{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een cliënt kan ook een aanvraag indienen via een op de gemeentelijke website beschikbaar gesteld digitaal aanvraagformulier. Het tweede lid vermeldt deze aanvraagmogelijkheid die bijvoorbeeld door de cliënt benut kan worden om voor hem een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking te genereren in de situatie dat hij geen ondersteuningsverslag ter ondertekening krijgt aangeboden omdat in de gespreksfase geen noodzaak tot of recht op een maatwerkvoorziening of individuele voorziening is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is opgenomen dat een maatwerkvoorziening in bijzondere gevallen ook ambtshalve kan worden verstrekt in het dringende belang van de cliënt. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn bij cliënten met psychiatrische of psychosociale (multi)problematiek, waarbij door middel van zogenaamde bemoeizorg stap voor stap naar een reguliere ondersteuningssituatie toe wordt gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Via de bepaling in het vierde lid volgt het college een voor beide beleidsdomeinen overeenkomstige systematiek voor het afgeven van schriftelijke besluiten op de in het eerste en tweede lid bedoelde aanvragen. De Wmo 2015 regelt dat een cliënt altijd een beschikking op zijn ingediende aanvraag voor een maatwerkvoorziening dient te ontvangen. Voor de Jeugdwet is de grondslag voor het standaard verstrekken van een beschikking voor een individuele voorziening jeugdhulp, gelegen in artikel 1:3 tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet merkt in dit kader op dat deze niet-vrij toegankelijke voorzieningen altijd een verleningsbeslissing veronderstellen op basis van een beoordeling door de gemeente van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager. Onder verleningsbeslissing verstaat het college in dit verband zowel een beslissing tot verstrekking als tot weigering.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een beschikking ter verlening van een voorziening wordt in elk geval vermeld welke voorziening wordt verstrekt, de wijze waarop (zin of pgb), de ingangsdatum, de looptijd en de hoogte van het budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een beschikking tot weigering dienen zoals vereist in de Awb, duidelijk de gronden voor weigering te worden gemotiveerd. Dit kan ook een partiële weigering betreffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde lid regelt dat cliënten die zich om welke reden dan ook niet kunnen verenigen met de beslissing omtrent basishulp en dit via het ondersteuningsverslag uitdrukkelijk kenbaar hebben gemaakt door dit verslag “voor gezien” en niet “voor akkoord” te ondertekenen, recht hebben op een beschikking waartegen zij desgewenst bezwaar kunnen maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulpBehalve op basis van een melding (zie artikel 2.2) of de rechtstreekse toegang tot overige voorzieningen (zie artikel 2.1) kan een cliënt op grond van de Jeugdwet ook op andere manieren toegang krijgen tot jeugdhulp. Het college gaat hierbij in principe uit van toegang tot het gecontracteerde c.q. gesubsidieerde aanbod. Dit kan na verwijzing door de behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. In het uitzonderlijke geval dat de cliënt hierom verzoekt, kan het college ter bevestiging van de verwijzing een beschikking afgeven. Het college moet op grond van artikel 2.7, vierde lid, afspraken met hen en met de zorgverzekeraars maken over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop deze verwijzing plaatsvindt. Zij moeten zich daarnaast de voor hen geldende professionele standaarden hanteren Het tweede lid regelt de uitvoering van de verplichting van het college om jeugdhulp in te zetten die nodig wordt geacht in situaties waarbij de uitvoering van kinderbescherming en jeugdreclassering aan de orde is. In die situaties zal de inzet in eerste instantie bestaan uit het beschikbaar stellen van het voorzieningenpakket dat door de gemeente is ingekocht via subsidies dan wel contracten. Maar mocht hierin een leemte bestaan, dan zal het college anderszins in de op haar rustende verplichting moeten voldoen. Omdat het college in deze situaties geen beschikking verstrekt, bestaat voor de betrokken jeugdige of ouders geen mogelijkheid om bij de gemeente bezwaar in te dienen tegen hen onwelgevallige beslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat onder kinderbeschermingsmaatregelen en reclasseringswerkzaamheden wordt verstaan, is gedefinieerd in artikel 1.1. van de Jeugdwet. Deze maatregelen en werkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door gecertificeerde instellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Ministerie van Justitie beslist op aanvraag op de afgifte van een (kwaliteits)certificaat of voorlopig certificaat aan en instelling die gecertificeerd wil worden. Om daadwerkelijk in aanmerking te kunnen komen voor een certificaat, moet de instelling aan een aantal in de Jeugdwet opgenomen eisen voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Spoedeisende ondersteuningIndien er een melding plaatsvindt voor spoedeisende hulp, is het college op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 gehouden een tijdelijke voorziening te treffen, totdat het onderzoek is afgerond en er een aanvraag is ingediend op basis waarvan een reguliere maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Het college kan derhalve in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Het college kan voorts in het dringende belang van de cliënt een al dan niet ambtshalve ingediende aanvraag in behandeling nemen zonder ondertekend gespreksverslag, indien en zolang de cliënt niet in staat of bereid is het gespreksverslag te ondertekenen. Een besluit tot spoedeisende ondersteuning wordt door het college in de beschikking duidelijk gemotiveerd, zodat het voor de cliënt inzichtelijk is waarom tot ambtshalve verstrekking is overgegaan Crisisopvang kan plaats vinden in het geval van huiselijk geweld, maar kan ook in andere situaties noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het spoedeisende jeugdhulp betreft, kant het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3 juncto artikel 6.1.8 van de Jeugdwet aanvragen. Dit betreft een nieuwe collegebevoegdheid binnen het vrijwillig kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 3 Individuele voorzieningen, maatwerkvoorzieningen,gezinsarrangementen, pgb, verplichtingen en overige maatregelenParagraaf 3.1 Individuele voorzieningen jeugdhulpArtikel 3.1.1 Beschikbare individuele voorzieningen jeugdhulpDit artikel biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan individuele voorzieningen dat het college als zorg in natura ter beschikking staat. Een groot deel van deze voorzieningen is regionaal ingekocht, maar wordt lokaal ingezet. Andere zijn uitsluitend lokaal ingekocht. Bij de toepassing hiervan, zal het college mede gebruikmaken van de productencatalogus. en de resultaatgebieden en ondersteuningsgebieden (zie artikel 3.1.2) om het voorzieningenaanbod nader in te kleuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij schaart het college de voorzieningen in de vorm van ‘specialistische tweedelijns jeugdhulp’. Met de aanbieders van deze ‘zorg in natura’ heeft het college contracten afgesloten om de cliënten de mogelijkheid te bieden om hun recht op toegekende jeugdhulp te verzilveren. Slechts in enkele spaarzame gevallen is sprake van een subsidierelatie tussen het college en de aanbieder. Bij het aanbieden van JeugdzorgPlus is een voorafgaande machtiging gesloten jeugdzorg van de kinderrechter vereist.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-312-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verlening arrangementen individuele voorzieningen jeugdhulpIndividuele voorzieningen worden verstrekt in de vorm van een arrangement, bestaande uit één of meerdere resultaatgebieden. Bijvoorbeeld het resultaatgebied ‘behandeling’ (R2) Indien noodzakelijk kunnen aanvullende ondersteuningselementen worden aangeboden, die vermeld staan in het tweede lid. Hierbij kan bijvoorbeeld het ondersteuningselement ‘vervangende opvoeding’ worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook kan aan een jeugdige op grond van het derde lid een vervoersvoorziening worden toegekend indien een dergelijke voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. Een voorbeeld hiervan is vervoer voor een jeugdige met een beperking of voor een jeugdige die naar een voorziening voor geestelijke gezondheidszorg (jeugd-GGZ) moeten reizen. De gemeente heeft hiervoor een contract met een doelgroepenvervoerder afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de artikelen 3.1.4 t/m 3.1.6 staat een nadere omschrijving van de resultaatgebieden opgenomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-313-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene criteria individuele voorziening voor jeugdhulpIn artikel 2.3 van de Jeugdwet is het algemene kader opgenomen waarbinnen het college gehouden is overige voorzieningen of individuele voorzieningen te treffen Er moet sprake zijn van: opgroei– en opvoedingsproblemen; of psychische problemen en stoornissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet er sprake zijn van ontoereikende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Ook kan er onder in de wet genoemde voorwaarden jeugdhulp aan de orde zijn om de ouders in staat te stellen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen als er sprake is van een jeugdige tot 18 jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorzieningen kunnen worden verstrekt in de vorm van overige voorzieningen of individuele voorzieningen. In het eerste lid is benoemd wanneer een jeugdige in aanmerking kan komen voor een individuele voorziening. Deze criteria sluiten aan bij hetgeen hierover in de Jeugdwet is opgenomen. De verwijzing in het tweede lid heeft betrekking op kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclasseringswerkzaamheden en spoedeisende jeugdhulp.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-314-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor het resultaatgebied ondersteuningDe zorgen over het dagelijks functioneren van de jeugdige kunnen bij de jeugdige zelf, maar ook bij zijn omgeving liggen. De te verlenen jeugdhulp is gericht op behoud, compensatie (acceptatie) of trainen van het functioneren en/of deels overnemen, zodat de mogelijkheden van de jeugdige worden vergroot. Zo nodig maakt een periode van bemoeizorg deel uit van dit resultaatgebied</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-315-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor het resultaatgebied behandelingAls er bij de jeugdige aanwijzingen zijn van een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, kan een individuele voorziening binnen dit resultaatgebied noodzakelijk blijken. Dit kan ook aan de orde zijn als er sprake is van delict gedrag als gevolg van een stoornis bij of beperking van de jeugdige</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-316-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor het resultaatgebied begeleiding ouders en omgevingDe inzet op dit resultaatgebied is gericht op de opvoedingsvaardigheden van de ouder(s). De jeugdhulp richt zich op het gedrag en handelen van de ouder(s) in de opvoeding en niet primair op de jeugdige. Het gaat hierbij om het bieden van veiligheid, het stimuleren van de sociale en affectieve ontwikkeling van de jeugdige, gedragsregulatie, gezondheid en opleiding. Veiligheid is een basisvereiste voor de ontwikkeling en om gezond op te kunnen groeien. Het resultaat van de ondersteuning is dat ouders met steun van mensen uit hun omgeving de opvoeding van hun kind(eren) weer zelfstandig aan kunnen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-317-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding Als hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden, kan het college ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige inzetten Dit artikel beschrijft de criteria die hiervoor worden gehanteerd</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-318-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagprogrammaHet college kan een ondersteunend dagprogramma inzetten als de jeugdige lijdt onder een in dit artikel genoemde stoornis of beperking waardoor deze, al dan niet tijdelijk, aan het onderwijs kan deelnemen. Ook kan een dergelijke vorm van ondersteuning wenselijk zijn als de jeugdige en dagstructuur behoeft of de betrokken opvoeders een te grote opvoedingsdraaglast ervaren en ondersteuning gedurende de dag de benodigde ‘ruimte’ kan bieden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-319-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement mantelzorgondersteuningDit ondersteuningselement is afhankelijk van de draagkracht van ouders en het sociaal netwerk rond een jeugdige met een beperking of chronische stoornis. Het zorgen voor een kind met een chronische stoornis of beperking vraagt namelijk veel van ouders. Om hen te ontlasten en daarmee ook ruimte te bieden aan mogelijke andere kinderen, stelt het college het ondersteuningselement mantelzorgondersteuning beschikbaar</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3110-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Waakvlamfunctie jeugdhulpHet is vaak van belang om de ouder niet in één keer “los” te laten, maar om de opvoedondersteuning af te schalen tot het niveau dat alleen periodiek in de gaten wordt gehouden of het behaalde resultaat nog steeds aanwezig is Zo nodig kan dan tijdig worden bijgestuurd of toch aanvullende ondersteuning worden geboden. De jeugdige en zijn ouders zullen vooraf duidelijk worden geïnformeerd over de wijze waarop deze ‘monitoring’ van de behaalde resultaten concreet gestalte zal krijgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.10a</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria vervoer bij dagbehandeling dagprogramma’s</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een individuele vervoersvoorziening met het ondersteuningselement dagprogramma kan onder de in lid 1 en 2 vermelde condities ook in de vorm van een pgb worden verstrekt. Op grond van lid 3 dient de afstand gemeten als enkele reis, wel meer dan zes kilometer te bedragen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3111-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zeventien en een half-jarigenHet is van belang dat een jeugdige die ondersteuning ontvangt die hij nodig heeft, maar ook dat er continuïteit is in de ondersteuning vanaf het moment dat de jeugdige 18 jaar wordt Enerzijds wordt daarom met de jeugdige, waarvan verwacht wordt dat hij ook na zijn 18e jaar nog ondersteuning nodig zal hebben, gewerkt aan de voorbereiding op het moment dat hij 18 jaar (en dus meerderjarig wordt) en hij daarna in het kader van de Wmo 2015 die vervolgondersteuning ontvangt die hij nog nodig heeft. Eventuele voortzetting van de jeugdhulp vindt in principe plaats tot uiterlijk het 23elevensjaar. Zie ook hiervoor art. 3.1.