{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Nota bodembeleid regio Voorne-Putten (gemeenten Westvoorne, Hellevoetsluis, Brielle en de voormalige gemeenten Bernisse en Spijkenisse; nu gemeente Nissewaard), inclusief bodemfunctieklassenkaart, projectnummer: 23800.17, Ingenieursbureau Oranjewoud, 18 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer 2016-2021, Plangebied ‘De Elementen’ te Spijkenisse, projectnummer: 340065, Grontmij Nederland B.V., 30 maart 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterregeling, publicatie Staatscourant nr. 19353, 17 december 2009, inclusief update 1 januari 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet milieubeheer, publicatie staatsblad, nummer 443, 1980 en latere wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en later wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota Actief Bodem- en Baggerbeheer Rotterdam 2013, bestuurlijk vastgesteld 20 juni 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterbodemkwaliteitskaart Voorne-Putten, projectnummer P11-04, Marmos Bodemmanagement, 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK-2019/131399, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 8 juli 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijk handelingskader PFAS houdende grond, documentnummer: 22265539, DCMR, 23 juli 29019.</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 5720 – Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek NEN 5707 – Bodem: inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 5897 – Inspectie en monstername van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 5725 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Statistische analyse van de relatie puin in de bodem en de aanwezigheid van asbest, TNO 2018 R10825, 15 augustus 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, publicatie Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Individuele partijen grond Milieuhygiënische keuring van individuele partijen grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit: BRL 9335 – protocol 9335-1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nationale beoordelingsrichtlijn voor Grond BRL 9335.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie BRL 7500.</p>\n<p class=\"lf-p\">NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, BRL 1000 – protocol 1001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handvat implementatie Besluit bodemkwaliteit, Onderwerp: reikwijdte verspreiden van baggerspecie, Senternovem, Bodem+, juni 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn Kleinschalig grondverzet in sterk verontreinigde grond (Richtlijn Klein Grondverzet - RKG), Versie 1, DCMR, 13-06-2017, publicatiedatum 4 juli 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, BRL 2000 – protocol 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, BRL 2000 – protocol 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen, Staatscourant nr. 207, 2004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handreiking Achtergrondgehalten. Begeleidingscommissie actief bodembeheer, TNO MEP-R98/283.IPO/TNO, 1998.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overzicht bijlagen Bijlage 1 Begrippenlijst Bijlage 2 Wet- en regelgeving Bijlage 3A Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart Bijlage 3B Specificatie uitbijters Bijlage 4 Statistische parameters bodemkwaliteitszones (gebiedsspecifiek beleid) Bijlage 5 Mogelijkheden vrij grondverzet (grondstromenmatrix) Bijlage 6 Onderbouwing Lokale Maximale Waarden (toetsnormen classificatie bodemkwaliteit) Bijlage 7 Onderbouwing Lokale Maximale Waarden (hergebruik onderhoudsbaggerspecie in het buitengebied met landbouwbestemming) Bijlage 8 Vragenformulier historische gegevens Overzicht kaartbijlagen Kaartbijlage 1 Bodemfunctieklassenkaart Kaartbijlage 2 Ligging bodemkwaliteitszones Kaartbijlage 3 Ontgravingskaart Kaartbijlage 4 Toepassingskaart – gebiedsspecifiek beleid Kaartbijlage 5 Toepassingskaart - generiek beleid Bijlage1Begrippenlijst Aangrenzend perceel Van een aangrenzend perceel is sprake in de situatie dat er een feitelijke relatie bestaat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waarop de verspreiding plaatsvindt. Het “in verbinding staan” van watergangen (zelfde watersysteem, peilniveau) is niet altijd voldoende om uit te gaan van aangrenzendheid (Uitspraak Raad van State 201401123/1/A1, 4 februari 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">In aanvulling op de uitspraak van de Raad van State en mede gebaseerd op artikel 60 lid 2 van het Besluit, stelt de gemeente dat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waar de baggerspecie wordt verspreid, niet gescheiden mag worden door bijvoorbeeld een lint- of aaneengesloten bebouwing, een weg breder dan één rijstrook, een spoorweg, een waterkering of een dijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar verwachting wordt het begrip ‘aangrenzend perceel’ bij de eerst volgende wijziging van het Besluit bodemkwaliteit vervangen. De normen van de maximale kwaliteit van de baggerspecie die mag worden verspreid (of gebruikt in weilanddepots) wordt afgestemd op de normen voor de voedselveiligheid. Vanuit de herkenbaarheid voor de omgeving (omwonenden; duidelijk waar bagger vandaan komt) wordt vanaf de exacte locatie van baggeren een afstandscriterium van 10 kilometer gehanteerd. De zorgplicht, artikel 7 van het Besluit, blijft te allen tijde van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene (stedelijke) bodemkwaliteit De algemene (stedelijke) bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden) in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bagger(specie) Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organisch stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voor komende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Baggerspecie die in het kader van het Besluit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeente heeft hieraan strengere eisen gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodembeheergebied bodemkwaliteitskaart Het beheergebied voor de bodemkwaliteitskaart bestaat uit het grondgebied van de gemeente Nissewaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodembeheergebied gemeentelijk grondstromenbeleid Het beheergebied voor het gemeentelijke grondstromenbeleid bestaat uit het grondgebied van de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis, Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Westvoorne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemfunctieklassenkaart Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen ‘Industrie’, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ en ‘Natuur’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontgravingskaart (deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast).</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassingskaart (deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitsklasse De bodemkwaliteitsklasse bepaald samen met de bodemfunctie de toepassingseis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteitsklasse is gebaseerd op de 80-percentiel van een zone en getoetst aan de Lokale Maximale Waarden uit het bodembeleid van de gemeente Rotterdam[9]. De toetsmethodiek voor de bodemkwaliteitsklasse en de ontgravingsklasse is gelijk. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in één van de vier verschillende bodemkwaliteitsklassen: ‘Natuur’. ‘Landbouw’. ‘Wonen’. ‘Industrie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitszone Een deel van een gebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Wanneer een bodemkwaliteitszone uit meerdere gebieden bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als “niet-aaneengesloten bodemkwaliteitszone”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemvreemd materiaal Onder bodemvreemd materiaal vallen alle materialen die niet onder de definitie van grond vallen en bij ontgraving al in de bodem aanwezig zijn. Deze bijmenging mag niet opzettelijk zijn toegevoegd aan de partij of het gevolg zijn van onzorgvuldige ontgraving of sloopwerkzaamheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere omstandigheden Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden. In gebieden met bijzondere omstandigheden kunnen vanuit andere wet en regelgeving aanvullende eisen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelgebied Deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat dit op eenduidige wijze kan worden gekarakteriseerd door middel van de voor het bodembeheergebied geldende onderscheidende gebiedskenmerken. In tegenstelling tot de bodemkwaliteitszone is er voor het deelgebied nog geen toetsing uitgevoerd of het daadwerkelijk een bodemkwaliteitszone is. Wanneer een deelgebied uit meerdere terreinen bestaat die niet aan elkaar grenzen, worden de individuele gebieden aangeduid als ‘niet-aaneengesloten deelgebieden’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstig verontreinigde grond Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden van de Wet bodembescherming overschrijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedseigen kwaliteit Gebiedseigen kwaliteit, de lokale achtergrondwaarde, wordt gedefinieerd als het gehalte van een stof voldoet aan de 80-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie bijlage 4 van de nota bodembeheer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Geval van ernstige bodemverontreiniging (grond) In minimaal 25 m³ grond overschrijden de gehalten voor één of meer stoffen de betreffende Interventiewaarden (I-waarde).</p>\n<p class=\"lf-p\">Grond Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit definieert grond als volgt: “Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voor komende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.” Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd. Grond die in het kader van het Besluit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. De gemeente heeft hieraan strengere eisen gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heterogeniteit Wanneer de diffuse bodemverontreiniging in een zone zeer heterogeen is verdeeld, is de betrouwbaarheid van het gemiddelde gehalte in de zone ook kleiner. Bij zones met een hoge heterogeniteit kan de gemeente besluiten dat de bodemkwaliteitskaart in bepaalde situaties niet gebruikt mag worden als bewijsmiddel. Het vastgestelde gemiddelde gehalte heeft naar mening van de gemeente dan een te lage betrouwbaarheid. Een zekere heterogeniteit op zich hoeft overigens geen probleem te zijn zolang er geen sprake is van een gebruiksrisico. De heterogeniteit van een stof in een zone wordt bepaald door een index die volgt uit de volgende formule:</p>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling van de heterogeniteitsindex is als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Index &lt; 0,2 : weinig heterogeniteit 0,2 &lt; Index &lt; 0,5 : beperkte heterogeniteit 0,5 &lt; Index &lt; 0,7 : er is sprake van heterogeniteit Index &gt; 0,7 : sterke heterogeniteit Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderspeelplaatsen Onder kinderspeelplaatsen wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwalibo – kwaliteitsborging in het bodembeheer Bij het duurzaam beheren en gebruiken van de (water)bodem moeten gegevens betrouwbaar zijn en moet netjes worden gewerkt. Hiervoor stelt Kwalibo eisen aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer. In artikel 2.1 van de Regeling zijn de werkzaamheden aangewezen wanneer Kwalibo van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale bron (puntbron) Duidelijk aanwijsbare bron voor bodemverontreiniging zoals bijvoorbeeld een ondergrondse tank voor de opslag van olie, een ontvettingsbad of een afleverzuil voor brandstof(fen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale Maximale Waarden en toetsingsnormen gemeente Nissewaard Om een bodemkwaliteitszone te karakteriseren heeft een toetsing plaatsgevonden aan de onderstaande toetsingsnormen. Deze toetsingsnormen zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Sommige toetsingsnormen wijken af van de toetsingsnormen van de Regeling bodemkwaliteit. De Lokale Maximale Waarden zijn in bijlage C van de hoofdnota van het Rotterdamse beleid[9] onderbouwd en aangegeven (zie ook bijlage 6). Met deze Maximale Waarden wordt een duurzaam beschermingsniveau gewaarborgd waarbij de bodemkwaliteit blijvend geschikt is voor de betreffende functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale Maximale Waarden en toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org.stof 10%-) Stof Maximale waarden Natuur (landelijke toetsingsnorm) Maximale waarden Landbouw (landelijke toetsingsnorm) Maximale waarden Wonen (landelijke toetsingsnorm) Maximale waarden Industrie (landelijke toetsingsnorm) Arseen 20 30 (20) 40 (27) 76 Barium* 190 (-) 280 (-) 550 (-) 920 Cadmium 0,6 1 (0,6) 3.7 (1,2) 13 (4,3) Kobalt 15 25 (15) 50 (35) 190 Koper 40 60 (40) 100 (54) 190 Kwik 0,15 2 (0,15) 4,8 (0,83) 4,8 Lood 50 200 (50) 300 (210) 530 Molybdeen 1,5 10 (1,5) 88 190 Nikkel 60 (35) 60 (35) 75 (39) 100 Zink 140 200 (140) 350 (200) 720 Som PAK 1,5 5,5 (1,5) 11 (6,8) 40 Som PCB 0,02 0,1 (0,02) 0,25 (0,04) 0,5 Minerale olie 190 300 (190) 500 (190) 1.000 (500) * De norm voor barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor barium tijdelijk buitenwerking gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet gezoneerd gebied Gebieden kunnen worden gezoneerd wanneer er voldoende meetgegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende meetgegevens beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse (stedelijke) bodemkwaliteit van het gebied niet met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het deelgebied niet gezoneerd. Een gebied kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de meetgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de bodemkwaliteitskaart (zie ook: Uitgesloten locaties en gebieden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor niet-gezoneerde gebieden geldt het generieke kader van het Besluit. Dit betekent dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie enerzijds moet voldoen aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse die voor de ontvangende bodem is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1). Anderzijds moet de kwaliteit van de ontvangende bodem worden onderzocht om vast te stellen of de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie van een betere of vergelijkbare kwaliteit is. Op basis van de systematiek van het generieke kader van het Besluit wordt de toepassingseis bepaald. Deze wordt vastgesteld op basis van de bodemfunctieklasse en de kwaliteit van de ontvangende bodem waarbij de meest strenge eis leidend is. Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctieklasse is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (zie ook de kopjes 'Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem' en 'Toetsing toepassen grond' van deze bijlage).</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging Een locatie waar geen lokale bron of gebruiksbeperking aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank of een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, gedempte watergang, halfverharding, bodembedreigende activiteiten of een locatie die in het Kadaster is geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (een locatie met een beschikking ‘Ernstig’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderscheidende gebiedskenmerken Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een bodemkwaliteitskaart kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de bestaande kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De te verwachten ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de 80-percentiel van een zone en getoetst aan de Lokale Maximale Waarden uit het bodembeleid van de gemeente Rotterdam[9]. Een bodemkwaliteitszone kan vallen in één van de vijf onderscheiden ontgravingskwaliteitsklassen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Natuur’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Landbouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Wonen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Industrie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klasse ‘Niet toepasbaar’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgravingslocatie Een terreindeel waar grond ontgraven wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onverharde wegbermen Onder onverharde wegbermen wordt verstaan de strook grond naast de verharde (klinker- beton-, of asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1.1): de erfgrens of; de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of; de meest nabij gelegen insteek van een natte bermsloot of; als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur B1.1 Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">Oppervlaktewaterlichaam Een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Percentiel/percentielwaarde Waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 90-percentiel: 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Risico-Index Een risico-index &lt; 1 bij het berekenen van risico’s met het rekenmodel Sanscrit geeft aan dat het geval van ernstige bodemverontreiniging niet met spoed hoeft te worden aangepakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een risico-index &lt; 1 bij het berekenen van Lokale Maximale Waarden voor gebiedsspecifiek beleid geeft aan dat de kwaliteit voldoet aan het criterium van duurzame geschiktheid voor gebruik van de mens en voor de (beoogde) functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standaarddeviatie Ook wel ‘standaardafwijking’ genoemd. Het geeft de mate aan voor de spreiding van meetgegevens in een dataset. De berekening hiervan is als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij is n het aantal analyseresultaten, x een individueel analyseresultaat en ¯x het gemiddelde van de analyseresultaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingskaart Deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen. Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt aan elke zone de toepassingseis vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden onderbouwing toepassingseis ontvangende bodem Bodemfunctieklasse Verwachte bodemkwaliteitsklasse / kwaliteit ontvangende bodem Toepassingseis Natuur Natuur Natuur Natuur Landbouw Natuur Natuur Wonen Natuur Natuur Industrie Natuur Landbouw Natuur Natuur Landbouw Landbouw Landbouw Landbouw Wonen Landbouw Landbouw Industrie Landbouw Wonen Natuur Natuur Wonen Landbouw Landbouw Wonen Wonen Wonen Wonen Industrie Wonen Industrie Natuur Natuur Industrie Landbouw Landbouw Industrie Wonen Wonen Industrie Industrie Industrie Toepassingslocatie Betreft dat terreindeel waar grond wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing toepassen grond Om te beoordelen of een grondtoepassing is toegestaan wordt de kwaliteit van de aan te brengen grond vergeleken met de toepassingseis. De kwaliteit van de aan te brengen grond kan worden bepaald op basis van een bodemkwaliteitskaart, partijkeuring of een ander erkend bewijsmiddel. De toepassingseis op basis van de bodemkwaliteitskaart (gezoneerde gebieden) of bodemonderzoek van de ontvangende bodem (niet gezoneerde gebieden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit toe te passen grond Toepassingseis Toepassing toegstaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">Industrie Industrie Ja Wonen Industrie Ja Landbouw Industrie Ja Natuur Industrie Ja Industrie Wonen Nee Wonen Wonen Ja Landbouw Wonen Ja Natuur Wonen Ja Industrie Landbouw Nee Wonen Landbouw Nee Landbouw Landbouw Ja Natuur Landbouw Ja Industrie Natuur Nee Wonen Natuur Nee Landbouw Natuur Nee Natuur Natuur Ja Uitbijters Een uitbijter is een gehalte in het gegevensbestand dat niet representatief is voor de diffuse (stedelijke) bodemkwaliteit in een deelgebied. De (potentiële) uitbijters worden met een visuele methode (scatterplots) inzichtelijk gemaakt. Het niet representatieve gehalte is het gevolg van duidelijk aantoonbare menselijke activiteiten: puntverontreinigingen, verdachte locaties, typfouten tijdens invoer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgesloten locaties en gebieden Uitgesloten locaties en gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart of niet voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de analysegegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit worden eveneens uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Ook terreinen die in het beheer zijn van andere organisaties zoals Rijkswaterstaat (waterbodems), het Waterschap (waterbodems), de provincie (provinciale wegen) of de metrolijn (andere beheerorganisatie) worden soms uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Variatiecoëfficiënt Maat voor de spreiding in gehalten (standaarddeviatie gedeeld door het gemiddelde).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte watergang Deze zijn gedefinieerd in art. 4.3.4.4 van de Regeling bodemkwaliteit. Het betreffen watergangen in gebieden: die zijn bebouwd, daaronder begrepen kassen- en industriegebieden; waar regelmatig beroeps- of pleziermotorvaart plaatsvindt; waar geloosd wordt na de laatste keer dat er is gebaggerd; grenzend aan wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 500 voertuigen per dag, tenzij het gaat over bermsloten op een afstand van ten minste 15 meter waarin de wegriolering niet loost; met een oeverbeschoeiing die bestaat uit met gecreosoteerde olie behandeld hout; waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze niet voldoen aan de maximale waarden voor het verspreiden van baggerspecie of die niet zijn aangegeven in een beheersplan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrij grondverzet Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het grondverzet de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage2Wet- en regelgeving 2.1Landelijke wet- en regelgeving 2.1.1Besluit en Regeling bodemkwaliteit Algemeen Voor het in werking treden van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit was de regelgeving voor het nuttig toepassen van grond, gerijpte baggerspecie (hierna aangeduid als 'grond') en bouwstoffen versnipperd in diverse wet- en regelgevingen. De diverse regelgevingen waren complex, onoverzichtelijk en in de praktijk moeilijk handhaafbaar. Daarom zijn de regels herzien en is één eenduidig landelijk kader gemaakt: het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit heeft betrekking op de kwaliteit van de uitvoering (Kwalibo) en het toepassen van grond en bouwstoffen. Binnen het Besluit kunnen gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders voor het toepassen van grond aansluiten bij het landelijke, generieke, kader zoals dat in het Besluit is opgenomen. Ook bestaat de mogelijkheid om op niveau van het bodembeheergebied maatwerkbeleid te formuleren in de vorm van gebiedsspecifiek beleid. Met gebiedsspecifiek beleid kunnen knelpunten bij grondstromen onder bepaalde voorwaarden worden opgelost. Gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders kunnen voor hun (water)bodembeheergebied, of delen daarvan, Lokale Maximale Waarden vaststellen (zie ook § 2.2.2 van deze bijlage). Op deze wijze kunnen de toepassingseisen voor grond worden aangepast. Ook zijn er meer mogelijkheden voor een lokale invulling van het beleid als het gaat om de nuttige toepassing van grond. Gebiedsspecifiek beleid is mogelijk als: er sprake is van ‘standstill’ op het niveau van het bodembeheergebied; de Lokale Maximale Waarden het Saneringscriterium niet overschrijden; het risiconiveau van de gekozen Lokale Maximale Waarden wordt berekend met behulp van de Risicotoolbox (zie http://www.risicotoolbox.nl); de Lokale Maximale Waarden worden afgestemd met het bevoegd gezag bodemsanering; de Lokale Maximale Waarden worden vastgelegd in een nota bodembeheer; de vaststelling van de gekozen Lokale Maximale Waarden een besluit is van de Raad waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Dit betekent dat het besluit alleen openstaat voor inspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Regeling geeft een technische invulling aan de hoofdregels van het Besluit en uitleg over de uitvoering. In de Regeling staan onder andere de normen, de wijze waarop de kwaliteit van grond, gerijpte baggerspecie en bouwstoffen moet worden bepaald en de wijze waarop aan de normen wordt getoetst. Het Besluit en de Regeling vullen elkaar aan en zijn niet los van elkaar te gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nuttige toepassingen van grond Het hergebruik van grond mag uitsluitend in nuttige toepassingen plaatsvinden (Besluit, artikel 35). Als grond wordt hergebruikt in een niet-nuttige toepassing, dan wordt dit gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden in het kader van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. De onderstaande toepassingen van grond en gerijpte baggerspecie worden beoordeeld als nuttige toepassingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing voor het afdekken van een saneringslocatie of als bovenafdichting voor een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier door contact met het onderliggende materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van een oppervlaktewaterlichaam met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op onderhoud en herstel van de toepassingen bedoeld in a tot en met d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang aangrenzende percelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam, uitgezonderd uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen, met het oog op de duurzame invulling van de ecologische en morfologische functies van het sediment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke opslag van grond en (gerijpte) baggerspecie, bestemd voor de toepassingen bedoeld in onderdeel a tot en met e, gedurende maximaal drie jaar op landbodems of gedurende maximaal 10 jaar in een oppervlaktewaterlichaam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke opslag van gerijpte baggerspecie, bestemd voor toepassingen bedoeld in a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootschalige toepassingen Binnen het Besluit is een verbijzondering opgenomen: het toetsingskader voor het toepassen van grond in grootschalige toepassingen. Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem. Wel moet de toe te passen grond voldoen aan de emissiewaarden (opgenomen in bijlage B van de Regeling) om te voorkomen dat ontoelaatbare uitloging naar de onderliggende bodem en het grondwater plaatsvindt. De toetsing aan de emissiewaarden is een eenvoudige toetsing op basis van het rekenkundige gemiddelde van de gemeten stoffen in de toe te passen grond. De emissietoetsingswaarden komen overeen met de t-waarden uit het voormalige Bouwstoffenbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grootschalige toepassingen hebben een minimaal volume van 5.000 m3 en een minimale toepassingshoogte van 2 meter. Met de voornoemde eisen voor toepassingshoogten moet pragmatisch worden omgegaan. Taluds lopen bijvoorbeeld niet verticaal maar schuin af waardoor ze formeel gezien niet aan de eisen voor de toepassingshoogten voldoen. Voor (spoor)wegen geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een grootschalige toepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van tenminste 0,5 meter dikte. Hiervan zijn grootschalige toepassingen in bermen van (spoor)wegen uitgezonderd. De leeflaag moet geschikt zijn voor de functie en passen bij de daadwerkelijke bodemkwaliteit van de omliggende bodem, of voldoen aan de bestuurlijk vastgestelde Lokale Maximale Waarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het toetsingskader voor grootschalige toepassingen kunnen gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders, als bevoegde gezagen van het Besluit, gebruik maken. Het is niet verplicht om van dit toetsingskader gebruik te maken. In het Besluit (artikel 63) zijn toepassingen benoemd die als grootschalige toepassingen gedefinieerd mogen worden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingen van grond en gerijpte baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingen van grond en gerijpte baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassingen van grond en gerijpte baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water, bevordering van natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van grond en gerijpte baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.B. Het ophogen van een industrie/bedrijventerrein of een woonwijk wordt niet als een grootschalige toepassing beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De initiatiefnemer van de grootschalige toepassing neemt in de planfase contact op met de gemeente waar de grootschalige toepassing wordt gerealiseerd. Per situatie beslist de gemeente of gebruik wordt gemaakt van het verbijzonderde toetsingskader voor grootschalige toepassingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.2Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) is geschreven met het oogmerk de bodem te beschermen. In de Wbb is een regeling opgenomen voor ernstig verontreinigde bodems. Op grond van de Wbb is grondverzet ter plaatse van ernstig verontreinigde locaties alleen toegestaan als hiervoor een melding ingevolge artikel 28 of een melding ingevolge het Besluit uniforme saneringen (artikel 39b) wordt verricht aan het bevoegd gezag. Eventueel geldt als aanvullende voorwaarde dat het grondverzet moet passen binnen een van te voren opgesteld en door het bevoegd gezag goedgekeurd (raam)saneringsplan. Daarom moet voorafgaand aan het grondverzet worden geverifieerd of de leverende en/of de ontvangende bodem ernstig verontreinigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevoegd gezag voor het bereiken van het saneringsresultaat is het bevoegd gezag Wbb. Voor de gemeente Nissewaard is dat de provincie Zuid-Holland. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag grond op deze locatie nuttig worden toegepast. Daarbij moet worden nagegaan of dit niet in strijd is met de opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.3Besluit en Regeling Uniforme Sanering Het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) en de daarbij behorende Regeling (RUS) is bedoeld voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd afgerond kunnen worden. In de RUS (artikel 3.1.7) is vastgelegd dat de grond in de leeflaag en andere aanvulgrond moet voldoen aan de Maximale Waarde van de kwaliteitsklasse volgens de bodemfunctieklassenkaart. Als gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld dan gelden de hierin vastgestelde Lokale Maximale Waarden. Want naast het RUS geldt ook het Besluit. Dit is het algemeen staatsrechtelijk beginsel en is ook terug te vinden in de toelichting op het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 3.1.6 lid c van de RUS is aangegeven dat als Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, deze waarden gelden als terugsaneerwaarden in het kader van het BUS.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4Transport verontreinigde grond Voor het vervoer van verontreinigde grond geldt de landelijke Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke stoffen[29]. In § 7.5 van de hoofdtekst van de nota is hier nader op ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.5Overige wet- en regelgeving Vanuit overig wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) aanvullende voorwaarden worden gesteld. Hierbij moet worden gedacht aan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt op termijn vervangen door de Omgevingswet. Gemeenten worden in de Wro verplicht elke 10 jaar het bestemmingsplan te actualiseren. Eventueel aan te vragen vergunningen waarbij tevens grondverzet plaatsvindt, zoals omgevingsvergunningen met activiteit bouwen of activiteit aanleggen dienen te worden getoetst aan een 'actueel' bestemmingsplan. De omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voorafgaand aan grondverzet. In het bestemmingsplan kan een aanlegvergunning worden geëist voor ophogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontgrondingenwet, wordt op termijn vervangen door de Omgevingswet. De ontgrondingenwet en -verordening reguleren de winning van oppervlaktedelfstoffen als zand, klei en grind voor de bouwproductie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), wordt op termijn vervangen door de Omgevingswet. Vergunning (activiteit milieu) voor bijvoorbeeld de opslag van grond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterwet. In de Waterwet wordt het beheer van oppervlaktewater en het grondwater geregeld. De saneringsregeling voor waterbodems is ook in deze wetgeving opgenomen. De Waterwet verbetert de samenhang tussen de ruimtelijke ordening en het waterbeleid. Bij het toepassen van grond of baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam of het hergebruik van gerijpte baggerspecie op de landbodem moet rekening worden gehouden met de Waterwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woningwet, wordt op termijn grotendeels vervangen door de Omgevingswet. In deze wet wordt het bouwen op verontreinigde bodem (grond en grondwater) geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit gebruik meststoffen (Bgm). Bij het toepassen van compost of zwarte grond zijn (aanvullende) kwaliteitseisen gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Monumentenwet 1988, wordt op termijn grotendeels vervangen door de Omgevingswet. In deze wet is het verdrag van Malta opgenomen. Bij grondverzet moet rekening worden gehouden met archeologische waarden. Op kaart moet de gemeente een overzicht geven van bekende archeologische vindplaatsen. Bij grondverzet moeten andere bronnen zoals bijvoorbeeld de stadsarcheoloog worden geraadpleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet natuurbescherming, enkele bepalingen gaan op termijn over naar de Omgevingswet. Deze wet vereist dat in planvorming rekening wordt gehouden met de aanwezige flora en fauna. Voor een groot aantal expliciet beschermde soorten is bepaald welke handelingen niet zijn toegestaan. Daarnaast is in de wet een algemene zorgplicht opgenomen, die aangeeft dat de negatieve gevolgen van ieders handelen op de aanwezige (beschermde) flora en fauna voor komen of zo veel mogelijk beperkt moet worden. De gebieden van het Natuur Netwerk Nederland zijn opgenomen in de provinciale structuurvisie 2040.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON). Bij graafwerkzaamheden in verband met kabels- en leidingen is een KLIC-melding verplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arbeidsomstandighedenbesluit. De regels voor het werken in verontreinigde grond liggen vast in de Arbowetgeving. Met name in het Arbobesluit zijn regels opgenomen die werken met gevaarlijke stoffen veilig moeten houden. In het Arbobesluit, hoofdstuk 2, afdeling 5 wordt aangegeven welke verantwoordelijkheden opdrachtgevers, ontwerpende partijen en werkgevers hebben ten aanzien van veilig en gezond werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2Landelijk beleid grondstromen 2.2.1Richtlijn bodemkwaliteitskaarten In de landelijke Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten is voorgeschreven hoe een bodemkwaliteitskaart moet worden opgesteld als deze wordt gebruikt voor hergebruik van grond onder het Besluit. Met deze Richtlijn is ook een aantal andere procedures geregeld, waaronder de te hanteren normwaarden, omgaan met extreme waarden (uitbijters), vergelijkbaarheid, omgaan met ‘bijzondere omstandigheden’ en het in een kaart weergeven van de bodemkwaliteit en mogelijkheden tot grondverzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.2Lokale Maximale Waarden Zoals in § 2.1.1 van deze bijlage al beschreven, hebben gemeenten en waterkwaliteitbeheerders de mogelijkheid om voor het toepassen van grond binnen haar (water)bodembeheergebied, of delen daarvan, per stof Lokale Maximale Waarden (LMW) op te stellen die afwijken van het landelijke (generieke) maximale waarden; het zogenaamde gebiedsspecifiek beleid. Aanleidingen voor gebiedsspecifiek beleid kunnen zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">De ambitie van een gemeente. De gemeente wil strenger of minder streng beleid hanteren dan het generieke kader van het Besluit;</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de vastgestelde diffuse kwaliteit in een gebied knelpunten veroorzaakt bij het beoogde grondverzet als uitgegaan wordt van het generieke kader van het Besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze LMW kunnen variëren tussen de ‘altijd’- en ‘nooit’-grens. De ‘altijd’-grens is gebaseerd op de ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Partijen grond die voldoen aan de Achtergrondwaarden zijn, voor wat betreft de kwaliteit, altijd toepasbaar. De 'nooit'-grens is gebaseerd op het Saneringscriterium. Partijen grond die het Saneringscriterium overschrijden leveren onaanvaardbare risico's op.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het generieke kader van het Besluit zijn voor de kwaliteit van de toe te passen grond Generieke Maximale Waarden vastgesteld die horen bij de functie van de ontvangende bodem. LMW die hoger dan de Generieke Maximale Waarden liggen moeten worden onderbouwd om aan te tonen dat geen onaanvaardbare risico's ontstaan. Het risiconiveau van de gekozen LMW wordt berekend met behulp van de Risicotoolbox (http://www.risicotoolbox.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">In figuur B2.1 is het voorgaande schematisch weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur B2.1. Generiek versus gebiedsspecifiek beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage3A Onderbouwing bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart 1. Doelstelling bodemfunctieklassen-kaart en bodemkwaliteitskaart Het doel van de bodemfunctieklassenkaart is dat op het grondgebied van de gemeente Nissewaard de ligging van de gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie, ‘Wonen’, ‘Landbouw’ en ‘Natuur’ wordt weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het doel van de bodemkwaliteitskaart is om een actueel en dekkend beeld te krijgen van de te verwachten (stedelijke) bodemkwaliteit in de gemeente Nissewaard. De achterliggende doelstelling is de wens van de gemeente om met de bodemkwaliteitskaart gebruik te kunnen blijven maken van de mogelijkheden die het Besluit bodemkwaliteit[2] (hierna ‘het Besluit’) biedt: als bewijsmiddel voor de kwaliteit van vrijkomende grond en van de ontvangende bodem (hierdoor hoeven minder partijkeuringen en bodemonderzoeken te worden uitgevoerd wat een kosten- en tijdbesparende factor is bij grondverzet); bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en (gerijpte) baggerspecie op en in de landbodem; om gebiedsspecifiek grondstromenbeleid uit te kunnen blijven voeren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Bodemfunctieklassenkaart Op de bodemfunctieklassenkaart (zie kaartbijlage 1) wordt de ligging van gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties 'Industrie', 'Wonen', ‘Landbouw’ en ‘Natuur’ aangegeven. De bodemfunctieklassenkaart wordt gebruikt voor: het mede bepalen van de kwaliteitseisen waaraan de toe te passen grond moet voldoen (zie ook § 3.8.4 van deze bijlage en bijlage 1 van de nota bodembeheer onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem’); het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming[4].</div>\n<p class=\"lf-p\">De eerder bestuurlijk vastgestelde bodemfunctieklassenkaart[1] van de gemeente Nissewaard is aangepast. Hieronder zijn op hoofdlijnen de aanpassingen weergegeven:</p>\n<p class=\"lf-p\">De grens van de gemeente Nissewaard (deel voormalige gemeente Bernisse) is aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemfunctie ‘Overig/natuur’ van het overige buitengebied is gewijzigd in ‘Landbouw’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De provinciale wegen, de metro, en verharde wegen in het buitengebied (deel in het beheer van de gemeente en het Waterschap Hollandse Delta) zijn nu op de kaart aangegeven en vallen in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende operationele begraafplaatsen en kerkelijke begraafplaatsen vallen in de bodemfunctie ‘Natuur’ 15 Naast een goede fysische kwaliteit van de grond is het wettelijk verplicht om in schone grond te begraven. Met de functie ‘Natuur’ is dit gewaarborgd als grond wordt toegepast, zie ook bijlage 1 kopje ‘Toepassingskaart’.: Kouwenhovenseweg en Kerkplein in Abbenbroek, Toldijk in Geervliet, Welleweg in Heenvliet, Meeldijk in Hekelingen, De Ommering in Spijkenisse en Kerkweg in Zuidland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal gebieden zonder bodemfunctie hebben een functie gekregen: De RWZI en het omliggende terrein aan de Papendijk (bodemfunctie ‘Industrie’), het Zuiveringsbedrijf Beerenplaat (bodemfunctie ‘Industrie’), buitendijks terrein ten zuidoosten van de Krommedijk/Bernisse Spuidijk (bodemfunctie ‘Natuur’), buitendijks terrein ten zuiden van de Bernisse Spuidijk (bodemfunctie ‘Landbouw’), Polder Zuidoord en terrein rondom WSV Binckvliet (bodemfunctie ‘Landbouw’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van een aantal gebieden is de bodemfunctie ‘Overig/natuur’ gewijzigd in ‘Industrie’: Industrieterrein Halfweg (Malledijk en Ampèrepad) in Spijkenisse, terrein ten noorden van de Maaswijkdijk in Spijkenisse, Gronddepot aan de Maaswijk in Spijkenisse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van een aantal gebieden is de bodemfunctie ‘Overig/natuur’ gewijzigd in ‘Wonen’: Abbenbroek (terrein ten noordoosten van de Rondweg), Geervliet (terrein ten westen van de Ringdijk), Zuidland (recreatiepark Zuytland Buiten) en Spijkenisse (Hekelingen, sportterreinen aan de Plaatweg, Veerweg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van een aantal gebieden is de bodemfunctie ‘Wonen’ gewijzigd in ‘Industrie’: Terrein ten oosten van de kruising Groene Kruisweg/Sportlaan in Spijkenisse, terrein ten oosten van de kruising Groene Kruisweg/Baljuwlaan in Spijkenisse, terrein ten noorden van de Groene Kruisweg -bioscoop, parkeerplaatsen en overdekt zwembad-, in Spijkenisse), bedrijfsterreinen aan de Polyanderweg e.o. in Heenvliet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse van het bedrijventerrein Ir. H. de Grootweg is de bodemfunctie ‘Industrie’ gewijzigd in ‘Wonen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de natuurgebieden tussen Heenvliet, Geervliet en Abbenbroek en Polder Nieuw Schuddebeurs is de bodemfunctie ‘Overig/natuur’ gewijzigd in ‘Natuur’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de wegen met onverharde wegbermen binnen de bebouwde kom heeft de gemeente besloten dat de bodemfunctieklasse in principe aansluit bij de bodemfunctieklasse van het omliggende gebied. Dit betekent dat voor de onverharde wegbermen in een woonwijk de bodemfunctieklasse ‘Wonen’ geldt en voor de onverharde wegbermen op een industrieterrein in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzondering zijn de onverharde bermen van de door de gemeente aangewezen wegen in het beheer van de gemeente, provinciale wegen en de metrolijn binnen de bebouwde kom. Deze hebben de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ ongeacht of ze door een woonwijk lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de wegen buiten de bebouwde kom vallen de onverharde bermen van de provinciale wegen in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’. De gemeente heeft daarnaast onverharde bermen van wegen in het buitengebied aangewezen die ook in de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder onverharde wegbermen wordt verstaan de strook grond naast de verharde (klinker-, beton- of asfalt)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B3.1): de erfgrens of; de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of; de meest nabij gelegen insteek van een natte bermsloot of; als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor onverharde wegbermen gelegen in gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur B3.1 Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart, kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuurlijk vastgestelde bodemfunctieklassenkaart voor het plangebied ‘De Elementen’ in Spijkenisse[5] is ongewijzigd en opgenomen in de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Bodemkwaliteitskaart Deze bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[8]. Er is gewerkt volgens het in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten opgenomen stappenplan. Hieronder zijn de verschillende stappen weergegeven, die in de volgende paragrafen nader zijn toegelicht. In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat de stappen niet chronologisch gevolgd hoeven te worden. Wel is het noodzakelijk dat elementen van alle stappen terugkomen in de werkwijze bij het vervaardigen van de bodemkwaliteitskaart.