{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In het vijfde lid zijn een drietal uitzonderingen benoemd waarbij, afwijkend van artikel 34, derde lid van de Wwb, een andere vermogensgrens wordt gehanteerd. Al het vermogen boven de € 1250,- wordt als draagkrachtvermogen gerekend, daar waar het gaat om aanvragen bijzondere bijstand van duurzame gebruiksgoederen, overige inrichtingskosten of bijzondere bijstand als leenbijstand in verband met tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De reden hiervoor is dat het hierbij gaat om noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor wordt geacht te reserveren. Het is redelijk om gelden die belanghebbende heeft gereserveerd of andere aanwezige vermogensbestandsdelen in aanmerking te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De langdurigheidstoeslag is bedoeld als tegemoetkoming in extra kosten van mensen die langdurig op het minimum verkeren. De gemeente Spijkenisse acht het daarom niet gerechtvaardigd deze te gebruiken voor specifieke bijzondere kosten. Daarom wordt de langdurigheidstoeslag bij de draagkrachtbepaling buiten beschouwing gelaten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Drempelbedrag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Spijkenisse stelt zich op het standpunt dat noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en die de draagkracht te boven gaan, vergoed dienen te worden. Het opwerpen van een extra financiële drempel is niet gewenst. De gemeente Spijkenisse hanteert dan ook geen drempelbedrag.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Leenbijstand (artikel 48 Wwb)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 48 en 51 Wwb bieden gemeenten de mogelijkheid bijstand in de vorm van een lening te verstrekken voor de waarborgsom, aflossing van een schuldenlast en duurzame gebruiksgoederen. Ook tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is hier genoemd. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer bijstand vanwege bijzondere omstandigheden wordt verleend voor algemene bestaanskosten die uit de norm zouden moeten worden voldaan. Dit artikel vult deze ruimte in door aan te geven dat bijstand hiervoor een lening betreft. De waarborgsom is een geldbedrag dat wordt teruggekregen en een schuldenlast betreft kosten die in een eerder stadium hadden moeten worden voldaan, veelal uit de algemene norm. Ook duurzame gebruiksgoederen moeten worden voldaan uit de algemene norm. Indien bijstand om niet wordt verstrekt, ontvangt belanghebbende dubbel geld (naast de norm, of terugontvangst van de waarborgsom, ook nog bijzondere bijstand om niet). Aangezien dit niet past binnen het karakter van de Wwb (vangnet), wordt een lening verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In sommige situaties is een lening echter niet mogelijk, waardoor de mogelijkheid voor om niet-verstrekking wordt geschapen. Dit speelt in het bijzonder in situaties waarin geen lening aangegaan kan worden vanwege een lopend schuldbemiddelingstraject. Indien door de klantmanager WMI overwogen wordt om leenbijstand te verstrekken, dient ten aanzien van de mogelijke consequenties overleg te worden gepleegd met de afdeling BIS, team Schuldhulpverlening. Ingeval van een schuldbemiddelingstraject kan de aflossing van de lening worden opgeschort. Er is immers geen betalingsruimte. Indien het schuldbemiddelingstraject met succes wordt afgerond, dan wordt de leenbijstand alsnog omgezet naar bijstand om niet. Dan is belanghebbende schuldenvrij na afronding van het traject. Hiermee wordt voorkomen dat mensen die uit het schuldbemiddelingstraject stappen, worden beloond omdat de bijstand reeds om niet is verstrekt. De afdeling BIS, team schuldhulpverlening staat achter deze werkwijze en ziet ook juridisch geen bezwaren voor een dergelijk beleid (is niet strijdig met de bepaling dat tijdens een schuldbemiddelingstraject geen nieuwe schulden gemaakt mogen worden).</p>\n<p class=\"lf-p\">De lening dient volledig te worden afgelost. Hiermee wordt degene die leenbijstand wordt toegekend niet bevoordeeld boven iemand die de algemene bestaanskosten zelf heeft bekostigd. Uitzondering op volledige terugbetaling vormen de regels omtrent afzien van terugvordering (zie paragraaf 4.1: terugvordering).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Aflossingshoogte en –duur bij leenbijstand</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor motivering artikelen 2.2.1 en 4.1.2.(algemene bijstand en invordering)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.1.5</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraagdatum</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de onbekendheid van de mogelijkheid bijzondere bijstand te verkrijgen, bestaat een reële kans dat belanghebbende zich pas na enige tijd realiseert dat de kosten een probleem vormen en bijzondere bijstand nodig en mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een termijn van zes maanden wordt hierin redelijk geacht, mede omdat facturen vaak eerst bij een voorliggende voorziening moeten worden ingediend en verwerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid genoemde formulering heeft tot gevolg dat de draagkrachtberekening wordt gemaakt op basis van gegevens die golden ten tijde dat de kosten zijn gemaakt. De draagkrachtperiode sluit hierop aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moment waarop de kosten worden gemaakt is het moment dat de betalingsverplichting tot stand komt. Dit is meestal de datum van de nota. Ongeacht of de nota eerst moet worden ingediend bij bijvoorbeeld een ziektekostenverzekeraar, blijft de factuurdatum gelden voor de zes maandentermijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan zijn dat bij achteraf ingediende aanvragen de noodzaak niet meer kan worden vastgesteld. Dit is het risico van de aanvrager. De bijstand kan dan niet worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbende een aanvraag indient voor kosten die langer dan zes maanden geleden zijn gemaakt, wordt deze afgewezen (artikel 44, eerste lid Wwb). Bij een periode langer dan zes maanden geleden kan bij reeds betaalde kosten er van worden uitgegaan dat belanghebbende over voldoende middelen beschikte om deze kosten te kunnen voldoen. Niet betaalde kosten kunnen na een periode van zes maanden worden beschouwd als een schuld, waarop artikel 3.2.5 (bijzondere bijstand voor schulden) van toepassing is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het achteraf aanvragen van kosten die verband houden met of bijdragen aan iemands arbeidsinschakeling, is niet mogelijk. Ook ten behoeve van inrichtings- en verhuiskosten en duurzame gebruiksgoederen, dient de aanvraag vooraf te worden ingediend. Het college bepaalt namelijk welke zaken zij noodzakelijk acht, om belanghebbende te laten uitstromen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.2: Bijzondere bijstand kostensoorten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Woonkostentoeslag bij huurkosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Volgens jurisprudentie (o.a. JABW 2003/224 d.d. 07-10-2003) moeten de Wet op de Huurtoeslag en de Vangnetregeling Huurtoeslag als passende en toereikende voorliggende voorzieningen worden beschouwd, mede omdat de Wet op de Huurtoeslag (en daarmee ook de huurtoeslag) een hardheidsclausule kent. In beginsel bestaat er dan ook geen reden woonkostentoeslag te verstrekken als een beroep kan worden gedaan op de Wet op de Huurtoeslag en aanverwante wet- en regelgeving. Indien belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot aanvragen van huurtoeslag, heeft belanghebbende onvoldoende verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan betoond. Op die grond moet een eventuele aanvraag woonkostentoeslag alsnog worden afgewezen. Uitzondering is de situatie waarin dat belanghebbende niet te verwijten valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitzonderingen op de algemene regel worden in de volgende leden genoemd, zoals: opname van de partner in een AWBZ-inrichting, waardoor inkomen en huurtoeslag niet op elkaar aansluiten; de ingangsdatum van de huur is niet per de eerste van de kalendermaand en het huren van de woning vanaf die datum is wel noodzakelijk; de huur ligt boven de maximale huurgrens, zonder dat dit belanghebbende te verwijten is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het vijfde lid genoemde dringende redenen kunnen bijvoorbeeld bestaan ingeval van een aangepaste woning op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo).</p>\n<p class=\"lf-p\">De berekening van de woonkostentoeslag hoort aan te sluiten bij de in de voorliggende voorziening gehanteerde berekeningssystematiek, om zoveel mogelijk gelijkheid te verkrijgen tussen personen die huurtoeslag ontvangen en personen met (aanvullende) woonkostentoeslag. Om deze reden wordt bijvoorbeeld aan belanghebbenden met een huur boven de maximale huur woonkostentoeslag verstrekt ter hoogte van de huurtoeslag bij de maximaal toelaatbare huur, plus de kosten boven de maximale huurgrens. Hierdoor is de netto huur van belanghebbende met woonkostentoeslag nooit lager dan de netto huur van iemand die nog net binnen de grenzen van de huurtoeslag valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen recht op woonkostentoeslag bestaat wanneer de huur waarvoor geen voorliggende voorziening mogelijk is, het resultaat is van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in het negende lid. Dit moet worden gezien als afstemming als bedoeld in artikel 18 van de Wwb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonkostentoeslag is slechts mogelijk tot het moment dat recht kan bestaan op een voorliggende voorziening. Daarom moet altijd eerst gekeken worden of huurtoeslag kan worden aangevraagd of gewijzigd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Woonkostentoeslag bij eigen woning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer belanghebbende redelijkerwijs op korte termijn in een koopwoning moet blijven wonen, kan woonkostentoeslag worden verstrekt voor de kosten als genoemd in het tweede lid, onder dezelfde