{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing die betrekking heeft op de openingstijden van een winkel c.a. alle ontheffings-mogelijk heden genoemd in art. 6 Winkel-tijdenwet, het Vrijstellingen besluit Winkeltijden-wet en de Verordening Winkeltijden Amsterdam 2017 college mandaat DB mandaat heeft geen betrekking op het stellen van regels ten aanzien van de verdeling van avondwinkels (art. 5, lid 4 Verordening Winkeltijden Amsterdam 2010) wellicht nadere regels in kader scherper alcoholbeleid en 24-uurseconomie G.2 uitvoering geven aan de Marktverordening art. 3.1, art.3.3, eerste lid, art.3.6 onder d, e, g, h, i,en j , art. 3.7, art. 3.8, art. 3.9, art. 3.10, art. 3.11, art. 3.12, art. 3.13, art. 3.14, art. 3.15, art. 3.16, art. 3.17, art. 3.18, art.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.19, art 3.20, art. 3.22, art. 3.23, art. 3.24, art.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.25, art.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.26, art.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.27, art.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.28, art.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.29, art. 6.1, art. 6.2 lid 1 en lid 2 onder f, h, i en j, art. 7.2 art. 7.4 (voor zover deze betrekking heeft op de art. 3.15 college mandaat DB G2a Bepalen van de ingangsdatum van de instelling van de ‘Biologische markt Belgiëplein’ art 4.1 lid 1 college mandaat DB Nieuw-West G2b bepalen van de dagen waarop de ‘Biologische markt Belgiëplein’ wordt gehouden Art 4.1 lid 2 college mandaat DB Nieuw-West G.3 uitvoering geven aan de Verordening op de staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten art. 3.1, art. 3.4, art. 3.7, art. 3.8, art. 3.9, art. 3.11, art. 4.2, art. 4.5, art. 6.1 lid 1, lid 2, lid 5 onder g (met uitzondering van venten) en onder h sub 1, 2, 3 en 5, art. 7.2, art. 7.4 college mandaat DB G.4 uitvoering geven aan de Marktverordening art. 5.1, art. 5.2 en art. 3.3, tweede lid college delegatie DB G.5 uitvoering geven aan de Verordening op de staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten art. 5.1 college delegatie DB G.6 instellen, afschaffen of veranderen van jaarmarkten of gewone marktdagen art. 160, lid 1, aanhef en onder h Gemeente-wet college mandaat DB Milieu en duurzaamheid Algemene beperking: als sprake is van een inrichting waarvoor op 1 januari 2013 een vergunning benodigd is op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e Wabo,worden de bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om een omgevingsvergunning niet gemandateerd. r.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen H.1 beslissen op aanvragen voor een omgevingsvergun-ning ex artikel 2.1, lid 1 onder i Wabo, voor andere activiteiten die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving art. 2.1, lid 1, onder i, Wabo, art. 2.2a Bor college mandaat DB H.2 alle voorbereidings-besluiten en –handelingen ten behoeve van het vaststellen van hogere geluid-waarden art. 45 e.v, art. 55, lid 4, art. 110a t/m art. 110c Wet geluid-hinder college mandaat DB mandaat voor het voorbereiden van besluit hogere waarden volgt de bevoegdheidsverdeling van de besluiten waarop voor het besluit hogere waarde ziet H.3 besluiten over milieu- en klimaat-gerelateerde subsidies (energiemaatregelen) ASA college mandaat DB mandaat geldt tot 1 januari 2015 en voor de periode hierna die nodig is voor de afhandeling van subsidiebeschikkingen H.4 voorbereiden en opstellen van milieueffecten-beoordelingen en (aanmeld)notitie vormvrije mer-beoordeling art. 7.2, lid 1 onder b en 7.16 en 7.17 Wet milieubeheer en Besluit milieu-effecten-rapportage college mandaat DB bevoegd gezag hangt af van besluit waarvoor de al dan niet vormvrije beoordeling van de milieu-effectenrapportage wordt verricht. mandaat tot het voorbereiden van de al dan niet vormvrije beoordeling van de milieu-effectenrapportage volgt de bevoegdheidsverdeling van het besluit waarvoor de beoordeling van de milieu-effectenrapportage wordt opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.5 voorbereiden en opstellen van het milieu-effectenrapportage art. 7.2, 7.2a, 7.7, 7.16 t/m 7.19, 7.22, 7.24, 7.25, 7.27 Wet milieubeheer en Besluit milieueffec-tenrapporta-ge college mandaat DB bevoegd gezag: hangt af van besluit waarvoor milieueffectenrapportage wordt opgesteld. mandaat van de voorbereiding van het milieueffectenrapportage: volgt de bevoegdheidsverdeling van het besluit waarvoor het milieu-effectenrapportage wordt opgesteld. mandaat ziet niet op het advies omtrent reikwijdte en detailniveau van de informatie ten behoeve van een milieu-effecten-rapportage als bedoeld in art. 7.24, lid 2 en 3, art .7.27, lid 2 Wet milieubeheer H.6 uitoefenen van bevoegdheden en uitvoeren van taken op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer Activiteiten-besluit milieu-beheer en Activiteiten-regeling milieu-beheer college mandaat DB mandaat heeft uitsluitend betrekking op inrichtingen waarvoor op 1 januari 2013 geen vergunning benodigd is op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e, Wabo, en waarbij geen sprake is van een vergunning-plicht als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo, waarbij het college bevoegd is op grond van de onder 1. van dit hoofdstuk genoemde algemene beperking H.7 uitoefenen van bevoegdheden en uitvoeren van taken op grond van bij of krachtens hoofdstuk 8, 10, 17, 19 van de Wet milieubeheer (Wm) gestelde regels Wet milieu-beheer college mandaat DB voor zover de taken en bevoegdheden betrekking hebben op inrichtingen, heeft het mandaat uitsluitend betrekking op inrichtingen waarvoor op 1 januari 2013 geen vergunning benodigd is op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e, Wabo, en waarbij geen sprake is van vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo, waarbij het college bevoegd is op grond van de onder 1. van dit hoofdstuk genoemde algemene beperking H.8 uitoefenen van bevoegdheden en uitvoeren van taken op grond van het Besluit lozen buiten inrichtingen Besluit lozen buiten inrichtingen college mandaat DB met uitzondering van bevoegdheden en taken die betrekking hebben op het lozen van grondwater bij bodemsaneringen en proefboringen als bedoeld in artikel 3.1; het lozen van grondwater bij ontwateringen als bedoeld in artikel 3.2 Wegen Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen I.1 nemen van verkeersbesluiten en het plaatsen van verkeersborden op het onderliggende wegennet en Plusnet ov bus, Plusnet fiets en overige wegen art. 15 en art. 18 Wegen-verkeerswet college mandaat DB mandaat geldt niet indien sprake is van een door het college aan te wijzen grootstedelijk project dan wel wanneer overige uitvoering, zijnde beheer, onderhoud, vervanging en uitbreiding van assets, een stedelijke taak betreft of een stedelijk belang heeft I.2 besluiten over ontheffingverlening art. 87 Reglement Verkeers-regels en Verkeers-tekens 1990 college mandaat DB mandaat is beperkt tot situaties die zich geheel binnen de grenzen van een stadsdeel voordoen I.3 dagelijks beheer, onderhoud en gladheidsbestrijding aan wegen art. 15 Wegenwet college mandaat DB mandaat is beperkt tot de wegen en werkzaamheden die tot de taken van het dagelijks bestuur behoren (zie de overzichtskaarten opgenomen als bijlagen A) I.4 ter inzage leggen en mededeling daarvan doen van een afschrift van een uitspraak in beroep waarbij een weg aan het openbaar verkeer wordt onttrokken art. 12 Wegenwet college mandaat DB mandaat geldt niet als de weg onderdeel uit maakt van het Plusnet auto, Plusnet ov tram, Hoofdnet ov tram of Basisnet ov tram (deze beperking geldt vanaf 1 januari 2015) I.5 het onderhoud van een binnen de gemeente liggende weg ten laste van de gemeente brengen; het opleggen van de verplichting tot afkoopbare jaarlijkse uitkeringen aan degene, die van het onderhoud of het geven van bijdragen tot het onderhoud bevrijd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-48\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 20</span><span class=\"lf-art-t\">Wegenwet</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college mandaat DB mandaat geldt niet als de weg onderdeel uit maakt van het Plusnet auto, Plusnet ov tram, Hoofdnet ov tram of Basisnet ov tram (deze beperking geldt vanaf 1 januari 2015) Parkeren Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen J.1 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een gehandicaptenpar-keerkaart alsmede het beperken van de geldigheidsduur, het verstrekken van een duplicaat en het ongeldig verklaren van een dergelijke kaart art. 49, 51, 52 en 53 BABW en de Regeling gehandi-capten-parkeerkaart college mandaat DB Gemeentelijk vastgoed Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen K.1 verhuren, ontruimen, kopen en verkopen en het vaststellen van huurprijzen van gemeentelijk vastgoed dat is opgenomen in een door het college goedgekeurd gebiedsplan art. 160, lid 1, aanhef en onder e, Gemeente-wet college delegatie DB door goedkeuring van het gebiedsplan verkrijgt het dagelijks bestuur het “economisch eigendom” van het betreffende gemeentelijk vastgoed Waterbeheer Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen L.1 beschikkingen op grond van de Verordening op het binnenwater 2010, met uitzondering van de beschikkingen op grond van de art. 2.1.1, 2.1.2, lid 3, 2.1.3, 2.3.5, lid 3 en lid 4, 2.4.1. lid 2 sub b, 2.4.5 (tenzij de ocialivee op een afgesloten water in het stadsdeel plaatsvindt), 2.5.1 lid 1 en 2, lid 3 (bij de aanpak van verwaarloosde vaartuigen), 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.3.1, 3.3.4, 3.3.5, 3.3.6, 3.3.7, 3.3.8, 3.4.1 en 3.4.2 Verordening op het binnenwater 2010 college mandaat DB de bevoegdheid besluiten van algemene strekking te nemen (o.a. nadere regels) is niet gemandateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.2 intrekken of wijzigen van verleende ontheffingen of vergunningen op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 (binnen de beperkingen van onderdeel L.1) art. 1.2.8 Verordening op het binnenwater 2010 college mandaat DB Basisvoorzieningen sociaal domein Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen M.1 zorgdragen voor de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning op het gebied van wijk-gericht welzijnswerk (opbouwwerk), activering en participatie, ondersteuning bewonersinitiatieven, bestrijden armoede en ocialive en signalering rond de aandachtsgebieden gezondheid, ocial isolement/eenzaam-heid en armoede art. 9a Wet maatschap-pelijke onder-steuning college mandaat DB M.2 waarborgen van de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke zorg op de onder M.1 genoemde gebieden, als het verlenen van desbetreffende maatschappelijke ondersteuning door derden wordt verricht art. 9a en art. 10 Wet maat-schappelijke onder-steuning college mandaat DB Schuldhulpverlening Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen N.1 mede uitvoering geven aan het door de gemeenteraad vast te stellen plan dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van de gemeente art. 3 Wet gemeentelijke schuldhulp-verlening college mandaat DB mandaat is beperkt tot de stadsdeeldoelgroepen en geldt niet voor GKA (Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam) en crediteurenmanagement N.2 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van reguliere schuldhulp-verlening art. 3 en art. 4 Wet gemeente-lijke schuld-hulpverlening college mandaat DB mandaat is beperkt tot de stadsdeeldoelgroepen Maatschappelijke ondersteuning Geen bevoegdheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdgezondheidszorg Geen bevoegdheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwilligerswerk Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen Q.1 zorgdragen voor de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning op het gebied van vrijwilligerswerk art. 9a Wet maatschap-pelijke onder-steuning college mandaat DB Q.2 waarborgen van de kwaliteit en de continuïteit van de maatschappelijke zorg op het onder Q.1 genoemde gebied, als het verlenen van desbetreffende maatschappelijke ondersteuning door derden wordt verricht art. 9a en art. 10 Wet maat-schappelijke onder-steuning college mandaat DB Diversiteit en discriminatie Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen R.1 informatie verstrekken aan inburgeraars art. 2 Verordening inburgering Amsterdam 2013 college mandaat DB mandaat geldt niet als de inburgeraar onder de verantwoordelijkheid van de RVE Werk en Inkomen valt R.2 aanbieden van een inburgeringsvoor-ziening of taalkennis-voorziening art. 3 Verordening inburgering Amsterdam 2013 college mandaat DB mandaat geldt niet als de inburgeraar onder de verantwoordelijkheid van de RVE Werk en Inkomen valt R.3 uitreiken bevestiging verkrijging Nederlanderschap art. 11, 17, 23, 29, 60a en 60b Besluit verlies en verkrijging Nederlanderschap burge-meester mandaat VZ Kunst in de