{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 3: Stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 4: Kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk. Kan de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen? Anders gezegd: het bepalen van de verhouding van de draagkracht tot de draaglast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stap 5: Stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wmo 2015, Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een voorziening op het gebied van het passend onderwijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hieraan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en kindermishandeling en huiselijk geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het college moet ervoor zorgen dat de deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (ECLI:NL:CRVB:2024:1097). Adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van niet vrij toegankelijke jeugdhulp (ECLI:NL:CRVB:2024:1096). Het CJG voert zelf geen niet vrij toegankelijke voorzieningen uit en er bestaat ook geen voornemen daartoe. De beoordeling voor de niet vrij toegankelijke voorzieningen vindt binnen het CJG plaats door onafhankelijke medewerkers van het Besluitteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Identificatie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vaststellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid bepaalt limitatief welke identiteitsbewijzen kunnen worden gebruikt voor het vaststellen van de identiteit van personen zonder de Nederlandse nationaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen rechtmatig verblijf De identificatieplicht doet er niet aan af dat de gemeente een taak heeft ten aanzien van jeugdigen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Dit is geregeld in artikel 1.2 van het Besluit Jeugdwet. De CRvB oordeelde verder dat jeugdhulp niet uitgesloten is voor ongedocumenteerde kinderen, zolang zij feitelijk in Nederland verblijven en de gevraagde jeugdhulp noodzakelijk is (ECLI:NL:CRVB:2017:505 en ECLI:NL:CRVB:2018:2497). De identiteit van de jeugdige moet, zo goed als dat kan, ook voor deze groep worden vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het vierde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor toekenning van een individuele voorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de jeugdwet is onder meer bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd. Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. In bijlage 4 bij de verordening zijn de normen opgenomen voor de gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde, zesde en zevende lid Het vijfde, zesde en zevende lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en ECLI:NL:CRVB:2022:254).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Sociale Interventies (www.movisie.nl/databank-erkende-sociale-interventies), van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), van de Databank Erkende interventies GGZ van het Trimbos Instituut (www.trimbos.nl/kennis/zorg-en-participatie/ggz-erkende-interventies), van De Grote Methodiekengids (https://www.kennispleingehandicaptensector.nl/tips-tools/tools/de-grote-methodiekengids) en van de Praktijkstandaarden Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie (kenniscentrum-kjp.nl/professionals/praktijkstandaarden).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college kan verder besluiten om een interventie als bewezen effectief te beschouwen indien deze beschikt over een met de genoemde databanken vergelijkbare onafhankelijke beoordeling en erkenning. Deze beoordeling en erkenning kan bijvoorbeeld worden aangetoond met behulp van publicaties in een onafhankelijk wetenschappelijk tijdschrift waarin de artikelen vooraf worden beoordeeld door een panel van deskundige beoordelaars uit het vakgebied. Het college behoudt de mogelijkheid om een nieuwe interventie of methodiek, die nog niet voldoet aan de eerdere vereisten op basis van een gedegen onderzoek zelf te verifiëren en accorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste lid In dit lid wordt het beginsel neergelegd dat van ouders mag worden verwacht dat zij naar vermogen een bijdrage leveren aan het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige. Dit kan onder meer inhouden dat de ouders worden verzocht of sterk geadviseerd om zelf therapie of begeleiding te volgen in het kader van een hulpvraag van hun kind. Een verplichting, bijvoorbeeld als voorwaarde voor hulp aan het kind, kan echter niet worden opgelegd omdat deze het recht op persoonlijke integriteit raakt (Artikel 10 en 11 Grondwet; Artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) Negende lid Het college constateert dat een geïntegreerde aanpak van meervoudige problematiek in de context van een gezin voor de jeugdigen en de ouders een aanzienlijke meerwaarde kan hebben. Deze aanpak kan gebaat zijn met nadere regels die een houvast kunnen bieden voor jeugdigen, ouders, het CJG en betrokken ketenpartners.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt hier geconcretiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de CRvB. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (ECLI:NL:CRVB:2019:2362).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de CRvB in de beoordeling wordt betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (BW) artikelen 1:82 en 1:247) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt bezien of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van: geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Op de in het vijfde lid beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan, is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de hulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil inzake de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Vervoer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid De noodzaak van het vervoer staat ter beoordeling van het college. Het derde lid specificeert wanneer er geen sprake is van een medische noodzaak of beperking. Daarbij wordt ij iedere individuele situatie een afweging gemaakt of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (ECLI:NL:CRVB:2023:655). Het college specificeert de afstand en het aantal keren brengen en halen dat als gebruikelijk wordt gezien in bijlage 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid Indien uit de medische noodzaak of beperkingen meer vervoersbewegingen voortvloeien dan de ouders en/of andere personen uit het netwerk kunnen verzorgen wordt alleen het deel vergoed dat niet zelf kan worden verzorgd. De voorziening uit de Jeugdwet is dus alleen van toepassing op het deel dat ouders en/of het netwerk niet zelf kunnen verzorgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Dyslexie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de CRvB volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt. Daarbij geldt echter dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; ECLI:NL:CRVB:2018:3454; ECLI:NL:CRVB:2022:1345 en ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Het college volgt daarbij het Protocol Dyslexie Diagnostiek &amp; Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie. Bijlage 5 bij de verordening is de bevat een opgave van de specifieke versie van het Protocol die wordt toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid Dyscalculie valt niet onder de jeugdhulp maar onder de ondersteuning die de school hoort te bieden, dit volgt uit een brief die de toenmalige staatssecretaris Dekker aan de Tweede Kamer schreef (21 april 2016) “Gemeenten hoeven op grond van de Jeugdwet niet te voorzien in een diagnosestelling en behandeling van dyscalculie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dyslexieonderzoek en -behandeling wordt vanuit de Jeugdwet alleen vergoed bij leerlingen in het basisonderwijs, in de leeftijd tot en met 12 jaar, met de indicatie Ernstige Dyslexie. Voor de groep leerlingen die leesproblemen heeft maar niet vallen onder de criteria van ernstige dyslexie is er geen jeugdhulp, voor deze leerlingen is de school aan zet om meer ondersteuning te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het college is regulier in gesprek met de schoolbesturen, onder meer over de verbetering en versterking van de samenwerking inzake leerlingen met een (mogelijke) indicatie van dyslexie. In dit kader kan het wenselijk zijn om, als uitkomst van het met het onderwijs gevoerde overleg, nadere regels te stellen over de afbakening van dyslexiezorg, de werkwijze van de toegang tot dyslexiezorg en de eisen waaraan een leerlingendossier dient te voldoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Vaktherapie</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Vaktherapie kan, indien passend, ingezet wordt als jeugdhulp. Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines. Voor alle duidelijkheid wijst het college erop dat de bepalingen in artikel 10 van de verordening inzake bewezen effectieve voorzieningen onverkort van toepassing zijn op vaktherapie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding. Het gaat om een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde, vierde en vijfde lid Het college onderzoekt of de inzet van vaktherapie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapie alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid In aanvulling op artikel 11, vierde lid waarin het onderwerp meer algemeen wordt geregeld, wordt hier bepaald dat een aanvullende zorgverzekering, indien deze is afgesloten en dekking biedt voor vaktherapie, eerst dient te worden aangesproken voordat sprake kan zijn van een eventuele inzet van vaktherapie vanuit de Jeugdwet. Er kan aan de ouders geen verplichting worden opgelegd om een aanvullende verzekering af te sluiten. Indien er reeds een verzekering is afgesloten, gaat deze voor op de inzet van een voorziening uit de Jeugdwet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Kinderopvang en buitenschoolse opvang</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In deze bepaling wordt vastgelegd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderopvang en buitenschoolse opvang zijn de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet Kinderopvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De bepaling in lid 1 laat onverlet dat het college daarnaast vormen van dagbesteding beschikbaar stelt voor jeugdigen die in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig hebben, die niet in de reguliere opvang of van de ouders kan worden verwacht. Het college kan nadere regels stellen over de inzet van deze aanvullende begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het college is regulier in gesprek met de schoolbesturen, onder meer over de afstemming van jeugdwet en onderwijs. Het college kan, na overleg met het onderwijs, nadere regels stellen over de wijze waarop deze samenwerking wordt vormgegeven. Ook kunnen nadere regels worden gesteld over de aansluiting en onderlinge afbakening van onderwijs- en jeugdwetvoorzieningen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Wonen en zorg</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het college wil voorkomen dat jeugdigen met het aanbod voor een woonruimte overgehaald worden om zorg aan te vragen waar dat niet nodig is, of om zwaardere en langduriger zorg te vragen dan noodzakelijk. Indien het bieden van verblijf onderdeel is van de indicatie, is deze bepaling niet van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voort uit de wet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Als de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders, bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet en de Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Als een jeugdige of zijn ouders in bezwaar en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid Het tweede en derde lid regelen wat er mimimaal in een beschikking moet worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.Toelichting Hoofdstuk 5: Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvullende criteria om in aanmerking te komen voor een pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft dat jeugdhulp in de vorm van zorg in natura niet passend is en deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen. Het college stelt een format vast voor een pgb-plan dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 17 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid In het derde lid wordt geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-jeugdhulpaanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. De opsomming in het derde lid is niet limitatief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is dwingend geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het raadsbesluit ‘Tegen de stroom in’ van 8 juli 2024 heeft de gemeente de gemotiveerde keuze gemaakt meer in te zetten op gecontracteerde zorg. Als uitvloeisel hiervan kan een PGB niet worden ingezet bij een jeugdhulpaanbieder die reeds door het college is ingekocht voor het bieden van deze zelfde zorg in de vorm van Zorg in Natura. Deze constructie is niet mogelijk omdat er dan in strijd met het uitgangspunt wordt gehandeld dat de door het college ingekochte hulp niet passend zou zijn, hetgeen als uitgangspunt is opgenomen in artikel 8.1.1, lid 2, onder b van de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet gaat uit van de situatie waarin jeugdigen en/of de ouders uit eigen initiatief en na een goede afweging een keuze kunnen maken voor het aanvragen van een pgb. Het college wenst te voorkomen dat jeugdigen en ouders een dergelijke aanvraag doen vanuit een niet, of niet geheel, vrijwillige situatie. Het artikel regelt daarom dat een pgb niet kan worden ingezet bij een jeugdhulpaanbieder die tevens huisvesting en/of een huurovereenkomst wenst aan te bieden. Een dergelijke koppeling verhindert dat de keuze in vrijheid kan worden gemaakt. Meer in het algemeen wordt bepaald dat een pgb niet mogelijk is indien de door de beoogde aanbieder druk op de aanvrager is of wordt uitgeoefend om dienstverlening in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie af te nemen. Een (beoogd) pgb-jeugdhulpaanbieder kan een cliënt niet vertegenwoordigen in het aanvraagproces en evening als raadgever of adviseur aanwezig zijn bij gesprekken tussen de aanvrager en het CJG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid In het vijfde lid zijn de voorwaarden neergelegd die van toepassing zijn op bestedingen van een pgb. Het gehele pgb budget moet worden verantwoord. Indien voor een jeugdige, of voor meerdere jeugdigen in een gezin, er meerdere pgb’s zijn toegekend, is het niet toegestaan om tussen deze budgetten te schuiven omdat ieder budget geacht wordt passend te zijn voor de daarmee in te zetten jeugdhulp. Een uitzondering hierop is wel mogelijk als er vooraf schriftelijke afspraken over zijn gemaakt die het toestaan om tussen budgetten te schuiven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulp van een jeugdhulpaanbieder mag binnen of buiten de jeugdhulpregio worden ingekocht. Bij jeugdhulp in Nederland houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd toezicht op de kwaliteit. Buiten Nederland heeft de inspectie geen controlebevoegdheid. Het college zal dus terughoudend optreden bij aanvragen voor een pgb die geheel of gedeeltelijk in het buitenland zal worden ingezet. Indien dit niettemin wordt beoordeeld als noodzakelijk gezien de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige, zal de jeugdhulpaanbieder worden gehouden aan het afsprakenkader buitenlands hulpaanbod (vng.nl/publicaties/afsprakenkader-buitenlands-zorgaanbod-jeugd). Een pgb mag niet buiten de Europese Unie worden besteed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Een pgb wordt ingezet om de in de toekenning vastgelegd resultaten te bereiken. Het college heeft de verantwoordelijkheid om in overleg met de budgethouder, budgetbeheerder en pgb-jeugdhulpaanbieder