financiële situatie als ware het een huurwoning waarvoor huurtoeslag mogelijk was. Wederom wordt aangesloten bij de systematiek van huurtoeslag om de rechtsgelijkheid te bevorderen. Woonkostentoeslag bij een koopwoning is maximaal 24 maanden mogelijk, aangezien belanghebbende door langer in de koopwoning te blijven wonen, onredelijke aanspraken zou blijven maken op publieke middelen die hiervoor in beginsel niet zijn bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De situatie (woonkostentoeslag voor een koopwoning) zou dan uitgroeien tot een structurele situatie en derhalve niet meer aan te merken zijn als een situatie die voortvloeit uit bijzondere omstandigheden. In dat geval is geen bijzondere bijstand mogelijk. Structurele verstrekking van woonkostentoeslag is slechts mogelijk indien sprake is van dringende redenen, zoals het feit dat de woning voor belanghebbende is aangepast (bijvoorbeeld op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo)). Ook kan de duur van de woonkostentoeslag voor bepaalde tijd worden verlengd, indien belanghebbende alles in het werk heeft gesteld om een huurwoning te krijgen, maar dit door omstandigheden die belanghebbende niet te verwijten zijn is mislukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen recht op woonkostentoeslag bestaat wanneer de kosten waarvoor geen voorliggende voorziening mogelijk is, resultaat zijn van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in het vierde of zesde lid. Dit moet worden gezien als afstemming als bedoeld in artikel 18 van de Wwb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien belasting wordt terugontvangen over de betaalde hypotheekrente, moet worden bekeken of deze teruggaaf betrekking heeft op de periode waarover woonkostentoeslag is verstrekt. Indien dit het geval is, moet de teruggaaf worden teruggevorderd (voor zover het betrekking heeft op door ons verstrekte woonkostentoeslag).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere woonkosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Spijkenisse acht het wenselijk dat ouderen en mensen met een handicap zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Indien extra woonvoorzieningen hierin een bijdrage kunnen leveren, komen de daarbij horende niet-subsidiabele woonkosten voor bijstand in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het benoemen van de 70-plussers als vaste doelgroep is gebaseerd op statistische gegevens. Indien niet reeds een beroep moet worden gedaan op de extra voorzieningen, is het statistisch gezien aannemelijk dat dit binnen enkele jaren gebeurt. Daarom is voor deze doelgroep de noodzaak categoraal vastgesteld. Het categoraal vaststellen van de noodzaak betekent niet dat categoriale bijstand wordt verstrekt. De kosten moeten individueel worden aangetoond en de onder b genoemde bepaling blijft eveneens van kracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen bijstand kan worden verleend wanneer de totale woonkosten (inclusief de niet-subsidiabele) minder bedragen dan de minimale huurgrens waarvoor huurtoeslag mogelijk is. Dit bedrag wordt namelijk geacht in de norm te zijn inbegrepen. Slechts voor zover de kosten hoger zijn dan de minimale huurgrens, kan bijstand worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de situatie als bedoeld in het tweede lid, voorziet de bijstandsnorm niet in de woonkosten. Om te voorkomen dat belanghebbende na beëindiging van de opnameperiode niet langer over huisvesting beschikt, hetgeen in de regel zal leiden tot hoge kosten voor herhuisvesting en ernstige gevolgen voor het verder functioneren van belanghebbende, kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor het aanhouden van de woning. Bijstand is mogelijk wanneer het verblijf in de inrichting naar verwachting niet langer duurt dan 12 maanden. Bij een langere periode is de verhouding tussen de herhuisvestingkosten en de kosten van aanhouden van een woning zodanig, dat bijstand voor het aanhouden van een woning als niet noodzakelijk kan worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan personen die gebruik maken van reguliere opvang van het Leger des Heils, wordt geen woonkostentoeslag verstrekt omdat zij de bijstandsnorm en de maximale toeslag ontvangen, waarmee de te maken kosten voldoende worden gewaarborgd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Kleding en kledingslijtage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten van kleding behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die uit de norm voldaan moeten worden. Alleen indien er bijzondere omstandigheden zijn waaruit de kosten voor kleding voortvloeien, die niet waren te voorzien, is bijstand mogelijk. Ook wanneer er structureel meerkosten zijn voor kleding, als gevolg van extra slijtage door ziekte of handicap, kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Steeds moet rekening worden gehouden met de aspecten bijzondere omstandigheden, onvoorziene situatie (of structurele meerkosten) en tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid (bijvoorbeeld niet reserveren).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook moet specifiek worden gelet op eventuele voorliggende voorzieningen zoals extra kinderbijslag voor een gehandicapt kind (Tegemoetkoming Ouders Gehandicapten), de AWBZ en de Belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangezien het algemene kosten zijn waarin de norm voorziet, is bij verstrekking van bijzondere bijstand het bijzondere draagkrachtbeleid van toepassing.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand voor schulden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Schulden worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Aangezien in beginsel iedereen over voldoende middelen kan beschikken, is het ontstaan van schulden niet nodig. Indien toch schulden ontstaan, kan het team Schuldhulpverlening (afdeling BIS) van grote betekenis zijn. Indien mensen ervoor kiezen om deze hulp niet in een vroeg stadium in te schakelen, zullen zij zelf de gevolgen hiervan moeten dragen. Mensen zijn verantwoordelijk voor hun eigen acties of het ontbreken van acties. Dit geldt in beginsel ook wanneer er een gezin met kinderen in het spel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijwel iedereen wordt geacht tijdig hulp in te kunnen inschakelen, behalve wellicht de groep die ernstige psychische of psychogeriatrische stoornissen hebben of verstandelijk gehandicapt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts wanneer een problematische schuldsituatie leidt tot levensbedreigende omstandigheden, die niet anders dan via bijstandverlening is te beperken, kan bijstand als lening worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is van het grootste belang dat bij de vestrekking van leenbijstand voor schulden de klantmanager van de afdeling WMI overleg pleegt met de klantmanager van het team Schuldhulpverlening om de mogelijke gevolgen van verstrekking van leenbijstand goed in te schatten. Het aangaan van nieuwe “verplichtingen” kan grote gevolgen hebben voor het schuldbemiddelingstraject van belanghebbende. Indien een schuldbemiddelingstraject loopt, kan het aangaan van nieuwe schulden betekenen dat het ingezette schuldbemiddelingstraject in gevaar komt of zelfs kan worden afgebroken. Dit met alle gevolgen van dien. In de artikelen 2.2.1. (algemene leenbijstand), 3.1.3. (leenbijstand) en 4.1.1. (gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid) zijn bepalingen opgenomen aangaande de mogelijkheid tot het opschorten van de aflossingsverplichting van de verstrekte leenbijstand (voor schulden) gedurende het schuldbemiddelingstraject en het omzetten van leenbijstand in bijstand om niet na afronding van het traject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de wet en voornoemde artikelen ruimte bieden tot het verstrekken van leenbijstand voor schulden zonder dat in alle gevallen het ingezette schuldbemiddelingstraject in gevaar komt, is het noodzaak om voorafgaand aan de verlening van leenbijstand voor een schuld in alle gevallen de expertise van het team schuldhulpverlening in te schakelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van schulden waarvoor bijzondere bijstand zou kunnen worden verstrekt, betreffen algemene bestaanskosten, waarop het bijzondere draagkrachtbeleid van toepassing is. Kosten die niet behoren tot de algemene kosten van bestaan leveren zelden een levensbedreigende situatie op, indien er schulden uit ontstaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.6</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand budgetbeheer en beschermingsbewind</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Budgetbeheer is een voorziening welke de gemeente kan inzetten. Budgetbeheer houdt in dat tijdelijk de financiële huishouding wordt overgenomen omdat men niet zelfstandig in staat is deze uit te voeren. Budgetbeheer kan in verschillende vormen/gradaties worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klantmanager (schuldbemiddeling) beslist hierover vanuit zijn/haar deskundigheid. Dit betekent dat van belanghebbende tijdelijk de financiële huishouding wordt overgenomen. Dit omdat de klant niet zelfstandig in staat is deze uit te voeren. Wanneer er naast financieel beheer ook budgetbeheer wordt uitgevoerd door de gemeente, vormt het financieel beheer een onderdeel van het totale budgetbeheer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een (eventuele) eigen bijdrage voor het uitvoeren van budgetbeheer, kan niet betaald worden van de aflossingscapaciteit van belanghebbende maar moet worden voldaan uit het leefgeld. Leefgeld is tijdens de schuldregeling gelijk aan de beslagvrije voet, zijnde 90% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (incl. vakantietoeslag). Uit vaste jurisprudentie (BI5334, Rechtbank Roermond, AWB 07/1216) mag een persoon niet minder inkomen hebben dan de beslagvrije voet. Indien een eigen bijdrage in rekening zou worden gebracht, betekent dit dat belanghebbende een aanvraag bijzondere bijstand zou kunnen indienen, dit om te voorkomen dat hij te weinig inkomen heeft om van te