{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">b.indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat belanghebbende de verplichting bedoeld in artikel 17 WWB, of de artikelen 28 lid 2 en 29 lid 1 van de Wet Suwi, niet of niet behoorlijk is nagekomen, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de gezinsleden met wier middelen als bedoeld in artikel 31 WWB bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. c.de onder a. en b. genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Afzien van terugvordering c.Burgemeester en wethouders zien af van terugvordering indien: a.het terug te vorderen bedrag lager is dan € 75,00; b.hiertoe een dringende reden aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwijtschelding 8.Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek In afwijking van beleidsregels nummer 5 en 6 kunnen burgemeester en wethouders besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand indien: a.redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en b.redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in beleidsregel 9 onder b. bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en c.de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Afzien van kwijtschelding wegens schuldenproblematiek c.Van kwijtschelding als bedoeld in beleidsregel nummer 8 wordt afgezien indien: a.de terugvordering van bijstand het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende; b.de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek b.Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek b.Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: a.niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen; b.de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of c.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting c.In afwijking van beleidsregel nummer 5 kunnen burgemeester en wethouders besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende: a.gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; b.gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; c.gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of d.een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.Verkorting van de periode van voldoen aan betalingsverplichting d.De in beleidsregel nummer 12 genoemde termijn is drie jaar indien: a.het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en b.de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17 lid 1 WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.Geen kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting b.Kwijtschelding als bedoeld in beleidsregel nummer 12 vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.Kwijtschelding overige redenen a.Als alle gebruikelijke incassomaatregelen zijn uitgevoerd en overwogen wordt de deurwaarder b.in te schakelen, wordt een restschuld tot € 250,00 kwijtgescholden. b.Als na een heronderzoek blijkt dat invordering niet kan plaatsvinden vanwege een onbekende b.verblijfplaats of verblijf in het buitenland, kan kwijtschelding plaatsvinden van een schuld tot b.€ 250,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invordering van teruggevorderde bijstand 16.Invorderingsbesluit In het terugvorderingbesluit delen burgemeester en wethouders aan de belanghebbende mede: a.tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen bijstand wordt teruggevorderd; b.de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte ontvangen bijstand dient terug te betalen; c.op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.Verplichtingen met betrekking tot de invordering a.Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het terugvorderingbesluit of dat met de belanghebbende op grond van een minnelijke regeling tot stand is gekomen, geldt als een opgelegde betalingsverplichting; b.Er zal door burgemeester en wethouders ter beoordeling of de betalingsverplichting gewijzigd moet worden onderzoek worden verricht naar de hoogte van de inkomsten en uitgaven. Nadere regels met betrekking tot deze draagkrachtonderzoeken kunnen uitgewerkt worden in de richtlijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.Verrekening en beslaglegging b.Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingbesluit ten uitvoer gelegd door middel van: a.verrekening met de maandelijks verleende bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand, op grond van artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid; b.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.Kosten b.Indien moet worden overgegaan tot verrekening of beslaglegging als bedoeld in beleidsregel 17 dan wordt de vordering verhoogd met de wettelijke kosten, ten bedrage van 15% van de hoofdsom. Minimaal wordt € 50,00 aan kosten in rekening gebracht en maximaal € 750,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.Brutering b.De loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, alsmede de vergoeding als bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. b.Toelichting beleidsregels terugvordering Wet werk en bijstand 1.Algemeen b.In de Wet werk en bijstand, welke per 1 januari 2004 in werking is getreden, is het terugvorderen van ten onrechte verleende bijstand een algehele bevoegdheid geworden van burgemeester en wethouders. Dit houdt in dat het wettelijk kader op zichzelf geen sluitende basis meer vormt voor de gemeentelijke terugvordering praktijk. Met onderhavige Beleidsregels Terugvordering Wet werk en bijstand wordt een nieuwe “wettelijke” basis gecreëerd om het bestaande terugvordering beleid van de gemeente te kunnen continueren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Herziening of intrekking van het toekenningsbesluit b.Evenals terugvordering van bijstand is het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op bijstand door middel van een herzienings- of intrekkingbesluit een algehele bevoegdheid geworden van burgemeester en wethouders. Gelet op de hierboven geformuleerde uitgangspunten maken burgemeester en wethouders in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen gebruik van deze bevoegdheid. b.De bepalingen onder a. en b. zijn identiek aan de bepalingen van artikel 69 lid 3 Abw en 54 lid 3 WWB, doch zijn met een dwingend karakter geformuleerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.indien als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting van de belanghebbende ten onrechte bijstand is verleend dan wordt in alle gevallen het bijstandsrecht naar het verleden toe gecorrigeerd naar de juiste situatie. Het kan hierbij gaan om het schenden van de inlichtingenplicht naar zowel de gemeente als naar het CWI.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In gevallen waarin er kennelijk in het verleden een niet correct toekenningsbesluit is genomen, maar dit niet is veroorzaakt door de belanghebbende, dan kan in voorkomende gevallen toch herziening of intrekking van het toekenningsbesluit aan de orde zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zal zich vooral voordoen in gevallen waarin door burgemeester en wethouders onjuiste besluitvorming heeft plaatsgehad. Deze vorm van intrekking/herziening staat op gespannen voet met het rechtszekerheidsbeginsel. Op grond van dit beginsel kunnen rechten niet zonder meer met terugwerkende kracht worden gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorslaggevend moet zijn of belanghebbende enige blaam treft bij het niet melden van de onjuiste situatie. De belanghebbende zal derhalve “op zijn klompen” hebben kunnen aanvoelen dat er iets mis was met de toekenning. Als dit niet het geval is dan gaan burgemeester en wethouders niet over tot herziening/intrekking met terugwerkende kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitkeringsrecht zal in dat geval uiterlijk met ingang van de datum waarop de onjuistheid is geconstateerd worden gewijzigd, mits de belanghebbende hiervan tijdig op de hoogte wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere overweging is of burgemeester en wethouders als gevolg van een grove fout een foutief besluit hebben genomen. Grove nalatigheid van het bestuursorgaan kan niet voor rekening komen van de belanghebbende, tenzij het bij de belanghebbende volkomen duidelijk kan zijn dat het hier een fout betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Terugvordering Deze bepaling vormt de kernbepaling van het gemeentelijke terugvorderingbeleid. Benadrukt wordt dat de bijstand uitsluitend wordt teruggevorderd in de gevallen waarin dit in de beleidsregels is vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Ten onrechte verleende bijstand De hier omschreven situaties waarin bijstand wordt teruggevorderd zijn identiek aan de bepalingen van artikel 58 WWB. Om echter geen misverstand te laten bestaan over wanneer bijstand moet worden teruggevorderd zijn deze beleidsregels, in tegenstelling tot de formulering van artikel 58 WWB, dwingend geformuleerd. a.bijstand is ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleend wanneer achteraf komt vast te staan dat over de betreffende periode geen, of tot een lager bedrag, recht op bijstand bestond. Voorafgaande aan deze terugvordering dient op grond van artikel 54 lid 3 WWB en beleidsregel nummer 2 van de Beleidsregels Terugvordering Wet werk en bijstand eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit te worden genomen. b.aan de bijstand die in de vorm van een geldlening is verleend dient in alle gevallen een terugbetalingsverplichting te worden verbonden. Deze verplichting wordt in het toekenningsbesluit vastgelegd. Eerst wanneer deze verplichting niet wordt nagekomen wordt ten aanzien van het nog resterende bedrag van de lening een terugvorderingbesluit genomen. Hiermee ontstaat er ten aanzien van het resterende deel van de lening een executoriale titel. c.Borgstelling is een vorm van bijstandsverlening. Dit betekent dat in het toekenningsbesluit vastgelegd moet zijn dat de gemeente bijstand heeft verleend in de vorm van een borgstelling. Deze bijstand komt echter pas tot uitbetaling (aan de geldverstrekker) indien de belanghebbende in gebreke blijft met het terugbetalen van de door de geldverstrekker verleende geldlening. Op het moment van uitbetaling van de bijstand ontstaat tevens een vordering die op grond van artikel 58 lid 1 sub c WWB en de gemeentelijke beleidsregels kan worden teruggevorderd. In dat geval is, evenals bij de terugvordering van een geldlening, een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk. d.Een voorschot wordt op grond van artikel 52 WWB van rechtswege (automatisch op grond van de wet) verstrekt als een renteloze geldlening. Dit impliceert dat belanghebbende deze lening moet terugbetalen. Artikel 52 lid 4 WWB regelt dat het verstrekte voorschot ineens wordt verrekend met de toegekende uitkering over de periode waarop het voorschot betrekking had. Soms behoort verrekening van dit voorschot niet of niet volledig tot de mogelijkheden. Dat kan zijn omdat er geen toekenning van een uitkering tot stand komt, of dat de toegekende uitkering niet toereikend is om het totale bedrag van het voorschot ineens te verrekenen. Het openstaande bedrag van het voorschot wordt dan van belanghebbende teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 1 onder d WWB. Wanneer deze omstandigheid zich voordoet dan is een afzonderlijk terugvorderingsbesluit noodzakelijk ten aanzien van het bedrag dat niet (volledig) kan worden verrekend met de toegekende bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen naast de hierboven genoemde omstandigheden andere redenen zijn waarin de bijstand bij nader inzien onverschuldigd is betaald. Het gaat hierbij met name om situaties waarin er geen reden is om te komen tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit, bijvoorbeeld wanneer bijstand is verleend in afwachting van het beschikbaar komen van middelen (inkomen of vermogen), of wanneer achteraf een vergoeding wordt ontvangen voor kosten waarvoor in een eerder stadium ook reeds (bijzondere) bijstand is ontvangen. Ook de onverschuldigd betaalde bijstand als gevolg van een administratieve vergissing dient op grond van deze beleidsregel te worden teruggevorderd. Als restrictie geldt dat alleen kan worden teruggevorderd indien de belanghebbende redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte bijstand ontving. Voor de hier bedoelde vorm van terugvordering geldt een wettelijke vervaltermijn van 2 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering van gezinsleden Op grond van artikel 59 lid 2 WWB kan bijstand die als gevolg van schending van de inlichtingenplicht niet als gezinsbijstand is verleend, maar wel als gezinsbijstand verleend had moeten worden, tevens worden teruggevorderd van degene met wiens middelen rekening had moeten worden gehouden. Eenvoudiger gesteld: bijstand die aan een alleenstaande is verleend, die achteraf een gezamenlijke huishouding blijkt te voeren, kan tevens van de verzwegen partner worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duidelijk moet zijn dat:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet sprake zijn van een gezamenlijke huishouding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet sprake zijn van een schending van de inlichtingenplicht zoals die is neergelegd in artikel 17 lid 1 WWB en de artikelen 28 lid 2 en 29 lid 1 Wet SUWI. De intrekking van het recht op bijstand van de bijstandontvangende partner moet daarom gebaseerd zijn op artikel 54 lid 3 onderdeel a WWB Alle gezinsleden waarvan in bovengenoemde situaties kan worden teruggevorderd zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering. Dit betekent in de praktijk dat het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd. In gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige) bedrag terug te betalen kunnen andere gezinsleden voor het gehele (restant)bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die hoofdelijk aansprakelijk zijn hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar te verrekenen. Dit is niet het probleem van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Afzien van terugvordering In voorkomende gevallen kunnen er redenen zijn om in het geheel geen terugvorderingsbesluit te nemen. Dit kan enerzijds worden ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen, in gevallen waarin de ten onrechte verleende bijstand dermate laag is dat de kosten die de terugvordering met zich meebrengen hoger zijn dan de vordering (kruimelbedragen). Hiertoe is artikel 78 b Abw letterlijk overgenomen in deze beleidsregel. De WWB kent een dergelijke bepaling niet meer. Betrokkene krijgt dan een besluit waarin wordt afgezien van terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kunnen er in de individuele situatie dringende redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien. Hiervan kan sprake zijn wanneer de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende, en hem hiervan geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Tevens zal in dat geval aannemelijk moeten zijn dat de belanghebbende niet kon weten dat hij ten onrechte bijstand ontving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In gevallen waarin eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit aan de orde is kan van een dergelijk besluit reeds worden afgezien wegens een dringende reden (zie beleidsregel 3). In dat geval is er ook geen grond tot het nemen van een terugvorderingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.tot en met 11. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek Wanneer een bijstandsvordering door middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd dan kan er in een later stadium reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze beleidsregel is artikel 78a Abw nagenoeg letterlijk overgenomen. Dit is noodzakelijk om het gemeentelijke kwijtscheldingsbeleid te continueren. Een dergelijke bepaling komt in de WWB niet meer voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.tot en met 14. Kwijtschelding na voldoen aan betalingsverplichting Op grond van artikel 78c Abw kon een restant van de nog openstaande vordering worden kwijtgescholden indien de belanghebbende gedurende een periode van 5 jaar aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. Het gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid dat na de invoering van de Wet herziening debiteurenbeleid (1 augustus 1998) is geformuleerd kan op deze wijze worden gecontinueerd. De bepalingen van artikel 78c Abw zijn in deze beleidsregels ongewijzigd overgenomen aangezien in de WWB een dergelijke bepaling niet meer voorkomt. Het nader uitwerken van dit kwijtscheldingsbeleid in een notitie of handboek is noodzakelijk omdat in deze beleidsregel, evenals in de oude Abw-bepaling, sprake is van een “kan-bepaling”. Daar waar in beleidsregels opnieuw gemeentelijke beleidsvrijheid wordt gecreëerd, dient deze vrijheid nader te worden ingevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens wordt met de onder 12. sub d. genoemde mogelijkheid tot afkoop van 50% van de restsom tegen finale kwijting van het restant zeer terughoudend omgegaan. Van deze mogelijkheid wordt alleen gebruikt gemaakt in situaties waarin tevoren vrijwel vast staat dat de reguliere wijze van invordering minder oplevert dan datgene dat met afkoop van 50% van het restant kan worden geïncasseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.kwijtschelding andere redenen Nadat alle in de beleidsregels opgenomen incassomaatregelen zijn genomen, wordt een deurwaarder ingeschakeld. Als de restschuld niet hoger is dan € 250,00 wordt deze kwijtgescholden en vindt er geen overdracht aan de deurwaarder plaats. Een schuld tot € 250,00 kan ook kwijtgescholden worden als er sprake is van een debiteur die niet te achterhalen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">16.Invorderingsbesluit In deze regel is conform artikel 60 van de WWB geregeld welke aspecten in ieder geval onderdeel uitmaken van het terugvorderingsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">17.Verplichtingen met betrekking tot de invordering In de beleidsregels wordt meerdere malen gesproken over het aflossingsbedrag als betalingsverplichting. Om er geen misverstand over te laten bestaan dat in dit verband van een verplichting wordt gesproken wordt hier bepaald dat elk aflossingsbedrag, of dit nu is overeengekomen ingevolge een minnelijke betalingsregeling, of op basis van het terugvorderingsbesluit éénzijdig wordt medegedeeld, kan worden beschouwd als een betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">18.Verrekening en beslaglegging De bepalingen omtrent verrekening en pseudo-verrekening komen in de WWB niet meer terug. Wel heeft het terugvorderingsbesluit op grond van artikel 60 lid 3 WWB direct een executoriale titel. De gemeente kan overgaan tot dwanginvordering door middel van verrekening (wanneer aan de debiteur tevens bijstand wordt verleend), of door middel van het leggen van vereenvoudigd derden beslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verrekening met de bijstand wordt gebaseerd op artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze vorm van verrekenen moet aan de navolgende vereisten worden voldaan: er moet een wederkerig schuldenaarschap bestaan. Het gaat hier om het over en weer voldoen van een schuld. De door de belanghebbende te ontvangen bijstand, en de ten onrechte verleende bijstand die moet worden terugbetaald, worden beschouwd als de hier bedoelde wederkerige schuld; er moet gelijksoortigheid van schuld en prestatie zijn. Hieruit vloeit voort dat bijstand alleen met bijstand kan worden verrekend. Dit betekent dat een ten onrechte verleende bijstand niet met bijvoorbeeld een WMO vergoeding kan worden verrekend; er moet een bevoegdheid zijn om betaling van de vordering af te dwingen. Verrekening is een vorm van tenuitvoerlegging. Dit kan niet zonder executoriale titel. Het ten uitvoer leggen van deze titel gebeurt pas als de debiteur niet aan de (al dan niet minnelijk) vastgestelde betalingsverplichting voldoet; bij verrekening is de gemeente gehouden aan de beslagvrije voet verrekening kan alleen voor zover de uitkering voor beslag vatbaar is (dus bijvoorbeeld niet met bijzondere bijstand voor specifieke kosten) Tenuitvoerlegging door middel van beslag kan geschieden conform de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De gemeente heeft, evenals onder de Abw, de mogelijkheid van vereenvoudigd derden beslag op loon of uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure is als volgt: de gemeente stuurt met een kennisgeving een afschrift van het terugvorderingsbesluit naar degene van wie debiteur loon of een periodieke uitkering ontvangt hierin wordt de beslagvrije voet aangegeven de derde beslagene moet de kennisgeving binnen 8 dagen voor gezien terugzenden aan de gemeente door de terugzending is het beslag gelegd. De derde beslagene wordt hiermee verplicht het voor beslag vatbare bedrag uit te betalen aan de gemeente de gemeente moet binnen 7 dagen na retourontvangst van de kennisgeving een afschrift van die kennisgeving aangetekend toezenden aan de debiteur. Als de gemeente dit nalaat kan debiteur de President van de rechtbank vragen het beslag op te heffen. kosten Wanneer de belanghebbende de betalingsverplichting niet nakomt, dan dienen voor de onder beleidsregel18 genoemde vormen van dwanginvordering kosten te worden gemaakt. In ieder geval worden de kosten van de deurwaarder van betrokkene teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.Brutering In de WWB is het bruteren van de bijstandsvordering als bevoegdheid geformuleerd in artikel 58 lid 4 WWB. Door deze bepaling met een dwingend karakter in de Beleidsregels op te nemen brengt de gemeente tot uiting dat wanneer de vordering niet binnen het kalenderjaar kan worden terugbetaald, deze zal worden gebruteerd. De enige uitzondering is als het cliënt niet te verwijten is dat er teruggevorderd moet worden en/of het cliënt niet te verwijten is dat er niet meer verrekend kan worden in het kalenderjaar. In deze gevallen wordt er netto teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakantie De wettelijke vakantietermijn voor verblijf in het buitenland is 4 weken per kalenderjaar of een aaneengesloten periode van 4 weken. Dit laatste is het geval als de vakantie rond de jaarwisseling plaatsvindt. Als de wettelijke vakantietermijn wordt overschreden zal er onderzoek worden gedaan naar de reden van het te lange verblijf en de mogelijke gevolgen voor de reïntegratie. Afhankelijk van dit onderzoek kan er een verlaging plaatsvinden van de uitkering volgens de regels van de “afstemmingsverordening” als er sprake is van het missen van reïntegratie mogelijkheden. Er wordt geen bijstand verleend over de periode dat de vakantietermijn wordt overschreden. Als betrokkene zich binnen 6 weken na vertrek heeft gemeld, kan de uitkering weer hersteld worden, zonder een nieuwe aanvraag bij het CWI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle bijstandsgerechtigden van 65 of ouder en jonger dan 65, die volledig zijn vrijgesteld van de reïntegratieverplichting, mogen op grond van de laatste jurisprudentie dertien weken in het buitenland verblijven zonder dat zij hun uitkering verliezen. De minister heeft een wetsvoorstel ingediend, om dit ook in de wet te regelen. (art.13 lid 1 onder d WWB, artikel 17 WWB meldingsplicht) Verhaal Verhaal van bijstand 1.Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van bijstand: c.tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek:op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt; d.tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt; e.verhaal vindt plaats tot de grens van de onderhoudsplicht, met dien verstande dat als er alleen een onderhoudsplicht van de ex-partner jegens een kind(eren) bestaat, het verhaal maximaal 20% van de gehuwdennorm (op grond van de WWB) bedraagt f.op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voorzover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden, indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien; g.op de nalatenschap van de persoon indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">1° aan die persoon ten onrechte bijstand is verleend indien sprake is van een situatie als beschreven in de beleidsregels terugvordering 4 onder a , e en f en voorzover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden;</p>\n<p class=\"lf-p\">2° bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht. h.de verhaalsbijdrage wordt op € 5,00 naar beneden afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens in de gevallen als bedoeld in onderdeel e, ten tweede, worden kosten van bijstand die meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt, niet verhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Buiten de gevallen aangegeven in beleidsregel 1 vindt geen verhaal plaats. In ieder geval vindt geen verhaal plaats op grond van artikel 61, lid 1 onder a WWB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geheel of gedeeltelijk afzien van het nemen van een verhaalsbesluit Burgemeester en wethouders zien af van het nemen van een verhaalsbesluit indien: het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,- per maand; daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwijtschelding 4.Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek In afwijking van beleidsregel 1 kunnen burgemeester en wethouders, op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voorzover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien: redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig kwijstscheldingsbesluit niet tot stand zal komen; de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling als bedoeld in beleidsregel 4 onder b. tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrekking van het besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling is tot stand gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in de beleidsregel 4 genoemde voorwaarden a, b en c; de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van mate van onderhoudsplicht Beoordeling onderhoudsplicht bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht als bedoeld in beleidsregel 1 onder a en b en de omvang van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend. b.ook als de rechter nog geen beslissing heeft genomen, wordt al wel een verhaalsbesluit genomen, met in achtneming van het geen in beleidsregel 7 onder a is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhalen van rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud 8.Verhaal op grond van rechterlijke uitspraak Indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak. Het besluit tot verhaal wordt in dat geval bij brief medegedeeld aan degene op wie wordt verhaald, met de aanmaning het verschuldigde binnen dertig dagen na verzending van de brief te voldoen. Indien aan de aanmaning geen gevolg wordt gegeven vordert de gemeente het verschuldigde met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt. Het besluit tot verhaal levert een executoriale titel op, die op kosten van de schuldenaar wordt betekend en met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wijziging door rechter vastgesteld bedrag levensonderhoud 9.Wijziging door de rechter vastgestelde onderhoudsbijdrage De gemeente verzoekt de rechter het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen, indien de rechter: a. deze uitspraak zou kunnen wijzigen op de gronden genoemd in de artikelen 157 en 401 van dat boek; b. geen rekening heeft kunnen houden met alle voor de betrokken beslissing in aanmerking komende gegevens en omstandigheden betreffende beide partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verhaalsbesluit 10.Het verhaalsbesluit Een besluit tot verhaal op grond van beleidsregel 1 wordt door burgemeester en wethouders aan degene op wie verhaal wordt gezocht medegedeeld. Het besluit vermeldt het bedrag of de bedragen waarvan, evenals de termijn of termijnen waarbinnen, betaling wordt verlangd. Bij verhaal op de nalatenschap kan de mededeling worden gericht tot de langstlevende echtgenoot of een der erfgenamen die geacht kan worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken. Het verhalen van de kosten van bijstand geschiedt vanaf de datum verhaalsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhaal in rechte 11.Verhaal in rechte Indien de belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan de gemeente te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat, besluiten burgemeester en wethouders tot verhaal in rechte. Burgemeester en wethouders zien af van verhaal in rechte indien het te verhalen bedrag een bedrag van € 600,- niet te boven gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heronderzoek 12.Onderzoek naar draagkracht Tenminste één keer per drie jaar verrichten burgemeester en wethouders onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbijdrage. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. Er wordt niet overgegaan tot het gewijzigd vaststellen van een betalingsverplichting indien de draagkracht niet meer blijkt te zijn vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek dan met € 50,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Invordering 13.Vereenvoudigd derden beslag Indien de belanghebbende niet bereid blijkt de door de rechter vastgestelde bijdrage voor levensonderhoud of de op verzoek van de gemeente vastgestelde bijdrage te voldoen dan wordt die uitspraak ten uitvoer gelegd door middel van executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschot Voor het verstrekken van een voorschot gelden de volgende richtlijnen. De praktische procedure voor het verstrekken van het voorschot wijkt in Albrandswaard en Ridderkerk af. De afweging die leidt tot het al dan niet verstrekken van een voorschot verschilt niet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt dient de benodigde formulieren (aanvraag- en inlichtingenformulier) ingevuld, ondertekend en ingeleverd te hebben;</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt dient, voorzover hij daar toe in staat is, alle voor de afhandeling van de aanvraag relevante gegevens ingeleverd te hebben (betrokkene moet meewerken, echter als er een hersteltermijn van bv acht weken geldt is betrokkene niet in gebreke als binnen 4 weken geen gegevens zijn overlegd en moet wel een voorschot worden verleend).</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt dient het aanwezige vermogen, tot het bescheiden vermogen, aan te wenden voor het levensonderhoud alvorens een voorschot kan worden verstrekt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als duidelijk is dat er geen recht op een uitkering is (op grond van uitsluiting of voorliggende voorziening) dan hoeft geen voorschot verstrekt te worden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorschot wordt als aan bovenstaande is voldaan na uiterlijk 4 weken verstrekt en telkens na 4 weken verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het voorschot is dan minimaal 90% van de voor betrokkene geldende norm, onder aftrek van eventuele inkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een cliënt die in een psychiatrische inrichting verblijft, krijgt binnen 4 weken alleen een voorschot voor het aanvragen van een identiteitsbewijs. In overleg met en op verzoek van de maatschappelijk werker is een klein voorschot van maximaal € 50,00 mogelijk om de cliënt “rustig” te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien terugvordering van personen die niet geen uitkering van de gemeente ontvangen niet wenselijk is, is het in het belang van de gemeente het aantal voorschotten zoveel mogelijk te beperken en alleen een voorschot te verstrekken als redelijkerwijs te voorzien is dat een uitkering wordt toegekend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorschotverlening bij lopende uitkering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het uitgangspunt is geen voorschotten te verstrekken op een lopende uitkering. Hierbij kan alleen een uitzondering worden gemaakt ingeval van herstel van een opgeschorte uitkering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezien kan worden of de in de wet vastgelegde maatregelen (budgettering en weekbetalingen op grond van art. 57 sub a WWB) geen uitkomst bieden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorschot op het opgebouwde vakantiegeld is alleen mogelijk als het gaat om acute schuldhulpverlening en/of acute noodsituatie in de persoonlijke levenssfeer. LET OP: DIT KAN NIET ALS ER BESLAG IS GELEGD OP DE UITKERING. IN DAT GEVAL GAAT HET VAKANTIEGELD NAAR DE BESLAGLEGGER.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op langdurigheidtoeslag wordt geen voorschot gegeven Op Bijzondere bijstand wordt alleen een voorschot gegeven als de noodzaak is vastgesteld en betaling aantoonbaar spoedeisend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kas voorschot Bij voorkeur wordt een voorschot per bank/giro overgemaakt. Als het nodig is om een kasbetaling te verstrekken geldt in Albrandswaard de onderstaande procedure maximaal tot € 100,00 en eventueel restant als bankvoorschot; cliënt overlegt een geldig legitimatiebewijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">Kasvoorschot wordt door een medewerker van de publieksbalie verstrekt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een voorschot kan alleen schriftelijk of op afspraak bij de consulent (tweede lijnsgeneralist inkomen) worden ingediend. Aanvragen worden niet via of door de publieksbalie in behandeling genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Ridderkerk kan een kasvoorschot via het Postkantoor worden verstrekt. (Artikel 52 WWB verstrekken voorschot, artikel 58 lid 1 onder d WWB en beleidsregels terugvordering voorschot, artikel 81 WWB geen bezwaar mogelijk, maar gedeputeerde staten kan college dwingen voorschot te verstrekken) Zelfstandigen (Bbz 2004) en de WWB uitkering Voorbereidingsjaar Een combinatie van een WWB en Bbz uitkering is niet mogelijk. Hierop is alleen een uitzondering mogelijk als er sprake is van een voorbereidingsjaar. In artikel 7 van de Invoeringswet WWB wordt het voorbereidingsjaar als mogelijkheid genoemd. Indien de toekomstige zelfstandige hiervoor in aanmerking komt kan er voor dit jaar ontheffing van de arbeidsplicht worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) artikel 2 lid 3 kan bijstandsverlening aan een persoon die algemene bijstand ontvangt, die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stelt voor arbeid in dienstbetrekking gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden worden voortgezet. De belanghebbende is verplicht mee te werken aan begeleiding door een door het college aangewezen derde. Betrokkene mag nog niet daadwerkelijk gestart zijn met het bedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 29 Bbz 2004 kan in dat geval bijstand worden verleend tot een maximum (zie voor de actuele bedragen de wettekst ) in de “met de voorbereiding samenhangende kosten” (bijvoorbeeld voor een computer). Ook deze kosten zijn 90% declarabel bij het ministerie. De bijstand wordt in eerste instantie in de vorm van een renteloze lening verstrekt die kan worden omgezet in een uitkering om niet of in een rentedragende lening. Voor verdere voorwaarden zie de wettekst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van Artikel 48, lid1 sub a, Bbz 2004 worden de kosten van het levensonderhoud inclusief wettelijke premies en belasting, gedurende het voorbereidingsjaar, voor 75% vergoed door het Ministerie. De kosten van begeleiding worden (op grond van Bbz 2004 artikel 56) voor 90% vergoed door het ministerie. Onder begeleiding wordt verstaan de individuele, planmatige en activerende ondersteuning van klanten gericht op het verkrijgen van een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klant die in aanmerking wil komen voor het voorbereidingsjaar en begeleiding wordt doorverwezen naar het IMK intermediair afdeling Support. Alvorens er wordt ingestemd met het voorbereidingsjaar wordt er een “plaatsingsbeoordeling” gemaakt door het IMK intermediair afdeling Begeleiding, om te bezien of er een reële kans van slagen is als zelfstandige en er een zekere kans op een vervolgaanvraag op grond van de Bbz aanwezig is. Deze kosten worden uit het reïntegratiebudget bekostigd. Het IMK verstrekt een “begroting” met de te verwachten “individuele scholingskosten” in het voorbereidingsjaar. Deze kosten worden uit het reïntegratiebudget betaald. Ook de “individuele begeleiding” wordt bij het IMK intermediair afdeling Begeleiding ingekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verlenen van toestemming voor het voorbereidingsjaar is de startdatum van belang omdat tijdens deze periode de uitkering voor het “levensonderhoud” voor 75% wordt vergoed door het Ministerie op grond van artikel 48, lid1 sub a, Bbz 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedurende het voorbereidingsjaar wordt er ontheffing verleend van de arbeidsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de klant manager wordt verwacht dat er een inschatting wordt gemaakt van de kansen op uitstroom via een loondienstovereenkomst of als zelfstandige. Is er voldoende uitstroomperspectief dan kan arbeid als zelfstandige als algemeen geaccepteerde arbeid worden gekwalificeerd. De hierboven genoemde “plaatsingsbeoordeling” geeft hiervoor een handvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De meest reële optie is afhankelijk van de individuele situatie van de klant waarbij snelle duurzame uitstroom en het beheersen van de kosten van belang is. In dit kader is het van belang de te verwachten wijziging van de wetgeving in het oog te houden. Daar de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorbereidingsjaar voor 75% door het Ministerie wordt vergoed is van belang dat deze vorm van uitstroom wordt overwogen bij het vaststellen van het uitstroomtraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Marginaal zelfstandigen Om als zelfstandige te worden aangemerkt moet worden voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in het “besluit bijstandsverlening zelfstandige 2004”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zelfstandige is de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die: voldoet aan de wettelijke vereisten; voldoet aan het urencriterium genoemd in art. 3.6 van de Wet op de Inkomstenbelasting (1225 uren per kalenderjaar); de volledige zeggenschap heeft en de financiële risico’s draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een persoon niet aan bovenstaande criteria voldoet maar toch op bescheiden schaal activiteiten ontplooit als zelfstandige kan deze persoon als marginaal zelfstandige worden gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zal een afweging moeten worden gemaakt of de persoon met begeleiding en wellicht gebruik makend van de mogelijkheden via de préstart zijn inkomen als zelfstandige zou kunnen verwerven. Is het mogelijk om er een levensvatbaar bedrijf van te maken zowel nu als in de toekomst. Ook moet de afweging worden gemaakt of de persoon de arbeidsverplichtingen heeft en in hoeverre zijn activiteiten als zelfstandige dit bevordert of in de weg staat. Soms zijn de activiteiten opgenomen in een uitstroomtraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient altijd toestemming te worden gevraagd voor het verrichten van bovengenoemde activiteiten omdat er moet worden beoordeeld of er sprake is van “bescheiden schaal”, er voorwaarden moeten worden gesteld en er afgesproken moet worden hoe de verdiensten worden vastgesteld en verrekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorgbehoefte Op grond van artikel 3 lid 2 onder a van de WWB is er geen sprake van een gezamenlijke huishouding bij bloedverwanten in de tweede graad, als er sprake is van een zorgbehoefte. Betrokkene is niet meer in staat vanwege ziekte of stoornis (lichamelijk, verstandelijk of psychisch) een eigen huishouding te voeren en is daarbij aangewezen op intensieve zorg van anderen. Om vast te stellen of er sprake is van een zorgbehoefte moet er een medisch advies worden opgevraagd. Het doel is om te bezien of betrokkene in principe in aanmerking zou kunnen komen voor opname in een verzorgingstehuis of AWBZ inrichting (verpleeghuis, gezinsvervangend tehuis of psychiatrische inrichting). Betrokkene wordt echter om hem moverende redenen thuis verzorgd of staat op een wachtlijst. Als er een aantoonbare zorgbehoefte bestaat is er geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Wel kan betrokkene op de optie van een PGB gewezen worden. Mogelijk kan de “verzorger” uit de bijstand uitstromen als de “verzorgde” een PGB aanvraagt, waarmee voor de zorg betaald kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJZONDERE BIJSTAND Uitgangspunten Geheel in de geest van de Wet werk en bijstand (WWB) gaat het gemeentelijk beleid uit van de primaire verantwoordelijkheid van de burger voor het eigen bestaan. Bijstand wordt slechts dan verstrekt als de noodzaak daartoe is vastgesteld. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten dienen aantoonbaar te zijn en zich concreet voor te doen, De kosten dienen in het individuele geval noodzakelijk en dus onvermijdelijk te zijn. Indien er sprake is van een voorliggende voorziening worden de kosten als niet noodzakelijk aangemerkt De kosten moeten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Hier kan bezien worden of reservering mogelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het drempelbedrag bedraagt € 50,00 per aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de inkomsten van de aanvrager de geldende bijstandsnorm te boven gaan is bijstand slechts mogelijk indien de draagkracht de kosten van de gevraagde voorziening niet overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijdrage die klanten zelf dienen te betalen (draagkracht) wordt verhoudingsgewijs hoger als het inkomen stijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voor bijzondere kosten een beroep op het werkdeel van de WWB kan worden gedaan, dan wordt er geen bijzondere bijstand verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente maakt gebruik van de bevoegdheid om tot terugvordering over te gaan van bijzondere bijstand die als lening is verstrekt. (Artikel 15 WWB voorliggende voorziening, artikel16 WWB dringende reden, artikel 48 WWB geldlening en borgtocht, 51 WWB duurzame gebruiksgoederen, artikel 58 WWB terugvordering) Bijzondere bijstand als lening Ingevolge artikel 48 WWB wordt bijstand in principe om niet verstrekt. In een aantal gevallen heeft de gemeente er overeenkomstig artikel 48 lid 2 WWB voor gekozen een lening te verstrekken:</p>\n<p class=\"lf-p\">Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken De noodzaak tot bijstandsverlening is een gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft een aanvraag i.v.m. een te betalen waarborgsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft bijstand ter aflossing van een schuldenlast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 51</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">WWBlaat de gemeenten de keuze bijzondere bijstand voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen om niet dan wel in de vorm van leenbijstand te verstrekken. In deze gemeente is er voor gekozen bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in de vorm van een geldlening aan belanghebbenden te verstrekken. Reden om te kiezen voor verstrekking in de vorm van een renteloze lening is dat het uitgangspunt in de bijstandswet is dat de periodieke bijstandsuitkering voldoende dekkend is voor de noodzakelijke kosten van het bestaan en ook voldoende mogelijkheid biedt tot reserveren voor duurzame gebruiksgoederen Wanneer belanghebbenden niet in staat zijn geweest te reserveren wordt middels het verstrekken van een lening gekozen voor een soort reserveringssysteem maar dan achteraf. Immers ook op deze manier worden de duurzame gebruiksgoederen uit eigen middelen voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Drempelbedrag Teneinde te voorkomen dat klanten diverse malen per jaar met aanvragen betreffende zeer lage kosten komen hanteert de gemeente een drempelbedrag van € 50,00. Aanvragen onder de € 50,00 worden afgewezen. Klanten doen er dus verstandig aan hun “kleine” aanvragen op te sparen en pas in te dienen indien de aanvraag het drempelbedrag overschrijdt. Bij een noodzakelijke bijstandsaanvraag van € 50,00 of hoger wordt het volledige bedrag vergoed. De drempel wordt dus niet in mindering gebracht. De opgespaarde kosten van een kalenderjaar kunnen tot uiterlijk 1 april van het jaar erna worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Draagkracht Bijzondere bijstand kan worden verstrekt, ook indien het eigen inkomen de bijstandsnorm te boven gaat. De inkomstenbron is daarbij niet van belang. In het geval de eigen inkomsten de gestelde inkomensgrens overschrijden zal steeds een deel van de inkomsten voor eigen rekening komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel van de inkomsten kan de langdurigheidstoeslag zijn. Deze toeslag wordt niet meegenomen bij de draagkrachtvaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een netto inkomen dat niet hoger is dan de bijstandsnorm verhoogd met een netto bedrag per maand gelijk aan het maximum van de inkomensvrijlating, genoemd in artikel 31 lid 2 onder o WWB wordt de draagkracht op nihil gesteld en komt betrokkene voor 100% in aanmerking voor bijzondere bijstand mits de noodzaak vast komt te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen onderscheid gemaakt in de aard van de aangevraagde bijzondere kosten. Bij het bepalen van de grens wordt niet eerst rekening gehouden met de pensioenvrijlating (art. 33 lid 5 WWB). Met de pensioenvrijlating wordt pas rekening gehouden als het inkomen bovengenoemde ruime grens overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dat deel van de inkomsten dat op grond van art. 35 lid 1 WWB en het bovenstaande niet wordt vrijgelaten, wordt de draagkracht als volgt vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">20% van de vastgestelde ruimte dat een bedrag van € 900,00 per jaar niet overschrijdt;</p>\n<p class=\"lf-p\">40% van de vastgestelde ruimte dat hoger is dan het onder a. genoemde bedrag doch een bedrag van € 1.800,00 per jaar niet overschrijdt; c.50% van de vastgestelde ruimte dat de onder a. en b. genoemde bedragen overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De draagkracht wordt gesteld op 100% van de vastgestelde ruimte bij bijstandsverlening in: -de woonkostentoeslag voor degenen die niet of nog niet in aanmerking komen voor huurtoeslag; -de aanvullende uitkering bijzondere bijstand voor jongeren van 18 tot 21 jaar;</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene bestaanskosten welke in mindering kunnen worden gebracht op de draagkracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het bepalen van de draagkrachtruimte op grond van individuele omstandigheden dient rekening gehouden te worden met noodzakelijke kosten zoals: betaalde alimentatie, buitengewone verwervingskosten, onderhoudsbijdrage Wet studiefinanciering, belastingaanslag en eigen bijdrage AWBZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Draagkrachtperiode De draagkracht wordt in beginsel over een periode van één jaar genomen, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is gedaan. Bij maandelijks terugkerende kosten wordt de draagkracht gerelateerd aan die periode (wordt 4 maanden bijstand verleend, dan wordt ook de draagkracht over die 4 maanden genomen). Indien er gedurende het jaar een inkomenswijziging plaats vindt en betrokkene doet opnieuw een aanvraag dan dient de draagkracht opnieuw te worden vastgesteld voor deze nieuwe aanvraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vermogen Het vermogen, dat het ingevolge vrijgelaten vermogen te boven gaat, wordt ten volle als draagkracht aangemerkt. Bij een eigen huis dient rekening te worden gehouden met de extra vrijlatingbepaling genoemd in art 34 lid 2 onder d WWB. De vermogensvrijlatingen voor de algemene bijstand en de bijzondere bijstand zijn gelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De draagkracht over het meerdere boven het vrij te laten vermogen blijft 100% mee tellen. Dit geldt ook als betrokkene een te hoog vrij te laten vermogen heeft doordat wordt gespaard van de uitkering of andere inkomsten. (artikel art. 34 lid 2 en 3) Vermogen met een andere, gerichte bestemming Van het vermogen kan niet meer worden vrijgelaten dan de vermogensgrens. Uitzonderingen hierop zijn bezittingen in natura die algemeen gebruikelijk zijn en de voor de uitoefening van bedrijf of beroep noodzakelijke vermogen (inclusief woning) voor een zelfstandige. Het is echter denkbaar dat een vermogen een gerichte bestemming heeft.Een veel voorkomend voorbeeld hiervan is een polis van een begrafenisverzekering of een deposito bij een begrafenisonderneming of een bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vermogen met een gerichte bestemming kan buiten beschouwing gelaten worden, mits voldoende zekerheid bestaat dat dit vermogen ten volle voor die bestemming zal worden aangewend. Bij een deposito bij een bank zal er derhalve een clausule opgenomen moeten zijn dat bij leven dit vermogen niet opgenomen kan worden. (Artikel 34 lid 2, vermogen in natura, artikel 7 Bbz 2004 vermogen zelfstandige) Begrafenis en crematiekosten De noodzakelijke lijkbezorgingkosten behoren tot die van de directe nabestaanden - echtgenoot(o)t(e) en/of kinderen - en wel ieder voor een evenredig deel. Indien er onvoldoende middelen zijn dan kan er bijzondere bijstand worden aangevraagd door de nabestaande, die niet over voldoende draagkracht beschikt om zijn/haar deel van de kosten te betalen . De maximale vergoeding bedraagt € 3.500,00. (Artikel 15, lid 1 en artikel 35 WWB ,Jurisprudentie: begrafeniskosten, CRvB 19 december 2000, nr. 99/4039 NABW, JABW 2001/14) Bewindvoering Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering, als deze kosten worden gemaakt in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Er is in dat geval sprake van een voorliggende voorziening, namelijk het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering. De kosten van de bewindvoerder worden uit de boedel betaald van degene die wegens zijn schulden tot de WSNP is toegelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat wel recht op bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering indien de goederen van een meerderjarige door de Kantonrechter onder bewind zijn gesteld én de kosten van bewindvoering door de Kantonrechter afwijkend van de hoofdregel zijn vastgesteld. De hoofdregel zegt dat de kosten 5% van de netto opbrengst van de onder bewind staande goederen beslaat. Degene die onder bewind staat moet zelf de kosten betalen. Echter een WWB uitkering wordt niet gerekend tot de onder bewind staande goederen. De bewindvoerder heeft dan op grond van de hoofdregel geen recht op een vergoeding, omdat er eigenlijk geen goederen zijn om een bijdrage uit te betalen. Als de kantonrechter echter afwijkend beslist is er sprake van bijzondere kosten van het bestaan waarvoor bijzondere bijstand mogelijk is. De kantonrechter stelt de hoogte van de vergoeding vast. Dit betreft over het algemeen een eenmalige vergoeding voor de intake en een maandelijkse vergoeding voor de kosten. Bij een aanvraag voor bijzondere bijstand moet dan ook het vonnis van de kantonrechter als bewijsstuk worden overlegd. Verder gelden de gemeentelijke draagkrachtregels. De vergoeding wordt pas uitbetaald als de bewindvoerder heeft aangetoond, dat hij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt. Deze regels gelden ook als iemand onder curatele is gesteld. (BW1: 447, eerste lid, van het Burgerlijk wetboek) Duurzame gebruiksgoederen en Verhuis- en inrichtingskosten Voorliggende voorziening De aanschaf, vervanging of reparatie van gebruiksgoederen met een duurzaam karakter en de kosten van verhuizing en inrichting behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Indien men tenminste beschikt over een inkomen op het niveau van het sociaal minimum, wordt in principe voldoende ruimte in het inkomen aanwezig geacht om hiervoor te reserveren. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden wordt bijzondere bijstand verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alvorens leenbijstand kan worden verstrekt, dient vast te staan dat de belanghebbende de benodigde geldlening niet kan verkrijgen via de Gemeentelijke Kredietbank. Dit is een voorliggende voorziening op grond van artikel 15, lid 1 WWB. De beide gemeenten hebbent een contract afgesloten bij de GKB Rotterdam. Op grond hiervan kan een inwoner van Albrandswaard of Ridderkerk in aanmerking komen voor een sociaal krediet tegen gunstige voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Elementaire gebruiksgoederen De elementaire “noodzakelijke” gebruiksgoederen zijn als volgt vastgesteld en zullen hieronder worden genoemd als goederen uit de “lijst”;</p>\n<p class=\"lf-p\">Goederen Apparaten Bedden (ook senioren bed) Wasmachine Fornuis Eethoek Koelkast Stofzuiger Bankstel Televisie De betekenis van deze lijst is als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De hierboven genoemde goederen worden als noodzakelijk gezien in een huishouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat als vervanging of reparatie van deze goederen nodig is er ook een mogelijkheid moet zijn onder voorwaarde dat dit op een verantwoorde wijze zal geschieden volgens bijstandsnormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geeft aan dat een ieder wel een eigen verantwoordelijkheid heeft om te reserveren voor deze goederen, ook vanuit een minimum inkomen. Daarnaast biedt de bijzondere bijstand een minimale passende oplossing waar geen plaats is voor “luxe”. Dit resulteert in de hieronder genoemde werkwijze waarbij de basisregels van de bijzondere bijstand zijn gehanteerd zoals de wetgever het heeft bedoeld. Deze regels bieden aan een persoon met een minimum inkomen de mogelijkheid om bovengenoemde goederen te vervangen of te repareren hetzij via een lening hetzij via bijstand om niet. Naast bovengenoemde goederen zijn er ook andere zaken waarvoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, echter van deze zaken zal de noodzaak van de aanschaf of vervanging of reparatie nader moeten worden aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Betreffende de elementaire gebruiksgoederen is het uitgangspunt dat ook bijstand om niet verstrekt kan worden als de situatie als volgt is; §er is geen reservering in het verleden en geen ruimte om af te lossen in de toekomst (36 maanden) hierbij is het wel de bedoeling om kritisch te kijken hoe lang de huidige aflossing nog loopt, wellicht is er nog wel een periode aflossing mogelijk binnen de 36 maanden. Ook moet worden gekeken dat een lopende lening niet snel wordt verhoogd zoals door inkopen bij postorderbedrijven etc. §het is niet verantwoord om een nieuwe lening aan te gaan (WSNP) Richtlijnen duurzame gebruiksgoederen Als de aanschaf noodzakelijk is en betrokkene kan geen lening krijgen bij de GKB dan wordt bijzondere bijstand als lening verstrekt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als betrokkene actief meewerkt aan een schuldsanering, de kosten noodzakelijk zijn en uitstel van de aflossingsverplichting niet mogelijk is, dan kan de bijstand om niet worden verstrekt. Dit om te voorkomen dat een instantie beslag op door de gemeente verstrekte bijzondere bijstand legt. Het gaat hier alleen om bijzondere bijstand voor elementaire gebruiksgoederen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een herhaalde aanvraag voor bijzondere bijstand wordt toegekend als de normale levensduur is verstreken. De richtlijnen van het NIBUD worden als richtsnoer gebruikt voor het bepalen van de levensduur van een gebruiksgoed;</p>\n<p class=\"lf-p\">De prijsindexering volgt de richtlijnen van het NIBUD.