{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">rechtmatige verblijf blijkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.17</span><span class=\"lf-art-t\">OrdeverstoringDeze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8 TOEZICHT OP HORECABEDRIJVENArtikel 2.18 BegripsbepalingenDe omschrijving van het begrip \"horecabedrijf\" sluit zoveel mogelijk aan bij de</h3>\n<p class=\"lf-p\">Drank- en Horecawet en hoofdstuk 3 van deze APV.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Exploitatievergunning horecabedrijfEerste lidHet gemeentebestuur van Ouder-Amstel heeft een Bibob beleid vastgesteld ten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">aanzien van exploitatievergunningen voor horecabedrijven. Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de burgemeester verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidEen exploitatievergunning geldt voor drie jaar tenzij een andere looptijd is vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens artikel 1.5 van deze APV kunnen voorschriften worden verbonden aan de exploitatievergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidAls het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidDe achtergrond van deze bepaling is dat de exploitant en de leidinggevende verantwoordelijk zijn voor een goede gang van zaken in het bedrijf en de directe omgeving daarvan. De eis dat de exploitant en de leidinggevende niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn, dient om de beroepsuitoefening in zekere banen te leiden en met het oog op een (maatschappelijk) verantwoorde beroepsuitoefening. De eis ziet op geschiktheid van de exploitant en de leidinggevende voor deze beroepsuitoefening. Zij hebben te maken met de aard van de bedrijvigheid en met de functie die de exploitant en de leidinggevende daarin vervullen. De APV legt geen beperkingen op ten aanzien van feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Zo kunnen veroordelingen maar ook proces verbalen van de politie een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lidOmdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1.8 voor de horeca te ruim zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lidDe exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat omschreven in het vijfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lidWinkels in de zin van de Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte hebben, behoeven geen exploitatievergunning te hebben. Te denken valt aan tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker, ijssalons etc. Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te voorkomen dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lidIn dit lid zijn categorieën van horecabedrijven opgenomen waarvoor de vergunningplicht niet geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien alcoholische dranken worden geschonken, moet wel een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (zie artikel 9, tweede lid) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.20</span><span class=\"lf-art-t\">SluitingstijdenEerste lidDe sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van het horecabedrijf, waarin de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als horecabedrijf aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidIn afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf. Dat kan neerkomen op een verruiming van de openingstijden, of op een beperking. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid dat te regelen met een voorschrift bij de exploitatievergunning. Het gaat hier om een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1.5 van deze APV, dat dus moet strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidEen horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.18 kan vergunningplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer of onder de werking van het Activiteitenbesluit vallen. Aan een krachtens de Wet milieubeheer te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.21</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluitingEerste lidAanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere omstandigheden. Het betreft een algemene bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, die een individueel karakter heeft zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. De bevoegdheid beperkt zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDoor middel van het bepaalde in het tweede lid wordt buiten twijfel te gesteld dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.22</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid in gesloten horecabedrijfSluitingsbepalingen richten zich tot exploitant. Dit artikel richt zich</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2.22. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.23</span><span class=\"lf-art-t\">Beperking verstrekking alcoholhoudende drankDeze bepaling is gebaseerd op artikel 23 van de Drank- en Horecawet. Het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">schenken van sterke drank wordt aan beperkingen gebonden in inrichtingen in de zin van de Drank- en Horecawet waar veel jongeren plegen te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder kleine eetwaren onder a. worden verstaan eetwaren zoals belegde broodjes, patates frites, kroketten, versnaperingen e.d..</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.24</span><span class=\"lf-art-t\">Handel in horecabedrijvenDit artikel betreft een verbod van heling. Dit sluit aan bij artikel 437 van het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wetboek van Strafrecht. Ook sluit dit artikel aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat dit artikel een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.25</span><span class=\"lf-art-t\">OrdeverstoringDeze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 9 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDENArtikel 2.27 SpeelgelegenhedenEerste lidHet begrip \"speelgelegenheid\" als omschreven in het eerste lid, betreft iedere</h3>\n<p class=\"lf-p\">openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lidDe vergunningplicht geldt voor het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel heeft het beschermen van de openbare orde en het woon- en leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving en criminaliteit moet worden tegengegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is een vergunningplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet de bevoegdheid last onder bestuursdwang toe te passen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.28</span><span class=\"lf-art-t\">SpeelautomatenOp 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">speelautomaten in werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). Op grond van de Wet op de Kansspelen dient een vergunning te worden aangevraagd voor zowel een kansspelautomaat als een behendigheidsautomaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft uitspraken gedaan ten aanzien van het hoog- dan wel laagdrempelig zijn van een inrichting. Deze jurisprudentie vormt een leidraad bij de bepaling of een horecalokaliteit hoog- dan wel laagdrempelig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 10 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEIDArtikel 2.29 Betreden gesloten woning of lokaalEerste lidDe burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt, zijn deze hiermee in de APV geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHet tweede lid van dit artikel is gebaseerd op de bevoegdheid van de burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidAangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid toegevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.30</span><span class=\"lf-art-t\">Plakken en kladdenEerste lidIn het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term \"bekladden\" ligt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHet aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheid van meningsuitingOp het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Dit artikel maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat \"plakken\" slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doen plakken of doen aanbrengenHet \"doen\" plakken of het op andere wijze \"doen\" aanbrengen van aanplakbiljetten valt onder de verbodsbepaling. Onder \"doen\" aanplakken, wordt in de jurisprudentie verstaan het geven van opdracht om te plakken of een actieve bemoeienis daarmee hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.31</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer plakgereedschap e.d.Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.32</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer inbrekerswerktuigenDeze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">te bemoeilijken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.33</span><span class=\"lf-art-t\">Betreden van plantsoenen e.d.Deze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.34</span><span class=\"lf-art-t\">Rijden over bermen e.d.Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden, is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende groenstroken, wordt geregeld in artikel 5.9 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.35</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag op of aan de wegOp basis van dit artikel (en artikel 2.37) kan tegen vormen van onnodige hinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">of overlast worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt \"straatschenderij\" strafbaar, terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.36</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gebruik drank en softdrugsIn het eerste lid is een verbod opgenomen om op hinderlijke wijze alcohol te</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is eenzelfde verbod opgenomen ten aanzien van softdrugs. In het vierde lid is bepaald wat daaronder wordt verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Opiumwet stelt het bezit van en de handel in drugs strafbaar maar drugsgebruik is ingevolge de Opiumwet niet strafbaar. Op grond van het tweede lid kan worden opgetreden tegen drugsgerelateerde hinder door het gebruik en het voorhanden hebben en softdrugs te verbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is wel zodanig geformuleerd dat er sprake moet zijn van gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt. De mogelijkheid tot het instellen van een zogenaamd blowverbod is bedoeld om overlast aan te pakken die kan worden ondervonden door bepaald gebruik van softdrugs. Het gebruik van softdrugs bevordert onder andere hanggedrag en kan in belangrijke mate bijdragen aan overlast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid van dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt alcoholhoudende drank te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast veroorzaakt wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al aangetast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.37</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag bij of in gebouwenDit artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.38</span><span class=\"lf-art-t\">Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimtenDeze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.39</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopende hondenDit artikel beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht, het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden, het voorkomen van hinder voor voetgangers, het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken, e.d.) en het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid is ingevoegd om het mogelijk te maken dat het college plaatsen aanwijst waar honden niet hoeven te zijn aangelijnd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid treft een voorziening voor de eigenaren van blindengeleidehonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.40</span><span class=\"lf-art-t\">Verontreiniging door hondenDit artikel is erop gericht om de verontreiniging door honden tegen te gaan. Het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college kan honden-uitlaatplaatsen aanwijzen. De strafbaarheid van dit artikel wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.41</span><span class=\"lf-art-t\">Gevaarlijke of hinderlijke hondenEnige jaren geleden ontstond bezorgdheid over agressief gedrag van bepaalde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">honden. Bij incidenten brachten honden aanzienlijk letsel toe aan mens of dier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geeft het college de bevoegdheid te besluiten dat een gevaarlijke of hinderlijke hond aangelijnd, dan wel gemuilkorfd dient te worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.42</span><span class=\"lf-art-t\">Houden van hinderlijke of schadelijke dierenDoor in het eerste lid de zinsnede \"buiten een inrichting in de zin van de Wet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.43</span><span class=\"lf-art-t\">Loslopend veeDit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te voorkomen is daarom op haar plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.44</span><span class=\"lf-art-t\">BijenHet vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">zijn en op zodanige wijze dat de \"aanvliegbanen\" hiervan over de weg lopen, gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit artikel beoogt dit te reguleren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.45</span><span class=\"lf-art-t\">BedelarijIn de APV is dit artikel opgenomen dat beoogt bedelarij tegen te gaan. Op grond</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod, maar onder de regeling van artikel 2.5 (straatartiesten).</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 11 DRUGSOVERLASTArtikel 2.46 Drugshandel op straatOm niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage \"onverminderd het</h3>\n<p class=\"lf-p\">bepaalde in de Opiumwet\" opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (\"harddrugs\") en II (\"softdrugs\") die behoren bij deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te kunnen optreden, is dit artikel opgenomen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars (\"drugsrunners\") strafbaar gesteld. Het \"kennelijk doel\" kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 12 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN</h3>\n<p class=\"lf-p\">CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSENArtikel 2.47 Bestuurlijke ophoudingDit artikel is gebaseerd op artikel 154a van de Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding is hieronder begrepen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.48</span><span class=\"lf-art-t\">VeiligheidsrisicogebiedenOp grond van artikel 151b Gemeentewet heeft de raad aan de burgemeester bij deze</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verordening de bevoegdheid verleend om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: vervoermiddelen te onderzoeken, een ieders kleding te onderzoeken, of te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.49</span><span class=\"lf-art-t\">Cameratoezicht op openbare plaatsenOp grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de gemeenteraad aan de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">burgemeester bij deze verordening de bevoegdheid verleend tot het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Openbare plaatsDe invulling van het begrip openbare plaats uit artikel 151c Gemeentewet is ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op grond van die wet omvat het begrip openbare plaats, zeer in het algemeen, de plaatsen \"waar men komt en gaat\". In eerste instantie gaat het hierbij om \"de straat\" of \"de weg\" in de ruime zin des woords, ofwel de wegen die voor eenieder vrij toegankelijk zijn. Maar het begrip omvat nog een aantal andere plaatsen die een met de weg vergelijkbare functie vervullen en daarom als het \"verlengde\" van de weg kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan als voorbeelden vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor eenieder vrij toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen en vliegvelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaste camera’sDe wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld. Uitsluitend op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden besloten tot langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de openbare orde en veiligheid dan het hiervoor bedoelde statische en langdurige gebruik, wordt door de regeling onverlet gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proportionaliteit en subsidiariteitHet uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).