{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">2.In geval de ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, is komen te overlijden ten gevolge van een dienstongeval, wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde een netto bedrag van 1.NAf. 100,000 minus het bedrag bedoeld in artikel 30, derde lid en het bedrag bedoeld in artikel 55, eerste lid, van dit landsbesluit, uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de overleden ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan. Ontbreken zodanige kinderen, dan geschiedt de uitbetaling ten behoeve van zijn ouders, zusters, broers, meerderjarige wettige of natuurlijke kinderen ten aanzien van wie familierechtelijke betrekkingen bestaan dan wel stief- of pleegkinderen, indien de overledene in overwegende mate in het levensonderhoud van voornoemde betrekkingen voorzag.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, kunnen eenmaal gedurende vijf kalenderjaren bij ministeriële regeling gewijzigd worden overeenkomstig de consumentenprijsindex.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-115\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel115</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar van politie heeft aanspraak op volledige vergoeding van de schade die hij ten gevolge van een beroepsincident lijdt, voor zover hierin op grond van enig landsverordening of daarop berustende regeling niet reeds is voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het eerste lid is niet van toepassing op beroepsincidenten die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-116\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel116</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar van politie, die een dienstongeval heeft gehad dat heeft geleid of kan leiden tot invaliditeit: meldt het dienstongeval zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 150 dagen na het dienstongeval schriftelijk aan het bevoegd gezag; licht het bevoegd gezag zo volledig mogelijk in over het dienstongeval; stelt zich direct onder geneeskundige behandeling; doet al het mogelijke om een spoedig herstel te bevorderen, onder meer door de aanwijzingen van de behandelend arts op te volgen; en, verleent zijn medewerking aan de vaststelling van de ontstane invaliditeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar van politie niet handelt overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a tot en met d, kan alleen recht op smartengeld ontstaan indien: hij in redelijkheid aantoont dat de ontstane invaliditeit uitsluitend het gevolg is van het dienstongeval; en, het bevoegd gezag als gevolg van dit verzuim niet in zijn belangen is geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Een ander kan namens de ambtenaar van politie voldoen aan het eerste lid, onderdelen a en b, en het tweede lid, onderdeel a, mits die ander geacht kan worden de belangen van de ambtenaar te vertegenwoordigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Onderzoekskosten die voortvloeien uit het tweede lid, onderdeel a, komen voor rekening van de ambtenaar van politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-117\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel117</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De minister wijst een deskundige aan die de als gevolg van het dienstongeval ontstane mate van invaliditeit van de ambtenaar van politie vaststelt aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de toestand van de ambtenaar van politie niet meer zal verbeteren of verslechteren, doch uiterlijk twee jaar na het dienstongeval.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het smartengeld is gelijk aan de in procenten vastgestelde mate van invaliditeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Indien de ambtenaar van politie anders dan als gevolg van het dienstongeval overlijdt voordat het uitkeringspercentage kan worden vastgesteld, wordt uitgekeerd naar het bedrag dat naar verwachting zou zijn uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De minister draagt de kosten van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-118\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel118</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het smartengeld wordt met inachtneming van onderstaande uitkeringspercentages vastgesteld bij algehele amputatie of volledig verlies van het gebruiksvermogen van: beide benen en voeten: 100%; beide armen en handen: 100%; beide nieren: 100%; een arm of hand en een been of voet tezamen: 100%; het gezichtsvermogen van beide ogen: 100%; algehele verlamming: 100%; de verstandelijke vermogens: 100%; een arm en een schoudergewricht: 85%; een arm in het ellebooggewricht of tussen elleboog- en schoudergewricht: 75%; een arm tussen pols- en ellebooggewricht: 70%; een been in het heupgewricht: 75%; een been in het kniegewricht of tussen knie- en heupgewricht: 70%; een been in het enkelgewricht, een been tussen enkel- en kniegewricht of een voet: 65%; de onderkaak: 50%; het gezichtsvermogen van één oog: 50%; een lens: 15%; het gehoor van beide oren: 75%; het gehoor van één oor: 35%; een duim: 25%; iedere andere vinger: 15%; een grote teen: 15%; iedere andere teen: 7,5%; een nier: 20%; de milt: 10%; een long: 35%; de tong: 50%; het spraakvermogen: 50% de baarmoeder: 20%; de baarmoeder en de eierstokken: 30%; een teelbal: 5%; beide teelballen: 30%; het mannelijk lid: 40%; de vrouwelijke genitalia: 40%; het reukvermogen: 10%; de smaak: 10%.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij gedeeltelijke amputatie of gedeeltelijk verlies van het gebruiksvermogen wordt een evenredig deel van het genoemde uitkeringspercentage vastgesteld. Bij amputatie of volledig verlies van het gebruiksvermogen van één of meer vingers van een hand bedraagt het uitkeringspercentage nooit meer dan bij verlies van de arm tussen pols en ellebooggewricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De minister wijst een deskundige aan voor de vaststelling van het uitkeringspercentage op grond van dit artikel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-119\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel119</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De in artikel 116, eerste lid, onderdeel a, bedoelde melding geldt als aanvraag tot vergoeding van smartengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien sprake is van een dienstongeval wordt de beschikking op de aanvraag genomen uiterlijk zes weken nadat de mate van invaliditeit is vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel120</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het geval geheel of gedeeltelijk ten onrechte smartengeld is toegekend op grond van door de ambtenaar of zijn vertegenwoordiger, bedoeld in van artikel 116, derde lid, verstrekte gegevens waarvan zij wisten of moesten weten dat deze gegevens onjuist waren, kan het bevoegd gezag het besluit tot toekenning van smartengeld herzien of intrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK11:Disciplinaire straffen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-121\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel121</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Hoofdstuk VIII van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en de daarop berustende regelingen zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar van politie, die zijn ambtelijke verplichtingen niet nakomt of zich anderszins aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een dienstvoorschrift als het doen of nalaten van hetgeen een goed ambtenaar van politie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Een strafrechtelijke vervolging wegens een feit dat mede plichtsverzuim inhoudt, sluit een disciplinaire strafoplegging wegens dat feit niet uit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel122</span><span class=\"lf-art-t\">1.De disciplinaire straffen die de ambtenaar van politie kunnen worden opgelegd, zijn:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">schriftelijke berisping; buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag of op de voor de ambtenaar van politie geldende algemene en kerkelijke feestdagen, en zonder de ingevolge artikel 32 voor overwerk toe te kennen toelage: voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag al dan niet in aansluiting op de voor hem geldende diensttijd; geldboete van ten hoogste vijftig procent van de aanvangsbezoldiging behorende bij bezoldigingsschaal 1, in te houden in overeenstemming met de wettelijk vastgestelde maximum van 1/3 van de bezoldiging elke maand tot volledige afbetaling; gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging tot een bedrag van ten hoogste een maand bezoldiging, in te houden in overeenstemming met de wettelijk vastgestelde maximum van 1/3 van de bezoldiging elke maand tot volledige afbetaling; terugzetten naar een lagere bezoldigingstrede tot maximaal twee bezoldigingstreden; uitsluiten van bevordering voor ten hoogste vier jaren; terugzetten in de naast lagere rang, al dan niet voor bepaalde tijd en al dan niet met vermindering van de bezoldiging tot de aan die naast lagere rang verbonden bezoldiging; schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van bezoldiging voor ten hoogste zes maanden, met de mogelijkheid van eenmalige verlenging voor de duur van drie maanden op grond van een gemotiveerde beslissing op schrift; ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij het opleggen van alle in het vorige lid genoemde straffen is het principe van hoor en wederhoor van toepassing. Het principe van hoor en wederhoor wordt geacht te zijn toegepast wanneer de betrokken ambtenaar in de gelegenheid gesteld is zijn verweer op schrift of in persoon te presenteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Aan de aspirant kan tevens worden opgelegd de disciplinaire straf van verwijdering van het opleidingsinstituut dat de basisopleiding verzorgd, gedurende ten hoogste veertien dagen, met dien verstande dat deze straf niet wordt opgelegd op de dagen waarop de opleidingsresultaten volgens de ter zake gestelde regels worden getoetst of beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De bevoegdheid tot het opleggen van een straf genoemd in het eerste lid komt uitsluitend aan de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het opleggen van een straf, genoemd in het eerste lid, onder f, g, h en i geschiedt bij landsbesluit.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel123</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien het voornemen bestaat om de ambtenaar van politie een disciplinaire straf op te leggen, geschiedt de strafoplegging niet dan nadat hij schriftelijk in de gelegenheid is gesteld om zich binnen zeven dagen tegenover het tot strafoplegging bevoegde gezag of een door deze aan te wijzen instantie te verantwoorden. Indien de strafoplegging bij landsbesluit plaatsvindt, geschiedt de verantwoording bij de minister. Verantwoording zal schriftelijk geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar van politie wordt op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld tot het geven van een mondelinge toelichting. Bij het geven van de mondelinge toelichting kan de ambtenaar van politie zich laten bijstaan door een raadsman.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Van de mondelinge toelichting wordt direct een verslag opgemaakt, dat na voorlezing wordt ondertekend door degene tegenover wie de toelichting heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar van politie. Indien de ambtenaar van politie het verslag weigert te ondertekenen, wordt dit in het verslag zo mogelijk onder opgave van redenen vermeld. De ambtenaar van politie ontvangt een afschrift van het verslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Indien de ambtenaar van politie dit verlangt, worden hem of zijn raadsman onverwijld kopieën verstrekt van de ambtelijke rapporten dan wel andere documenten, die op de hem ten laste gelegde feiten betrekking hebben, met uitzondering van documenten of onderdelen daarvan tegen welke kennisneming het openbaar belang zich volgens de minister bepaaldelijk verzet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-124\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel124</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het bevoegd gezag dat tot strafoplegging wenst over te gaan, kan van zijn voornemen kennis geven aan de ambtenaar van politie. De kennisgeving vermeldt de disciplinaire straf die het bevoegd gezag voornemens is op te leggen, benevens de gronden die het daarvoor meent te hebben. De kennisgeving wordt zo mogelijk op de plaats van tewerkstelling aan de ambtenaar van politie tegen gedagtekend en door hem ondertekend ontvangstbewijs uitgereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar van politie niet op de plaats van tewerkstelling aanwezig is, wordt de kennisgeving aan zijn woon- of verblijfplaats tegen gedagtekend en door de ontvanger ondertekend ontvangstbewijs afgegeven aan hemzelf of aan een van zijn huisgenoten. Indien degene die met de afgifte van de kennisgeving belast is noch de ambtenaar van politie noch iemand op zijn huisadres aantreft, of indien degene die aangetroffen wordt weigert de kennisgeving in ontvangst te nemen of het ontvangstbewijs te ondertekenen, wordt het aangetekend aan de woon- of verblijfplaats van de ambtenaar van politie gezonden. De bedoelde kennisgeving geschiedt niet later dan een maand na het incident.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt de betrokken ambtenaar van politie geacht met de kennisgeving bekend te zijn geworden op de dag van afgifte aan zijn woon- of verblijfplaats, onderscheidenlijk op de dag waarop het door de postdienst aan die woon- of verblijfplaats is bezorgd of aangeboden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-125\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel125</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Het tot strafoplegging bevoegde gezag stelt de gestrafte ambtenaar van politie onverwijld in kennis van de strafoplegging door toezending van een afschrift daarvan. Artikel 124 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de strafoplegging plaats vindt door het bevoegd gezag, wordt in de beslissing tevens medegedeeld dat binnen veertien dagen na ontvangst daarvan een met redenen omkleedt bezwaarschrift ingediend kan worden bij de Gouverneur.