leven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat de ene afdeling (BIS) kosten in rekening brengt die een andere afdeling (WMI) vervolgens via de bijzondere bijstand moet vergoeden, heeft het college besloten om voor de kosten en uitvoering van budgetbeheer in principe geen eigen bijdrage in rekening te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop is de volgende uitzondering gemaakt (eerste lid). Aan personen met een inkomen boven bijstandsniveau vraagt het college een eigen bijdrage voor de uitvoering van budgetbeheer. Dit alleen in situaties waarbij de schuldregeling succesvol is beëindigd waardoor belanghebbende weer beschikt over zijn volledige aflossingscapaciteit. Ook moet de noodzaak van het verlengen van de termijn van budgetbeheer zijn vastgesteld door de klantmanager Schuldhulpverlening. Het kan namelijk nodig zijn dat budgetbeheer langer toegepast moet worden dan de vastgestelde termijn van twee jaar. In deze gevallen bedraagt de eigen bijdrage voor budgetbeheer € 30,- per maand. Voor deze eigen bijdrage heeft belanghebbende de mogelijkheid bijzondere bijstand aan te vragen. Bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand, zal een draagkrachtberekening plaatsvinden zoals bedoeld in het derde lid van artikel 3.1.1. Daar budgetbebeer gezien kan worden als noodzakelijke algemene bestaanskosten (ook al zijn deze tijdelijk van aard), wordt bij de draagkrachtberekening 100% van het inkomen boven de bijstandsnorm in aanmerking genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beschermingsbewind is bedoeld ter bescherming van de vermogensrechtelijke (financiële) belangen van mensen die meerderjarig zijn en lichamelijk of geestelijk niet meer in staat zijn om de financiële zaken te regelen. De kantonrechter kan indien hier sprake van is een persoon onder bewind stellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer sprake is van een geestelijke of verstandelijke handicap, ziekte, ouderdom of van verslavingsproblematiek. Indien door de Rechtbank de belanghebbende onder beschermingsbewind is gesteld, wordt tevens een bewindvoerder benoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan iedereen zijn, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Ook kan er een professionele bewindvoerder worden aangesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien een professionele bewindvoerder wordt aangesteld, zijn er kosten verbonden aan het uitvoeren van het beschermingsbewind. Het Landelijk Overleg Kantonrechters heeft hiervoor richtlijnen opgesteld. Afhankelijk van de gezinssituatie, bedraagt het tarief gemiddeld € 90,- (peiljaar 2010). Daarnaast rekent een professionele organisatie veelal kosten voor intake (+/- € 500,-).</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor beschermingsbewind kan, indien tevens een schuldbemiddelingstraject aan de orde is, niet worden voldaan van de aflossingscapaciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat deze voldaan moet worden van het leefgeld van belanghebbende. Daarmee komt belanghebbende onder de beslagvrije voet (90% van de bijstandsnorm). Om dit te voorkomen, is het in die gevallen waar beschermingsbewind en een gemeentelijke schuldbemiddelingstraject aan de orde zijn mogelijk om voor de kosten van bewindvoering bijzondere bijstand te verstrekken. Ook de intakekosten kunnen middels bijzondere bijstand worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien geen sprake is van een schuldbemiddelingstraject maar wel sprake is van beschermingsbewind, dient bij de bepaling of de kosten uit de bijzondere bijstand kunnen worden vergoed, het draagkrachtbeleid te worden toegepast.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.7</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere bijstand in verband met arbeidsinschakeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het uitstromen naar regulier werk is een belangrijke doelstelling, van zowel het college als de rijksoverheid. Om dit te bewerkstelligen kan de gemeente vanuit het participatiebeleid en participatiebudget voorzieningen inzetten, die bijdagen aan de re-integratie van klanten. Daarbij valt te denken aan re-integratie,- inburgerings en educatietrajecten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toch kunnen ook andere zaken, anders dan een traject, nodig zijn om iemand uit te laten stromen naar reguliere arbeid. Indien noodzakelijke kosten zich voordoen, deze voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, niet betaald kunnen worden uit de algemene bijstand, en die werkelijk nodig zijn om iemand aan het werk te laten gaan (of eventueel te houden), kan bijzondere bijstond voor deze kosten worden verstrekt. Voorliggende voorzieningen dienen aangesproken te worden voordat wordt overgegaan tot de verstrekking van bijzondere bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij valt te denken aan bijvoorbeeld de eigen bijdrage voor psychotherapie. Het komt steeds meer voor, ook onder jongeren, dat er sprake is van psychische problematiek. Het is voor te stellen dat een behandeling, om uiteindelijk in een arbeidssituatie goed te kunnen functioneren, noodzakelijk is. Indien hieruit kosten voortvloeien die niet door de basisverzekering en aanvullende ziektekostenverzekering worden vergoed, kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Ook kosten met betrekking tot de renovatie van een gebit, kunnen noodzakelijk zijn in relatie tot de arbeidsinschakeling. Bijzondere bijstand kan dan worden verstrekt voor de eigen bijdrage die eventueel resteert na vergoeding vanuit de aanvullende ziektekostenverzekering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenmalige kosten die noodzakelijk zijn voor de werkaanvaarding en waarin de (toekomstige) werkgever niet voorziet, bijvoorbeeld een goedkoop vervoermiddel (omdat openbaar vervoer niet mogelijk is), kunnen eveneens worden vergoed (wel op basis van een lening).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vervoersmiddel is namelijk een duurzaam gebruiksgoed. Het college kan ook besluiten om, indien dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling, een fiets in natura te verstrekken. Een verzoek hiertoe wordt telkens op individuele gronden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbende in deeltijd werkt en een aanvullende uitkering ontvangt, wordt het totale inkomen (inclusief arbeidskorting) op de uitkering in mindering gebracht. Voor zover van de werkgever geen of onvoldoende reiskostenvergoeding wordt ontvangen, kan het feitelijk inkomen van belanghebbende hiermee dalen onder het minimum. Om te voorkomen dat het blijven uitvoeren van het werk financieel negatieve gevolgen heeft, kan vanuit de bijzondere bijstand een vergoeding voor de reiskosten worden verstrekt, voor een maximale duur van 6 maanden. In die periode dient een andere oplossing te worden gezocht. Het betreft hier overigens alleen werkzaamheden buiten Spijkenisse, omdat binnen de gemeente goedkoop vervoer (zoals de fiets) mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten verband houdend met sollicitatieactiviteiten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de norm moeten worden voldaan, aangezien de sociale zekerheidswetten er vrijwel allemaal vanuit gaan dat uitkeringsgerechtigden solliciteren. In de kosten van sollicitatieactiviteiten is over het algemeen geen bijzondere bijstand mogelijk. De Wet kinderopvang (WK) biedt de mogelijkheid bepaalde groepen (binnen de bij wet aangewezen gemeentelijke doelgroepen) volledige vergoeding te verstrekken voor kinderopvang. Aangezien deze mogelijkheid bestaat, is geen ruimte voor verstrekking van bijzondere bijstand voor kinderopvang aan groepen die binnen de gemeentelijke verantwoordelijkheid in deze wet vallen, ook niet in het geval dat kinderopvang noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling. In de kosten van informele kinderopvang wordt eveneens geen bijzondere bijstand verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een vergoeding in de kosten die verband houden met de arbeidsinschakeling, kunnen niet achteraf worden ingediend. Het college beoordeeld altijd vooraf of bepaalde kosten als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.8</span><span class=\"lf-art-t\">Studiekosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De in het eerste lid bedoelde reguliere studiekosten betreffen bijvoorbeeld kosten voor schoolgeld (waaronder ouderbijdrage en inschrijfgeld), boeken, schoolreisjes en reiskosten. Deze behoren tot de reguliere kosten voor kinderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen als het leerplichtige kind vanwege opvoedings- of leerproblemen, of ziekte of handicap geen reguliere school kan bezoeken en dit tot meerkosten leidt. Meerkosten kunnen niet worden vergoed indien een voorliggende voorziening (zoals leerlingenvervoer) de meerkosten dekt, of indien de meerkosten het gevolg zijn van een eigen keuze van belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde lid wordt ingegaan op een specifieke kostenpost, namelijk reiskosten voor ten laste komende kinderen die een MBO-opleiding volgen. Niet alle vormen van MBO-onderwijs worden in Spijkenisse aangeboden. Voor het behalen van een startkwalificatie en de verdere school/werk-loopbaan is het van belang dat kinderen de beroepsrichting van hun keuze kunnen volgen. Het niet kunnen betalen van de reiskosten van huis naar school en v.v., mag geen reden zijn de schoolkeuze aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor jongeren op HBO- en WO-onderwijs kent de studiefinanciering een regeling voor jongeren onder de 18 jaar. Voor jongeren in het MBO is een dergelijke voorziening er niet. Daarom kan individuele bijzondere bijstand worden verleend aan ouders van ten laste komende kinderen die buiten Spijkenisse een MBO-opleiding volgen die in Spijkenisse niet wordt aangeboden en die geen OV-studentenkaart ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Studiekostenvergoeding aan belanghebbenden boven de leerplichtige leeftijd is slechts mogelijk binnen een re-integratietraject. Hiervoor zijn andere middelen beschikbaar dan bijzondere bijstand