de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen te monitoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">pgb-vaardigheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Om te kunnen beoordelen of een jeugdige of diens ouders in staat zijn tot het voeren van regie over de eigen ingekochte jeugdhulp is van belang dat zowel vooraf, als tussentijds, op basis van onderzoek wordt beoordeeld of aan de noodzakelijke regievaardigheid wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het vaststellen van de vereiste pgb-vaardigheid wordt mede gebruik gemaakt van de door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) opgestelde ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf) Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Problematische schuldenproblematiek: problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, of zelf onder bewind staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) wordt gehanteerd “Van problematische schulden is sprake in de situatie waarbij iemand niet meer in staat is om zijn betalingsverplichtingen na te komen, zelfs niet als hij zich maximaal inspant om alles af te lossen. Het gaat vaak om een situatie waarin de schulden zich opstapelen en de aflossingstermijn uit de hand loopt, waardoor hulp van een schuldhulpverleningsinstantie noodzakelijk wordt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ernstige verslavingsproblematiek: ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel de beoogde pgb-jeugdhulpaanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ (70/75 of lager). Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-jeugdhulpaanbieder. Een aanbod van ZIN past beter in het zorgbelang van de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is en doet in relatie tot het pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder is onontbeerlijk om als budgethouder of budgetbeheerder werkzaam te kunnen zijn. Een weigering om een VOG aan te vragen, dan wel een ontvangen VOG te overleggen maakt de beoordeling van een PGB-aanvraag onmogelijk. De relatief beperkte kosten van het aanvragen van een VOG (https://www.justis.nl/producten/verklaring-omtrent-het-gedrag) worden door niet aanvaard als reden om geen VOG aan te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Bij de toetsing van de pgb-vaardigheid van pgb-budgethouders en/of een vertegenwoordiger kan eventueel gebruik worden gemaakt van (digitale) vragenlijsten, handleidingen of nadere beoordelingskaders. Het college kan nadere regels stellen aan de wijze waarop deze worden ingezet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Onderscheid pgb-jeugdhulpaanbieders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid In het eerste lid wordt een onderscheid gemaakt tussen (a) pgb uitgevoerd door een instelling (b) pgb uitgevoerd door een ZZP-er en (c) pgb uitgevoerd door een persoon in het sociaal netwerk. In de Verordening 2018 werden de groepen a en b gezamenlijk aangeduid als “formeel” pgb en groep c als “informeel pgb”. In het kader van deze verordening is overwogen dat eerder gebruikte terminologie onvoldoende helder is en tot misverstanden kan leiden. Zo waren de “formele” bepalingen in de Verordening 2018 wel degelijk van toepassing op het “informele” pgb. De nieuwe terminologie sluit ook beter aan op woordkeuze in de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het tweede lid regelt een pgb verzorgd door een andere persoon dan een instelling of een ZZP-er altijd moet worden gezien als hulp in het sociaal netwerk. De beoordeling of er sprake is van een instelling, dan wel een ZZP-er gebeurt aan de hand de inschrijving in het handelsregister en aan de hand van de kwaliteitseisen in artikel 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De inzet van een pgb door een instelling of een ZZP-er is niet mogelijk wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad:</p>\n<p class=\"lf-p\">1e graad bloedverwant: ouder of kind 2e graad bloedverwant: grootouder, kleinkind, broer of zus 1e graad aanverwant: schoonouder of stiefkind 2e graad aanverwant: schoonbroer, schoonzus, stiefgrootouder of stiefkleinkind Bij uitvoering van een pgb door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van pgb in het sociaal netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als pgb in het sociaal netwerk beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het kwaliteitskader Jeugd (skjeugd.nl/wp-content/uploads/2017/01/kwaliteitskader-Jeugd-v2.1.pdf) is van toepassing op zowel zorg in natura als op pgb. Bij een pgb verzorgd door een persoon in het schaal netwerk worden geen eisen worden gesteld aan opleiding en aan professionele supervisie en ondersteuning. Dit heeft tot gevolg dat een pgb in het sociale netwerk niet kan worden ingezet in situaties waarin op grond van het kwaliteitskader jeugd niet mogelijk is, omdat niet aan de voorwaarden van het kwaliteitskader kan worden voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een pgb in het sociaal netwerk kan op grond van deze overweging niet worden ingezet als alternatief voor zorg in natura bij de volgende producten uit de lokale inkoop van de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagbehandeling licht Dagbehandeling zwaar Begeleiding individueel midden Begeleiding individueel zwaar Behandeling Individueel Ambulante gezinsbehandeling Basis GGZ Specialistische GGZ Medicatiecontrole Een pgb in het sociale netwerk kan evenmin worden ingezet als alternatief voor zorg in natura bij alle arrangementen die door de gemeente Capelle aan den IJssel worden ingekocht in het kader van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitseisen pgb-jeugdhulpaanbieders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid regelt de algemene kwaliteitseisen voor zowel uitvoerders van een pgb. Deze vloeien rechtstreeks voor uit de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Uitvoerders van een pgb, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder a zijn kortweg omschreven, instellingen waaraan meerdere zorgverleners zijn verbonden. Uit de ervaring van het college is gebleken dat het veelal gaat om kleinere of middelgrote organisaties. Het college wenst te bevorderen dat de jeugdhulp wordt verleend door organisaties die personeel inzetten van onbesproken gedrag, met de juiste opleiding en certificering. Verder wenst het college te bevorderen dat jeugdhulp wordt verleend door organisaties waarvan eerder gedrag ook op organisatieniveau onweersproken is, die voldoen aan hun verplichtingen inzake belastingen en premies, die beschikken over een kwaliteitsborging en die financieel stabiel zijn en geen excessief hoge winsten maken. Onder excessief hoge winsten wordt verstaan meer dan 8% winst. Het college wenst verder te voorkomen dat pgb gelden worden besteed bij jeugdhulpaanbieders die recent veroordeeld zijn, dan wel verdachte zijn in een lopend onderzoek naar zorgfraude. De organisatie dient, om dit verder te borgen een Eigen Verklaring af te leggen over de financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid van de ondernemer. Het college hanteert hierbij als model het Uniform Europees Aanbestedingsdocument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Uitvoerders van een pgb, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder b zijn kortweg omschreven Zelfstandigen Zonder Personeel (ZZP-er). Het college wenst te bevorderen dat deze jeugdhulp wordt verleend door ZZP-ers van onbesproken gedrag, met de juiste opleiding en certificering. Verder wenst het college te bevorderen dat de ZZP-er voldoet aan zijn of haar verplichtingen inzake belastingen en premies, en beschikt over een kwaliteitsbeschrijving. Het college wil ook bij ZZP-ers voorkomen dat pgb gelden worden besteed bij personen die recent veroordeeld zijn, dan wel verdachte zijn in een lopend onderzoek naar zorgfraude. De ZZP-er dient, om dit verder te borgen een Eigen Verklaring af te leggen over de financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid van de ondernemer. Het college