</div>\n<p class=\"lf-p\">Stap 1: Opstellen programma van eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 2: Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensbewerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 4: Indelen bodembeheergebied in deelgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 7: Vaststellen bodemkwaliteitszones.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 8: Bodemkwaliteitskaart (kaart uitgesloten locaties/gebieden, ontgravingskaart en toepassingskaart).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1Stap 1: Opstellen programma van eisen Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn de volgende definities vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bodembeheergebied van de bodemkwaliteitskaart omvat het grondgebied van de gemeente Nissewaard. In § 4.2 van de nota bodembeheer is voor de acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel bij grondverzet een ruimer bodembeheergebied gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de landbodem van het bodembeheergebied voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart:</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale wegen, de metrolijn en wegen in het beheer van het Waterschap Hollandse Delta inclusief de onverharde (weg- en metrolijn)bermen (allen een andere beheerorganisatie dan de gemeente).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke verharde wegen in het buitengebied (asfalt, beton, klinkers) inclusief de onverharde bermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plangebied ‘De Elementen’ in Spijkenisse[5] (is apart gebiedsspecifiek grondstromenbeleid voor vastgesteld).</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging (lokale bron/puntbron). (Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (de locaties met een beschikking ‘Ernstig’; specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterbodems (andere beheerorganisaties) met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling[6].</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het grondwater maakt geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de stoffen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).</p>\n<p class=\"lf-p\">De gegevens voor de bodemkwaliteitskaart zijn afkomstig van representatieve bodemonderzoeken uit het bodeminformatiesysteem van de DCMR waarin de bodemgegevens van de gemeente Nissewaard worden geregistreerd en beheerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2Stappen 2 en 4: Vaststellen onderscheidende gebiedskenmerken en indelen bodembeheergebied in deelgebieden De basis van deze bodemkwaliteitskaart is het identificeren van onderscheidende gebiedskenmerken. De verwachting is dat de kwaliteit tussen de deelgebieden kan verschillen als gevolg van verschillende gebiedskenmerken. Op basis van de bodemopbouw, de gebruikshistorie, de ontwikkeling van wijken of gebieden, de geomorfologie en het huidig gebruik wordt een deelgebiedenkaart gedefinieerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In overleg met de gemeente is voor de gebiedsindeling uitgegaan van de eerder bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart[1]. De gebiedsindeling is aangepast naar aanleiding van de gewijzigde gemeentegrens, de aanpassingen op de bodemfunctieklassenkaart en doordat de bodemkwaliteitskaart nu alleen voor de gemeente Nissewaard wordt opgesteld. De onderscheiden deelgebieden zijn hieronder weergegeven. Er is een indeling gemaakt voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1 meter diepte en de bodemlaag vanaf 1 meter tot en met 2 meter diepte. De onderscheiden deelgebieden zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Oude bebouwing Geervliet 16 Bodemkwaliteitszone Oude bebouwing Bernisse en Brielle in de eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaart..</p>\n<p class=\"lf-p\">Oude bebouwing (voor 1945).</p>\n<p class=\"lf-p\">Recentere bebouwing (na 1945).</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatie en buitengebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege een wijziging van bodemfunctie valt het gronddepot aan de Maasdijk in Spijkenisse nu in het deelgebied ‘Recentere bebouwing (na 1945)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3Stap 3: Gegevensverzameling en gegevensverwerking 3.3.1 Selecteren beschikbare gegevens Voor het maken van de bodemkwaliteitskaart is het van belang om een representatieve dataset te maken, zodat de algemene (stedelijke) bodemkwaliteit binnen een bodemkwaliteitszones zo goed mogelijk kan worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De DCMR voert alleen analyseresultaten in als deze representatief zijn voor de algemene (stedelijke) bodemkwaliteit. Daarom zijn in eerste instantie alle analyseresultaten uit het bodeminformatiesysteem meegenomen in de dataset voor de bodemkwaliteitskaart (exportdatum 10 januari 2019).</p>\n<p class=\"lf-p\">De DCMR heeft aangegeven dat de analyseresultaten ouder dan 5 jaar vergelijkbaar zijn met de analyseresultaten die vanaf 2013 zijn verkregen. Daarom zijn rapporten geselecteerd vanaf 1 januari 2001 (net zoals bij de eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaart).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de geselecteerde gegevens zijn om de onderstaande redenen nog gegevens uit de dataset verwijderd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens zonder rapportdatum, geografie en/of monstertraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Analysemonsters met een gemiddeld monstertraject dieper dan 2 m-mv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Analysegegevens afkomstig van niet-gecertificeerde onderzoeksbureau 'Elementair' en 'Bodemstaete'.</p>\n<p class=\"lf-p\">Analysemonsters die een geografische overlap hebben met locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming, zogenaamde Wbb-locaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte zijn nog resultaten van de volgende bodemonderzoeken aan de dataset van de bodemkwaliteitskaart toegevoegd die niet in het bodeminformatiesysteem van de DCMR zijn geregistreerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage verkennend bodemonderzoek ondergrondse containers Vriesland, Groenewoud, Hoogwerf en Sterrenkwartier te Spijkenisse (fase 5), kenmerk: SME\\RTH\\1809004D-1, DETA MILIEU, 28 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapportage verkennend bodemonderzoek ondergrondse containers fase 7: Simonshaven, Abbenbroek, Heenvliet, Geervliet, Zuidland, kenmerk: SME\\RTH\\1810048D, DETA MILIEU, 8 februari 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.2Het samenvoegen van punt- en mengmonsters De dataset voor de bodemkwaliteitskaart bestaat uit meng- en puntmonsters met analysegegevens. De landelijke IPO Werkgroep Achtergrondgehalten heeft onderzocht wat de invloed is van het meenemen van zowel punt- als mengmonsters op de berekening van percentielwaarden van de analysegegevens[30]. De resultaten laten zien dat percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van zowel punt- als mengmonsters, vrijwel identiek zijn aan percentielwaarden die zijn gebaseerd op een bestand met analysegegevens van alléén mengmonsters. Er bestaan daarom geen praktische bezwaren tegen het berekenen van de bodemkwaliteit uit een bestand met analysegegevens, afkomstig van zowel punt- als mengmonsters. In dit project zijn de analysegegevens van de mengmonsters éénmaal meegenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3Het vervangen van waarden beneden de detectielimiet Bij analyses komt het vaak voor dat een bepaalde stof in het grond(meng)monster aanwezig is in een concentratie beneden de detectiegrens van de gangbare analyseapparatuur. Hoewel de werkelijke waarde onbekend is (de waarde kan variëren van nul tot de detectielimiet) leveren deze monsters wel waardevolle informatie voor de gemiddelde bodemkwaliteit in een gebied. Voor deze analyseresultaten is de methode van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gehanteerd. Deze methode houdt in dat de gerapporteerde detectielimieten worden vermenigvuldigd met een factor 0,7 om tot een rekenwaarde te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opgegeven detectielimiet van een bepaalde stof verschilt van rapport tot rapport. Verhoogde detectielimieten komen voor bij verstoringen in de grond(meng)monstermatrix. Daarnaast zijn de detectielimieten in de loop der jaren lager geworden doordat nauwkeuriger meetapparatuur beschikbaar is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.4Het opsporen van uitbijters Ondanks dat er representatieve analysegegevens zijn geselecteerd, kan er sprake zijn van uitschieters in de dataset: extreem hoge gehalten als gevolg van bijvoorbeeld typefouten tijdens de invoer, onbetrouwbare analyses of lokale verontreinigingen door lokale bronnen die niet als zodanig in het bodeminformatiesysteem zijn aangegeven. Hierbij worden vaak bij meerdere stoffen in hetzelfde monster relatief hoge gehalten aangetroffen. Per deelgebied en per stof zijn met een visuele methode (scatterplots) extreme gehalten gemarkeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de uitschieters tot een lokale bron, type- of meetfout zijn te herleiden, of als niet-representatief zijn beoordeeld voor de (stedelijke) bodemkwaliteit, zijn de analyseresultaten uit de dataset verwijderd of aangepast. In bijlage 3B staat een overzicht van de uiteindelijk verwijderde uitbijters.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied (1/2) De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt de volgende minimale eisen aan het aantal en de spreiding van analysegegevens per deelgebied:</p>\n<p class=\"lf-p\">Per deelgebied zijn voor alle stoffen ten minste 20 meetgegevens beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De analysegegevens liggen voldoende verspreid over het deelgebied:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken zijn in tenminste 10 vakken één of meer analysegegevens beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied zijn ten minste 3 meetgegevens beschikbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het samenstellen van de dataset voor de bodemkwaliteitskaart (zie § 3.3.1 van deze bijlage) en de voorbewerkingen (zie § 3.3.3 en § 3.3.4 van deze bijlage), blijkt dat in een aantal deelgebieden niet aan de voornoemde minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten voldoet. De benodigde meetgegevens zijn door aanvullend onderzoek verkregen (zie § 3.6 van deze bijlage).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5Stap 6: Verzamelen aanvullende informatie In de deelgebieden die niet voldoen aan het minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (aantal en spreiding), zijn aanvullende meetgegevens verzameld door bodemonderzoek uit te voeren (Lievense, documentcode SOB006731.RAP002, 21 maart 2019). De aanvullende meetgegevens zijn voorbewerkt (zie § 3.3.3 en § 3.3.4 van deze bijlage) en toegevoegd aan de dataset van deze bodemkwaliteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6 Stap 5: Controle indeling van het bodembeheergebied (2/2) 3.6.1 Aantal en spreiding analysegegevens Met het verzamelen van aanvullende gegevens voldoen de (niet-aaneengesloten) deelgebieden aan de minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (zie § 3.4.1 van deze bijlage).