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijnen Verhuis- en (weder) inrichtingskosten Kosten in verband met verhuizing en woning- resp. kamerinrichting, behoren naar hun aard in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dienen daarom uit het periodiek te besteden inkomen (loon, bijstand of een andere uitkering) te worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geldt ook, ingeval er sprake is van een op medische of sociale indicatie plotselinge verhuizing. Was de verhuizing voorzienbaar, dan dient de bijstand te worden afgestemd op de mate waarin de cliënt zelf voor de desbetreffende noodzakelijk geachte kosten heeft kunnen reserveren. Ook de voorliggende voorziening bij de WMO dient te worden onderzocht als er medische redenen zijn om te verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reservering Het bedrag dat cliënt, objectief bezien, had kunnen reserveren voor een te voorziene verhuizing, komt in mindering op het bedrag waarvoor (leen)bijstand toegekend kan worden. Voor de vaststelling van het geobjectiveerde reserveringsbedrag wordt de volgende formule aangehouden: a x b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aantal maanden liggende tussen tijdstip van voornemen tot verhuizing (bijv. inschrijving als woningzoekende of voor opneming in een bejaardenoord) en de feitelijke verhuizing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aflossingsnorm (6%) van de uitkering en/of andere inkomsten per maand.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het beginsel is hierbij niet van belang of betrokkene ook daadwerkelijk voor kosten betreffende de aanstaande verhuizing heeft gereserveerd. In uitzonderingssituaties zou, ondanks de bestaand hebbende mogelijkheid tot reservering, echter toch tot toekenning van de leenbijstand tot het totale (noodzakelijk geachte) bedrag kunnen worden overgegaan, mits dan het periodieke aflossingsbedrag hoger wordt bepaald dan de geldende norm en/of de aflossingstermijn op een langere periode wordt vastgesteld dan 36 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Causale relatie Voor bijstandsverlening komen slechts in aanmerking die kosten, die direct betrekking hebben op de uit de verhuizing voortvloeiende voorzieningen of, anders gezegd, die direct met de verhuizing samenhangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van verf en behang en transport De bijzondere bijstand met betrekking tot verbruiksgoederen als verf, behang, rails en dergelijke wordt om niet verstrekt. Kosten van overbrenging van huisraad en dergelijke van de vorige woning naar de toegewezen woning kunnen om niet worden verstrekt. Zo mogelijk wordt hierbij zelf verhuisd door middel van een busje, dat gehuurd wordt. In principe wordt dan de huur van 1 dag bushuur vergoedt op vertoon van de nota. De totale kosten van verf, behang en transport zijn tot maximaal € 300,00 als noodzakelijk te beschouwen. Als betrokkene verhuist naar een andere gemeente worden de verhuiskosten vergoed, als de verhuizing noodzakelijk is. Als betrokkene naar deze gemeente verhuist, dient betrokkene in de gemeente van vertrek een aanvraag in te dienen. Het omgekeerde is van toepassing bij inrichtingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dubbele huur In de “dubbele huur” (overlapping van de “oude” huur met de “nieuwe” huur) kan, indien onvermijdelijk bijstand om niet worden verleend. Getracht moet worden de dubbele huur zo laag mogelijk te houden, bijvoorbeeld door naar een opzegtermijn van 2 tot 4 weken te streven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezinshereniging bij buitenlandse werknemers In de kosten van woninginrichting veroorzaakt door gezinshereniging kan, als zijnde in voldoende mate voorzienbare kosten, in het algemeen geen bijstand worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Statushouders De vluchtelingen die een status krijgen en in een door de gemeente gehuurde en ingerichte woning wonen, hebben meestal de mogelijkheid om de aanwezige goederen, die eigendom zijn van de gemeente, over te nemen voor een redelijke prijs. Voor de overige goederen die moeten worden aangeschaft is leenbijstand mogelijk. Uitgangspunt is dat reservering niet mogelijk was tijdens de status van vluchteling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aflossing Leenbijstand Voor bijzondere bijstand die als lening is verstrekt, wordt geen rente gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale lening kan na de periode van 3 jaar om niet verstrekt worden indien:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inkomen 3 jaar lang niet hoger dan bijstandsniveau is geweest;</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangebbende geen nalatigheid is te verwijten ten opzichte van inschakeling naar de arbeidsmarkt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De belanghebbende zonder onderbreking 3 jaar heeft afgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Boedelscheiding Blijkt (bijvoorbeeld uit het echtscheidingsconvenant) dat over de meeste noodzakelijk te achten goederen (of over de tegenwaarde in geld) kan worden beschikt, dan worden de ontbrekende noodzakelijke goederen volgens de richtprijzen door middel van bijstandsverlening aangevuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingeval blijkt, dat aan belanghebbende een in verhouding groot deel van de niet-noodzakelijke goederen is of wordt toegewezen (bijv. video, auto en luxe goederen), kennelijk in plaats van andere noodzakelijke goederen, dan blijft de aanvulling door middel van bijstandsverlening geheel of gedeeltelijk achterwege al naar gelang van de mate waarin deze goederen zijn toebedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Acht dient te worden geslagen op de mogelijkheden van overname van de vorige bewoner van geschikte vloerbedekking, gordijnen, vitrage e.d. Indien door scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap over de helft van de aangevraagde noodzakelijke voorzieningen - op geld gewaardeerd - kan worden beschikt, is beperking van de bijstand tot de helft van de kosten gerechtvaardigd. Overigens dient in het algemeen acht te worden geslagen op de stand van zaken en de (te verwachten) ontwikkelingen omtrent de boedelscheiding en -deling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorkruising van de eigen verantwoordelijkheid op dit punt, waardoor aanspraken op de boedel niet meer ten volle geldend worden gemaakt, moet worden voorkomen. Het stellen van voorwaarde ter zake, alsmede het in samenhang daarmede eventueel afstemmen van omvang en duur van de aflossing van leenbijstand op het betoonde besef van verantwoordelijkheid, zijn dan te hanteren middelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het ter aflossing van leenbijstand inbrengen van uit de boedelverdeling verkregen gelden, die een compensatie vormen van niet ontvangen noodzakelijke goederen, moet in voorkomende gevallen worden geëist en kan als verplichting worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste inrichting De zorg voor een zogenoemde eerste woninginrichting door jonggehuwden of door alleenstaanden, moet gerekend worden tot de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Betrokkene kan voorzien dat deze kosten zullen ontstaan en dient dan ook hiervoor te reserveren. Slechts in bijzondere situaties is bijstandsverlening aangewezen. Dit is bijvoorbeeld het geval als een jongere uit huis wordt gezet. Een onderbouwing van de aanvraag door een hulpverlenende instantie is nodig. Als de noodsituatie betrokkene aan te rekenen is, kan bijvoorbeeld aflossing van de totaal toegekende leenbijstand worden verlangd (zich veelal uitstrekkend over meer dan drie jaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de verhuizing en inrichting van een verzorgingsflat c.q. aanleunwoning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanzelfsprekend is het mogelijk om van deze bedragen gemotiveerd af te wijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kan een afwijking noodzakelijk zijn indien de werkelijke kosten (aanzienlijk) lager zijn dan het in de prijslijst genoemde bedrag. Ook kan een afwijking (verstrekking hoger bedrag) aan de orde zijn. Dit kan aan de orde komen indien de werkelijke kosten aanzienlijk hoger zijn dan de genormeerde bedragen. Hierbij is het van belang waarom in die specifieke situatie de bijstandsverlening van een hoger bedrag noodzakelijk is. Er dienen dus individuele omstandigheden te zijn die een afwijking rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Koelkast € 292,00 Fornuis € 295,00 Wasmachine € 424,00 Stofzuiger € 81,00 Televisie € 350,00 bankstel € 850 wasdroger € 230 eettafel € 140 Per eetstoel (4x per leefeenheid, meer afhankelijk van gezinsgrootte * € 40 1 pers. ledikant € 165 2 pers. ledikant € 385 1 pers. lattenbodem € 70 2 pers. Lattenbodem € 130 1 pers. matras € 115 2 pers. matras € 155 seniorenledikant (incl. spiraal of bodem) € 265 volledige woninginrichting bedrag 1 persoon kamerbewoner stoffering € 375 inrichting € 1.725 1 persoon stoffering € 840 inrichting € 2.625 2 personen echtpaar stoffering € 840 inrichting € 2.925 2 personen geen echtpaar (ouder en kind) stoffering € 1.210 inrichting € 2.925 3 personen echtpaar stoffering € 1.210 inrichting € 3.225 3 personen geen echtpaar (ouder en kinderen) stoffering € 1.585 inrichting € 3.225 4 personen stoffering € 1.585 inrichting € 3.520 5 personen stoffering € 1.965 inrichting € 3.825 6 personen stoffering € 2225 inrichting € 4120 per persoon extra stoffering € 265 inrichting € 305 opknapkosten maximaal € 300 babyuitzet maximaal € 300 * Binnen het maximale bedrag voor een eetkamertafel en stoelen. kan een gezin schuiven met het aantal stoelen. (Artikel 35 en 51 WWBJurisprudentie: verhuiskosten, CRvB 25 april 2000, nrs 98/5174 NABW en 98/5175 NABW, JABW 2000/109) Kleding en slijtagekosten De kosten voor kleding behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, waarvoor uit de bijstandsnorm gereserveerd dient te worden. In bijzondere gevallen kan een vergoeding nodig zijn als er sprake is van meer dan normale slijtage van kleding als gevolg van een ziekte of aandoening. Er wordt een medisch advies opgevraagd om de noodzaak en de hoogte van de kosten te bepalen. Het medisch advies wordt bij een chronische aandoening elke drie jaar herhaald. Ook kan het nodig zijn dat er acuut nieuwe kleding gekocht moet worden als betrokkene op medisch advies in korte tijd zeer sterk is afgevallen. Als de situatie voldoende duidelijk is, hoeft geen medisch advies te worden opgevraagd. Er kan éénmalig een kledingpakket verstrekt worden ad € 350,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Legeskosten De kosten voor de aanschaf/vernieuwing van een identiteitsbewijs behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de bijstandsnorm voorziet. Bijzondere bijstand is niet mogelijk. De (leges)kosten van naturalisatie worden niet aangemerkt als noodzakelijke kosten, aangezien het betrokkene vrij staat zich wel of niet te naturaliseren. Bijzondere bijstand voor de (leges)kosten voor de eerste aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning is niet mogelijk op grond van het feit dat betrokkene nog niet over een geldig identiteitsbewijs beschikt. Bijstand is dan onmogelijk op grond van het territorialiteitsbeginsel. Legeskosten voor de eerste aanvraag in het kader van gezinshereniging of verlenging van een verblijfsvergunning behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke kosten betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen. De kosten zijn te voorzienbaar en er kan voor gereserveerd worden. Een lening bij het GKB is een voorliggende voorziening. De afwezigheid van de mogelijkheid om voor deze kosten te reserveren of een lening af te sluiten, kunnen wel een bijzondere omstandigheid vormen om bijzondere bijstand te verstrekken. Dit kan alleen in zeer bijzondere gevallen onder aftrek van de legeskosten voor een Nederlands identiteitsbewijs. In erg schrijnende gevallen kan een beroep worden gedaan op het Noodfonds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouderbijdrage LBIO Wordt een kind buiten het gezin verzorgd dan moeten de ouders een bijdrage betalen in de kosten van de hulpverlening. Deze bijdrage wordt hier aangeduid als ‘ouderbijdrage’. Het vaststellen en innen van de ouderbijdragen gebeurt door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) Bij het vaststellen van de bedragen is er rekening mee gehouden, dat er naast de ouderbijdrage ook nog andere kosten voor het kind gemaakt worden (bijvoorbeeld bezoekkosten, schoolgeld, verzekeringen en verblijfkosten in het weekend of tijdens vakanties).