaties. Vanwege effectieve handhaving is bewust gekozen voor deze vorm van concrete normstelling in nadere regels en niet in beleidsregels. Beleidsregels maken handhaving moeilijker omdat bij de toepassing daarvan in concrete situaties een algemene afweging op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur moet worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:18In regionaal verband wordt geadviseerd een eenduidige periode te hanteren van 1 maart tot 1 oktober. De periode lijkt lang, maar biedt de mogelijkheid om direct op te treden wanneer er bijvoorbeeld perioden van droogte voorkomen in het vroege voorjaar. Een regionaal eenduidige periode geeft meer duidelijkheid voor controlerende instanties en burgers en leidt bovendien tot administratieve lastenverlichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:22De bepaling fungeert als vangnetbepaling voor wanneer het bestemmingsplan de problematiek onvoldoende regelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:24 en 2:25Belangrijk is vast te stellen dat ook evenementen die plaatsvinden in een gebouw binnen de werkingssfeer van deze bepaling vallen. Ook is regionaal besloten om snuffelmarkten onder de evenementenvergunning te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ride out is een optocht, dus vergunningplichtig. Dit is slechts anders indien wordt voldaan aan artikel 2:25 lid 2 en het daarmee een vergunningvrij evenement betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling omtrent kleine evenementen is wat ruimer neergezet dan het VNG model. Het VNG model biedt slechts de mogelijkheid om een vergunningsvrij evenement te organiseren voor kleinschalige evenementen zoals een straat- of buurtfeest. Vanwege deze ruimere bepaling is gekozen voor het opnemen van extra (mogelijkheden tot het stellen van) voorwaarden, namelijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">Beperking van het geluidsniveau conform het model van de gemeente Bergen op Zoom (lid 2, onder d).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eventueel niet mogelijk maken een vergunningsvrij evenement te organiseren in bijvoorbeeld het centrum, een kern of in een ander gebied door middel van een aanwijzingsbesluit (lid 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor evenementen waarvoor alleen een meldingsplicht bestaat, is de mogelijkheid ingebouwd het evenement te verbieden dan wel extra voorwaarden te stellen (lid 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van het melden van een evenement bedraagt veertien dagen (lid 2, onder h). Dit geeft hulpdiensten de kans een inschatting te maken of nadere voorwaarden of maatregelen nodig zijn voor het evenement of dat het wellicht toch moet worden verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aantal van 250 bezoekers heeft betrekking op het gehele evenement en niet per dag. Indien het evenement meerdere dagen behelst, is het evenement alleen als meldingsplichtig aan te merken indien het totaal aantal bezoekers van het evenement, eventueel verspreid over meerdere dagen, minder dan 250 is en aan alle overige voorwaarden van lid 2 wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vechtsportwedstrijden of –gala’s en andere door de burgemeester aangewezen categorieën evenementen (lid 2, onder i. en j.)Evenementen die nooit vergunningvrij kunnen plaatsvinden zijn vechtsportwedstrijden of – gala’s. Daarnaast kan de burgemeester evenementen aanwijzen die strikt genomen onder de meldingsplicht van lid 2 vallen, maar waarvan het toch van belang is dat deze onder de vergunningplicht vallen. Te denken valt aan evenementen die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, evenementen waarbij sprake is van professionele sportbeoefening, dierenwelzijn, circussen met wilde dieren, snelheidswedstrijden met gemotoriseerde voer- en vaartuigen, schuurfeesten, erotische evenementen en evenementen in natuurgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder vechtsportwedstrijden of -gala’s wordt in ieder geval begrepen kooigevechten, kickboksevenementen, freefightevenementen en daarmee vergelijkbare activiteiten en al dan niet in wedstrijdverband georganiseerde evenementen waarbij de menselijke waardigheid in het geding is. Voor deze evenementen geldt dat ze expliciet vergunningplichtig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titel of naamgeving van dergelijke evenementen zal niet leidend zijn (de lading hoeft de inhoud niet te dekken). De onderscheidenlijk te organiseren (deel)activiteiten tijdens zo’n evenement zullen steeds inhoudelijk worden beoordeeld. De organisator dient de burgemeester daartoe de gelegenheid te bieden door de gevraagde informatie daarover in de vergunningaanvraag dan wel op verzoek te verstrekken. Het spreekt voor zich dat er een redelijk vermoeden moet zijn, dat het (mede) om onwenselijke activiteiten zou kunnen gaan. Zo zou er bij een lezing over bijvoorbeeld kickboksen naar omstandigheden in principe geen reden tot een nader informatieverzoek hoeven te zijn. Een en ander is echter afhankelijk van wie in welke context voornemens is wat te organiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens geldt voor deze evenementen in lid 8 van dit artikel een extra voorwaarde dat de organisator niet van slecht levensgedrag mag zijn. Om dit te beoordelen wordt een Verklaring Omtrent het Gedrag gevraagd. aanleiding tot de vergunningplichtDe praktijk in den lande wijst uit dat bij sommige vechtevenementen een verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement. De organisator van een evenement is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, ook in de directe woon- en leefomgeving. De extra eis van het levensgedrag wordt hier gesteld om te kunnen toetsen of deze organisator op grond van zijn levensgedrag kan worden geacht aan die verantwoordelijkheid te kunnen voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-25-202\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:25</span><span class=\"lf-art-t\">EvenementTweede lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met het vervallen van artikel 1:3 APV is de mogelijkheid om een langere termijn voor een aanvraag van een bepaalde vergunning vast te stellen ook komen te vervallen. Om die reden is lid 2 toegevoegd aan artikel 2:25. Hierdoor is de langere termijn van de aanvraag van een evenementenvergunning behouden gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Op grond van artikel 2.1 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen is het onder bepaalde omstandigheden verboden om zonder of in afwijking van een gebruiksmelding bij het bevoegd gezag een plaats of gedeelte daarvan in gebruik te nemen of te gebruiken, tenzij daarvoor een evenementenvergunning vereist is in het kader waarvan de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, overgelegd moeten worden. Gemeenten kunnen er dus voor kiezen om in hun APV te bepalen dat bedoelde gegevens bij de aanvraag van een evenementenvergunning overgelegd moeten worden. Op grond van artikel 2.1, derde lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen hoeft dan geen afzonderlijke gebruiksmelding meer gedaan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:25aDit artikel regelt het preventieve weigeren van een evenementenvergunning, indien is geconstateerd dat de organisator van het evenement de vergunningvoorschriften van hetzelfde evenement in het jaar voorafgaand heeft overtreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:26 lid 2 In deze artikelen is het verboden gesteld om zichtbare uitingen van verboden organisaties (OMG´s) zichtbaar te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren zowel op evenementen (artikel 2:26 lid 2) als op openbare plaatsen en voor publiek toegankelijke gebouwen (artikel 2:50b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte of evenementen nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en afbeeldingen op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime of evenement tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-27-203\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:27</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">BegripsbepalingenDe begripsbepaling van het begrip “openbare inrichting” is verduidelijkt. Door de COVID-crisis verschuiven horeca-activiteiten van het ter plaatse nuttigen van spijzen en dranken steeds vaker naar het afhalen of bezorgen. Door ook de afhaal- en bezorgfaciliteiten vanuit de ‘reguliere’ horeca onder het begrip openbare inrichting te brengen, wordt verzekerd dat ook bij deze horeca-activiteiten wordt voldaan aan de geldende eisen en voorschriften uit de exploitatievergunning zoals, slecht levensgedrag als weigeringsgrond. Winkels vallen deze niet onder deze uitbreiding. Dit blijkt uit artikel 2:28 lid 6 sub a van de APV: Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit Het begrip leidinggevende is toegevoegd om duidelijk te maken wat in artikel 2:28 bij de