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.2Splitsen van deelgebieden Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van Lievense bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer zware metalen en minerale olie een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben en de stofgroepen polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en polychloorbifenylen (PCB) een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overzicht van de variatiecoëfficiënten staat in bijlage 4 van de nota bodembeheer (kolom ‘VC’). Hieruit blijkt, dat voor meerdere deelgebieden voor één en soms meerdere stoffen sprake is van een hoge variatiecoëfficiënt. Deze hoge variatiecoëfficiënten worden veroorzaakt door een beperkt aantal relatief hoge waarden. De locaties waar de relatief hoge waarden zijn vastgesteld vertonen binnen de deelgebieden zelf geen ruimtelijke clustering. De relatief hoge variatiecoëfficiënten geven daarmee geen aanleiding tot het splitsen van deelgebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.3Samenvoegen van deelgebieden De in § 3.2 van deze bijlage benoemde voorlopige deelgebieden zijn conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten niet samengevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.4Definitieve gebiedsindeling Alle deelgebieden voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de waarnemingen volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. De definitieve deelgebieden worden de bodemkwaliteitszones van de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteitszones voor de bodemlagen vanaf het maaiveld tot en met 1 meter diepte en de bodemlaag vanaf 1 meter tot en met 2 meter diepte zijn hieronder benoemd en op kaartbijlage 2 weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oude bebouwing Geervliet 17 Bodemkwaliteitszone Oude bebouwing Bernisse en Brielle in de eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaart..</p>\n<p class=\"lf-p\">Oude bebouwing (voor 1945).</p>\n<p class=\"lf-p\">Recentere bebouwing (na 1945).</p>\n<p class=\"lf-p\">Recreatie en buitengebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.7Stap 7: Vaststellen en karakteriseren bodemkwaliteitszones De gemeente Nissewaard heeft besloten om bij het vaststellen en karakteriseren van de bodemkwaliteitszones niet aan te sluiten bij de standaard werkwijze uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit[3], maar uit te gaan van het bodembeleid van de gemeente Rotterdam (zie bijlage 1 onder het kopje 'Bodemkwaliteitsklasse'). Voor het karakteriseren van de bodemkwaliteitszones is de 80-percentielwaarde getoetst aan de Lokale Maximale Waarden van de gemeente Rotterdam (zie bijlage 4, kolom 'P80').</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de vier bodemkwaliteitsklassen: ‘Natuur’, ‘Landbouw’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Voor het toetsen van de bodemkwaliteitsklasse is gebruik gemaakt van de ‘Rotterdamse Toetsingstabel’ (STI en BKK) [9]. In het stedelijk gebied van de regio Rijnmond komt barium vaak verhoogd voor. Daarom is barium meegenomen bij de karakterisering van de algemene (stedelijke) bodemkwaliteit. Dit wijkt af van de Toetsingstabel van Rotterdam, omdat hier barium alleen wordt mee getoetst als duidelijk sprake is van een bodemverontreiniging als gevolg van een antropogene bron.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel B3.1 is aangegeven in welke bodemkwaliteitsklasse iedere bodemkwaliteitszone valt. De bodemkwaliteitsklasse wordt samen met de bodemfunctieklasse gebruikt voor het bepalen van de toepassingseis (zie § 3.8.4 van deze bijlage).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de indeling in vier kwaliteitsklassen en deze te baseren op de 80-percentielwaarde, wordt naar Rotterdam beleid ongewenst grondverzet met de bodemkwaliteitskaart (in combinatie met een uitgevoerd historisch onderzoek) als bewijsmiddel beperkt. Met deze werkwijze vindt de gemeente het niet nodig om, conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, een controle op het saneringscriterium uit te voeren voor die bodemkwaliteitszones waar de 95-percentielwaarde de Interventiewaarde overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heterogeniteit Naast de percentielwaarden en de variatiecoëfficiënt is ook de heterogeniteit van de analysegegevens berekend, volgens de methodiek zoals beschreven onder het kopje “Heterogeniteit” in bijlage 1. In de gemeente Nissewaard is in alle bodemkwaliteitszones sprake van sterke heterogeniteit voor één of meerdere stoffen (zie tabel B3.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vaststellen van een sterke heterogeniteit wordt niet als een belemmering gezien om de bodemkwaliteitskaart (in combinatie met een historisch onderzoek) als bewijsmiddel te gebruiken voor de kwaliteit van de nuttig toe te passen grond. De betreffende stoffen in de bodemkwaliteitszones bevatten ruim voldoende analysegegevens om het gemiddelde gehalte goed te beschrijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel B3.1 Bodemkwaliteitszones, verwachte bodemkwaliteits-/ontgravingsklasse, kwaliteitsbepalende stof en sterke heterogeniteit Bodemkwaliteitszone Verwachte bodemkwaliteits-/ ontgravingsklasse Kwaliteits-bepalende stof Sterke heterogeniteit (aantal analysegegevens) Bovengrond (traject vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte B1. Oude bebouwing Geervliet* Wonen Lood, zink, PAK Lood [179], nikkel [163], zink [171] B2. Oude bebouwing (voor 1945) Wonen Lood, zink, PAK Lood [33], nikkel [30] B3. Recentere bebouwing (na 1945) Natuur - Nikkel [1.086] Recreatie en buitengebied Landbouw Kwik, lood, zink, PAK Nikkel [188] Ondergrond (traject vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte) O1. Oude bebouwing Geervliet* Wonen Lood Nikkel [27], zink [27] O2. Oude bebouwing (voor 1945) Landbouw Kwik, lood, zink Nikkel [97] O3. Recentere bebouwing (na 1945) Natuur - Nikkel [455] O4. Recreatie en buitengebied Landbouw Kwik Nikkel [77] * Bodemkwaliteitszone Oude bebouwing Bernisse en Brielle in de eerder vastgestelde bodemkwaliteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8Stap 8: Bodemkwaliteitskaart 3.8.1Inleiding De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Een kaart met uitgesloten locaties en gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ontgravingskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toepassingskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de hoofdkaarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.2Kaart met uitgesloten locaties en gebieden In de gemeente Nissewaard is een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Een overzicht van de uitgesloten locaties en gebieden is aangegeven in hoofdstuk 4 van deze bijlage. De uitgesloten wegen en waterbodems zijn daarnaast ook afgebeeld op de kaartbijlagen. De ligging van de overige uitgesloten locaties en gebieden is vanwege het dynamische karakter niet op de kaarten weergegeven. Voor een actueel overzicht van deze locaties moet contact worden opgenomen met de DCRM. Desgewenst is de bodeminformatie ook via het internet aanvragen op de volgende website: http://dcmr.gisinternet.nl/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor locaties die uitgesloten zijn van de bodemkwaliteitskaart en waarvan provincie Zuid-Holland gegevensbeheerder is (te saneren of gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming en stortplaatsen), moet contact worden opgenomen met provincie Zuid-Holland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bodemkwaliteitskaart kan op de uitgesloten locaties en gebieden niet worden gebruikt als bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven uit deze gebieden. Ook kan deze bodemkwaliteitskaart niet worden gebruikt om de toepassingseis te bepalen als grond op deze locaties/gebieden wordt toegepast. In deze nota bodembeheer (zie hoofdtekst</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"p-4131\"><span class=\"lf-art-num\">§ 4.13.1</span><span class=\"lf-art-t\">) is hier nader op ingegaan</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">3.8.3Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt of de locatie is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie § 6.1 van de hoofdtekst). De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De ontgravingsklasse is bepaald met dezelfde toetsingsmethodiek als de bodemkwaliteitsklasse (zie bijlage 1 onder het kopje 'Bodemkwaliteitsklasse').</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel B3.2 is de verwachte ontgravingsklasse per bodemkwaliteitszone aangegeven. De verwachte ontgravingskaart per bodemlaag is opgenomen in de kaartbijlagen 3. De kleuren in tabel B3.2 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.4Toepassingskaart De toepassingskaart is opgesteld aan de hand van de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en de (toekomstige) functie van de bodem (zie bijlage 1 onder het kopje 'Toepassingskaart'). Voorafgaand aan het grondverzet moet altijd informatie worden achterhaald waaruit blijkt of de locatie is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart (zie § 6.1 van de hoofdtekst). Omdat in één bodemkwaliteitszone meerdere bodemfuncties kunnen voorkomen, kunnen ook meerdere toepassingseisen voorkomen. In tabel B3.2 is het resultaat van deze werkwijze voor de toepassingskaart van de gemeente Nissewaard samengevat. Per bodemkwaliteitszone kunnen meerdere bodemfuncties voorkomen, dit is verwerkt in tabel B3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de kaartbijlagen 4 staat per bodemlaag aangegeven welke toepassingseis er geldt. De kleuren in tabel B3.2 komen overeen met de gebruikte kleuren op kaartbijlage 1 (bodemfunctieklassenkaart) en kaartbijlagen 4 (toepassingskaarten).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Samenvatting en conclusie In de nieuwe bodemkwaliteitskaart zijn op basis van gebruikshistorie, huidig bodemgebruik en bodemkwaliteit in totaal 8 bodemkwaliteitszones onderscheiden. Er zijn 4 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte en 4 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden (zie kaartbijlage 2).</div>\n<p class=\"lf-p\">De volgende locaties/gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart:</p>\n<p class=\"lf-p\">Provinciale wegen, de metrolijn en wegen in het beheer van het Waterschap Hollandse Delta inclusief de onverharde (weg- en metrolijn)bermen (allen een andere beheerorganisatie dan de gemeente).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeentelijke verharde wegen in het buitengebied (asfalt, beton, klinkers) inclusief de onverharde bermen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plangebied ‘De Elementen’ in Spijkenisse (is apart gebiedsspecifiek grondstromenbeleid voor vastgesteld).</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging (lokale bron/puntbron). (Voormalige) stortplaatsen (specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).</p>\n<p class=\"lf-p\">Locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (de locaties met een beschikking ‘Ernstig’; specifiek voor wat betreft de ontgravingskaart).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De waterbodems (andere beheerorganisaties) met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het grondwater maakt geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse en ontgravingsklasse is gebruik gemaakt van de Lokale Maximale Waarden en de toetsingsmethodiek uit het bodembeleid van de gemeente Rotterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">In tabel B3.2 staat voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones en bodemlagen een totaaloverzicht van de voorkomende bodemfunctieklassen, verwachte ontgravingsklassen en toepassingseisen. De kleuren in tabel B3.2 komen overeen met de gebruikte kleuren op de kaartbijlagen 1, 3 en 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld voor de stoffen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de ontgravingskaart (kaartbijlage 3) zijn de te verwachten ontgravingskwaliteitsgegevens weergegeven van de onderscheiden bodemkwaliteitszones. Op de toepassingskaarten zijn de toepassingseisen weergegeven voor het generieke kader van het Besluit (kaartbijlagen 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel B3.2 Toepassingseisen per combinatie voorkomende bodemfunctie en verwachte bodemkwaliteitsklasse-/ontgravingsklasse voor de onderscheiden bodemkwaliteitszones.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemkwaliteitszone Bodemfunctieklasse Verwachte bodemkwaliteits- en ontgravingsklasse Toepassingseis Bovengrond (traject vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte B1. Oude bebouwing Geervliet Bodemfunctie Wonen Wonen Wonen B2. Oude bebouwing (voor 1945) Bodemfunctie Industrie Wonen Wonen Bodemfunctie Wonen Bodemfunctie Natuur Natuur B3. Recentere bebouwing (na 1945) Bodemfunctie Industrie Natuur Natuur Bodemfunctie Wonen Bodemfunctie Natuur B4. Recreatie en buitengebied Bodemfunctie Landbouw Landbouw Landbouw Bodemfunctie Natuur Natuur Ondergrond (traject vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte) O1. Oude bebouwing Geervliet Bodemfunctie Wonen Wonen Wonen O2. Oude bebouwing (voor 1945) Bodemfunctie Industrie Landbouw Landbouw Bodemfunctie Wonen Bodemfunctie Natuur Natuur O3. Recentere bebouwing (na 1945) Bodemfunctie Industrie Natuur Natuur Bodemfunctie Wonen Bodemfunctie Natuur O4. Recreatie en buitengebied Bodemfunctie Landbouw Landbouw Landbouw Bodemfunctie Natuur Natuur Bijlage3B Specificatie uitbijters Bijlage4Statistische parameters bodemkwaliteitszones (gebiedsspecifiek beleid) Bijlage5Mogelijkheden vrij grondverzet (grondstromenmatrix) Bijlage6Onderbouwing Lokale Maximale Waarden (toetsnormen classificatie bodemkwaliteit) 3.1 Inleiding De RisicoToolbox Bodem (www.risicotoolboxbodem.nl) voert berekeningen uit voor de deelrisico’s landbouw duurzaam, ecologie duurzaam en humaan duurzaam op basis van modelberekeningen en/of toetsing aan LAC-waarden, dan wel door toetsing aan de generieke ecologische en humane normering. Deze berekeningen leiden tot risico-indexen, eventueel gepresenteerd in diagrammen. Bij overschrijding van een generieke deelnorm is de risico-index groter dan 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het deelrisico landbouw duurzaam is alleen relevant voor de bodemfunctieklasse landbouw. De overige deelrisico’s zijn voor alle onderscheiden bodemfunctieklassen relevant. natuur landbouw wonen industrie Landbouwrisico X Ecologisch risico X X X X Humaan risico X [X] X X Achtereenvolgens worden de diagrammen gepresenteerd per lokale maximale waarde en per type risico voor de volgende stofgroepen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale maximale waarden bagger/landbouw (LMW-bagger/landbouw): zware metalen groep 1: barium, cadmium, koper, lood, molybdeen, nikkel, zink; zware metalen/metalloïde groep 2: antimoon, arseen, chroom(-III), kobalt, kwik, thallium, tin, vanadium; organische stoffen groep 1: aldrin, dieldrin, endrin, DDT, DDD, DDE, lindaan (γ-HCH), hexachloorbenzeen (HCB), pentachloorfenol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale maximale waarden wonen (LMW-wonen): zware metalen, groep 3: cadmium, koper, lood, nikkel,zink; zware metalen/metalloïde groep 4: arseen, chroom, kobalt, kwik, thallium, tin en vanadium; organische stoffen groep 2: aldrin, dieldrin, endrin, DDT, DDE, lindaan (γ-HCH), hexachloorbenzeen (HCB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lokale maximale waarden industrie (LMW-industrie): zware metalen groep 5: cadmium, kwik, thallium; organische stoffen groep 3: aldrin, dieldrin, endrin, DDT, DDE.