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere kant is, dat het soms wenselijker kan zijn om een bijna 18-jarige (uitgangspunt is een leeftijd van minimaal 17 ½ jaar) geen jeugdhulp te bieden in het kader van de Jeugdwet, maar al onder te brengen bij een aanbieder van ondersteuning in het kader van de Wmo 2015, zodat de continuïteit in de ondersteuning beter geborgd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel maakt het mogelijk om de bijna 18-jarige deze Wmo-ondersteuning te bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijke voorwaarden hierbij zijn, dat de jongere naar verwachting na zijn 18ejaar nog ondersteuning nodig heeft én hij geen ondersteuning nodig heeft die alleen in het kader van de Jeugdwet wordt geleverd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3112-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voortzetting jeugdhulp na 18 jaarHet college kan onder voorwaarden ook jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet verstrekken aan een jeugdige die ouder is dan 18 jaar. Dit vloeit voort uit de definitie van “jeugdige” in artikel 1.1, onder 3o, van de Jeugdwet Het college zal hier in het algemeen alleen toe overgaan als de betreffende jeugdhulp niet adequaat of niet volledig in het kader van de Wmo 2015 kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.2 Maatwerkvoorzieningen Wmo 2015Artikel 3.2.1 Ondersteuning binnen resultaatgebiedenDe ondersteuning in de vorm van dienstverlening vindt plaats in de vorm van arrangementen, gericht op één of meer van de in het eerste lid genoemde resultaatgebieden. Binnen deze resultaatgebieden zijn meerdere niveaus van ondersteuning mogelijk, afhankelijk van de aard en de ernst van de ondersteuningsbehoefte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderzoek wordt bepaald op welk resultaatgebied en in welke vorm ondersteuning noodzakelijk is. Hierbij kan de medewerker gebruik maken van een zelfredzaamheidsmatrix. De zelfredzaamheidsmatrix is een meetinstrument om verschillende dimensies van zelfredzaamheid overzichtelijk en gebruiksvriendelijk in beeld te brengen. Er worden 11 domeinen onderscheiden en per domein 5 domeinscores, waarbij 1 de meest ernstige (minimale zelfredzaamheid) en 5 de meest gunstige (volledige zelfredzaamheid) is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorg- en ondersteuningsbehoefte bepalen de mate van zelfredzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zelfredzamer worden betekent dan een toename van de score op een bepaald levensdomein. Het kan ook zijn dat het niet meer mogelijk is om zelfredzamer te worden, maar dat de ondersteuning gericht is op het behoud van de zelfredzaamheid en het zoveel mogelijk voorkomen en vertragen van achteruitgang in de zelfredzaamheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alleen zelfredzaamheid is een grond om een maatwerkvoorziening te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan ook noodzakelijk zijn om een maatwerkvoorziening te verstrekken in het kader van participatie. Daarnaast zijn er bijzondere gronden om een maatwerkvoorziening voor huisvesting te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de beleidsregels en de indicatieprotocollen, zoals de wijzer met arrangementen Wmo, wordt door het college verder uitgewerkt hoe een indicatie tot stand komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende artikelen wordt een toelichting gegeven op de diverse resultaatgebieden en tevens aangegeven op basis van welke aanvullende criteria iemand voor ondersteuning op een resultaatgebied in aanmerking kan komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ondersteuning in het kader van de crisisopvang huiselijk geweld vindt niet plaats op basis van resultaatgebieden, maar bestaat uit het bieden van 2 onderdelen: het bieden van een veilige en beveiligde verblijfplaats op een geheim adres; bescherming en begeleiding van de cliënt en de eventuele kinderen die zijn meegekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan daarbij gaan om vele vormen van begeleiding, zoals: het op orde brengen van de basis (inkomen, verblijfsvergunning, legitimatiebewijs, zorgverzekering, DigiD etc.), diagnostiek en traumascreening bij meegekomen kinderen, creëren van rust, contacten leggen met eventuele behandelaren en/of andere ketenpartners, inventarisatie van schulden en aanmelding voor schulddienstverlening etc. Ook vindt in deze periode vraagverheldering plaats om te kijken wat er na de crisisopvang moet gebeuren: is er nog ondersteuning nodig, moet er huisvesting geregeld worden of opvang in een reguliere opvanglocatie. Alle begeleiding is er op gericht om er voor te zorgen dat cliënt weer zo spoedig mogelijk de crisisopvang kan verlaten en (al dan niet met aansluitende ondersteuning) elders kan wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-322-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemene criteria voor een maatwerkvoorzieningDe grondslag van dit artikel is artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015, dat bepaalt dat de raad bij verordening regelt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Dit artikel ligt ook ten grondslag aan de volgende artikelen waarin aanvullende criteria worden genoemd voor specifieke maatwerkvoorzieningen In het eerste lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1 en 1.3.5 van de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze artikelen wordt verwoord dat er sprake moet zijn van: beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; en een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moeten ook algemene voorzieningen onvoldoende bijdragen aan een oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p.148) is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou gaan wonen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende is. Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende ondersteuning door het wijkteam of een verwijzing naar een algemene voorziening, zoals de inloop voor drugsverslaafden of de dagbesteding die welzijnsaanbieders aanbieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor opvang voor een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, geldt niet dat er sprake moet zijn van beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede alinea verwoordt feitelijk hetgeen hierboven is beschreven en omschrijft de systematiek zoals deze in artikel 2.3.5 van de Wmo 2015 is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet schrijft voor dat de ondersteuning een passende bijdrage moet leveren aan de belemmeringen van de cliënt. Met andere woorden: de (maatwerk)voorziening moet een zo goed mogelijke bijdrage leveren aan de oplossing van de belemmeringen van de cliënt in zijn zelfredzaamheid en participatie. Wanneer het college daarbij de mogelijkheid heeft te kiezen uit meerdere oplossingen, kiest het college voor de meest voordelige oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de toelichting bij artikel 3.2.15, ten aanzien van de keuze tussen de aanpassing van een woning of verhuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatwerkvoorzieningen, anders dan voor dienstverlening, kunnen in natura of in de vorm van een financiële tegemoetkoming (de zogenaamde financiële maatwerkvoorziening) worden verstrekt. Zie ook de (toelichting bij de) definitie in artikel 1.1 voor de financiële maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt deze door het college ingekocht en aan de cliënt geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een maatwerkvoorziening in natura kan in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, sluit de cliënt daarvoor een bruikleenovereenkomst af.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-323-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningIn dit artikel zijn algemene aanvullende criteria geformuleerd voor een maatwerkvoorziening die het college kan hanteren bij het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Als een cliënt niet voldoet aan deze criteria, komt hij in principe niet in aanmerking voor de betreffende maatwerkvoorziening. De criteria zijn echter niet voor alle situaties en voor alle maatwerkvoorzieningen relevant. Zo zullen de in dit artikel genoemde criteria niet snel een rol spelen bij maatwerkvoorzieningen voor de resultaatgebieden mantelzorgondersteuning met verblijf, nachtelijk toezicht en huisvesting of zelfzorg en gezondheid De Wmo 2015 betekent maatwerk, zodat ook bij de toepassing van de criteria die in dit artikel worden genoemd, maatwerk wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals ook in de toelichting bij artikel 3.2.2 is verwoord, is de cliënt in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie. Dat betekent dat een cliënt binnen zijn vermogen (tijdig) die maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat hij zo lang mogelijk zelfredzaam is en kan participeren en geen beroep hoeft te doen op maatschappelijke ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a Algemeen gebruikelijke voorzieningen en maatregelen kunnen niet worden verstrekt via een maatwerkvoorziening. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet bij wet wordt aangeboden en die, indien voorhanden, in redelijkheid een oplossing kan bieden voor de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om voorzieningen die: in betekenende mate worden aangeschaft door personen zonder beperking; en financieel bereikbaar zijn voor personen met een inkomen op het niveau van het sociaal minimum, al dan niet door reservering voor de kosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen gebruikelijke kosten zijn bijvoorbeeld een maaltijdservice of een boodschappendienst. Maar ook voorzieningen die in de reguliere handel of bij een thuiszorgwinkel verkrijgbaar zijn of geleend kunnen worden. Of deze kosten algemeen gebruikelijk zijn, wordt beoordeeld in relatie tot de situatie en persoon van de cliënt. Zo is een fiets met trapondersteuning voor een jong kind niet algemeen gebruikelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad b Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor hemzelf of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht of rijbewijs heeft niet in aanmerking kunnen komen voor een aangepaste auto of een snelle scootmobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad c Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en die voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet in aanmerking voor een nieuwe maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad d Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is. Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat dit niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad e De maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is gericht op het bereiken van resultaten: versterking of behoud van zelfredzaamheid en participatie staan daarbij centraal. Ook overige voorzieningen, zoals hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen, zijn vaak hier op gericht. De inzet van maatwerkvoorzieningen maakt onderdeel uit van een ondersteuningsplan, waar behalve de maatwerkvoorziening ook inzet van de cliënt wordt verwacht, gebruik van algemene voorzieningen of deelname aan bepaalde activiteiten. Als een cliënt weigert om aan het onderzoek en de opstelling van een dergelijk ondersteuningsplan mee te werken die het college noodzakelijk vindt voor het bereiken van de resultaatgebieden, of niet meewerkt aan de uitvoering daarvan, kan dit tot gevolg hebben dat ook de maatwerkvoorziening wordt geweigerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad f Als de noodzaak tot het vervangen van een verleende voorziening aan de cliënt te verwijten is, bijvoorbeeld omdat de voorziening niet op de juiste manier is onderhouden, cliënt roekeloos met de voorziening is omgesprongen of de cliënt zijn eerder verstrekte pgb niet op de juiste wijze heeft besteed, kan dit aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren. Maar ook als de cliënt bijvoorbeeld zonder goede redenen verhuist van een voor hem geschikte woning naar een woning die niet is aangepast aan zijn beperkingen, kan dit reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad g Als er sprake is van een ondersteuningsbehoefte, maar de benodigde maatwerkvoorziening leidt niet of nauwelijks tot meerkosten ten opzichte van een algemeen gebruikelijke voorziening, dan kan een maatwerkvoorziening worden afgewezen. Iemand wordt dan in staat geacht hier zelf in te voorzien. Het college kan wel adviseren bij de aanschaf van de juiste maatwerkvoorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-324-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functionerenDe ondersteuning binnen dit resultaatgebied is gericht op het aanleren of het behoud (c.q. zoveel mogelijk voorkomen van verlies) van (sociale) vaardigheden en regie, met als doel dat cliënt zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen De ondersteuning kan variëren van korte contactmomenten in de trant van “heb je hieraan gedacht”, “hoe is het met….?” tot intensieve begeleiding om sociale vaardigheden onder de knie te krijgen of zelfs, al dan niet tijdelijk, taken over te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen dit resultaatgebied valt ook opvoedadvisering c.q. eenvoudige opvoedondersteuning in het kader van een gezinsarrangement in de opvang, mits de problematiek van de kinderen niet dusdanig is, dat specialistische tweedelijnsjeugdhulp nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan het binnen dit resultaatgebied gaan om de ondersteuning van mantelzorger, partner of kinderen in het leren omgaan met de gevolgen van de beperkingen van de cliënt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-325-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor het resultaatgebied ondersteuning en regie bij het voeren van een huishoudenTot ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden kunnen meerdere resultaten worden gerekend Schoon en leefbaar huisDit betekent dat de woning opgeruimd en functioneel moet zijn, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast moet de woning schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Zo moet de cliënt gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, slaapvertrek, keuken, douche/toilet en gang. Om dit te realiseren is het bijvoorbeeld noodzakelijk dat de vertrekken gedweild of gestofzuigd worden, de keuken schoongemaakt is en het bed verschoond wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzorgen van de buitenruimte, zoals de tuin of het zemen