toetsing in het kader van de Wet Bibob hieronder wordt verstaan. De definitie is afkomstig vanuit de Alcoholwet waarbij horecabedrijf is vervangen door openbare inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip bezoeker is toegevoegd in lid 1 onder d. Dit om dit begrip te verduidelijken. Voor dit begrip is aansluiting gezocht bij de Alcoholwet. In deze wet is bezoeker omschreven als “een ieder die zich in de inrichting bevindt, met uitzondering van leidinggevenden, personen die dienst doen in de inrichting, en personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is”</p>\n<p class=\"lf-p\">De begripsbepaling ‘bezoeker’ heeft betrekking op eenieder die zich in een inrichting bevindt waarin het horeca- of het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, met uitzondering van de leidinggevenden (exploitant, bedrijfsleider, beheerder) en dienstdoende personen, zoals barpersoneel, keukenhulpen, schoonmakers en portiers. Verder zijn uitgezonderd personen die nachtverblijf houden in de inrichting en die als zodanig zijn vermeld in het daartoe bestemde register en die personen van wie de aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Het betreft hier bijvoorbeeld ambulancepersoneel dat te hulp is geroepen of een politieagent of toezichthouder die bezig is met wetshandhaving en onder bepaalde omstandigheden ook de gezinsleden van de exploitant bijvoorbeeld als de inrichting gesitueerd is in hetzelfde gebouw als de woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 2 is de definitie van terras gewijzigd vormgegeven t.o.v. het APV-model van de VNG waarbij een herhaling van het begrip wordt voorkomen en toch wordt aangegeven dat het terras tot de openbare inrichting behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:28In lid 2 is toegevoegd ‘onverminderd het bepaalde in artikel 1:8’ om aan te geven dat de weigeringsgronden van artikel 1:8 ook hier van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunning voor het exploiteren en geopend hebben van een openbare inrichting is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde beïnvloedt. Mede daarom is in het tweede lid als weigeringsgrond opgenomen dat de vergunning kan worden geweigerd indien de leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is/zijn. Aansluiting is hier gezocht bij de terminologieën inhoud van wat hieronder wordt verstaan in artikel 8 van de Alcoholwet. De toetsingsgronden zijn hier van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 bevat een aanvulling op de toetsingsgronden genoemd in artikel 1:8 in die zin dat nader wordt toegelicht hoe de toetsing in aanvulling op die weigeringsgronden wordt uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 bevat de verplichting om gedurende openingstijden tenminste 1 leidinggevende zoals genoemd in de vergunning/ vrijstelling aanwezig te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 bevat de mogelijkheid om bij wijziging van een leidinggevende, anders dan de exploitant/ vergunninghouder, middels de lichtere procedure van de melding mededeling te laten doen van een bijschrijving dan wel verwijdering van een leidinggevende op de vergunning/vrijstelling. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing dus de bij te schrijven leidinggevende dient te voldoen aan de gestelde eisen omtrent het levensgedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 7 is een onjuiste omschrijving gewijzigd. De termijn dient uiteraard gerelateerd te zijn aan die voor aanvang van de vergunning i.p.v. die van inwerkingtreding van deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:28aDit artikel wordt opgenomen om duidelijk te maken wanneer een vergunning of verleende vrijstelling wordt of kan worden ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:28bIn dit artikel is opgenomen wanneer een vergunning of verleende vrijstelling vervalt. Een vergunning houdt van rechtswege op te bestaan indien aan de voorwaarden genoemd in dit artikel wordt voldaan. Dit voorkomt dat een vergunning onbepaalde tijd geldig blijft indien de exploitatie van de inrichting niet wordt opgestart, inmiddels is gestaakt en de vergunning niet om deze of andere redenen is ingetrokken. Analoog aan datgene wat is opgenomen in de Drank en Horecawet is in het tweede en derde lid een termijn van zes maanden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 2:28a en 2:28b zijn nieuw in de APV 2016. Voorheen werden de intrekkingsgronden opgenomen in de verleende vergunning. Door opneming van de intrekkingsgronden in de APV is er rechtszekerheid en duidelijkheid voor een ieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:29Dit artikel is opnieuw ingevoerd in de APV 2016. De sluitingstijden werden voorheen in de exploitatievergunning opgenomen. De belangenafweging omtrent het vaststellen van de sluitingstijd werd gedaan op basis van het geldende horecabeleid. Hiermee mist de vaststelling van de sluitingstijd echter een wettelijke grondslag. Met dit artikel wordt geregeld dat inrichtingen gesloten zijn van 12:00 uur tot 6:00 uur (van maandag tot en met vrijdag) dan wel van 2:00 uur tot 6:00 uur (zaterdag en zondag). Op grond van lid 3 is de burgemeester wel bevoegd afwijkende sluitingstijden vast te stellen, waarbij het horecabeleid de kaders hiervoor aangeeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk is behoefte aan duidelijkheid omtrent wie bezoeker is in de inrichting. Het begrip bezoeker is opgenomen in de definities in artikel 2:27 en omvat een ieder die zich in de inrichting bevindt, met uitzondering van leidinggevenden, personen die dienst doen in de inrichting, en personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Hieronder wordt niet verstaan de exploitant, diens gezinsleden en elders wonende bloed- en aanverwanten, maar ook de personen die in de inrichting nachtverblijf houden en als zodanig zijn vermeld in het daartoe bestemde register en de personen die wegens dringende redenen in de inrichting aanwezig moeten zijn zoals in de inrichting werkzame personeelsleden, of personen die de tapinstallatie onderhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:30Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:31Onder a: Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder b: Ook het bepaalde onder b lid richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder c: doordat het niet langer vereist is dat gebruik wordt gemaakt van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras, bestaat de kans dat achtienplussers van het terras aflopen met bijvoorbeeld glazen alcohol. Dit kan wellicht leiden tot overlast, zoals gebroken glas op straat. In beginsel kan dan niet worden gehandhaafd. Artikel 2:48 biedt echter de mogelijkheid voor het college om openbare plaatsen aan te wijzen waar het verboden is alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:33Dit artikel wordt in Steenbergen gehandhaafd omdat het één van speerpunten is in het lokale horecabeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:34a-cAlgemeenOp 1 januari 2013 is de gewijzigde Drank - en horecawet in werking getreden. Deze 'nieuwe Drank- en Horecawet' (nDHW) verplicht de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen ter voorkoming oneerlijke mededinging waaraan paracommerciele rechtspersonen zich te houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Op 19 december 2013 zijn de artikelen 2:34a, 2:34b en 2:34c toegevoegd aan de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een paracommerciële rechtspersoon is volgens de nDHW: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij kan gedacht worden aan de buurthuizen/dorpshuizen en kantines bij sportverenigingen. Voorbeelden hiervan zijn dorpshuis de Stelle te De Heen, sportcafé/restaurant 'de Buitelstee' in Dinteloord en gemeenschapshuis 'de Vaert'.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:34aIn artikel 2:34a zijn begripsbepalingen opgenomen. Verwezen wordt naar de Drank- en Horecawet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:34bIn dit artikel staan de schenktijden voor paracommerciële rechtspersonen. Het gaat hier uitdrukkelijk om het schenken van alcoholhoudende drank. De tijden zijn gekoppeld aan activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het schenken van alcoholhoudende drank mag niet eerder beginnen dan 1 uur voorafgaande aan de activiteit en eindigt maximaal 2 uur na de beëindiging van de activiteit, maar nooit later dan 01:30 uur.