hanteert hierbij als model het Uniform Europees Aanbestedingsdocument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Voor een uitvoerder van pgb in het sociaal netwerk, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder c geldt slecht één aanvullende eis. De uitvoerder beschikken over een recente Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Omdat het gaat om de zorg voor kwetsbare jeugdigen, is deze voorwaarde ook van toepassing indien de uitvoerder een familielid in de eerste of tweede graad is van de jeugdige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">Hoogte pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Op basis van de essentialia-doctrine moet de differentiatie van de tarieven voor de inkoop van hulp met een pgb in de verordening worden geregeld. In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vaststelling van de hoogte van de tarieven stelt het college zich op het standpunt dat er een balans moet bestaan tussen de eisen die aan een pgb uitvoerder worden gesteld (deze zijn verwoord in artikel 21) en het tarief dat wordt vastgesteld. Daarbij overweegt het college verder dat een pgb niet kan worden aangemerkt als een inkomensvoorziening en moet worden aangewend voor het verzorgen van jeugdhulp zoals in het plan van aanpak is vastgesteld (ECLI:NL:RBMNE:2018:156 en ECLI:NL:RBMNE:2018:156).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college maakt op grond van deze overwegingen een onderscheid tussen het tarief voor een pgb verzorgd door een instelling (als omschreven in artikel 20, lid 1 onder a), een pgb verzorgd door een ZZP-er (als omschreven in artikel 20, lid 1 onder a), en een pgb in het sociaal netwerk (als omschreven in artikel 20, lid 1, onder c).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid De tarieven voor hulp verzorgd door een instelling zijn afgeleid van de tarieven zorg in natura. Hierbij wordt overwogen dat er in artikel 21, lid 1 en 2 minder (administratieve) eisen aan de jeugdhulpaanbieder worden gesteld dan in de door de gemeenten Capelle aan de IJssel en Krimpen aan de IJssel gezamenlijk georganiseerde inkoop. Het betreft hier verder kleinere organisaties met vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel. Dit geeft aanleiding om het tarief voor formele pgb-hulp verzorgd door een instelling te stellen op 90% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. Met dit percentage is het, gezien de ruime beschikbaarheid van jeugdhulpinstellingen in de regio, mogelijk om een voor de jeugdige en/of de ouders passende ondersteuning in vorm van een pgb te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De tarieven voor hulp verzorgd door een ZZP-er zijn ook afgeleid van de tarieven zorg in natura. Hierbij wordt overwogen dat er in artikel 21, lid 1 en 3 minder (administratieve) eisen aan de jeugdhulpaanbieder worden gesteld dan in de door de gemeenten Capelle aan de IJssel en Krimpen aan de IJssel gezamenlijk georganiseerde inkoop. De gestelde eisen zijn ook minder dan degene die aan pgb-instellingen worden gesteld. Verder wordt overwogen dat ZZP-ers geen of zeer lage overheadkosten kennen. Dit geeft aanleiding om het tarief voor pgb-hulp verzorgd door een ZZP-er te stellen op 80% het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. Met dit percentage is het, gezien de ruime beschikbaarheid van jeugdhulp ZZP-ers in de regio, mogelijk om een voor de jeugdige en/of de ouders passende ondersteuning in vorm van een pgb te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Op de budgethouder rusten de verplichtingen die het Burgerlijk Wetboek en ook andere wetten, zoals de belasting-, arbeidsomstandigheden- en sociale verzekeringswetten aan de budgethouder als werkgever of opdrachtgever stelt. Sinds 1 januari 2018 is de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag onverkort van toepassing op alle overeenkomsten van opdracht die zijn gesloten buiten beroep of bedrijf. Het is dus niet toegestaan om een pgb tarief van minder dan het minimum(uur)loon te hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente kiest ervoor om bij een pgb in het sociaal netwerk als tarief het minimum(uur)loon toe te passen. Hierbij wordt overwogen dat er in artikel 21, lid 1 en 4, behalve de algemene direct uit de wet voortvloeiende eisen en het kunnen overleggen van een Verklaring Omtrent Gedrag, geen verdere eisen worden gesteld inzake opleiding, ervaring, registratie of kwaliteitsborging. Wij sluiten hierbij aan bij de jurisprudentie (ECLI:NL:RBZWB:2024:4238, ECLI:NL:RBNNE:2024:4405, ECLI:NL:RBOBR:2025:4604) waaruit blijkt dat, ook na een exceptieve toetsing, het hanteren van het minimumloon voor pgb in het sociaal netwerk in overeenstemming is met de Jeugdwet. De jurisprudentie inzake de hoogte van het pgb in de Wmo 2015 is niet van toepassing. In de Jeugdwet is geen bepaling opgenomen die vergelijkbaar is met artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015. In artikel 2.9, aanhef en onder c, van de Jeugdwet is alleen bepaald dat in de verordening de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld moet worden geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Voor de in lid 1 en lid 2 vermelde tarieven is dit gelijk aan het percentage waarmee het in deze artikelen genoemde het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura wordt geïndexeerd. In de gezamenlijk met de gemeente Krimpen aan den IJssel uitgevoerde lokale inkoop is deze index voor 90% gebaseerd op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (\"OVA\") voor personele kosten van het Centraal Planbureau en gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit en voor 10% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten, van het Centraal Planbureau en gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit. Het in lid 3 vermelde tarief voor pgb in het sociaal netwerk wordt jaarlijks aangepast conform de indexering van het wettelijke minimum(uur)loon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde en zesde lid Als uit het pgb budgetplan blijkt dat de jeugdhulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan de genoemde maximale tarieven voor zorg in natura zal worden uitgegaan van dit lagere tarief. Omdat het, als omschreven bij het derde lid, niet is togestaan om een tarief vast te stellen dat lager is dan het wettelijk minimumloon zal deze omstandigheid bij een pgb in het sociaal netwerk niet kunnen voorkomen. Voor alle duidelijkheid is ook bepaald dat een pgb nooit hoger kan uitvallen dan de goedkoopste vergelijkbare voorziening in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende lid De pgb-tarieven worden met het oog op de kenbaarheid vastgesteld door het college in nadere regels.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgesloten van pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in artikel 21 opgesomd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.Toelichting Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Algemeen Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening (Zorg in natura) of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">Inlichtingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de wet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening. In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de wettelijk vertegenwoordiger. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura en van de wettelijk vertegenwoordiger kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelf verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapporten bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van de gemeente zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde en vierde lid Een pgb-jeugdhulpaanbieder die niet langer aan de in de wet gestelde eisen heeft de verplichting om zelf tijdig en proactief te melden. Er kan dus niet gewacht worden totdat de gemeente hier eventueel om vraagt. Na een dergelijke melding volgt overleg over een herstelplan waarmee binnen een redelijke termijn weer wel aan de eisen kan worden voldaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-92\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Niet meewerken ouder(s)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan het noodzakelijke onderzoek naar de noodzaak of de doelmatige inzet van de jeugdhulp.