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overige stoffen, waarvoor lokale maximale waarden zijn afgeleid, is geen module in de RisicoToolbox Bodem aanwezig: het metalloïd seleen; andere anorganische stoffen: asbest, boor, chloride, cyaniden-totaal, thiocyanaten; de organometalen: tributyltin (TBT), som organotin; organische stoffen: minerale olie, som PAK’s (wel individuele stoffen), tri/tetra/pentachloorbenzenen, tri/tretrachloorfenolen, pentachlooraniline, som PCB’s en dioxines, α/β-HCH, α-endo-sulfan, chloordaan, heptachloor, heptachloorepoxide, alle ftalaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2 Risico’s maximale waarden bagger/landbouw Landbouwrisico’s:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de RisicoToolbox Bodem komen, getoetst aan de generieke normering, de volgende landbouwrisico’s naar voren (risico-index &gt; 1): stof landbouwscenario Gewas/huisdier Risico- index koper veeteelt (Texelse) schapen 2,00 kwik tuinbouw volle grond groenten 1,50 akkerbouw alle voedselgewassen 1,50 alle veevoergewassen 1,50 veeteelt alle rundvee 1,50 nier in rundvee 1,12 nier in schapen 1,23 fruitteelt fruit 1,50 landbouw bollen/siergewassen 1,50 lood akkerbouw tarwe 2,92 veeteelt alle rundvee 1,33 lever in rundvee 2,27 nikkel tuinbouw volle grond groenten 1,20 akkerbouw alle voedselgewassen 1,20 alle veevoergewassen 1,20 landbouw bollen/siergewassen 1,20 veeteelt alle rundvee 1,20 Texelse schapen zijn zeer gevoelig voor koper en moeten zoveel mogelijk alleen op schone grond worden geweid. De risico’s voor kwik en lood worden modelmatig sterk overschat omdat de biobeschikbaarheid van deze zware metalen zeer laag is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor nikkel zijn verhoogde maximale waarden onvermijdelijk vanwege de verhoogde achtergrondwaarde voor nikkel binnen Rotterdam (en geheel zuid west Nederland). De biobeschikbaarheid van nikkel is zeer laag, zodat de effecten modelmatig sterk worden overschat.Voor alle organische parameters kan de Risicotoolbox geen toetsing uitvoeren omdat het organische stofgehalte van 10% buiten het geldigheidsgebied van de modellen ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Humane risico’s Voor de meeste beschouwde stoffen levert de RisicoToolbox Bodem geen humane risico’s op bij toetsing aan de generieke normering. Uitzondering hiervoor vormen:</p>\n<p class=\"lf-p\">De metalen kobalt en lood (alleen volkstuinen). Deze zijn veel minder biologisch beschikbaar voor de mens dan de modellen veronderstellen. Opvallend is dat de deelnorm humaan risico duurzaam voor lood in volkstuinen zelfs onder de oude streefwaarde (en daarmee onder de lokale achtergrondwaarde!) is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor HCB is de humane deelnorm ook erg streng, zodat de lokale norm hierboven is gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor drins is de humane deelnorm maatgevend voor de lokale maximale waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter illustratie is voor de metalen uit het standaardpakket de grafiek met risico-indexen opgenomen. Een index &gt; 1 houdt in dat het humaan risico duurzaam wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologische risico’s De ecologische risico’s blijken voor een aantal genormeerde stoffen maatgevend voor de hoogte van de generieke maximale waarden; veelal is er dan geen LAC-waarde vastgesteld of is deze hoger.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een beperkt aantal gevallen is de lokale maximale waarde bagger/landbouw hoger gekozen dan de deelnorm ecologisch risico duurzaam. Het gaat om de volgende stoffen: cadmium en kwik, waarvoor doorvergiftiging niet relevant wordt geacht en daarmee wel wordt voldaan aan de algemene ecologische deelnorm; lood, nikkel en seleen, en in geringe mate ook voor arseen, koper, vanadium en zink.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze metalen zijn in hetalgemeen weinig biologisch beschikbaar voor planten, dan wel een essentieel micronutriënt (seleen). Voor nikkel is de regionale achtergrondwaarde aanzienlijk hoger dan de deelnorm ecologisch risico duurzaam; voor PAK’s, γ-HCH en drins is ook sprake van een lage biobeschikbaarheid in de vruchtbare humeuze Rotterdamse bodem, zodat een beperkte normoverschrijding verantwoord wordt geacht; voor boor is de ecologische normstelling zeer onzeker en daarmee minder relevant geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter illustratie is voor de metalen uit het standaardpakket de grafiek met risico-indexen opgenomen. Een index &gt; 1 houdt in dat het ecologisch risico duurzaam wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3 Risico’s (lokale) maximale waarden wonen Humane risico’s De humane deelnormen zijn slechts in enkele gevallen bepalend voor de (lokale) maximale waarden wonen; alleen seleen en lood. Voor kobalt wordt de humane deelnorm al overschreden voor de generieke maximale waarde wonen; deze is te weinig betrouwbaar, zodat de ecologische deelnorm hier maatgevend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor drins en HCB wordt de humane deelnorm overschreden omdat opname via gewassen sterk bepalend is. Als gewasteelt is uitgesloten (speelplekken), wordt de humane deelnorm niet meeroverschreden. In Rotterdamse tuinen worden weinig voedingsgewassen geteeld en de biobeschikbaarheid in humeuze vruchtbare teelaarde is laag, zodat de deelnorm voor speelplekken voldoende bescherming biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter illustratie is voor de metalen uit het standaardpakket de grafiek met risico-indexen opgenomen. Een index &gt; 1 houdt in dat het humaan risico duurzaam wordt overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologische risico’s Voor de meeste stoffen zijn is de deelnorm ecologisch risico duurzaam maatgevend voor de hoogte van de (lokale) maximale waarde wonen. Door hier een lager ambitieniveau te kiezen, te verantwoorden vanwege een (via bodemecologisch onderzoek) aangetoond veel lagere biobeschikbaarheid dan de modellen voorspellen, wordt de benodigde ruimte gerealiseerd voor delokale maximale waarden wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor enkele stoffen is de humane deelnorm maatgevend (zie hierboven). Voor boor is de ecologische deelnorm zeer onzeker/onbetrouwbaar en daarmee niet bepalend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter illustratie is voor de metalen uit het standaardpakket de grafiek met risico-indexen opgenomen. Een index &gt; 1 houdt in dat het ecologisch risico duurzaam wordt overschreden. Duidelijk wordt dat de inzet op een matig risiconiveau normruimte genereert; alle risico-indexen zijn dan kleiner dan 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Risico’s (lokale) maximale waarden industrie Humane risico’s Omdat alle (lokale) maximale waarden industrie de interventiewaarden niet overschrijden, er in geen enkel geval sprake van een humaan risico.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ecologische risico’s Voor de meeste genormeerde stoffen is de deelnorm ecologisch risico duurzaam maatgevend voor de hoogte van de (lokale) maximale waarde. Hierop zijn slechts enkele uitzonderingen: voor cadmium en kwik is doorvergiftiging niet maatgevend geacht, zodat de lokale maximale waarde industrie kon worden gelegd op hetniveau van de interventiewaarden. Voor deze metalen is de biobeschikbaarheid in de bodem waarschijnlijk zoveel lager dan de modellen veronderstellen, dat doorvergiftiging niet waarschijnlijk is; voor drins is alsnog besloten de vroegere ecologische deelnorm, de oude interventiewaarde, maatgevend te beschouwen voor de lokale maximale waarde industrie. Hiermee wordt voor de functieklasse industrie geaccepteerd dat loodvergiftiging optreedt via de route bodem – regenworm – zoogdier (en mogelijk vogels). In hetlicht van deze niet op natuurwaarde gerichte bodemfunctie wordt dit risico acceptabel geacht; voor aldrin is sprake van een beperkte overschrijding van de ecologische deelnorm bij de gekozen lokale maximale waarde industrie. Doorvergiftiging treedt dus (vooral) op voor dieldrin en endrin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter illustratie is voor de metalen uit het standaardpakket de grafiek met risico-indexen opgenomen. Alleen voor cadmium is hier sprake van een risico-index &gt; 1, omdat geen rekening is gehouden met doorvergiftiging Bijlage7Onderbouwing Lokale Maximale Waarden (hergebruik onderhoudsbaggerspecie in het buitengebied met landbouwbestemming) Ter facilitering van de toepassing van baggerspecie uit de bebouwde kom op daarbuiten gelegen landbouwpercelen zijn Lokale Maximale Waarden voor de landbouwpercelen afgeleid. De afleiding heeft als volgt plaatsgevonden:</p>\n<p class=\"lf-p\">De basis voor de LMW wordt gevormd door de kwaliteit van de baggerspecie uit de bebouwde kom (zone D, waterbodemkwaliteitskaart). Als maat voor de kwaliteit is de 80-percentielwaarde (P80) van zone D genomen. Door de 80-percentielwaarde in plaats van het gemiddelde gehalte als statistische basis te kiezen, wordt de betrouwbaarheid van de waterbodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor het toepassen van baggerspecie uit de bebouwde kom groter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de parameters waarvan de 80-percentielwaarde kleiner is dan de achtergrondwaarde, is de achtergrondwaarde van de betreffende stof als LMW vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de parameters met een 80-percentielwaarde groter dan de achtergrondwaarde is de LMW nooit groter dan: de LAC-waarde 4 LAC-waarde: dit betreft de waarden van de Landbouw Advies Comissie 2006. Dit zijn grenswaarden voor een (voedsel)veilige landbouw voor alle reguliere teelten. Voor de afleiding van de LMW is voor iedere stof de meest strenge LAC-waarde genomen., én de 95-percentielwaarde (P95) van de zone 'buitengebied' op de bodemkwaliteitskaart van delandbodem (bovengrond), én twee maal de achtergrondwaarde van de betreffende stof Uitzondering is op deze regel is minerale olie. Hiervoor de LMW groter dan de 95-percentielwaarde van de zone buitengebied en gelijk aan twee maal de achtergrondwaarde. Voor minerale olie is bekend dat deze stof na rijping verder afbreekt. Een afbraak van een factor 2 of 3 is reëel 5 Zie rapport: Landfarming of polycyclic aromatic hydrocarbons and mineral oil contaminated sediments, J.Harmsen, Alterra Scientific contributions 14, 2004, ISBN 90-237-03-41-2.. Daarom wordt twee maal de achtergrondwaarde als LMW genomen: na afbraak zal het oliegehalte op het niveau van de achtergrondwaarde liggen of lager en zijn er niet meer risico's dan in de huidige situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afgeleide LMW zijn samengevat in de tabel B op de volgende bladzijde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsingrisico's als gevolg van vaststelling LMW Het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat bij vaststelling van LMW moet worden bepaald of sprake is van onaanvaardbare risico's. Dit moet gebeuren met de Risicotoolbox (www.risicotoolboxbodem.nl). Metde Risicotoolbox (RTB) zijn de risico-indices berekend van de in de tabel B opgenomen LMW voor bagger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de uitkomst van de RTB leidt tot een risico-index kleiner dan 1, dan is de bodem duurzaam geschikt voor gebruikt en de beoogde functie. Bij een risico-index groter dan 1 moet op basis van kennis van lokale blootstellingsroutes of anderszins worden gemotiveerd dat risico's afwezig zijn. De RTB is een landelijk model met generieke normen; lokaal kan de situatie afwijken en aanleiding geven de resultaten anders te interpreteren. Indien geen passende onderbouwing kan worden gegeven, moet de LMW worden verlaagd. Het resultaat van de berekening staat in de onderstaande tabel A. De niet genoemde stoffen hebben een risico-index kleiner dan 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel A; resultaat berekeningen Risicotoolbox Gebruik Parameters met een risico-index &gt; 1 Eco Humaan Landbouw Landbouw zonder boerderij of erf Zink 1,32 Geen Lood in tarwe 1,86 Lood in lever rundvee 1,24 Zink Volgens de RTB-berekening is er voor zink kans op ecologische risico's. De RTB gaat echter uit van een 'gemiddeld' ecologisch beschermingsniveau. Bij de in gebruik zijnde landbouwpercelen op Voorne- Putten past echter beter een 'matig' beschermingsniveau omdat er veelal geen natuurdoelen worden nagestreefd. In het NOBO-rapport 6 NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling - Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. VROM, december 2008. dat ten grondslag aan de RTB ligt, zijn in bijlage 6de specifieke normen voor ecologische doelstellingen gedefinieerd.Bij een matig ecologisch beschermingsniveau past een zinkgehalte van 350 mg/kg. De LMW voldoet hieraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lood De LMW voor lood voldoet aan de LAC-waarde. De LAC-waarden zijn voor de landbouw opgesteld om een norm te hebben voor een voedselveilige productie. Bij gehalten onder de LAC-waarden zijn er geen risico's voor de voedselveiligheid. De LAC-waarden worden dan ook als maatgevend beschouwd voor de bepaling van de LMW-waarde en niet de uitkomst van de RTB. Daarbij speelt dat de LMW voor lood gelijk is aan twee maal de achtergrondwaarde. Schone grond mag tot twee maal de achtergrondwaarde aan lood bevatten (mits de overige parameters ook aan de eisen voor schone grond voldoen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van bovenstaande motivering wordt geconcludeerd dat de vastgestelde LMW niet tot risico's leiden voor percelen met een landbouwbestemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">TabelB: Lokale maximale waarden voor landbouwpercelen Parameter P80 bagger bebouwde kom (zone D) LAC- waarde P95 zone buiten- gebied Achter- grond- waarde LMW landbouw (mg/kg)1) LMW is gelijk aan2) Arseen (As) 14 50 22 20 20 AW Barium (Ba) 134 n.b.