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging is bepaald dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien tot onmiddellijke tenuitvoerlegging van de straf van buitengewone dienst is overgegaan en deze straf na ingesteld beroep niet wordt gehandhaafd, wordt de tijd gedurende welke buitengewone dienst is verricht, aangemerkt als diensttijd gedurende welke werkzaamheden na de voor de betrokken ambtenaar van politie geldende werktijd zijn verricht, en wordt conform de geldende voorschriften een vergoeding voor overwerk toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK12:Schorsing en ontslag</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-127\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel127</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hoofdstukken IX en X, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht en de daarop gebaseerde regelingen, zijn niet van toepassing op de ambtenaar van politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-128\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel128</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar van politie is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, anders dan op grond van de Landsverordening toezicht op krankzinnigen, genomen in het belang van de volksgezondheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel op grond van de Landsverordening toezicht op krankzinnigen wordt de ambtenaar van politie, onverminderd het eerste lid, behandeld als ware hem vrijstelling van dienst wegens ziekte als bedoeld in hoofdstuk 8, verleend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-129\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel129</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Onverminderd artikel 122, eerste lid, onderdeel i, kan de ambtenaar van politie bij landsbesluit in zijn ambt worden geschorst: indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen hem is ingesteld; wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel wanneer hem die straf is opgelegd; wanneer naar het oordeel van de minister het dienstbelang dit bepaaldelijk vereist.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.In afwachting op de schorsing wordt de ambtenaar van politie buiten functie gesteld door de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden, tenzij in het kader van een strafrechtelijk onderzoek een langere periode is geboden, doch in ieder geval niet langer dan achttien maanden. In zeer bijzondere gevallen kan deze termijn bij landsbesluit eenmaal met drie maanden worden verlengd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-130\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel130</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Tijdens de schorsing wordt de bezoldiging voor een derde deel ingehouden. Na verloop van zes weken kan verdere inhouding, ook van het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden. Indien het een schorsing betreft als bedoeld in artikel 120, eerste lid, onderdeel b, kan de minister bepalen dat met onmiddellijke ingang meer dan een derde deel of het volle bedrag van de bezoldiging wordt ingehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Geen inhouding vindt plaats in geval van een schorsing in het belang van de dienst, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdeel c, van een maatregel op grond van de Landsverordening toezicht op krankzinnigen, of van een ophouden voor verhoor of een inverzekeringstelling, bedoeld in de titels V en VII van het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door voorlopige hechtenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De ingehouden bezoldiging wordt alsnog aan de ambtenaar van politie uitbetaald in geval de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf. Op de uit te betalen bezoldiging wordt in mindering gebracht de bezoldiging die de ambtenaar van politie sedert de schorsing heeft genoten uit de arbeid, die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dit naar het oordeel van de minister onredelijk wordt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Het niet ingehouden deel van de bezoldiging van de geschorste ambtenaar van politie kan door de minister in bijzondere gevallen worden uitbetaald aan de betrekkingen van de ambtenaar van politie, genoemd in artikel 55.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-131\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel131</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Ontslag wordt verleend bij landsbesluit. Het ontslagbesluit vermeldt de datum van ingang van het ontslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Bij ongevraagd ontslag wordt, behalve in de artikelen 133, eerste lid, en 134 genoemde gevallen, de reden van ontslag meegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Gedurende de basisopleiding kan het tijdelijke dienstverband van de aspirant tussentijds worden beëindigd bij gebleken ongeschiktheid, onvoldoende prestaties of deviant gedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-132\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel132</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De ambtenaar van politie wordt op zijn verzoek ontslag verleend. Het ontslag op eigen verzoek wordt eervol verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Behoudens in het geval, genoemd in artikel 74, wordt het ontslag slechts verleend met in achtneming van een opzegtermijn van drie maanden vanaf de datum waarop het verzoek om ontslag is ontvangen door de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Van het eerste lid kan worden afgeweken, indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen de ambtenaar van politie is ingesteld of indien wordt overwogen hem de straf van ontslag op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Van het tweede lid kan worden afgeweken: indien wordt overwogen aan de ambtenaar van politie een straf als bedoeld in artikel 122 op te leggen; indien het dienstbelang dit bepaaldelijk vereist, met dien verstande dat de termijn van drie maanden tot ten hoogste zes maanden verlengd kan worden en dat bij de verlenging in redelijkheid met de belangen van de ambtenaar van politie rekening wordt gehouden; op verzoek van de ambtenaar van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Indien een ontslag op verzoek verleend wordt aan een aspirant, gaat het ontslag, in afwijking van het tweede lid, onmiddellijk in. De minister kan terugbetaling van de opleidingskosten of een gedeelte daarvan eisen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-133\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel133</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de aspirant, die tegen het einde van de basisopleiding niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend met ingang van de dag volgend op die, waarop de basisopleiding respectievelijk de betreffende opleiding voltooid zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 5 tweede lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, wordt geacht eervol ontslag verleend te zijn met ingang van de dag volgend op die, waarop de proeftijd inclusief eventuele verlenging verstreken is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Aan de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van politie, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid en geschiktheid, wordt geacht eervol ontslag verleend te zijn met ingang van de dag volgend op die, waarop de proeftijd inclusief eventuele verlenging verstreken is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Aan de ambtenaar van politie die gedurende de basisopleiding respectievelijk de proeftijd niet de geschiktheid blijkt te bezitten die voor de uitoefening van het ambt vereist is, kan eervol ontslag verleend worden mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van: drie maanden, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst was; twee maanden, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden, maar korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst was; één maand, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst was.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het ontslag, bedoeld in het vierde lid, kan al dan niet op verzoek van de ambtenaar van politie ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op verzoek van de ambtenaar van politie geschiedt, wordt hem over de tijd, die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de bezoldiging, vermeerderd met de vakantie­ uitkering, waarop hij aanspraak zou hebben gehad, als hij tot het einde van de opzeggingstermijn in dienst was gebleven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-134\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel134</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, die blijkens zijn landsbesluit van aanstelling benoemd is voor een bepaalde tijd, bedoeld in artikel 5, zesde lid en artikel 6, eerste lid, onderdelen b, c, d en e, wordt geacht eervol ontslag te zijn verleend zodra die tijd is verstreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De ambtenaar van politie, anders dan de aspirant, die blijkens zijn landsbesluit van aanstelling is benoemd voor onbepaalde tijd, kan eervol ontslag worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen van: drie maanden, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst was; twee maanden, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden doch korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst was; een maand, indien hij ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst was.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De opzegging, bedoeld in het tweede lid, kan niet geschieden gedurende zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar van politie noch gedurende het verlof, bedoeld in artikel 85, noch, indien zij de dienst heeft hervat, gedurende de daaropvolgende periode van vier weken. Ter staving van de zwangerschap kan de minister een verklaring van een genees- of verloskundige verlangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De opzegging, bedoeld in het tweede lid, kan niet geschieden gedurende buitengewoon verlof verleend aan de ambtenaar van politie bij ernstige ziekte van de personen in artikel 65, onder d, of de ambtenaar van politie die door middel van een geneeskundig bewijs aantoont dat hij zorgverlener is van zijn echtgenote of levensgezel in de gevallen bedoeld in het derde lid van dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.Het ontslag, bedoeld in het tweede lid, kan al dan niet op verzoek van de ambtenaar van politie, ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar van politie geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, waarop hij aanspraak zou hebben gehad indien hij tot het einde van de opzeggingstermijn in dienst was gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.Aan de ambtenaar van politie in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, kan ontslag verleend worden met ingang van een dag gelegen binnen de bepaalde tijd. Alsdan zijn het tweede tot en met het vierde lid van overeenkomstige toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-135\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel135</span><span class=\"lf-art-t\">Aan een ambtenaar van politie kan eervol ontslag verleend worden op grond van:</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">gebleken revolutionaire gezindheid; het lidmaatschap van een organisatie, waarvan de Gouverneur, de Raad van Advies gehoord, verklaard heeft dat zij om de doelen die zij nastreeft of om de middelen die zij aanwendt, een behoorlijke vervulling van het ambt in gevaar kan brengen of kan schaden; het op enigerlei wijze van medewerking of steun verleent aan een organisatie als bedoeld in onderdeel b.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-136\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel136</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een ambtenaar van politie, die door de Gouverneur of de Staten benoemd wordt in een openbare betrekking hier te lande, wordt met ingang van de dag van aanvaarding van die betrekking op non-actief gesteld, waarna bij ontslag uit eerstgenoemde betrekking herintreding bij het korps politiekorps of de dienst landsrecherche mogelijk is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-137\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel137</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Aan de ambtenaar van politie wordt eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De minister verzoekt de korpschef of het diensthoofd om een schriftelijke motivatie van het dienstbelang en een beoordeling zoals bedoeld in artikel 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De verlenging geschiedt maximaal drie keer met ten hoogste een jaar. Niettemin kan aan de betrokkene die, blijkens het schriftelijk oordeel van een geneeskundige bedoeld in artikel 79, tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere uitoefening van zijn betrekking, ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij schriftelijk in kennis is gesteld van dat oordeel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-138\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel138</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Buiten de gevallen bij dit besluit of bij het krachtens enige landsverordening, anders dan de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, kan de ambtenaar van politie alleen ontslagen worden op grond van: het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de aanstelling voorafgegaan zijnde, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak, waarbij de ambtenaar van politie onder curatele is gesteld; het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak; een onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf; uitgezonderd degenen die aan een dienstongeval lijden, onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken; het bij of in verband met de aanstelling dan wel de keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar van politie aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Een ontslag op grond van het eerste lid, onder a en e, wordt steeds eervol verleend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, kan niet eerder ingaan dan de dag volgend op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was.