</p>\n<p class=\"lf-p\">De activiteit staat centraal. Deze activiteit moet passen binnen de statutaire doelomschrijving van de paracommerciële rechtspersoon. Daarbij moet telkens de definitie van paracommerciële rechtspersoon zoals hierboven aangegeven en opgenomen in de nDHW in het oog gehouden worden. Bij paracommerciële rechtspersonen kan worden gedacht aan dorps- en buurthuizen, kerkgenootschappen e.d. De gemene deler van deze categorie is dat het faciliteren van de sociale interactie tussen de leden of de bezoekers een onmisbaar onderdeel vormt van de wijze waarop de doelstelling wordt gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het horecadeel van een paracommerciële rechtspersoon is ondersteunend aan de hoofdactiviteit van deze rechtspersoon. Het is de houder / exploitant van een paracommerciële horeca-inrichting nadrukkelijk verboden alcoholhoudende drank buiten de activiteiten en de daarbij behorende schenktijden zoals bedoeld in artikel 2:34a APV te schenken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de gemeente Steenbergen kennen we diverse paracommerciële rechtspersonen zoals bijvoorbeeld sportverenigingen en dorpshuizen. De activiteit van een sportvereniging is uiteraard gericht op sport. Dat staat ook vermeld in de statuten van de vereniging. Het schenken van alcohol en het in eigen beheer exploiteren van een horecabedrijf is nevengeschikt. De activiteiten van de sportvereniging moeten binnen de statuten vallen. Indien dat het geval is mag, rekening houdend met de schenktijden, alcoholhoudende drank geschonken worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dorpshuis kent ook een doelomschrijving die in de statuten is opgenomen. Dorpshuis Kruisland heeft in de doelomschrijving (kort samengevat) het navolgende opgenomen: a. Het beheren en exploiteren van een dorpshuis. b. Het verrichten van alle verdere handelingen, die verband houden met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. Verder tracht de stichting (het dorpshuis) haar doel in eerste instantie te verwezenlijken door de verhuur van ruimten voor gebruik van onder andere (jeugd)vormend, maatschappelijk, sociaal-economisch, en cultureel werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdactiviteit van de paracommerciële rechtspersoon het Dorpshuis Kruisland is gericht op het verhuren van ruimten. Vervolgens zal deze ruimte door een vereniging bijvoorbeeld worden gehuurd om aldaar bepaalde activiteiten uit te voeren. Wat vervolgens van belang is, is dat deze activiteiten die door de huurder worden uitgevoerd passen binnen de doelomschrijvingen (jeugd)vormend, maatschappelijk, sociaal-economisch en cultureel werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:34cLid 1: Met bijeenkomsten van persoonlijke aard wordt gedoeld op: bijeenkomsten, waarbij meestal alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen direct verband houden met de activiteiten van de desbetreffende paracommerciële instelling, zoals bruiloften en verjaardagen. Voor zover die bijeenkomsten ook een zakelijk karakter hebben dat direct verband houdt met de activiteiten van de rechtspersoon, zoals het afscheid van de voorzitter van een vereniging, vallen deze niet onder het bereik van deze bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paracommerciële rechtspersonen mogen geen alcoholhoudende drank schenken tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken. Bij bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, kan worden gedacht aan activiteiten die niet verenigingsgebonden zijn. Dit doet zich voor als een paracommerciële rechtspersoon zijn kantine of een andere ruimte verhuurt aan derden om bijvoorbeeld een feest te geven (voor niet-leden van de vereniging of niet-betrokkenen bij de stichting). Hierboven is al ingegaan op het voorbeeld van de sportvereniging en het dorpshuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtstreekse betrokkenheid is gericht op de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon. Deze activiteiten moeten passen binnen de doelomschrijving. Een feest in een buurthuis waar kaarten voor verkocht worden, waar publiciteit aan gegeven wordt en openbaar is, past niet binnen de definitie van een paracommerciële rechtspersoon en ook niet binnen de omschrijving van een buurthuis. Dit feest heeft een commercieel karakter en door het schenken van alcoholhoudende drank wordt oneigenlijk geconcurreerd met andere horecabedrijven. Dat is onwenselijk en niet toegestaan. Een ander voorbeeld dat aangedragen kan worden om het een en ander te verduidelijk is de toeneelvereniging die een uitvoering geeft in een dorpshuis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het dorpshuis een doelomschrijving heeft waarin ook culturele activiteiten onder vallen, is het mogelijk dat alcoholhoudende drank wordt geschonken, zolang de schenktijden maar in acht worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2: Het verbod van het eerste lid geldt niet voor gelegenheden die betrekking hebben op een uitvaart en voor de duur van deze gelegenheid. Gedacht kan worden aan een koffietafel en een samenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:37 en 2:38De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te verstrekken. Een dergelijke aanvulling van het Wetboek van strafrecht bij plaatselijke verordening werd door de Hoge Raad toelaatbaar geacht: HR 10 april 1979, NJ 1979, 442.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-39-204\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:39</span><span class=\"lf-art-t\">(Speelgelegenheden)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzing naar ‘de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel’ als bevoegd bestuursorgaan voor het verlenen van vergunningen voor loterijen en exploitatievergunningen voor kansspelautomaten was inmiddels achterhaald. Deze bevoegdheid komt sinds de instelling van de kansspelautoriteit op 1 april 2012 – en de daarmee samenhangende wijziging Wet op de kansspelen – toe aan de raad van bestuur van de kansspelautoriteit. De bepaling is dienovereenkomstig aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:40Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een vergunning vooraf wordt geëist. Nu geldt alleen nog een vergunningplicht voor kansspelautomaten en niet meer voor behendigheidsautomaten. Om strijdigheid met hogere regelgeving te voorkomen is artikel 2:40 aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdeling 7A (artikel 2:40a t/m 2:40hh)Van de vestiging van een grow-, smart- of headshop kan een nadelige invloed op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving uitgaan. Daarnaast hangt om dergelijke shops een zweem van illegaliteit en criminaliteit. Het gaat om winkels waarbij het, gelet op de aard van de verhandelde producten, de relatie met verdovende middelen en de daarbij behorende bezoekersgroep, het wenselijk is vanuit het motief van de openbare orde, woon- en leefomgeving, overlast- en drugsbestrijding, de exploitatie van deze winkels beheersbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder growshop wordt verstaan een winkel welke hoofdzakelijk goederen voor de thuiskweek van hennep verkoopt zoals meststoffen, zaden, groeilampen, lectuur enzovoorts.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 maart 2015 is het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet in werking getreden, welk artikel handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt strafbaar stelt. Hiermee zijn de bedrijfsactiviteiten van growshops strafbaar gesteld en dient de vergunningplicht voor growshops uit de APV verwijderd te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningplicht blijft wel bestaan voor smartshops, headshops, belshops en internetcafés. Onder deze begrippen wordt het volgende verstaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Smartshop: een winkel die diverse niet-traditionele genotsmiddelen als herbal XTC, frisdranken met guarana en producten met efedrine verkoopt. De producten die in een smartshop verkocht worden, ook wel psychotrope stoffen genoemd, zijn bedoeld als alternatief voor genotsmiddelen als soft- en harddrugs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Headshop: een headshop is een vorm van detailhandel waarbij hoofdzakelijk artikelen die verwant zijn aan de hasjcultuur worden verkocht. Hierbij moet men denken aan artikelen als waterpijpen, vloeipapier, aanstekers, lectuur, maar ook cocaïnedoosjes en versnijdingsmiddelen zoals cafeïne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Internetcafé: een internetcafé is een plaats waar men tegen betaling op een computer kan internetten. Soms kan men er ook consumpties gebruiken. Ook varianten in naamgeving, zoals cybercafés, worden hieronder begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belshop: een gebouw, dat geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt om daarin voor derden tegen vergoeding elektronisch berichtenverkeer, zoals (internationaal) telefoonverkeer, dan wel aanverwante activiteiten te doen plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn nog meer benamingen in omloop als ecoshops en seedshops. Waarschijnlijk bedacht om onder de greep van regelgeving uit te komen. Afhankelijk van de hoofdactiviteit zijn ze te rangschikken onder één van de vorige categorieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">De APV-regeling ziet ook toe op belshops en internetcafés. Internetcafés en belwinkels trekken met