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">Herziening en verlenging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking. Ook wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit de rechtspraak van de CRvB blijkt dat herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen getoetst dient te worden aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (ECLI:NL:CRVB:2024:726).</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Het beleid ten aanzien van de uitvoering van periodiek onderzoek, herziening en verlenging is in verdere ontwikkeling. Ook moet op grond van de ervaring in de afgelopen jaren rekening worden gehouden met verdere ontwikkelingen in de jurisprudentie. Het college kan tegen deze achtergrond nadere regels stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking, opschorting en terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen zes maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen zes maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels een opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a); de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de deze omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde lid Op grond van het zesde lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder f. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">Toezichthouders</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Op grond van artikel 2.9, onderdeel d, van de wet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Controle en onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen In dit artikel worden de verschillende typen onderzoek uiteengezet, waaronder het onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob). De onderzoeken kunnen worden ingesteld bij de jeugdhulpaanbieder zelf en/of bij eventuele onderaannemers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 30</span><span class=\"lf-art-t\">Rapport toezichthouder over jeugdhulpaanbieder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Dit artikel heeft zowel betrekking op rapporten over jeugdhulpaanbieders op basis van pgb als jeugdhulpaanbieder in de vorm van zorg in natura. De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen. Inzake pgb wordt ten aanzien van budgethouders, budgetbeheerders en uitvoerders van een pgb in het sociaal netwerk een zwaar gewicht neergelegd op de privacyregels op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 31</span><span class=\"lf-art-t\">Aanwijzing voor jeugdhulpaanbieder of pgb-budgethouder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake zijn van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen. Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span><span class=\"lf-art-t\">Hersteltermijn</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de jeugdhulpaanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze jeugdhulpaanbieder en de veiligheid van cliënten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 33</span><span class=\"lf-art-t\">Cliëntenstop en verscherpt toezicht bij jeugdhulpaanbieder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de jeugdhulpaanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34</span><span class=\"lf-art-t\">Vervolgonderzoeksrapport</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de jeugdhulpaanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 35</span><span class=\"lf-art-t\">Handhavingsmaatregelen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen (ECLI:NL:RBOVE:2021:4771). Om die reden is deze mogelijkheid opgenomen in deze verordening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 36</span><span class=\"lf-art-t\">Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling jeugdhulpaanbieder</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De maatregelen van artikel 33 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de jeugdhulpaanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span><span class=\"lf-art-t\">Meldpunt en register</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van de gemeente zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span><span class=\"lf-art-t\">Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura (en in vorm van pgb’s) te waarborgen en fraude te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het eerste en tweede lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp (eerste lid). Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen (tweede lid).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.Hoofdstuk 7.Afstemming met andere voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wlz, de Zvw en de Wmo 2015, is artikel 1.2, van de wet van toepassing. Als de jeugdige aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten, dan is de wet niet van toepassing. Als echter i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de wet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de wet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz, de Zvw, of de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de wet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span><span class=\"lf-art-t\">Voorliggende voorzieningen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en tweede lid Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel geldt volgens dit artikel dat als meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen én de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen wal en schip vallen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span><span class=\"lf-art-t\">Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten Het college is streeft ernaar dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen wal en schip vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Het eerste lid regelt dat de jeugdhulp moet worden afgestemd op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van andere wetten zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten. Het gaat hierbij onder meer om: de Leerplichtwet; de Participatiewet; de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de Wet inburgering 2021; de Wet kinderopvang; de Wet langdurige zorg; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Wet passend onderwijs; de Wet publieke gezondheid; de Wet tijdelijk huisverbod; de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en de Zorgverzekeringswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede en derde lid Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde lid Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.Toelichting Hoofdstuk 8: Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerderskinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdhulp door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en jeugdhulpaanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een jeugdhulpaanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Toelichting bij hoofdstuk 9: Klachten en medezeggenschap</div>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid Het college heeft de afhandeling van klachten neergelegd bij het CJG. Deze maakt de klachtenprocedure bekend op haar website.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 43</span><span class=\"lf-art-t\">Betrekken van ingezetenen bij het beleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste en twee lid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap van de cliënt bij de jeugdhulpaanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v., van de wet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de wet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde lid De betrokkenheid van ingezeten bij het beleid is verder uitgewerkt in de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018. De Adviesraad heeft tot taak de gemeenteraad en het college gevraagd en ongevraagd te adviseren over onderwerpen die de ontwikkeling, de uitvoering en de evaluatie van het gemeentelijk beleid op het beleidsveld sociaal domein betreffen. De Adviesraad kan voorstellen doen voor het gemeentelijk beleid op het beleidsveld sociaal domein.