openbare ruimte en buurtgebonden cultuurinitiatieven Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen S.1 uitvoeren van het Kunstenplan 2013 – 2016 (subsidiëring) ASA college mandaat DB mandaat geldt tot 1 januari 2017 en voor de periode hierna die nodig is voor de afhandeling van subsidiebeschikkingen Sport Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen T.1 besluiten tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen college mandaat DB zie onderdeel 0. Algemeen. Vanaf 1 januari 2015 geldt het mandaat niet voor de inkoop die aan sport-accommodaties verbonden is alsmede het bepalen van de tarieven voor de verhuur. Vanaf 1 juli 2015 geldt het mandaat niet voor de verhuur van sport-accommodaties Wet op de lijkbezorging Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen U.1 nemen maatregelen ten behoeve van de identificatie en opsporing, voordat een graf van een onbekende wordt geruimd art. 31, lid 5 Wet op de lijkbezorging burge-meester mandaat VZ U.2 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het in gebruik nemen van een bewaarplaats voor urnen buiten een crematorium of begraafplaats art. 64 Wet op de lijkbezorging college mandaat DB U.3 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het bestemmen van een terrein om permanent as te verstrooien art. 66b Wet op de lijkbezorging college mandaat DB U.4 in ontvangst nemen van en beslissen op aanvragen om verkorting of verlenging van de termijn voor lijkbezorging art. 17 Wet op de lijkbezorging burge-meester mandaat VZ U.5 in ontvangst nemen van en beslissen op aanvragen om ontleding van een stoffelijk overschot art. 68 Wet op de lijkbezorging burge-meester mandaat VZ U.6 in ontvangst nemen van en beslissen op aanvragen om opgraving van een lijk art. 29 Wet op de lijkbezorging burge-meester mandaat VZ U.7 in ontvangst nemen van en beslissen op aanvragen om een laissez-passer art. 11 Besluit op de lijkbezorging burge-meester mandaat VZ U.8 uitvoeren van de beheers-verordening gemeentelijke begraafplaatsen en crematoria Amsterdam Beheers-verordening gemeente-lijke begraaf-plaatsen en crematoria Amsterdam college mandaat DB Inspraak, initiatief en burgerparticipatie Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen V.1 uitvoeren van de Algemene Inspraakverordening bij het verlenen van inspraak van beleidsvoornemens van het DB Algemene inspraak-verordening college en burge-meester mandaat DB Subsidieverlening Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen W.1 uitvoeren ASA en titel 4.2 Awb binnen taken, bevoegdheden en budgetten bestuurs-commissies ASA en titel 4.2 Awb college mandaat DB W.2 uitvoeren bijzondere stedelijke subsidie-verordeningen diverse bijzondere stedelijke subsidie-verorde-ningen en stedelijke subsidieregelingen. college mandaat DB mandaat geldt alleen als uit stedelijke kaders blijkt dat het dagelijks bestuur een uitvoerende rol heeft bij de betreffende subsidieverordening W.3 Vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.4 vaststellen nadere regels en beleidsregels Art. 3, 2e lid ASA college delegatie DB delegatie geldt alleen als uit stedelijke kaders blijkt dat het dagelijks bestuur de bevoegdheid heeft nadere regels vast te stellen Vergunningverlening, toezicht en handhaving Voor alle taken en bevoegdheden die op grond van de takenlijst en dit register zijn gemandateerd geldt dat de bevoegdheid om toezicht te houden of te handhaven onderdeel van het mandaat is tenzij anders is bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mandaat en delegatie geldt niet voor stedelijke gebieden, projecten en belangen, zoals nader aangegeven op bij dit register behorende kaart bijlage B. Deze kaart wordt twee keer per jaar geactualiseerd en ter vaststelling voorgelegd aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder geldt in het algemeen de beperking voor de bevoegdheden in dit hoofdstuk dat vergunningverlening, toezicht en handhaving alleen geldt in relatie tot de overige (gedelegeerde en) gemandateerde bevoegdheden met de daarbij vastgelegde beperkingen en met dien verstande dat de handhavingscapaciteit van het dagelijks bestuur en de organisatieonderdelen flexibel ten behoeve van stedelijke handhavingsprioriteiten zal worden ingezet conform de bestuurlijk afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen X.1 geven van een machtiging tot binnentreden in een woning voor de uitvoering van de toezichttaken die aan de bestuurs-commissies zijn gemandateerd (andere doeleinden dan strafvordering) art. 2 en 3, lid 2 Algemene wet op het binnen-treden burge-meester mandaat VZ ondermandaat is niet toegestaan X.2 geven van een machtiging tot binnentreden in een woning voor de toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de taken en bevoegdheden die aan de bestuurs-commissies zijn gemandateerd of gedelegeerd (andere doeleinden dan strafvordering) art. 5:27, lid 2 Algemene wet bestuurs-recht en art 2 en 3, lid 2 Algemene wet op het binnen-treden college en burge-meester delegatie en mandaat DB en VZ de bevoegdheid wordt gedelegeerd voor zover die betrekking heeft op taken en bevoegdheden die aan de bestuurscommissies zijn gedelegeerd. De bevoegdheid wordt gemandateerd voor zover die betrekking heeft op taken en bevoegdheden die aan de bestuurscommissies zijn gemandateerd. Voor de bevoegdheid kan, zowel bij de gedelegeerde als de ge mandateerde bevoegdheden alleen ondermandaat worden verleend aan de voorzitter X.3 opleggen en ten uitvoer leggen van een last onder bestuursdwang, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gedelegeerd art. 125, lid 1 en lid 2, Gemeente-wet, afd. 5.3.1 Awb, titel 4.4 Awb college delegatie en machti- ging DB nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.4 opleggen en ten uitvoer leggen van een last onder bestuursdwang, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gemandateerd art. 125, lid 1 en lid 2 Gemeente-wet, afd. 5.3.1 Awb, titel 4.4 Awb college mandaat en machti- ging DB nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.5 opleggen van een last onder dwangsom, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gedelegeerd art. 125, lid 2 Gemeente-wet, afd. 5.3.2 Awb, titel 4.4 Awb college delegatie DB nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.6 opleggen van een last onder dwangsom, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gemandateerd art. 125, lid 2 Gemeente-wet, afd. 5.3.2 Awb, titel 4.4 Awb college mandaat en machti- ging DB nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.7 opleggen en ten uitvoer leggen van een last onder bestuursdwang, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gemandateerd</p>\n<p class=\"lf-p\">art. 125, lid 3 Gemeente-wet, afd. 5.3.1 Awb, titel 4.4 Awb burge-meester mandaat en machti- ging VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.8 opleggen van een last onder dwang-som, die dient tot handhaving van regels waarvan de uitvoering aan het dagelijks bestuur is gemandateerd art. 125, lid 3 Gemeente-wet, afd. 5.3.2 Awb, titel 4.4 Awb burge-meester mandaat en machti- ging VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.9 handhaven van redelijke eisen van welstand in het kader van de excessen-regeling als bedoeld in 3.4 van de welstandsnota bedoeld in artikel 12, eerste lid, 12a, eerste lid, onderdeel b Woningwet art. 12, lid 1 Woningwet college mandaat DB X.10 opleggen van de verplichting tot het laten opstellen van een onderhoudsplan door een deskundig persoon of een deskundige instantie aan een vereniging van eigenaars ten behoeve van een bij haar in beheer zijnd gebouw art.12d Woningwet college mandaat DB X.11 opleggen van de verplichting tot het binnen een te bepalen termijn treffen van voorzieningen waardoor de staat van dat gebouw of dat bouwwerk komt te liggen op een niveau dat hoger is dan het niveau dat overeenkomt met de voorschriften, bedoeld in artikel 1b, tweede lid, art. 13, art.1b, lid,2 art. 12d, lid 1 Woningwet college mandaat DB X.12 opleggen van de verplichting tot het binnen een te bepalen termijn treffen tot het treffen van voorzieningen vanwege redelijke eisen van welstand art. 13a, Woningwet college mandaat DB X.13 beslissen tot het in gebruik geven c.q. beheer geven van een gebouw, open erf of terrein dat op grond van artikel 17 Woningwet , artikel 174a van de Gemeentewet, een verordening als bedoeld in artikel 174 van die wet of artikel 13b van de Opiumwet is gesloten art. 14 Woningwet 174,174a Gemeente-wet, art. 13b van de Opiumwet college/ burge-meester mandaat DB X.14 besluit tot sluiten van gebouw, open erf of terrein, indien overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk I, II, of III Woningwet gegeven voorschriften met betrekking tot de staat of het gebruik van een gebouw, open erf of terrein gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid, en er een klaarblijkelijk gevaar is op herhaling van de overtreding art. 17 Woningwet college mandaat DB X.15 bestuursrechtelijk toezicht en handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met III Woningwet, het Bouwbesluit en Bouwverordening art. 92 Woning-wet, Bouw-besluit 2012 en Bouw-verordening college</p>\n<p class=\"lf-p\">mandaat DB X.16 beslissen tot verkoop in het openbaar van de overblijvende materialen indien toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften leidt tot het slopen van een bouwwerk, , tenzij, naar redelijkerwijs is te verwachten, bij onderhandse verkoop een hogere opbrengst kan worden verkregen art. 104 Woningwet college mandaat DB X.17 toezicht en handhaving schade en hinder door voorwerpen art. 4.6 APV college mandaat DB X.18 toezicht en handhaving illegaal aangebrachte aanplakbiljetten, afbeeldingen of teksten art. 4.7, lid 1 APV college mandaat DB X.19 toezicht en handhaving veroorzaken hinder door motorvoertuigen en bromfietsen art. 5.7 APV college mandaat DB X.20 toezicht en handhaving hinderlijk gebruik alcohol op de openbare weg art. 2.17 APV burge-meester mandaat VZ X.21 hinderlijk gedrag in of bij gebouwen art. 2.18 APV burge-meester mandaat VZ X.22 toezicht en handhaving verbod doen van natuurlijke behoefte buiten een urinoir c.a. art. 5.11 APV college mandaat DB X.23 toezicht en handhaving bespiedingsverbod art. 2.25, lid 2 APV burge-meester mandaat VZ X.24 toezicht en handhaving bij het bestrijden van gladheid art. 4.19, lid 1 APV college mandaat DB X.25 toezicht en handhaving Colportagewet Colportage-wet college mandaat DB X.26 toezicht en handhaving gevaarlijke honden art. 5.15 APV college mandaat DB X.27 toezicht en handhaving gebruik gedenktekens art. 4.16 APV college mandaat DB X.28 toezicht en handhaving verontreiniging van de weg en het water art. 4.17 APV college mandaat DB X.29 toezicht en handhaving openlijk gebruik en handel in harddrugs en andere stimulerende middelen art. 2.7 APV burge-meester mandaat VZ X.30 toezicht en handhaving verbod spelen om geld op de weg art. 2.19 APV burge-meester mandaat VZ X.31 toezicht en handhaving speelcasino-vergunning art. 27h Wet op de Kansspelen college mandaat DB X.32 toezicht en handhaving plaatsing bewakingsapparatuur art. 2.25, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ X.33 toezicht en handhaving over het bezigen van vuurwerk art. 5.3 APV college mandaat DB uitvoering decentraal, aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie X.34 toezicht en handhaving parkeeroverlast Wegenver-keerswet, Wet Mulder college mandaat DB wegsleep: beleid en uitvoering toenemend centraal, vraag decentraal X.35 toezicht en handhaving bestemmings-plannen, grond-exploitatieplannen en omgevings-vergunningen Wet ruimtelijke ordening en Wabo college mandaat DB dit mandaat geldt alleen als de primaire bevoegdheid door het college aan het dagelijks bestuur is gemandateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">X.36 toezicht en handhaving bij openbare manifestaties en betogingen art. 2.32 t/m art. 2.36 APV burge-meester mandaat VZ X.37 toezicht en handhaving inrichtingen die geen bouwwerk zijn Brand-beveiligingsveror-dening college mandaat DB X. 38 toezicht en handhaving wrakken en verwaarloosde voertuigen op of aan de weg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-422\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.22</span><span class=\"lf-art-t\">APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college mandaat DB het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">X.39 toezicht en handhaving blokkeren parkeerruimte voor reservering</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-426\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 4.26</span><span class=\"lf-art-t\">APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college Mandaat DB X.40 het aanwijzen van gebieden waar het verboden is om te barbecueën</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-58\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.8</span><span class=\"lf-art-t\">A APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college mandaat DB X.41 het aanwijzen van gebieden waar het verboden is dieren te voeren</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-518\"><span class=\"lf-art-num\">Art. 5.18</span><span class=\"lf-art-t\">APV</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">college mandaat DB Overige gemandateerde bevoegdheden Nr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omschrijving bevoegdheid Grondslag Bevoegd bestuurs-orgaan .