name 's avonds veel publiek, hetgeen overlast kan veroorzaken. Het college dient een verantwoord uitvoeringbeleid te voeren ter voorkoming van overlast door vestiging in bepaalde gebieden tegen te gaan of door ten aanzien van de openingstijden vergunningvoorschriften te stellen. Internetcafés en belshops zijn als volgt te duiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling APVRoosendaal en Bergen op Zoom hebben de afgelopen zeven jaar positieve ervaringen opgedaan met de introductie van de winkel- exploitatievergunning voor grow- en smartshops, belshops en internetcafés. Deze afdeling is in het regionale model overgenomen. Deze vergunningplicht maakt het in combinatie met de Bibob- toets mogelijk de overlast van deze inrichtingen aanzienlijk te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Wet Bibob biedt nu ook de mogelijkheid om alle inrichtingen zoals bedoeld in de winkelexploitatievergunning onder deze wet te laten vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om administratieve lasten te verlichten kan voor wat betreft de beheerder worden volstaan met een melding zodat bij wijziging van de beheerder de vergunning kan worden aangepast. Dit is conform het model waarmee wordt gewerkt bij een Alcoholvergunning en de horeca-exploitatievergunning. De mogelijkheid is wel aanwezig dat bij nieuwe beheerders deze Bibob getoetst kunnen worden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Afdeling 7b Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-40i-205\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:40i</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De systematiek van artikel 2:40i gaat uit van een pand- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. De vergunning wordt verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten(strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche kan op grond van het APV artikel een vergunningplicht voor een branche worden ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester wijst een pand of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteit de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waarop de aanwijzing betrekking heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde en vijfde lid De algemene intrekkings- en/of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1:6 van de APV. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4 APV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de exploitant zijn verplichtingen uit de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sub c in lid 4 en sub i in lid 5 is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Negende lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts één van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elfde lid De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-42-206\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:42</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de loop van 2017 is een aantal keren ophef ontstaan over wat in de pers het “stoepkrijtverbod” is gaan heten. Het beeld werd geschetst dat gemeenten handhavend optraden tegen krijtende kleuters en straatkunstenaars. Gelukkig zijn er weinig of geen voorbeelden bekend waarbij ook echt is opgetreden. Het lijkt er gelukkig op dat in de praktijk gemeentelijke handhavers het gezonde verstand hebben om te zien dat het niet de bedoeling is geweest om onschuldige vormen van stoepkrijten te verbieden. De VNG heeft er desondanks wel voor gekozen om het woordje “krijt” uit de model-APV te schrappen. Dit omdat naar de letter van de regel stoepkrijten inderdaad onder het verbod viel, en omdat krijt meestal al na een paar dagen of één bui niet meer zichtbaar is en niet of nauwelijks schadelijk is voor het milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:44De politiechef Zeeland-West-Brabant heeft in een brief aangegeven in het kader van heling misdaadbestrijding behoefte te hebben aan een artikel over inbrekerswerktuigen. Het begrip inbrekerswerktuigen moet breed worden gedefinieerd. Het woord inbrekerswerktuig is bewust niet gedefinieerd in het artikel omdat het anders te eng uitgelegd zou kunnen worden. In ieder geval kan worden gedacht aan lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van graag te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Daarmee worden ook hulpmiddelen voor winkeldiefstal onder het begrip inbrekerswerktuigen gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:44ADe politie zou ook graag zien dat beter kan worden opgetreden tegen winkeldiefstal en heeft hiervoor een voorstel ontwikkeld. In goed overleg met de politie is besloten de alternatieve tekst van de VNG op te nemen. In dit artikel wordt de mogelijkheid geboden bij gebruik van geprepareerde tassen verbaliserend op te treden. Het biedt de politie een aanvullend handvat op te treden bij (dreigende) diefstal.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:47Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast worden opgetreden. afbakeningArtikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling in de APV vormt hierop een aanvulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor de toelichting op artikel 1.1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel 2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:48Dit artikel wordt in Steenbergen gehandhaafd omdat het één van speerpunten is in het lokale horecabeleid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:48a</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege het uitblijven van landelijke wetgeving omtrent het gebruik van lachgas (distikstofmonoxide) en om gevaren en overlast als gevolg van het gebruik van hiervan tegen te kunnen gaan, is een totaalverbod op het gebruik van lachgas in de gehele gemeente opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is een verbod opgenomen voor door het college aanwezen gebieden. Net als bij alcohol gaat het bij lachgas om een op zichzelf legaal te verkopen product. Een verbod op de verkoop kan daarom alleen worden ingesteld wanneer dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Dit aanwijzingsbesluit zal worden gebaseerd op een bestuurlijke rapportage van de politie, waarin naar voren moet komen dat er in het betreffende gebied gedurende een langere periode sprake is van incidenten waarbij de openbare orde is verstoord als gevolg van de verkoop van lachgas. Op deze manier ontstaat er evenredigheid tussen middel en doel (artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50a\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50a</span><span class=\"lf-art-t\">(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Doordat in België sinds 1 januari 2016 een landelijk verbod om buiten daarvoor aangewezen terreinen te overnachten in vrachtwagens is ingesteld en dit verbod streng wordt gehandhaafd door de Belgische politie is het aantal chauffeurs die in hun vrachtwagens slapen in de Nederlandse grensgemeenten schrikbarend gegroeid. Daarbij hebben de gemeenten rondom de Rotterdamse haven ook een slaapverbod in hun Algemene Plaatselijke Verordening (APV) opgenomen en treden sindsdien ook strenger op tegen dit fenomeen. Met als gevolg dat na de gereedkomen van de A4 steeds meer chauffeurs uitwijken naar de gemeenten die langs deze verkeersader tussen de havens van Rotterdam en Antwerpen liggen om te slapen. Ook de gemeente Bergen op Zoom heeft dit slaapverbod opgenomen in de APV. Op het industrieterrein in de gemeente Steenbergen worden steeds vaker in de avond en nachtelijke uren vrachtwagens met daarin slapende chauffeurs aangetroffen. In de meeste gevallen is het echter zo dat deze zodanige staan geparkeerd dat er geen verkeersonveilige situaties zijn en het instellen van een parkeerverbod op basis van de Wegverkeerswet 1994 juridisch niet mogelijk is. Wel is sprake van een overlast situatie doordat de chauffeurs bij vertrek hun afval vaak achterlaten en dit andere illegale dumpingen aantrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om tegen deze overlastsituatie te kunnen optreden, dient er dan ook gelijk aan de gemeenten rondom de Rotterdamse haven een verbod dat het slapen in voertuigen langs de wegen niet is toegestaan in de APV te worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod geeft de politie de mogelijkheid om verbaliserend op te treden tegen de slapende chauffeurs in de nachtelijk uren, deze hebben zij nu niet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-50b\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:50b</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze artikelen is het verboden gesteld om zichtbare uitingen van verboden organisaties (OMG´s) zichtbaar te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren zowel op evenementen (artikel 2:26 lid 2) als op openbare plaatsen en voor publiek toegankelijke gebouwen (artikel 2:50b).