</p>\n<p class=\"lf-p\">KenbaarheidIn artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s kenbaar moet zijn. Door het goed zichtbaar plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met camera’s wordt gewerkt, kan het publiek hierop worden geattendeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c lid 1 Gemeentewet de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals parkeerterreinen, die vanwege het doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit de Wom vallen. Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.Artikel 3.1 BegripsbepalingenProstitutie en prostituee(onder a. en b.)Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Seksinrichting (onder c.)Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor hoofdstuk 3. “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen, seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees voor korte tijd kamers verhuren. Een seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten - met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een café bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”), waarvoor vergunning van de burgemeester vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Escortbedrijf (onder d.)Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een website op internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezoeker (onder g.)Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de artikelen 3.6 of 3.7 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de inrichting aanwezige personen als “bezoeker” moeten worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het begrip “bezoeker” zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Bevoegd bestuursorgaanDe artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">noodzakelijk. In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester te worden aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte” opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regelsVergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende voorschriften. (artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (meestal de burgemeester) over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 2 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.Artikel 3.4 Seksinrichtingen en escortbedrijvenHet gemeentebestuur van Ouder-Amstel heeft een Bibob beleid vastgesteld ten aanzien van exploitatievergunningen voor seksinrichtingen en escortbedrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lidHieruit vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook, zoals bijvoorbeeld een verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie etc. Tenzij anders is bepaald, is de looptijd van een vergunning drie jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5</span><span class=\"lf-art-t\">Gedragseisen exploitant en beheerderAan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag (artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens).</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel is zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees.</p>\n<p class=\"lf-p\">De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding “in enig opzicht slecht levensgedrag” in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk geval sprake is van “in enig opzicht slecht levensgedrag”. Dat het niet als een limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het woord “naast” aan het begin van het tweede lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6</span><span class=\"lf-art-t\">SluitingstijdenEerste lidDe hier opgenomen sluitingsurenregeling heeft betrekking op</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">seksinrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHet bevoegd orgaan kan door middel van een vergunning voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidAnders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.7</span><span class=\"lf-art-t\">Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluitingEerste lidTen opzichte van artikel 3.6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere” sluitingstijdenregime</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">is)</span>biedt artikel 3.7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat: voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3.6 gestelde; of van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3.12, tweede lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast e.d..</p>\n<p class=\"lf-p\">De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid genoemd in het tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke sluiting kan slechts van afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidEen besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a. als b.), richt zich doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3.6, derde lid), is in het tweede lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door 3:42 Awb voorgeschreven manier. Het zichtbaar aanplakken van de geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.8</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beheerderEerste lidOm effectiever te kunnen optreden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid een verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend, moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling, geweldsdelicten e.d..</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de omstandigheden kan tot een tijdelijke beperking van de openingstijden, een tijdelijke sluiting of een (tijdelijke) intrekking van de vergunning worden besloten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.9</span><span class=\"lf-art-t\">StraatprostitutieEerste lidVolgens het eerste lid is straatprostitutie verboden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe plicht om aan een door de politie gegeven bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.10</span><span class=\"lf-art-t\">Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d.Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft besloten.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3 BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDENArtikel 3.11 BeslissingstermijnDe voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het</h3>\n<p class=\"lf-p\">exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. In lid 1 is bepaald dat er binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen een besluit wordt genomen. Lid 2 regelt de verdaging.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.12</span><span class=\"lf-art-t\">WeigeringsgrondenEerste lid, onder a.: levensgedragZie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b.: bestemmingsplanHet zal voor kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt.Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan als weigeringsgrond opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig, illegaalDeze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de openbare orde. Als er aanwijzingen zijn dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 273f is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden voorkomen dat de exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel inzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder a.: openbare ordeDe bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving is onder meer aanleiding geweest om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum te binden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder c.: woon- en leefomgevingDe exploitatie van seksinrichtingen kan worden tegengegaan op plaatsen waar de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig zou worden beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder d.: Veiligheid personen of goederenBij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de inrichting zelf; en biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voorzover het gaat om het gebruik van de inrichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder e.: verkeersvrijheid of -veiligheidHet belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en motorvoertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan bezwaarlijk zijn wanneer daardoor bijvoorbeeld de normale bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt geschaad of bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid onder f.: gezondheidTot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid en het Besluit collectieve preventie volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder f.: zedelijkheidHet zedelijkheidsmotief zal bij de regulering van de commerciële exploitatie van prostitutie doorgaans niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op basis van het zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een minimumleeftijdsgrens voor bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16 of 18 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid, onder g.: arbeidsomstandighedenDoor opheffing van het algemeen bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing op delen van de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een arbeidsverhouding als bedoeld in de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313-223\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.13</span><span class=\"lf-art-t\">Beëindiging exploitatieEerste en tweede lidDit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de exploitatie van rechtswege komt te vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet worden kennisgegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.14</span><span class=\"lf-art-t\">Wijziging beheerEerste lidHet bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de exploitant zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDenkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is voorgeschreven in artikel 3.4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidIn dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR</h3>\n<p class=\"lf-p\">HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTEAFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTINGArtikel 4.1 BegripsbepalingenBesluitOp 1 januari 2008 is het nieuwe Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Besluit) in werking getreden. Dit besluit vervangt een groot aantal algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Een van die AMvB’s was het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Ook het nieuwe Besluit geeft gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een gemeentelijke verordening ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-, trillings- en lichthinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">InrichtingOp grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), die artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu bevat. In het nieuwe Besluit wordt onderscheid gemaakt in drie typen inrichtingen: type A (niet melding- of vergunningplichtig), type B (meldingsplichtig) en type C (vergunningplichtig).</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van het type inrichting gelden bepaalde (standaard)voorschriften uit het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geluidsgevoelige gebouwen en terreinenVoor deze begripsbeschrijving wordt aangesloten bij definities voor (geluids)gevoelige gebouwen en terreinen uit het Besluit en de Wet geluidhinder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip onversterkte muziek is niet eerder gedefinieerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing van collectieve festiviteitenEerste lidDe bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van de regeling is neergelegd bij het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidVolgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidHet college kan rekening houden met de aard van het gebied door gebiedsdifferentiatie toe te passen. Het grondgebied van de gemeente kan bijvoorbeeld verdeeld worden in verschillende kernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient plaats te vinden in een apart besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties. Het onderscheid tussen collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijven en blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen per gebied kan verschillen. De artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit kennen alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lidIn tegenstelling tot het oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel a. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij sportbeoefening is deze mogelijkheid niet in het Besluit opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lidIn het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke verordening aan te passen (zie ook artikel 4.5). De reguliere geluidsnormen gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidsniveaus van onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de geluidsnorm.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3</span><span class=\"lf-art-t\">Kennisgeving incidentele festiviteitenEerste en tweede lidDe bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het aantal te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening te bepalen hoeveel incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van 12 incidentele festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met de vorige regeling voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen. Wat wel verandert is dat de regeling nu ook geldt voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel en kantoren een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidVolgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 4.113 kan hiervan worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege vogels”-toernooi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113 tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duister voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tegenstelling tot het oude besluit biedt het Besluit gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b. Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij festiviteiten wordt kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4.2 APV. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen onder het Besluit in plaats van alleen voor horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen zoals onder het oude besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lidHierin wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kunnen in de evenementenvergunning voorschriften worden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.4</span><span class=\"lf-art-t\">Verboden incidentele festiviteitenDe burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.5</span><span class=\"lf-art-t\">Onversterkte muziekDit artikel sluit aan op de artikelen 2.17 en 2.18 van het Besluit. Het artikel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f juncto vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2 een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. In lid 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De genoemde geluidsniveaus in tabel 1 zijn niet van toepassing op; het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen; het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.6</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door toestellen of apparatenAfbakeningDoor in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare manifestaties en het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciale milieuverordening is toegevoegd aan dit lid. In een provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan: een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz.; overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts kunnen onder artikel 4.6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.7</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door dierenDeze bepaling regelt de verplichting om te zorgen dat dieren geen geluidhinder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">veroorzaken voor de omgeving. De verplichting geldt voor degene die de zorg heeft voor een dier, dat wil zeggen de eigenaar of de houder. De afbakening betreft de Wet Milieubeheer, omdat voor inrichtingen die daaronder vallen, bijvoorbeeld dierenasiels, al regels betreffende geluidhinder gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.8</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door bromfietsen e.d.Dit artikel verbiedt het zich “(geluid)hinderlijk” gedragen met een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">motorvoertuig of een bromfiets. “Gedragen” betreft niet alleen het rond rijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.9</span><span class=\"lf-art-t\">Geluidhinder door vrachtauto’s en artikel 4.10 Routering.Deze artikelen spreken voor zich</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGINGArtikel 4.11 Natuurlijke behoefte doenDit artikel spreekt voor zich.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.12</span><span class=\"lf-art-t\">Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">buiten gebouwen Dit artikel spreekt voor zich.</p>\n<p class=\"lf-p\">AFDELING 3 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLASTArtikel 4.13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d. en landbouwproducten. Het college is bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan bepaalde regels gebonden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voorzover de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de afdeling 5.1 “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor auto’s door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.14</span><span class=\"lf-art-t\">Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclamesDit artikel verbiedt om handelsreclame te maken of te voeren waardoor het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verkeer in gevaar wordt gebracht of ontsierende of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1 van de APV als: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in dit artikel gaat om niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Volgens vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.15</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht reclame In dit artikel is een vergunningplicht opgenomen om in het openbaar reclame te</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">maken. Zie hiervoor ook de toelichting op artikel 4.14. Voor een reclame van enige omvang of betekenis is doorgaans tevens een bouwvergunning nodig is, waardoor aan de welstand kan worden getoetst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.16</span><span class=\"lf-art-t\">Vergunningplicht lichtreclameHierin is opgenomen een verbod om zonder vergunning van het college op of aan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">een onroerende zaak verlichte handelsreclame te maken. Voor een reclame van enige omvang of betekenis is doorgaand tevens een bouwvergunnng nodig, waardoor aan de welstand kan worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid zijn de weigeringsgronden opgenomen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINENArtikel 4.17 BegripsbepalingIn verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met</h3>\n<p class=\"lf-p\">ingang van 1 januari 2008 zijn de artikelen in deze afdeling opgenomen. Dit ter voorkoming van ongewenste situaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Begripsbepaling gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen, kampeerwagen en caravan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.18</span><span class=\"lf-art-t\">Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinenDit artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.19</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing kampeerplaatsenDit artikel spreekt voor zich</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER</h3>\n<p class=\"lf-p\">GEMEENTEAFDELING 5.1 PARKEEREXCESSENAlgemene toelichting 1. Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessenSinds de inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer. Artikel 2a WVW 1994 geeft aan dat gemeenten bevoegd zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149 Gemeentewet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Begrip “parkeerexces”In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip “parkeerexces” precies inhoudt. Blijkens de jurisprudentie kan onder het begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus: zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling). in deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen; alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Beperking tot gedragingen op de weg Bij parkeerexcessen “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994. Onder weg verstaat deze APV ingevolge artikel 1.1 hetzelfde als de WVW 1994 daaronder verstaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">In de afdeling “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld welke als parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo hebben artikelen ook betrekking op gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende parkeerexcessen - zowel de “eigenlijke” als de “oneigenlijke” - zoveel mogelijk in een afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door het publiek immers alle als parkeerexces worden ervaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-51-224\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.Eerste lid, onder a.Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b.Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met het oog op het vorenstaande is de strafbaarheid van het herstellen of slopen op de weg niet gerelateerd aan de omstandigheid dat er sprake moet zijn van drie of meer voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg als werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen moet echter de mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze mogelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidAangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidOnder a. is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” teneinde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde bij artikel 5.1 kan niet als een soort “escape” fungeren ten opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5.1 mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere artikelen in de afdeling, in die zin dat de “faciliteit” die in artikel 5.1 is besloten - garagehouders enz. mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan - ook impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is aangewezen dezelfde blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bepaalde bij artikel 5.1 geeft de daarin genoemde personen niet een “vrijstelling” om voertuigen te parkeren in afwijking van de andere verbodsbepalingen in deze afdeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, in artikel 5.1 bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal voertuigen in beslag wordt genomen, in bijvoorbeeld de artikelen 5.3 en 5.4 bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt, even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidHet verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.2</span><span class=\"lf-art-t\">Te koop aanbieden van voertuigenHet komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden. Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, kan dit voor de omwonenden aanzienlijke overlast met zich meebrengen. Ook wordt er een beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.3</span><span class=\"lf-art-t\">Defecte voertuigenVeelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Soms slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet slechts op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil zeggen op het plaatsen en hebben van defecte voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.4</span><span class=\"lf-art-t\">VoertuigwrakkenAnders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5</span><span class=\"lf-art-t\">Kampeermiddelen e.d.Eerste lid, onder a.Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste vier achtereenvolgende dagen wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk na de reis op te ruimen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid, onder b.Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.6</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van reclamevoertuigenDeze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">handelsreclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van grote voertuigenEerste lidDeze bepaling beoogt de aantasting van het uiterlijk aanzien tegen te gaan van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doen of laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het dorps- of landschapsschoon betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft, dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van dorpsschoon of karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van een “parkeerexces”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 1 wordt zowel een lengte- als een hoogtecriterium gehanteerd omdat zeer wel denkbaar is dat een voertuig weliswaar nog geen lengte van 6 meter heeft, doch niettemin op grond van de hoogte schadelijk moet worden geacht voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDeze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt, dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin opleveren. In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens minder opportuun.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidDe werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor het in het eerste lid gestelde verbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden krachtens het artikel 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidNaast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven verboden een ontheffing te verlenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken. Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigenEerste lidDeze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door opneming van de bestanddelen “of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bijvoorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe in dit lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) \"hoogwerkers\", meetwagens e.d.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aantasting groenvoorzieningen door voertuigenEerste lidHet is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van voertuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.10</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast van fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuigIn de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In lid 1 is bepaald wanneer het is verboden om een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te parkeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het tweede lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 2 COLLECTERENArtikel 5.11 Inzameling van geld of goederenHet gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft</h3>\n<p class=\"lf-p\">twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt en gelijkmatig over het jaar verdeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster krijgen een doorlopende inzamelingsvergunning. De inzamelende instelling is gebaat bij het niet jaarlijks aanvragen van de vergunning. De werkdruk wordt voor zowel de inzamelende instelling als de gemeente enigszins verminderd. Wel is een meldingsplicht vereist en blijft de gemeente bijhouden of er in een bepaalde periode gecollecteerd wordt of niet. Het college zal, bij instellingen welke twee jaar achtereen geen gebruik maken van de doorlopende vergunning, deze intrekken, zodat de vrije periode in deze gemeente verruimd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente volgt het CBF en de Stichting Collecteplan. Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster kan een vergunning voor bepaalde tijd worden afgegeven in een collectevrije periode. Daarbij is uitgangspunt van het collecterooster dat er slechts één organisatie per week huis-aan-huis mag collecteren met het oog op het voorkomen van overlast. De weigeringsgronden zijn in hoofdstuk 1 van deze APV benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lidVoor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college nodig. Het artikel ziet toe op de welbekende inzamelingen van geld middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te doneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor een commercieel doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidIn het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is niet het geval. In het tweede lid van artikel 5.11 zijn de beide handelingen - het collecteren en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij maakt het bijzondere element “... indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of een ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met gedrukte stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidIn het derde lid van artikel 5.11 is een uitzondering op de vergunningplicht opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. De uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Centraal Bureau FondsenwervingHet CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Het CBF stelt jaarlijks een rooster vast waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Direct dialogueDirect dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot voor kort was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis toegepast. De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook alleen verleend worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor lokale instellingen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 3 VENTENArtikel 5.12 BegripsbepalingOnder venten met goederen wordt verstaan: de uitoefening van kleinhandel waarbij</h3>\n<p class=\"lf-p\">goederen of diensten aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van venten is sprake wanneer voor de aangeboden goederen of diensten een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.13</span><span class=\"lf-art-t\">VentverbodHet is nog slechts verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. Tot het afschaffen van het vergunningstelsel is besloten, omdat in deze gemeente venten geen overlast e.d. oplevert. De praktijk van vergunningverlening is dat men de vergunning vrijwel altijd verleent onder dezelfde voorwaarden. Er is dan ook geen goede reden waarom een vergunningstelsel nog noodzakelijk en proportioneel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHet tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zon- en feestdagen of in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lidHet derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet luidt: Het is eenieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.14</span><span class=\"lf-art-t\">Vrijheid van meningsuitingArtikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de Grondwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 4 STANDPLAATSENArtikel 5.15 BegripsbepalingHet hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen of</h3>\n<p class=\"lf-p\">diensten vanaf een vaste plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidHet tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning krachtens artikel 5.16 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2.15 en 2.16 van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.16</span><span class=\"lf-art-t\">Standplaatsvergunning en weigeringsgrondenAlgemeenDe standplaatsvergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheid van meningsuitingVoor het aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden geëist. Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid BestemmingsplanDe bepalingen in deze APV met betrekking tot het innemen van een standplaats zijn gebaseerd op het ordenen van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan voortvloeien. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid WeigeringsgrondenDe generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 1.8. Nadere uitleg daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid, onder a. Redelijke eisen van welstandDe terminologie in dit lid sluit aan bij die van de Woningwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid onder b. Redelijk verzorgingsniveauIn het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">MaximumstelselDe Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Een maximum aantal vergunningen kan eventueel worden uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche. Indien het totaal aantal aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal aantal af te geven vergunningen overtreft kan het college een wachtlijst opstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">WinkeltijdenwetDe Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt door de Economische Controledienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">WarenwetOp het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de Warenwet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk regime van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften die door het college gesteld kunnen worden op basis van een standplaatsvergunning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet milieubeheerIn de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen gelden ook voor een standplaatshouder, voorzover zijn verkoopplek als “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruik van de openbare wegVoor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de openbare weg zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de openbare weg met vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen voor het gebruik van het deel van de openbare weg. De grondslag voor het bedingen van een vergoeding wordt gegeven in een huurovereenkomst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.17</span><span class=\"lf-art-t\">Toestemming rechthebbendeDit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">AfbakeningsbepalingenIn het eerste lid vindt afbakening plaats met de Wet beheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">rijkswaterstaatswerken en het Provinciaal wegenreglement, het tweede lid ziet op afbakening met de Woningwet.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 5 SNUFFELMARKTENArtikel 5.19 BegripsbepalingDe laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten</h3>\n<p class=\"lf-p\">organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar “ongeregelde” zaken verkocht. Bij “ongeregelde” zaken kan met name worden gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bijvoorbeeld beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van een te liquideren onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidVan de snuffelmarkt te onderscheiden zijn: de weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Het begrip “markt” is niet nader omschreven in de Gemeentewet. In de regel worden op een weekmarkt “geregelde” waren verkocht, dat wil zeggen: geen tweedehands goederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de te verwachten concentratie van een aantal standplaatsen zo hoog is, dat het uiterlijk de karakteristieken van een markt krijgt, mag niet meer worden volstaan met het verlenen van standplaatsvergunningen, maar dient het college een besluit te nemen over het instellen van een markt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het begrip “jaarmarkt” wordt niet nader gedefinieerd in de Gemeentewet. Bij een jaarmarkt moet gedacht worden aan een jaarlijks terugkerende traditie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenement: de zogenaamde snuffelmarkten worden gehouden in een gebouw of plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op Koninginnedag of vlooienmarkten in de openbare ruimte, is deze paragraaf niet van toepassing, maar is er sprake van een evenement, dat al dan niet vergunningplichtig is op grond van artikel 2.16.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.20</span><span class=\"lf-art-t\">Organiseren van een snuffelmarktAlgemeenDe aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">uitstralende werking hebben buiten het gebouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het houden van een snuffelmarkt is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast te verwachten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">WeigeringsgrondenDe weigeringsgronden voor een snuffelmarktvergunning zijn de generieke zoals genoemd in artikel 1.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">BestemmingsplanStrijd met het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld voorkomen als een gebouw een agrarische of industriebestemming heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">WinkeltijdenwetDe Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing als de markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de aard van de op de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of ongeregelde goederen worden verkocht en de frequentie waarmee de markt wordt gehouden.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 6 OPENBAAR WATERArtikel 5.21 Voorwerpen op, in of boven openbaar waterDit artikel is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de</h3>\n<p class=\"lf-p\">overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.22</span><span class=\"lf-art-t\">Ligplaats vaartuigenOp grond van het eerste lid van dit artikel kan het college gedeelten van het</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">openbaar water aanwijzen waar het is verboden om met een vaartuig (zie de definitie in artikel 1) ligplaats in te nemen of een ligplaats beschikbaar te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid, onder a., van dit artikel biedt het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats. Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Krachtens het tweede lid van dit artikel heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kunnen ligplaatsen voor pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden en kunnen beperkingen worden gesteld aan de tijdsduur van het innemen van de ligplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bestemmingsplannen is opgenomen waar het is toegestaan dat woonboten ligplaats innemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.23</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzingen ligplaatsNaast de algemene regels die krachtens artikel 5.22, tweede lid, kunnen worden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt daarvoor de grondslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.24</span><span class=\"lf-art-t\">Verbod innemen ligplaatsDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.25</span><span class=\"lf-art-t\">Beschadigen van waterstaatswerkenDeze bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bij de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.26</span><span class=\"lf-art-t\">ReddingsmiddelenOm te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.27</span><span class=\"lf-art-t\">Veiligheid op het waterHet Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de gebruikers van vaartuigen. Dit artikel verbiedt gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers van het openbaar water.