</p>\n<p class=\"lf-p\">In het algemeen kan gesteld worden dat de eigen bijdrage LBIO bij residentiële hulpverlening uit een voorliggende voorziening namelijk de “kinderbijslag” betaald kan worden. Bijzondere bijstand is dan niet mogelijk. Bij semi-residentiële opvang is er wel sprake van bijzondere noodzakelijke kosten die via de bijzondere bijstand vergoed kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overbruggingsbijstand Overbruggingsbijstand alleenstaande ouders (garantietoeslag) De gemeente heeft er voor gekozen aan alleenstaande ouders waarvan het jongste kind 18 jaar wordt bijzondere bijstand om niet in de vorm van een (tijdelijke) toeslag te verstrekken, de garantietoeslag, teneinde te voorkomen dat er een te plotselinge daling van het inkomen zal plaatsvinden. Indien het kind deel blijft uitmaken van het gezin, kan er bijzondere bijstand worden toegekend, indien de som van de inkomens van die alleenstaande en dat kind lager is dan het bijstandsbedrag dat voor een echtpaar in overeenkomstige omstandigheden zou gelden. De hoogte van de garantietoeslag bedraagt het verschil tussen norm gezin en de totale inkomsten. De garantietoeslag wordt toegekend voor de periode van maximaal een jaar en stapsgewijs afgebouwd. De afbouwregeling is vanaf datum toekenning als volgt: 1e kwartaal 100%, 2e kwartaal 75%, 3e kwartaal 50% en 4e kwartaal 25%. Eerdere beëindiging vindt plaats als het kind binnen het jaar niet meer bij de ouder inwoont of het inwonende kind binnen een jaar inkomsten heeft die samen met de alleenstaande norm van de moeder gelijk of hoger zijn dan de gezinsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Norm gezin: € 1.246,19 inclusief vt Norm alleenstaande + 20% € 872,34 inclusief vt af Studiefinanciering € 294,50 af Garantietoeslag € 79,35 per maand in maand 1, 2 en 3 € 59,51 per maand in maand 4, 5 en 6 € 39,68 per maand in maand 7, 8 en 9 € 19,84 per maand in maand 10,11 en 12 Als het kind naast de studiefinanciering inkomsten heeft die hoger zijn dan € 79,35 per maand inclusief vt dan heeft betrokkene geen recht op een garantietoeslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overbruggingsbijstand door wijziging inkomen Ten gevolge van de overgang van een ander inkomen naar WWB of een plotselinge daling van inkomsten kan het in bepaalde gevallen uitkomst bieden een overbruggingstoeslag toe te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een overbruggingstoeslag is een middel om een periode van wijziging van inkomens ontvangst te overbruggen. In praktijk wordt dit ook wel opgelost middels een voorschot. Indien de noodzaak hiervoor is vastgesteld kan gekozen worden voor een overbruggingstoeslag. Deze toeslag wordt toegekend in de vorm van een lening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van ROA naar WWB De ROA uitkering wordt in de vorm van zak- en kleedgeld verstrekt en vooraf betaald. Indien er na de ROA uitkering recht ontstaat op een WWB uitkering dient er een periode overbrugd te worden. Om deze periode van zak- en kleedgeld tot de eerste WWB uitkering te kunnen overbruggen wordt een overbruggingsuitkering verstrekt van maximaal vijf weken. (De ROA uitkering wordt vooraf uitbetaald op de eerste van de maand, de WWB uitkering wordt achteraf betaald op de 8e van elke maand).</p>\n<p class=\"lf-p\">De overbruggingsbijstand wordt als lening verstrekt. Reeds vanaf aanvang van de uitkering dient te worden terugbetaald middels maandelijkse inhouding op uitkering. De aflossing verloopt volgens de van kracht zijnde terugvorderingregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten De eigen bijdrage en griffiekosten komen in beginsel in aanmerking voor bijstandsverlening. De eigen bijdrage wordt altijd vergoed indien aan de betrokkene door de gemeente schriftelijk is verzocht een proces te gaan voeren of zich hierin te verweren. De Wet op de rechtsbijstand (Wrb) moet worden beschouwd als een aan de bijstand voorliggende, toereikende en passende voorziening. De eigenbijdrage en de bijkomende kosten komen voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking ongeacht de aard van de gerechtelijke procedure of de rechtshulp. Betrokkene moet de toevoeging van de Raad voor de rechtsbijstand overleggen. Mocht betrokkene geen beroep hebben gedaan op deze voorliggende voorziening, dan kan een aanvraag worden afgewezen, tenzij er zeer bijzondere omstandigheden zijn waarom betrokkene geen beroep op de Wrb heeft gedaan. (Artikel 15 WWB voorliggende voorziening en 35 WWB bijzondere bijstand, Jurisprudentie: proceskosten, CRvB 30 maart 1999, nr. 97/5836, 97/5837, 97/5838 ABW) Reiskosten In principe behoren de reiskosten tot de algemene kosten van het bestaan. Voor reiskosten kan in principe geen bijzondere bijstand verstrekt worden. In de norm zit namelijk een bepaald bedrag voor “deelname maatschappelijk verkeer”. Als er is vastgesteld dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de reiskosten noodzakelijk zijn, dan kan er wel bijzondere bijstand worden verstrekt en worden alle kosten vergoed zonder aftrek van het bedrag dat in de norm is begrepen voor deelname maatschappelijk verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte vergoeding De vergoeding van de reiskosten wordt vastgesteld op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Als er een medische noodzaak is kan er gekozen worden voor een kilometervergoeding van eigen vervoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorliggende voorziening De mogelijke vergoeding via de ziektekostenverzekering wordt gezien als een passende voorliggende voorziening die toereikend is. Voor de eigen bijdrage is dan wel BB mogelijk. De WMO kan voor ouderen, chronisch zieken en gehandicapten een voorliggende voorziening zijn voor vervoer tot en met 5 zones vanaf het woonadres. Voor bovenregionaal vervoer kan er een beroep worden gedaan op Valys. Voor reiskosten in verband met een reïntegratietraject kan het WWB werkdeel een voorliggende voorziening zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reiskosten bezoeken gedetineerde Indien er evenwel sprake is van meer dan normale kosten dan is bijstandsverlening voor de totale reiskosten mogelijk. Het aantal te vergoeden reizen wordt afhankelijk van de situatie bezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindt de detentie in het buitenland plaats, dan is bijstandsverlening in verband met het bezoeken van de gedetineerde niet mogelijk (art. 11 WWB, territorialiteitsbeginsel). Reiskosten op Nederlands grondgebied kunnen bezien worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reiskosten door het volgen van methadonprogramma (verslaving) Als uit verificatie blijkt dat de klant een methadonprogramma volgt door een verslaving, kan er bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van een maandabonnement openbaar vervoer. Het bedrag in de norm voor deelname maatschappelijk verkeer wordt wel in mindering gebracht op de bijstand. Uitgangspunt is dat het maandabonnement ook gebruikt wordt voor de kosten van deelname maatschappelijk verkeer. Één keer per drie maanden dient, bij de hulpverleningsinstantie. te worden gecontroleerd of het programma nog wordt gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reiskosten naar familie in een inrichting Reiskosten naar familieleden in een inrichting behoren in principe tot de noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit de norm kunnen worden bestreden. Het is echter mogelijk dat de inrichting waarin het betreffende familielid verblijft, niet in de onmiddellijke omgeving van betrokkene is. Hierdoor kunnen de reiskosten zo hoog oplopen, dat er sprake is van bijzondere omstandigheden en dus bijzondere bijstand voor de reiskosten. Er is sprake van bijzondere omstandigheden als de kosten per maand hoger zijn dan het bedrag in de norm voor deelname maatschappelijk verkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reiskosten alternatieve straf Voor deze kosten wordt in principe geen bijzondere bijstand verstrekt. De klant is zelf verantwoordelijk voor de reiskosten, hiervoor gaat de klant akkoord bij het opleggen van de straf. (Artikel 15 WWB voorliggende voorziening en 35 WWB bijzondere bijstand, Jurisprudentie: reiskosten, CRvB 4 juli 2000, nr. 98/6119 NABW &lt;USZ&gt; 2000/219) Uitkeringen van 18 tot 21 jarigen Alleenstaanden van 18 tot 21 jaar De alleenstaande die inwonend is bij ouders of bij een ander krijgt in principe een lage wettelijke norm. De alleenstaande die zelfstandig woont kan een aanvulling krijgen op de lage uitkering tot maximaal de norm alleenstaande van 21 jaar en ouder, als er sprake is van een noodzaak om zelfstandig te wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een noodzaak is aanwezig als ; de klant “officieel” uit huis is geplaatst; de klant al 12 maanden zelfstandig woont; de ouders heeft in het buitenland wonen; de ouders zijn overleden; er is een ernstig verstoorde relatie met de ouders is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De alleenstaande die niet thuis woont, niet zelfstandig woont, maar elders inwoont krijgt in principe de lage wettelijke norm genoemd in artikel 20 WWB, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn.Er moet in de eerste plaats een noodzaak zijn om zelfstandig te wonen, zie hierboven voor de opsomming. Is er geen noodzaak dan wordt de lage wettelijke norm verstrekt. Is er wel een noodzaak en er zijn noodzakelijke meerkosten dan kan er d.m.v. maatwerk een aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt. De klant moet dan aangeven wat de “meerkosten” zijn, het moet dan gaan om “noodzakelijke” kosten die verband houden met het levensonderhoud. Een huisbezoek en gesprek met de hoofdbewoner/verzorger, of bij een verstoorde relatie, de ouders, is dan nodig om inzicht te krijgen in de situatie en om de verhalen van beide kanten aan te horen. Als er bijzondere bijstand wordt verstrekt dan wordt deze bijstand niet verhaald op de ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verblijf in een inrichting 18 tot 21 jarigen Deze categorie is uitgesloten van algemene bijstand. De bijzondere bijstand (indien de onderhoudsplicht van de ouders ontoereikend is c.q. niet geldend gemaakt kan worden) wordt individueel bepaald tot het maximum genoemd in artikel 23 WWB. Er wordt geen verhaal gepleegd op de ouders van jong meerderjarigen van 18 tot 21 jaar. Als er bijzondere bijstand aan de kindmoeder onder de 18 jaar wordt verstrekt kan er wel verhaal worden gepleegd op de ouders of eventueel de vader van het kind.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kindmoeders onder de 18 jaar Voor het kind kan bijzondere bijstand worden verstrekt op grond van de hardheidsclausule. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand bestaan 2 methoden. Er kan worden gekozen uit verstrekken van het verschil in bijstand tussen een alleenstaande ouder en een alleenstaande. Bij de tweede methode wordt de toe te kennen bijzondere bijstand vastgesteld met behulp van bepaalde vergoedingen voor pleeggezinnen. Deze bedragen staan in het sociaal info onder het kopje: “Bijdragen en Vergoedingen voorzieningen jeugdhulpverlening”. De kinderbijslag wordt als inkomsten in mindering gebracht. De voor de ouder meest gunstige methode is van toepassing. (Artikel 12 WWB bijzondere bijstand 18-21 jaringen, Artikel 13 WWB uitsluiting bijstand Circulaire ministerie SZW van 15-11-99, BZ/UK/99(3653): aan het kind van een ouder onder de 18 jaar kan in bepaalde gevallen bijstand worden verstrekt. Voor de moeder zelf bestaat er geen zelfstandig recht op bijstand. Jurisprudentie: CRvB 17 juni 1996 nr. 96/2367 ABW-VV) Ziektekosten Medische kosten kunnen bijzondere noodzakelijke kosten zijn waarvoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt geen bijzondere bijstand verleend: als betrokkene een beroep op een voorliggende voorziening, zoals de WMO AWBZ en de Zorgverzekeringswet kan doen. Voor alarmering wordt daarom geen Bijzondere bijstand verstrekt. Betrokkene kan voor medische alarmering een beroep op de Zvw doen en voor sociale alarmering op de WMO (via Opmaat of de Riederborgh).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als medische kosten zijn uitgesloten van vergoeding op grond van de Zvw of AWBZ (bijvoorbeeld de kosten van alternatieve geneeswijzen zoals acupunctuur en kosten van diverse farmaceutische middelen). Het feit dat deze soms toch worden vergoed op grond van een aanvullende of collectieve verzekering doet daar niets aan af. Als de kosten buiten het vergoedingenpakket van Zvw en AWBZ vallen, komen deze eigen bijdragen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, tenzij onder anders vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als kosten wel binnen het vergoedingenpakket van Zvw en AWBZ vallen, is er bijzondere bijstand mogelijk voor een eigen bijdrage. Dit geldt in ieder geval voor de eigen bijdrage voor de psycholoog en fysiotherapeut. Als betrokkene echter buiten de regels van het zorgverzekering zelf een regeling treft voor extra behandelingen of behandeling bij niet door het zorgverzekering erkende beroepsbeoefenaren start, worden de kosten niet vergoed. Alleen als uit een medisch advies blijkt dat er sprake is van een zeer bijzondere omstandigheden wordt hiervan afgeweken. Ook de eigen bijdrage voor het ziekenvervoer komt voor bijzondere bijstand in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de eigen bijdrage op grond van de Zvw of AWBZ kan er een eigen bijdrage gevraagd worden op grond van de WMO. Voor deze eigen bijdrage is geen bijzondere bijstand mogelijk met uitzondering van de inkomensonafhankelijke eigen bijdrage voor de Huishoudelijk Hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor onderstaande kosten wordt wel, onder voorwaarden, de eigen bijdrage voor de kosten vergoed:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dieetkosten eigen bijdrage AWBZ bij opname in instelling eigen bijdrage Hoortoestel en batterijen Huishoudelijke hulp Orthopedische schoenen Pedicurekosten of kosten podoloog Pruik Tandartskosten 1. Dieetkosten De kosten van een dieet op voorschrift van een arts of diëtiste worden vergoed, als er sprake is van meerkosten ten opzichte van een gebruikelijk gezond eetpatroon. Voor de hoogte van de vergoeding bestaan landelijke richtlijnen. Hierbij wordt aangesloten. Om de noodzaak van het dieet en de hoogte van de vergoeding vast te stellen wordt een medisch advies opgevraagd. Als een dieet langer dan een jaar nodig is, wordt om de drie jaar een nieuw medisch advies opgevraagd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>eigen bijdrage AWBZ bij opname in een instelling Als er sprake is van een kortdurend verblijf in een verpleeg- of verzorgingshuis, betaald betrokkene gedurende 6 maanden de “lage” bijdrage. Betrokkene wordt tijdelijk opgenomen en heeft de intentie c.q. de verplichting naar de eigen woning terug te keren. Deze is inkomensafhankelijk. Er is geen bijzondere bijstand mogelijk omdat sprake is van besparing op de kosten van levensonderhoud.