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.Toelichting Hoofdstuk 10: Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 44</span><span class=\"lf-art-t\">Hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerst en tweede lid Omdat in uitzonderlijke gevallen de gevolgen van vasthouden aan de regels die zijn gesteld in deze verordening onevenredig kunnen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, is in het eerste lid een hardheidsclausule opgenomen. De tekst van het eerste lid maakt duidelijk, dat het toepassen van de hardheidsclausule alleen zal plaatsvinden als in een concreet geval de omstandigheden van dien aard zijn dat het onverkort toepassen van de verordening de jeugdige of zijn ouders in onevenredige mate schaadt. In de beschikking waarin de hardheidsclausule wordt toegepast, wordt gemotiveerd waarom het college meent dat deze omstandigheden zich voordoen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 45</span><span class=\"lf-art-t\">Bijlagen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Eerste lid Op grond van de essentialia-doctrine, zoals deze is uitgewerkt door de CRvB, worden een aantal overzichten die voorheen in de Nadere Regels 2019 waren opgenomen overgeplaatst naar de verordening. Het college heeft de keuze gemaakt om deze overzichten op te nemen in een aantal bijlagen. Met deze aanpak zijn de overzichten voor alle betrokkenen bij de uitvoering van de jeugdwet eenvoudiger te raadplegen en toe te passen. De keuze is gemaakt om de volgende bijlagen in de verordening op te nemen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1: Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 2: Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3.1: Normenkader duur en de intensiteit niet vrij toegankelijke voorzieningen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3.2: Normenkader vervoer;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4: Normen gebruikelijk zorg van voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 5: Protocol Dyslexie Diagnostiek &amp; Behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ieder van de bijlagen heeft een eigen toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede lid De bijlagen vormen een integraal en onlosmakelijk onderdeel van de verordening. De bepalingen in de bijlagen hebben een gelijke rechtskracht en rechtswerking als de artikelen in de verordening. Er is geen sprake van een rangorde, of van een ondergeschikt karakter ten opzichte van de artikelen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 46</span><span class=\"lf-art-t\">Overgangsrecht, intrekking van de oude verordening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van: een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is; een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift; terugvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de behandeling van een bezwaarschrift gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van verordening 2026. Het bezwaar mag echter niet leiden tot een slechtere positie van de bezwaarmaker ten opzichte van het primaire besluit (het zogeheten “Reformatio in Peius”). Er kan dus kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) worden afgeweken als heroverweging op grond van de verordening 2018 leidt tot een gunstiger uitkomst.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 47</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding en citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De verordening treedt in werking op 1 januari 2026. Vanaf dat moment is de nieuw vastgestelde verordening van toepassing op alle onderwerpen die binnen haar bereik vallen. Dit met uitzondering van het in artikel 46 omschreven overgangsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.Toelichting bijlagen Bijlage 1: Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Bijlage 1 bevat een (niet uitputtend) overzicht van de voorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Met vrij beschikbaar wordt bedoeld dat jeugdigen en ouders op eigen initiatief en zonder toegangstoets aan de voorziening deel kunnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een van de vrij toegankelijke voorzieningen is de ondersteuning bij relatie en scheiding. Deze ondersteuning heeft een preventief karakter en is gericht op het continueren of herstellen van een veilige gezins- en opvoedsituatie voor de betrokken jeugdigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 2: Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen Bijlage 2 bevat een (niet uitputtend) overzicht van de voorzieningen die niet vrij toegankelijk zijn Voor deze voorzieningen wordt een procedure doorlopen, zoals beschreven in hoofdstuk 4 van de verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulp in groepsvorm Vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke voorzieningen kunnen zowel in groeps- als individuele vorm worden ingezet. In het raadsbesluit “Tegen de stroom in” is het uitgangspunt gekozen dat jeugdhulp, waar mogelijk in groepsvorm moet worden uitgevoerd. Dit leidt tot kosteneffectieve zorg en biedt tevens de mogelijkheid voor contact tussen jeugdigen in een soortgelijke situatie. Daarbij wordt respectvol omgegaan met de voorkeuren en wensen van de jeugdige en/of de ouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3.1:Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen Uitwerking Raadsbesluit “Tegen de stroom in”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor niet vrij toegankelijke voorzieningen worden normen gesteld voor de maximale initiële doorlooptijd, de maximale verlenging en de maximale inzet in aantallen eenheden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan actielijn 3 van het raadsbesluit “Tegen de stroom in” van 8 juli 2024. De normen zijn zo opgesteld dat deze aansluiten bij het raadsbesluit “Tegen de stroom in”, maar ook uitvoerbaar is in de praktijk van het CJG Maximale doorlooptijd De maximale doorlooptijd voor een in te zetten jeugdhulpproduct stellen we op 12 maanden, met een evaluatie na 9 maanden. Deze kan na een zorgvuldige beoordeling verlengd worden met nog eens maximaal 6 of 12 maanden. Voor begeleiding individueel zwaar is geen verlenging mogelijk. In de initiële doorlooptijd wordt afgeschaald naar begeleiding midden of begeleiding licht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maximaal aantal eenheden Voor de meerderheid van de producten zijn de aantallen eenheden (dagdelen, uren, minuten) opgesteld op basis van een data-analyse van de toekenningen per product over de periode 2020-2024. Vervolgens zijn deze normen getoetst aan de uitvoeringspraktijk bij het CJG. Voor de GGZ-producten wordt aangesloten bij de landelijke normen. Voor een drietal voorzieningen dat zeer weinig wordt ingezet wordt de inzet bepaald op basis van een individuele afweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normenkader op basis van data-analyse Het normenkader is op een data gedreven wijze opgesteld. De basis hiervoor is de jeugdhulpdata van het CJG over de jaren 2020-2024. De volgende stappen zijn gezet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Data verzamelen. De lokale zorgdata van het CJG vormen de basis voor de analyse. Dit betreft de lokale zorg dat geïndiceerd is door het CJG en wordt geadministreerd middels het Berichtenverkeer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Datastructuren. De data bestaan uit velden van het Berichtenverkeer. De data is beschikbaar gemaakt op het niveau van de periodieke declaratie. De analyse is uitgevoerd op basis van 5 jaar aan periodiek gedeclareerde jeugdhulp. 