van de ramen aan de buitenzijde, behoort niet tot de reikwijdte van dit resultaatgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe vaak een en ander moet worden schoongemaakt, is afhankelijk van de aard en het gebruik van de ruimte. Ook kunnen er individuele omstandigheden zijn waardoor het schoonmaken vaker moet gebeuren. Bijvoorbeeld de allergieën die een cliënt heeft waardoor een hoger niveau van hygiëne nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college geeft in de beleidsregels nadere richtlijnen over hoe met individuele factoren wordt omgegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften en maaltijdenHet gaat binnen dit resultaat om dat de cliënt beschikt over de noodzakelijke boodschappen voor levensonderhoud, het schoonhouden van de woning en zijn persoonlijke verzorgen. Ook het verzorgen van de maaltijden valt hieronder. Als een cliënt geacht wordt om gebruik te maken van een voorliggende voorziening, zoals een boodschappendienst dan is een indicatie voor dit doel niet aan de orde. In sommige gevallen dient de cliënt echter ondersteund te worden bij de boodschappen, bijvoorbeeld doordat de huishoudelijke hulp de boodschappen doet en deze opbergt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzorgen van maaltijden kan bestaan uit het verzorgen van een warme maaltijd, het opwarmen van een maaltijd, het verzorgen van een broodmaaltijd. Soms kan volstaan worden met het bestellen van warme maaltijden bij een maaltijdservice, of het deelnemen aan “open tafels” in de wijk. In andere gevallen zal de huishoudelijke hulp zelf een maaltijd moeten bereiden. Zowel in de wijze waarop, als de frequentie waarmee voorzien wordt in de warme maaltijd zijn diverse varianten mogelijk, afhankelijk van de situatie van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschikt over schone en draagbare kledingEen cliënt moet kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Dat wil zeggen dat kleding en beddengoed gewassen en gedroogd wordt en bovenkleding waar nodig ook gestreken. Ook zal de kleding weer opgevouwen en opgeborgen moeten worden in de kast. Afhankelijk van de situatie van de cliënt en het aanbod in de wijk of van de zorgaanbieder, kan de was bijvoorbeeld via een was-service worden gedaan of bij de cliënt thuis. Ook kan het zijn dat de cliënt wel in staat is om de was in de wasmachine te doen, maar niet om de was op te hangen of te strijken. In dat geval hoeft niet voor alle onderdelen volledige (volledige) ondersteuning geboden te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behorenOuders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Deze strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding, inclusief zorg bij ziekte. Van de ouders wordt verwacht dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg overneemt. Zo nodig kan hij gebruik maken van de mogelijkheden van zorgverlof, kinderopvang, buitenschoolse opvang en dergelijke. Een maatwerkvoorziening voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. Slechts bij calamiteiten en als alle voorliggende voorzieningen en mogelijkheden onvoldoende oplossing bieden kan het college besluiten een voorziening voor ondersteuning bij de verzorging van kinderen tot 9 jaar tijdelijk binnen dit resultaatgebied te indiceren. Indien sprake is van noodzaak tot langdurige ondersteuning bij de zorg voor minderjarige kinderen, dan valt dit niet onder dit resultaatgebied. Onder deze verzorging verstaat de gemeente ondersteunen van kinderen bij het naar bed brengen/uit bed halen, wassen, douchen aankleden en eten. Ook omvat het brengen/halen van het kind naar/van school of opvang en het verschonen van luiers en het voeden van baby’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voeren van regie over het doen van het huishoudenHet voeren van regie betreft het organiseren van het huishouden met als doel dat de cliënt weer in staat is het huishouden zelf te regisseren en (zoveel mogelijk) zelf uit te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voorziening kan alleen toegekend worden aan leerbare cliënten. Het voeren van regie omvat de volgende activiteiten: helpen bij de organisatie van het huishoudelijk werk: leren hoe en wanneer de cliënt huishoudelijke activiteiten uitvoert; leren plannen en beheren van middelen in relatie tot huishoudelijke activiteiten; observatie en controle van de huishoudelijke activiteiten; tijdelijk instrueren van de leefeenheid in het kader van gebruikelijke zorg: geven van advies, instructie, voorlichting gericht op het huishouden, waarbij de onder 1 genoemde aspecten aan de orde kunnen komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een cliënt de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren, dan kan ook hiervoor ondersteuning worden geboden. Dit geldt ook wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel en soms niet zelf kan uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de intensiteitstrede binnen het resultaatgebied ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden houdt het college – naast de algemene criteria – ook rekening met de in het eerste lid genoemde aspecten. Deze kunnen meer inzet van ondersteuning noodzakelijk maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is opgenomen dat een cliënt die in aanmerking komt voor ondersteuning voor huisvesting binnen het resultaatgebied nachtelijk toezicht en huisvesting, niet in aanmerking kan komen voor ondersteuning voor dit resultaatgebied.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-326-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor het resultaatgebied financiënBij dit resultaatgebied kan het gaan om verschillende resultaten;</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">inkomsten zijn op orde; administratie is op orde; vergroting van de financiële zelfredzaamheid wordt vergroot; toeleiding naar inkomensbeheer; toeleiding naar technische schulddienstverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortdurende of eenvoudige ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan worden geboden door de wijkteams of de door de gemeente gecontracteerde welzijnsaanbieders. Een maatwerkvoorziening is pas aan de orde als deze laagdrempelige ondersteuning niet toereikend is. Bijvoorbeeld omdat de ondersteuning langdurig moet worden geboden, de problematiek van de cliënt te zwaar is of de problemen te groot om in korte tijd opgelost te worden. De feitelijke schuldhulpverlening wordt niet binnen dit resultaatgebied geleverd. Deze verantwoordelijkheid is belegd bij de Kredietbank Rotterdam.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-327-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor dagbestedingDe dagbesteding kan zowel gericht zijn op het bereiken van een resultaat bij de cliënt zelf als bij de mantelzorger</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor de cliënt zelf kan de ondersteuning gericht zijn op bijvoorbeeld: een zinvolle dagbesteding; een evenwichtig dag- en nachtritme; doorbreken van eenzaamheid; activeren tot zingevende activiteiten; behoud of aanleren van sociale of werknemersvaardigheden; verrichten van arbeidsmatige taken, met als door een opstap te zijn naar andere vormen van arbeidsmatige inzet, zoals beschut werk of een garantiebaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet persé noodzakelijk dat de dagbesteding groepsgewijs plaatsvindt. Er kan sprake zijn van het voorzichtig, in een 1-op-1-situatie proberen de cliënt te begeleiden naar de groepsgewijze dagbesteding. Ook kan er sprake zijn van een begeleiding door een zorgaanbieder van de cliënt op een plek waar hij arbeidsmatige vaardigheden op kan doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de dagbesteding bestemd zijn om de mantelzorger één of meerdere dagdelen per week te ontlasten, waardoor deze de mantelzorgtaken beter vol kan houden. De mantelzorger geeft daarbij in eerste instantie aan op hoeveel dagdelen deze ontlasting nodig is om de taken te kunnen blijven volhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de door de gemeente gecontracteerde welzijnsaanbieders bieden dagbesteding aan. Zolang deze algemene voorziening voldoende ondersteuning biedt aan cliënt en/of mantelzorger, is een maatwerkvoorziening voor dit doel niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Binnen dit resultaatgebied kan zo nodig ook vervoer van en naar de dagbesteding worden geïndiceerd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-328-94\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria vervoer van en naar de dagbestedingIndien een cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woonadres en de dagbesteding en er ook geen beroep kan worden gedaan op het netwerk, kan hij in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer van en naar de dagbesteding, als onderdeel (ondersteuningselement) van de maatwerkvoorziening dagbesteding Voor het vervoer wordt gebruik gemaakt van de daarvoor door de gemeente gecontracteerde vervoerder. Zo nodig wordt de cliënt door deze vervoerder individueel begeleid, indien hij niet zelfstandig vervoerd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er tijdens het vervoer medische zorg noodzakelijk is, wordt deze geleverd door de zorgaanbieder die de dagbesteding verzorgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De combinatie dagbesteding als maatwerkvoorziening en pgb-vervoer er naartoe, of andersom, is gelet op art. 3.4.2 lid 1, niet mogelijk. Bij jeugdhulp is overigens daghulp in de vorm van een individuele voorziening in natura in combinatie met vervoer naar deze voorziening in de vorm van een pgb, wel mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe wordt uitgegaan van een maximale afstand van 6 kilometer tussen de verblijfplaats van de cliënt en de dagbestedingslocatie. Immers, het ligt voor de hand de dagbesteding in de buurt van de cliënt te zoeken. Gelet op het aanbod in Rotterdam zal dat over het algemeen geen probleem zijn. In uitzonderlijke, bijzondere situaties kan afgeweken worden van de 6 kilometer grens, mits dat leidt tot goede zorg die in de situatie van de cliënt binnen de 6 kilometer niet leverbaar is, schriftelijk met argumenten wordt onderbouwd, bijvoorbeeld door de aanbieder in het leveringsplan en binnen redelijke grenzen blijft. Het college kan steekproefsgewijs controleren of bij afwijking aan de voorwaarden wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vervoer naar de dagbesteding op grond van de WMO dat via zorg in natura wordt verstrekt, geldt op basis van het huidige afgesloten contract met de vervoerder een maximaal grens van 6 kilometer afstand tussen de verblijfplaats van cliënt en de dagbestedingslocatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-329-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria maatwerkvoorziening zelfzorg en gezondheidBij dit resultaatgebied staat de eigen verzorging en gezondheid centraal. De cliënt kan in aanmerking komen voor ondersteuning en toezicht ten aanzien van de eigen persoonlijke verzorging (gewassen, tanden gepoetst, draagt schone kleding); de fysieke en psychische gezondheid, waaronder het nakomen van medische afspraken of afspraken met zorgprofessionals, of toezien op het gebruik van medicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning binnen dit resultaatgebied kan niet aan de orde zijn als de zorg onder de reikwijdte van de Zorgverzekeringswet valt. Dit is vooral vaak het geval als er sprake is van ondersteuning als gevolg van een somatische, lichamelijke of psycho-geriatrische beperking. Dan zal de persoonlijke verzorging en verpleging vanuit de voorliggende Zorgverzekeringswet worden geïndiceerd en gefinancierd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3210-96\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria voor nachtelijk toezicht en huisvestingDit resultaatgebied valt uiteen in 2 onderdelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nachtelijk toezicht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend ondersteuningselement Huisvesting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit resultaatgebied is aan de orde bij cliënten met multiproblematiek. Er moet allereerst sprake zijn van een chronisch psychische of psychosociale problematiek of verstandelijke beperking. Daarnaast zijn er problemen op meerdere leefgebieden (wonen, werken, inkomen), in het persoonlijk functioneren (gebrek aan structuur, verslavingsproblematiek, verstoring dag-/nachtritme, slechte persoonlijke verzorging etc.). Voor een deel van deze cliënten is nachtelijk toezicht nodig om gestructureerd en veilig te kunnen wonen en ter bescherming van henzelf en hun directe omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval kan nachtelijk toezicht aan de orde zijn. Doorgaans omvat dit de periode tussen 23.00 uur en 7.00 uur. Het nachtelijk toezicht kan geboden worden in verschillende vormen, afhankelijk van de mate waarin nachtelijk toezicht noodzakelijk is en hij zijn ondersteuningsbehoefte kan uitstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een geringe behoefte kan nachtelijk toezicht op afroep volstaan, in de vorm van een ambulante wacht. Bijvoorbeeld als cliënt of zijn omgeving in staat is ondersteuning in te schakelen als dat nodig is. In sommige situaties is een slaapwacht aangewezen, die op locatie een slaapdienst heeft en inspringt als dat nodig is. In uiterste situatie, bij ernstige meervoudige problematiek kan permanent toezicht aangewezen zij, in de vorm van een vaste wakende wacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nachtelijk toezichthoudende medewerker de-escaleert situaties, coacht waar nodig in het hanteren van een gezond dag- en nachtritme en grijpt in wanneer de cliënt teveel onder invloed staat van anderen waar dit een risico van achteruitgang met zich meebrengt. Door deze vorm van toezicht ook in een extramurale setting beschikbaar te stellen, kan worden bevorderd dat de cliënt zich in een extramurale setting zoveel mogelijk zelfstandig kan handhaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de cliënt daarnaast niet in staat is zelfstandig een woning te bewonen en een huishouden te voeren vanwege zijn beperkingen en problematiek, kan ook het ondersteuningselement huisvesting worden geïndiceerd, ofwel het zogenaamd Beschermd Wonen. Er is dan sprake van een intramurale setting, waarbij behalve in huisvesting ook wordt voorzien in maaltijden. In beginsel kan het ondersteuningselement huisvesting alleen worden geïndiceerd voor de cliëntgroepen VB Intramuraal en (O)GGZ intramuraal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze intramurale setting geldt een ander eigen bijdrageregime dan voor extramurale ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van beschermd wonen voor de cliëntgroep (O)GGZ is de gemeente Rotterdam centrumgemeente. De wetgever heeft