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van een indicatie langdurend verblijf in een verpleeg- of verzorgingshuis, wordt noch de “lage” noch de “hoge” eigen bijdrage vergoed. Betrokkene komt dan in aanmerking voor een zak- en kleedgeld uitkering. Betrokkene zal dan de eigen woning op moeten geven. Bijzondere bijstand voor de vaste lasten is dan mogelijk gedurende 3 maanden vanaf datum opname, om betrokkene in de gelegenheid te stellen de zaken in orde te brengen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Eigen bijdrage vergoedingen zorgverzekering Vanaf 1 januari 2008 is de zorgverzekeringverzekerde € 150,00 eigen bijdrage verschuldigd. Deze eigen bijdrage komt niet voor vergoeding via de bijzondere bijstand in aanmerking. Verzekerden met een minimumuitkering krijgen € 103,00 gecompenseerd via een verhoogde zorgtoeslag. Chronisch zieken krijgen de resterende € 47,00 vergoed via het CAK. Naast de eigen bijdrage, zal de premie voor de meeste minima zoveel dalen, dat de eigen bijdrage gecompenseerd is. Deze eigen bijdrage valt dan ook onder de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor uit de norm gereserveerd moet worden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Hoortoestel en batterijen Via de zorgverzekeraar is een gedeeltelijke vergoeding voor de kosten van een hoortoestel mogelijk. Dit is een voorliggende voorziening. U moet het gehoorapparaat kopen in een winkel die is aangesloten bij uw zorgverzekeraar. Voor de eigen bijdrage die overblijft, kan bijzondere bijstand worden versterkt. Gezien de diversiteit aan hoortoestellen wordt de bijzondere bijstand gemaximeerd op € 350,00 per hoortoestel. Een hoger bedrag is alleen mogelijk, nadat er een medisch advies is opgevraagd, waaruit de noodzaak blijkt. De vergoeding voor batterijen wordt forfaitair vastgesteld op € 50,00 per jaar. Dit bedrag kan jaarlijks in een keer worden verstrekt als aangetoond is dat betrokkene over een hoortoestel beschikt. De cliënt kan ook een nazorgcontract afsluiten voor het gehoorapparaat. Er is bijzondere bijstand mogelijk voor zo’n nazorgcontract ad € 85,00 per hoortoestel. Door afsluiten van een nazorgcontract kan de duurzaamheid van het toestel verlengd worden. Een hoortoestel wordt geacht 7 jaar mee te gaan. Er is geen vergoeding mogelijk voor een verzekering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Huishoudelijke hulp Op grond van de WMO is een wettelijke verplichte eigen bijdrage ingevoerd. Daarnaast is er op grond van gemeentelijke beleid een inkomensafhankelijke eigen bijdrage voor de huishoudelijke hulp mogelijk. Alleen voor de wettelijk verplichte eigen bijdrage is bijzondere bijstand mogelijk. Een inkomensafhankelijke bijdrage voor huishoudelijke hulp is namelijk pas vanaf 150% van het minimumloon aan de orde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Orthopedische schoenen Via de zorgverzekeraar is een gedeeltelijke vergoeding voor de kosten van orthopedisch schoeisel mogelijk. Dit is een voorliggende voorziening. Voor de eigen bijdrage die overblijft, kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Op de bijzondere bijstand wordt een besparingsbijdrage in mindering gebracht. Deze besparingsbijdrage wordt in minderring gebracht omdat iedereen in de samenleving kosten moet maken voor de aanschaf van schoenen. De besparingsbijdrage voor schoenen is € 50,00 voor een volwassene en € 35,00 voor een kind. Op grond van de bijzondere bijstand worden 2 paar schoenen per jaar vergoed (zomer en winter). Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor steunzolen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Pedicurekosten Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB). In een aantal gevallen zal voor de pedicurekosten recht op een vergoeding bestaan op grond van een aanvullend pakket van de zorgverzekering. Dit zal het geval kunnen zijn bij aandoeningen zoals reuma en diabetes.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het niet hebben van een aanvullende ziektekostenverzekering wordt niet gezien als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, aangezien een klein deel van de cliënten deze aandoeningen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als iemand een aanvullende verzekering heeft die de pedicurekosten vergoed, dan moet met de vergoeding rekening worden gehouden. Echter het afsluiten van een aanvullende verzekering zal niet worden afgedwongen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een cliënt komt voor een vergoeding in aanmerking als betrokkene 65 jaar of ouder is. Hierbij wordt er van uitgegaan dat de noodzaak op grond van leeftijd aanwezig is. Is iemand jonger dan 65 jaar dan moet er een bijzondere reden zijn waarom iemand pedicurekosten nodig heeft. De beoordeling hiervan ligt bij de consulent. De maximale vergoeding bedraagt 9 x € 20,00 = € 180,00 per kalenderjaar. De bijstand wordt vergoed op vertoon van de nota.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pedicurekosten en vergoeding op grond van het maatschappelijk participatiefonds (MPF) Een vergoeding op grond van het maatschappelijk participatiefonds is mogelijk voorzover betrokkene in de categorie ouderen (65+), chronisch zieken en gehandicapten valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het fonds geldt niet als een voorliggende voorziening, betrokkene kan namelijk zelf kiezen voor welke kosten binnen het fonds een aanvraag wordt ingediend. Het is mogelijk dat betrokkene bijzondere bijstand aanvraagt, maar niet alle behandelingen vergoed heeft gekregen. De niet vergoede kosten komen dan in aanmerking voor een vergoeding uit het MPF. Uiteraard heeft ook het MPF een maximum vergoeding. Een cliënt kan er voor kiezen geen BB aan te vragen, maar wel een vergoeding uit het MPF te vragen. Dit is meestal niet de meest voordelige keuze.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Pruik Als er sprake is van een eigen bijdrage voor een pruik, wordt er bijzondere bijstand gegeven tot een maximum van € 200,00. De vergoeding van het zorgverzekering dekt de kosten van een standaard pruik. De persoonlijke voorkeur van een cliënt voor een duurder materiaal of luxere afwerking is niet relevant voor een vergoeding van een eigen bijdrage. Alleen als er een medische noodzaak is voor een duurdere pruik dan de standaardpruik kan op basis van een medisch advies een hogere vergoeding worden gegeven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Tandartskosten Tandheelkundige behandelingen die niet op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden vergoed, behoren in principe tot de algemene bestaanskosten. Elke inwoner heeft tandartskosten. Hiervoor kan en moet een aanvullende verzekering worden afgesloten. Een aanvullende verzekering bestaat er in vele soorten en maten. Aangezien de kosten voor een tandheelkundige behandeling hoog kunnen oplopen en een ruimere aanvullende verzekering niet voor ieder met een minimuminkomen is weggelegd, kan er onder voorwaarden bijzondere bijstand worden verstrekt, op basis van de goedkoopste aanvullende verzekering voor tandartskosten die de ziektekostenverzekering van betrokkene aanbiedt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere bijstand wordt verstrekt als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een aanvullende tandartsverzekering, waarbij het goedkoopste pakket voldoende is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als betrokkene niet aanvullend verzekerd is, wordt er bijzondere bijstand verstrekt rekening houdend met de vergoeding die betrokkene zou hebben gehad als betrokkene de goedkoopste aanvullende verzekering (bij de eigen verzekeraar) zou hebben afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor de eigen bijdrage van een frame of brug worden verstrekt tot een maximum van € 550,00 per persoon per jaar; als de kosten hoger zijn,dan bovengenoemd bedrag, wordt een medisch advies opgevraagd om te bepalen of de behandeling de goedkoopst adequate oplossing biedt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van een kroon of implantaat wordt altijd een medisch advies opgevraagd om de noodzaak te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de verzekering een vergoeding niet verstrekt, omdat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijk, dan wordt alleen bijzondere bijstand verstrekt bij acute noodzaak voor pijnbestrijding en betrokkene niet over middelen beschikt om de rekening te betalen;</p>\n<p class=\"lf-p\">MINIMABELEID Schuldhulpverlening Schuldhulpverlening is een taak van de gemeente. Voor het aflossen van de schulden is geen bijstand mogelijk (art. 13, 1e lid onder f. WWB). Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de gemeente bijstand verstrekt. Er zijn dan dringende bijzondere omstandigheden die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. In jurisprudentie is dit ook terug te vinden. Voor de uitvoering van de schuldhulpverlening is Daniëls en Dekkers ingehuurd. Alle inwoners, ongeacht hun inkomen kunnen een beroep doen op schuldhulpverlening. Er wordt geen geldelijke eigen bijdrage gevraagd. De kosten vallen onder het budget van het “minimabeleid”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Budgetbeheer door de sociale dienst Er zijn een aantal klanten die door onze dienst worden gebudgetteerd. De vaste lasten worden door de uitkeringsadministratie doorbetaald en het restant wordt uitbetaald middels wekelijkse voorschotbetalingen. Deze klanten blijven in het budgetbeheer van onze dienst. Nieuwe klanten worden wel zoveel mogelijk verwezen naar de schuldhulpverlener. Via schuldhulpverlening kunnen cliënten aangemeld worden voor budgetbeheer Schuldhulpverlening aan zelfstandigen In afwachting van de nieuwe Wet Zelfstandigen blijft er de mogelijkheid om een beroep te doen op de bijstand middels artikel 7 van de Invoeringswet Wet Werk en bijstand en geregeld in het “Besluit zelfstandigen 2004”. Artikel 17 van bovengenoemd “Besluit” geeft de mogelijkheid om bijstand te verlenen voor een schuld op een lening voor bedrijfskapitaal mits betrokkene behoort tot de kring der rechthebbenden van het Besluit (artikel 1, lid 2 onder a, b. of c). Als schuldsanering of budgettering nodig is kan ook de zelfstandige worden doorverwezen naar de gemeentelijke schuldhulpverlener. Dit is het geval als er sprake is van privé schulden of budgettering. Indien er specialistische begeleiding nodig is voor zelfstandigen dan is verwijzing naar “Van Zomeren en Partners” te Rotterdam de aangewezen weg. Hier kan er begeleiding worden geboden op het gebied van bedrijfsvoering e.d. Deze kosten van begeleiding worden dan opgenomen in het voorstel BBZ en worden door de klant zelf betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere Bijstand en schulden Er zijn situaties denkbaar waarbij de officiële schuldhulpverlening geen uitkomst biedt. Dit zijn situaties die om een snelle oplossing vragen en er niet gewacht kan worden op de uitkomst van een minnelijk of wettelijk traject. In deze situaties is de bijzondere bijstand het vangnet en tevens laatste mogelijkheid. Het gaat dan om noodzakelijke bestaanskosten, zoals huur, gas, water, licht en zorgverzekeringpremie. Dit is geen limitatieve lijst, schuldhulpverlening is individueel en maatwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de wetgever is een ieder zelf verantwoordelijk voor het ontstaan van schulden. Als een persoon beschikt over een minimum inkomen moet deze persoon in principe kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij een persoon in de problemen komt zonder dat er sprake is van verwijtbaarheid. Te denken valt aan een persoon die een lening aangaat die passend is bij het inkomen; als deze persoon werkloos wordt of arbeidsongeschikt kan de aflossing van deze lening een probleem vormen. Ook kun je als voorbeeld nemen de persoon die te maken krijgt met een echtscheiding en daardoor schulden moet aflossen die niet vanuit het inkomen betaald kunnen worden. Dan zijn er ook nog omstandigheden in het gezin of in de persoon denkbaar die kunnen leiden tot schulden. Gezien deze bijzondere omstandigheden biedt de wetgever tevens de mogelijkheid om toch bijstand te verlenen middels de artikelen 16 en 49 WWB. Het is de taak van het college om te bepalen in welke situaties de mogelijkheid van bijzondere bijstand aanwezig is en in welke vorm er dan bijstand wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststellen bijzondere situaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Acute noodsituaties: Als de hulpverlening via Daniëls en Dekkers geen mogelijkheid biedt voor de snelle oplossing van een