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.28</span><span class=\"lf-art-t\">Overlast aan vaartuigenDeze bepaling spreekt voor zich</span></h4>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 7 CROSSTERREINENArtikel 5.29CrossterreinenOp het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,</h3>\n<p class=\"lf-p\">motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing kunnen zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APVIngevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 juncto artikel 5 van het Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving.</div>\n<p class=\"lf-p\">Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op de weg in de zin van de WVW 1994Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in de WVW 1994, plaatsvindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de deelnemers aan de wedstrijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op andere wegen dan bedoeld in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan dit artikel van toepassing zijn. Dit artikel ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien dit artikel van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel 2.16 (evenementenartikel) niet meer aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de wegVoor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d..</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Wet milieubeheer en APVBij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente zelf regels stellen.</div>\n<h3 class=\"lf-part\">AFDELING 8 VERBOD VUUR TE STOKENArtikel 5.30 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur</h3>\n<p class=\"lf-p\">te stokenVoor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen is altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de kamerbehandeling van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer blijkt dat de ontheffing kan worden verleend voor: vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren en voor de instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van klein landschapsbeheer en voor hout dat men van bomen of struiken afhaalt om het natuurlijke proces om welke reden dan ook te bevorderen. Voor welke gevallen er nog meer een ontheffing kan worden gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie. Op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer is het in ieder geval verboden ontheffing te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is het mee verbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie) verboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en veiligheidsaspecten van belang. Indien het college deze aspecten wil reguleren, is eveneens het verlenen van een ontheffing op grond van dit artikel van de APV noodzakelijk. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in vierde lid. De uitzonderingen in lid 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en de ontheffing op grond van artikel 5.30, tweede lid, APV worden niet gecombineerd tot één te verlenen ontheffing. Het blijven twee afzonderlijke besluiten om reden van het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet), het verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus Gemeentewet). De gemeente kan wel de aanvraag om beide ontheffingen coördineren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel 5.30 APV.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGENHoofdstuk 6 regelt het toezicht en de strafrechtelijke handhaving. Bepalingen</h3>\n<p class=\"lf-p\">ten aanzien van bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften van deze verordening zijn elders te vinden. Zie hiervoor onder meer de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-61-225\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.1</span><span class=\"lf-art-t\">Strafbepaling Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet is de gemeenteraad bevoegd om straf</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">te stellen op overtreding van zijn verordeningen. Deze straf kan niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie .</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van de tweede categorie bedraagt euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 Wetboek van Strafrecht rekening te houden met de draagkracht van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 91 juncto artikel 51 Wetboek van Strafrecht vallen ook rechtspersonen onder de werking van gemeentelijke strafbepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens artikel 1.5 gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning of een ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laat onverlet dat bestuursrechtelijke handhaving wel mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span><span class=\"lf-art-t\">ToezichthoudersIn het eerste lid van deze bepaling zijn toezichthouders aangewezen en ingevolge</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">het tweede lid kunnen de burgemeester en het college toezichthouders aanwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een persoon die belast wordt met het houden van toezicht op de naleving van deze verordening wordt toezichthouder en heeft daardoor verschillende bevoegdheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij mag plaatsen betreden, inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en vervoermiddelen zoeken. Toezicht vindt plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Dit handhavingtoezicht, ook wel controle genoemd, wordt beheerst door het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in afdeling 5:2 van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht belaste personen behoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s) ontlenen hun bevoegdheid aan het Wetboek van Strafvordering (artikel 141 en 142) . De aanwijzing als toezichthouder in deze verordening is de grondslag voor het hebben van opsporingsbevoegdheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">Binnentreden woningen`Op basis van artikel 5:15 Algemene wet bestuursrecht is een toezichthouder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. “Plaats” is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Algemene wet bestuursrecht een uitzondering maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit voort uit het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde “huisrecht”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner steeds een grondslag in een bijzondere wet vereist. Voor de handhaving van gemeentelijke verordeningen is de basis voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner gelegd in artikel 149a van de Gemeentewet. Op grond van dit artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend, indien het gaat om het toezicht op de naleving van bij verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen. In de Algemene wet op het binnentreden zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden van een woning in acht genomen moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een bepaling in de APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere wet. Het betreft artikel 2.3 inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de Wet openbare manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen en andere plaatsen geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordeningEerste lidDe datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt, is de datum waarop de</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">oude verordening vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span><span class=\"lf-art-t\">OvergangsbepalingHet betreft in dit artikel besluiten, genomen krachtens de oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, dus de Algemene Politieverordening voor de gemeente Ouder-Amstel. De besluiten waar het om gaat zijn vergunningen, ontheffingen, voorschriften en beperkingen, nadere regels, beleidsregels en aanwijzingbesluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben gehad.</p></div>", "next": 0}