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte of evenementen nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en afbeeldingen op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (derde lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime of evenement tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:57-58Op basis van 2:57 moeten honden binnen de bebouwde kom aangelijnd zijn en mogen honden niet verblijven of lopen op een kinderspeelplaats, zandbak of speelweide. Er kunnen gebieden aangewezen worden door het college waar de honden los mogen lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van 2:58 moet degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft de uitwerpselen onmiddellijk verwijderen. Er kunnen gebieden aangewezen worden door het college waar dit niet geldt. Voorts dient degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft een doeltreffend hulpmiddel voor het opruimen van uitwerpselen bij zich te dragen. Dit komt de handhaafbaarheid van dit artikel ten goede, omdat op deze manier ook buiten “heterdaad” controles door de Buitengewoon Opsporingsambtenaar kunnen plaatsvinden. bebouwde kom, artikel 2:58, tweede lid, onder aHet begrip bebouwde kom uit de Wegenverkeerswet 1994 wordt toegepast op de hele APV. Dit betreft het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. aangifte honden; hondenbelastingDe verordening hondenbelasting 2012 biedt geen ruimte voor het opleggen van een boete bij het niet voldoen aan de verplichting tot het doen van aangifte wanneer sprake is van het houden van een hond. De APV is juridisch gezien niet bedoeld om daarin boetebedingen op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:60Dit artikel is gewijzigd naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2012 over artikel 5:12. In deze uitspraak bepaalt de rechter dat omdat de bepaling geen direct verbod bevat, bestuursdwang niet kan worden toegepast. Dit zou dan in strijd zijn met de Gemeentewet. Artikel 2:60 lid 1 bevat dezelfde constructie en is conform het voorstel van de VNG aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. het voeren van bepaalde dierenEr kan behoefte zijn om het voeren van bijvoorbeeld meeuwen of duiven op bepaalde plaatsen te verbieden om daar zo nodig handhavend tegen te kunnen optreden. Het college kan daartoe plaatsen aanwijzen waar dit voeren is verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:67Volgens de wet moeten opkopers van tweedehands goederen hun ingekochte goederen registreren. Zoals goudopkopers, telefoonwinkels, juweliers en pandjeshuizen en fietsenhandelaars. Om de opkopers het makkelijker te maken is het Digitaal Opkopers Register (DOR) ontwikkeld. Het DOR is de moderne variant van het papieren register.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het systeem checkt automatisch via een database van stopheling.nl of een ingevoerd serienummer als gestolen goed geregistreerd staat. Wanneer dit het geval is gaat hiervan een melding naar de politie, die daarop actie kan ondernemen. Doordat steeds meer opkopers zich registeren in het digitaal opkopersregister (DOR) wordt stopheling.nl steeds vollediger. Zo wordt het voor de steler moeilijker om gestolen goederen door te verkopen en dringen we de criminaliteit terug. Daarnaast kunnen burgers via de website www.stopheling.nl controleren of een tweedehands product afkomstig is uit diefstal. Op nadrukkelijk voorstel van de politie is in artikel 2:67 geregeld dat de opkopers binnen de gemeente verplicht zijn nog slechts dit register te gaan gebruiken. De burgemeester zal dit register nog wel aan moeten wijzen. Een vrijstelling van het gebruik van dit register zal maar beperkt worden verleend, omdat anders helers alsnog niet zichtbaar worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:73In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enzovoorts). Dit artikel geeft het college via het eerste lid de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is. Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:74 Conform de regionale intentie om de Algemene Plaatselijke Verordeningen op elkaar te laten aansluiten, wordt een nieuw lid 2 aan artikel 2:74 APV toegevoegd, waarin het gebruik van harddrugs (artikel 2 Opiumwet) aangepakt kan worden. Hierdoor kan zowel de politie optreden als gebruik van harddrugs plaatsvindt, als een last onder dwangsom door het bestuur worden opgelegd wanneer overlast structureel wordt. Voor dit laatste is een bestuurlijke rapportage van de politie nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:74 a t/m dErvaringen uit de regio met deze specifieke bepalingen zijn positief en voorgesteld wordt deze voorschriften te handhaven. Aangezien hier in de regio veelvuldig gebruik van is gemaakt. Ook voor deze bepalingen geldt dat het mogelijk is dat die worden aangepast in verband met nieuwe jurisprudentie. Ook hier wordt voorgesteld de uitkomsten van het overleg tussen VNG en het ministerie van veiligheid af te wachten. Deze artikelen zijn opgenomen uit het oogpunt van openbare orde en veiligheid, niet vanuit gezondheidsoverwegingen, daarvoor is de Opiumwet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:74d Deze bepaling vervalt. Specifieke toepassing van dit artikel in plaats van 2:78 komt zelden voor. Het gebiedsverbod uit 2:78 kan hiervoor worden gebruikt. Daarom is regionaal besloten dat dit artikel kan vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:75In dit artikel zijn de meest relevante APV-artikelen genoemd. Met name die artikelen waarbij het groepsgewijs niet naleven daarvan een risico vormt voor de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:77Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde en daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden. De gemeenteraad bepaalt hoe ver de bevoegdheid van de burgemeester reikt. De volgende varianten zijn bijvoorbeeld denkbaar:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad besluit expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen cameratoezicht toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag besluiten tot het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen, bijvoorbeeld in de binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de plaatsing van camera’s ten hoogste mag geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de bevoegdheid aan de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare orde op openbare plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. De eigenaren van panden waarvan beelden worden gemaakt zijn aan te merken als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn. doel van het cameratoezichtGemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c van de Gemeentewet mag uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt artikel 151c, lid 7, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid. kenbaarheidIn artikel 151c, lid 4, van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden gesteld van de precieze opnametijden. In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld! De straf kan hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete van vierduizend vijfhonderd euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 juli 2016 is de Wijziging van de Gemeentewet in verband met de verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester tot de inzet van cameratoezicht (Stb. 2016/130) in werking getreden. Op grond van het hierbij gewijzigde artikel 151c van de Gemeentewet kan de raad thans bij verordening – zoals de APV – de burgemeester de bevoegdheid verlenen om, als dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten om voor een bepaalde duur camera’s in te zetten ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor eenieder toegankelijk zijn. Niet langer is deze mogelijkheid beperkt tot het plaatsen van vaste camera’s, thans behoort ook mobiel cameratoezicht tot de mogelijkheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de wijziging van artikel 2:77, eerste lid, van de APV (het woord ‘vaste’ komt te vervallen) wordt van de mogelijkheid om de bevoegdheid van de burgemeester te verruimen gebruikgemaakt. Of deze (verruimde) bevoegdheid ingezet wordt blijft uiteindelijk ter beoordeling van de burgemeester, die hierbij onder andere gehouden is aan de kaders en procedures zoals deze zijn uiteengezet in artikel 151c van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2:78Tot op heden had de VNG nog geen model voor gebiedsverboden. De VNG heeft nu wel een modelbepaling, dit komt overeen met de bepaling dat al in het vorige regionale model was opgenomen. In deze variant is een keuze gemaakt om in alle situaties waarin sprake is van overlast in de brede zin van het woord een gebiedsontzegging op te kunnen leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is op zichzelf een lichte bevoegdheid die in de APV is opgenomen. Voor zwaardere overtredingen en zeker wanneer er sprake is van meerdere overtredingen passen we ook de Voetbalwet toe ( art. 172a Gemeentewet) en daar zijn extra waarborgen opgenomen alvorens die bepalingen kunnen worden toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-79-209\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:79</span><span class=\"lf-art-t\">Wet aanpak Woonoverlast</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Het tweede lid van het wetsartikel regelt dat het instrument van de bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als er sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d Gemeentewet. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit lid is geformuleerd als een zorgplichtbepaling. Een bewoner hoort zich zo te gedragen dat zijn of haar buren daar geen ernstige hinder van ondervinden. Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Als last onder bestuursdwang of dwangsom kan de burgemeester gedragsaanwijzingen opleggen aan de overtreder. Het tweede lid schrijft ook voor dat de burgemeester in beleidsregels vastlegt hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid regelt de raad in welke gevallen de burgemeester toepassing kan geven aan deze bevoegdheid. Wij hebben overwogen om daarbij ook ernstige “vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf” op te nemen. Daarbij is het punt dat artikel 7:21 van het Bouwbesluit de facto hetzelfde regelt, ook met het tegengaan van overlast als motief. Dit artikel zal naar verwachting met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen, maar daar zal nog wel de nodige tijd over heen gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-80-210\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2:80</span><span class=\"lf-art-t\">Sluiting voor publiek toegankelijke gebouw en/of erven</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester is ingevolgde artikel 174 Gemeentewet belast met het toezicht op openbare vermakelijkheden. In dit APV artikel is door de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid gegeven om bij het vaststellen van feiten en omstandigheden die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid, voor het publiek toegankelijk gebouw en /of erven te sluiten. Het artikel geeft een aantal concrete overtredingen waarbij deze belangen in ieder geval in het geding zijn. Dit zijn overtredingen van de Wet wapens en munitie, heling en illegaal gokken. Weliswaar betreft het ook strafbare feiten, maar het belang voor de burgemeester om in deze gevallen een bestuursrechtelijke maatregel te nemen is gelegen in het beschermen van de openbare orde, veiligheid, gezondheid en zedelijkheid. Doel met de sluiting is de loop er uit te halen en de bekendheid van het gebouw en/of erf als locatie waar de ongewenste activiteiten plaatsvinden te ontnemen. Daarbij zullen deze in ieder geval gedurende de periode van sluiting zich niet herhalen. De maatregel is gericht op het pand en of erf en niet op de exploitant. Bij sluiting geldt deze dus ook voor een eventuele rechtsopvolger.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 3 Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen</h3>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment van vaststellen van de APV 2016 ligt het wetsvoorstel Regeling prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche bij de Eerste Kamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kern van het wetsvoorstel wordt gevormd door de invoering van een verplicht en uniform vergunningenstelsel voor de uitoefening van een seksbedrijf. Hierdoor ontstaat meer uniformiteit in lokaal vergunningenbeleid. In het wetsvoorstel is opgenomen aan welke vergunningvoorwaarden de exploitant in ieder geval moet voldoen. Ook krijgen gemeenten met dit wetsvoorstel de mogelijkheid onder voorwaarden voor een nuloptie te kiezen. Verder voorziet het wetsvoorstel in: een registratieplicht voor alle prostituees; een aantal maatregelen en instrumenten om toezicht en handhaving te vergemakkelijken; het strafbaar stellen van het gebruikmaken van illegaal aanbod van prostitutie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooruitlopend op definitieve wetgeving is door de VNG een model voor hoofdstuk 3 vastgesteld. In samenspraak met Bergen op Zoom is besloten dit model van de VNG te volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schaarse vergunningen Recente Europeesrechtelijke jurisprudentie maakte het nodig om nog eens goed te kijken naar bepaalde aspecten van de regulering van vergunningen voor seksbedrijven. In het bijzonder t.a.v. de vraag of vergunningen voor onbepaalde tijd mogen worden verleend als er via een maximumstelsel of anderszins een schaarste aan beschikbare vergunningen wordt gecreëerd. Er is sprake van schaarse vergunningen als het aantal te verlenen vergunningen voor seksbedrijven en/of -inrichtingen beperkt is door het instellen van een maximum óf het aanwijzen van een gedetailleerd concentratiegebied. Deze vergunningen mogen in lijn met de Dienstenrichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dan niet voor onbepaalde tijd verleend worden. Bovendien moet het bevoegde bestuursorgaan dan een selectieprocedure hanteren die alle waarborgen voor onpartijdigheid en transparantie biedt. Dit ziet onder andere op een toereikende bekendmaking van de opening, uitvoering en afsluiting van de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bevoegd bestuursorgaan Naar nu blijkt is er een verkeerde uitleg van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet ten grondslag gelegd aan de uitwerking van het nieuwe 'Prostitutiehoofdstuk'. In 'of krachtens de wet' werd ten onrechte gelezen dat ook bij autonome verordening zelfstandig bepaald kon worden de uitvoering van de verordening bij de burgemeester te beleggen (i.p.v. bij burgemeester en wethouders). De ‘keuze’ om in hoofdstuk 3 alle juridisch-administratieve uitvoeringshandelingen bij de burgemeester te beleggen – net als straks onder dat de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Wrp) – kan dus geen doorgang vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gevolg hiervan wordt nu teruggegrepen op de bevoegdheidsverdeling zoals die voorheen gebruikelijk was. Het college van burgemeester en wethouders wordt aangemerkt als bevoegd bestuursorgaan, tenzij het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet. Dan wordt de burgemeester aangemerkt als bevoegd bestuursorgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder volgt puntsgewijs een uitvoeriger uiteenzetting van de bevindingen, waarbij steeds rekenschap gegeven moet worden dat het hier de situatie betreft dat de Wrp nog niet in werking getreden is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>Gemeenten kunnen o.g.v. artikel (149 en) 151a van de Gemeentewet een vergunningstelsel in het leven roepen voor prostitutiebedrijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>Bij dergelijke vergunningplichtige prostitutiebedrijven kan gedacht worden aan de meer bekende uitingsvormen van bordelen en raamprostitutie, maar ook aan escortbedrijven (dat was indertijd zelfs de argumentatie om artikel 151a aan de Gemeentewet toe te voegen) én aan bedrijfsmatige thuisprostitutie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>Over die laatste categorie (thuisprostitutie) zou twijfel kunnen ontstaan (Raakt dit het belang van de gemeente? Is er sprake van een ontoelaatbare inbreuk op de bijzondere belangen van de ingezetenen?). In de rechtspraak is echter al erkend dat gemeenten ook een vergunningplicht voor (openlijk) bedrijfsmatig thuiswerkende prostituees in kunnen stellen (of hiervan af kunnen zien). Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 maart 2007 ECLI:NL:RVS:2007:BA1676, Gst. 2007, 118 (m.nt. J.M.F.H. Teunissen). Dit sluit aan bij de uitleg van vergunningplichtige bedrijfsmatige activiteiten zoals deze gegeven kan worden t.a.v. het gebruik van dit begrip in hoofdstuk 3 van de model-APV (en tevens straks onder de Wrp).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4)</span>Gekoppeld aan de constatering dat een gemeente thuisprostitutie vergunningplichtig kan maken – of zoals dat onder het oude recht was, het ‘exploiteren van een seksinrichting in een (deel van) een woning’ – is de constatering dat deze seksinrichting/woning dan als een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte aangemerkt dient te worden. Zie wederom als voorbeeld de uitspraak genoemd onder 3.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5)</span>Gemeenten kunnen dus een ogenschijnlijk alles omvattende vergunningplicht instellen voor bedrijfsmatige prostitutie (of breder nog, het exploiteren van seksbedrijven, wat bijvoorbeeld ook sekstheaters en seksbioscopen omvat; daar vinden seksuele handelingen voor (niet met) een ander tegen betaling plaats). Hoewel in het oude recht – in ieder geval in de model-APV en bij de meeste gemeenten – de vergunningplicht was gekoppeld aan het exploiteren van een seksinrichting (of een escortbedrijf) is er ogenschijnlijk geen reden om aan te nemen dat bedrijfsmatige straatprostitutie niet evenzeer vergunningplichtig gemaakt zou kunnen worden (los van eventuele praktische bezwaren).