</p>\n<p class=\"lf-p\">Soort over-dracht Ver-leend aan Bijzonderheden en beperkingen Y.1 aanwijzen van wegen of weggedeelten waar het verboden is alcoholhoudende drank te nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken flesjes, blikjes e.d. alsmede het aanwijzen van plaatsen en tijden waarop het verbod niet geldt art. 2.17, lid 2 en lid 4 APV burge-meester mandaat VZ Y.2 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor slapen op of aan de weg art. 2.20, lid 2 APV college mandaat DB Y.3 aanwijzen van wegen en tijden waarop het verbod om fietsen te verkopen op of aan de weg niet geld art. 2.22, lid 3 APV burge-meester mandaat DB Y.4 mededeling doen van het oprichten c.a. van een inrichting voor het aanbieden van nachtverblijf en het vaststellen van een model-nachtregister art. 2.26, lid 2 en lid 3 APV burge-meester mandaat DB Y.5 vaststellen model-verkoopregister; waarmerken opkoopregister; ontvangen mededeling van een handelaar dat hij van het opkopen zijn beroep of gewoonte maakt; verlengen van de termijn waarbij het verboden is een door opkoop verworven zaak over te dragen of daaraan wijzigingen aan te brengen art. 2.28 t/m 2.30 APV en art. 2 uitvoerings-besluit ex artikel 437, eerste lid, Wetboek van Strafrecht burge-meester mandaat DB Y.6 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning of vrijstelling voor het houden van een openbare inzameling (collectevergunning) art. 2.52. lid 1 en lid 4 APV college mandaat DB Y.7 aanwijzen van wegen of gedeelten daarvan, waarop het verboden is geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen te verspreiden, aan te bieden of bekend te maken alsmede het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing van dit verbod art. 2.53, lid 1 en lid 2 APV college mandaat DB Y.8 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een loterijvergunning art. 3, lid 1 Wet op de kansspelen college mandaat DB Y.9 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor een evenement en het stellen van een andere termijn voor het indienen van een aanvraag art. 2.40, lid 1 en lid 3 APV burge-meester mandaat VZ dezelfde verhouding centraal-decentraal: aanscherping criteria evenementenbeleid, dit in verband met spanning lokale rust versus stedelijke uitstraling. Soms ook in verband met gevaarzetting. Na aanscherping criteria discussie over mate en wijze van handhaven Y.10 verbieden van een evenement als hiertegen bezwaren bestaan art. 2.41, lid 5 APV burge-meester mandaat VZ dezelfde verhouding centraal-decentraal: aanscherping criteria evenementenbeleid, dit in verband met spanning lokale rust versus stedelijke uitstraling. Soms ook in verband met gevaarzetting. Na aanscherping criteria discussie over mate en wijze van handhaven</p>\n<p class=\"lf-p\">Y.11 aanwijzen van gebieden en periodes waarvoor beperkingen worden gesteld aan het aantal te houden evenementen art. 2.41, lid 6 APV burge-meester mandaat VZ dezelfde verhouding centraal-decentraal: aanscherping criteria evenementenbeleid, dit in verband met spanning lokale rust versus stedelijke uitstraling. Soms ook in verband met gevaarzetting. Na aanscherping criteria discussie over mate en wijze van handhaven Y.12 aanwijzen van plaatsen waarvoor de vergunningplicht voor het houden van evenementen niet geldt art. 2.42, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.13 verbinden van voorschriften en beperkingen aan een evenementen-vergunning alsmede het bepalen dat een borgsom wordt betaald in het belang van deze voor-schriften een en ander voor zover het evenement binnen één stadsdeel plaats vindt art. 2.44, lid 1 en lid 2 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.14 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor een voor publiek toegankelijk evenement in een gebouw of vaartuig art. 2.47, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.15 aanwijzen van wegen en tijden waar niet als straatartiest mag worden opgetreden of waar geen muziek ten gehore mag worden gebracht en het beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning als straatartiest of voor het ten gehore brengen van muziek art. 2.49, lid 1 en lid 2 APV burge-meester mandaat VZ Y.16 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een exploitatievergunning voor een horecabedrijf art. 3.8, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria stedelijke regie (horecahandhaving en alcoholbeleid) Y.17 beperken van de openingstijden van horecabedrijven en het ingeval van bijzondere omstandigheden of van bijzondere horecabedrijven verruimen van de openingstijden art. 3.15, lid 1 en lid 3 APV burge-meester mandaat VZ Y.18 wijzigen of intrekken van een exploitatie-vergunning voor een horecabedrijf art. 3.24 APV burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.19 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een terras alsmede het aan-wijzen van wegen waar geen terras mag worden geëxploiteerd alsmede het vaststellen van beleidsregels ten aanzien van de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een terras art. 3.17 en art. 3.18 APV</p>\n<p class=\"lf-p\">burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.20 beslissen op een aanvraag voor een vergunning voor een prostitutiebedrijf art. 3.3, art. 3.27, eerste lid en art. 3.32 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.21 beperken van de openingstijden van een prostitutiebedrijf art. 3.35 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.22 intrekken van een vergunning voor een prostitutiebedrijf art. 3.36 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.23 beslissen op een aanvraag voor een vergunning voor een escortbedrijf art. 3.40 en 3.43 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.24 beslissen op een aanvraag voor een vergunning voor een escortbedrijf dat niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is gevestigd art. 3.2, 3.40 en 3.43 APV college mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.25 intrekken van een vergunning voor een escortbedrijf art. 3.44 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.26 intrekken van een vergunning voor een escortbedrijf dat niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is gevestigd art. 3.2 en 3.44 APV college mandaat DB aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.27 beslissen op een aanvraag voor een seksinrichting art. 3.3, art. 3.47 en art. 3.49 APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.28 intrekken van de vergunning voor een seksinrichting art. 3.52 APV burge-meester mandaat</p>\n<p class=\"lf-p\">VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.29 meedelen dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van zaken, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken, afbeeldingen van erotisch-porno-grafische aard de openbare orde of het leefklimaat in gevaar brengt art. 3.53, eerste lid APV burge-meester mandaat VZ aan de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum voor alle dagelijks besturen met nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.30 verlenen van een gedoogverklaring inzake de verkoop van softdrugs aan horecabedrijven bedoeld in het besluit van de burge-meester van 4 april 1995, nr. 953306 burge- meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie (in ieder geval maatwerk bij te verplaatsen en te sluiten coffeeshops; nauwe samenwerking transformatie en transitie en uitvoering nieuwe screening Bibob) Y.31 vaststellen van een formulier voor de aanvraag voor een gedoogverklaring als bedoeld in Y.30 art. 4:4 Awb burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.32 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing voor het houden van openbare vermakelijkheden op zondag voor 13.00 uur art. 4, lid 3 Zondagswet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.33 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het uitoefenen van een horecabedrijf of slijtersbedrijf (incl. het verbinden van voorschriften en het beperken tot het verstrekken van zwak-alcoholische drank) art. 3, lid 1 Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie (in kader van scherper alcoholbeleid) Y.34 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing van de bij of krachtens artikel 4 Drank- en Horecawet gestelde regels met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen art. 4, lid 4 Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.35 raadplegen van het register als bedoeld in artikel 8, lid 5 van de Drank- en Horecawet bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 3, bij het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 35 en bij een melding als bedoeld in artikel 30a van de Drank- en Horecawet</p>\n<p class=\"lf-p\">art. 8, lid 5, aanhef en onder a Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.36 de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een bedrijf exploiteert als bedoeld in artikel 18, tweede lid, of artikel 19, tweede lid, onder a, en die in een periode van 12 maanden drie maal artikel 20, eerste lid, heeft overtreden, de bevoegdheid ontzeggen zwak-alcoholhoudende drank te verkopen vanaf de locatie waar bedoeld gedrag heeft plaatsgevonden art. 19a, lid 1 Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.37 opleggen van een last onder bestuurs-dwang ter hand-having van een krachtens artikel 19a Drank- en Horecawet opgelegde ontzegging art. 19a, lid 3 Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.38 in ontvangst nemen van de melding van een wens van de vergunninghouder als bedoeld in artikel 30a, lid 1 Drank- en Horecawet, bevestigen van de melding en het weigeren van de wijziging van het aanhangsel art. 30a Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.39 intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 3 Drank- en Horecawet art. 31 Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.40 schorsen van een vergunning voor een periode van ten hoogste 12 weken in de gevallen bedoeld in artikel 31, lid 2 en lid 3 Drank- en Horecawet art. 32 Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ Y.41 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een ontheffing ten aanzien van het verstrekken van zwak-alcohol-houdende drank bij een in de beschikking aangewezen bijzondere gelegenheid van zeer tijdelijke aard voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen en de mogelijkheid om voor jaarlijks terugkerende identieke bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard, besluiten één ontheffing te verlenen, mits de verstrekking van zwak-alcohol-houdende drank telkenmale geschiedt onder onmiddellijke leiding van dezelfde persoon art. 35 Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.42 toegang ontzeggen aan andere personen dan hen, die wonen in de ruimte, waarin in strijd met de Drank- en Horecawet alcoholhoudende drank wordt verstrekt art. 36 Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie</p>\n<p class=\"lf-p\">Y.43 opleggen van een bestuurlijke boete ter zake van overtreding binnen het stadsdeel van het bij of krachtens de artikelen 3, 4, 9, lid 3, lid 4 en lid 5, 12 tot en met 19, 20, lid 1 t/m 4, 22 lid 1, lid 2, 24 en 25, behoudens het gestelde in lid 3, 25a t/m 25d, 29, lid 3, 35, lid 2 en lid 4 of 38 van de Drank- en Horecawet art. 44a Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.44 afwijken van artikel 3 en 4 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horeca-wet, indien er sprake is van een lokaliteit die gevestigd is in een beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet art. 4a Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.45 toepassen van bestuursdwang ter handhaving van de bij artikel 5:20, lid 1, van de Awb gestelde verplichting art. 44 Drank- en Horecawet burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.46 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor het aanwezig hebben van een speelautomaat met inachtneming van hetgeen in de artikelen 2 en 3, lid 1 en lid 2 van de Verordening kansspeelautomaten en speelautomatenhallen , incl. het verbinden van voorschriften en beperkingen aan een vergunning, het weigeren en intrekken van een vergunning. art. 30b, art. 30c, art. 30d, art. 30e en art. 30f Wet op de kansspelen burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.47 afhandelen melding klein kansspel en verbieden klein kansspel art. 7c Wet op de kansspelen college mandaat DB Y.48 opleggen van een bestuurlijke boete art. 35c Wet op de kansspelen burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.49 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een