</p>\n<p class=\"lf-p\">134 190 190 AW Cadmium (Cd) 0,64 2 0,78 0,6 0,78 P95 Chroom (Cr) 34 180 67 55 55 AW Cobalt (Co) 12 n.b.</p>\n<p class=\"lf-p\">11 15 15 AW Koper (Cu) 34 160 49 40 40 AW Kwik (Hg) 0,22 2 0,33 0,15 0,3 2xAW Molybdeen (Mb) 1,3 n.b.</p>\n<p class=\"lf-p\">2,1 1,5 1,5 AW Nikkel (Ni) 33 50 37 35 35 AW Lood (Pb) 70 200 124 50 100 2xAW Zink (Zn) 235 350 264 140 264 P95 PCB (7) (som, 0.7 factor) 0,004 0,1 0,0276 0,02 0,02 AW PAK-totaal (0.7 factor) 2,48 3,4 6,7 1,5 3 2xAW Minerale olie (total) 266 n.b.</p>\n<p class=\"lf-p\">239 190 380 2xAW</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>De LMW betreffen naar standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum) omgerekende gehalten</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>AW: achtergrondwaarde P95: 95-percentielwaarde zone buitengebied Bijlage8 Vragenformulier historische gegevens Bijlage 9 Kaartbijlage 1 Bodemfunctieklassenkaart Bijlage 10 Kaartbijlage 2 Ligging bodemkwaliteitszones Bijlage 11 Kaartbijlage 3 Ontgravingskaart Bijlage 12 Kaartbijlage 4 Toepassingskaart – gebiedsspecifiek beleid Bijlage 13 Kaartbijlage 5 Toepassingskaart - generiek beleid Bijlage 14Bodemkwaliteitskaart 2023 Bodemkwaliteitskaart 2023 Plangebied ‘De Elementen’ te Spijkenisse 1Inleiding 1.1Algemeen Sweco Nederland B.V. heeft van gemeente Nissewaard de opdracht gekregen voor het integreren van het plangebied ‘De Elementen’ in de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart (BKK).</div>\n<p class=\"lf-p\">Gemeente Nissewaard ontwikkelt het plangebied ‘De Elementen’. Deze ontwikkeling strekt zich uit over een langere tijd. Al in 2007 is begonnen met de eerste deelgebieden. Inmiddels zijn grote delen van het plangebied bebouwd met een mix van grondgebonden woningen en appartementencomplexen. De ontwikkeling wordt naar verwachting dit decennium afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de bouw van deze woonwijk vindt grondverzet plaats. Indachtig de ambitie van de gemeente op het gebied van circulariteit, zoals vastgelegd in het Programmaplan Duurzaamheid, streeft de gemeente ernaar om binnen het plangebied zo veel mogelijk met een gesloten grondbalans te werken. Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) vormt het beleids-kader waarbinnen hergebruik van grond is geregeld. De BKK kan hierbij gebruikt worden als milieuhygiënische verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2Aanleiding en doelstelling In 2009 is voor plangebied De Elementen een BKK met bijbehorende Nota bodembeheer (Nota) vastgesteld. Dit met als doel om bij de ontwikkelingen van De Elementen zoveel mogelijk gebiedseigen grond binnen het plangebied te kunnen hergebruiken. Mede in verband met de uitbreiding van het beheergebied zijn in 2016 een herziene BKK en Nota vastgesteld. In verband met het verlopen van de geldigheidsduur van de BKK in 2022, is – na uitgebreid overleg met de DCMR – besloten de BKK De Elementen niet te verlengen maar deze te integreren in het gemeentelijk bodemkwaliteitskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In onderhavige rapportage zijn werkzaamheden die zijn uitgevoerd voor het integreren van de BKK van het plangebied ‘De Elementen’ in het gemeentelijke bodem-kwaliteitskaart vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Aanpak 2.1Richtlijn bodemkwaliteitskaarten In het kader van het Bbk is de RichtlijnBodemkwaliteitskaarten opgesteld (Ministerie van VROM, 3 september 2007 en het Wijzigingsblad (1 januari 2019). Hierin is de methode beschreven die moet worden gehanteerd om een bodemkwaliteitskaart op te stellen. De methode bevat een aantal randvoorwaarden waaraan de kaart moet voldoen. Aspecten waarover de bodemkwaliteitskaart minimaal duidelijkheid moet verschaffen, zijn: het (deel van het) beheergebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart is opgesteld; de diepte en het aantal te onderscheiden dieptetrajecten waarover de bodemkwaliteitskaart een uitspraak doet; de stoffen die in de bodemkwaliteitskaart zijn opgenomen; het deel van het beheergebied (onder andere de verdachte locaties) waarvoor de bodemkwaliteitskaart niet geldig is; de (lintvormige) diffuus belaste deelgebieden die worden onderscheiden; de onderscheidende kenmerken op basis waarvan de bodemkwaliteitszones worden gedefinieerd; de kwaliteitseisen waaraan een bodemkwaliteitszone moet voldoen om te kunnen worden vastgesteld; de statistische kengetallen op basis waarvan de bodemkwaliteitszones worden gekarakteriseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste vier aspecten worden in dit hoofdstuk besproken, de overige aspecten komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2Definitie van het beheergebied De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor het plangebied ‘De Elementen’ in Spijkenisse. De locatie wordt aan de noordwestzijde begrensd door de Veerweg, aan de zuidwestzijde door de Schenkelweg, aan de noordoostzijde door de rivier de Oude Maas en aan de zuidoostzijde door de Groenoordweg. Het oppervlak van het beheergebied bedraagt circa 59 hectare. De topografische ligging van het beheergebied is weergegeven in bijlage 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3Dieptetraject Bij het maken van de bodemkwaliteitskaart is uitgegaan van het dieptetraject 0,0 – 1,0 m –mv (bovengrond) en het dieptetraject 1,0 – 2,0 m -mv (ondergrond).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4Te beschouwen stoffen De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de stoffen uit het standaardpakket, zoals vermeld in de NEN 5740. Dit pakket bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, polycyclische chloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 van VROM) en minerale olie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5Uit te sluiten gebieden Bij de vervaardiging van een bodemkwaliteitskaart is het alleen toegestaan om gegevens te gebruiken die afkomstig zijn van onverdachte locaties. Onverdachte locaties zijn locaties waar geen bodemverontreiniging is aangetoond of wordt verwacht. Locaties waar een min of meer diffuse belasting van de bodem is aangetoond of wordt verwacht, worden ook gezien als onverdachte locaties. Dit omdat een diffuse belasting van de bodem onderdeel uitmaakt van het bodemkwaliteitsbeeld. Voorbeelden van diffuse belastingen zijn ophooglagen (antropogene invloed) en verhoogde gehalten aan arseen in ijzerrijke kwelgebieden (natuurlijk verhoogde gehalten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het plangebied ‘De Elementen’ geldt dat alle gevallen van (ernstige) bodem-verontreiniging het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) worden (zijn) gesaneerd voordat de uitvoering van de herontwikkeling aanvangt. Deze gevallen zijn dus niet meegenomen in de bepaling van de bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij twee binnen het gebied uitgevoerde saneringen is gekozen voor een sanering middels een leeflaag/deklaag. Hierbij gaat het om een zinkverontreiniging (afgedekt met een leeflaag) en een voormalige stortplaats (afgedekt met een aaneengesloten verharding). Deze gevallen zijn ook niet meegenomen in de bepaling van de bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Bepaling bodemkwaliteit 3.1Algemeen In dit hoofdstuk worden de uitgevoerde werkzaamheden beschreven voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart. Conform de RichtlijnBodemkwaliteitskaarten zijn de volgende stappen doorlopen: opstellen Programma van Eisen; vaststellen onderscheidende kenmerken; het indelen van het gebied in homogene deelgebieden; gegevensverzameling en gegevensbewerking; evaluatie gebiedsindeling en vaststellen bodemkwaliteitszones; karakterisering van de bodemkwaliteit; het maken van de bodemkwaliteitskaarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 1 is in het voorgaand hoofdstuk toegelicht. In dit hoofdstuk komen de overige stappen aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2Stap 2 en 3: vaststellen onderscheidende kenmerken en indeling in homogene deelgebieden De indeling in homogene deelgebieden is gebaseerd op de gebruikshistorie en de bodem-opbouw. Deze worden in de volgende paragrafen nader toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.1Gebruikshistorie Het plangebied ‘De Elementen’ ligt gedeeltelijk in de polder Oud Hongerland en gedeeltelijk in de polder Nieuw Hongerland. Polder Oud Hongerland, met als oeverbescherming de Oud Hongerlandsche dijk, lag vroeger langs de Oude Maas. Hierbuiten bevond zich een moerassig getijde-afhankelijk gebied, wat later omdijkt is met de Nieuw Hongerlandsedijk. Het aldus ontstane gebied heet polder Nieuw Hongerland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het plangebied had tot begin jaren ’60 een agrarische bestemming, daarna is een begin gemaakt met de inrichting van het gebied als bedrijventerrein. Het gebied tussen de Haven en de Elementenweg (bekend als baggerspecieloswal nr. 140) is tussen 1964 en 1965 opgespoten met baggerspecie en vervolgens opgehoogd met grond, vrijgekomen bij de verbreding van de Spijkenisserhaven. De strook grond tussen de Nieuw Hongerlandsedijk en de zomerkade langs de Oude Maas (bekend als baggerspecieloswal nr. 131) is tussen 1962 en 1981 opgespoten met slib, afkomstig uit de voorhavens van het Hartelsluiscomplex en vervolgens afgedekt met 0,8 meter schone grond. Het gebied ten zuiden van Elementenweg (bekend als het Baristerrein) is ten behoeve van de bedrijvigheid eind jaren ’60 opgehoogd met circa 1 meter schoon zand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 2007 is het bedrijventerrein in fases ontmanteld en zijn grote delen van het plangebied bebouwd met een mix van grondgebonden woningen en appartementen. Momenteel zijn langs de Nieuw Hongerlandsedijk, de Veerkade en de Elementenweg woningen en appartementen in aanbouw. Er wordt gewerkt aan plannen voor de bouw van een basisschool aan de Nieuw Hongerlandsedijk. De bouwactiviteiten worden naar verwachting dit decennium afgerond.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.2Bodemopbouw De bodemopbouw is afgeleid van de Bodemkaart van Alterra. Hieruit blijkt dat de bodem hoofdzakelijk bestaat uit kalkrijke poldervaaggrond (Mn35A-V). De eerste 20 meter vanaf maaiveld vormt een scheidende laag, waaronder het eerste watervoerende pakket aanwezig is. Het gebied ligt van oorsprong op NAP -0,5 m (Polder Oud Hongerland) tot +0,4 m (Polder Nieuw Hongerland), met een hoge rug van NAP +1,6 m ter plaatse van de huidige Elementenweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gebied tussen de Haven en de Elementenweg ligt in de huidige situatie globaal op NAP +3,0 m. Het dijklichaam van de Nieuw Hongerlandsedijk heeft een kruinhoogte van circa NAP +8,5 m. Het voormalige Baristerrein ligt globaal op NAP +0,50 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.3Te onderscheiden homogene deelgebieden Op basis van gebruikshistorie en bodemopbouw worden voor het plangebied ‘De Elementen’ de volgende drie homogene deelgebieden onderscheiden: ‘De Dijk’, ‘De Haven’ ‘Het Land’.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indeling in homogene deelgebieden is weergegeven op bijlage 2. Tevens is onderscheid gemaakt in bovengrond (0,0 - 1,0 m -mv) en ondergrond (&gt; 1,0 m -mv).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3Stap 4: Gegevensverzameling en gegevensverwerking 3.3.1Beschikbare gegevens bodemkwaliteit en opstellen databestand Uitgangspunt voor het samenstellen van de dataset zijn de onderzoeksgegevens van de afgelopen vijf jaar (gegevens 2017 – 2022). Voor de zone ‘Het Land’ zijn de afgelopen vijf jaar geen gegevens beschikbaar. Hiervoor zijn de gegevens gebruikt van de Bodemkwaliteitskaart die in 2016 is opgesteld. Deze gegevens zijn nog actueel, aangezien in deze deelgebieden de afgelopen jaren geen activiteiten hebben plaatsgevonden die invloed hebben gehad op de milieuhygiënische bodemkwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de zone ‘De Haven’ (boven- en ondergrond) is, aanvullend op de recente gegevens, gebruik gemaakt van onderzoeksgegevens van de afgelopen 10 jaar (2011 – 2021) om betrouwbare statistiek te berekenen op basis van minimaal 20 waarnemingen. Uit een vergelijkbaarheidstoets tussen de periodes 2009 – 2015 en 2016 – 2021 blijkt dat sprake is van vergelijkbare gehalten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de zone ‘De Dijk’ (boven- en ondergrond) is, aanvullend op de recente gegevens (2022), ook gebruik gemaakt van onderzoeksgegevens van 2009 om betrouwbare statistiek te berekenen op basis van minimaal 20 waarnemingen. Uit een vergelijkbaarheidstoets tussen de periodes 2004 – 2009 en 2016 – 2023 blijkt dat sprake is van vergelijkbare gehalten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de beschikbare rapporten (zie bijlage 3) is een dataset samengesteld waarin de volgende gegevens zijn opgenomen: locatiecode; monstercode; dieptetraject in m –mv; percentage lutum en organische stof; gehalten van de stoffen uit het basispakket (zie paragraaf 2.