en er vindt bepaling van noodzaak plaats op grond van specifieke richtlijnen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.9</span><span class=\"lf-art-t\">Aanslag inkomstenbelasting</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een aanslag inkomstenbelasting betreft algemeen noodzakelijke kosten, waardoor de draagkrachtbepaling van artikel 3.1.1, derde lid van toepassing is. De criteria op grond waarvan de aanslag inkomstenbelasting alsnog kan worden vergoed, zoals genoemd in het eerste lid, zijn mede gebaseerd op jurisprudentie (o.a. CRvB 15 juli 2003, JABW 2003/190). Het criterium genoemd onder b komt voort uit het feit dat in een lopend jaar de inkomsten volledig moeten worden gekort op de uitkering, ongeacht eventuele belasting die hierover in de toekomst verschuldigd zou kunnen zijn. Indien de inkomsten met terugwerkende kracht worden verlaagd (doordat achteraf belasting en premies volksverzekeringen moeten worden betaald), moet er over de bijstandsperiode rekening worden gehouden met een lager inkomen. Derhalve moet alsnog meer bijstand worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke situatie is dermate anders dan een situatie waarin gedurende het jaar over voldoende middelen werd beschikt waardoor geen aanvullende bijstand nodig was, dat volgens de CRvB geen ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder c genoemde criterium zorgt ervoor dat slechts voor de noodzakelijke kosten bijstand wordt verstrekt. Zolang de aanslag nog kan worden verminderd door de belastingdienst, is minder of geen bijstand nodig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede lid bepaalt dat niet meer bijstand voor levensonderhoud kan worden verstrekt dan de reguliere bijstandsnorm, dit om rechtsongelijkheid met overige bijstandsgerechtigden te voorkomen. Uiteraard wordt ook niet meer bijstand verstrekt dan de hoogte van de belastingaanslag, omdat slechts bijstand kan worden verstrekt voor noodzakelijke kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.10</span><span class=\"lf-art-t\">Huisraad/woninginrichting/duurzame gebruiksgoederen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor huisraad/woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen maken deel uit van het op minimumniveau gangbare bestedingspatroon. Het betreft kosten voor meubilair, stoffering, verf/behang, wit- en (beperkt) bruingoed, en dergelijke. Uit dit artikel vloeit voort dat er bijzondere omstandigheden aanwezig moeten zijn, op grond waarvan leenbijstand mogelijk is. Oorzaken als gezinsuitbreiding en slijtage vallen niet onder bijzondere omstandigheden. Ook kan beëindiging van een periode van inwoning niet als bijzondere omstandigheden worden gezien. Inwoning wordt geacht een zakelijke relatie te betreffen, waarbij afspraken worden gemaakt over de duur van inwoning. De kosten bij beëindiging zijn voor de inwonende dan te voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er mag geen andere bekostigingsmogelijkheid aanwezig zijn, zoals de mogelijkheid tot een lening bij de Gemeentelijke Kredietbank. Ook andere (individuele) mogelijkheden van bekostiging moeten in aanmerking worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede en derde lid geeft expliciet situaties aan waarin geen bijstand mogelijk is. Het betreft situaties waarin eigen keuze een rol speelt en/of sprake kan zijn van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid behandelt de eerste vestiging/eerste aanschaf. Personen die zich vanuit hun ouderlijk huis, studentenkamer, of daarmee vergelijkbaar, zelfstandig willen vestigen, zullen zelf in deze kosten moeten voorzien. In deze situaties is sprake van eigen verantwoordelijkheid voor het bestaan, in een situatie waarin vrijwel iedere persoon vroeg of laat terecht komt. Het zelfstandig gaan wonen is daarom in de regel een normale situatie, waarvoor belanghebbende zelf de middelen moet reserveren. Uitzondering bij eerste vestiging betreft de asielzoeker die zich voor het eerst zelfstandig in Nederland vestigt. De bijstand die in een dergelijke situatie kan worden verleend, wordt afgestemd op de in Nederland gangbare situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor inrichting/huisraad/duurzame gebruiksgoederen worden in principe niet vergoed in geval van echtscheiding. Een echtscheiding vindt veelal niet van de ene op de andere dag plaats maar staat al een langere tijd vast. Voor de kosten van inrichting e.d. dienen dan ook in de voorliggende periode middelen gereserveerd te worden. Geen bijzondere omstandigheden worden aanwezig geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere bijstand voor huisraad/woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen wordt in de vorm van een lening verstrekt. Daarom is het artikel hieromtrent van toepassing. Aangezien het algemene bestaanskosten betreft, wordt het bijzondere draagkrachtsysteem (alles boven 100% van de bijstandsnorm) gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inrichtingskosten worden vergoed conform 60% van de op dat moment geldende normbedragen voor de inventarispakketen van het Nibud. Als een totale inventaris niet noodzakelijk is maar losse artikelen benodigd zijn, wordt dit eveneens vergoed conform 60% van de Nibud normbedragen. Bijzondere bijstand voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen, wordt verstrekt conform de Nibud bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten voor huisraad / inrichting / duurzame gebruiksgoederen, kunnen alleen vooraf worden aangevraagd. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van een proforma nota.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.11</span><span class=\"lf-art-t\">Verhuiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verhuiskosten, zoals transportkosten en kosten van dubbele huur, zijn algemene kosten van het bestaan, die behoren tot het gangbare bestedingspatroon op minimumniveau. Bij het maken van een keuze al dan niet te verhuizen, wordt het kostenaspect betrokken. Bij de hier genoemde noodzakelijke redenen is die overweging niet mogelijk; noodzakelijke redenen zijn bijvoorbeeld een medische indicatie of bijzondere sociale omstandigheden. Derhalve kan bijstand worden verstrekt. Wel dient, aangezien het algemene bestaanskosten betreft, het bijzondere draagkrachtbeleid te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De keuze om verhuiskosten (met uitzondering van dubbele huur en waarborgsom) toe te rekenen aan de gemeente van herkomst, is een landelijk geaccepteerde werkwijze, waar de gemeente Spijkenisse zich bij aansluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de beoordeling van de aanvraag verhuiskostenvergoeding is een reserveringsregime van toepassing, aangezien het algemene kosten van het bestaan betreft, waarin de norm in beginsel voorziet. Dat de verhuizing noodzakelijk is en voortvloeit uit bijzondere omstandigheden doet hier niets aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhuiskosten kunnen alleen voorafgaand worden aangevraagd. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van een proforma nota.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.12</span><span class=\"lf-art-t\">Kosten voor verzorging of verpleging</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De (lage) eigen bijdrage wordt naar hoogte afgestemd op het inkomen, men houdt minimaal de norm bij opname in een inrichting over. Als de inkomsten zo laag zijn, dat na aftrek van de eigen bijdrage minder over blijft dan de van toepassing zijnde norm, kan in het deel waarin niet uit de inkomsten kan worden voorzien bijstand worden verleend. De hoge bijdrage kan op verzoek worden verlaagd als het inkomen daartoe aanleiding biedt. Bij een inkomen ter hoogte van de norm voor verblijf in een inrichting kan (eveneens op verzoek) vrijstelling worden verleend van de hoge eigen bijdrage. Aangezien het hier kosten betreffen die dicht bij algemene bestaanskosten liggen, is het bijzondere draagkrachtsysteem van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegangsbijdrage betreft een eigen bijdrage voor aansluiting bij een thuiszorgorganisatie of een (hogere) bijdrage voor niet-aangeslotenen die toch thuiszorg nodig hebben. Er wordt slechts bijstand in verleend, voor zover ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de voorziening, niet uit ‘voorzorg’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Officieel geïndiceerde thuiszorg wordt noodzakelijk geacht. De kosten hiervan (eigen bijdrage en de noodzakelijke toegangsbijdrage –soort contributie) komen voor vergoeding in aanmerking, tenzij een andere vergoeding kan worden verkregen. Sinds 1 juli 2004 is de eigen bijdrage thuiszorg opgenomen in het gemeentepakket van OZ-zorgverzekeringen (per 2008 CZ-Zorgverzekeringen). Tenzij het niet gebruiken van deze (aanvullende) ziektekostenverzekering belanghebbende niet te verwijten valt, zal daardoor geen vergoeding van de eigen bijdrage thuiszorg meer aan de orde zijn. Indien sprake is van niet-geïndiceerde thuiszorg, zonder dat er een afwijzing van officiële thuiszorg is, moet zelf de noodzaak worden onderzocht. Hiervoor kan een medisch advies worden aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De retributieregeling betreft inkomensafhankelijke eigen bijdragen voor specifieke voorzieningen. Ook hiervoor is bijstand mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geïndiceerde dagverzorging (door Algemene Stichting Ouderenzorg Spijkenisse) kent uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. De kosten, met uitzondering van het bedrag voor een reguliere maaltijd, komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.13</span><span class=\"lf-art-t\">Voorkoming opname AWBZ-instelling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De doelstelling van het kabinetsbeleid en het gemeentebeleid is mensen zo lang mogelijk in staat te stellen zelfstandig (of zo zelfstandig mogelijk) te wonen, zodat geen of minder beroep hoeft te worden gedaan op een AWBZ-instelling voor verzorging of verpleging. Daarom worden de (meer)kosten die hiermee gemoeid zijn aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om de meerkosten van maaltijdvoorziening voor hen die niet (meer) in staat zijn te koken en de kosten van alarmering. Kosten van bijvoorbeeld een abonnement op een klussendienst voor mensen die door beperking of handicap niet meer in staat zijn zelf eenvoudige klusjes uit te voeren, bevorderen eveneens het zelfstandig wonen. Deze kosten vallen echter onder de noemer ‘vervanging of reparatie van duurzame gebruiksgoederen’ waarin de categoriale bijzondere bijstand in de vorm van de langdurigheidstoeslag voorziet.