</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-139\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel139</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.Indien de functie van een ambtenaar van politie opgeheven wordt, zal de korpschef of het diensthoofd zoveel mogelijk trachten om de ambtenaar van politie een andere functie op te dragen, rekening houdend met zijn persoonlijkheid en omstandigheden, binnen het korps of een andere betrekking bij het Ministerie van Justitie. Artikel 96 is van overeenkomstige toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Indien de ambtenaar van politie het niet eens is met zijn aangeboden functie, aanvaardt hij de aangeboden functie en dient hij een bezwaar in aan de minister binnen dertig dagen na ontvangst van zijn aangeboden functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De minister laat het geval overwegen door een bezwarencommissie, die binnen dertig dagen advies zal geven aan de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.De Minister neemt een beslissing aan de hand van het advies van de bezwarencommissie, na het horen van de betrokken ambtenaar van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De minister kan nadere regels vaststellen voor wat betreft dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK13:Rechtsmiddelen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-140\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel140</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De aspirant en ambtenaar van politie kunnen binnen zes weken nadat zij van de beslissing inzake de vaststelling van een bezoldiging of de toekenning van een verhoging, vergoeding, toelage of andere beloning als bedoeld in hoofdstuk 3, dan wel inzake de weigering hem een dergelijke verhoging, vergoeding, toelage of andere beloning toe te kennen in kennis zijn gesteld of nadat zij geacht kunnen worden op een andere wijze daarmee bekend te zijn geworden, hun bezwaren daartegen aan de minister kenbaar maken door de indiening van een met redenen omkleed bezwaarschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.Het bezwaarschrift wordt door de aspirant, ambtenaar van politie of namens hen door een gemachtigde ondertekend. Indien het bezwaarschrift door een gemachtigde is getekend, worden de stukken welke naar aanleiding ervan door de minister tot betrokkene worden gericht, aan die gemachtigde en de betrokkene toegezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.Het indienen van een bezwaarschrift schort de uitvoering van de beslissing waartegen bezwaar gemaakt wordt niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.Tenzij het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is, worden de aspirant en ambtenaar van politie in de gelegenheid gesteld over hun bezwaren te worden gehoord door een of meer door de minister daartoe aangewezen personen. Degene die aangewezen is, onderscheidenlijk de meerderheid van degenen die aangewezen zijn, mag niet bij de totstandkoming van de beslissing of de weigering waartegen het bezwaar is gericht, betrokken zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.De aspirant en de ambtenaar van politie kunnen tijdens de zitting waarop zij gehoord worden, gebruik maken van een raadsman.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-141\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel141</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">1.De minister deelt de aspirant en de ambtenaar van politie zijn beslissing op het bezwaar zo spoedig mogelijk mee, doch uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het bezwaarschrift, dan wel indien een hoorzitting heeft plaatsgevonden, na de datum van die hoorzitting. Het tijdvak van één maand kan door de minister bij gemotiveerde beschikking eenmaal met ten hoogste één maand worden verlengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.De mededeling omtrent de beslissing op het bezwaar bevat de overwegingen waar deze op steunt en indien het bezwaar geheel of gedeeltelijk gegrond is gebleken, de wijziging van de oorspronkelijke beslissing of weigering waartoe de heroverweging de minister aanleiding heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.De beslissing op het bezwaar is een beschikking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling ambtenarenrechtspraak 1951. Indien met deze beslissing niet of niet geheel aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen, wordt in de mededeling, bedoeld in het tweede lid, tevens aangegeven, dat bij het Gerecht in Ambtenarenzaken beroep kan worden aangetekend en de termijn waarbinnen dat dient te geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">HOOFDSTUK14:Slotbepalingen</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-142\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel142</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Besluit rechtspositie korps politie Nederlandse Antillen wordt ingetrokken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-143\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel143</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit landsbesluit, houdende algemene maatregelen, treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel144</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegeven te Philipsburg, de tweeëntwintigste december 2023De Gouverneur van Sint MaartenDe zevenentwintigste december 2023De Minister van Justitie Uitgegeven de zevenentwintigste december 2023De Minister van Algemene Zaken Namens deze,Hoofd afdeling Juridische Zaken &amp; WetgevingBijlageA bij het Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten De vergoedingen, bedoeld in artikel 32 en artikel 39, van het landsbesluit worden als volgt vastgesteld:</p>\n<p class=\"lf-p\">In NAf De vergoeding per vol uur als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van het landsbesluit:</p>\n<p class=\"lf-p\">4 De vergoeding per dag, als bedoeld in artikel 32, derde lid, van het landsbesluit:</p>\n<p class=\"lf-p\">150 De vergoeding, als bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het landsbesluit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Agent 900 Brigadier 1,100 Hoofdagent 1,300 Inspecteur 1,500 De vergoeding per kalendermaand, als bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van het landsbesluit:</p>\n<p class=\"lf-p\">650 De vergoeding per lesuur, als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het landsbesluit:</p>\n<p class=\"lf-p\">80 De vergoeding, bedoeld in artikel 39, eerste lid:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aspirant of surveillant 20 Agent 27 Brigadier 32 Hoofdagent 38 Inspecteur 44 De vergoeding, bedoeld in artikel 39, tweede lid, van het landsbesluit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aspirant of surveillant 26 Agent 35 Brigadier 43 Hoofdagent 51 Inspecteur 58 De vergoeding, bedoeld in artikel 39, derde lid, van het landsbesluit:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aspirant of Surveillant 33 Agent 43 Brigadier 54 Hoofdagent 65 Inspecteur 74 BijlageB behorende bij het Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten, bezoldigingsschalen voor de ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak Schaal 1 Schaal 2 Schaal 3 Schaal 4 Schaal 5 Schaal 6 Schaal 7 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 1 1558 1608 1600 1651 1936 1998 2813 2903 3629 3745 4207 4341 4825 4980 2 1600 1651 1646 1698 1989 2052 2927 3021 3726 3845 4304 4442 4928 5085 3 1646 1698 1689 1743 2381 2457 3014 3111 3825 3948 4405 4546 5031 5192 4 1689 1743 1735 1791 2512 2592 3101 3200 3916 4041 4508 4652 5147 5312 5 1735 1791 1784 1841 2646 2730 3183 3285 4005 4134 4612 4760 5266 5435 6 1784 1841 1833 1892 2813 2903 3266 3370 4107 4238 4717 4868 5378 5550 7 1833 1892 1883 1943 3359 3466 4207 4341 4825 4980 5488 5664 8 1883 1943 1936 1998 3453 3563 4304 4442 4928 5085 5608 5787 9 1936 1998 1989 2052 3541 3655 4405 4546 5031 5192 5727 5910 10 3629 3745 4508 4652 5147 5312 5858 6045 11 3726 3845 4612 4760 5266 5435 5986 6178 12 3825 3948 4717 4868 5378 5550 6107 6302 13 4825 4980 5488 5664 6230 6430 14 4928 5085 15 5031 5192 Schaal 8 Schaal 9 Schaal 10 Schaal 11 Schaal 12 Schaal 13 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 1 5266 5435 5986 6178 6754 6970 7270 7503 7787 8037 8183 8445 2 5378 5550 6107 6302 6888 7109 7399 7636 7918 8171 8314 8580 3 5488 5664 6230 6430 7021 7246 7527 7768 8047 8304 8712 8991 4 5608 5787 6366 6570 7144 7373 7657 7902 8183 8445 8952 9238 5 5727 5910 6502 6710 7270 7503 7787 8037 8314 8580 9196 9490 6 5858 6045 6629 6841 7399 7636 7918 8171 8712 8991 9452 9754 7 5986 6178 6754 6970 7527 7768 8047 8304 8952 9238 9792 10106 8 6107 6302 6888 7109 7657 7902 8183 8445 9196 9490 10062 10384 9 6230 6430 7021 7246 7787 8037 8314 8580 9452 9754 10339 10670 10 6366 6570 7144 7373 7918 8171 8662 9821 10624 10964 11 6502 6710 7270 7503 8047 8304 10915 11264 12 6629 6841 7354 7589 13 6754 6970 7441 7679 14 6888 7109 15 7021 7246 Schaal 14 Schaal 15 Schaal 16 Schaal 17 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 Oct-10 Jan-12 1 8952 9238 9592 9899 10691 11034 11287 11648 2 9196 9490 9858 10173 10986 11337 11599 11970 3 9452 9754 10129 10453 11287 11648 11917 12299 4 9592 9899 10408 10741 11599 11970 12245 12637 5 9858 10173 10691 11034 11917 12299 12582 12985 6 10129 10453 10986 11337 12245 12637 12927 13340 7 10408 10741 11287 11648 12582 12985 13284 13709 8 10691 11034 11287 11648 12927 13340 13649 14086 9 10986 11337 11599 11970 13700 14022 14471 10 11287 11648 11917 12299 14070 14861 11 11962 12631 14449 15262 12 12285 12972 14840 15675 13 12629 13322 15240 16098 14 13682 15652 16532 15 14051 16074 16979 16 14345 16300 17437 17 17908 18 18392 19 18517 NOTA VAN TOELICHTING I. Algemeen deel Dit landsbesluit geeft gevolg aan de opdracht van artikel 7, tweede lid, van de Landsverordening politie. Dit landsbesluit is het resultaat van een intensieve dialoog en onderhandelingen met de drie vakverenigingen, NAPB, ABVO en WICSU/PSU die het politiepersoneel vertegenwoordigen. Het resultaat van de onderhandelingen met de vakbonden is aanleiding geweest om een aantal onderwerpen te herzien. Op 14 oktober 2022 heeft de Minister van Justitie en de Commissie van vakorganisaties een convenant ondertekend, waaruit blijk van de eerste instemming met dit ontwerp is gegeven. Bij addendum van 7 juli 2023 zijn nadere wijzigingen overeengekomen, waaruit de volharding van instemming blijkt. Ten bewijze van het voorgaande worden zowel het convenant als dier addendum aangehecht. Het ontwerp is echter voor het leeuwendeel overgenomen van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (hierna: BRKPNA) dat sinds 10 oktober 2010 als zodanig geldend recht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanleiding en noodzaak van herziening van het BRKPNA is meerledig. Op de eerste plaats voldoet het BRKPNA niet meer, nadat het politiebestel van de toenmalige Nederlandse Antillen, dat op grond van de Politieregeling 1999 was ingesteld, door de wijziging van de staatkundige structuur is komen te vervallen, terwijl het BRKPSM beoogd ter vervanging nimmer in werking is getreden. Tegelijkertijd werd de inrichting, organisatie en het beheer van de politie van Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Saba en Sint Eustatius en de onderlinge samenwerking tussen de politie van genoemde landen en van de drie openbare lichamen bij de Rijkswet Politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: rijkswet) geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De noodzaak en wenselijkheid om de rechtspositie van ambtenaren van politie te herzien blijkt uit de verschillende verplichtingen die uit de rijkswet politie voortvloeien en wel als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt van die rijkswet is dat de onderscheiden politiekorpsen zich ontwikkelen tot volwaardige, kwalitatief goed en professionele korpsen die zodanig worden georganiseerd en ingericht dat zij de politietaken - strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, handhaving van de openbare orde en de hulpverlening - zelfstandig en zo effectief en efficiënt mogelijk kunnen uitvoeren. De politietaken zijn aan de korpsen opgedragen. Voorts bevat het voorstel ten aanzien van de inrichting van de korpsen de opdracht aan de landen in een aantal cruciale politiefuncties te voorzien (artikel 7, tweede lid). Het gaat om recherche, observatie, aanhouding van vuurwapengevaarlijke verdachten en een voorziening voor het optreden ter handhaving van de openbare orde en hulpverlening. Aan deze verplichtingen zijn inherent de verandering van de organisatiestructuur van het politiekorps van Sint Maarten en de invoering van nieuwe functies. Dit raakt de rechtspositie van het politiepersoneel, waardoor een nieuwe rechtspositieregeling onontbeerlijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast omvat de rijkswet enkele basisbepalingen over het beheer van de korpsen. Op de eerste plaats wordt de korpsbeheerder aangewezen. Dit is voor Sint Maarten de Minister van Justitie. Het dagelijks beheer zal feitelijk in handen zijn van de korpschef en het diensthoofd van de Landsrecherche. Ook deze uitgangspunten van de rijkswet dienen in een rechtspositieregeling hun weerslag te vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot is er op grond van de rijkswet, met het oog op samenwerking, onder meer een onderlinge regeling in verband met trainings-, opleidings- en kwaliteitseisen, een onderlinge regeling met betrekking tot de uitrusting van de politie en een onderlinge regeling met betrekking tot de hoofdrangen van politie tot stand gekomen. Ook biedt de rijkswet Politie de grondslag voor het vaststellen van een minimumsterkte voor de politie, volgens een vastgelegde methode. Deze onderlinge regelingen en hun gevolgen dienen in de rechtspositieregeling vertaald te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is de structuur van het Korps Politie Sint Maarten op 10 oktober 2010 de facto gewijzigd. In de toenmalige Nederlandse Antillen was het Korps Politie Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius onderdeel van het politiebestel van de Nederlandse Antillen, zoals dat in de Politieregeling 1999 werd vastgesteld. In dat bestel bestonden er naast drie eilandelijke politiekorpsen ook centrale diensten, die belast waren met politiële taken ten dienste van de eilandelijk georganiseerde politiekorpsen. Door het uiteenvallen van de Nederlandse Antillen en de totstandkoming van de Rijkswet politie, is de structuur van het Korps Politie Sint Maarten (hierna: KPSM) de facto gewijzigd, omdat ook de taken die voorheen door de centraal georganiseerde politiediensten werden uitgevoerd, door het KPSM op een of ander manier overgenomen moesten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook ontbrak er een regeling waarbij de Landsrecherche als onderdeel van het politiebestel van Sint Maarten opgenomen was. Daarnaast schrijft de Rijkswet politie een aantal organisatorische- en kwaliteitsvoorwaarden aan de organisatie en inrichting van het politiekorps. Daarom was het noodzakelijk om de functiebeschrijvingen van het KPSM en van de Landsrecherche aan te passen en de functies bij het KPSM en de Landsrecherche opnieuw te waarderen. Het heeft echter tot december 2021 geduurd voordat de functiebeschrijvingen en -waarderingen van het KPSM en de Landsrecherche vastgesteld werden. De vaststelling van het functieboek van het KPSM heeft plaatsgevonden, maar op grond van een functieboek dat samengesteld is uit functieboeken voor de onderscheidenlijke uitvoeringsorganisaties van het Ministerie van Justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van het functieboek van het KPSM en van de Landsrecherche vond plaats op grond van artikel 5 van het Organisatiebesluit van het Ministerie van Justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de Raad van Advies (RvA no SM/01-21-LB) is de regering van Sint Maarten thans van mening toegedaan dat het vaststellen van het functieboek van het KPSM bij meerdere landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, tot verwarring zal leiden. Het is echter wel noodzakelijk in dit landsbesluit aan te geven dat de functiebeschrijvingen en -waarderingen van het KPSM en van de Landsrecherche als een bijlage bij het Organisatiebesluit van het Ministerie van Justitie zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts vloeit de noodzaak voor herziening van de rechtspositie van de ambtenaar van politie voort, uit het feit dat er in het jaar 2007 door de regering van de toenmalige Nederlandse Antillen tot enkele wijzigingen in verband met enkele geldelijke compensaties (dark hours, overwerk, compensatie voor leden van het arrestatieteam en voor het les geven) werd besloten. De beslissing van de ministerraad werd echter niet omgezet in een formele wijziging van het BRKPNA, terwijl op verschillende onderdelen wel uitvoering werd gegeven aan die beslissing. Na 2010 heeft het Korps Polities Sint Maarten tot 2020 de uitbetaling van de compensaties, toegepast. De regering van Sint Maarten heeft de betalingen van compensaties in die vorm in het jaar 2020 stopgezet, nu daar een wettelijke grondslag aan ontbrak en bij de betaling van compensaties BRKPNA regelingen gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zijn enkele belangrijke wijzigingen in de rechtspositie aangebracht als gevolg van de praktijkervaringen die zijn opgedaan bij de uitvoering van het BRKPNA. Tevens zijn op een aantal onderdelen wijzigingen aangebracht die het gevolg zijn van rechterlijke uitspraken in verband met de interpretatie van het BRKPNA.