vergunning voor de exploitatie van een speelautomatenhal (incl. wijzigen en intrekken) art. 4 en art. 9 Verordening speelauto-maten(hallen) burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.50 opvragen van strafregistergegevens en het vragen van inlichtingen uit de algemene documentatie-registers op grond van de artikelen 9 tot en met 13 van de wet en van artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens ten behoeve van: het nemen van besluiten op grond van de Wet op de kansspelen; ten behoeve van het nemen van besluiten op grond van de Drank- en Horecawet ten behoeve van het nemen van besluiten voor het exploiteren van een horecabedrijf, een prostitutie-bedrijf, een seks-inrichting of een speelautomatenhal</p>\n<p class=\"lf-p\">art. 9 t/m 13 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, art. 13 Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie als het mandaat betrekking heeft op prostitutie-bedrijven of seks-inrichtingen geldt het mandaat alleen voor de voorzitter van het dagelijks bestuur in stadsdeel Centrum Y.51 opvragen van strafregistergegevens en het vragen van inlichtingen uit de algemene docu-mentatieregisters op grond van artikelen 9 tot en met 13 van de wet en artikel 15 van het Besluit justitiële gegevens ten behoeve van: artikel 7, eerste en tweede lid Wet Bibob juncto artikel 3, eerste lid Wet Bibob en de APV (het nemen van besluit voor het exploiteren van een horecabedrijf, een prostitutie-bedrijf, een seks-inrichting of een speelautomaten-hal); artikel 27, derde lid Drank- en Horecawet juncto artikel 3 Wet Bibob; artikel 31, tweede en derde lid Drank en Horecawet juncto artikel 3 Wet Bibob; artikel 30c, eerste lid onder c, artikel 30e, derde lid, artikel 30f, derde lid en artikel 30k, vierde lid Wet op de Kansspelen juncto artikel 3 Wet Bibob. art. 9 t/m 13 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, art. 13 en 15 Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.52 opvragen van strafregistergegevens en het vragen van inlichtingen uit de algemene documentatieregisters op grond van artikelen 9 tot en met 13 van de wet en artikel 15 van het Besluit justitiële gegevens ten behoeve van: artikel 2.20, lid 1 en lid 2 Wabo; artikel 2.20, lid 1 en lid 2 Wabo juncto artikel 5.19, lid 4, onder b Wabo art. 9 t/m 13 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, art. 13 en 15 Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens college mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.53 vragen van politiegegevens in verband met de beoordeling van het levensgedrag als bedoeld in de artikelen:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.10, eerste lid, onder b;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.11, derde lid, onder e;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.24, aanhef en onder b;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.29, eerste lid, onder b van de APV 2008 en;</p>\n<p class=\"lf-p\">4, lid 1, onder b van het Speelauto-matenbesluit 2000 Wet politiegegevens, Besluit politiegegevens burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.54 vragen van politiegegevens op grond van artikel 4:3, eerste lid, onder l Besluit politiegegevens in verband met de beoordeling op grond van de Wet Bibob als bedoeld in: artikel 7, eerste en tweede lid Wet Bibob juncto artikel 3, eerste lid Wet Bibob en artikel 4 Besluit Bibob; artikel 27, derde en vierde lid Drank- en Horecawet juncto artikel 3 Wet Bibob; artikel 31, tweede lid Drank- en Horecawet juncto artikel 3 Wet Bibob art. 4:3, lid 1, aanhef en onder l, Besluit politiegegevens burge-meester mandaat VZ nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.55 vragen van politiegegevens op grond van artikel 4:3, eerste lid, onder l Besluit politiegegevens in verband met de beoordeling op grond van de Wet Bibob als bedoeld in: artikel 2.20, lid 1 Wabo artikel 2.20, lid 1 juncto artikel 5.19, lid 4, onder b Wabo art. 4:3, lid 1, aanhef en onder l van het Besluit politie-gegevens college mandaat VZ Y.56 aanwijzen van ambtenaren voor het in ontvangst nemen van het proces-verbaal met de verzegelde pakken, bedoeld in artikel N 2 en artikel N 9 Kieswet art. N 11 Kieswet burge-meester mandaat VZ betreft overige verkiezingen en referenda; wellicht nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.57 aanwijzen van ambtenaren voor het in ontvangst nemen en aftekenen van ondersteuningsver-klaringen art. H 4 Kieswet burge-meester mandaat VZ betreft overige verkiezingen en referenda ;wellicht nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.58 behandelen van aanvragen voor het verkrijgen van een vervangende stempas art. J 8 Kieswet burge-meester mandaat VZ betreft overige verkiezingen en referenda;wellicht nadere regels en aanvullende criteria ten behoeve van stedelijke regie Y.59 verkorten van de aanmeldingstermijn voor een optocht, het geven van voorschriften en het verbieden van een optocht art. 2.34, lid 3, 2.35, 2.36, lid 1 APV burge-meester mandaat VZ Y.60 beslissen op aanvragen voor het verkrijgen van een geschiktheids-verklaring voor een pand als prostitutiebedrijf hoofdstuk 6A Bouw-verordening 2003 college mandaat DB Bijlage 4Overzichtskaarten Overzichtskaart 1: plusnet en hoofdnet auto Overzichtskaart 2: plusnet en hoofdnet fiets Overzichtskaart 3: gemeentelijke wegtunnels Overzichtskaart 4: plusnet en hoofdnet openbaar vervoer Overzichtskaart 5: gemeentelijke busstations</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzichtskaart 6: plusnet en hoofdnet voetganger TOELICHTING PER ARTIKEL Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingenArtikel 1: de stadsdelenDit artikel regelt hoeveel en welke stadsdelen en gebieden er binnen de gemeente Amsterdam zijn. Het aantal stadsdelen en de aangewezen gebieden blijven hetzelfde. De grenzen van de stadsdelen en de 22 gebieden zijn aangegeven op de kaart, die als bijlage 1 bij de verordening is opgenomen. Opmerking verdient dat grote delen van Westpoort met ingang van 1 januari 2015 aan de stadsdelen West en Nieuw-West zijn toegevoegd. Voor het deel van Westpoort dat tot de haven hoort, geldt echter dat het geen onderdeel uitmaakt van de stadsdelen of gebieden. De ingezetenen van dat deel van Westpoort kunnen dus niet voor een stadsdeelcommissie stemmen. Het aantal (stemgerechtigde) ingezetenen van dat deel is overigens zeer beperkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoofdstuk 2 - Inrichting en samenstelling dagelijks bestuurDe Gemeentewet biedt de mogelijkheid om verschillende commissies in te stellen. Op grond van artikel 83 van de Gemeentewet kunnen bestuurscommissies worden ingesteld. Dat zijn commissies die bevoegdheden kunnen uitoefenen die door de gemeenteraad, het college of de burgemeester aan hen zijn overgedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Gemeentewet moet een bestuurscommissie worden ingesteld door het orgaan dat de bevoegdheden aan de bestuurscommissie overdraagt. Het orgaan moet daarbij de taken, bevoegdheden, samenstelling en werkwijze van de commissie regelen en vaststellen op welke wijze verantwoording wordt afgelegd. Verder moet geregeld worden op welke wijze het orgaan dat de bestuurscommissie heeft ingesteld inzage heeft in de stukken waaromtrent door de commissie geheimhouding is opgelegd. In dit hoofdstuk wordt daar uitvoering aan gegeven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-2-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">dagelijks bestuurMet het eerste lid stelt het college per stadsdeel een bestuurscommissie in. In het tweede lid staat dat de bestuurscommissie bestaat uit drie leden en dat het college de leden van het dagelijks benoemt en ontslaat. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het voorschrift in artikel 83 van de Gemeentewet dat het instellend orgaan de inrichting en samenstelling van de bestuurscommissie moet regelen. In dat lid is verder geregeld dat het college de voorzitter benoemt Verder volgt uit dit artikel dat het college niet alleen over de benoeming van de leden van het dagelijks bestuur gaat maar ook een oordeel kan uitspreken over het functioneren van die leden. In het uiterste geval kan het college een lid van het dagelijks bestuur in elk geval ontslaan. Signalen uit de raad of de stadsdeelcommissie kunnen bij het vormen van een oordeel een rol spelen, maar de uiteindelijke bevoegdheid ligt bij het college.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">onverenigbare betrekkingen, verboden handelingen en nevenfunctiesIn de Gemeentewet is voor leden van de gemeenteraad en het college een lijst met onverenigbare betrekkingen opgenomen. Zij kunnen bijvoorbeeld geen minister, lid van de Raad van State, gedeputeerde of lid van de rekenkamer zijn (artikel 13 en artikel 36a en 36b van de Gemeentewet). Verder is bepaald dat zij hun nevenfuncties openbaar moeten maken en is een aantal verboden handelingen opgenomen (artikel 12, artikel 15, eerste en tweede lid en artikel 41b van de Gemeentewet). In dit artikel wordt een aantal van deze artikelen voor het dagelijks bestuur van overeenkomstige toepassing verklaard Verder geldt, net als voor collegeleden, voor de leden van het dagelijks bestuur dat zij ingezetene van de gemeente Amsterdam moeten zijn. De leden van het dagelijks bestuur hoeven niet per se in het stadsdeel te wonen waar zij in het dagelijks bestuur zitting nemen. Dat er affiniteit met het stadsdeel is kan ook op andere wijze blijken, bijvoorbeeld als zij een onderneming hebben in het stadsdeel. Voor de onverenigbare betrekkingen is nog van belang dat, in aanvulling op hetgeen in de verordening is bepaald, in de Gemeentewet staat dat in een door het college ingesteld dagelijks bestuur geen leden van de gemeenteraad zitting kunnen hebben (artikel 83, tweede lid, van de Gemeente-wet). Dat is hier ook van toepassing. Tot slot is bepaald dat de gemeenteraad voor de leden van het dagelijks bestuur een gedragscode vaststelt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-55\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">eed of verklaring en belofte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leden van het dagelijks bestuur leggen een eed of verklaring en belofte af. De leden van het nieuwe dagelijks bestuur leggen hun eed of verklaring en belofte zoveel mogelijk tegelijkertijd met de leden van het nieuwe college af. Als dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat de onderhandelingen hierover nog niet zijn afgerond, dan doen de leden van het dagelijks bestuur dit één raadsvergadering later. Bij een tussentijdse benoeming wordt de eed of verklaring en belofte in handen van de voorzitter van het dagelijks bestuur afgelegd (tweede lid). Voor de inhoud van de eed of verklaring en belofte wordt verwezen naar artikel 41a van de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-5-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">reglement van orde en adviescommissiesIn dit artikel is geregeld dat het dagelijks bestuur zelf een reglement van orde voor de vergaderingen vaststelt. Het college zal een format opstellen voor een reglement zodat in de zeven stadsdelen niet zeven keer het wiel uitgevonden hoeft te worden terwijl het dagelijks bestuur wel de ruimte kan nemen die het nodig acht om invulling te geven aan een wijze van overleg die past bij de lokale cultuur. Daarnaast is in dit artikel geregeld dat het dagelijks bestuur ook adviescommissies kan instellen om zich ook door andere organisaties van advies te laten dienen. De stadsdeelcommissies kunnen deze adviezen desgewenst ook bij hun adviezen betrekken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-6-57\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">vergaderingenOp grond van deze bepaling zijn op de vergaderingen van het dagelijks bestuur de bepalingen inzake de vergaderingen van het college van overeenkomstige toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat de vergaderingen besloten zijn (artikel 54 van de Gemeentewet) en dat het vergaderquorum gelijk is (artikel 56 van de Gemeentewet). Voor de stemmingen binnen het dagelijks bestuur gelden eveneens dezelfde bepalingen als die op de stemmingen binnen het college van toepassing zijn. In het tweede lid is, in aanvulling op wat er in artikel 86 van de Gemeentewet is bepaald, geregeld dat de door het dagelijks bestuur opgelegde geheimhouding niet geldt voor de gemeenteraad, het college en de burgemeester. Zij hebben, ook als er geheimhouding is opgelegd, wel recht op inzage in de stukken. Dit om te zorgen dat er een goede verantwoording richting de gemeenteraad, het college en de burgemeester mogelijk is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-58\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bestuurssecretarisIn het eerste lid is bepaald dat elk dagelijks bestuur over een bestuurssecretaris beschikt. Deze wordt door het college aangesteld. Aangezien de bestuurssecretaris