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.14</span><span class=\"lf-art-t\">Bijzondere reiskosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Opname in een inrichting vormt een bijzondere omstandigheid, waarvoor het wegens mentale ondersteuning noodzakelijk is een bezoekmogelijkheid te hebben. De bezoekmogelijkheid aan gezinsleden die in detentie verkeren is door de CRvB als noodzakelijk aangemerkt. Vergoeding van kosten (binnen voorwaarden) is derhalve mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij verblijf buiten de gemeente kan een deel van de reiskosten (namelijk het deel binnen de gemeentegrenzen) in mindering worden gebracht op de bijstand, omdat dit in de algemene norm is inbegrepen. Vanwege uitvoeringsredenen is gekozen dit achterwege te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bezoekfrequentie waarvoor een vergoeding wordt verstrekt, wordt in het geval van bezoek aan een persoon in een inrichting voor geestelijke of lichamelijke verzorgen individueel bepaald. In geval van detentie wordt bezoek eens per maand reëel geacht. De noodzaak tot ondersteuning wordt bij opname in een inrichting voor verzorging anders opgevat dan in een detentie-inrichting, derhalve wordt hierin een verschil gemaakt. In ieder geval wordt hiermee bereikt dat regelmatig persoonlijk contact ter ondersteuning mogelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar vervoer biedt een toereikende reisvoorziening, waardoor de kosten op basis van het goedkoopste OV-tarief kunnen worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bezoek aan een kind in een jeugdhulpverleningsinstelling moet in eerste instantie worden bekostigd uit de kinderbijslag. Dit zijn namelijk kosten die voor de SVB meetellen bij het bepalen van het recht op kinderbijslag. Het vergoeden van dergelijke kosten kan leiden tot stopzetting van kinderbijslag. Indien voor het kind in een jeugdhulpverleningsinstelling geen kinderbijslag kan worden verkregen, of indien de kosten die de ouder maakt aantoonbaar hoger zijn dan de kinderbijslag (bewijs hiervan moet eveneens worden aangeleverd bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen), zou bijzondere bijstand kunnen worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor verblijfkosten wordt geen bijstand verstrekt. Uitzondering vormt het verblijf van een ouder wanneer een kind is opgenomen en het voor het kind medisch noodzakelijk is dat de ouder overblijft. In dat geval is de ziektekostenverzekering een voorliggende voorziening, die eerst moet worden aangesproken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.15</span><span class=\"lf-art-t\">Ouderbijdrage</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) geeft aan dat als het kind in een dagbehandeling verblijft, de ouder recht blijft houden op kinderbijslag. Dit kan veranderen als het kind uit huis is geplaatst. Toch is het ontvangen van kinderbijslag belangrijk om de ouderbijdrage te kunnen voldoen. Wanneer het kind uit huis geplaatst is, zal de Sociale Verzekeringsbank (SVB) onderzoeken of de ouder nog wel voldoende kosten voor het kind maakt om in aanmerking te (blijven) komen voor kinderbijslag. De SVB informeert regelmatig bij het LBIO of de ouderbijdrage wordt voldaan. Het daadwerkelijk betalen van de ouderbijdrage in het desbetreffende kwartaal is dus van groot belang voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de ouder geen kinderbijslag (meer) ontvangt, kan deze opnieuw worden aangevraagd. De SVB onderzoekt of de ouder voldoet aan de onderhoudseis zoals is vastgelegd in de Algemene Kinderbijslagwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle kosten die de ouder voor het kind maakt, tellen mee in deze onderhoudseis. In de eerste plaats natuurlijk de betaalde ouderbijdrage. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met schoolkosten en boekengeld, kleedgeld, kosten voor bezoek en verzekeringen, en de kosten die de ouder voor het kind maakt wanneer dit in weekenden en vakanties bij de ouder verblijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie geeft aan dat indien de daadwerkelijke kosten van belanghebbende de kinderbijslag overtreffen, de meerkosten vergoed moeten worden vanuit bijzondere bijstand. Wij sluiten hierbij aan. Verdere instructies zijn in uitvoeringsrichtlijnen vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ouder kan ook verplicht worden gesteld een ouderbijdrage te betalen voor een jong-meerderjarig kind (tot en met 20 jaar). In beginsel wordt hiervoor geen bijstand verstrekt, omdat het kind niet meer tot het gezin behoort. Wel dient individueel te worden bekeken of bijzondere omstandigheden noodzaken toch bijstand te verstrekken. De ouder blijft immers tot het 21e jaar van het kind financieel verantwoordelijk.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.16</span><span class=\"lf-art-t\">Dieetkosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van voeding behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de norm moeten worden voldaan. Voor zover een dieet noodzakelijk is, kunnen de meerkosten van het dieet worden vergoed. De noodzaak van een dieet en de meerkosten hiervan dienen aan de hand van objectieve criteria te worden vastgesteld. De bijzondere bijstand voor meerkosten geldt alleen voor het gezinslid dat het dieet moet volgen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.17</span><span class=\"lf-art-t\">Uitgesloten kostensoorten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Legeskosten worden niet gezien als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Het betreft reguliere kosten voor diensten van de overheid. Bij de vaststelling van leges wordt rekening gehouden met de zorgplicht voor mensen met een minimuminkomen. Aparte bijstandsverstrekking is daarom niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet afsluiten van een aanvullende ziektekostenverzekering en andere algemeen gebruikelijke verzekeringen (zoals een inboedel- en WA-verzekering) wordt gezien als onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid. Derhalve kunnen de kosten gezien worden als algemeen gebruikelijk en uit de norm te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een begrafenisverzekering (of levensverzekering) is niet noodzakelijk, omdat de kosten van begrafenis kosten zijn die uit de nalatenschap moeten worden voldaan, of door de erfgenamen moeten worden bekostigd (jurisprudentie CRvB 05-08-2003). De kosten hiervoor komen op de grond dat ze niet noodzakelijk zijn, niet in aanmerking voor bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwangerschap en geboorte van een kind is een situatie die over het algemeen ofwel gewenst was, ofwel te voorkomen was. De niet-medische kosten die hieruit voortvloeien, vallen te beurt aan iedere (nieuwe) ouder en zijn daarom niet bijzonder. Het is daarom de verantwoordelijkheid van de ouders de hieruit voortvloeiende kosten te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kosten die niet als algemeen kunnen worden gezien, zijn medische kosten die voortvloeien uit de zwangerschap en bevalling. Voor zover deze niet volledig worden gedekt door de ziektekostenverzekering kan bekeken worden of bijstand moet worden verstrekt. Wanneer er geen sprake is van zwangerschap die te voorkomen was, bijvoorbeeld omdat er sprake is geweest van een misdrijf of er een zeer jonge toekomstige ouder bij betrokken is, kan worden beoordeeld of bijstand moet worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor gemeentelijke belastingen en heffingen is kwijtschelding te verkrijgen. Indien dit niet wordt verleend is er ruimte bevonden de aanslag te betalen. Derhalve kan geen bijstand worden verstrekt. De kwijtscheldingsprocedure is een wettelijke procedure, die met opzet vrij strak is gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Spijkenisse wordt het kwijtscheldingsbeleid reeds zo ruim als wettelijk mogelijk ingevuld. Het verlenen van bijstand (te zien als uitbreiding van het kwijtscheldingsbeleid) druist daarom in tegen een ander wettelijk voorschrift</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.18</span><span class=\"lf-art-t\">Zelfstandig wonende jong-meerderjarigen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De norm voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar is niet afgestemd op zelfstandig wonen. Er wordt van uitgegaan dat de jongere bij ouders of verzorgers woont. Indien er sprake is van een bijzondere situatie waardoor dit niet mogelijk is, kan aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud worden verstrekt. Er mag geen sprake zijn van een gezamenlijke huishouding, omdat in dat geval over het algemeen reeds rekening is gehouden met woonkosten en kosten voor levensonderhoud.