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politietaak omvat de handhaving van de rechtsorde en de bescherming van personen die deze behoeven. Ambtenaren van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, met name de opsporing van strafbare feiten, zijn sinds 10 oktober 2010 werkzaam bij het KPSM en de Landsrecherche. In de toenmalige Nederlandse Antillen werd de terminologie “korps” in de Politieregeling 1999 gebruikt als een verzamelnaam van algemene en bijzondere politiediensten, alsmede centrale politiediensten. Op 10 oktober 2010 was dat niet het geval in de Landsverordening politie van Sint Maarten. Daarin wordt het korps politie Sint Maarten aangeduid als politieorganisatie. In dit landsbesluit is daarom de aanduiding van de regeling aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de volgende onderdelen van deze toelichting zal stilgestaan worden bij de belangrijkste wijzigingen, te beginnen met aanpassingen die verband houden met het verkrijgen van de status van Land door Sint Maarten en aanpassingen die verband houden met vastlegging van de wijziging van het BRKPNA in 2007, aanpassingen in verband met en wijzigingen die hun oorzaak vinden in de praktijkervaringen met het BRKPNA. In het voorlaatste hoofdstuk wordt op een overzichtelijke manier de financiële gevolgen van dit besluit in kaart gebracht (paragraaf 1.5). Het geheel wordt afgesloten met een artikelsgewijze toelichting (hoofdstuk 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2. Aanpassingen in verband met de nieuwe staatkundige structuur, de Rijkswet politie en de daarop berustende onderlinge regelingen 1.2.1. Wettelijke grondslag Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten De grondslag van dit landsbesluit is gelegen in de Landsverordening politie, zoals gewijzigd. Het politiebestel omvat, anders dan dat het geval was voor 10 oktober 2010, het korps politie Sint Maarten en de Landsrecherche. De inrichting, organisatie en het beheer van de politie van Sint Maarten worden geregeld in de Rijkswet politie en de Landsverordening politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2.2. Uitgangspunten Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten De uitgangspunten die ten grondslag lagen aan de regeling van de rechtspositie voor ambtenaren van politie in een afzonderlijke regeling zijn nog steeds van kracht. Immers, nog altijd neemt de politie een aparte positie in het maatschappelijk bestel. In het verlengde daarvan vertonen de functies bij de politie ook een aantal kenmerken die in de gebruikelijke ambtelijke organisatie niet voorkomen, zoals levensbedreigende situaties, het 24 uur per dag beschikbaar zijn en de relatief grote afbreukrisico’s die aan het politievak verbonden zijn. Deze kenmerken worden, naarmate de veiligheidssituatie verandert, zoals dat wereldwijd het geval is, nog nadrukkelijker. De toenemende grensoverschrijdende criminaliteit, waarbij steeds meer gebruik wordt gemaakt van nieuwe technologie en terrorisme zijn daar slechts enkele voorbeelden van.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit landsbesluit wordt het begrip rechtspositie ruim opgevat. Zowel de algemene rechtspositie, zoals functies, rangen, beëdiging, eisen voor aanstelling, benoeming, beoordeling en ontslag, als de financiële rechtspositie, zoals bezoldiging en toelagen, vallen hier onder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de goede orde zij opgemerkt, dat het voorgaande niet betekent dat er thans sprake is van een rechtspositieregeling voor ambtenaren van politie, die volledig afwijkt van de regelingen voor de overige ambtenaren. In veel gevallen zullen de regelingen, uit een oogpunt van uniformiteit, hetzelfde kunnen en ook moeten zijn. Een en ander laat echter onverlet, dat er daar waar de taak en organisatie van een overheidsdienst daartoe nopen, tot een afwijkende regeling gekomen moet kunnen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander belangrijk punt in dit verband is, dat het landsbesluit zoveel mogelijk op alle politiefunctionarissen van toepassing is, dus zowel op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de (executieve-)politietaak, als op de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie (administratief/technisch personeel). Dit in navolging van de Rijkswet politie. In zijn algemeenheid is dit landsbesluit dan ook, met uitsluiting van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: LMA), aanverwante landsverordeningen en daarop gebaseerde regelingen, mede van toepassing op laatstgenoemde categorie politiefunctionarissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een volgend belangrijk aspect van dit landsbesluit betreft de deconcentratie van personeelsbevoegdheden, met name waar het bevoegd gezag wordt bekleed door de Minister van Justitie. De grondslag voor deze deconcentratie is te vinden in de Rijkswet politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2.3. Werking Rechtspositiebesluit politie Sint Maarten Dit landsbesluit heeft enkel betrekking op ambtenaren van politie in dienst van het Land. Die ambtenaren zijn werkzaam bij het korps politie Sint Maarten, de Landsrecherche en bij andere door de regering van Sint Maarten aan te wijzen instanties, die belast zijn met een of enkele politietaak-onderdelen. In de rijkswet is het begrip “ambtenaar van politie” gedefinieerd, evenals de begrippen “ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak” en “ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie”. Deze definitiebepalingen zijn in dit landsbesluit overgenomen. Welke ambtenaar onder welke begrip valt, vloeit voort uit de taken die aan de ambtenaar op grond van de hem toegekende functie zijn opgedragen. De dienst of het dienstonderdeel waarbij de ambtenaar feitelijk werkzaam is, is niet bepalend voor de vaststelling van de status van de ambtenaar van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2.4. Bevoegd gezag In de Rijkswet politie is de Minister van Justitie aangewezen als beheerder van het politiekorps op Sint Maarten. De Minister van Justitie is dan ook het bevoegd gezag. Omdat korpsbeheerder en bevoegd gezag samen vallen, wordt in dit besluit volstaan met alleen de Minister van Justitie als terminologie te gebruiken. Tevens is de definitie “korpschef” overgenomen uit de rijkswet, maar voor de toepassing van dit besluit zodanig uitgebreid dat naast de korpschef steeds het diensthoofd van de Landsrecherche genoemd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2.5. Rangen Artikel 3 van dit besluit is in overeenstemming met de Onderlinge regeling houdende het hoofdrangenstelsel van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Regeling hoofdrangenstelsel van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba). De rang van surveillant is opgenomen als gevolg van de toevoeging van een gelijkluidende functie van lager niveau dan de functies waaraan de rang van agent is verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.2.6. Overige wijzigingen De maximumleeftijd van 34 jaar voor aanstelling tot aspirant is geschrapt in verband met de Regeling kwaliteitscriteria en opleidings- en trainingsvereisten van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Daarnaast wordt in het huidige bestel aangenomen dat een maximumleeftijd voor aanstelling als aspirant vooralsnog niet noodzakelijk wordt geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3. Aanpassingen naar aanleiding van de wijziging van het BRKPNA in 2007 en naar aanleiding van rechterlijke uitspraken 1.3.1. Wijziging BRKPNA 2007 en BRKPSM Een aantal bepalingen zijn opgenomen in verband met de door de regering van de toenmalige Nederlandse Antillen in 2007 genomen beslissingen in verband met de wijziging van het BRKPNA en die door de regering van Sint Maarten na 2010 werd voortgezet. Opgemerkt wordt dat deze wijzigingen ook niet in dit besluit worden overgenomen. Daarnaast zijn in de loop der tijd sinds de totstandkoming van het BRKPNA, diverse uitspraken van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie geweest, die aanleiding hebben gegeven tot het buiten toepassing geraken van enkele bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 31, achtste lid, van dit besluit is aangepast naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak die vervolgens navolging kreeg, waarbij de agent niet na vijf jaar maar na drie jaar in aanmerking komt voor bevordering naar de rang van brigadier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de bepaling opgenomen in artikel 32, eerste lid, van dit besluit in verband met de nachtdiensttoelage is in overeenstemming met de wijziging van het BRKPNA in 2007 en tot 2020 in Sint Maarten nagevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling van een vergoeding voor leden van het arrestatieteam vloeit voort uit de wijziging van het BRKPNA uit 2007. De bepaling is opgenomen als artikel 32, vierde lid, van dit landsbesluit. Een andere vergoeding vergelijkbaar met die van het arrestatieteam, namelijk die van het observatieteam, is ook in de nieuwe bepaling opgenomen. De noodzaak daartoe vloeit voort uit de regelmaat waarmee deze specialistische teams ingezet worden onder voor de ambtenaar minder gunstige en vaak levensgevaarlijke omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.3.2. Vergoeding overwerk operationeel leidinggevenden Artikel 38 vloeit voort uit de wijziging van het BRKPNA uit 2007. Een integrale overname blijkt echter niet gewenst, omdat in de praktijk is gebleken dat het onderscheid in vergoeding van overwerk tussen operationele ambtenaren van politie belast met de uitvoering van de politietaak nogal discriminerend en onjuist is. Dat is met name het geval bij de teamleider of team coördinator in de rang van inspecteur, die in groepsverband optreedt en overwerk opgedragen wordt in verband met de ononderbroken voortzetting van de taakuitvoering. Feit is dat een dergelijk optreden in de dagelijkse politiepraktijk voortvloeit uit de aard van de politietaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling uit 2000 en de wijziging uit 2007 maakten namelijk een onderscheid in de manier waarop politiepersoneel met de rang van inspecteur of hoger, die overwerk verrichten, daarvoor vergoed worden. Bij het politiepersoneel tot de rang van hoofdagent is betaling in geld op basis van een vaste geldelijke vergoeding per uur regel geweest. Bij de rang van inspecteur of hoger is betaling voorgeschreven op basis van vergoeding in vrije tijd. In de praktijk blijkt echter dat die laatste vorm van vergoeding al heel gauw in de knel komt, omdat uit de aard van de organisatie de leidinggevende functies op het niveau van inspecteurs of hoger qua aantal aanzienlijk beperkter zijn. Opnemen in vrije tijd zal in dergelijke gevallen tot capaciteitstekort leiden, hetgeen ongewenst is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergoeding in tijd aan inspecteurs of hoger brengt dan met zich mee, het uitbetalen van waarnemingsvergoedingen teneinde in de leiding van het team gedurende de reguliere taakuitvoering te voorzien. Ook is onderbreking van een voortgezette taakuitvoering in de praktijk vrijwel ondoenlijk, als het gaat om leidinggevenden. De kleinschaligheid brengt met zich mee dat dezelfde leidinggevende dan aangewezen is om continuïteit van bijvoorbeeld een politieonderzoek te garanderen. Om die redenen wordt in dit besluit voorzien in een regeling waarbij de ambtenaar van politie in de rangen tot hoofdinspecteur die overwerk opgedragen wordt, een geldelijke vergoeding geniet gelijk de overige ambtenaren van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is echter opgenomen dat voorafgaande toestemming door of namens de korpschef vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4. Overige bepalingen van bijzonder belang 1.4.1. Langdurig bereik maximum-bezoldiging Een andere bron van personeelsontevredenheid binnen de politie heeft betrekking op de anciënniteit van het personeel in de maximumbezoldiging van de functionele schaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met name bij het executief politiepersoneel bestaat de situatie dat een deel van personeel op het niveau van schaal 9 en 10 zich in de maximumbezoldiging van de functionele schaal bevindt, bij een totale diensttijd van gemiddeld dertig dienstjaar. Mede gelet op de veranderingen met betrekking tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar, zijn de vooruitzichten voor deze ambtenaren nogal beperkt. Uit een simulatie met de bezoldigingsschalen voor ambtenaren van executieve politieambtenaren blijkt dat een ambtenaar die in dienst van de politie is getreden op zijn 50ste tot 55ste leeftijd, terecht zal komen op de maximumbezoldiging van de functionele schaal in schaal 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit besluit worden de volgende oplossingen voor dit probleem vastgesteld. De ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, die de maximumbezoldiging in schaal 9 heeft bereikt en gedurende vijf jaar de maximumbezoldiging in die schaal heeft genoten, wordt bevorderd naar de naast hogere schaal, mits de wijze van functioneren gedurende de laatste drie achtereenvolgende jaren voorafgaande aan de bevordering goed wordt beoordeeld. De ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, die de maximumbezoldiging in schaal 10 heeft bereikt en gedurende vijf jaar de maximumbezoldiging in die schaal heeft genoten, wordt bevorderd naar de naast hogere schaal, mits de wijze van functioneren van deze ambtenaar gedurende de laatste drie achtereenvolgende