acuut probleem. Hierover wordt eerst overleg gevoerd met Daniëls en Dekkers. Vaak kunnen zij ook direct actie ondernemen om een huisuitzetting te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarden:-het betreft een persoon die legaal in Nederland verblijft -er is geen tijd of ruimte meer voor “onderhandelen” (aflossing) -er zijn geen andere mogelijkheden meer aanwezig zoals een lening, voorschot op het loon e.d. -er is een inkomen op minimumniveau (zie draagkrachtregels) -er wordt een verplichting tot budgettering opgelegd er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen Vorm van bijstandsverlening: Zo mogelijk zal de bijstand in de vorm van een lening worden verstrekt waarbij het mogelijk is om een borgtocht te bieden als er een lening bij een officiële instantie mogelijk is. Als er sprake is van een acute noodsituatie is er vaak geen tijd om een lening aan te vragen zodat ook bijstand in de vorm van een lening mogelijk is. Als er sprake is van een wettelijk schuld traject via de WSNP is het niet raadzaam om de bijstand als geldlening te verstrekken, er mag immers geen nieuwe schuld worden aangegaan. Ook is er tijdens dit traject geen ruimte om de lening terug te betalen. In zo’n situatie is bijstand om niet mogelijk. Ook hierbij geldt dat de keuze individueel wordt bekeken en maatwerk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige situaties:</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn ook situaties denkbaar waarbij Daniels en Dekkers geen schuldsanering tot stand kan brengen (geen afloscapaciteit); er een dermate hoge schuldenlast aanwezig is dat een saneringskrediet nodig is; er ook geen schuldsaneringskrediet mogelijk is via een officiële instantie (Gemeentelijke Kredietbank Rotterdam); een wettelijk traject (WSNP) ook niet wenselijk of mogelijk is; er een dringende reden is om over te gaan tot bijstandverlening (mogelijkheid tot uitstroom, psychische problemen etc.);</p>\n<p class=\"lf-p\">In zo’n situatie kan er een lening worden verstrekt via de bijzondere bijstand, waarbij de voorwaarde van verplichte budgettering wordt opgelegd en de klant wordt gevolgd om nieuwe problemen te voorkomen. (in samenwerking met Daniëls en Dekkers). Als de oorzaak van de schuldsituatie helemaal niet te wijten is aan het niet om kunnen gaan met het inkomen kan de verplichte budgettering achterwege blijven, regelmatige begeleiding is wel aan te bevelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene opmerking:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij schuldhulpverlening is het belangrijk om de achterliggende oorzaak van de problemen te zien en zo mogelijk te verhelpen ten einde problemen in de toekomst te vermijden. Voor meer algemene begeleiding kan ook een verwijzing naar het Maatschappelijk werk of de huisarts nuttig zijn. Bij de beoordeling of er bijstand wordt verstrekt voor schulden zal in het onderzoek naar voren moeten komen in hoeverre er sprake is van ernstige “verwijtbaarheid”. Dit kan een reden zijn om de aanvraag af te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Artikel 13 1e lid onder f, 16, 48 en49 WWB Wet Kinderopvang Boete Iedere ouder die een aanvraag voor een vergoeding doet, moet aantonen dat deze: tot de doelgroep behoort; een kind heeft dat daadwerkelijk naar de kinderopvang gaat;</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ouder onjuiste gegevens overlegd, waardoor er ten onrechte een vergoeding is verstrekt, kan het college naast de eventuele terugvordering ook besluiten om “als straf” een boete op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het een “kan” bepaling betreft is er een beleidsregel nodig. Hierbij wordt aangesloten bij het Boetebesluit Sociale zekerheidswetten, zoals die ook voor de IOAW en IOAZ geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending inlichtingenverplichting bij aanvang van de aanvraag zonder financiële gevolgen Op grond van artikel 28 van de Wet Kinderopvang moeten de ouders (beide partners) alle gegevens overleggen die voor de voor het vaststellen van de aanspraak op en de hoogte van de uitkering van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ouder moet op grond van artikel 6 van de verordening de volgende gegevens overleggen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat: naam, adres en BSN nummer van de ouder; indien van toepassing: naam en BSN nummer van de partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; naam, geboortedatum en BSN nummer van het kind of de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft; een offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de opvang; gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in artikel 22 van de wet; overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ouder de gevraagde gegevens niet overlegt bij de aanvraag, dan wordt een hersteltermijn opgelegd. Mocht de ouder niet (op tijd) reageren, dan kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten of worden afgewezen. Je kunt een aanvraag buiten behandeling laten als de hersteltermijn binnen 8 weken na de datum aanvraag afloopt. Als de aanvraag al langer loopt moet je de aanvraag afwijzen op grond van het feit dat het recht niet kan worden vastgesteld, omdat bepaalde noodzakelijke gegevens ontbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schending inlichtingenverplichting en terugvordering Het kan ook zijn dat de ouder wel inlichtingen verstrekt, maar dat die achteraf niet juist zijn. Hierdoor is er een beschikking afgegeven die niet klopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn dan twee vormen van schending van de inlichtingenplicht mogelijk:</p>\n<p class=\"lf-p\">1.Het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang of het maakt minder uren gebruik van de kinderopvang dan opgegeven;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke doelgroep).</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het college de beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag terugvorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opschorten betaling Als duidelijk is dat er iets niet klopt kan de betaling van de al toegekende bedragen worden opgeschort. Dit kan op grond van artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht. Je start de opschorting vanaf de dag dat je de ouder een beschikking stuurt dat je het ernstige vermoeden hebt dat er iets niet klopt en betrokkene vraagt alsnog de goede gegevens te overleggen. Je hebt na opschorting van de betaling 13 weken de tijd om een beschikking te sturen, waarin je bekend maakt dat je de beschikking intrekt of wijzigt. In die beschikking kan je gemotiveerd verder teruggaan dan de datum waarop je de betaling hebt opgeschort. Als dat het geval is, ga je het teveel betaalde bedrag terugvorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang) Als de ouder helemaal ten onrechte een vergoeding heeft gekregen, kan de toekenningbeschikking worden ingetrokken. Daarnaast kan besloten worden om de teveel betaalde vergoeding terug te vorderen. Dit zijn twee aparte beslissingen, die wel in één beschikking kunnen worden verwoord. Of je naast het intrekken van de oorspronkelijke beslissing ook nog terugvordert kan afhangen van de individuele omstandigheden. Als er geen sprake is van verwijtbaarheid kan je overwegen om niet terug te vorderen. Je moet dan toch de cliënt laten weten dat de oorspronkelijke beslissing niet klopte en waarom niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er sprake is van een gedeeltelijk foutief besluit, dan kan de oorspronkelijke beschikking gewijzigd worden. Ook dan kan weer bezien worden of er ook moet worden teruggevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige toepassing verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming in het kader van de WKO. Dit betekent dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de tegemoetkoming waar de ouder misschien nog wel recht op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als je wilt verrekenen dan moet dat in de beschikking worden vermeld. Dit geldt ook als je op een andere manier gaat terugvorderen. (artikel 60, eerste lid WWB).</p>\n<p class=\"lf-p\">In een beschikking moeten dus de volgende zaken worden opgenomen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Intrekken of wijzigen van de oorspronkelijke beschikking;</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden waarom dit gebeurt;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit dat er wel of niet wordt teruggevorderd;</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden waarom dit wel of niet gebeurt;</p>\n<p class=\"lf-p\">De wijze waarop wordt teruggevorderd;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonodig een nieuwe beslissing verwoorden waarin staat waar de ouder wel recht op heeft;</p>\n<p class=\"lf-p\">De reden waarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorlopige en definitieve beschikking In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in de terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de Wet Kinderopvang is er sprake van een voorlopige en een definitieve beschikking. De voorlopige beschikking wordt afgegeven nadat de aanvraag is ingediend. De definitieve beschikking wordt afgegeven aan het begin van het volgende jaar, als de definitieve bedragen en hoeveelheid kinderopvang bekend zijn. Uit het heronderzoek, waarin je de ouder vraagt de definitieve gegevens te overleggen, kan blijken dat er wijzigingen in de situatie zijn opgetreden. De ouder kan in dit stadium nog volkomen ter goeder trouw afgeweken zijn van de oorspronkelijk opgegeven inlichtingen. Tijdens het jaar kunnen werktijden en dagen veranderen waardoor ook de behoefte aan kinderopvang wijzigt. Uiteraard hoort een ouder dit gedurende het jaar al aan te geven, echter in ieder geval bij de controle achteraf. In zo’n geval wordt het teveel betaalde wel teruggevorderd, maar is er nog geen sprake van een boetewaardige gedraging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de voorlopige beschikking is afgegeven, kan het college in de onderstaande gevallen de beschikking intrekken of wijzigen: a.de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden verplichtingen; de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de tegemoetkoming zou hebben geleid; d.de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook na de definitieve vaststelling van de aanvraag is het mogelijk dat er nog feiten boven tafel komen. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een fraude onderzoek door de sociaal rechercheur of door tips van derden. In zulke gevallen kan er sprake zijn van ernstige verwijtbaarheid en kan een boete op zijn plaats zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de definitieve beschikking is vastgesteld kan het college nog de beschikking intrekken of wijzigen als: a.er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld; b.de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger van de tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten; c.de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft vijf jaar de tijd om te besluiten om alsnog de oorspronkelijke beschikking in te trekken of te wijzigen en zonodig terug te vorderen en/of een boete op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijke boete Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. Het doel is de ouder te straffen. Voor het opleggen van de boete wordt altijd de sociaal rechercheur ingeschakeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn inlichtingenplicht niet nakomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij om het schenden van de volgende verplichtingen: het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn (artikel 28, eerste lid, Wet kinderopvang); het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet kinderopvang); het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid, Wet kinderopvang).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende situaties: de overtreder is overleden; er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269,00 (artikel 72, lid 1, onderdeel c, Wet kinderopvang). De gemeente bepaalt zelf de hoogte van de boete. De boete wordt vastgesteld op 10% van het fraudebedrag, met een minimum van € 45,00 en naar boven afgerond met € 11,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de boete wordt afgestemd op: de ernst van de overtreding, de mate waarin de overtreding de ouder verweten kan worden en; de omstandigheden waarin die persoon verkeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dit is hetzelfde als bij het opleggen van een maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang. Hierbij is het voor de uitvoering van belang dat altijd de sociaal rechercheur wordt ingeschakeld voordat de boete met betrokkene wordt besproken en opgelegd. Voordat de boete wordt opgelegd krijgt de ouder een brief of wordt met de ouder een gesprek gevoerd, waarin betrokkene te horen krijgt dat de gemeente voornemens is een boete op te leggen en dat betrokkene het recht heeft om te zwijgen. Dit gesprek gebeurt altijd samen met de sociaal rechercheur. De ouder mag niet gevraagd worden naar zijn beweegredenen om onjuiste informatie te geven. Je mag de ouder wel altijd om concrete informatie vragen, zoals bijvoorbeeld een contract met het kinderdagverblijf of een opgave van de kinderen die op de opvang zitten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het opleggen van de boete wordt aangesloten bij het boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals die ook nu nog geldt voor de IOAW en de IOAZ. Meer informatie hierover staat in het handboek Schulinck. (Artikel 28 en 72 t/m 86 WKO, Artikel 16 verordening WKO, Boete besluit sociale zekerheidswetten)</p></div>", "next": 0}