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is dit niet het geval, dan kan op basis van individualisering worden bepaald of (en hoeveel) bijzondere bijstand voor levensonderhoud noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere situaties waarbij sprake is van noodzakelijkerwijs zelfstandig wonen, zijn aangegeven in het tweede lid. Volgens artikel 12 Wwb kan alleen bijzondere bijstand worden verstrekt als de jongere geen middelen hiervoor bij de ouders kan claimen. Of sprake is van een crisissituatie wordt bepaald door de gemeente, na ontvangst van een advies hieromtrent van een onafhankelijke deskundige. Voor de bepaling van een eventuele crisissituatie is van belang dat een zo compleet mogelijk beeld is verkregen van de situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat enerzijds uit de kosten voor uitwonend zijn, zoals huur, gas, water en elektriciteit en eventuele andere kosten die met de bewoning van die woonruimte te maken hebben. Eventuele tegemoetkomingen in deze kosten, zoals huurtoeslag, worden op de bijzondere bijstand in mindering gebracht. Indien de kosten onredelijk hoog zijn, dient belanghebbende te worden verplicht andere woonruimte te zoeken. Anderzijds zal voor algemene kosten voor levensonderhoud extra bijzondere bijstand noodzakelijk zijn. Dit betreft een forfaitair bedrag, dat in uitvoeringsrichtlijnen is opgenomen. Berekening hiervan heeft plaatsgevonden op grond van kosten zoals gelden voor studenten (Nibudnormen minus kosten voor studie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet reëel de mogelijkheid aan te brengen dat een jongere van 18 tot en met 20 jaar meer uitkering en bijzondere bijstand ontvangt voor diens levensonderhoud dan iemand van 21 jaar of ouder. Dit zou leiden tot ongelijkheid op grond van leeftijd en neigt naar inkomensbeleid, waartoe alleen de wetgever bevoegd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vierde lid voorkomt dat méér uitkering en bijzondere bijstand wordt verstrekt dan aan een 21-jarige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.2.19</span><span class=\"lf-art-t\">Taxatiekosten eigen woning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een goede recente taxatie is belangrijk voor het vaststellen van mogelijke overwaarde in de woning. Het is daarom van belang een taxatie te hebben van de woning. Veelal biedt de vastgestelde WOZ-waarde uitkomst. Wanneer er op basis van de WOZ-beschikking geen recente waardevaststelling is of wanneer de woning sterk afwijkt van de woningen waarop de WOZ-waardeberekening is gebaseerd, is een taxatierapport noodzakelijk. Van een nieuwe taxatie kan worden afgezien als er een recent taxatierapport is. Onder recent kan worden verstaan: niet ouder dan een jaar. Waar echter exact de grens ligt, is afhankelijk van de omstandigheden. Indien bijvoorbeeld een taxatierapport van 2 jaar oud aangeeft dat de hypotheek hoger is dan de waarde, kan bij een woning van gemiddelde waarde worden afgezien van nieuwe taxatie. De overwaarde zal immers niet zodanig zijn gestegen dat er bovenop de vrijlating nog ruimte zal zijn voor ‘intering’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer de taxatie verplicht wordt gesteld, verstrekt het college hiervoor bijzondere bijstand. De wet biedt niet de ruimte om deze bijstand in de vorm van een lening te verstrekken. Derhalve wordt bijstand om niet verstrekt. De kosten bedragen ongeveer 1,5 tot 2 promille van de waarde van de woning. Zie voor de toepassing van dit artikel de werkinstructie/ uitvoeringsregels.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 3.3: Categoriale bijzondere bijstand</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Standaardbijdrage 65 plus</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Door de gemeenteraad is een nieuw minimabeleid vastgesteld. De uitgangspunten voor dit nieuwe beleid zijn opgenomen in de nota ‘Minimabeleid – een vereenvoudigd armoedebeleid’ en gaan gelden met ingang van 1 januari 2013. Met dit beleid worden burgers enerzijds gestimuleerd om aan het werk te gaan en anderzijds worden burgers die dat niet kunnen of niet meer hoeven extra financieel ondersteund. Daarnaast is er in het nieuwe beleid extra aandacht voor kinderen in minima gezinnen. Om aan dit beleid uitvoering te kunnen geven, is het Persoonlijk MinimaBudget (PMB) geïntroduceerd, waarbinnen onderscheid is gemaakt tussen de Standaardbijdrage en de Kindbijdrage Maatschappelijke Ontwikkeling. Met het PMB zijn de categoriale regelingen, te weten: de Langdurigheidstoeslag, Categoriale bijzondere bijstand chronisch zieken en gehandicapten, Categoriale bijzondere bijstand 65 plus en tot slot ook het Sport &amp; cultuurfonds (Jeugdfonds) voor schoolgaande kinderen tot 18 jaar, samengevoegd in één budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze beleidsregel zijn regels gesteld ten aanzien van de ‘standaardbijdrage 65 plus’, hetgeen onderdeel uitmaakt van het PMB. De Wwb biedt op grond van artikel 35 lid 3 gemeenten de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verstrekken aan personen van 65 jaar of ouder, zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van deze persoon de kosten (noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaat), daadwerkelijk noodzakelijk of zijn gemaakt. Het betreft een bevoegdheid van het college, waaraan uitvoering wordt gegeven door de voorwaarde op te nemen in een beleidsregel. Ten aan zien van de onderdelen ‘standaardbijdrage 21-65’ en ‘kindbijdrage’, heeft de gemeenteraad een kaderstellende bevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de verschillende onderdelen van het PMB nauw met elkaar samenhangen, zijn de regels voor de standaardbijdrage 65 plus in grote lijnen in overeenstemming met die van de standaardbijdrage 21-65 (plus). Deze laatste zijn opgenomen in de verordening ‘Persoonlijk MinimaBudget’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de categorie minima van 65 jaar en ouder wordt aannemelijk geacht dat zij onvoldoende reserveringscapaciteit hebben om duurzame gebruiksgoederen aan te schaffen, te vervangen of te (laten) repareren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gehanteerde criteria als gebruikt in het eerste lid van dit artikel worden als volgt gemotiveerd:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het leeftijdscriterium vloeit voort uit een wettelijk voorschrift (artikel 35, derde lid Wwb). Hierdoor is het niet mogelijk mensen tot 65 jaar met deze categorie gelijk te stellen. Indien sprake is van gehuwden of een gezamenlijke huishouding, dient één van de partners 65 jaar of ouder te zijn. Inhoudelijk gezien is het onderscheid te rechtvaardigen omdat voor ouderen (hier 65-plussers) meerkosten gelden voor duurzame gebruiksgoederen, die jongere personen niet hebben. Ouderen zijn in het algemeen minder in staat de goedkoopste aanschaf te realiseren (zij maken minder gebruik van internet en aanbiedingen, zijn minder mobiel en hebben niet altijd transport om de apparatuur zelf thuis te krijgen). Daarnaast zijn ouderen vaker aangewezen op duurdere gebruiksgoederen, vanwege hogere eisen aan het gebruiksgemak van de apparaten. Deze mogen niet moeilijk of zwaar te bedienen zijn of niet te groot in omvang. In die zin hebben zij meer kosten dan de gemiddelde burger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de grens van 110% van de bijstandsnorm als maximale inkomen, is aangesloten bij de wettelijke maximale inkomensgrens en het algemeen geldend minimabeleid in Spijkenisse. Ook het hanteren van de bovengenoemde vermogensgrens bevordert gelijkschakeling binnen het minimabeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De referteperiode is vastgesteld op 12 maanden (tot 1-1-2013 bedroeg de referteperiode 36 maanden). De kortere periode van de referteperiode is gedaan om op deze wijze er voor zorg te dragen dat de drempel om in aanmerking te komen voor de standaardbijdrage 65 plus lager is. Er wordt vanuit gegaan dat mensen na één jaar geen financiële ruimte meer hebben om te reserveren voor onverwachte uitgaven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het vierde lid is geregeld dat samenloop met de standaardbijdrage 21-65 (eveneens bedoeld voor mensen die langdurig een minimuminkomen hebben) wordt voorkomen. Samenloop van deze regelingen past niet bij het vangnetkarakter van de bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hoogte van de standaardbijdrage 65 plus bedraagt € 400,-. Deze wordt jaarlijks automatisch geïndexeerd. Indien sprake is van gehuwden of een gezamenlijke huishouding en beide partners voldoen aan de gestelde voorwaarden, bedraagt voor dat huishouden de maximale bijdrage € 400,-.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3.3.2</span><span class=\"lf-art-t\">Categoriale bijstand Collectieve Ziektekostenverzekering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenten en zorgverzekeraars werken sinds de invoering van Zorgverzekeringswet in 2006 op grote schaal samen om de financiële toegankelijkheid van de zorg voor minima te verbeteren. Om dat doel te bereiken is de collectieve ziektekostenverzekering ontwikkeld. De samenwerking met zorgverzekeraars heeft daarmee een plaats gekregen in het minimabeleid van ongeveer 400 gemeenten. De CZM vormt zo een brug tussen de Wet werk en bijstand en de Zorgverzekeringswet. Sinds 2007 is een verplicht risico eigen risico ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 35 zesde lid van de Wwb kan ook categoriale bijzondere bijstand worden verleend in de vorm van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering, zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente Spijkenisse heeft ten behoeve van de minima (met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm) ruim tien jaar een collectieve ziektekostenverzekering minima (CZM) afgesloten bij zorgverzekeraar CZ.