een ambtenaar is en dus ondergeschikt is aan de gemeentesecretaris, maar wel tot taak heeft het dagelijks bestuur bij te staan, is bepaald dat de aanstelling op voordracht van de gemeentesecretaris en in overeenstemming met het dagelijks bestuur plaatsvindt Verder is bepaald dat de bestuurssecretaris de voorzitter en het dagelijks bestuur bij de uitoefening van hun taak terzijde staat. Dit betreft dus feitelijk de stadsdeelsecretaris. Naar analogie is dan ook in het tweede lid bepaald dat het eerste en het tweede lid van artikel 15 van de Gemeentewet inzake de verboden handelingen van overeenkomstige toepassing zijn (zie artikel 101 van de Gemeentewet). Tot slot is in het vierde lid geregeld dat het college ten aanzien van de taken en bevoegdheden van de secretaris nadere regels kan stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-59\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beeindiging lidmaatschap en tijdelijke vervangingVoor wat betreft de beëindiging van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur zijn de bepalingen inzake de beëindiging van het lidmaatschap van het college van overeenkomstige toepassing. Dit betekent bijvoorbeeld dat een lid van het dagelijks bestuur te allen tijde zelf ontslag kan nemen maar ook dat hij vanwege politieke redenen kan worden ontslagen (eerste lid). Daarnaast kan een lid van het dagelijks bestuur op grond van het tweede lid bij zwangerschap en bevalling of ziekte verlof opnemen en gedurende die periode door een ander lid worden vervangen. Dit om belemmeringen voor vrouwen bij het aanvaarden van een functie binnen het dagelijks bestuur weg te nemen en de leden van het dagelijks bestuur bij ziekte in de gelegenheid te stellen prioriteit te geven aan hun gezondheid. Voor de inhoud van de regeling wordt aangesloten bij wat er in de Gemeentewet voor de tijdelijke vervanging van wethouders geregeld is</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-9-60\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">taken en bevoegdheden dagelijks bestuurIn dit artikel is in het verwoord wat de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur zijn. Geregeld is dat het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse bestuur- en beheerstaken en alle taken uitvoert en bevoegdheden uitoefent die door het college aan hem zijn opgedragen Voor de concrete invulling van de taken en bevoegdheden wordt verwezen naar twee bijlagen. Daar staan de taken (bijlage 2) en bevoegdheden (bijlage 3) in die door het college en de burgemeester aan het dagelijks bestuur en de voorzitter worden gemandateerd of gedelegeerd. Deze bijlagen kunnen worden gewijzigd door middel van een besluit van het orgaan dat de taak of bevoegdheid heeft gemandateerd of gedelegeerd. De takenlijst en het bevoegdhedenregister bevatten een limitatieve opsomming van hetgeen het dagelijks bestuur in formele zin mag doen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-10-61\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">taken en bevoegdheden voorzitterIn dit artikel is vastgelegd wat de taken van de voorzitter van het dagelijks bestuur zijn. Hij leidt de vergaderingen van het dagelijks bestuur en oefent de taken en bevoegdheden uit die door de burgemeester aan hem zijn gemandateerd. Verder is aangesloten bij de bepalingen die voor wat betreft de taken en bevoegdheden van de burgemeester in artikel 170 van de Gemeentewet zijn opgenomen. Denk aan de tijdige voorbereiding, vaststelling en uitvoering van het beleid en de daaruit voortvloeiende besluiten en de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-11-62\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">bekendmaking besluiten dagelijks bestuurBepaald is dat de besluiten van het dagelijks bestuur op dezelfde wijze bekend worden gemaakt als de besluiten van het gemeentebestuur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-12-63\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">advies dagelijks bestuurIn de artikelen 12 tot en met 17 van de verordening zijn voorschriften opgenomen die van toepassing zijn op de verhouding tussen het dagelijks bestuur enerzijds en het college en de burgemeester anderzijds. In dat kader wordt in het eerste lid van artikel 12 geregeld dat het college en de burgemeester het dagelijks bestuur bij de voorbereiding van stedelijke kaders betrekt als deze kaders betrekking hebben op de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur of als het dagelijks bestuur een rol krijgt in de uitvoering van die kaders. Daarnaast staat in het tweede lid dat het college en de burgemeester advies moeten vragen aan het dagelijks bestuur als zij voornemens zijn de genoemde stedelijke kaders vast te stellen of anderszins voornemens is een besluit te nemen dat het stadsdeel raakt. Daar is voor wat betreft de bestemmingsplannen die door het dagelijks zijn voorbereid wel de uitzondering aan toegevoegd dat het dagelijks bestuur in de vaststellingsfase alleen nog om advies wordt gevraagd als ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan wijzigingen worden voorgesteld welke zijn aan te merken als wijzigingen van wezenlijke onderdelen of aard. Het dagelijks bestuur legt alle van het college en de burgemeester ontvangen adviesaanvragen op grond van artikel 19 ook aan de stadsdeelcommissie voor. De stadsdeelcommissie beslist vervolgens waar over advies wordt uitgebracht In het derde lid staat dat het college en de burgemeester bij het inwinnen van het advies alle informatie dienen te verstrekken die nodig is om op een goede manier te kunnen adviseren. Het college en de burgemeester stellen op grond van het vierde lidvoor het advies een termijn vast. Die bedraagt, uitzonderlijke gevallen daargelaten, in elk geval vier weken. Bij uitzonderlijke gevallen kan gedacht worden aan de situatiewaarin een besluit op zeer korte termijn genomen moet worden. Tot slot staat in het vijfde lid dat het college en de burgemeester de adviezen van het dagelijks bestuur samen met het voorstel aan de raad of het college voorleggen en dus steedsinzichtelijk maken wat er precies geadviseerd is. Daarnaast moet het college of de burgemeester, als er van het advies wordt afgeweken, in de stukken duidelijk uitleggen waarom er van het advies afgeweken is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-13-64\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">toelichting dagelijks bestuurAls een onderwerp aan de belangen van een of meerdere stadsdelen raakt, dan kan het dagelijks bestuur niet alleen om advies worden gevraagd. De verordening biedt het college of de burgemeester in dat geval ook de mogelijkheid een of meer leden van het dagelijks bestuur bij de collegevergadering aanwezig te laten zijn om het standpunt van het dagelijks bestuur toe te lichten. Overigens is ook denkbaar dat een van de leden van het college een of meer leden van het dagelijks bestuur uitnodigt voor zijn of haar staf. Dit is ter beoordeling van de individuele leden van het college</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-14-65\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">inlichtingen dagelijks bestuurOp grond van het eerste lid kan het college en de burgemeester inlichtingen vragen aan het dagelijks bestuur of hun secretaris. De inlichtingen kunnen zowel mondeling als schriftelijk worden gevraagd en dienen op grond van het tweede lid binnen vier weken te worden verstrekt, tenzij dit om bepaalde redenen niet mogelijk is. Bij technische of juridische redenen kan gedacht worden aan de situatie dat problemen met de server of bijvoorbeeld geheimhouding verspreiding van informatie belet. Tot slot biedt het derde lid het college en de burgemeester de bevoegdheid om het dagelijks bestuur op te dragen periodiek informatie te verstrekken</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-15-66\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">terugnemen bevoegdhedenIn de verordening is voorzien in correctiemechanismen tussen het college en de burgemeester enerzijds en het dagelijks bestuur anderzijds. Aan het dagelijks bestuur zijn voornamelijk taken en bevoegdheden gedelegeerd. Dit betekent dat de taken en bevoegdheden worden overgedragen. Het dagelijks bestuur gaat deze dus onder zijn eigen verantwoordelijkheid uitoefenen Dit betekent echter niet dat er geen verantwoording hoeft te worden afgelegd. Het delegerende bestuursorgaan blijft verantwoordelijk voor de delegatie en het laten voortbestaan daarvan. Bovendien geldt voor een bestuurscommissie dat die altijd verantwoording af moet leggen aan het orgaan dat hem heeft ingesteld. In de verhouding tussen de gemeenteraad en het college en het dagelijks bestuur betekent dit dat de raad het college dus weliswaar niet in concrete gevallen kan aanspreken over de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid door het dagelijks bestuur maar dat de raad het college wel kan vragen in meer algemene zin verantwoording af te leggen. Het college kan op zijn beurt dan het dagelijks bestuur weer aanspreken. Het resultaat hiervan kan daarna dan een aanscherping van de beleidsregels zijn of het intrekken van het delegatiebesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat kader is in de eerste plaats in de verordening bepaald dat de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur kunnen worden teruggenomen. Dit kan incidenteel of structureel worden besloten. Op grond van het tweede lid moet in het besluit tot intrekking van de delegatie aandacht worden besteed aan de taken en bevoegdheden waar het besluit op ziet, voor welke periode het besluit geldt, welk dagelijks bestuur het betreft, op welke ambtelijke capaciteit het besluit ziet en hoe daarbij de kosten worden verdeeld. In het derde lid is bepaald dat over het terugnemen van de taken en bevoegdheden vooraf overleg met het betrokken dagelijks bestuur plaatsvindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-16-67\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">indeplaatsstellingDe verordening biedt ook de mogelijkheid om in de plaats te stellen. Voor de invulling van deze mogelijkheid is aansluiting gezocht bij de bepalingen die op dit punt in de Gemeentewet opgenomen zijn. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat er, anders dan bij hetgeen in de Gemeentewet geregeld is, in dit geval niet op de beslissingsbevoegdheid van een andere zelfstandige bestuurslaag wordt ingegrepen. Dit veronderstelt dat in beginsel minder terughoudend met het middel kan worden omgegaan Kort gezegd kan het college tot indeplaatsstelling overgaan indien een dagelijks bestuur een gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt, een gevorderde handeling niet of niet naar behoren verricht of een andere gevorderd resultaat niet, niet tijdig of niet naar behoren tot stand brengt. Het college voorziet daar dan namens en ten laste van het dagelijks bestuur in. In het tweede, derde en vierde lid zijn in dat verband wel een aantal procedurele voorschriften opgenomen. Bijvoorbeeld over de termijn die het dagelijks bestuur moet worden gegund om een verzuim te herstellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-17-68\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">schorsing en vernietigingIn aanvulling op de mogelijkheid om bevoegdheden terug te nemen voorziet de verordening in de mogelijkheid om de besluiten van het dagelijks bestuur te vernietigen wegens strijd met het recht of met het algemeen stedelijk belang. Bij de invulling van dit correctiemechanisme is aansluiting gezocht bij hetgeen op dit punt in de Gemeentewet geregeld is. Van belang is echter wel dat er in dit geval geen sprake is van het ingrijpen op de bevoegdheden van een andere bestuurslaag. Er is sprake van verlengd lokaal bestuur en er is dus geen verhouding die vergelijkbaar is met de verhouding die er bijvoorbeeld tussen de gemeenten en het Rijk en de provincies is. Het middel kan dus in beginsel breder worden ingezet dan binnen het reguliere interbestuurlijk toezicht het geval is. Voor de vernietiging zijn verschillende procedurele voorschriften opgenomen. Daarbij is met name van belang dat een besluit op grond van het tweede lid, hangende het onderzoek naar de vernietiging, kan worden geschorst en dat het dagelijks bestuur, op grond van het vierde lid, voorafgaand aan de vernietiging de gelegenheid tot overleg moet worden geboden</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-18-69\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">toelichting dagelijks bestuurIn de artikelen 18 en 19 van de verordening zijn voorschriften opgenomen die zien op de verhouding tussen het dagelijks bestuur enerzijds en de raad en de stadsdeelcommissie anderzijds. Het dagelijks bestuur kent een directe verantwoordingsrelatie tot het college, niet tot de raad en de stadsdeelcommissie. Dit komt tot uitdrukking in de volgende werkwijze Zo kunnen een of meer leden van het dagelijks bestuur een vergadering van de raadscommissies