bepaald dat de verplichting tot het bieden van beschermd wonen niet beperkt is tot ingezetenen van de gemeente. De VNG heeft voor de landelijke toegang beschermd wonen een handreiking en beleidsregels opgesteld. Ook de gemeente Rotterdam conformeert zich hieraan. Niet voor iedereen die zich tot de gemeente wendt, is de gemeente ook de meest wenselijke plek om beschermd wonen te bieden. Dit hangt, behalve van de wensen van de cliënt, vooral af van: de aanwezigheid van een positief sociaal netwerk (familie, vrienden, die toegang tot beschermd wonen kunnen helpen voorkomen of uitstroom naar een vorm van zelfstandig wonen kunnen bevorderen); trajecten die reeds zijn ingezet met hulpverleningsinstanties, bijvoorbeeld voor schulddienstverlening; de stappen die cliënt al heeft gezet met bijvoorbeeld scholing, (vrijwilligers)werk of passende dagbesteding; eventueel aanwezige (veiligheids)risico’s op de huidige woonplek; de behoefte aan een specifieke aanpak Het college neemt deze overwegingen mee in zijn beoordeling en stemt waar nodig en mogelijk af met de gemeente van herkomst om te kunnen bepalen wat de beste situatie is voor de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van een gezinsarrangement kan deze huisvesting ook worden geboden aan kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nachtelijk toezicht met huisvesting is alleen mogelijk in de vorm van natura. Indien de cliënt dit arrangement niettemin in pgb wil ontvangen, en aan de overige voorwaarden daarvoor voldoet, wordt het element huisvesting daarin niet opgenomen. De huisvestingslasten moeten dan worden bekostigd uit andere middelen of verstrekkingen, zoals een uitkering of huurtoeslag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3211-97\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria maatwerkvoorziening mantelzorgondersteuning met verblijfDe mantelzorger vormt een belangrijke schakel in de ondersteuning van de cliënt en kan er vaak in belangrijke mate aan bijdragen dat de cliënt langer in zijn vertrouwde omgeving kan blijven wonen. De mantelzorger is ook vertrouwd voor de cliënt, waardoor de ondersteuning door een mantelzorger vaak beter wordt geaccepteerd. Omdat vaak veel van mantelzorgers wordt gevraagd, is het van belang dat zij waar mogelijk worden ondersteund zodat zij hun taken kunnen blijven uitoefenen zonder dat zij overbelast raken. Mantelzorgondersteuning kan plaatsvinden in de vorm van een algemene voorziening, zoals door het ter beschikking stellen van een luisterend oor of het ondersteunen met raad en daad. Deze vorm van ondersteuning is onderdeel van de opdracht van gecontracteerde welzijnsaanbieders en wijkteams De mantelzorgondersteuning kan ook betrekking hebben op bijvoorbeeld respijtzorg, zodat de mantelzorger een of meerdere dagdelen per week van zijn zorg ontslagen is. De zorg wordt op die momenten overgenomen door een ander.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de maatwerkvoorziening binnen het resultaatgebied “mantelzorgondersteuning met verblijf” gaat het er om dat de cliënt, die permanent toezicht nodig heeft in verband met zijn beperkingen, van tijd tot tijd kortdurend (maximaal 3 etmalen per week) elders verblijft waar de benodigde ondersteuning en toezicht kan worden geboden. Op deze manier wordt de mantelzorg even ontlast, terwijl de cliënt de benodigde ondersteuning krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt mag deze etmalen die per jaar worden verstrekt ook opsparen, zodat de mantelzorger een vakantie kan nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3212-98\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening crisisopvang huiselijk gewelHet college is verantwoordelijk voor de opvang van personen die in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, hun huis hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving De crisisopvang voor slachtoffers van huiselijk geweld is bedoeld voor mensen die in acuut gevaar dan wel in een levensbedreigende situatie verkeren. De crisisopvang is de eerste opvang in deze situatie, waarbij allereerst bescherming en veiligheid wordt geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de crisisopvang wordt gewerkt aan de (basis)voorwaarden om uiteindelijk, al dan niet met tussenstappen in andere vormen van opvang, weer een zelfstandig bestaan op te bouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot de basisvoorwaarden worden bijvoorbeeld gerekend dat cliënt (weer) beschikt over een legitimatiebewijs, een bankrekening, een DigiD, een zorgverzekering en een inkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het van belang om bij de cliënt en de eventuele kinderen rust te creëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo snel mogelijk wordt de hulpvraag en hulpbehoefte van de cliënt in kaart gebracht. Aan de hand hiervan wordt aan de cliënt een passend hulpaanbod of een combinatie van hulp aangeboden tijdens de crisisopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de crisisopvang wordt daarnaast een vraagverheldering gedaan, om te bezien wat voor aanvullende ondersteuning er nu en na de crisisopvang noodzakelijk is, al dan niet via de Wmo 2015 of Jeugdwet. Zo nodig wordt ook medische (GGZ-zorg) ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond (VTRR) verzorgt namens het college de toegang tot deze crisisopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">VTRR bekijkt de situatie van de cliënt, de mogelijkheid om, al dan niet met behulp van het eigen netwerk of door interventie van derden in een oplossing te voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze alternatieven niet aanwezig zijn en er genoeg gronden zijn voor crisisopvang, geeft VTRR een beschikking af waarmee de cliënt toegang krijgt tot de crisisopvang. Is er geen sprake van een situatie waarbij crisisopvang moet worden geboden, dan wordt bekeken in hoeverre er op andere wijze ondersteuning noodzakelijk is via een reguliere meldingsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samen met de volwassene kunnen hier ook eventuele meekomende kinderen worden opgevangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De crisisopvang is tijdelijk: in principe maximaal 8 weken, eventueel te verlengen met maximaal 4 weken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3213-99\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria maatwerkvoorziening sociaal/recreatief vervoerHet college biedt een maatwerkvoorziening voor sociaal/recreatief vervoer aan, als een cliënt in verband met zijn beperkingen of belemmeringen niet in staat is van het reguliere (openbaar) vervoer gebruik te maken. Een maatwerkvoorziening is derhalve niet aan de orde als er alleen sprake is van financiële belemmeringen om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Ook is de maatwerkvoorziening sociaal/recreatief vervoer niet bestemd voor vervoer van en naar de dagbesteding of dagbehandeling. Hiervoor is een aparte maatwerkvoorziening beschikbaar. Net als voor andere maatwerkvoorzieningen geldt ook dat een maatwerkvoorziening sociaal/recreatief vervoer niet aan de orde is als hier andere voorzieningen voor zijn, zoals bijvoorbeeld in het kader van de Zorgverzekeringswet De maatwerkvoorziening is bestemd voor lokaal vervoer. Voor het bovenlokale vervoer stelt het Rijk een vervoersvoorziening beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is opgenomen dat een maatwerkvoorziening bestemd kan zijn voor 4 soorten voorzieningen: vervoerspas om individueel of samen met medereizigers gebruik te maken van het collectief aanvullend vervoerssysteem (CAV). Dit CAV wordt in Rotterdam uitgevoerd onder de naam Trevvel samen; begeleid gebruik van het openbaar vervoer, met het doel dat cliënt hier uiteindelijk zelfstandig gebruik van kan maken; vervoer per eigen individueel vervoermiddel. Te denken valt aan een aangepaste auto, een open (scootmobiel) of gesloten gehandicaptenvoertuig en een fietsvoorziening. Het gaat hierbij dus om een vervoermiddel dat exclusief voor cliënt beschikbaar wordt gesteld of in bezit is van cliënt of aan hem in bruikleen is gegeven; een parkeervoorziening. Te denken valt aan de vergoeding van de leges die verschuldigd is voor een Europese invalidenparkeerkaart of de bijdrage die een cliënt moet betalen voor de aanleg van een parkeerplaats op kenteken bij de eigen woning voor personen met een beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het primaat ligt bij het gebruik van het CAV. Dat wil zeggen dat als de cliënt gebruik kan maken van het CAV (gezamenlijk of individueel) er geen andere maatwerkvoorziening aan de orde kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel kan in aanvulling op het CAV begeleiding voor gebruik van het openbaar vervoer worden geboden (zodat op termijn het CAV niet meer of nog maar beperkt nodig is) òf een aanvullende voorziening voor met name de korte afstanden, zoals een open gehandicaptenvoertuig (scootmobiel) of een fietsvoorziening. Zolang cliënt zich op basis van spierkracht kan voortbewegen, wordt dit gestimuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid is opgenomen dat er een maximum aan ritten op jaarbasis worden verstrekt bij begeleid openbaar vervoer of gebruik van het CAV. Het maximum van 312 is gebaseerd op uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zesde lid is opgenomen dat bij niet-gebruik van de vervoerspas gedurende 2 jaar, de vervoerspas van vervalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit staat los van de mogelijkheid dat het college op basis van een heronderzoek vaststelt dat het aantal ritten moet worden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het zevende tot en met negende lid zijn voorwaarden opgenomen waaronder de cliënt aanspraak kan maken op aanvullende voorzieningen bij het gebruik van het CAV. Het gaat dan om: het meenemen van kinderen tot 12 jaar of andere meereizenden; het meenemen van een begeleider; het bieden van extra begeleidingsservice.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een cliënt een rit boekt, wordt verwacht dat hij op het afgesproken tijdstip klaarstaat om mee te gaan. Hij kan tot uiterlijk 1 uur van tevoren een rit annuleren. Doet hij dit niet of pas kort van tevoren, dan worden de geboekte ritten afgeboekt van zijn saldo en (ook voor een betalende medereiziger) in rekening gebracht bij cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is een cliënt regelmatig nalatig in het tijdig annuleren van een rit, dan kan in overleg tussen college en vervoerder een extra bedrag in rekening worden gebracht bij cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een cliënt in aanmerking komt voor een vervoerspas voor het CAV, maar hij wil daar geen gebruik van maken, dan kan hij een pgb krijgen. Maar dat kan alleen onder de (cumulatieve) voorwaarden die staan genoemd in het twaalfde lid, onder a en b: voor 5 jaar afzien van het gebruik van het CAV; pgb bestemmen voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of aanpassing van personenauto of brommobiel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het pgb als alternatief voor het CAV wordt bepaald op basis van een door cliënt ingediende offerte voor de aanschaf- of aanpassingskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in deze situatie kan de cliënt eventueel in aanmerking komen voor een aanvullende maatwerkvoorziening voor de korte afstand, als dit noodzakelijk is voor zijn participatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In uitzonderlijke situaties kan het voorkomen dat een cliënt geen gebruik kan maken van het CAV en waarbij het pgb, zoals bedoeld in het twaalfde lid, ook geen alternatief is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval kan hij in aanmerking komen voor een financiële maatwerkvoorziening, die hem in staat stelt in zijn vervoersbehoefte te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het behoud van een open gehandicaptenvoertuig (scootmobiel) en ter voorkoming van joyriding of vernieling, is het noodzakelijk dat deze overdekt kan worden gestald. Eventueel kan het college voor een stalling een woonvoorziening verstrekken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3215-100\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningenIn de toelichting bij artikel 3.2.3 is opgenomen dat van een burger verwacht mag worden dat hij bij een aanschaf of bij een verhuizing rekening houdt met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan Dat betekent dat, als iemand al een beperking heeft en verwacht kan worden dat deze verslechtert, hij bij een eventuele verhuizing rekening houdt met die toekomstverwachting. Als hij dat niet doet en later een beroep doet op ondersteuning voor een woningaanpassing of verhuizing naar een wel geschikte woning, kan het college dergelijke ondersteuning afwijzen. Dit gaat niet zover dat van een burger ook verwacht wordt dat hij inspeelt op onzekere toekomstige gebeurtenissen, zoals mogelijke beperkingen als gevolg van het ouder worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een cliënt belemmeringen ondervindt in het normale gebruik van de woning, moet een keuze worden gemaakt of de woning moet worden aangepast of dat een verhuizing meer voor de hand ligt. Bij deze keuze spelen meerdere factoren een rol, waarbij de mate waarin een factor van belang is, per cliënt kan verschillen. Factoren zijn bijvoorbeeld: de mogelijkheid om de eigen woning duurzaam aan te passen; de wens van cliënt en in de persoon gelegen factoren; de aanwezigheid van een netwerk of mantelzorger die cliënt kan en wil ondersteunen in de buurt van de huidige woning of in de buurt van een andere woonplek; de kosten; de beschikbaarheid op een aanvaardbare termijn van een geschikte andere woning; de financiële consequenties voor cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het onderzoek wordt een keuze gemaakt voor de meest adequate oplossing, waarmee cliënt ook op langere termijn het best mee is geholpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als bijvoorbeeld een kind in een instelling woont, kan de woning ook bezoekbaar worden gemaakt. Bezoekbaar wil niet zeggen dat het geschikt zoals wanneer het kind thuis zou wonen. Het kind is echter wel in de gelegenheid de ouders thuis te bezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In principe wordt slechts één woning bezoekbaar gemaakt. In geval van een echtscheiding van de ouders kan het echter noodzakelijk zijn beide woningen aan te passen, zodat het kind beide ouders kan bezoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De term eigen woning impliceert dat de voorzieningen alleen aangebracht kunnen worden op het adres waar de cliënt woont. De aanpassing kan derhalve geen betrekking hebben op verblijfplaatsen die niet geschikt of bestemd zijn om het gehele jaar door te worden bewoond. Daarvan kan slechts in bijzondere