1 declaratie = 1 regel. Alleen de benodigde data voor het normenkader is gebruikt. Deze data bevatten geen herleidbare cliëntinformatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Data-analyse. De volgende onderdelen zijn per jeugdhulpvoorziening uitgevoerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemiddelde zorguren per dag. Middels een histogram is de opbouw van het aantal cliënten per zorgduur in uren per dag weergegeven. Met behulp van het histogram is een het aantal normuren per dag worden bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemiddelde zorgdagen per jaar. Ook hiervoor is een histogram gebruikt, wat het aantal cliënten per zorgduur in dagen per jaar weergeeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is de uitkomst van a. en b. met elkaar vermenigvuldigd om te komen tot het aantal normuren per jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de jeugdhulpvoorzieningen die gebruikelijk uitgedrukt worden in dagdelen of minuten is een omzetting gemaakt op basis van 1 dagdeel = 4 uren; 1 uur = 60 minuten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn voor herindicatie is bepaald door de duur in jaren in een staafdiagram weer te geven en daarvan een gemiddelde te berekenen en te corrigeren voor de initiële indicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdhulp wordt in veel gevallen niet voortgezet tijdens de schoolvakanties. In het verleden werd bij ene toekenning qua omvang echter geen onderscheid gemaakt tussen jeugdhulp die als standaard niet doorloopt in de vakanties en de jeugdhulp waarbij het noodzakelijk is dat deze wel doorloopt. De schoolvakanties zijn 12 weken per jaar. De maximum norm voor jeugdhulp die niet hoeft door te lopen in de vakanties is daarom gesteld op 77% (40/52) van de jeugdhulp die wel doorloopt in de vakanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De jeugdhulp is erop gericht om doelmatig en resultaatgericht te werken naar een situatie waarin de inzet van de jeugdhulpvoorzieningen niet meer noodzakelijk is. Het aantal in te zetten eenheden bij een eventuele verlenging daarom maximaal 80% van het maximum in de initiële periode. Bij een verlenging voor 6 maanden wordt verder rekening gehouden met de kortere periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">In goed overleg met professionals van het CJG en beleidsmedewerkers van de gemeente is de berekende jaarnorm per product gevalideerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Normenkader op basis van landelijke GGZ-normen Voor de voorzieningen Basis GGZ en Specialistische GGZ wordt aangesloten bij landelijke GGZ-normen. Hierbij is gebruik gemaakt van de richtlijnen Jeugdhulp, richtlijnen jeugd-ggz, het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie en de databank van het NJI. Voor 1 sessie geldt 60 à 75 minuten (behandeltijd, registratie en afstemming).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningen op Individuele afweging Voor een aantal voorzieningen met een heel klein volume (minder dan 20 per jaar) is het niet mogelijk om een data-analyse uit te voeren. De inzet van deze producten zal plaatsvinden op basis van een individuele afweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 3.2:Normenkader vervoer In artikel 12, lid 3 wordt bepaald dat het vervoer van of naar een jeugdhulplocatie als tot bepaalde grenzen als gebruikelijk moet worden gezien, en dus behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de ouders. In bijlage 3.2 wordt dit geconcretiseerd. Er is geen sprake van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid als de afstand naar de jeugdhulplocatie 6 kilometer of minder is en/of indien het aantal keren halen en brengen per week 2 is of minder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afstand van 6 kilometer geldt vanaf het startpunt (woonadres of de school) naar de jeugdhulplocatie. Brengen en halen wordt hierbij als een eenheid genomen, dus het gaat bij deze norm om twee maal “heen en weer”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 4:Normen gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) van de jeugdige. Ouders behoren hun minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking (vergelijk artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek). Indien de verzorging, de opvoeding en het houden van toezicht op een kind kunnen worden beschouwd als gebruikelijke hulp, kan daarvoor in principe geen beroep op de Jeugdwet worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of sprake is van gebruikelijke of boven gebruikelijke hulp, speelt zich af op het gebied van de persoonlijke verzorging en de begeleiding die ouders aan hun kinderen geven. Persoonlijke verzorging betreft activiteiten op het gebied van verzorging van jeugdigen, gericht op het opheffen van beperkingen in de zelfredzaamheid bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) Dit zijn basale handelingen die een persoon normaal gesproken zelf uitvoert in het dagelijks leven. Het gaat bijvoorbeeld om hulp bij het zich wassen, aankleden, het zich verplaatsen inzit- of lighouding, eten en drinken, reizen, ontspanning en het toedienen van orale medicatie. De hulp die hierbij wordt geboden kan bestaan in het overnemen van of toezicht houden op deze activiteiten, alsmede om het ondersteunen of aansturen daarvan. Begeleiding is gericht op het zelfstandig functioneren van kinderen en bestaat in toezicht, aandacht, stimuleren van ontwikkeling en ontspanningsactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ouders moeten hun kind de dagelijkse verzorging bieden die past bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van hun kind. Daarbij kan het eveneens gaan om activiteiten die niet standaard bij alle kinderen noodzakelijk zijn, maar die wel als gangbare verzorging van ouders aan kinderen kunnen worden aangemerkt. De behoefte aan verzorging verschilt immers per kind, ook als het gaat om kinderen voor wie geen sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de hulp die ouders aan hun kind bieden al dan niet gebruikelijk is, hangt af van de combinatie van de leeftijd van het kind met de aard van de handeling, de frequentie waarmee de handeling moet worden verricht en de tijd die daarvoor nodig is. Dit moet in samenhang met elkaar moeten worden bezien. Dit laatste houdt in, dat het gegeven dat een kind, zoals in de hieronder gegeven voorbeelden, met een grotere regelmaat dan andere kinderen van dezelfde leeftijd bepaalde hulp nodig heeft, niet meteen betekent dat sprake is van bovengebruikelijke hulp. Het gaat om de samenhang van alle relevante factoren en om het antwoord op de vraag wat in redelijkheid aan hulp van de ouders kan worden verlangd. Bij de beoordeling van de situatie wordt er rekening mee gehouden, dat de ouders niet of minder worden belast door handelingen die door de jeugdige zelf kunnen worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leeftijd van de jeugdige is relevant omdat jonge kinderen meer hulp van hun ouders nodig hebben dan oudere kinderen. Sommige handelingen zijn daarom op jonge leeftijd nog gebruikelijke hulp, terwijl ze op latere leeftijd als boven gebruikelijke hulp worden beschouwd. Zo zijn veel kinderen van 4 jaar overdag zindelijk en gaan zij zelf naar het toilet maar is het ook niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, toezicht of hulp bij nodig heeft. Dit is gebruikelijke hulp. Bij een kind van 12 jaar ligt dit anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp aan kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen maar die naar hun aard wel gebruikelijk zijn. Handelingen die gebruikelijke handelingen vervangen, zijn bijvoorbeeld het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen. Of, bij een kind met een verstandelijke beperking, het oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie. Deze handelingen zijn te beschouwen als gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen die meelopen in het normale patroon van de dagelijkse verzorging van een kind, zoals drie keer per dag eten, worden als gebruikelijke hulp aangemerkt. Een kind dat extra aandacht nodig heeft bij de maaltijden loopt mee in het normale patroon van de dagelijkse verzorging. Handelingen die geen onderdeel zijn van het normale patroon, bijvoorbeeld het meermalen per nacht tot rust brengen van een ouder kind zijn geen gebruikelijke hulp. Om deze reden is ook de frequentie waarmee de hulp moet worden geboden van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en aankleden maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege de problematiek van het kind, omdat bijvoorbeeld sprake is van spasticiteit of een psychiatrische problematiek, is wat betreft deze extra tijd geen sprake meer van gebruikelijke hulp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een ouder. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de jeugdige over. Het college kan, in het geval van ouders die gescheiden zijn, ook rekening kan houden met de ouder bij wie de jeugdige niet woont.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in het voorafgaande is beschreven wordt in beginsel pas een jeugdhulpvoorziening getroffen als de door de ouder(s) te bieden gebruikelijke hulp wordt overstegen. Soms zijn ouders echter niet in staat om hun kinderen de hulp die bieden die als gebruikelijk kan worden beschouwd. Een reden hiervoor kan zijn dat de ouders bijvoorbeeld door een opeenstapeling van zorgtaken overbelast raken. Ook kunnen de opvoedkundige kwaliteiten van de ouders tekortschieten. In dergelijke gevallen biedt de Jeugdwet eveneens een aanspraak op jeugdhulp, bijvoorbeeld in de vorm van respijtzorg voor de jeugdige of opvoedondersteuning van de ouders, ondanks het feit dat de aan het betreffende kind te bieden hulp gebruikelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beroep op (dreigende) overbelasting van ouders moet door hen op dusdanige wijze worden onderbouwd, dat de (dreigende) overbelasting door het college vastgesteld kan worden. Bij de beoordeling van (dreigende)overbelasting wordt onder meer ook rekening gehouden met de omstandigheid dat ouders gebruikelijke hulpbieden in het kader van andere regelgeving. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het overnemen van huishoudelijke taken op grond van de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in bijlage 4 bepaalde normen zijn ongewijzigd overgenomen uit de Nadere Regels 2019. Deze zijn gebaseerd op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdwet, Memorie van toelichting: hoofdstuk 7.4 en pagina 104 Wlz, artikel 1.1.1:</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorginstituut, https://www.zorginstituutnederland.nl/Verzekerde+zorg/p/persoonlijke-verzorging-begeleiding-en-verpleging-wlz/begeleiding-wlz;</p>\n<p class=\"lf-p\">De Jeugdzaak, mw. Z. van der Kolk (juli 2017). PGB afwegingskader CJG Capelle aan den IJssel;</p>\n<p class=\"lf-p\">De Jeugdzaak, mw. Z. van der Kolk (juli 2017). PGB afwegingskader CJG Capelle aan den IJsselachtergrond en verantwoording;</p>\n<p class=\"lf-p\">Factsheet zorg voor kinderen met een intensieve zorgvraag: gebruikelijke zorg, bijlage bij de Voortgangsbrief zorg voor kinderen met een intensieve zorgvraag van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 3 november 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 5:Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling Deze bijlage specificeert de versie van het Protocol Dyslexie Diagnostiek &amp; Behandeling die wordt gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vastgesteld in de openbare vergadering van 10 november 2025 De griffier, de voorzitter, Vergelijking Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026 en Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 Verordening 2026 Verordening 2018 Art.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel Art.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Titel 1</h3>\n<p class=\"lf-p\">Begripsbepalingen 1 Begripsbepalingen 2 Vormen van jeugdhulp 2 Jeugdhulpvoorzieningen 3 Toegang jeugdhulp via de gemeente 4 Toegang jeugdhulp via het college, melding hulpvraag 4 Toegang jeugdhulp via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts 3 Toegang jeugdhulp via de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts 5 Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter Niet eerder opgenomen 6 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 6 7 8 22 Onderzoek door het college Familiegroepsplan Gezinsplan Vertrouwenspersoon 7 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Niet eerder opgenomen 8 Identificatie 5 Vooronderzoek door college 9 Verslag 8 Gezinsplan 10 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 10 Voorwaarden voor het verstrekken van een individuele voorziening 11 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Opgenomen in de Nadere regels jeugdhulp Capelle aan de IJssel 2019 12 Vervoer Niet eerder opgenomen 13 Dyslexie Niet eerder opgenomen 14 Vaktherapie Niet eerder opgenomen 15 Kinderopvang, buitenschoolse opvang en onderwijs 18 Afstemming met voorzieningen op het gebied van onderwijs 16 Wonen en zorg Niet eerder opgenomen 17 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening 9 11 Aanvraag en beschikking Inhoud beschikking 18 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 12 13 14 Regels voor pgb Verstrekken en hoogte pgb voor bedrijfs- of beroepsmatig verleende jeugdhulp, lid 2 en 3 Verstrekken en hoogte pgb voor jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk, lid 2 19 Pgb-vaardigheid Niet eerder opgenomen 20 Onderscheid pgb-jeugdhulpaanbieders 14 Verstrekken en hoogte pgb voor jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk, lid 1 21 Kwaliteitseisen pgb-jeugdhulpaanbieders Niet eerder opgenomen 22 Hoogte pgb 13 14 Verstrekken en hoogte pgb voor bedrijfs- of beroepsmatig verleende jeugdhulp, lid 1 Verstrekken en hoogte pgb voor jeugdhulp verleend door een persoon uit het sociale netwerk, lid 1 23 Uitgesloten van pgb Niet eerder opgenomen 24 Inlichtingen Niet eerder opgenomen 25 Niet meewerken ouder(s) Niet eerder opgenomen 26 Herziening en verlenging 15 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 27 Intrekking, opschorting en terugvordering 15 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 28 Toezichthouders 16 Handhaving en onderzoek 29 Controle en onderzoek Niet eerder opgenomen 30 Rapport toezichthouder over aanbieder Niet eerder opgenomen 31 Aanwijzing voor aanbieder of pgb-budgethouder</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet eerder opgenomen 32 Hersteltermijn Niet eerder opgenomen 33 Clientenstop en verscherpt toezicht bij aanbieder Niet eerder opgenomen 34 Vervolgonderzoeksrapport Niet eerder opgenomen 35 Handhavingsmaatregelen Niet eerder opgenomen 36 Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling aanbieder Niet eerder opgenomen 37 Meldpunt en register Niet eerder opgenomen 38 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik Niet eerder opgenomen 39 Voorliggende voorzieningen Niet eerder opgenomen 40 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 17 19 20 Afstemming met voorzieningen op het gebied van zorg Afstemming met voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning Afstemming met voorzieningen op het gebied van werk en inkomen 41 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulp 21 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 42 Klachtregeling 22 Vertrouwenspersoon 43 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 23 Inspraak 44 Hardheidsclausule 25 Hardheidsclausule 45 Bijlagen 2 Bijlagen 1 en 2 waren opgenomen in artikel 2 Jeugdhulpvoorzieningen Bijlage 4 was opgenomen in de Nadere regels jeugdhulp Capelle aan de IJssel 2019 Bijlagen 3.1, 3.2 en 5 waren niet eerder opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">46 Overgangsrecht, intrekking oude verordening 26 Inwerkingtreding en citeertitel Overgangsrecht niet eerder opgenomen 47 Inwerkingtreding en citeertitel 26 Inwerkingtreding en citeertitel</p></div>", "next": 0}