</div>\n<p class=\"lf-p\">Nu we de betekenis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet nu scherper hebben, gaan we hieronder in op de vraag wie nu in welk geval als bevoegd bestuursorgaan m.b.t. de vergunningverlening (en aanverwante juridisch-administratieve uitvoeringshandelingen) aangemerkt dient te worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6)</span>Uit artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat dit de burgemeester dient te zijn als de bedrijfsmatige prostitutieactiviteiten plaatsvinden in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven. In het geval van bordelen en raamprostitutie zal hier ogenschijnlijk niet snel discussie over ontstaan, gelet op de jurisprudentie op dit vlak. Ook woningen waar bedrijfsmatig een prostitutiebedrijf wordt geëxploiteerd kunnen – zoals aangegeven onder 3 – hieronder geschaard worden. Iets dat er overigens niet aan af doet dat de betreffende woning ook als woning aangemerkt dient te blijven worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7)</span>Gaat het om activiteiten die niet in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven plaatsvinden, dan zijn overeenkomstig artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet in beginsel het college van burgemeester en wethouders bevoegd. Dan valt in de eerste plaats te denken aan de gevallen waarin de activiteiten plaatsvinden in niet voor het publiek openstaande gebouwen, in voer- en vaartuigen (die als vervoermiddel worden gebruikt) of op de openbare weg. Woonboten worden thans echter aangemerkt als bouwwerk in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarmee heel pleitbaar is dat deze aangemerkt dienen te worden als gebouwen als bedoeld in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet. Zie in dit verband ABRvS 16 april 2014 ECLI:NL:RVS:2014:1331, AB 2014/234 (m.nt. T.E.P.A. Lam) en JG2014/44 (m.nt. ing. W. Vos).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8)</span>Naast prostitutiebedrijfsactiviteiten die simpelweg niet in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven plaatsvinden zijn er ook activiteiten die niet zonder meer daar plaatsvinden. Daarvan lijkt sprake bij escortbedrijven, waarbij de bedrijfsactiviteiten bestaan uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee. Het betreft een veel voorkomende vorm van een niet-locatiegebonden prostitutiebedrijf. Een escortbedrijf bemiddelt tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats dan de plek waar de bemiddeling plaatsvindt. Er valt in ieder geval niet bij voorbaat te stellen – en er zal sowieso niet in alle (of zelfs de meeste) gevallen sprake van zijn – dat de seksuele handelingen wel in voor het publiek openstaande gebouwen (bijv. een hotel) of op daarbij behorende erven plaatsvinden. Ten aanzien van escortbedrijven moeten het college van burgemeester en wethouders dus als het bevoegd bestuursorgaan aangemerkt worden. Dat is in de huidige gemeentelijke praktijk ook al gebruikelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9)</span>Naast artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet wordt – hoewel daarin niet geëxpliceerd – ook artikel 172 van de Gemeentewet aangemerkt als ‘voorbeeld’ van een wettelijke bepaling die de raad opdraagt de uitvoering van bepaalde verordeningen bij de burgemeester te beleggen. Uit artikel 172 van de Gemeentewet vloeit voort – zo wordt gesteld – dat de burgemeester moet worden belast met de uitvoering van raadsverordeningen die betrekking hebben op de openbare ordehandhaving in enge zin. Daarbij gaat het zowel om feitelijke handhaving alsook om juridisch-administratieve uitvoeringshandelingen die ten nauwste met die handhaving samenhangen (zie bijv. HR 11 oktober 2005 ECLI:NL:HR:2005:AS9224, NJ 2008/207, m.nt. Mevis; Gst. 2006, 133 (Nijmegen), Rb. Arnhem 7 mei 2003, nr. 02/1865 en Rb. Arnhem 8 mei 2003, nr. 02/1856). Onder die ordehandhaving in enge zin valt ook de uitvoering van verordeningen betreffende tippelverboden in het belang van de openbare orde (Rb. Maastricht 19 juli 2004 ECLI:NL:RBMAA:2004:AR3854, JB 2004/334 (Heerlen)). Zie in dit kader ook de recente uitspraak t.a.v. het Hilversumse vuurwerkverbod (Rb. Midden-Nederland 19 november 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:8179 (overweging 7-13)).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10)</span>Omdat uit artikel 172 van de Gemeentewet enkel voortvloeit dat de burgemeester moet worden belast met de uitvoering van raadsverordeningen die betrekking hebben op de openbare ordehandhaving in enge zin, kan artikel 172 niet als grondslag worden gebruikt om de burgemeester ook te belasten met het verlenen van de vergunningverlening voor escortbedrijven of prostitutiebedrijven waarvan de activiteiten in niet voor het publiek openstaande gebouwen of in voer- en vaartuigen (die als vervoermiddel worden gebruikt) plaatsvinden. Anders dan bijvoorbeeld bij het uitoefenen van een bij verordening toegekende bevelsbevoegdheid is bij de vergunningverlening (of het aanwijzen van een gebied) immers niet aan de orde dat zich een feitelijke, concrete en acute ordeverstoring voordoet waartegen onmiddellijk en daadkrachtig moet worden opgetreden, zoals bedoeld in artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11)</span>Een prostitutiebedrijf dat diverse bedrijfsactiviteiten onderneemt zal daarvoor in bepaalde gevallen over meerdere vergunningen moeten beschikken (nog even los van het feit dat een seksbedrijf voor iedere aparte seksinrichting (dus de vaste locatie waar bepaalde activiteiten plaatsvinden) na de eerste (die als enige wel bijgeschreven kan worden op de bedrijfsvergunning) een aparte vergunning nodig heeft), afgegeven door verschillende bestuursorganen. Als het gaat om enerzijds prostitutiebedrijfsactiviteiten in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven en anderzijds activiteiten die niet of niet zonder meer in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven plaatsvinden (waaronder ook vallen de activiteiten van een – per definitie niet-locatiegebonden – escortbedrijf), dan zal zowel een vergunning verleend moeten worden door de burgemeester als door het college van burgemeester en wethouders. Hiertoe moet dan ook een dubbele aanvraag ingediend worden. Iets dat overigens wel mogelijk gemaakt kan worden via één aanvraagformulier, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester gezamenlijk.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 44:2 t/m 4:5Op basis van de Wet Milieubeheer zijn in het landelijk Activiteitenbesluit de geluidsnormen vastgelegd waaraan de horeca zich dient te houden. De gemeente heeft de mogelijkheid om collectieve of individuele ontheffingen te verlenen en de geluidniveaus waaraan moet worden voldaan te verlagen. Dat is geregeld in de APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepalingen zijn grotendeels conform het regionaal vastgestelde model. De punten waarop wordt afgeweken zijn de termijn van melding (in Steenbergen ten minste 3 werkdagen voor de festiviteit) en het aantal incidentele festiviteiten per jaar (in Steenbergen 12).</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 4:5 lid 2 is opgenomen dat maximaal 12 uur onversterkte muziek voor het oefenen van muziekgezelschappen is toegestaan, om zo mogelijk te maken dat op één locatie meerdere muziekgezelschappen kunnen repeteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4:5b t/m 4:5f Door het opnemen van artikelen 4:5b t/m 4:5f is artikel 4:6 over overige geluidsoverlast niet overbodig geworden; laatstgenoemd artikel kan dienst doen als vangnet als de meer specifieke bepalingen over geluidsoverlast, neergelegd in de artikelen 4:5b t/m 4:5f, niet afdoende zijn om tegen een bepaalde vorm van geluidsoverlast op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4:6Tot een ‘toestel’ als bedoeld in het eerste lid, kan onder andere worden gerekend: airgun- en andere knalapparatuur; een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken in het kader van seismologisch onderzoek en opsporingsonderzoek naar of ontginning van de in de bodem aanwezige stoffen; een motorisch aangedreven werktuig, te gebruiken in het kader van de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem; een omroepinstallatie, sirene, hoorn en een ander daarmee vergelijkbaar toestel bestemd om geluid te versterken of voort te brengen; een modelvliegtuig, modelboot of modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; een met een muziekinstrument vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker; een jetski die wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; een schietwapen; een hei-installatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4:6ADe invoering van deze bepaling biedt de mogelijkheid om dit middel eventueel in de toekomst in te zetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4:13 