van de gemeenteraad bijwonen waar een onderwerp wordt behandeld waarbij de belangen van het dagelijks bestuur betrokken zijn. Daar kunnen zij hun standpunt toelichten. Dit kan alleen op verzoek van het college of de burgemeester. Het dagelijks bestuur heeft geen eigenstandige positie richting de gemeenteraad maar ontleent zijn bevoegdheden aan het college. De raad kan het college wel verzoeken om aanwezigheid van een of meer leden van het dagelijks bestuur. Het is aan het college om te beoordelen of een toelichting door een of meer leden van het dagelijks bestuur daarbij aangewezen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een lid van het dagelijks bestuur vervangt het betrokken lid van het college in die zin ook niet. Het lid van het dagelijks bestuur neemt naast het desbetreffende lid van het college plaats en licht toe welke afwegingen er door het dagelijks bestuur zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is een belangrijk verschil tussen de toelichting die een lid van het dagelijks bestuur op grond van artikel 18 in de vergadering van een raadscommissie van de gemeenteraad kan geven en de toelichting die een lid van het dagelijks bestuur op grond van artikel 13 in een vergadering van het college kan geven. Voor het college geldt dat het dagelijks bestuur het eerste aanspreekpunt is als het gaat over zaken die in een stadsdeel spelen. Een lid van het dagelijks bestuur kan dus voor de vergaderingen van het college worden uitgenodigd en het woord voeren als het gaat om een onderwerp dat het stadsdeel raakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de raadscommissie van de gemeenteraad is echter de stadsdeelcommissie primair de gesprekspartner als het om de belangen van het stadsdeel gaat. Een lid van het dagelijks bestuur kan in de vergaderingen van de raadscommissie van de gemeenteraad daarom alleen het standpunt van het dagelijks bestuur toelichten indien het om de belangen van het dagelijks bestuur gaat. Bijvoorbeeld als een door het dagelijks bestuur genomen besluit aan de orde komt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-19-70\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afspraken en advies stadsdeelcommissieDe stadsdeelcommissie voorziet primair het dagelijks bestuur gevraagd van advies. In het eerste lid van artikel 19 is in dat verband bepaald dat het dagelijks bestuur alle adviesaanvragen die het van het college ontvangt, voorlegt aan de stadsdeelcommissie. De stadsdeelcommissie bepaalt vervolgens of zij over het beleidsvoornemen advies wenst uit te brengen. De stadsdeelcommissie bepaalt zelf waar zij haar tijd voor wil inzetten In het tweede lid is bepaald dat het dagelijks bestuur daarnaast in elk geval advies vraagt aan de stadsdeelcommissie als het voornemens is een taak of bevoegdheid uit te oefenen waarbij een uniforme openbare voorbereidingsprocedure in de zin van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht of inspraak in de zin van de Algemene inspraakverordening aan de orde is. Dat geldt ook als er producten voor de gebiedscyclus worden opgesteld. De leden van de gebiedscommissies zijn daarbij een belangrijke raadgever. Als er advies moet worden gevraagd, dan bespreekt het dagelijks bestuur met de stadsdeelcommissie op welke wijze inwoners en ondernemers bij de besluitvorming worden betrokken en stelt het dagelijks bestuur de stadsdeelcommissie in de gelegenheid advies uit te brengen. De stadsdeelcommissie bepaalt welke rol de gebiedscommissies hierin hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur is in bovenstaande gevallen dus verplicht om advies te vragen. Dit neemt niet weg dat het dagelijks bestuur ook in andere gevallen om advies kan vragen. Het is aan het dagelijks bestuur om te bepalen welke adviezen er verder nog aan de stadsdeelcommissie worden gevraagd en in welke gevallen er afspraken worden gemaakt over de wijze waarop inwoners en ondernemers bij de voorbereiding van de besluitvorming worden betrokken. Dit kan ook in hele concrete gevallen zijn. Verder is van belang dat de stadsdeelcommissie ook ongevraagd adviezen kan uitbrengen over ontwikkelingen in de buurten en wijken en over stedelijke kaders. Een signaal of advies kan dus ook op initiatief van de stadsdeelcommissie op de agenda komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft het voorgenomen besluit is overigens wel opgenomen dat het om voorgenomen besluit moet gaan dat op initiatief van het dagelijks bestuur wordt genomen. Dit is anders als het dagelijks bestuur voornemens is een besluit te nemen op grond van een door een inwoner of ondernemer aangevraagde vergunning of ontheffing. In de gevallen waarin een inwoner of ondernemer namelijk een vergunning of ontheffing aanvraagt en de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wettelijk voorgeschreven is, is er geen tijd en ruimte om de stadsdeelcommissie om advies te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het inwinnen van het advies moet het dagelijks bestuur op grond van het derde en vierde lid alle informatie verstrekken die voor het geven van advies nodig is en ook een termijn voor het geven van het advies stellen. De adviestermijn dient daarbij in de regel vier weken te zijn. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan het dagelijks bestuur een kortere termijn vaststellen. Te denken valt aan een besluit dat vanwege onvoorziene omstandigheden op korte termijn genomen moet worden. Bovendien moet het dagelijks bestuur dan uitleggen waarom het dat doet. Gelet op het belang dat aan het lokale geluid wordt gehecht, maakt het dagelijks bestuur in de besluitvorming steeds inzichtelijk wat de inhoud van het advies is geweest en hoe dit advies in de definitieve besluitvorming een plaats heeft gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het advies is zwaarwegend. Dit betekent in de eerste plaats dat als de stadsdeelcommissie een advies heeft gegeven dat met een meerderheid van stemmen is vastgesteld, en het advies niet strijdig is met stedelijke of budgettaire kaders, het dagelijks bestuur het advies in beginsel overneemt en daar alleen in uitzonderlijke gevallen vanaf wijkt. Daarnaast brengt het gewicht dat aan het advies wordt toegekend ook met zich mee dat als het dagelijks bestuur in het uiteindelijke besluit van het advies van de stadsdeelcommissie afwijkt, het dagelijks bestuur motiveert waarom dit het geval is. Dit doet het dagelijks bestuur ook als er geen sprake is van een advies dat met een meerderheid van stemmen tot stand is gekomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-20-71\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">budget voor het dagelijks bestuurDe dagelijks besturen ontvangen jaarlijks een budget. De hoogte van het budget wordt bepaald in de begroting die door de gemeenteraad wordt vastgesteld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-21-72\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gebiedscyclusHet dagelijks bestuur stelt elke nieuwe bestuursperiode van vier jaar voor alle gebieden in het stadsdeel een gebiedsagenda op. Deze agenda komt tot stand op basis van een gebiedsanalyse en de inbreng van bewoners, ondernemers, de Resultaat Verantwoordelijke Eenheid van de gemeente en verdere partners in het gebied. De leden van de gebieds- en stadsdeelcommissie zijn bij totstandkoming van alle producten voor de gebiedscyclus een belangrijke raadgever. De gebiedsagenda benoemt de belangrijkste prioriteiten voor de bestuursperiode in de gebieden. De gemeenteraad stelt deze vast Het meerjarig programmeren en prioriteren van de inzet in de gebieden maakt het dagelijks bestuur inzichtelijk in het gebiedsplan dat elk jaar wordt vastgesteld. In het gebiedsplan staat vermeld welke zaken worden aangepakt in het komende kalenderjaar. Ook wordt opgenomen welke zaken om agendering vragen in de aanloop naar de voorjaarsnota, met het oog op uitvoering in een volgend kalenderjaar. De gebiedsplannen worden vastgesteld door het dagelijks bestuur in december opdat de uitvoering in januari van start kan gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parallel aan het opstellen van de gebiedsplannen voor het komende jaar stelt het dagelijks bestuur, geadviseerd door stadsdeelcommissie, jaarlijks een verantwoordingsdocument op. Daarin wordt gemotiveerd inzicht geboden in de realisatie van de gebiedsplannen in het afgelopen jaar. Dit document wordt in het eerste kwartaal van elk kalenderjaar aangeboden aan het college zodat het onderdeel kan uitmaken van de gemeentelijke jaarrekening. De gebiedscyclus loopt daarmee gelijk op met de planning- en controlcyclus van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dagelijks bestuur levert deze producten voor een door het college te bepalen datum en ook verder overeenkomstig de door het college vastgestelde voorschriften aan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-73\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verordening ex artikel 212 GemeentewetMet de Financiële verordening gemeente Amsterdam, die de raad op 22 januari 2014 heeft vastgesteld, wordt de verordening bedoeld die iedere gemeente op grond van artikel 212 van de Gemeentewet verplicht is vast te stellen. Op basis van dit artikel worden beleidsnota\"s en uitvoeringsbesluiten vastgesteld die onder andere verplichtingen bevatten waaraan alle gemeentelijke organisatieonderdelen moeten voldoen. Deze gelden ook voor de dagelijks besturen Hoofdstuk 3 - Inrichting en samenstelling stadsdeelcommissieDe Gemeentewet biedt de mogelijkheid om verschillende commissies in te stellen. Op grond van artikel 84 van de Gemeentewet kunnen daarbij ook commissies ingesteld worden die de gemeenteraad, het college of de burgemeester van advies voorzien. In dit hoofdstuk wordt in de instelling van dergelijke adviescommissies door de gemeenteraad voorzien. Deze commissies worden daarbij ingesteld per stadsdeel en om die reden worden ze stadsdeelcommissies genoemd. De stadsdeelcommissie heeft als taak om gevraagd en ongevraagd adviezen uit te brengen over ontwikkelingen in de buurten en wijken en over stedelijke kaders. Ook onderhoudt en versterkt zij netwerken van inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Zij benut, faciliteert en stimuleert verschillende vormen van burgerparticipatie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">leden en voorzitter stadsdeelcommissieMet het eerste lid stelt de raad per stadsdeel een stadsdeelcommissie in. In het tweede lid staat dat er voor de samenstelling van die commissie verkiezingen per gebied worden gehouden. De zeven stadsdelen zijn ingedeeld in 22 gebieden. Het aantal leden per gebied wordt vastgesteld op basis van het aantal inwoners. Per gebied worden in elk geval vier leden gekozen en per 10.000 inwoners komt daar vervolgens één lid van de gebiedscommissie bij met een maximum van zes leden. De gebiedscommissies vormen tezamen de stadsdeelcommissie. Het is de stadsdeelcommissie die als geheel vergadert en adviezen vaststelt. De stadsdeelcommissie kiest op grond van het derde lid uit haar midden een voorzitter. Die heeft tot taak de vergaderingen van de stadsdeelcommissie te leiden. Dit kan per vergadering ook een andere voorzitter zijn. Daarnaast staat in het vierde lid dat de verkiezingen voor de stadsdeelcommissie elke vier jaar, tegelijk met de gemeenteraadsverkiezingen, plaatsvinden. In het vijfde lid staat tot slot dat voor het inwonertal van het gebied de van gemeentewege openbaar gemaakte bevolkingscijfers bepalend zijn. Dit betreft dan de bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar voorafgaand aan het jaar van de verkiezingen voor de stadsdeelcommissie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-75\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verkiezingen stadsdeelcommissieIn het eerste lid is geregeld dat op de verkiezingen voor de stadsdeelcommissie de bepalingen van de Kieswet inzake de verkiezing van de leden van de gemeenteraad van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekent dat bij de verkiezingen een lijstenstelsel wordt gehanteerd. De kandidaten worden dus in lijsten gerangschikt zoals bij de verkiezing van volksvertegenwoordigers in Nederland inmiddels gebruik is. Een lijst kan ook uit één persoon bestaan In het tweede lid wordt een uitzondering op de Kieswet gemaakt. De kring van kiesgerechtigden wordt namelijk uitgebreid. Een ingezetene, die afkomstig is uit een land dat geen lid is van de Europese Unie en rechtmatig in Nederland verblijft, kan al stemmen indien hij gedurende een onafgebroken periode van drie jaar in Nederland woont. In de Kieswet wordt daarentegen uitgegaan van een periode van vijf jaar. Deze eis van ingezetenschap geldt alleen voor hen die geen onderdaan van een EU-lidstaat zijn. Voor ingezetenen die uit EU-lidstaten afkomstig zijn gelden deze eisen niet omdat zij onmiddellijk stemrecht hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is in het derde lid in