individuele situaties worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook als de cliënt feitelijk grotendeels elders verblijft, kan de conclusie zijn dat een woonvoorziening geen meerwaarde heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dubbele woonlasten komen voor vergoeding in aanmerking als een cliënt tijdelijk elders moet verblijven totdat de woning is aangepast en de aanpassingen dermate ingrijpend zijn dat het niet mogelijk is voor de cliënt om hier tijdens het aanbrengen van deze aanpassingen te verblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigenaar van de woning is er voor verantwoordelijk dat de woning bewoonbaar is. Problemen zoals lekkages, schimmelvorming etc. kunnen tot een voor de cliënt ongezonde situatie leiden, doch behoren in principe niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid is geregeld dat van dit principe in bijzondere situaties kan worden afgeweken. De problemen in de woning worden niet door het college opgelost, maar de cliënt wordt wel in de gelegenheid gesteld te verhuizen naar een andere woning. Daarvoor stelt het college een financiële maatwerkvoorziening voor verhuiskosten beschikbaar via een daartoe vastgesteld format onder overlegging van bewijsstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als betrokkene in een instelling verblijft op grond van de Wet langdurige zorg, is een woonvoorziening niet aan de orde. Er is immers geen sprake van verbetering of handhaving van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt en bovendien is de Wet langdurige zorg in dat geval voorliggend. Een instelling die in het kader van het resultaatgebied “nachtelijk toezicht en huisvesting” huisvesting biedt, wordt geacht toegerust te zijn op bewoners met een beperking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3216-101\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria sporthulpmiddelenEerste lid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Uit de definitie in artikel 1.1 volgt dat een sporthulpmiddel alleen bedoeld is om mee te sporten. Aan een sporthulpmiddel worden eisen gesteld die voor andere hulpmiddelen niet gelden. Bijvoorbeeld zo hard mogelijk fietsen (sport) in plaats van recreatief fietsen (vervoer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de bouw van bijvoorbeeld een sportrolstoel of een sporttandem is deze in de praktijk ook niet geschikt voor het dagelijks gebruik, zoals voor het doen van boodschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan voor een sporthulpmiddel een financiële maatwerkvoorziening verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sporthulpmiddelen zijn vaak zeer persoonsgebonden en volledig aangepast aan de specifieke beperkingen van de cliënt. Sporthulpmiddelen worden om die reden niet ingekocht door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Een sporthulpmiddel wordt verstrekt voor de beoefening van één sport. Dat betekent dat gedurende de afschrijvingsperiode van het sporthulpmiddel cliënt niet in aanmerking kan komen voor een sporthulpmiddel voor een andere sport. De afschrijvingsperiode vangt aan op het moment dat de financiële maatwerkvoorziening is uitbetaald. Het college bepaalt wat een redelijke afschrijvingsperiode is voor het betreffende sportmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wél kan het zijn dat er voor één sport meerdere hulpmiddelen noodzakelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid is geregeld dat het college cliënt eerst kan verwijzen naar het Fonds Gehandicaptensport (Programma Uniek Sporten) voordat het een financiële maatwerkvoorziening verstrekt. Samen met de mensen die daar werkzaam zijn kan cliënt ontdekken of de door hem gekozen sport voor hem passend is én kan hij ervaren (en geadviseerd worden over) wat voor hem belangrijk is bij de aanschaf van een sporthulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verwijzing naar het Fonds Gehandicaptensport is niet altijd nodig. Een verwijzing kan bijvoorbeeld overbodig zijn als het een vervanging betreft van een sporthulpmiddel of als de cliënt in een revalidatiecentrum, met een therapeut of bij een sportvereniging het sporthulpmiddel al uitgebreid heeft uitgeprobeerd en duidelijk is: dat de sport die hij heeft gekozen de juiste is; aan welke eisen het sporthulpmiddel minimaal moet voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Een sporthulpmiddel wordt alleen verstrekt als cliënt op regelmatige basis gaat sporten. Anders is er geen sprake meer van sport maar van recreatie en mist ook het participatiedoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een sporthulpmiddel dat alleen of vooral tijdens vakanties wordt gebruikt, zoals een aangepast snowboard voor de wintersport, wordt ook om die reden niet vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook een sporthulpmiddel dat bedoeld is voor topsportbeoefening valt buiten de vergoedingsmogelijkheden. Hiervoor zal cliënt andere financieringsbronnen moeten zoeken, zoals het NOC-NSF of sponsoren. In zeer bijzondere omstandigheden kan het college hiervan afwijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Er zijn 3 verschillende mogelijkheden waarvoor de financiële maatwerkvoorziening bestemd kan zijn, namelijk: de aanschaf van een sporthulpmiddel dat iemand zonder beperking niet gebruikt. Hierbij kan gedacht worden aan een blade om atletiek te kunnen beoefenen of een rolstoel voor rolstoelbasketbal; de meerkosten van een aangepast sporthulpmiddel ten opzichte van een niet aangepaste versie van dit sportmiddel. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan over het verschil tussen een aangepaste of gewone racefiets; of de kosten van aanpassing van een sporthulpmiddel zodat dit ook met de beperking van cliënt kan worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast wordt een bedrag voor het onderhoud verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Het college bepaalt de hoogte van de financiële maatwerkvoorziening op basis van een offerte. Daarbij kijkt het college naar de redelijkheid van de offerte. Hierbij kan het college marktonderzoek doen of advies inwinnen bij het Fonds gehandicaptensport of andere deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de situatie, bedoeld in het vorige lid onder b (vergoeding meerkosten) worden de kosten vervolgens afgezet tegen de kosten die een persoon zonder beperking moet maken voor de aanschaf of onderhoud van zijn sportuitrusting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid Net als bij andere maatwerkvoorzieningen gaat het college ook bij de toekenning van een sporthulpmiddel uit van de goedkoopst adequate oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze goedkoopst adequate oplossing ziet enerzijds op de keuze van het sporthulpmiddel. Als de keuze voor een bepaald sporthulpmiddel is gemaakt, wordt eveneens gekozen voor de goedkoopst adequate oplossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wil zeggen dat het college bijvoorbeeld kijkt naar de geschiktheid van het sporthulpmiddel voor de cliënt. Daarnaast beoordeelt het college in hoeverre het gekozen adequate sporthulpmiddel ook in de voor cliënt goedkoopste uitvoering wordt aangeschaft. “Goedkoopst adequaat” gaat niet zover dat het college de cliënt verplicht de goedkoopst mogelijke sport te kiezen. Wel kan het college grenzen stellen in relatie tot de kosten van het sporthulpmiddel, mits cliënt nog mogelijkheden heeft om uit meerdere sporten te kiezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid Omdat het gaat om een financiële maatwerkvoorziening, hoeft de cliënt over de besteding geen verantwoording af te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college betaalt rechtstreeks aan de cliënt, indien deze een factuur heeft overgelegd òf aan de leverancier van het sporthulpmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.3 GezinsarrangementenArtikel 3.3.1 Verstrekking gezinsarrangementHet college streeft naar “een gezin, één plan”, waarbij de ondersteuning binnen een gezin zoveel mogelijk in samenhang wordt verleend. Dat kan betekenen dat een Wmo-aanbieder het volledige arrangement biedt, waarbij ook jeugdhulp zit. Deze vorm van jeugdhulp valt onder ‘overige voorzieningen’ in de zin van artikel 2.1. tweede lid onder a. welke ook door andere dan jeugdhulpaanbieders kan worden geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er gespecialiseerde jeugdhulp nodig is, dan levert alleen de aanbieder deze, die in het kader van de Jeugdwet is gecontracteerd. In dat geval stemmen de aanbieders van Wmo-ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af, waarbij het college één aanbieder aanwijst die de regie voert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij inwerkingtreding van deze verordening wordt een gezinsarrangement alleen nog geboden als er naast maatschappelijke ondersteuning alleen eenvoudige opvoedondersteuning moet worden geleverd, ongeacht of de ouder en de jeugdige in een voorziening voor maatschappelijke opvang verblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.4 Persoonsgebonden budgetArtikel 3.4.1 Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgbIn de Wmo 2015 en in de Jeugdwet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit artikel wordt geregeld op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer cliënt naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening, en hij vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, zijn er aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een pgb-plan (voorheen zorg- en budgetplan), dat de cliënt met zijn aanvraag voor een pgb moet indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe en waarom men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lidDe in het tweede lid van dit artikel bedoelde wettelijke verlenings- en weigeringsgronden staan voor wat betreft de Wmo 2015 in artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid en wat betreft de Jeugdwet in artikel 8.1.1, tweede en vierde lid. Het college verleent dan wel weigert binnen deze en de overige in artikel 3.4.1 vermelde criteria een persoonsgebonden budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn als voorwaarden voor het verstrekken van een pgb geformuleerd: dat de cliënt op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; in de Wmo 2015: dat de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Jeugdwet: dat de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; in de Wmo 2015: dat is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening horen, veilig, doeltreffend en cliëntgerichtheid worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Jeugdwet: dat de individuele voorziening van goede kwaliteit is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan op grond van de Wmo 2015/Jeugdwet tevens een pgb weigeren wanneer: de kosten van het pgb hoger te zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of individuele voorziening; een beslissing op een aanvraag eerder is ingetrokken of herzien omdat de cliënt, danwel de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens heeft of hebben verstrekt die tot een andere beslissing zouden hebben geleid, of omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden, of omdat de voorziening niet of voor een ander doel wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de bepaling onder d wordt verhinderd dat een pgb wordt verstrekt aan een cliënt die hier onder druk van mensen in zijn omgeving om heeft verzocht en bij wie een werkelijke hulpbehoefte niet aantoonbaar is, of bij wie de hulpvraag ondergeschikt is aan financieel gewin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lidAls een cliënt niet zelf tot het beheer van zijn pgb in staat is of nog niet de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, waardoor een situatie van (wettelijke) vertegenwoordiging aan de orde is, moet worden gewaarborgd dat de vertegenwoordiger die de cliënt ondersteunt hiertoe daadwerkelijk in staat is en dit vanuit zuiver hulpgedreven motieven doet. Hierbij gelden in ieder geval dezelfde contra-indicaties als voor de budgethouder zelf. De mogelijkheid dat er een ongewenste belangenverstrengeling tussen vertegenwoordiger en pgb-hulpverlener(s), danwel een ongewenste (financiële) afhankelijkheidsrelatie ontstaat, dient te worden vermeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om die reden is een aantal aanvullende voorwaarden c.q. weigeringsgronden aan de vertegenwoordiging opgenomen. In principe mag de uitvoerder van de ondersteuning niet degene zijn die vertegenwoordiger is, aangezien de objectiviteit van de te beoordelen kwaliteit van de ondersteuning dan niet aanwezig is of andere, niet hulpgedreven overwegingen een doorslaggevende rol kunnen gaan spelen. Dit betekent onder andere dat bij minderjarigheid van de cliënt, vanwege de automatische vereniging van rollen van inkoper en uitvoerder van een (informeel) persoonsgebonden budget, een dergelijk pgb aan een ouder in beginsel niet mogelijk is. Slechts bij hoge uitzondering kan hier door het college van worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens is het criterium nabijheid geformuleerd om te garanderen dat een vertegenwoordiger daadwerkelijk in staat is voldoende aanwezig te zijn bij de cliënt, om daadwerkelijk op verantwoorde wijze regie over het pgb te kunnen voeren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de vertegenwoordiger, uiteraard afhankelijk van het type ondersteuning, minimaal 1 maal per week aanwezig dient te zijn wanneer de zorg wordt geleverd..