Dit artikel is gewijzigd naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2012 over artikel 5:12. In deze uitspraak bepaalt de rechter dat omdat de bepaling geen direct verbod bevat, bestuursdwang niet kan worden toegepast. Dit zou dan in strijd zijn met de Gemeentewet. Artikel 4:13 lid 1 bevat dezelfde constructie en is daarom conform het voorstel van de VNG aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 55:7Het komt voor dat bedrijven een aanhangwagen of iets dergelijks met daarop de bedrijfsgegevens parkeren op een parkeerplaats of in de berm van een openbare weg om daarmee de aandacht van het publiek te trekken. Ook worden voertuigen gebruikt om evenementen aan te kondigen. Door middel van dit artikel wordt toegezien op het maken van handelsreclame via voertuigen. Uit jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5:7 van de APV bepaalt dat het parkeren van voertuigen met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken verboden is. Hiervoor dient er sprake te zijn van een parkeerexces. Dit betekent dat het gebruik van de weg als parkeerplaats op zichzelf niet ongeoorloofd is, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen. Ook kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Ingevolge lid 2 kan het college ontheffing van het verbod verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als handelsreclame in de zin van deze bepaling wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruik “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel. jurisprudentieDe Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van Zierikzee geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van reclamevoertuigen binnen de bebouwde kom en de daaropvolgende bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De bescherming van het uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een belangrijke rol. ABRS 1-8-1994, JG 95.0245.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling bestuursrechtspraak meent dat het college van Groningen terecht een dwangsomaanschrijving heeft doen uitgaan tegen een voor een winkel geplaatste riksja, waarmee handelsreclame werd gemaakt. Voor de toepassing van deze bepaling is de aanwezigheid van een verkeersgevaarlijke situatie niet vereist. ABRS 5-12-2001, nr. 200103426.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-8-211\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5:8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren grote voertuigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel omvat een redactionele verbetering.</p>\n<p class=\"lf-p\">5:10 Het voordien gereserveerde artikel 5:10 over parkeren wordt ingevuld. Dit naar aanleiding van de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 23 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3927, en de uitleg daarin van het Verdrag inzake verkeerstekens. Verkeersbord E1 (parkeerverbod) geldt alleen voor de rijbaan. De APV-bepaling is nodig om het parkeerverbod ook voor de berm te laten gelden. Daarvoor is dan eigen bebording nodig. Het eerste lid regelt dat het verboden is een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. Volgens het tweede lid is het verbod niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">5:12Dit artikel is aangepast naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 januari 2012. Omdat de bepaling geen direct verbod bevat, ontstaat er strijd met de Gemeentewet wanneer bestuursdwang wordt toegepast. De regeling is daarom, conform het voorstel van de VNG, gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5:13 inzameling van geld en goederen Het derde lid geeft een opsomming van situaties waarbij geen vergunning is vereist. Er zijn gemeenten die plaatselijke instellingen (met hun statutaire zetel in de gemeente) niet onder de vergunningplicht willen laten vallen. Dit onderdeel van het derde lid biedt in dat geval de mogelijkheid dat het college instellingen aanwijst die geen vergunning hoeven aan te vragen. Bij deze plaatselijke instellingen kan gedacht worden aan instellingen die kleinschalig geld inzamelen of producten verkopen met als doel financiële steun aan hun eigen organisatie. Een andere optie is deze groep als geheel in dit onderdeel van het derde lid uit te zonderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5:13 wordt gewijzigd door daarin expliciet het werven van donateurs of leden op te nemen. In het eerste lid wordt toegevoegd dat het verboden is zonder vergunning van het college in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. In het tweede lid wordt een aantal tekstuele aanpassingen gedaan. In het derde lid wordt geregeld dat het verbod niet geldt voor een inzameling of werving die wordt gehouden door een instelling die is ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorwaarden plaatsvindt 5:15Tot het afschaffen van het vergunningstelsel wordt besloten, omdat venten in de meeste gevallen geen (overmatige) overlast oplevert. De praktijk van het verlenen van ventvergunningen is dat deze vrijwel altijd worden verleend onder dezelfde voorschriften en bepalingen. Overlast kan ook achteraf worden aangepakt. Bovendien kunnen de vergunningvoorschriften worden opgenomen in nadere regels, vastgesteld door het college, welke nadere regels rechtstreeks werken voor een ieder. Bij het vaststellen van de nadere regels worden de uren en dagen aangewezen waarop het vergunningvrij venten verboden is. Bovendien kan het college, indien in de toekomst sprake zal zijn van overlast in bepaalde plaatsen, deze plaatsen aanwijzen als plaatsen waar niet vergunningvrij mag worden gevent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5:18, lid 3, onder bIn het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5:22-23De bepalingen betreffende snuffelmarkten zijn in de APV 2016 komen te vervallen, omdat snuffelmarkten worden geschaard onder evenementen en hiermee vallen onder de regeling van artikel 2:25 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">5:24Onder een voorwerp als genoemd in artikel 5:24, eerste lid wordt mede verstaan een boom, een heg, een struik of andere beplanting, welke aan het verkeer op een openbaar water het vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">5:25 De tekst van artikel 5:25 is gewijzigd in verband met de Wet verduidelijking voorschriften woonboten. De leden 4 en 5 zijn toegevoegd. Naast de algemene regels die krachtens het tweede lid kunnen worden uitgevaardigd, kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele eigenaar van een vaartuig nog nadere aanwijzingen te geven. Het vierde lid biedt daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van een schriftelijke beschikking te gieten. Het spreekt voor zich dat het college geen aanwijzingen geeft of kan geven die strijd opleveren met hogere regelgeving. De eigenaar van de boot is verplicht de aanwijzingen op te volgen (vijfde lid). Niet naleving kan worden gesanctioneerd in artikel 6:1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 5:26 en 5:27 zijn komen te vervallen, nu de inhoud van die bepalingen goeddeels overgeheveld is naar artikel 5:25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 66:1Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie voor de zwaardere overtredingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien de aard van de bepalingen van de APV kan als algemene lijn worden gehanteerd dat op overtredingen een straf van de tweede categorie wordt gesteld. Op de overtredingen die de gemeenteraad minder ernstig acht, kan een boete van de eerste categorie worden gesteld. Gekozen is om voor alle overtredingen de maximale strafbepaling te hanteren overeenkomstig het bepaalde in de vorige APV.</p>\n<p class=\"lf-p\">6:2Door de nieuwe aanpassing is bewerkstelligd dat politieambtenaren, BOA´s, ambtenaren van het cluster VTH, ambtenaren van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en Staatsbosbeheer (die vanuit hun functie belast zijn met toezicht en/of handhaving) allen toezicht kunnen houden op de gehele Algemene Plaatselijke Verordening. Bovendien kan het college dan wel de burgemeester daarnaast andere personen aanwijzen voor wat betreft het toezicht op de naleving van deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-3-212\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6:3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aparte regeling voor het binnentreden van woningen ten aanzien van het prostitutiehoofdstuk is komen te vervallen. De regeling voor het binnentreden van woningen is voor de gehele APV gelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6:5Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande besluiten al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze verordening. Het gaat hierbij om: vergunningen; ontheffingen; vrijstellingen; voorschriften en beperkingen als bedoeld in artikel 1:4; nadere regels; aanwijzingsbesluiten; beleidsregels en beleidslijnen.</p></div>", "next": 0}