afwijking van de Kieswet geregeld dat het hoofdstembureau en het centraal stembureau niet per gebied maar per stadsdeel worden ingesteld. De taken van die stembureaus zijn beperkt en het is dus onnodig hier in 22 afzonderlijke hoofd- en centraal stembureaus te voorzien. In het vierde lid staat dat de lijsten met een stemcijfer van 25% of meer ook in aanmerking kunnen komen voor een restzetel. Dit zodat partijen bij de restzetelverdeling al een zetel kunnen verwerven als zij 25% van de kiesdeler hebben gehaald en niet pas bij 75% zoals de Kieswet voorschrijft. Daarmee wordt de kiesdrempel aanmerkelijk lager. Bij de verdeling van de restzetels wordt op grond van de Kieswet het stelsel van de grootste overschotten gehanteerd. Bij het systeem van de grootste overschotten wordt gekeken naar het aantal stemmen dat over is van het totale aantal stemmen na verdeling van de volle zetels. De partij met het grootste overschot krijgt bij dit systeem de eerste restzetel, de partij met het op één na grootste overschot de tweede, tot alle zetels verdeeld zijn. Deze methode werkt in het algemeen in het voordeel van kleinere partijen. Hiermee wordt dus geprobeerd te bevorderen dat ook kleine lokale (politieke) groeperingen een zetel kunnen verwerven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het vijfde lid kunnen niet alleen politieke partijen aan de verkiezingen meedoen, maar ook andere groeperingen zoals bewonersverenigingen en buurtcomités. In aanvulling op de bepaling in de Kieswet dat een politieke groepering die een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid is zich voor de verkiezingen kan laten registreren, is bepaald dat ook niet-politieke groeperingen en stichtingen zich voor de verkiezingen voor de stadsdeelcommissies kunnen laten registreren. Zij kunnen dan eveneens onder een bepaalde naam aan de verkiezingen meedoen zonder dat zij aan de formele vereisten uit Kieswet hoeven te voldoen zoals het overleggen van een notariële akte en een bewijs van inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Verder hoeven zij ook geen waarborgsom te betalen. Ook niet voor de kandidaatstelling (zesde lid). Groeperingen hoeven zich overigens niet te laten registreren. Zij nemen dan aan de verkiezingen deel zonder een aanduiding (specifieke naam) boven de kandidatenlijst, een zogenaamde \"blanco lijst\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het zevende lid kan het college nadere regels voor de verkiezingen vaststellen. Dit betreft technische voorschriften zoals bepalingen over het nummeren van kandidatenlijsten en een bepaling dat groeperingen die al voor de gemeenteraadsverkiezingen zijn geregistreerd zich niet apart voor de verkiezingen voor de stadsdeelcommissies hoeven te registreren. Ook kan het college voorschriften stellen die ertoe strekken dat de bestuurscommissies verantwoordelijk zijn voor de registratie, de kandidaatstelling en de verwerking van de verkiezingsuitslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het achtste lid is de regeling uit de Kieswet voor de vervulling van een opengevallen plaats van overeenkomstige toepassing verklaard. In aanvulling daarop wordt het eerste lid van artikel W4 van de Kieswet van overeenkomstige toepassing verklaard (negende lid). Als er in een gemeenteraad met minder dan dertien leden bij de opvolging van een lid geen kandidaat meer voor benoeming in aanmerking komt op de lijst waartoe degene die moet worden opgevolgd behoort, dan geldt het volgende. Met toepassing van artikel P 10 van de Kieswet wordt dan beslist aan welke van de andere lijsten de plaats zal worden toegekend. Deze plaats valt dan toe aan de lijst die op grond van het aantal uitgebrachte stemmen als eerste in aanmerking komt voor de nog niet toegedeelde restzetel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">passief kiesrecht stadsdeelcommissieOm als lid van de stadsdeelcommissie te kunnen worden gekozen moet op grond van deze bepaling worden voldaan aan de vereisten voor het lidmaatschap van de gemeenteraad. Deze zijn opgenomen in artikel 10 van de Gemeentewet. In aanvulling daarop is gesteld dat de kandidaat ingezetene van het desbetreffende gebied moet zijn Verder is in uitzondering op artikel 10, tweede lid, onder b van de Gemeentewet geregeld dat een ingezetene, die afkomstig is uit een land dat geen lid is van de Europese Unie, zich al na drie jaar verkiesbaar kan stellen. Voor de verkiezingen voor de gemeenteraad wordt uitgegaan van vijf jaar. Dit betekent dat de periode voor de stadsdeelcommissie met twee jaar wordt verkort en een ingezetene van buiten de Europese Unie dus eerder voor de stadsdeelcommissie verkiesbaar is. Deze eis geldt alleen voor hen die geen onderdaan van een EU-lidstaat zijn. Voor de ingezetenen uit EU-lidstaten is geen periode van onafgebroken verblijf vereist. Zij bezitten onmiddellijk passief kiesrecht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-77\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">vereisten lidmaatschap stadsdeelcommissie, onverenigbare betrekkingen, verboden handelingen en nevenfunctiesIn de Gemeentewet is voor leden van de gemeenteraad een lijst met onverenigbare betrekkingen opgenomen. Zij kunnen bijvoorbeeld geen minister, lid van de Raad van State, gedeputeerde of lid van de rekenkamer zijn (artikel 13 van de Gemeentewet). Verder is bepaald dat zij hun nevenfuncties openbaar moeten maken en is een aantal verboden handelingen opgenomen (artikel 12 en 15, eerste en tweede lid van de Gemeentewet). Deze bepalingen worden in dit artikel op de leden van de stadsdeelcommissie van overeenkomstige toepassing verklaard. Verder wordt toegevoegd dat artikel 11 van de Gemeentewet van toepassing is. Zo wordt voorkomen dat een lid waarvan het lidmaatschap sinds de verkiezingen vervallen is verklaard, op grond van de Kieswet wordt benoemd ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats Daarbij is van belang dat het lidmaatschap van de stadsdeelcommissie op grond van artikel 13 van de Gemeentewet onverenigbaar is met de functie van ambtenaar van de gemeente Amsterdam. Dit omdat het vanuit het oogpunt van dualisme niet wenselijk is dat een ambtenaar die ondergeschikt is aan het college zitting heeft in een commissie die door de raad is ingesteld. Dat deze functies onverenigbaar zijn betekent echter niet dat ambtenaren van de gemeente Amsterdam al bij hun kandidaatstelling ontslag moeten nemen. Het moment van installatie is voor artikel 13 van de Gemeentewet beslissend. Ambtenaren kunnen zich dus eerst kandidaat stellen en aan de verkiezingen deelnemen en pas als zij gekozen zijn en ook daadwerkelijk zitting in de stadsdeelcommissie willen nemen, dienen zij ontslag te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is vervolgens bepaald dat de gemeenteraad de gedragscode voor de leden van de stadsdeelcommissies vaststelt. Dit zodat voor alle stadsdeelcommissies dezelfde voorschriften gelden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-78\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">eed of verklaring en belofte</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de stadsdeelcommissie leggen een eed of verklaring en belofte af. Dit doen zij op grond van het eerste lid na de verkiezingen tegelijkertijd met de leden van de nieuwe gemeenteraad ten overstaan van de burgemeester. Bij tussentijdse benoemingen wordt de eed of verklaring en belofte in handen van de voorzitter afgelegd (tweede lid). Voor de inhoud van de eed of verklaring en belofte wordt verwezen naar artikel 14 van de Gemeentewet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28-79\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beëindiging lidmaatschap en tijdelijke vervangingVoor de beëindiging van het lidmaatschap van de stadsdeelcommissie gelden dezelfde voorschriften als er voor de beëindiging van het lidmaatschap van de gemeenteraad. Om ervoor te zorgen dat de belemmeringen voor vrouwen worden weggenomen om ten aanzien van de stadsdeelcommissie hun passief kiesrecht uit te oefenen en de leden van de stadsdeelcommissie bij ziekte in de gelegenheid te stellen prioriteit te geven aan hun gezondheid is daarnaast, in lijn met hetgeen voor raadsleden geregeld is, voorzien in tijdelijke vervanging bij zwangerschap en bevalling of ziekte</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">reglement van ordeIn dit artikel is geregeld dat de stadsdeelcommissie een reglement van orde voor de vergaderingen en de andere werkzaamheden vast stelt. Er zal een format worden opgesteld voor een reglement zodat in de zeven stadsdelen niet zeven keer het wiel uitgevonden hoeft te worden terwijl de stadsdeelcommissie wel de ruimte kan nemen die het nodig acht om invulling te geven aan een wijze van overleg die past bij de lokale cultuur. Onder andere werkzaamheden wordt bijvoorbeeld het bekendmaken van besluiten verstaan waarin niet op andere wijze is voorzien</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-30-81\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">advies en agenderingDe stadsdeelcommissie heeft in de eerste plaats tot taak aan het dagelijks bestuur advies uit te brengen. Het brengt dan advies uit aan het dagelijks bestuur over aangelegenheden die het stadsdeel of een in het stadsdeel gelegen gebied betreffen. Dit advies is daarbij zwaarwegend. Dit betekent in de eerste plaats dat als de stadsdeelcommissie een advies heeft gegeven dat met een meerderheid van stemmen tot stand is gekomen, en het advies niet strijdig is met stedelijke of budgettaire kaders, het dagelijks bestuur het advies in beginsel overneemt en daar alleen in uitzonderlijke gevallen vanaf wijkt. Daarnaast brengt het gewicht dat aan het advies wordt toegekend ook met zich mee dat als het dagelijks bestuur in het uiteindelijke besluit van het advies van de stadsdeelcommissie afwijkt, het dagelijks bestuur motiveert waarom dit het geval is. Dit doet het dagelijks bestuur ook als er geen sprake is van een advies dat met een meerderheid van stemmen tot stand is gekomen Daarnaast heeft de stadsdeelcommissie een agenderingsrecht: de commissie kan onderwerpen voor de overlegvergaderingen met het dagelijks bestuur agenderen die naar het oordeel van de stadsdeelcommissie noodzakelijk zijn. De stadsdeelcommissie is vrij in de onderwerpen die zij wenst te agenderen. Onderwerp van agendering kan ook de taken en bevoegdheden van het college en de raad betreffen; de twee organen aan wie de commissie niet direct adviseert. In het tweede lid is aangegeven dat de stadsdeelcommissie ook inzichtelijk moet maken wat het draagvlak in het gebied of het stadsdeel voor het advies of het geagendeerde onderwerp is. Gedachte hierbij is dat de stadsdeelcommissie steeds uitlegt welke signalen er van inwoners en ondernemers zijn ontvangen, hoe zij bij de uitwerking van een specifiek advies of onderwerp zijn betrokken en wat de uitkomst daarvan was.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is vervolgens benadrukt dat de stadsdeelcommissie niet tot een advies dat met meerderheid van stemmen zal worden vastgesteld, hoeft te komen. In een advies of bij de agendering van een onderwerp kunnen ook verschillende standpunten van de stadsdeelcommissie worden weergegeven. Het is volledig aan de stadsdeelcommissie om daar vorm en inhoud aan te geven. Het dagelijks bestuur moet dan aan de hand van die verschillende standpunten een afweging maken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-31-82\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">ondersteuning buurtinitiatievenDe stadsdeelcommissie heeft ook tot taak buurtinitiatieven te ondersteunen. Zij signaleert, agendeert en adviseert over dergelijke initiatieven. De raad stelt het budget voor de ondersteuning van de buurtinitiatieven vast. Vervolgens verleent het dagelijks bestuur uit deze subsidies op basis van de adviezen van de stadsdeelcommissie. Over het beschikbaar stellen van budgetten voor dergelijke initiatieven, adviseert de commissie het dagelijks bestuur, binnen het daartoe door de gemeenteraad vastgestelde budget. Het dagelijks bestuur zorgt vervolgens voor de verantwoording. Voor deze systematiek is gekozen omdat de stadsdeelcommissie geen beslissingsbevoegdheden heeft</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-83\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">overlegvergaderingen dagelijks bestuurDe stadsdeelcommissie kent twee typen vergaderingen, beschreven in de artikelen 32 en33. Dit betreft in de eerste plaats de vergaderingen die door het dagelijks bestuur worden uitgeschreven, dat zijn de overlegvergaderingen tussen de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur (artikel 32). Daarnaast kan de stadsdeelcommissie ook zelf vergaderingen uitschrijven (artikel 33). De eerste vorm is in deze verordening enigszins ingekaderd. Het tweede type vergadering is vormvrij. Het is aan de stadsdeelcommissie om daar vorm en inhoud aan te geven en te bepalen hoe en in