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gemeentelijke collectief arrangement “Aanvullende verzekering Spijkenisse” bestaat uit een wettelijke basisverzekering en een aanvullende “Extra Zekerpakket”. Jaarlijks wordt het collectief arrangement verlengd waaronder de eigen bijdrage huishoudelijke hulp en onder toevoeging van het kosteloos invoeren van de persoonsalarmering 4 Beleidsregels Handhaving Op 01 januari 2013 treed de wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking. Met deze wet krijgen gemeenten de opdracht om fraude met uitkeringen harder aan te pakken en strenger op te treden bij gesignaleerde fraude. Een goede uitvoering van die opdracht is in het belang van de solidariteit die aan ons sociaal zekerheidsstelsel ten grondslag ligt en draagt bij aan een kostenbeheersing bij de lokale- en rijksoverheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beleidsregels inzake handhaving vloeien voort uit de collegebevoegdheid tot het terugvorderen en verhalen van kosten van bijstand op derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel bij het onderwerp ‘terugvordering’ als bij ‘verhaal’ wordt gesproken over een financieel onderzoek naar de draagkracht van belanghebbende. Met een financieel onderzoek wordt bedoeld een onderzoek naar de draagkracht of aflossingscapaciteit. Dit is conform het beslagrecht dan wel op grond van de Tremanormen (normen die de rechterlijke macht hanteert bij het vaststellen van alimentatie). Het financieel onderzoek wat verricht wordt voor de bepaling van de hoogte van de aflossing of onderhoudsbijdrage moet niet worden verward met het vaststellen van de draagkracht ingeval van (bijzondere) bijstand. Dit zijn twee totaal verschillende berekeningswijzen met verschillende uitgangspunten en doelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.1: Terugvordering</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Terugvordering vindt in alle mogelijke gevallen plaats. Uitgangspunt bij het terugvorderen van bijstand is het rechtvaardigheidsbeginsel. Bijstand geldt als sluitstuk van de sociale zekerheid. De Wwb laat dit ook zien, doordat vrijwel alle vergoedingen en ontvangsten tot de middelen moeten worden gerekend en die middelen slechts worden aangevuld tot het bijstandsniveau. De Wwb voorziet nauwelijks in mogelijkheden het bijstandsinkomen te verhogen. Bij dit beleid past het volledig terugvorderen van teveel of ten onrechte verstrekte bijstand. Zonder terugvordering zou het inkomen boven bijstandsniveau uitkomen en dat past niet bij een voorziening als de bijstand. Het niet terugvorderen zou rechtsongelijkheid veroorzaken ten opzichte van andere bijstandsgerechtigden en zou daarmee onrechtvaardigheid in de hand werken. Zeker wanneer sprake is geweest van fraude, mag dit niet worden beloond door (gedeeltelijk) af te zien van terugvordering. Er wordt derhalve geen algemeen kwijtscheldingsbeleid geformuleerd, bijvoorbeeld in de vorm van kwijtschelding na enkele jaren correct aflossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 01 januari 2013 geldt met de invoering van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetgeving in ieder geval een verplichting tot terugvordering indien belanghebbende zijn inlichtingenplicht niet (voldoende) is nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een minnelijke schuldregeling wordt door een (erkende) schuldhulpverleningsorganisatie het verzoek gedaan mee te werken aan een schuldentraject tegen finale kwijting. De gemeente Spijkenisse kiest ervoor in het geval van niet-fraudegelieerde schulden mee te werken aan een minnelijk traject via een erkende schuldhulpverleningsorganisatie. Achterliggende reden is dat de cliënt de mogelijkheid moet hebben een nieuwe, schuldenvrije, start te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een niet-fraudegelieerde vordering is in beginsel een vordering die niet voortkomt uit schending van de inlichtingenplicht (het geven van geen, onvolledige of onjuiste informatie) of uit een verwijtbare gedraging waarvoor een maatregel is opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in het vierde lid genoemde situaties wordt het besluit tot afzien van (verdere) invordering herzien. Het afzien van (verdere) invordering is een met voorwaarden omkleed recht. In de genoemde situaties is een schuldregeling ofwel niet langer van toepassing, ofwel belanghebbende heeft onvoldoende besef van verantwoordelijkheid betoond, waardoor niet aan de voorwaarden voor kwijtschelding wordt voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien gedurende een periode van tien jaar vanaf de datum van het terugvorderingsbesluit, dan wel tien jaar na de laatst gepleegde aflossing niets is afgelost en geen mogelijkheden tot inning in de toekomst worden gezien, is het niet kostenefficiënt om deze vorderingen langer open te laten staan. Er wordt op dat moment afgezien van verdere invordering. Wanneer er voor de toekomst wel mogelijkheden tot inning worden gezien, blijft de vordering open staan. Voor vorderingen boven de € 5000, waarbij er veelal sprake is geweest van fraude, wordt op principiële gronden niet afgezien van invordering, zolang de wettelijke mogelijkheid tot terugvordering en inning open staan. Het totaalbedrag aan vorderingen boven de € 5000 betreft ruim 50% van het totaalbedrag aan openstaande vorderingen. De mogelijkheid bestaat dat in die 20 jaar iemand alsnog bekend wordt en dat mogelijkheden voor inning ontstaan. Bij grote vorderingen kan het daarom lonend zijn de mogelijkheid voor terugvordering open te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de bepaling of een vordering al dan niet kan worden afgeboekt om kostenefficiënte redenen, geldt het totaalbedrag van alle openstaande vorderingen van de debiteur als vorderingsbedrag. Indien er twee vorderingen open staan van € 3000 kunnen de vorderingen niet na tien jaar worden afgeboekt; deze vallen onder het regime van vorderingen hoger dan € 5000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om vast te stellen of voor de toekomst mogelijkheden voor inning bestaan, wordt tenminste het Suwi-net geraadpleegd en eventueel nog de belastingdienst aangeschreven met de vraag of er sprake is van een eigen bedrijf. Indien belanghebbende een eigen bedrijf heeft, biedt dat kansen om de vordering alsnog te innen. Ook kan eventueel het kadaster met hulp van de sociale recherche aangeschreven worden om te bezien of dat er een eigen woning op naam van de debiteur staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste lid heeft betrekking op het recht op ouderkorting. Bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, ontstaat namelijk recht op (aanvullende) ouderenkorting, een heffingskorting van de belastingdienst. Deze heffingskorting heeft echter met terugwerkende kracht betrekking op het gehele kalenderjaar. Indien iemand tot zijn 65e jaar bijstand of Ioaw/Ioaz ontvangt, moet de uitkering alsnog worden herzien. Dan moet namelijk de ouderenkorting die betrekking heeft op de maanden dat uitkering is verstrekt, in mindering worden gebracht op de uitkering. Dit leidt tot herziening en terugvordering van uitkering. In de praktijk wordt deze uitgebreide werkwijze in vrijwel geen enkele gemeente gehanteerd, met name omdat het voor klanten onbegrijpelijk is waarom wordt teruggevorderd en omdat de hoeveelheid werk niet in verhouding staat tot de hoogte van de ouderenkorting. Vrijwel altijd wordt de ouderenkorting vrijgelaten. De praktijk wordt met dit artikel geformaliseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kalenderjaar volgend op het jaar dat iemand 65 is geworden, wordt de korting in de regel verrekend met de AOW.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.2</span><span class=\"lf-art-t\">Invordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Inning van het vorderingsbedrag ineens is de meest wenselijke vorm van terugbetaling, zowel voor de klant (er is geen lange weg van aflossing), als voor de gemeente (de vordering is direct betaald). Indien betaling ineens niet mogelijk is, wordt de vordering in maandelijkse termijnen afgelost. Wettelijk gezien moet een debiteur minimaal blijven beschikken over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet. Bij een aflossingsbedrag ter hoogte van het voor beslag vatbare bedrag, blijft de debiteur altijd beschikken over de beslagvrije voet. Bij hanteren van een ander bedrag, of een percentage van de bijstandsnorm, wordt ofwel het risico gelopen dat de debiteur minder overhoudt dan de beslagvrije voet, ofwel dat een vordering met vertraging wordt afgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dit risico ter vermijden, is gekozen voor het voor beslag vatbare bedrag (zonder vakantietoeslag) als aflossingsbedrag. Dit bedrag wijzigt minimaal twee maal per jaar, wanneer de uitkeringsbedragen worden aangepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het beslagrecht is huursubsidie/huurtoeslag geen passende en toereikende voorliggende voorziening. Dit heeft tot gevolg dat kosten van huur boven een bepaald normbedrag, waarin de huurtoeslag niet voorziet van invloed zijn op de hoogte van het voor beslag vatbare bedrag. Bij de berekening van de aflossingscapaciteit wordt dus rekening gehouden met de kosten van huur boven de normhuur, minus de toegekende huurtoeslag of woonkostentoeslag. Op deze wijze wordt de werkwijze die voortvloeit uit het beslagrecht gevolgd. Voor de kosten van de ziektekostenverzekering geldt dat eveneens de werkwijze die voortvloeit uit het beslagrecht wordt gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor mensen zonder gemeentelijke uitkering geldt dat zij op dit onderwerp op eenzelfde wijze worden behandeld als mensen met een bijstandsuitkering. De werkwijze die hiermee is verbonden, is opgenomen in het handboek en in werkinstructies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de vakantietoeslag wordt als aflossingsbedrag aangemerkt, op het moment dat deze betaalbaar zou worden gesteld. Dit betekent in de maand mei of binnen drie maanden na beëindiging van de uitkering. Voordeel van aflossing via de vakantietoeslag, boven een maandelijks bedrag waarin de vakantietoeslag reeds is meegenomen, is dat de uitkeringsgerechtigde maandelijks over iets meer geld beschikt. Met het bedrag aan vakantietoeslag kan daarnaast een groot deel van de vordering ineens worden afgelost. Ook vakantietoeslag opgebouwd in een periode voor het ontstaan van de vordering kan, mits nog niet uitbetaald, worden gebruikt voor aflossing van de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het beslagrecht is huurtoeslag geen passende en toereikende voorziening. Dit heeft tot gevolg dat kosten van huur boven een bepaald normbedrag, waarin de huurtoeslag niet voorziet van invloed zijn op de hoogte van het voor beslag vatbare bedrag. Bij de berekening van de aflossingscapaciteit wordt dus rekening gehouden met de kosten van huur boven de normhuur, minus de toegekende huurtoeslag of woonkostentoeslag. Op deze wijze wordt de werkwijze die voortvloeit uit het beslagrecht gevolgd. Voor de kosten van de ziektekostenverzekering geldt dat eveneens de werkwijze die voortvloeit uit het beslagrecht wordt gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor mensen