jaren voorafgaand aan de bevordering goed wordt beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.4.2. Drugstest en Fysieke Conditie Nieuw in dit ontwerp is de toevoeging van artikel 90 van het landsbesluit. Het zesde lid legt de basis voor de bevoegdheid van de minister om, in het belang van de integriteit van de politie, periodieke uitvoering van urineonderzoek op aanwezigheid van drugs bij ambtenaren van politie in te stellen. Er zijn een minimum aantal eisen waaraan een dergelijke regel zal moeten voldoen om de betrouwbaarheid van het onderzoek zeker te stellen, maar ook om medewerking van de ambtenaar van politie te verzekeren. Deze regels betreffen in elk geval de verplichting van de ambtenaar van politie om urine af te staan ten behoeve van het onderzoek, de wijze van uitvoeren van het onderzoek, het recht van de ambtenaar van politie om de uitslag te vernemen en om voor eigen rekening een hernieuwd onderzoek van de afgestane urine te laten plaatsvinden, alsmede de maatregelen die getroffen kunnen worden als gevolg van het weigeren om urine af te staan voor het onderzoek dan wel als gevolg van het resultaat van een urineonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zal er na een eerste constatering van het gebruik van drugs, door de minister maatregelen genomen dienen te worden. Die maatregelen zullen in eerste instantie bestaan uit het behandelen van de betrokken ambtenaar van politie en het hem of haar tijdelijk belasten met andere werkzaamheden. Blijkt dat de betrokken ambtenaar van politie de behandeling vroegtijdig staakt of na de uitvoering van die maatregelen dat de betrokken ambtenaar van politie terugvalt in het gebruik van drugs, dan dient er aan de disciplinaire maatregelen gedacht te worden, zoals ontslag wegens ongeschiktheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de fysieke gezondheid van de politieambtenaar is al jaren een onderwerp van zorg. Teneinde ook in dat verband een oplossing te bieden, zal de minister in het belang van de kwaliteit van de taakuitvoering van de politie, regels stellen omtrent de periodieke uitvoering van onderzoek naar de fysieke conditie van de ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak. In principe zullen er normen gesteld worden waaraan de ambtenaar moet voldoen. Het spreekt voor zich dat de ambtenaar voldoende gelegenheid gegund wordt om door sport of lichamelijke oefening aan de gestelde normen te voldoen. De door de minister te treffen regels betreffen in elk geval de verplichting van de ambtenaar zich te onderwerpen aan het onderzoek, de normen van lichamelijke geschiktheid voor de leeftijdscategorie waartoe de ambtenaar behoort, de wijze van uitvoeren van het onderzoek, het recht van de ambtenaar van politie om de uitslag te vernemen en de maatregelen die getroffen kunnen worden als gevolg van het weigeren zich te onderwerpen aan het onderzoek dan wel als gevolg van het resultaat van een onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5. Financiële paragraaf Zoals eerder in deze nota van toelichting opgemerkt, betreft dit besluit voor het grootste gedeelte de overname - al dan niet in aangepaste vorm - van bepalingen uit het BRKPNA. De meeste aanpassingen hebben betrekking op de verandering van de staatkundige structuur waarbij het politiebestel in het nieuwe stelsel betrekking heeft op het land Sint Maarten. Die bepalingen hebben uit de aard der zaak geen andere financiële gevolgen dan de toepassing van het BRKPNA tot de inwerkingtreding van dit besluit. Bijzondere aandacht is geschonken aan het onderwerp van de inwerkingtreding met terugwerkende kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bijzondere belang dat gediend wordt met terugwerkende kracht is het bieden van rechtszekerheid aan de ambtenaren die vallen onder het ministerie van justitie. Het betreft een begunstigend besluit. Er is gedacht in het belang van de ambtenaren en hun rechtszekerheid en rechtspositie. De ambtenaren hebben sinds 10 oktober 2010 eigenlijk in relatieve onzekerheid gewerkt. Vanuit het perspectief van goed werkgeverschap zou het niet voor rekening en risico moeten komen van de ambtenaren dat het Land Sint Maarten zo lang de tijd nodig heeft gehad om de huishouding op orde te krijgen. Het is de meest rechtvaardige beslissing om dit besluit met terugwerkende kracht te kunnen nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering begrijpt verder goed dat gelet op de precaire financiële situatie van het Land Sint Maarten, voorzichtig omgegaan moet worden met besluiten met financiële gevolgen. Zeker als deze gevolgen ook structurele kosten met zich mee brengen die zullen drukken op de begroting van ons land. Tegelijkertijd is het belangrijk om te vermelden dat het merendeel van de ambtenaren die door deze maatregel geraakt zullen worden niet in de top verdien schalen zitten van de overheid, dat het belangrijk is dat de ambtenaar evenredig en eerlijk beloond wordt voor de diensten vergelijkbaar binnen het Koninkrijk, dat de kosten voor levensonderhoud op Sint Maarten sinds 10 oktober 2010 alleen maar zijn gestegen en dat het Land Sint Maarten als werkgever een voorbeeldfunctie heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de regering zijn dit allemaal belangen geweest die meegenomen zijn in de belangenafweging om uiteindelijk te komen tot een beslissing om de regeling terugwerkende kracht te geven tot 10 oktober 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totale financiële paragraaf betreft een incidenteel bedrag van Nafl 44,588,500 en een structureel bedrag van Nafl. 2,335,935 jaarlijks. Conform artikel 20 lid 2 van de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten heeft het ministerie van justitie het voornemen tot het aangaan van de financiële verplichting voorgelegd voor advies aan de Minister van Financiën. De Minister van Financiën heeft positief geadviseerd op 10 juli 2023 en daarmee bevestigd dat de begroting van 2023 zowel de incidentele last als de structurele jaarlijkse kostprijs kan dekken. Het incidentele bedrag bestaat uit een totaalbedrag van Nafl. 31,309,673 aan salariskosten, Nafl 1,878,580 aan vakantiegelden, Nafl 3,877,261 zijnde een correctie factor van 10 procent voor niet actief personeel, en Nafl. 1,938,630 als vijf procent foutmarge. Van dit totale incidentele bedrag zal 34.41 procent ingehouden worden voor premiums en in totaal Nafl. 8,700,000 aan loonbelasting. Deze bedragen zijn inclusief een inschatting van de risico’s voor mogelijke kosten aan voormalig ambtenaren die met pensioen zijn gegaan, zijn overleden en de rechten van hun nabestaanden. Het voorgaande vindt haar basis in de toepassing van gecorrigeerde bezoldiging schalen, eveneens met terugwerkende kracht. Een nadere toelichting betreffende het tot stand komen van de bezoldiging schalen en bedragen volgt hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5.1. Gevolgen door aanpassing van de bezoldigingsbedragen Dit landsbesluit voorziet ook in de regeling van de bezoldigingsschalen voor de ambtenaar van politie. Daarnaast wordt aangesloten bij de nieuwe functieboeken die inwerking zijn getreden bij landsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het BRKPNA is naar transitoir recht geldend gebleven, vanwege het gemis aan een rechtspositie regeling ter vervanging. Met de inwerkingtreding van dit besluit wordt voorzien in de inwerkingtreding van bezoldigingsschalen, die per 10 oktober 2010 geldend hadden moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bedragen van de bezoldigingsschalen van ambtenaren van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, in de toenmalige Nederlandse Antillen waren sinds de inwerkingtreding van het Besluit Rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 hoger (met name in de bezoldigingsschalen vanaf 4 tot en met 11) dan voor de overige ambtenaren (ook burgerambtenaren genoemd) van het Land de Nederlandse Antillen. De ambtenaren die op Sint Maarten tewerkgesteld werden, kregen de zogenaamde Bovenwindse toelage van 16.3%. In 2010 heeft het Land Sint Maarten besloten de Bovenwindse toelage op te nemen in de bezoldigingen voor ambtenaren op Sint Maarten, met uitzondering van de bezoldigingen van ambtenaren van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens heeft de regering van Sint Maarten de bezoldigingen van alle burgerambtenaren in dienst van Sint Maarten per 1 januari 2012 geïndexeerd met 3.2%. Ook die wijziging van bezoldigingsbedragen van ambtenaren van politie, belast met de uitvoering van de politietaak is uitgebleven en wordt thans in de bezoldigingsbedragen verwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling van de bezoldigingen van ambtenaren van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, geschiedt in dit landsbesluit dan ook door de voor deze ambtenaren tot 10 oktober 2010 geldende bezoldigingsbedragen te verhogen met 16.3%. Ook zijn de bezoldigingsbedragen bij het KPSM zodanig samengesteld dat de bedragen per schaal per 10 oktober 2010 steeds voorafgaan aan een tweede kolom per schaal met de per 1 januari 2012 met 3.2% geïndexeerde bezoldigingsbedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van burgerambtenaren wordt in dit landsbesluit volstaan met verwijzing naar de Bezoldigingsregeling ambtenaren. Wanneer dit landsbesluit op specifieke delen terugwerkende kracht acht te hebben tot 10 oktober 2010 zal deze verwijzing met zich meebrengen dat voor wat betreft de bezoldiging van ambtenaren van politie belast met administratieve, technische en andere taken ten dienste van de politie, deze gelijk getrokken wordt met de bezoldiging van de overige ambtenaren in dienst van het Land Sint Maarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenmerkend voor de schalen van ambtenaren van politie, belast met de uitvoering van de politietaak, is dat de basisbezoldiging (trede 1) en maximumbezoldiging in de schalen nummer 4 tot en met 9 aanzienlijk hoger is dan de maximumbezoldiging geldende voor burgerambtenaren. Er is sprake van verschillen in bedragen tussen de executieve politieambtenaar en de burger (politie)ambtenaar variërend van ruim NAf. 700 tot ruim NAf. 1,800. Een tweede kenmerk van de tabel is dat het aantal treden in elke schaal aanzienlijk minder is in vergelijking met de bezoldigingsschalen geldend voor burgerambtenaren, variërend van 9 tot 13 treden in de schalen. Kortom, de politieambtenaar verdient (veel) meer en kan sneller in het maximumschaalbedrag terechtkomen. Dat maakt de politieorganisatie niet alleen aantrekkelijker maar versterkt ook de financiële kracht en integriteit van de executieve politieambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het jaar 2000, toen de bezoldigingsschalen van executieve politieambtenaren werden vastgesteld in de toenmalige Nederlandse Antillen, is er voor gekozen om geen onderscheid te maken tussen de bezoldigingsschalen en bezoldigingsbedragen in de bezoldigingsschalen vanaf 13. De achtergrond van die keuze is altijd geweest dat de zwaarte van de functie van leidinggevenden aan de top van een politieorganisatie niet meer zou zijn in vergelijking met andere leidinggevende functies bij de overheid. Daarom werden dezelfde bezoldigingsbedragen geldend voor burgerambtenaren overgenomen in de toen geldende bezoldigingsschalen van executieve politieambtenaren. Bij de overgang van het KPSM en de Landsrecherche naar het Land Sint Maarten is echter een andere uitdaging ontstaan, als gevolg van het feit dat de regering van Sint Maarten voor alle bezoldigingsschalen geldende voor burgerambtenaren 20 salaristreden heeft opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de aanpassing van de bezoldigingsbedragen voor executieve politieambtenaren in de schalen vanaf 11, zoals in dit landsbesluit het geval is, ontstaat een situatie waarbij de maximumbezoldiging in die schalen veel lager blijft in vergelijking met burgerambtenaren. Het probleem is in het onderhavige landsbesluit opgelost door in de schalen 11, 12, 14 tot en met 17 evenzoveel treden toe te voegen totdat hetzelfde maximumbezoldigingsbedrag is gerealiseerd in vergelijking met de schalen van burgerambtenaren. Daarvoor is het gemiddelde percentueel verschil tussen de treden in een schaal als uitgangspunt genomen (2.7%). In schaal 13 blijkt het verschil met de schaal voor burgerambtenaren echter zodanig klein te zijn, dat toevoeging van een trede in redelijkheid niet vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is echter geen reden om de bezoldiging van de aspirant in dit landsbesluit aan te passen. Immers, in het functieboek, zoals vastgesteld, bestaat aspirant niet als functie. Uit het oogpunt van een correcte vaststelling van de formatie van het KPSM zal dit wellicht in de toekomst aangepast worden, opdat aspiranten mede in de formatie van het KPSM opgenomen worden, teneinde een juiste weergave daarvan te bewerkstelligen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zal rekening gehouden moeten worden met het feit dat de executieve ambtenaar die op 10 oktober 2010 reeds de rang van brigadier in schaal 6 had, per die dag ingepast dient te worden in schaal 7 met behoud van hetzelfde bezoldigingsbedrag dan wel een voor deze ambtenaar gunstiger bezoldigingsbedrag in die schaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financiële gevolgen die voortvloeien uit het voorgaande in deze paragraaf voortvloeien zijn als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering van Sint Maarten heeft vanaf 2010 aan ambtenaren van politie de uitbetaling van de zogenaamde bovenwindse toelage voortgezet, met als grondslag de bezoldigingsbedragen die op basis van het BRKPNA uitbetaald worden. Ook wordt vanaf 1 januari 2012 een loonindexering van 3.2% op de bezoldiging van ambtenaren van politie uitbetaald. In 2019 is daartoe een bedrag van NAf. 4.6 miljoen gereserveerd en een bruto voorschot uitbetaald. Daarvan is een bedrag van NAf. 2,330,000 in 2022 nog gereserveerd voor nog te betalen salarissen en toelagen als gevolg van de vaststelling van dit landsbesluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">In middels is de berekening geschiedt, op basis van de toepassing van de bezoldigingsschalen zoals aangehecht aan dit besluit, per 10-10-10 voor zover toepasselijk. De financiële consequenties hiermee gemoeid zijn voor een bedrag van NAF _______miljoen, welk bedrag in de begroting in de komende jaren zal worden opgenomen, ter dekking van de te verrichten taken. Deze berekening bevat alle huidige-, gepensioneerde- en gewezen ambtenaren van politie voor wie de bezoldigingsschalen geldend zullen worden met de inwerkingtreding van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook heeft de aanpassing bedoeld onder punt 2 gevolgen voor de aan de bezoldiging gerelateerde toelagen, te weten: de vakantie-uitkering (6%); gratificaties in verband met ambtsjubileum; huurtoeslag; en, persoonlijke en bijzondere toelagen, waaronder de zogenaamde arbeidsmarkttoelage en toelage aan leden van het Arrestatieteam uitbetaalde