welke samenstelling die vergaderingen plaatsvinden Het dagelijks bestuur schrijft, buiten de recesperiodes van de raad, elke maand twee overlegvergaderingen met het dagelijks bestuur uit. Doel van deze vergaderingen is het vaststellen van de adviezen die gereed zijn, het bespreken van adviezen die in voorbereiding zijn en het bespreken van de onderwerpen die de stadsdeelcommissie heeft geagendeerd. De overlegvergaderingen worden op grond van het eerste lid van dit artikel door het dagelijks bestuur uitgeschreven, maar de stadsdeelcommissie beslist of en zo ja, welke leden van het dagelijks bestuur daarbij aanwezig moeten zijn en de voorzitter van de stadsdeelcommissie zit de vergaderingen voor. Het initiatief ligt dus bij het dagelijks bestuur, maar de invulling is aan de stadsdeelcommissie. Verder is in het tweede lid aangegeven dat als de leden van het dagelijks bestuur op verzoek van de stadsdeelcommissie bij de vergadering aanwezig zijn, zij aan de beraadslaging deelnemen. In het derde lid staat dat tijdens de vergaderingen in de eerste plaats de adviezen van de stadsdeelcommissie worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het vierde lid volgt, zoals hiervoor opgemerkt, dat tijdens de overlegvergaderingen tussen de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur verder de adviezen worden besproken die de stadsdeelcommissie in voorbereiding heeft, de adviezen die door het college aan het dagelijks bestuur zijn gevraagd en die onderwerpen die op initiatief van de stadsdeelcommissie op de agenda zijn geplaatst. De adviezen die door het college aan het dagelijks bestuur zijn gevraagd worden geagendeerd zodat kan worden besproken of er aanleiding is de stadsdeelcommissie bij die adviesaanvraag te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergaderingen zijn openbaar en vinden op het stadsdeelkantoor of een andere plek binnen het stadsdeel plaats (lid 5) en op grond van het zesde lid zijn de artikelen 19 en 20 van de Gemeentewet zijn op de vergaderingen van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-33-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">overige vergaderingen stadsdeelcommissieDe stadsdeelcommissies zijn vrij om, naast de plenaire vergaderingen en de overlegvergaderingen tussen de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur, andere vergaderingen te beleggen. Voor die vergaderingen geldt op grond van het eerste lid dat die door de voorzitter van de stadsdeelcommissie worden uitgeschreven. Deze vergaderingen zijn, zoals gezegd, vormvrij. Het is aan de stadsdeelcommissie om te bepalen welke onderwerpen worden geagendeerd en in welke samenstelling er wordt vergaderd. Er kunnen ook vergaderingen per gebied worden belegd Ook voor deze vergaderingen geldt dat ze openbaar zijn en plaatsvinden op het stadsdeelkantoor of een andere plek binnen het stadsdeel (lid 2) en op grond van het derde lid zijn de artikelen 17 tot en met 20 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">commissiesecretarisIn dit artikel is bepaald dat voor elke stadsdeelcommissie een ambtelijk secretaris wordt aangewezen. Deze commissiesecretaris heeft tot taak de voorzitter en de stadsdeelcommissie bij de uitoefening van hun taak terzijde te staan</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-35-85\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">informatie dagelijks bestuurIn dit artikel is geregeld dat het dagelijks bestuur de stadsdeelcommissie van alle benodigde informatie voorziet voor die gevallen waarin onderwerpen op initiatief van de stadsdeelcommissie voor de overlegvergaderingen tussen de stadsdeelcommissie en het dagelijks bestuur worden geagendeerd. Als het onderwerp in de overlegvergadering is besproken, maakt het dagelijks bestuur inzichtelijk wat met de uitkomst van die bespreking is gedaan</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">toelichting en agendering raadscommissieDit artikel voorziet in de mogelijkheid voor één of meer leden van de stadsdeelcommissie om een toelichting te geven in een vergadering van een raadscommissie van de gemeenteraad. Dit kan als een onderwerp wordt besproken waarover de stadsdeelcommissie advies heeft uitgebracht, het dagelijks bestuur ten onrechte geen advies heeft gevraagd of als er een onderwerp wordt besproken dat op initiatief van de stadsdeelcommissie is geagendeerd. In die gevallen dat een onderwerp niet in de vergadering van een raadscommissie aan de orde komt, kan de stadsdeelcommissie het alsnog voor de agenda van de raad aandragen. Dit bijvoorbeeld als een onderwerp naar het oordeel van de stadsdeelcommissie ten onrechte niet naar aanleiding van een initiatief door het dagelijks bestuur is geagendeerd of als de commissie meent dat er door het dagelijks bestuur in verband met een adviesaanvraag of een initiatief van de stadsdeelcommissie te weinig informatie is verstrekt. De stadsdeelcommissie kan onderwerpen alleen aandragen voor bespreking in de vergadering van de raadscommissie. De gemeenteraad bepaalt vervolgens zelf of het onderwerp op de agenda komt. Als het onderwerp dan in de raadscommissie wordt besproken, kunnen een of meer leden van de stadsdeelcommissie tijdens die vergadering een toelichting geven. De toelichting kan zowel op verzoek van de raadscommissie als op verzoek van de stadsdeelcommissie worden gegeven</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Hoofdstuk 4 - OvergangsbepalingenIn dit hoofdstuk wordt in verband met de invoering van het nieuwe bestuurlijk stelsel in overgangsrecht voorzien.</h3>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">verkiezingen stadsdeelcommissiesIn dit artikel wordt benadrukt dat de bepalingen uit dit hoofdstuk die zien op verkiezingen alleen gelden voor de verkiezingen op 21 maart 2018</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38-87\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">voorbereiding van de verkiezingenDe bestuurscommissies die in 2014 op grond van de verordening op de bestuurscommissies waren ingesteld, organiseren op grond van dit artikel de verkiezing van de leden van de stadsdeelcommissie. Dit betekent dat deze bestuurscommissies zorgen voor een centraal stembureau. Dat stembureau registreert bijvoorbeeld de groeperingen die aan de verkiezingen deelnemen en stelt de verkiezingsuitslag vast. Om onnodige bureaucratie te voorkomen worden de centrale stembureaus niet per gebied maar per stadsdeel ingesteld</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39-88\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">registratie groeperingUitgangspunt bij de voorschriften voor de verkiezing van de leden van de stadsdeelcommissie is dat deze zo naadloos mogelijk aansluiten op de voorschriften die er voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur van de bestuurscommissies waren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de rechten die reeds geregistreerde groeperingen op grond van de Kieswet hebben of groeperingen die op dit moment over zetels in het algemeen bestuur van de bestuurscommissies beschikken, zoveel mogelijk worden gerespecteerd. In dat verband is in artikel 40 geregeld dat groeperingen die zich voor de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur van de bestuurscommissies hebben geregistreerd, zich niet opnieuw voor de verkiezing van de leden van de stadsdeelcommissie hoeven te laten registreren (artikel G 3 van de Kieswet)</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40-89\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">groeperingen In dit artikel is bepaald dat de verkiezing van de leden van het algemeen bestuur van de bestuurscommissies bij de toepassing van de bepalingen uit de Kieswet en het Verkiezingsreglement wordt aangemerkt als de laatst gehouden verkiezing van de leden van de stadsdeelcommissie. Groeperingen die reeds over zetels in het algemeen bestuur van de bestuurscommissies beschikken, zijn bijvoorbeeld vrijgesteld van de verplichting om ondersteuningsverklaringen in te leveren en een waarborgsom te betalen bij het inleveren van een kandidatenlijst voor de verkiezing van de leden van de stadsdeelcommissie</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41-90\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zitting centraal stembureauIn afwijking van de bepalingen uit de Kieswet vindt de zitting van het centraal stembureau voor de nummering van de kandidatenlijsten plaats op 12 februari 2018 om 16.00 uur</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42-91\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Waarneming voorzitter en dagelijks bestuur bestuurscommissiesDe leden van het dagelijks bestuur worden op zijn vroegst pas benoemd als ook de leden van het nieuwe college worden benoemd. De leden van het algemeen en dagelijks bestuur van de bestuurscommissies treden op grond van de Kieswet echter al op 23 maart 2018 af. In de periode tussen de verkiezingen en het installeren van een nieuw dagelijks bestuur moet dus worden voorzien in de leemte die ontstaat bij het rechtsgeldig nemen van de dagelijkse beslissingen. In dat kader is in het eerste lid geregeld dat de voorzitter en de overige leden van het dagelijks bestuur van de bestuurscommissies gedurende die periode aanblijven als waarnemers Het college kan daarbij tussentijds een vervanger benoemen als de voorzitter of een lid van het dagelijks bestuur van de bestuurscommissies tussentijds ontslag neemt of wordt ontslagen. Het is aan het college om te bepalen of de benoeming van een vervanger, gezien het aantal leden en de tijd die nog rest, aangewezen is. Op grond van het tweede lid oefenen de waarnemers en hun vervangers in de overgangsperiode de taken en bevoegdheden uit die aan de nieuwe dagelijks besturen zijn gemandateerd en gedelegeerd. Daarbij is echter wel opgemerkt dat zij geen politiek-gevoelige beslissingen kunnen nemen. In het bevoegdhedenregister, onder punt 3 in de algemene bepalingen en beperkingen, staat al dat het dagelijks bestuur het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan moet betrekken als het om een politiek-gevoelige beslissing gaat, maar in het tweede lid is benadrukt dat de waarnemers en hun vervangers in dat geval überhaupt niet bevoegd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college en de burgemeester zijn dan dus zelf aan zet. In het derde lid staat dat de waarnemers en hun vervangers voor de aan hen toegekende taken en bevoegdheden ondermandaat kunnen verlenen als de bevoegdheid zich daar niet tegen verzet. Het vierde lid voorziet in de rechtspositie van degenen die waarnemen en hun vervangers.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-43-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">regelgeving bestuurscommissiesUit de verordeningen, beleidsregels en overige voorschriften binnen de stad vloeien ook taken of bevoegdheden dan wel rechten en verplichtingen voor de bestuurscommissies voort. Met dit artikel is ervoor gezorgd dat deze taken en bevoegdheden of rechten en plichten ook op de nieuwe dagelijks besturen van toepassing zijn. Dit geldt voor zover er op het betreffende beleidsterrein ook taken en bevoegdheden aan het dagelijks bestuur zijn opgedragen. Er is niet voorzien in een termijn waarbinnen de beleidsregels en voorschriften die door de bestuurscommissies zijn vastgesteld blijven gelden. Dat is ook niet nodig. Deze blijven onverminderd van kracht</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-44-93\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 44</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">beheer van besluiten, rechten en plichten van de gemeente, subsidies en procedures en rechtsgedingenDe besluitvorming binnen de bestuurscommissies zal in veel gevallen gevolgen hebben voor de nieuwe dagelijks besturen. Om ervoor te zorgen dat de dagelijks besturen op die gevolgen ook invloed kunnen uitoefenen, is geregeld dat de dagelijks besturen de besluiten van de bestuurscommissies kunnen wijzigen en intrekken, dat zij de rechten, plichten, wettelijke procedures en rechtsgedingen kunnen beheren en dat zij de subsidies kunnen vaststellen die door de bestuurscommissies zijn verleend. Dit geldt voor zover de besluitvorming van de bestuurscommissies betrekking heeft op taken en bevoegdheden die ook aan de dagelijks besturen zijn toegekend Hoofdstuk 5 - slotbepalingenArtikel 45: inwerkingtredingDe verordening treedt met de verkiezingen van de stadsdeelcommissies op 21 maart 2018 in werking, met uitzondering van paragraaf 1 van hoofdstuk 4. Die paragraaf ziet op de organisatie van de verkiezingen en daar wordt uiteraard al vóór 21 maart 2018 mee gestart. Die paragraaf treedt dus drie dagen na publicatie in het Gemeenteblad in werking.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-46\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 46</span><span class=\"lf-art-t\">citeertitelDit artikel behoeft geen nadere toelichting</span></h4></div>", "next": 0}