</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lidHet college verlangt van de cliënt conform een door het college vastgesteld format een schriftelijke pgb-machtiging en pgb-verklaring teneinde het pgb op een verantwoorde wijze uit te voeren. De machtiging houdt in dat cliënt schriftelijk aangeeft wie degene is die hem -indien van toepassing- vertegenwoordigt. De schriftelijke verklaring houdt in dat de cliënt als budgethouder alsmede de vertegenwoordiger zich ten opzichte van het college en de cliënt verplicht tot het op juiste en verantwoordelijke wijze beheren van het pgb en daarmee de belangen van de cliënt. De verklaring dient tevens als instrument ter bewustwording van cliënt en vertegenwoordiger van de rechten en plichten die een pgb met zich brengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lidAls er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7 of ambtshalve maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning op basis van een vraagverhelderings-onderzoek. In zo’n geval is de ondersteuning voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. De randvoorwaarden hiervoor worden in de Nadere regels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp vastgesteld. Daarbij is een maximale termijn bepaald en zal onder andere door het college worden getoetst of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen resultaatgebieden, alsmede of de kwaliteit is gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als Collectief Aanvullend Vervoer als maatwerkvoorziening voor een cliënt passend wordt geacht, is een pgb in principe niet mogelijk. Het college kan daarop een uitzondering maken als het pgb wordt bestemd voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of de aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel. Voorwaarde is wel, dat hij voor 5 jaar afziet van het gebruik van Collectief Aanvullend Vervoer. Dit is opgenomen in artikel 3.2.13, twaalfde lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder d: Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die hem helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is cliënt hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hij ook zelf de keuze maakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder e: Voor het ondersteuningselement huisvesting in situaties zoals beschreven in artikel 3.2.10 is evenmin een pgb mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lidAls een cliënt het pgb wil besteden aan ondersteunende dienstverlening of jeugdhulp via het informele circuit (b.v. het sociale netwerk rond de jeugdige), geldt dat hij hiervoor niet meer mag uitgeven dan het maximale pgb-tarief dat op grond van deze verordening hiervoor wordt gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens dient de informele dienstverlening volwaardig te zijn en tegemoet te komen aan de hulpvraag van de cliënt. Wanneer een cliënt bijvoorbeeld duidelijk wordt geïndiceerd voor professionele ondersteuning, is het niet mogelijk dat de ondersteunende dienstverlening op informele wijze wordt geleverd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-342-102\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Overige bepalingen pgbBinnen een resultaatgebied in het kader van de Wmo 2015 of de Jeugdwet moet de cliënt kiezen om deze of in natura of in de vorm van een pgb te ontvangen. Als een cliënt voor meerdere resultaatgebieden ondersteuning nodig heeft, kan hij wel tussen de resultaatgebieden onderscheid maken of hij deze in natura of in de vorm van een pgb wenst te ontvangen Voor aanvullende voorzieningen die binnen een resultaatgebied nodig zijn, anders dan voor dienstverlening, behoudt de cliënt de vrije keuze. Dus als een cliënt voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren voor de dienstverlening een pgb wenst te ontvangen, maar voor dit resultaatgebied ook een vervoersvoorziening nodig heeft, kan hij deze vervoersvoorziening in natura ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor professionele en informele ondersteuning. Voor zover de cliënt binnen één resultaatgebied zowel professionele als informele ondersteuning inschakelt, maakt het college op basis van de begroting de keuze of hij het maximum voor informele of professionele ondersteuning hanteert. Het college kan in principe voor alle treden een pgb toekennen. Daarom is hier geen belemmering opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor ondersteuning binnen een aantal resultaatgebieden en ondersteuningselementen is het niet logisch om deze door iemand uit het sociale netwerk op basis van een overeenkomst tot opdracht wordt verleend. Dit kan enerzijds te maken hebben met de aard van de ondersteuning (groepsgewijze dagbehandeling/dagbesteding, vervangende opvoeding etc.). Anderzijds kan ook een rol spelen dat een overeenkomst tot opdracht niet voor de hand ligt, omdat dit soort ondersteuning vooral vanuit een persoonlijke betrokkenheid met de cliënt wordt geboden. Daarom zijn deze vormen van ondersteuning op basis van een overeenkomst tot opdracht in het derde lid uitgesloten van een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid, aanhef en onder a, is geregeld dat als jeugdhulp voor het ondersteuningselement ‘mantelzorg’ op onverplichte basis wordt geboden door iemand uit het sociale netwerk, het college ten laste van het informele pgb een tegemoetkoming kan verstrekken, mits er sprake is van een door het college goedgekeurde verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid, aanhef en onder b, is geregeld dat voor dagbesteding (in het kader van dagbesteding binnen het sociale netwerk is feitelijk sprake van dagopvang, ter ontlasting van de mantelzorger) en mantelzorgondersteuning met verblijf in het kader van de Wmo 2015 een tegemoetkoming ten laste van het informele pgb kan worden betaald als in het kader hiervan op onverplichte basis ondersteuning wordt geleverd door iemand uit het sociale netwerk, mits er sprake is van een door het college goedgekeurde verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college beoordeelt of de ondersteuning op deze wijze verantwoord kan worden verleend, gelet op de specifieke problematiek van de cliënt. Dat betekent dat het college een verklaring ook kan weigeren. Het college kan een verklaring daarnaast weigeren als niet wordt voldaan aan de eisen die de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 of de Regeling Jeugdwet ten aanzien van deze vorm van onverplichte ondersteuning en de verklaring heeft opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is niet voor gekozen om de tegemoetkoming ook mogelijk te maken voor andere resultaatgebieden dan hier genoemd, omdat de tegemoetkoming alleen kan worden verstrekt voor onverplicht verleende hulp binnen het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is onwenselijk de ondersteuning voor de andere resultaatgebieden onverplicht te laten plaatsvinden, omdat hierdoor de continuïteit in de ondersteuning niet kan worden gewaarborgd en daarmee het bereiken van de gewenste resultaten wordt belemmerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid is opgenomen dat het niet mogelijk is om ten laste van het pgb voor een resultaatgebied een tegemoetkoming te verstrekken als voor dit resultaatgebied een pgb wordt verstrekt voor ondersteuning door een professionele derde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1.3, onder a, sub 5°, is geregeld dat het college nadere regels over de tegemoetkoming kan opstellen. Daarnaast kan het college hierover beleidsregels opstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-343-103\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoogte van het pgb en begrotingDe basis voor de vaststelling van de hoogte van het pgb is de door de cliënt ingediende begroting die onderdeel uitmaakt van het pgb-plan dat de cliënt moet overleggen Het college begrenst het pgb echter op de tarieven zoals die in de volgende artikelen zijn omschreven. Deze tarieven zijn derhalve de feitelijke maxima. Wel kan het college de tarieven afronden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast houdt het college rekening met het feit of de ondersteuning binnen het informele circuit wordt geleverd (familie, buren, sociale netwerk, niet-professionele hulpverleners) of door een professionele dienstverlener. Het college zal beoordelen of er inderdaad sprake is van een professionele dienstverlener op basis van een aantal door het college op te stellen criteria in de Nadere regels Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een professionele dienstverlener heeft hogere kosten dan een informele dienstverlener en daarom wordt hiervoor een hoger tarief als maximum gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de cliënt door de verstrekking van een pgb kosten bespaart voor een in zijn situatie algemeen gebruikelijk te achten product, kan het college besluiten die kosten in mindering te brengen op het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil de cliënt een pgb ontvangen in plaats van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening dan kunnen zich 3 situaties voordoen: de gemeente koopt een vergelijkbare voorziening zelf in. In dat geval wordt de maximale hoogte van het pgb afgeleid van de kostprijs van de maatwerkvoorziening of individuele voorziening; de gemeente huurt een vergelijkbare maatwerkvoorziening. In dat geval wordt de kostprijs van de maatwerkvoorziening waarvan de maximale hoogte van het pgb wordt afgeleid vastgesteld aan de hand van de technische afschrijvingstermijn van de voorziening en de huur die de gemeente over deze periode voor de voorziening verschuldigd zou zijn; de gemeente heeft geen contract voor de inkoop of huur van een vergelijkbare maatwerkvoorziening of individuele voorziening. In dat geval wordt de kostprijs vastgesteld op basis van offertes, marktonderzoek, of geldende marktprijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er meerdere aanbieders zijn die een vergelijkbare maatwerkvoorziening of individuele voorziening leveren, wordt het laagste tarief als uitgangspunt gehanteerd. Ook de marktprijs wordt gebaseerd op de laagste prijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan besluiten dat een redelijk bedrag van het ter beschikking te stellen pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp verantwoordingsvrij is. Hiermee wordt de cliënt dan in staat gesteld om bijvoorbeeld een extraatje te kopen bij een verjaardag of ziekte van de zorgverlener.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbetaling van een pgb voor ondersteuning of jeugdhulp vindt, op basis van gecontroleerde zorgovereenkomsten van opdracht, plaats door de SVB. Dit is het zogenoemde trekkingsrecht. Uitbetaling van een pgb voor (vervoer)hulpmiddelen en woningaanpassingen vindt, bij mandaatbesluit door de SVB en op basis van leveranciersfacturen plaats door het college. In het nieuwe achtste lid is geregeld dat het college altijd een redelijke termijn in acht moet nemen als het pgb-tarief voor dienstverlening verlaagd wordt. Dit kan zijn door wijziging in de regelgeving (verlaging van de percentages, zoals genoemd in artikel 3.4.4), verlaging van de tarieven voor ondersteuning in natura of door verlaging in de ondersteuningsbehoefte. Hierdoor wordt de cliënt in staat gesteld eventueel zijn zorgcontract met de zorgaanbieder of jeugdhulpverlener aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er geen sprake is van ondersteuning op basis van een overeenkomst tot opdracht, maar van onverplichte ondersteuning vanuit het sociale netwerk, wordt de hoogte van het informele pgb vastgesteld op basis van de ondersteuningsbehoefte. Cliënt overlegt in dat geval een verklaring. Als het college deze goedkeurt, wordt het informele pgb voor dit doel vastgesteld. De hoogte van een informeel pgb waaruit deze onverplichte ondersteuning wordt betaald, wordt begrensd door de maxima die in de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en de Regeling Jeugdwet staan opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de tegemoetkoming nooit hoger zijn dan wat zou zijn betaald als percentage van de kostprijs van ondersteuning in natura. Deze percentages zijn opgenomen in artikel 3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tiende lid is geregeld dat het laagste bedrag uiteindelijk bepalend is voor de vaststelling van de maximale hoogte van het pgb.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-344-104\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulpHet maximum budget voor een professionele dienstverlener is afgeleid van de kostprijs voor de ondersteuning in natura die het college verschuldigd is voor de maatwerkvoorziening of individuele voorziening of bij het ontbreken hiervan, van de marktprijs. Het budget is hieraan niet gelijk, omdat verondersteld wordt dat bij een dienstverlener die op basis van een pgb werkt, sprake is van lagere kosten. Bijvoorbeeld als gevolg van administratieve verplichtingen, niet hoeven meewerken aan cliënt-ervaringsonderzoeken, het niet hoeven voldoen aan verplichtingen op grond van Social Return on Investment (SROI). Vaak is bovendien sprake van een hogere productiviteit Om die reden bedraagt het pgb bij een professionele dienstverlener maximaal 90% van de kostprijs voor de ondersteuning in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indexering van de hoogte van een pgb gaat altijd in op de eerste van de maand. Zo kan bijvoorbeeld een eventuele wijziging van de zorgovereenkomst op de eerste van de maand ingaan, wat voor de Sociale Verzekeringsbank noodzakelijk is om een wijziging in de betaling van zorgverleners die per maand worden betaald te kunnen verwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belastingtechnisch is een maandbetaling ook voor de zorgverlener handiger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien de indexering van de vergoeding voor een maatwerkvoorziening die per CAK-periode worden gedeclareerd veelal met ingang van een nieuwe CAK-periode gebeurt, kan hier dus gedurende een beperkt aantal dagen een minimaal verschil ontstaan tussen de kostprijs van de maatwerkvoorziening en de afgeleide maximum kostprijs van het pgb, zoals wordt berekend met de percentages in de volgende artikelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij ondersteuning in het informele circuit wordt uitgegaan van lagere percentages, omdat in dat geval sprake is van het ontbreken van kosten die professionele dienstverleners wel hebben. Te denken valt aan overheadkosten, verzekeringen en pensioenvoorzieningen. Zoals ook vermeld in artikel 3.4.1 is voor huisvesting geen pgb mogelijk. Het pgb dient immers te worden besteed aan ondersteuning en niet aan wonen of hotelmatige kosten en voeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.4.2, derde lid, is daarnaast voor een aantal onderdelen opgenomen dat hiervoor geen informeel pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk op basis van een overeenkomst tot opdracht mogelijk is. Desondanks staan hiervoor wel percentages opgenomen. Deze percentages gelden als maximum voor het informele tarief op basis waarvan een tegemoetkoming wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In situaties dat de feitelijke dienstverlening of jeugdhulp door vrijwilligers wordt aangeboden die hier niet voor betaald worden, gaat het niet aan om de pgb-ontvanger dit pgb als zuivere winst te laten ontvangen. Daarom hanteert het college in deze gevallen een nultarief.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-345-105\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Pgb voor vervoer naar dagbesteding en dagbehandelingIndien cliënt is geïndiceerd voor vervoer naar de dagbesteding of een locatie waar jeugdhulp wordt geboden (dagbehandeling), is hiervoor een pgb mogelijk Het formele tarief wordt alleen gehanteerd als vervoer door een professionele vervoerder wordt geleverd, zoals een taxibedrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van het pgb wordt bij formele ondersteuning afgeleid van de hoogte van de kosten van vervoer in natura, te weten 90% van de vervoerskosten in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het vervoer door iemand uit het eigen netwerk wordt verzorgd, wordt de vergoeding vastgesteld per kilometer.