toelagen, waarmede eveneens rekening is gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5.2 Uitbetaling overwerk aan operationeel leidinggevenden De uitbetaling van overwerk aan operationeel leidinggevenden is, zoals eerder in deze nota van toelichting aangegeven, noodzakelijk omdat continuïteit in de taakuitvoering vereist is. Wanneer de vergoeding in uren uitgevoerd wordt ten aanzien van operationeel leidinggevenden zal de situatie ontstaan dat andere vergoedingen, zoals waarnemingstoelage, uitbetaald zal moeten worden. Om deze reden valt slechts in de praktijk te bezien of deze aanpassing van de rechtspositieregeling financiële gevolgen zal hebben. In geval er daarvan sprake zou zijn, dan betreffen de financiële gevolgen slechts het verschil tussen overwerkvergoeding en vergoeding ingeval waarnemingstoelage uitbetaald zou zijn. Overigens blijft de opneming van overwerk in uren een optie, waarvan gebruik zal worden gemaakt wanneer de dienst het toelaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5.3. Vastlegging van de vergoeding aan leden van het arrestatieteam, plaatsingsteam en observatieteam Leden van het arrestatieteam ontvangen al geruime tijd een vergoeding van 25% van hun bezoldiging op grond van de LMA. Die toelage werd steeds in strijd met het BRKPNA uitbetaald, omdat executieve politieambtenaren uitgesloten waren van het Bezoldigingslandsbesluit (in de toenmalige Nederlandse Antillen) waar het financiële compensaties betreft. Destijds werd daartoe overgegaan omdat het BRKPNA geen voorziening had voor dergelijke bijzondere dienstverrichtingen. In de wijziging van het BRKPNA in 2007 is een voorziening getroffen. Leden van het arrestatieteam komen in aanmerking voor een vaste vergoeding die, afhankelijk van hun rang, varieert van NAf. 700 tot NAf. 1.500 per maand. Deze overgenomen regeling zal, gelet op de huidige bezoldigingen van ambtenaar van politie, per saldo een besparing op de toelagen met zich meebrengen. Voortschrijdend inzicht in politiewerk heeft ertoe geleid dat naast het arrestatieteam ook een observatieteam in het leven is geroepen. Gelet op de overeenkomsten met het arrestatieteam, genieten leden van het plaatsingsteam en het observatieteam dezelfde compensatie. In de praktijk - wat betreft de leden van de teams - bestaan de verschillende teams voor een groot deel uit dezelfde ambtenaren van politie. Van een dubbele uitbetaling of cumulatie van toelagen is echter geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">1.5.4. Bevordering van executieve politieambtenaren in schaal 9 en 10 De bevorderingsvoorziening voor ambtenaren van politie, belast met de uitvoering van de politietaak die hun maximum bezoldigingstrede in de functionele schaal hebben bereikt, zal ook financiële gevolgen hebben voor het Land Sint Maarten. Deze gevolgen zullen echter pas op termijn vastgesteld kunnen worden, wanneer aangenomen wordt dat de desbetreffende voorziening geen terugwerkende kracht zal hebben.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Artikelsgewijs deel</div>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-1-144\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1, onder a, is de definitie van bevoegd gezag in overeenstemming gebracht met de Landsverordening politie, waarin bepaald wordt dat de aanstelling, bevordering, schorsing en ontslag bij landsbesluit vastgesteld wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast de korpschef van het politiekorps is ook het diensthoofd in de definitie opgenomen. Hiermee wordt een omissie bij de totstandkoming van de Landsverordening politie in 2010 gecorrigeerd. Toen werd er geen rekening gehouden met de Landsrecherche die een politieorganisatie is, ter beschikking gesteld aan de Procureur-Generaal, met een eigen beheer. De dagelijkse leiding van de Landsrecherche berust bij het hoofd van de Landsrecherche. Die krijgt overigens dezelfde bevoegdheden als de korpschef van het KPSM.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderdelen u tot en met z zijn de definities opgenomen die in hoofdstuk 10 met betrekking tot smartengeld bij een dienstongeval of beroepsincident worden gebruikt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-3-145\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Rangen bij de politie in de toenmalige Nederlandse Antillen hebben slechts een beperkte betekenis. De verantwoordelijkheden en hiërarchie in de politieorganisatie worden bepaald aan de hand van de organisatiestructuur en bij functiebeschrijvingen. Alleen wanneer de politie in groepsverband optreedt kan de rang bepalend zijn voor degene die belast is met commandovoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politierangen komen overeen met de hoofdrangen genoemd in de Regeling hoofdrangenstelsel van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Daarnaast is deze bepaling in overeenstemming gebracht met het functieboek van het KPSM en de Landsrecherche.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-4-6\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4-6</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de LMA gaat aan een aanstelling in vaste dienst in de regel vooraf een aanstelling in tijdelijke dienst. Deze strikte voorwaarde vervalt ook in dit landsbesluit. Zo bepaalt artikel 6, eerste lid, dat de aanstelling van een ambtenaar voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van politie, in tijdelijke dienst kan plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 5 regelt de aanstelling van de \"doorstroom\" ambtenaar van politie, te weten, de aspirant agent en de aspirant inspecteur. Artikel 6 bevat de regeling inzake de aanstelling van het technisch en administratief politiepersoneel.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-7-147\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepaling wordt voorkomen dat ambtenaren van politie aangesteld worden bij het bereiken van een leeftijd waardoor deze korter dan drie jaren bij het KPSM of Landsrecherche kunnen doorbrengen. Wel kunnen personen op grond van een arbeidsovereenkomst aangesteld worden om bepaalde politietaken uit te voeren. Daarbij zal doorgaans sprake zijn van een samenstel van werkzaamheden, die als zodanig niet per se tot een functie behoren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-8-23\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8-23</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikelen omvatten de aanstellingseisen en toelatingseisen voor opleidingen voor alle ambtenaren van politie en de aspirant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de aanstelling van een in het buitenland woonachtige Nederlander is de eis gesteld dat deze voorafgaand aan die aanstelling, op grond van een overeenkomst voor bepaalde tijd, ten minste drie jaar bij de politieorganisatie moet volbrengen en goed is beoordeeld. Hiermee wordt beoogd om in dergelijke gevallen het betrokken personeel voldoende tijd te gunnen om zich met de lokale cultuur en gebruiken vertrouwd te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder kan in zeer bijzondere gevallen, in overeenstemming met de Minister van Justitie, worden afgeweken van bepaalde aanstellingseisen, namelijk Nederlandse nationaliteit (art. 10). Een voorbeeld van een bijzonder geval is wanneer de betrokken sollicitant reeds de aanvraag voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit heeft ingediend en in redelijkheid aangenomen kan worden dat de betrokkene daarvoor in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een kandidaat-aspirant worden specifieke aanstellingseisen gesteld in de artikelen 13 tot en met 16. Daarmee wordt beoogd om de kwaliteit bij instroom te garanderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de aanstelling in een vertrouwensfunctie wordt in dit besluit aan voorwaarden verbonden in de artikelen 20 en 21. Om de handhaving van integriteit van ambtenaren van politie te garanderen, kan de minister na een periode van vijf jaar of wanneer de omstandigheden van het geval dat vergen opnieuw een veiligheidsverklaring eisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aantal functies zijn aangewezen als vertrouwensfuncties. De grondslag daarvoor is te vinden in het Landsbesluit aanwijzing van vertrouwensfuncties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanduiding “gemeenschappelijke voorziening politie”, betreft de voorziening als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Rijkswet Politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-149\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">26</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 24 betreft de eedaflegging of belofte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de Landsverordening politie wordt de aanstelling bij landsbesluit vastgesteld. Ook bij overgang naar een andere functie is er sprake van aanstelling, waardoor ook in dat geval de aanstelling bij landsbesluit dient te geschieden. Het belang van artikel 26 ligt hierin, dat een aantal minimum gegevens in een aanstellingsbesluit opgenomen moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit artikel 26 volgt dat de ambtenaar schriftelijk op de hoogte gesteld zal moeten worden van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie. Daarmee wordt ook bedoeld, de richtlijnen voor de toepassing van rechtspositionele bepalingen die een beleidsruimte toelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-28\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27-28</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepalingen worden de hoofdlijnen van het beoordelingsstelsel uiteengezet. Beoordeling van de ambtenaar geschiedt jaarlijks. Daartoe stelt de minister een leidraad vast. Het stelsel bestaat uit drie onderdelen, namelijk planning, functioneringsgesprekken en beoordelingsgesprekken. Er worden afspraken tussen de (directe) leidinggevende en de medewerker gemaakt. In het voorjaar geschiedt dat tijdens het functioneringsgesprek. Aan het eind van het jaar, namelijk vanaf de maand oktober, vinden functioneringsgesprekken plaats. De uitwerking van de afronding van een beoordelingscyclus wordt verder in artikel 28 uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast het beoordelingsstelsel wordt in artikel 28 de basis gelegd voor een personeelsontwikkelingscyclus, waarbij ten aanzien van elke ambtenaar toekomstverwachtingen worden vastgesteld. De toekomstverwachtingen kunnen onderdeel uitmaken van de in het vorige artikel voorgeschreven beoordelingscyclus of een door de ambtenaar zelf uitgelokte beoordeling. Daarvan zal de ambtenaar gebruik kunnen maken bij het solliciteren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29-151\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">31</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikelen en 30 en 31 worden de voorschriften voor de maandelijkse uitbetaling van salarissen vastgesteld. Ook worden de regels voor de uitbetaling van salaris aan de nabestaanden van een overleden ambtenaar vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 31 omvat de bezoldigingsregeling voor ambtenaren van politie. Een dergelijke regeling is noodzakelijk omdat de bezoldigingssystematiek en -bedragen voor deze ambtenaren anders vastgesteld worden dan die voor andere ambtenaren dan ambtenaren van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij bevordering gelden thans geen eisen meer die gekoppeld zijn aan het hebben van een rang gedurende een aantal jaren. Wel kan uiteraard als functie-eis zijn opgenomen dat men een aantal jaren ervaring moet hebben in een bepaalde functie of op bepaald werkgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vacaturevervulling zal voortaan plaatsvinden op basis van het zijn van de meest geschikte kandidaat en niet meer op basis van de positie op de ranglijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functie en de aan een functie verbonden bezoldiging zijn, zoals reeds is opgemerkt, gebaseerd op een functiewaardering conform het zogenaamde Fuwant-systeem. FUWAANT en de variant FUWASXM is een functiewaarderingssysteem dat gebruikt wordt door de overheid. Hoewel er verschillen zijn in de in de varianten is de systematiek van het waarderen dezelfde: dit wordt gedaan door de waarde van een functie te ontleden in een aantal kenmerken (14) waarvan de waarde bepaald kan worden. Doordat er binnen de overheid dezelfde kenmerken zijn, kan op deze manier een score (1-5) gegeven worden aan de verschillende kenmerken en zodoende dus ook aan de functie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niveau van de functie is tot stand gekomen door weging van de bij de functie behorende taakelementen, zoals vermeld in de functiebeschrijving. Dit betekent dat de bezoldiging niet meer gekoppeld is aan het hebben van een rang, maar aan de te verrichten taken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vacaturevervulling zal primair gekeken moeten worden naar de kennis en vaardigheden van een kandidaat. In de functiebeschrijving is opgenomen aan welke eisen men moet voldoen. Dit zijn opleidings-, vaardigheids- en ervaringseisen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de groeiperspectieven ten aanzien van de executieve ambtenaar wordt in deze bepaling geregeld. Daarbij is zowel bij de aanvang als het beoogde einde van de carrière gedacht, door de bevordering van de goed functionerende medewerker basispolitiezorg van schaal 6 naar schaal 7 te regelen. Wanneer de ambtenaar ruime ervaring heeft opgedaan en goed functioneert kan deze doorgroeien naar functies op het niveau van schaal 8 (senior medewerkersfuncties) en vervolgens, wanneer er vacatures ontstaan naar leidinggevende functies op het niveau van schaal 9 tot en met 11. Verondersteld wordt dat de ambtenaar die zich in een functie die gewaardeerd is op het niveau van schaal 9 doorgaans niet verder zal kunnen doorgroeien. Dat is het geval omdat de politieorganisaties relatief klein zijn en minder lagen hebben dan voorheen. Echter, de gewijzigde inzichten met betrekking tot de verandering van de pensioengerechtigde leeftijd naar 65 jaar maken de vooruitzichten voor de ambtenaar op dat niveau beduidend minder. Daarom wordt de goed functionerende ambtenaar die 4 jaar de maximumbezoldiging in schaal 9 en 10 heeft genoten bevorderd naar respectievelijk schaal 10 en 11.