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.2Voorbehandeling databestand Voordat de statistische kengetallen zijn bepaald, is het totale gegevensbestand voorbehandeld. Achtereenvolgens zijn de volgende voorbewerkingen verricht:</p>\n<p class=\"lf-p\">Specificeren samenstelling van de mengmonsters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegevens toekennen aan de zes onderscheiden bodemkwaliteitszones (drie onderscheiden homogene deelgebieden en de twee dieptetrajecten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omrekening van bepalingsgrenswaarde (gehalten lager dan de detectielimiet van de analyseapparatuur) tot rekengehalten. Om te komen tot rekengehalten, zijn (conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten) gehalten beneden de detectielimiet vervangen door de waarde van de detectielimiet vermenigvuldigd met de factor 0,7. Zo kan worden gerekend met een reëel getal dat, statistisch gezien, de meest waarschijnlijke waarde tussen nul en de detectielimiet weergeeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3.3Uitbijteranalyse De uitbijteranalyse heeft plaatsgevonden aan de hand van de frequentieverdelingen (histogrammen) die per stof per deelgebied zijn opgesteld (zie bijlage 4). Een frequentie-verdeling geeft weer hoe vaak een bepaald gehalte (klasse) van een bepaalde stof in het deelgebied wordt aangetroffen. Uitbijters vallen op, doordat deze gehalten in het frequentie-verdeling ‘ver af liggen’ van de overige gehalten, zie voorbeeld in onderstaande figuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Figuur 3.1Voorbeeld uitbijter Uit bijlage 4 blijkt dat sprake is van de volgende uitbijters:</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 3.1 Uitbijters Deelgebied Bovengrond/Ondergrond Uitbijters De Haven BG PAK, minerale olie, PCB OG minerale olie De Dijk BG nikkel, molybdeen, PCB OG minerale olie, PCB Het Land BG kwik, minerale olie OG minerale olie Uit een nadere beschouwing van de uitbijters blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat de gehalten gerelateerd zijn aan een lokale bron. Dit betekent dat de uitbijters representatief worden geacht voor de stedelijke bodemkwaliteit en niet uit de dataset zijn verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4Stap 5: Evaluatie gebiedsindeling Voor het opstellen van een bodemkwaliteitskaart met als doel het uitvoeren van grondverzet binnen de werkingssfeer van het Besluit bodemkwaliteit, is het noodzakelijk dat: er voor alle stoffen tenminste 20 waarnemingen per deelgebied beschikbaar zijn; de waarnemingen ruimtelijk voldoende gespreid over het deelgebied liggen, namelijk dat er: voor aaneengesloten deelgebieden bij een systematische indeling in 20 vakken in tenminste 10 vakken één of meer waarnemingen zijn gedaan; voor elk niet-aaneengesloten deel van een deelgebied tenminste 3 waarnemingen beschikbaar zijn; er voor de deelgebieden waarvoor voldoende informatie beschikbaar is, wordt vastgesteld of de indeling in deelgebieden optimaal is waarbij: voor zoveel mogelijk van de stoffen geldt dat er geen ruimtelijke structuur aanwezig is in de gehalten of de variabiliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit tabel 3.2 blijkt dat in elke deelgebied minimaal 20 waarnemingen beschikbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 3.2Aantal waarnemingen per deelgebied Deelgebied Bovengrond/Ondergrond Aantal waarnemingen De Haven BG 53-82 OG 29-39 De Dijk BG 39 OG 34-45 Het Land BG 24-56 OG 29-36 In bijlage 5 zijn de waarnemingspunten op kaart weergegeven. Uit de bijlage blijkt dat de waarnemingen voldoende ruimtelijk verspreid over de deelgebieden voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconcludeerd wordt dat de dataset voldoet aan bovengenoemde eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5Stap 6: Vaststellen en karakteriseren bodemkwaliteitszones 3.5.1Algemeen Conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten is de bodemkwaliteit per bodemkwaliteitszone gekarakteriseerd op basis van de volgende kengetallen: het rekenkundige gemiddelde van de gemeten gehalten; de 70-, 75-,80-, 90- en 95-percentielwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">80-percentiel Gemeente Nissewaard heeft besloten om bij het karakteriseren en vaststellen van de bodemkwaliteitszones, aan te sluiten bij het bodembeleid van gemeente Rotterdam. Dit houdt in dat voor het karakteriseren van de bodemkwaliteitszones de 80-percentielwaarde is getoetst aan de Lokale Maximale Waarden van gemeente Rotterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">95-Percentiel De 95-percentielwaarde wordt gebruikt om te bepalen of invoer van 95-percentielwaarde in de risico-toolbox geen overschrijding van het saneringscriterium oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de indeling in vier kwaliteitsklassen die gebaseerd zijn op de 80-percentielwaarde, wordt naar Rotterdams beleid ongewenst grondverzet met de bodemkwaliteitskaart (in combinatie met een uitgevoerd historisch onderzoek) als bewijsmiddel beperkt. Met deze werkwijze vindt de gemeente het niet nodig om, conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, een controle op het saneringscriterium uit te voeren voor die bodemkwaliteitszones waar de 95-percentiel-waarde de Interventiewaarde overschrijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De statistische kentallen zijn opgenomen in bijlage 6. In deze bijlage zijn per bodemkwaliteits-zone voor de stoffen uit het basispakket de volgende kentallen opgenomen: aantal waarnemingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">P80 van de meetwaarden (deze wordt getoetst aan de lokale maximale waarden voor het bepalen van de kwaliteitsklasse); gemiddelde en de percentielwaarden 70, 75, 90, en 95 van de meetwaarden; kwaliteitsklasse op basis van de P80-gehalten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het hanteren van de toetsingsregels wordt eveneens aangesloten bij het beleid van gemeente Rotterdam. Dit betekent dat de toetsingsregel voor de indeling van de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem niet van toepassing is. De toetsingsregel Achtergrondwaarden is wél toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.2Karakteriseren bodemkwaliteitszones Zoals in voorgaande paragraaf aangegeven, wordt voor het karakteriseren van de bodem-kwaliteitszones de 80-percentielwaarde getoetst aan de Lokale Maximale Waarden van gemeente Rotterdam (zie tabel 3.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 3.3Lokale Maximale Waarden (standaard bodem) 1) Stof Maximale waarden Natuur Maximale waarden Landbouw Maximale waarden Wonen Maximale waarden Industrie Barium 190 280 550 920 Cadmium 0,6 1 3,7 13 Kobalt 15 25 50 190 Koper 40 60 100 190 Kwik 0,15 2 4,8 4,8 Lood 50 200 300 530 Minerale olie 190 300 500 1000 Molybdeen 1,5 10 88 190 Nikkel 60 60 75 100 PAK 1,5 5,5 11 40 PCB 0,02 0,1 0,25 0,5 Zink 140 200 350 720</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>de Lokale Maximale Waarden zijn overgenomen uit het bodembeleid van gemeente Rotterdam Zoals uit tabel 3.3 blijkt, kunnen de bodemkwaliteitszones op basis van toetsing aan de lokale maximale waarden in vier bodemkwaliteitsklassen vallen: ‘Natuur’, ‘Landbouw’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’.</div>\n<p class=\"lf-p\">In tabel 3.4 zijn resultaten van de toetsing samengevat weergegeven. Uit deze tabel blijkt dat in de bodemkwaliteitszones ‘De Dijk’ en ‘De Haven’ de klassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ voorkomen en in bodemkwaliteitszone ‘Het Land’ de klasse ‘Landbouw’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 3.4Toetsingsresultaat P80 aan de Lokale Maximale Waarden Bodemkwaliteeitszone Traject Bodemkwaliteitsklasse Klassebepalende stof De Dijk Bovengrond wonen cadmium, kwik, lood, zink Ondergrond industrie minerale olie, PCB, zink De Haven Bovengrond wonen minerale olie Ondergrond wonen cadmium, minerale olie, zink Het Land Bovengrond landbouw minerale olie, PCB Ondergrond landbouw PCB 3.6Stap 7: Bodemkwaliteitskaart 3.6.1Algemeen De bodemkwaliteitskaart bestaat uit twee kaarten: de ontgravingskaart; de toepassingskaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op deze kaarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.2Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van eventueel te ontgraven grond. Deze kaart kan gebruikt worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de te ontgraven grond, mits de locatie niet verdacht is op bodemverontreiniging. In bijlage 7 is de bodemkwaliteits-klasse (zie tabel 3.4) per bodemkwaliteitszone op de ontgravingskaart weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.6.3Toepassingskaart Om een partij grond te mogen toepassen, moet de partij worden getoetst aan: de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (zie tabel 3.4); de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem (dit betreft wonen in het plangebied De Elementen, zoals aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart van gemeente Nissewaard).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze dubbele toets geldt dat de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond moet voldoen aan de strengste norm. In tabel 3.5 is het resultaat van deze toetsing samengevat en in bijlage 8 op de toepassingskaart weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tabel 3.5Bepaling toepassingseis op basis van bodemfunctieklasse en bodemkwaliteitsklasse Bijlage 1 – Topografische ligging Bijlage 2 – Indeling homogene deelgebieden Bijlage 3 – Beschikbare bodemonderzoeken Beschikbare bodemonderzoeksrapporten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Evaluatieverslag sanering voormalige stortplaats aan de Hongerlandsedijk te Spijkenisse, Grontmij, projectnummer 211989, d.d. 25 juni 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 40 te Spijkenisse, P&amp;J Milieuservices, project 0818801A, d.d. 15 mei 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 22 te Spijkenisse, P&amp;J Milieuservices, project 0818701A, d.d. 22 april 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend Bodemonderzoek Elementenweg 6 Spijkenisse, BK ingenieurs, projectnummer 20071413, d.d. 15 januari 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicatief milieukundig bodemonderzoek aan de Elementenweg 6 Spijkenisse, project R010704_1, d.d. 19 mei 2004;</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieutechnisch bodemonderzoek, Haven-Zuid/Hongerland te Spijkenisse, projectnummer 802154/00, d.d. september 1995;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nulsituatie bodemonderzoek Elementenweg 24 te Spijkenisse (Stadswerf Reinis), BK Ingenieurs Velserbroek bv, projectnummer 20060185, d.d. 24 mei 2006;</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieutechnisch bodemonderzoek aan de Elementenweg 18 volgens NVN 5740 te Spijkenisse, MOS Grondmechanica, opdrachtnummer 022095, datum onbekend;</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondonderzoek aan de Elementenweg 8 te Spijkenisse, MOS Grondmechanica, kenmerk R109302-RH_1, d.d. 19 november 2002;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 22 te Spijkenisse, Iwaco, projectnummer 38045, d.d. 15 februari 2000;</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvullend bodemonderzoek BBK plangebied \"De Elementen\" te Spijkenisse, P&amp;J Milieuservices, kenmerk 0868701A, d.d. 11-02-2009;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Energieweg 1 te Spijkenisse, P&amp;J Milieuservices, project DSVO99288, d.d. 23 november 1999;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 22 te Spijkenisse, P&amp;J Milieuservices, project 0818701A, d.d. 22 april 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 40 te Spijkenisse, P&amp;J Milieuservices, project 0818801A, d.d. 15 mei 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicatieve kwaliteitsbepaling partij zand Elementenweg te Spijkenisse, P&amp;J Milieuservices, kenmerk 0818401G, d.d. 9 mei 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicatieve kwaliteitsbepaling partij zand Groenoordweg, P&amp;J Milieuservices, kenmerk 0818501G, d.d. 19 mei 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indicatief grondonderzoek, Energieweg 1 te Spijkenisse door P&amp;J Milieuservices, kenmerk 0132106G, d.d. 17 juni 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">Actualiserend bodemonderzoek, Energieweg 1 te Spijkenisse, P&amp;J Milieuservices, kenmerk 0132105A, d.d. 31 juli 2008;</p>\n<p class=\"lf-p\">In-situ partijkeuring bouwstoffenbesluit partijkenmerk de dijk 2 (baggerspecie) locatie Elementenweg te Spijkenisse, UDM midden B.V., rapportnummer 07,01,0760-02, d.d. 11 februari 2007;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Energieweg 1 te Spijkenisse, P&amp;J Milieuservices, kenmerk 0132104A, d.d. juni 2003 Verkennen en nader bodemonderzoek Elementenweg 38 te Spijkenisse, PJ Milieu BV, kenmerk 0931201A, d.d. 11 september 2009;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 2 te Spijkenisse, PJ Milieu BV, kenmerk 0940101A, d.d. 10 nov 2009;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 10-12 Spijkenisse, PJ Milieu BV, kenmerk 0940001A, d.d. 11 jan 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 18, kenmerk 0927702A, d.d. 16 augustus 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend en nader bodemonderzoek Elementenweg 4 te Spijkenisse, project 0927606A, d.d. 5 oktober 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek (na sloop) Elementenweg 2, P&amp;J Milieuservices B.V., kenmerk 0940103A, d.d. 3 mei 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend en nader bodemonderzoek Elementenweg 34-36 te Spijkenisse, kenmerk 0247502A, 11 mei 2010;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek (na sloop) Elementenweg 18a tem 18g, kenmerk 1109301A, d.d. 9 maart 2011;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 30-32, PJ Milieu BV, kenmerk 1511701A, d.d. 30 juni 2015;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Veerweg, PJ Milieu BV, kenmerk 1532501A, d.d. 23 juli 2015;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek voormalige opslagplaats Herrewijnen Heiwerken, PJ Milieu BV, kenmerk 1532401A, d.d. 23 juli 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Elementenweg 28, PJ Milieu BV, kenmerk 1320503A, d.d. 24 augustus 2016;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend en nader bodemonderzoek en verkennend asbest in grondonderzoek voormalig Basal-terrein Elementenweg 28, PJ Milieu BV, kenmerk 1551005A, d.d. 27 juli 2007;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend Bodem- en asbest in grondonderzoek Schenkelweg/Veerweg Spijkenisse, PJ Milieu BV, kenmerk 1713801A, d.d. 1 mei 2017;</p>\n<p class=\"lf-p\">Verkennend bodemonderzoek Getron B.V. Ir. H. de grootweg 42 Spijkenisse, PJ Milieu BV, kenmerk 1788701A, d.d. 20 februari 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">Nul-situatie onderzoek vaste bodem Veerkade (fase 1) Spijkenisse, PJ Milieu BV, kenmerk 21001201A, d.d. 18 januari 2021;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bodemonderzoek waterfront Spijkenisse, PJ Milieu BV, kenmerk 22049601A, d.d. 8 november 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4 – Frequentieverdelingen Bijlage 5 – Kaart met bemonsteringspunten Bijlage 6 – Statistische kentallen Bijlage 7 – Ontgravingskaart Bijlage 8 – Toepassingskaart</p></div>", "next": 0}