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-346-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.4.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Pgb overige maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuningVoor overige maatwerkvoorzieningen, zoals woningaanpassingen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen wordt het maximale pgb-tarief afgeleid van de kostprijs van de voorziening in natura Zie ook hetgeen hierover in de toelichting bij artikel 3.4.3 is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan daarbij wel rekening houden met verlaging van de kostprijs als er bijvoorbeeld geen sprake is van arbeidsloon door een aannemer, omdat de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het informele circuit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.5 Verplichtingen aan voorzieningen en pgbArtikel 3.5.1 Verplichtingen aan maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningenIn het eerste lid is bepaald dat het college nadere voorwaarden of verplichtingen kan verbinden aan de maatwerkvoorziening of individuele voorziening. Deze worden ofwel in de nadere regels, de beleidsregels, of (in geval van verplichtingen) in de beschikking vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is opgenomen om wat voor voorwaarden en verplichtingen het bijvoorbeeld kan gaan. De verplichtingen en voorwaarden kunnen enerzijds een verband hebben met de doelstelling van de individuele- of maatwerkvoorziening en het bereiken van de resultaten, maar anderzijds ook met het nakomen van leefregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor maatwerkvoorziening, anders dan voor dienstverlening, kan het ook gaan om bijvoorbeeld verplichtingen of voorwaarden die samenhangen met de veiligheid, een goed beheer van de voorziening etc. Bijvoorbeeld dat een open gehandicaptenvoertuig zoals een scootmobiel, overdekt moet kunnen worden gestald, niet mag worden uitgeleend en niet mag worden verfraaid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar het kan er ook over gaan dat iemand in de opvang mee moet werken aan het opstellen en nakomen van een ondersteuningsplan of dat iemand zich in een instelling voor beschermd wonen houdt aan de leefregels die daar gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-352-107\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besteding en verantwoording van het pgbDe besteding van het pgb dient te geschieden binnen de afspraken die daarvoor met de cliënt zijn gemaakt. Deze afspraken kunnen voortvloeien uit het goedgekeurde pgb-plan en hiernaar zal worden verwezen in de beschikking Hierbij kunnen ook verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de besteding, de termijn waarbinnen een pgb moet zijn besteed, het nakomen van verplichtingen in relatie tot het trekkingsrecht en verantwoording van het pgb. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit op basis van te overleggen documenten, zoals een factuur of overeenkomst met de zorgleverancier. Voor de eenmalige pgb’s doet het college dit namens de SVB.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-353-108\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvorderingDe eerste drie leden zijn feitelijk de weergave van wat ook in zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015 is opgenomen ten aanzien van de informatieplicht en mogelijkheden tot herziening, intrekking en terugvordering van een voorziening of pgb Voor de volledigheid en eenheid van de verordening zijn deze bepalingen ook opgenomen in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid is geregeld dat het pgb niet te lang ongebruikt kan blijven. Als het pgb niet tijdig wordt besteed, wordt deze geacht in het geheel niet te zijn besteed, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Paragraaf 3.6 Overige maatregelen in het kader van de Wmo 2015Artikel 3.6.1 Blijk van waardering voor mantelzorgersVoor de inwerkingtreding van de Wmo 2015 kon een cliënt die extramurale zorg op grond van de AWBZ of Wmo ontving, een mantelzorgcompliment aanvragen voor zijn mantelzorger. Deze fiscaal onbelaste vergoeding werd vervolgens op de rekening van de mantelzorger gestort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is dit landelijke mantelzorgcompliment vervallen. In plaats daarvan moet het college op grond van artikel 2.1.6 van de wet zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mantelzorgers die mantelzorgondersteuning verlenen aan inwoners van Rotterdam kunnen in aanmerking komen voor een dergelijke blijk van waardering. Het is daarbij niet van belang of de mantelzorger in Rotterdam woont. Hoewel de gemeente daartoe wettelijk niet is verplicht, wordt de mantelzorgwaardering ook beschikbaar gesteld aan mantelzorgers die in Rotterdam wonen, ook als degene voor wie zij zorgen buiten Rotterdam woont. De blijk van waardering wordt op twee manieren vormgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst wordt er jaarlijks een activiteit georganiseerd waar mantelzorgers gratis aan kunnen deelnemen. Ten tweede kunnen mantelzorgers die zich hiertoe bij de gemeente melden, in aanmerking komen voor een jaarlijkse attentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij moeten daarbij aangeven voor wie zij mantelzorger zijn. Het college kan nadere regels stellen, bijvoorbeeld over de vorm en waarde van de attentie, de wijze waarop de mantelzorger hiervoor in aanmerking kan komen en het aantal attenties dat het college beschikbaar stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan steekproefsgewijs controleren of de attentie rechtmatig is verstrekt. Is dat niet het geval, dan kan het college besluiten de persoon voor één of meerdere jaren uit te sluiten van het recht op een attentie. Deze jaarlijkse mantelzorgwaardering is aanvullend op andere maatregelen die worden getroffen om mantelzorgers te faciliteren en ondersteunen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-362-109\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.6.2</span><span class=\"lf-art-t\">Tegemoetkoming meerkosten zorgVervallen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 4 Bijdragen en kostprijs maatwerkvoorzieningen en pgb Wmo 2015Paragraaf 4.1 Vergoedingen en eigen bijdragenArtikel 4.1.1 Vergoeding algemeen gebruikelijke kostenAls een cliënt gebruik maakt van een algemene of maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015, dan kan de aanbieder van deze voorziening een vergoeding vragen voor de kosten die onderdeel uitmaken van de voorziening maar feitelijk algemeen gebruikelijk zijn en ook niet worden vergoed door de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij om kosten van bijvoorbeeld boodschappen doen ten behoeve van het verzorgen van maaltijden, het doen van de was, kosten van vervoer, een reguliere toegangs- of lidmaatschapsprijs of bijdrage aan materiaalkosten bij een creatieve activiteit in het Huis van de Wijk. Het college maakt hierover afspraken met de aanbieder van de voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder moet transparant zijn over de kosten die hij in rekening brengt en dit op een duidelijke en begrijpelijke manier kenbaar maken aan de cliënt die gebruik maakt van de voorziening. Dit kan op een bord in de instelling, op een website, met een brief of op een andere duidelijke wijze.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder mag geen kosten in rekening brengen die hij al vergoed krijgt vanuit de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-412-110\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verschuldigdheid bijdrage algemene voorzieningen Een cliënt is voor het gebruik van een algemene voorziening geen bijdrage verschuldigd. De enige uitzondering op deze regel is de algemene vervoersvoorziening. Het gaat daarbij om de wijkbus; het gebruik van het CAV door cliënten van 75 jaar of ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als bij de maatwerkvoorziening voor vervoer, bedraagt de bijdrage de kosten van het regulier openbaar vervoer voor de rit. De vervoerder int de bijdrage voor het CAV, bedoeld in artikel 2.1, derde lid, onderdeel e.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-413-111\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verschuldigdheid bijdrage maatwerkvoorziening en pgb Wmo 2015 De algemene regel is dat een cliënt voor een maatwerkvoorziening of pgb in het kader van de Wmo 2015 een bijdrage is verschuldigd, voor zover dat bij of krachtens de Wmo 2015 mogelijk is. In artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is een aantal situaties en voorzieningen genoemd waarbij een bijdrage niet mogelijk is. Voorbeelden hiervan zijn de rolstoel, als er al sprake is van een bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg, voor cliënten die jonger zijn dan 18 jaar, als er sprake is van gehuwden en ten minste één van hen de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt Aanvullend hierop staat in het tweede lid een aantal situaties genoemd waarin evenmin een bijdrage wordt gevraagd. Het gaat om:</p>\n<p class=\"lf-p\">Opvang, zolang er in combinatie met de opvang geen ondersteuningsarrangement wordt geboden. Te denken valt aan dagopvang of crisisopvang;</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste acht weken van crisisopvang voor slachtoffers huiselijk geweld. Het niet opleggen van de bijdrage over deze periode geeft voor cliënt ruimte om de financiën op orde te brengen. Na 8 weken verlaat cliënt in principe de crisisopvang. Is dat door omstandigheden niet mogelijk, dan is cliënt vanaf dat moment wel een bijdrage verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor voorzieningen in een algemene ruimte, zoals deurdrangers in de hal, wordt geen bijdrage gevraagd, omdat van dergelijke voorzieningen door meerdere bewoners gebruik wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als ondersteuning ambtshalve wordt verstrekt of in de vorm van spoedondersteuning, is een bijdrage niet opportuun. Er is òf geen sprake van een bijdrage òf door de spoedeisendheid is geen regulier onderzoek verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een financiële maatwerkvoorziening is geen bijdrage verschuldigd, omdat dit niet past bij het karakter van een financiële maatwerkvoorziening, die niet persé kostendekkend hoeft te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënt is de bijdrage verschuldigd zolang de cliënt gebruik (kan) ma(a)k(t)en) van de voorziening en de kostprijs van de voorziening niet wordt overschreden. Deze kostprijs speelt geen rol bij maatwerkondersteuning in de vorm van dienstverlening, maar alleen bij bepaalde overige voorzieningen, zoals woonvoorzieningen en hulpmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder gebruikmaken wordt verstaan dat het besluit tot verlening van de maatwerkvoorziening of het pgb niet is ingetrokken. Zolang de indicatie loopt, wordt de voorziening dus geacht te worden gebruikt. Dat betekent dat als er een scootmobiel of een traplift is verstrekt, maar cliënt gebruikt deze niet, hij toch de bijdrage is verschuldigd. Als cliënt wil voorkomen dat hij betaalt voor iets dat hij niet gebruikt, zal hij het college moeten verzoeken het besluit in te trekken en de maatwerkvoorziening terug te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bijdrage voor een maatwerkvoorziening is wettelijk vastgelegd en bedraagt het zogenaamde abonnementstarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor beschermd wonen is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een inkomensafhankelijke systematiek opgenomen. Voor toepassing hiervan wordt de maatwerkvoorziening waar huisvesting onderdeel van uitmaakt, gelijkgesteld met beschermd wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor opvang kan het college op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zelf de hoogte van de bijdrage vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is alleen van toepassing op de bijdrage voor opvang van slachtoffers huiselijk geweld. De hoogte van de bijdrage is vanaf de negende week van verblijf gelijk aan de lage bijdrage die geldt voor beschermd wonen op grond van artikel 3.12, derde lid, van dit uitvoeringsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het CAK is aangewezen door de wetgever om de bijdrage vast te stellen en te innen. Een gemeente kan voor de vaststelling en inning van de bijdrage voor opvang ervoor kiezen dat dit gebeurt door bijvoorbeeld de aanbieder van de opvang. Dat geldt in Rotterdam voor de opvang.