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-32-152\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 32</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepaling worden diverse compensaties vastgelegd. Ten eerste ontvangt de ambtenaar een vergoeding voor elk uur dienst tussen 20.00 en 06.00 uur van NAf 4. Dat zal ook gelden voor de operationele leidinggevende die gedurende nachtelijke uren dienst verricht. Het bedrag van deze vergoeding is overgenomen van het bedrag dat sinds 2007 in de Nederlandse Antillen heeft gegolden en tot 2020 aan de ambtenaar van politie op Sint Maarten feitelijk werd uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook wordt in deze bepaling de zogenaamde piketregeling geregeld, voor ambtenaren die bereikbaar en beschikbaar voor de dienst moeten blijven na de voor deze vastgestelde werk- en diensttijden. De toekenning van deze compensatie dient echter periodiek, bij voorkeur per kwartaal- geëvalueerd te worden en kan ook “seizoengebonden” zijn, teneinde te voorkomen dat de ambtenaar automatisch het gehele jaar deze toelage krijgt. Deze piketregeling is niet bedoeld voor het structureel bereikbaar en beschikbaar houden van personeel voor elk te verwachten incident na kantoortijd. Immers, de ambtenaar kan op grond van artikel 39 te allen tijde opgedragen worden overwerk te verrichten, zolang voldoende rekening gehouden wordt met de belangen van de ambtenaar.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-34-36\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 34-36</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 34 wordt de basis gelegd voor motivering van de goed functionerende ambtenaar. Die kan op basis van een goede beoordeling een salarisverhoging overeenkomstig deze bepaling ontvangen, gelijk aan een bezoldigingstrede.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer deze ambtenaar de maximumbezoldiging bereikt en goed functioneert, komt deze in aanmerking voor een gratificatie van 2% van de hem toekomende jaarbezoldiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de aspirant die goed presteert komt in aanmerking voor een salarisverhoging wanneer deze nog opgeleid wordt. Deze opleiding duurt doorgaans twee tot drie jaren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-37-154\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 37</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling geeft de regels aan voor bevordering in de zin van overgang naar een functie met een hogere inschaling, zoals dat het geval is bij de agent die bevorderd wordt tot brigadier of de ambtenaar die de maximumbezoldiging van schaal 9 of 10 heeft bereikt. Ook de ambtenaar van politie belast met administratieve, technische en andere taken ten dienste van de politie kan in voorkomende gevallen bevorderd worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kern komt het erop neer dat deze ambtenaar geen nadeliger resultaat ervaart in vergelijking met het geval van een salarisverhoging in dezelfde schaal.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-38-155\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 38</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt de waarneming en de toekenning van een waarnemingstoelage. In principe zou de ambtenaar kunnen waarnemen in een functie van hetzelfde niveau of een functie van een hoger niveau.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts wanneer er sprake is van waarneming in een functie die in belangrijkheid en verantwoordelijkheid veel meer is dan de functie die de ambtenaar formeel bekleedt zal er sprake kunnen zijn van toekenning van een waarnemingstoelage, onder de voorwaarden die in deze bepaling zijn opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vijfde lid is een inspanningsverplichting opgenomen voor de minister. Die moet tijdig een wervings- en selectieproces op gang zetten, tenzij de functie waarin waargenomen wordt van tijdelijke aard is. Hiermee wordt beoogd om benadeling van ambtenaar die een functie waarneemt te voorkomen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-39-156\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 39</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw is de regeling inzake de vergoeding voor overwerk. Anders dan in de oude regeling is de vergoeding voor overwerk gebaseerd op een stelsel van vaste uur toelagen, die gerelateerd zijn aan de aard van de functie van de betreffende politiefunctionaris en de duur van zijn dienstverrichting. Uit een oogpunt van continuïteit is het maken van overuren onlosmakelijk verbonden met bepaalde typen functies. Het gaat vooral om politiefunctionarissen, die belast zijn opsporingswerkzaamheden, of die ingezet worden voor speciale politionele operaties. Overigens wordt verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-40-157\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 40</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met de redactie van deze artikelen is er naar gestreefd om de inhoud van de werk- en diensttijdenregeling voor ambtenaren van politie en de ter uitvoering daarvan gegeven voorschriften te actualiseren en meer overzichtelijk te doen zijn. Dit hoofdstuk geldt overigens voor alle ambtenaren van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door voorwaarden te stellen aan de door het bevoegd gezag op te maken dienstroosters en diensttijden, wordt de mogelijkheid van overmatig onregelmatige diensten of overwerk tot een minimum gereduceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de ambtenaar van politie, indien hij tot een geloofsgemeenschap behoort die de wekelijkse rustdag op een andere dag houdt, aanspraak op rusttijd op die andere dag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-41-158\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 41</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling regelt de optie om de ambtenaar in deelbetrekking aan te stellen. Ook wordt een arbeidstijdverkorting voor de ambtenaar die de pensioengerechtigde leeftijd nadert geregeld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-42-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 42-56</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 43-45 regelt de vakantie van de aspirant, die afwijkt van de overige ambtenaren van politie. Deze bepalingen bevatten de verlofregeling voor de aspirant-politiefunctionaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 45 en volgende regelt de verlofaanspraken voor de overige ambtenaren van politie, zowel in executieve als in technische/administratieve functies. Het eerste lid van artikel 47 bepaalt het aantal vakantie-uren, waarop de ambtenaar van politie aanspraak heeft. Het tweede lid van dat artikel maakt daarop een uitzondering voor de ambtenaar van politie, die ingevolge het voor hem geldende dienstrooster avond- of nachtdienst en/of dienst op een zon- of feestdag moet verrichten. Deze ambtenaar van politie heeft recht op het aantal vakantie-uren, dat is vastgesteld voor de bezoldigingsschaal onmiddellijk volgend op die waartoe hij behoort. Voor de ambtenaren van politie in onregelmatige ploegendienst of volgens een dienstrooster als even genoemd werkzaam, is in het vierde lid verder een bepaling opgenomen, die de vakantie-uren voor hen bij het genot ervan kwantitatief gelijk stelt aan die van ambtenaren van politie voor wie een normale, vijfdaagse werkweek geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 48 regelt de gevolgen voor vakantie-uren bij onderbreking of beëindiging van een aanstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 49 voorziet in een vermindering van het aantal vakantie-uren over de dagen waarop een ambtenaar van politie geen werkzaamheden heeft verricht, zoals in het geval van schorsing of buitengewoon verlof, anders dan het buitengewoon verlof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderhavige artikel geeft de ambtenaar van politie de mogelijkheid om vakantie-uren, gedurende welke hij arbeidsongeschikt is geweest, te laten omzetten in vrijstelling van dienst, mits dit uit een geneeskundige verklaring kan blijken. Voor de aspirant-politiefunctionaris is eenzelfde regeling opgenomen in artikel 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 53 omvat de regeling voor de weigering en intrekking van verlof en de gevallen waarin een aanspraak tot uitbetaling van vakantie uren kan ontstaan. Uitbetaling van vakantie uren betreft nadrukkelijk slechts die vakantie uren die niet genoten zijn omdat de vakantie deels niet genoten is vanwege intrekking van de toestemming daartoe. Het nalaten vakantie op te nemen, met het doel deze uitbetaald te krijgen, brengt geen recht tot uitbetaling van vakantie uren op basis van dit artikel met zich mee. Artikel 55 ziet toe op hoe omgegaan wordt met verlofaanspraken in geval van ontslag of overlijden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-57-74\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 57-74</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Met deze bepalingen is getracht om op een overzichtelijke wijze de gevallen aan te geven, waarin vrijstelling van dienst wordt of kan worden verleend. Een belangrijk geval is de vrijstelling van dienst wegens ziekte of ongeval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is het stelsel van vrijstelling van dienst wegens bijzondere redenen zodanig geregeld dat de ambtenaar zelf verantwoordelijkheid dient te dragen om tijdig onder overlegging van de vereiste bewijsstukken verlof aan te vragen. Daartegenover staat dat het diensthoofd steeds een afweging dient te maken tussen het dienstbelang en de persoonlijke belangen van de ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het dienstbelang betreft met name de ononderbroken voortzetting van de politiedienst en de efficiëntie en effectiviteit van vervanging van personeel aan wie vrijstelling van dienst wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 67 regelt een nieuwe vorm van buitengewoon verlof, namelijk calamiteitenverlof. Een calamiteit is een ernstige ziekte of onverwachte gebeurtenis waardoor een noodsituatie ontstaat in de verzorging van de echtgenote, ouders, stiefouders, pleegouders, schoonouders, kinderen, stiefkinderen, pleegkinderen of aangehuwde kinderen van de ambtenaar van politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-75-76\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 75-76</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepalingen betreffen de ziektemelding bij de directe leidinggevende en de overlegging van een verklaring van arbeidsongeschiktheid door de ambtenaar. De medische verklaring van arbeidsongeschiktheid is bepalend voor de toekenning van vrijstelling van dienst wegens ziekte.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-77-80\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 77-80</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De ambtenaar van politie die niet akkoord gaat met een medisch oordeel gegeven krachtens de artikelen 81 of 82 kan daartegen bezwaar maken bij een door de minister ingestelde herkeuringscommissie bestaande uit drie geneeskundigen, waarvan een wordt aangewezen door de betrokken ambtenaar van politie.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-81-84\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 81-84</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze artikelen scheppen de verplichting om een herstelplan op te stellen in geval van langdurige ziekte/arbeidsongeschiktheid van de ambtenaar van politie, namelijk ziekte en arbeidsongeschiktheid van meer dan dertig dagen of verlenging daarvan, en zo nodig een andere functie voor betrokkene te zoeken, indien herplaatsing in de eigen functie als gevolg van die langdurige ziekte/arbeidsongeschiktheid niet meer mogelijk is. Als herplaatsing mogelijk is in een andere passende functie, die echter minder uren omvat (dat wil zeggen, een deeltijdbetrekking is), de betrokken ambtenaar van politie niet volledig wordt ontslagen (en volledig afgekeurd), maar alleen voor de meerdere uren wordt ontslagen (en afgekeurd). Betrokkene kan dan parttime blijven werken (met een parttime salaris). Over het meerdere deel (waarvoor hij werd afgekeurd en ontslagen), krijgt hij dan een uitkering ingevolge de voor hem geldende sociale verzekeringsregelingen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-85-86\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 85-86</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Belangrijk in dit landsbesluit is de aandacht die wordt gegeven aan de persoon van de ambtenaar van politie, zijn familieverhoudingen, alsmede aan de vrouwelijke ambtenaar van politie. Laatstgenoemde heeft aanspraak op zwangerschaps- en bevallingsverlof. Beide verlofperioden nemen gezamenlijk 14 weken in beslag, in overeenstemming met het Burgerlijk Wetboek van Sint Maarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 86 voorziet in twee uren vrije tijd per dag voor borstvoeding. Met werktijd in dit artikel wordt bedoeld het overeenkomstig artikel 40, tweede lid, van dit besluit vastgesteld arbeids- en rusttijden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 88, 91, 92, 95 en 99 Omvat een aantal belangrijke gedragsvoorschriften voor de ambtenaar van politie. Deze zogenaamde kapstokbepaling omvat expliciete voorschriften met betrekking tot aanwezigheid op de aangewezen werklocatie, gebruik van alcohol en drugs, optreden bij incidenten na de reguliere dienst- en werktijd en opvolgen van voor de ambtenaar geldende voorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">De geheimhoudingsplicht is in artikel 91 geregeld. Meer dan bij andere ambtelijke organisaties, is het aanzien van politieorganisatie zeer gevoelig voor het lekken van informatie. Strikte handhaving van de geheimhoudingsplicht is daarom een belangrijke taak van de ambtenaar van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het uiterlijk voorkomen van de ambtenaar van politie is belangrijk. Daartoe dient de dienstkleding op een duidelijke wijze door de ambtenaar van politie gedragen te worden. Ook in verband met de voorkoming van verwarring bij het publiek is het dragen van uniform volgens de gegeven instructies niet van ondergeschikt belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de gedragsregels in verband met het aannemen van geschenken in welke vorm dan ook is verboden. De ambtenaar van politie is verplicht melding te doen van een mogelijke omkoping van hem door derden. Laat hij dat na, dan loopt de ambtenaar een groter risico vervolgd te worden wegens een strafbaar feit, maar ook wegens plichtsverzuim disciplinair gestraft te worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-89-165\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 89</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Nieuw in dit ontwerp is de toevoeging van een drugstest aan dit besluit. Het artikel legt de basis voor de minister om, in het belang van de integriteit van de politie op Sint Maarten, regels omtrent de periodieke uitvoering van urineonderzoek op aanwezigheid van drugs bij ambtenaren van politie te stellen. Er zijn een minimum aantal eisen waaraan een dergelijke regel zal moeten voldoen, om de betrouwbaarheid van het onderzoek zeker te stellen, maar ook om medewerking van de ambtenaar van politie te verzekeren. Deze regels betreffen in elk geval de verplichting van de ambtenaar om urine af te staan ten behoeve van het onderzoek, de wijze van uitvoeren van het onderzoek, het recht van de ambtenaar van politie om de uitslag te vernemen en om voor eigen rekening een hernieuwd onderzoek van de afgestane urine te laten plaatsvinden, alsmede de maatregelen die getroffen kunnen worden als gevolg van het weigeren om urine af te staan voor het onderzoek dan wel als gevolg het resultaat van een urineonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk zal er na een eerste constatering van het gebruik van drugs, door de minister maatregelen genomen dienen te worden. Die maatregelen zullen in eerste instantie bestaan uit, het doen behandelen van de betrokken ambtenaar en het hem of haar tijdelijk belasten met andere werkzaamheden. Blijkt dat de betrokken ambtenaar de behandeling vroegtijdig staakt of na de uitvoering van die maatregelen dat de betrokken ambtenaar terugvalt in het gebruik van drugs, dan dient er aan de disciplinaire maatregelen gedacht te worden, zoals ontslag wegens ongeschiktheid.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-90-166\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 90</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook de fysieke gezondheid van de politieambtenaar is al jaren een onderwerp van zorg op Sint Maarten. Teneinde ook in dat verband een oplossing te bieden, zal de minister in overeenstemming met de vakbonden in het belang van de kwaliteit van de taakuitvoering van de politie, regels stellen omtrent de periodieke uitvoering van onderzoek naar de fysieke conditie van de ambtenaar van politie, belast met de uitvoering van de politietaak. In principe zullen er normen waaraan de ambtenaar van politie moet voldoen gesteld worden. Het spreekt voor zich dat de ambtenaar voldoende gelegenheid gegund wordt om door sport of lichamelijke oefening aan de gestelde normen te voldoen. De door de minister te treffen regels betreffen in elk geval de verplichting van de ambtenaar zich te onderwerpen aan het onderzoek, de normen van lichamelijke geschiktheid voor de leeftijdscategorie waartoe de ambtenaar behoort, de wijze van uitvoeren van het onderzoek, het recht van de ambtenaar van politie om de uitslag te vernemen en de maatregelen die getroffen kunnen worden als gevolg van het weigeren zich te onderwerpen aan het onderzoek dan wel als gevolg van het resultaat van een onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-94-95\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 94-95</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 94 maakt het mogelijk om de plaats van tewerkstelling en werkgebied van de ambtenaar van politie te wijzigen, in verband met detachering of uitzending of een eenvoudige verplaatsing van een politiebureau naar een andere.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tijdelijke uitleen van de ambtenaar van politie naar een andere organisatie binnen het Ministerie van Justitie is geregeld in artikel 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een overplaatsing naar een ander dienst is steeds de instemming van de ambtenaar van politie nodig.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-98-168\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 98</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In het onderhavige artikel worden limitatief de nevenactiviteiten opgesomd, die voor de ambtenaar van politie verboden zijn, als daardoor een behoorlijke vervulling van zijn plichten als ambtenaar van politie in gevaar kan worden gebracht.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-103-106\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 103-106</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 103 schept voor de ambtenaar van politie de mogelijkheid om studiefaciliteiten in geld of in tijd te krijgen. De basis voor het geven van een studieopdracht wordt neergelegd in artikel 105. In artikel 106 wordt voorzien in terugbetaling van een dienstopleiding of studieopdracht, wanneer de ambtenaar binnen drie jaar na het beëindigen van de door de overheid betaalde opleiding de dienst verlaat.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-107-170\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 107</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel regelt de bevoegdheid om de ambtenaar van politie ter verantwoording te roepen in geval van schadeveroorzakend handelen of nalaten. In beginsel is de minister van justitie de ter zake bevoegde autoriteit. Voor bedragen minder dan NAf. 500,-- komt de bevoegdheid echter toe aan de korpschef.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-112-171\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 112</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel dit artikel in het hoofdstuk “overige rechten en plichten van de ambtenaar van politie” is opgenomen, bevat het een limitatieve opsomming van eventueel als \"positieve incentives\" te gebruiken management-tools.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-114-120\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 114-120</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit landsbesluit is in hoofdstuk (hoofdstuk 10), het smartengeld naar aanleiding van een dienstongeval of een beroepsincident is opgenomen voor alle ambtenaren van politie belast met een politie taak. De wenselijkheid daartoe is gegeven door het feit dat de regering van Sint Maarten na 2010 in een particuliere verzekering van dienstongeval en beroepsincident heeft voorzien. De regering van Sint Maarten meent echter zowel uit het oogpunt van rechtszekerheid als uit het oogpunt van besparing, de risico’s verband houdende met dienstongeval en beroepsincident, zelf te moeten dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepalingen is de verantwoordelijkheid van de overheid voor het financiële risico bij een dienstongeval vastgesteld. Een dienstongeval of beroepsziekte die tot overlijden of invaliditeit van de ambtenaar van politie belast met een politie taak leidt doet aanspraak op smartengeld ontstaan. In artikel 114, eerste lid, van dit besluit is bepaald dat bij invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of beroepsziekte, de ambtenaar van politie een smartengeld uitkering tot maximum van NAf 200,000,– krijgt vergoed. Bij overlijden ten gevolge van dienstongeval ontvangen de nabestaanden van de ambtenaar op grond van artikel 114, tweede lid, van dit besluit een overlijdensuitkering van netto NAf 100.000,– onder aftrek van de bedragen bedoeld in de artikelen 30, derde lid, en 55, eerste lid. De smartengelduitkering voor invaliditeit ten gevolge van dienstongeval is afhankelijk van de mate van invaliditeit van de ambtenaar van politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 1 is beroepsincident gedefinieerd als een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiende uit een gevaar zettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de taakuitoefening van de ambtenaar van politie en waarvan hij zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit een uitspraak van de Rechtbank Den Haag1Rb. Den Haag 3 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6613., volgt dat onder andere de volgende situaties gevaar zettend zijn: een ambtenaar van politie er alleen voor staat en heeft te maken met een erg agressief persoon, die onder de invloed van drugs, drank of ernstig verward is (psychose), de verdachte is feitelijk niet meer aanspreekbaar; een situatie met een bewapende verdachte, die naar verwachting het wapen zal gaan gebruiken; deelnemen aan het verkeer wordt als gevaarlijk beschouwd. Een medewerker rijdt door de bebouwde kom. De politie mag naar een incident met een ontheffing op grond van de Wegenverkeerswet. Door rood rijden wordt dan als bijzonder gevaarlijk beschouwd; een verdachte niet zo zeer handelt met het oogmerk om aan de aanhouding te ontkomen (losschudden, lostrekken, wegduwen) maar het handelen gericht is op het toebrengen van ernstig letsel van de ambtenaar van politie; de ambtenaar van politie verkeert in numerieke minderheid en er sprake is van een agressieve situatie; er wordt zwaar vuurwerk naar de ambtenaar van politie gegooid; er wordt ingereden op een ambtenaar van politie met een zwaar rij-/voertuig; de ambtenaar van politie moet een brandend gebouw in; er is een agressieve grote hond, bijvoorbeeld een pitbull, bij betrokken en de hond wordt dus feitelijk gebruikt als wapen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts speelt een rol bij de beoordeling van het geval: een situatie in een kleine of weinig manoeuvreerruimte kan bijzonder gevaarlijk zijn; wat is het oogmerk van de verdachte? Is er sprake van duw-/trekwerk om zich te onttrekken aan aanhouding of is er sprake van het willens en wetens letsel willen toebrengen aan de medewerker?; is de persoon al dan niet geboeid?.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de terminologie “beroepsziekte” kan teruggevallen worden de in de definitie opgenomen criteria. Er moet namelijk sprake zijn van: ziekte welke in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, deze moeten worden verricht, en die niet aan de schuld of onvoorzichtigheid van de ambtenaar te wijten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast speelt op grond van vaste jurisprudentie2CRvB 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072. ook de zorgplicht van het bestuursorgaan jegens de ambtenaar van politie een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar van politie belast met een politie taak zodanig moet inrichten en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar van politie een politie taak in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar van politie een politie taak heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar van politie.3CRvB 12 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4040, r.o. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de minister, korpschef of diensthoofd rust in beginsel de last om aannemelijk te maken dat de nazorg voldoende is geweest, uitgaande van de omstandigheden van het geval en van de stand van de wetenschap. Indien dusdanige tekortkomingen naar voren komen dat deze als een schending van de zorgplicht moeten worden aangemerkt, wordt het causaal verband met, in dit geval, de posttraumatische stress-stoornis (hierna: PTSS) als een gegeven beschouwd, tenzij de korpschef aannemelijk maakt dat de PTSS niet aan het gebrek aan (na)zorg kan worden toegeschreven, aldus de rechtspraak.4CRvB 12 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4040, r.o. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dienstongeval kan direct, maar ook op later moment leiden tot het ontstaan van invaliditeit. De ambtenaar meldt een dienstongeval zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 150 dagen om het bevoegd gezag in staat te stellen te bepalen of daadwerkelijk sprake is van een dienstongeval. De schriftelijke melding geldt als aanvraag van een besluit tot toekenning van smartengeld. De ambtenaar moet naast de informatie over de oorzaak en toedracht van het dienstongeval (desgevraagd) ook andere gegevens en bescheiden verschaffen die voor beslissing noodzakelijk zijn, zoals de aard en omvang van het letsel. Indien de benodigde (medische) gegevens ondanks rappel niet worden verschaft, kan het bevoegd gezag de aanvraag niet verder behandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de ambtenaar niet voldoet aan de in artikel 116, eerste lid, onderdelen a tot en met d, opgenomen verplichtingen zal hij, wil een recht op smartengeld kunnen ontstaan, in redelijkheid moeten aantonen dat de ontstane of toegenomen invaliditeit uitsluitend het gevolg is van het dienstongeval. Het feit dat hij zich niet onder behandeling heeft gesteld of de voorschriften van de behandelende artsen niet heeft opgevolgd, mag dus niet leiden of hebben geleid tot het ontstaan of de toename van zijn invaliditeit. De kosten die de ambtenaar van politie maakt om aan te tonen dat de ontstane of toegenomen invaliditeit uitsluitend een gevolg is van het dienstongeval worden niet gedragen door het bevoegd gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om het percentage van de smartengeld uitkering te kunnen bepalen, stelt een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige de aan het dienstongeval toe te rekenen invaliditeit medisch objectief vast zodra dit mogelijk is. Een termijn van ten hoogste twee jaar na het dienstongeval wordt daarvoor voldoende geacht. De mate van ontstane of toegenomen invaliditeit ten gevolge van het dienstongeval wordt vastgesteld aan de hand van de Guides to the Evaluation of Permanent Impairment van de American Medical Association.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 119, eerste lid, wordt de melding aangemerkt als een aanvraag tot de uitkering van smartengeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er sprake van een dienstongeval, dan kan de ambtenaar van politie aanspraak maken op vergoeding van noodzakelijke kosten van geneeskundige behandeling, volledige doorbetaling van het loon (hoofdstuk 8) en smartengeld (hoofdstuk 10). Het smartengeld wordt in dit geval alleen toegekend als sprake is van blijvende invaliditeit. De materiële schade aan goederen die de ambtenaar van politie lijdt kan op grond van artikel 109 van dit besluit vergoed worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts wanneer er sprake is van een beroepsincident krijgt de agent zijn volledige schade vergoed via de werkgever. Bij een dienstongeval dat geen beroepsincident is dit dus niet het geval. De agent zal zich in dat geval tot de veroorzaker moeten wenden met alle juridische uitdagingen van dien, maar dat valt buiten het bestek van dit hoofdstuk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-122-173\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 122</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het opleggen van disciplinaire straffen is des ministers, onderdelen. De straffen genoemd onder f, g, h en i worden steeds bij landsbesluit opgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-123-126\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 123-126</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In deze bepalingen worden enkele zorgvuldigheidsbepalingen met betrekking tot strafoplegging geregeld. Het betreft met name het beginsel van hoor en wederhoor, de kennisgeving van een voornemen tot strafoplegging en de wijze van kennisgeving van de opgelegde straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 127-138 In deze bepalingen wordt de schorsing en ontslag van de ambtenaar van politie uitgebreid geregeld. Deze bepalingen komen overeen met de bepalingen van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht. Tevens zijn er talloze uitspraken over de toepassing van deze bepalingen, reden waarom hierin van verdere toelichting wordt afgezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 139-140 Deze artikelen bevatten een bezwaarprocedure voor de ambtenaar van politie en de aspirant, met betrekking tot de verschillende in hoofdstuk II opgenomen financiële beslissingen, zulks voorafgaand aan een eventueel beroep bij het Gerecht in Ambtenarenzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister van Justitie</p></div>", "next": 0}