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.2 Vaststelling kostprijs maatwerkvoorzieningen en pgb Wmo 2015</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-421-112\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling kostprijs pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kostprijs van een voorziening waarvoor een pgb wordt verstrekt is gelijk aan de hoogte van het pgb. Bij woonvoorzieningen en hulpmiddelen is alleen sprake van een eenmalig pgb. De bijdrage die op grond van de vorige paragraaf wordt gevraagd zal in relatie tot het pgb nooit hoger kunnen zijn dan de hoogte van het pgb dat is verstrekt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422-113\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Vaststelling kostprijs maatwerkvoorziening en algemene voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en het sociaal vervoerssysteem CAV is het van belang dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet overschrijdt. Om die reden is het wettelijk noodzakelijk de kostprijs van deze voorzieningen bij verordening te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een maatwerkvoorziening zijn diverse situaties mogelijk. Er kan sprake zijn van een eenmalig verstrekte maatwerkvoorziening. Bijvoorbeeld voor een woonvoorziening. Als de gemeente de maatwerkvoorziening inkoopt, dan is de kostprijs gelijk aan de laagste inkoopprijs die de gemeente verschuldigd is voor de maatwerkvoorziening. Hier kunnen ook de onderhoudskosten bij inbegrepen zijn. In dat geval wordt de kostprijs derhalve afgeleid van de contracten die de gemeente heeft met leveranciers. Als de gemeente de maatwerkvoorziening huurt, zoals bij hulpmiddelen, dan wordt de kostprijs per periode vastgesteld en is deze gelijk aan de huurprijs die de gemeente per periode betaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderhoudskosten die beschikbaar gesteld worden in de vorm van een pgb worden niet doorgegeven aan het CAK. Echter, dit geldt niet voor hulpmiddelen die door de gemeente worden gehuurd. Om deze rechtsongelijkheid op te lossen wordt bij hulpmiddelen die door de gemeente worden gehuurd 65% van de huurkosten (aanschafkosten) doorgegeven aan het CAK voor de berekening van de eigen bijdrage en 35% (onderhoudskosten) buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer er sprake is van een voorziening voor dienstverlening, opvang of huisvesting, wordt deze over meerdere perioden verstrekt, waardoor er geen eenmalig bedrag aan is op te hangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kostprijs van een rit met het CAV wordt vastgesteld op de gemiddelde vergoeding die de gemeente per rit verschuldigd is aan de aanbieder van het CAV voor een rit. Deze kostprjjs is voor het CAK niet relevant, omdat de bijdrage voor het gebruik van het CAV niet door het CAK wordt vastgesteld en geïnd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 5 Kwaliteit, klachten, inspraak en misbruikArtikel 5.5.1 KwaliteitseisenIn artikel 3.1 van de Wmo 2015 staat dat de aanbieder van een voorziening er zorg voor moet dragen dat een voorziening van goede kwaliteit is. De voorziening wordt in ieder geval: veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt; afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt; verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Jeugdwet worden in paragraaf 4.1 vergelijkbare kwaliteitseisen gesteld aan de hulp die de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling aanbiedt. In dit artikel worden deze wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder, verder uitgebreid. Zo zal het college een keurmerk of vergelijkbare kwaliteit eisen van een aanbieder, als er voor zijn branche een keurmerk bestaat. Daarnaast worden er eisen gesteld aan het ingezette personeel. Ook wordt er op gewezen dat de hoofdaannemer er zorg voor draagt dat de door hem ingezette onderaannemers aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen. De kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten die met de aanbieders worden afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kwaliteitseisen hebben tevens betrekking op de kwaliteit van de voorziening die een cliënt met een pgb inkoopt. Welke kwaliteitseisen de cliënt wil stellen, is in eerste instantie aan de pgb-houder. Echter, slechts voor professionele dienstverlening wordt het formele tarief verstrekt. Het college kan de kwaliteit van de aanbieder toetsen in relatie tot het bereiken van de in het pgb-plan gestelde doelen en resultaten, de doelmatigheid en de veiligheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-552-114\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verhouding prijs en kwaliteit aanbiederHet in dit verband relevante artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 heeft tot doel dat de gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo-dienst, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die de dienst verleent De AMvB is van toepassing op alle vormen van Wmo-dienstverlening, uitgezonderd de verstrekking van (vervoer)hulpmiddelen en woningaanpassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nota van Toelichting bij dit gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verbreedt de nieuwe regels ook tot het beleidsdomein Jeugdhulp. Want gemeenten en aanbieders werken aan nieuwe vormen van dienstverlening aan cliënten over de grenzen van de afzonderlijke wetten voor het sociaal domein. Hoewel het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit alleen ziet op diensten in het kader van de Wmo 2015, levert dat geen beperking op voor het verlenen van sociaal domein brede opdrachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.12 van de Jeugdwet bevat immers eenzelfde inhoudelijke strekking als artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 en vraagt op vergelijkbare wijze van de gemeenteraad bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van een voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening wordt het volgende vastgelegd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college stelt een vaste prijs of een reële prijs vast voor Wmo- en Jeugdhulp diensten, deze prijs is tevens de ondergrens voor een inschrijving in een aanbestedingsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaste of reële prijs moet worden vastgesteld overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst, het college moet daarbij rekening houden met de continuïteit van de hulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kostprijselementen waar de vaste of reële prijs op is gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 5.5.2 wordt uitvoering gegeven aan deze nieuwe bepaling in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 welke van overeenkomstige toepassing is het kader van de Jeugdwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-553-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">KlachtbehandelingDe gemeente is reeds op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn In hoofdstuk 9 van de Awb wordt verder een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling gegeven. De bestaande gemeente brede verordening waarnaar in dit artikel wordt verwezen, vormt de uitwerking van genoemde bepalingen in de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Concernkader Klachtbehandeling uit 2021 is expliciet de mogelijkheid van klachtbehandeling opgenomen voor klachten die betrekking hebben op een ketenaanpak. Dit voorkomt mogelijke onduidelijkheid over de vraag wie de klacht in behandeling zou moeten nemen, bijvoorbeeld indien de klacht zich richt op gedragingen die te maken hebben met het functioneren van het wijkteam als geheel. De klachtmogelijkheid tegenover de hulpaanbieders is al geregeld in artikel 4.2.1 van de wet. Ten slotte verwijst dit artikel naar de mogelijkheid om eventueel aansluitend een beroep op de gemeentelijke (kinder)Ombudsman Rotterdam te doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-554-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.4</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">MedezeggenschapIn dit artikel zijn bepalingen opgenomen over enerzijds de mogelijkheid tot medezeggenschap bij de aanbieder op het gebied van de Wmo 2015 (eerste lid) en anderzijds bij de aanbieder op het gebied van Jeugdhulp (tweede lid). Bij dit laatste sluit het college nauw aan bij hetgeen voor de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling reeds is geregeld in artikel 4.2.4 en paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet Het derde lid bevat een bepaling die voor beide domeinen geldt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-555-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Incidenten, calamiteiten en geweldDe aanbieders van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening, een aanbod aan jeugdhulp, welzijnspartijen en wijkteams dienen op grond van het eerste lid te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor de Rotterdamse meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en de verwijsindex risico’s jeugdigen Rotterdam van het Samenwerkingsverband SISA De aanbieder heeft een meldingsplicht bij de toezichthouder. Dat is voor de Wmo 2015 de gemeentelijke toezichthouder en voor de Jeugdwet de Inspectie jeugdzorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is een rapportageplicht opgenomen over incidenten. Ook hierbij is er een onderscheid tussen de Wmo 2015 en Jeugdwet i.v.m. de verschillende wettelijke kaders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-556-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">CliëntbetrokkenheidDe separate grondslagen voor cliëntparticipatie in het kader van de Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet c.q. de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2015, de Verordening Jeugdhulp Rotterdam 2015 en de Verordening cliëntenparticipatie Werk en Inkomen Rotterdam 2015, zijn per 1 juli 2017 samengebracht in één nieuwe Verordening cliëntenparticipatie sociaal domein Rotterdam 2017. Door deze integrale basis is meteen ook het domein waarbinnen de Brede Raad 010 als adviesorgaan werkt, duidelijk gemaakt Het college geeft de cliëntbetrokkenheid in het kader van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 langs de lijnen van deze integrale Verordening cliëntenparticipatie sociaal domein Rotterdam 2017 gestalte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-557-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.5.7</span><span class=\"lf-art-t\">Rechtmatigheid en doelmatigheidZowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 en Jeugdwet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorziening en pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst zoekt het college de samenwerking met andere organisaties die zich ook bezighouden met dit onderwerp. Dat zijn het ministerie en de VNG, maar bijvoorbeeld ook de landelijke inspectie. Daarnaast is er aangesloten bij het Informatie Knooppunt Zorgfraude. Dit is een landelijk publiekrechtelijk samenwerkingsverband waarbinnen signalen en meldingen ten aanzien van zorgfraude gedeeld kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van contractmanagement wordt onderzoek gedaan bij aanbieders van maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderdeel c is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van zowel maatwerkvoorzieningen als pgb’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met een grondige toets aan de voorkant om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb worden cliënten bewust gemaakt van de verantwoordelijkheden bij een pgb. Daarnaast wordt getoetst of het beheer en aansturing van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht op verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd, in het belang van een doelmatige ondersteuning van cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er twijfel is of het pgb een goed instrument is voor de cliënt, kan het college ervoor kiezen om een kortdurende indicatie af te geven of bij een langlopende indicatie tussentijds te onderzoeken of de verstrekking nog correct verloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder g is bepaald dat een schouw kan worden gehouden teneinde een onderzoek uit te voeren naar de ervaringen met de geboden ondersteuning. Dit onderzoek vindt plaats op cliëntniveau, individueel of groepsgewijs, en kan volgen op een cliëntervaringsonderzoek. Afhankelijk van de geboden ondersteuning kan de schouw bij cliënt thuis (met diens instemming), dan wel bij de organisatie die de ondersteuning biedt, worden afgenomen. De schouw betreft uitdrukkelijk geen onderzoek naar aanleiding van een melding in het kader van de Wmo 2015. Op basis van de resultaten van een schouw kunnen vervolgacties worden bepaald, al dan niet in relatie tot andere monitoringsinstrumenten. Ook kan een schouw leiden tot een heronderzoek naar de geleverde ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college beschikt tevens over een meldpunt, waar signalen, zorgen en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de Wmo 2015 en Jeugdwet. E.e.a. kan dan leiden tot vervolgonderzoek, al dan niet door een toezichthouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder h genoemde meldpunt is operationeel onder de naam: meldpunt Zorgsignalen en Fraude Rotterdam. Zowel burgers als medewerkers van de gemeente Rotterdam kunnen melden wanneer zij zorgen of vermoedens van fraude gerelateerd aan de zorg hebben. Op basis van die signalen wordt nader onderzoek gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijke manier om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de dienstverlening te toetsen is het uitoefenen van toezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een toezichthouder heeft op grond van de wet vergaande bevoegdheden en kunnen bijvoorbeeld administraties en cliëntgegevens inzien en panden betreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wmo 2015 is geregeld dat het college toezichthouders moet aanwijzen voor toezicht op de nalevering van de wet. Het gaat hierbij om de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Jeugdwet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de Jeugdwet niet geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderdeel i is opgenomen dat het college ook voor de Jeugdwet toezichthouders aanwijst, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de leesbaarheid is in dit onderdeel ook het toezicht in het kader van de Wmo 2015 benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel d is bedoeld om duidelijk te maken dat er nader onderzoek kan worden gedaan als er een gegrond vermoeden is dat er sprake is van een vermoeden dat sprake is van onjuiste of onvolledige verstrekking van gegevens, het niet voldoen aan verplichtingen die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening of het pgb of het pgb of de maatwerkvoorziening voor een ander doel zijn gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 6 Slot- en overgangsbepalingenArtikel 6.1 HardheidsclausuleDeze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-62-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Intrekking oude verordeningenVanwege het vaststellen van de onderhavige geharmoniseerde verordening, worden de hieraan voorafgaande verordeningen in het kader van zowel de Jeugdwet als de WMO 2015, ingetrokken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-63-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.3</span><span class=\"lf-art-t\">OvergangsbepalingenHet is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift;</p>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is met deze bepaling geregeld, in aanvulling op het overgangsrecht dat ook in de Wmo 2015 en Jeugdwet is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een besluit voor een verstrekte maatwerkvoorziening of individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de behandeling van een bezwaarschrift of terugvordering wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen cq de periode waarop de terugvordering betrekking heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-64-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.4</span><span class=\"lf-art-t\">InwerkingtredingDeze verordening treedt in werking op 1 januari 2018</span></h4>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-65-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6.5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">CiteertitelDeze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018’ of ‘VMORJR 2018’. Ook mag deze als ‘Combiverordening Rotterdam 2018’ worden aangehaald Dit gemeenteblad 2017, nummer 210, is uitgegeven op 20 december 2017 en ligt op dins-, woens- en donderdagen van 9.00 tot 13.00 uur ter inzage bij het Bestuurlijk Informatiecentrum Rotterdam (BIR), locatie Wachtruimte Timmerhuis, Halve Maanpassage 1 (trap op, melden bij Informatiebalie) (Zie ook: www.bis.rotterdam.nl – Regelgeving of Gemeentebladen chronologisch)</p></div>", "next": 0}