zonder gemeentelijke uitkering geldt dat zij op dit onderwerp op eenzelfde wijze worden behandeld als mensen met een bijstandsuitkering. De werkwijze die hiermee is verbonden, is opgenomen in het handboek en in werkinstructies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor debiteuren zonder gemeentelijke uitkering kost het veel uitvoeringscapaciteit om een aflossingsbedrag te berekenen. Aangezien het inkomen niet bekend is, noch de noodzakelijke uitgaven, moet een volledige draagkrachtberekening worden gemaakt om de maximale aflossingscapaciteit te berekenen. Een eenvoudiger methode is het standaard vaststellen van een aflossingsbedrag. Gekozen is voor € 150 per maand, dit is beperkt hoger dan het voor beslag vatbare bedrag ingeval van de gehuwdennorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op deze wijze kan het voor beslag vatbare bedrag enkele jaren worden geïndexeerd, zonder dat het aflossingsbedrag voor mensen zonder uitkering hoeft te worden aangepast. Een beperking hieraan is dat de aflossing maximaal 36 maanden mag duren. Is de vordering hoger dan 36 maanden maal € 150 = € 5400 bruto, dan wordt direct een financieel onderzoek gedaan om de maximale aflossingscapaciteit vast te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke handelwijze is overeenkomstig het Besluit TICA, een besluit over onder andere terugvordering voor andere sociale zekerheidswetten zoals de WW, WAO en ZW. Wanneer de debiteur gemotiveerd verzoekt om een financieel onderzoek, kan dit worden uitgevoerd. In de situatie genoemd in het tweede lid onder a, zal echter niet zonder meer om een financieel onderzoek worden verzocht, omdat dit voor de debiteur met zich meebrengt dat hij vele inlichtingen moet overleggen. Indien toch een verzoek wordt gedaan, is vrijwel altijd sprake van een te hoog aflossingsbedrag, zo leert de ervaring. Bij het financieel onderzoek worden de TREMA-normen als richtlijn gehanteerd, zodat het onderzoek landelijk toetsbare kaders kent. In individuele gevallen kan hier wel gemotiveerd van worden afgeweken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijk gezien geld geen beslagvrije voet voor vorderingen van een debiteur die niet in Nederland woont of vast verblijft. Indien hij evenwel aantoont dat hij buiten deze vorderingen onvoldoende middelen van bestaan heeft, kan de kantonrechter op zijn verzoek een beslagvrije voet vaststellen voor zijn vorderingen op schuldenaren die woonplaats hebben in Nederland. De gemeente houd zich aan deze wetgeving. Op deze wijze behoeft geen complex draagkracht onderzoek te worden verricht waarbij rekening zou moeten worden gehouden met de landelijke normen van het land waar klant verblijft. De verantwoordelijkheid van het laten vaststellen van een ander aflossingsbedrag ligt in deze bij de debiteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dwanginvordering wordt over het algemeen overgedragen aan de deurwaarder. Dit kent als voordelen dat geen sprake is van versnipperde werkzaamheden in de uitvoering en dat invordering, door de kennis en kundigheid van de deurwaarder, doeltreffender plaatsvindt. Uitzondering op overdracht aan de deurwaarder is de situatie dat het college zelf makkelijk kan invorderen, bijvoorbeeld doordat er een stabiele inkomstenomgeving is, die via het Inlichtingenbureau makkelijk is te achterhalen. In ieder geval wordt de invordering zelf afgehandeld indien de gemeente de uitkeringsverstrekkende instantie is, waarbij verrekening met een lopende uitkering kan plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslag op roerende en/of onroerende zaken kan resultaat geven als alle andere vormen van beslag gefaald hebben; gezien de zwaarte van het middel vindt er (naast een bedrijfsmatige afweging en in samenspraak met de deurwaarder) een individuele afweging met een afzonderlijk besluit plaats. Bij verkoop van de roerende goederen of voorafgaand aan beslaglegging op onroerende goederen is vooraf toestemming nodig van het college om dit voor de debiteur ingrijpende besluit met extra waarborgen te omkleden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.3</span><span class=\"lf-art-t\">Rente en kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het reguliere terugvorderingsproces (uitgaande van een betalende debiteur), behoort tot de reguliere werkzaamheden van de afdeling Werk Meedoen en Inkomen, die door de gemeente bekostigd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een debiteur weigert te betalen (zonder daarvoor legitieme redenen aan te voeren), wordt de afdeling gedwongen extra kosten te maken ter uitvoering van het invorderingsproces. Ten opzichte van (overige) inwoners van de gemeente, is het niet te rechtvaardigen dat hiervoor publieke middelen worden gebruikt. Indien de debiteur zonder legitieme reden weigert te betalen, of niet reageert op betalingsverzoeken, behoort hij hiervoor zelf de financiële lasten te dragen. Vanaf het moment van overdracht aan de deurwaarder, worden daarom verdere kosten bij de debiteur in rekening gebracht. Overigens zal deze situatie vrijwel nooit voorkomen bij debiteuren met een gemeentelijke uitkering, aangezien daarbij de voorkeur wordt gegeven aan (maandelijkse) verrekening van het aflossingsbedrag met de uitkering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de kostenberekening efficiënt en effectief vorm te geven en er zeker van te zijn dat de in rekening gebrachte kosten in rechte standhouden, wordt uitgegaan van de staffel Voorwerk II – buitengerechtelijke kosten. Deze staffel is samengesteld door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en wordt algemeen gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer een debiteur niet voldoet aan de betalingsverplichting, loopt de gemeente inkomsten (rente) mis. Deze rente mag ingevolge artikel 58 Wwb in rekening worden gebracht bij de debiteur. Dit vindt plaats vanaf het moment van overdracht aan de deurwaarder (overdrachtsdatum). Het in rekening brengen van de rente gebeurt alleen door de deurwaarder. Het zelf berekenen van de wettelijke rente kost namelijk veel uitvoeringscapaciteit, mede omdat er in de gemeente (in tegenstelling tot bij deurwaarders) geen systeemtechnische ondersteuning aanwezig is. De kosten zijn voor de gemeente daarom hoger dan de opbrengsten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.1.4</span><span class=\"lf-art-t\">Brutering van de vordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 58, vijfde lid Wwb, en artikel 25 lid 4 van de Ioaw en Ioaz kan het college ook de verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen over teveel of ten onrechte verstrekte bijstand terugvorderen, voor zover het college dit niet meer kan verrekenen met de belastingdienst of het UWV WERKBEDRIJF. Verrekening kan plaatsvinden wanneer de vordering van teveel of ten onrechte verstrekte bijstand in het kalenderjaar dat het is verstrekt, nog wordt terugbetaald. Het terugvorderen van verschuldigde loonbelasting of premies volksverzekeringen wordt ook wel brutering van de vordering genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De CRvB heeft reeds diverse uitspraken gedaan op grond waarvan de mogelijkheden van brutering voor het college zijn ingeperkt. Dit houdt in dat in diverse gevallen niet tot brutering mag worden overgegaan, of slechts een deel van de openstaande vordering mag worden gebruteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat behoefte de jurisprudentie aan te vullen met beleid vanwege een tweetal redenen (uiteraard zonder de jurisprudentie aan te tasten). Ten eerste zijn er situaties waarin volgens jurisprudentie tot brutering mag worden overgegaan, waarbij dit in verhouding tot die gevallen waarin niet gebruteerd mag worden, door het college als onredelijk worden beschouwd. Ten tweede is brutering een arbeidsintensief traject. De jurisprudentie omtrent brutering heeft dit slechts versterkt. Efficiencyoverwegingen liggen daarom mede ten grondslag aan het instellen van dit beleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt van het beleid is dat het college de kosten van verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen voor zijn rekening neemt, tenzij het ontstaan van de vordering belanghebbende te verwijten valt. Bij brutering wordt immers een hoger bedrag teruggevorderd dan oorspronkelijk aan die persoon verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit kan niet altijd volledig worden gecompenseerd via de aangifte inkomstenbelasting. Indien de vordering (of het niet tijdig aflossen) belanghebbende niet te verwijten valt, wordt het daarom als onredelijk gezien tot brutering over te gaan. De situaties waarin toch wordt overgegaan tot brutering van de vordering zijn in het kader van rechtszekerheid voor de belanghebbende in dit artikel omschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder punt 1 is genoemd dat indien een vordering (mede) is ontstaan vanuit onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid vanuit de zijde van belanghebbende, de vordering wordt gebruteerd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien een maatregel vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid met terugwerkende kracht is opgelegd. In dergelijke gevallen is de vordering aan belanghebbende te verwijten en acht het college het reëel dat belanghebbende zelf de extra kosten draagt die brutering met zich meebrengt. Het is hierbij niet van belang of de vordering had kunnen worden voorkomen door handelen van het college. Het feit dat belanghebbende in deze iets te verwijten valt is doorslaggevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2 geeft aan dat brutering plaatsvindt van een vordering die is ontstaan omdat belanghebbende aan de Wwb verbonden verplichtingen en/of verplichtingen voortvloeiend uit de gemeentelijke verordeningen in het kader van de Wwb heeft geschonden. Zie voor verdere motivering punt 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder punt 3 is aangegeven dat indien belanghebbende achteraf middelen ontvangt, hij deze moet reserveren en aanwenden voor het aflossen van een vordering van het college op grond van de Wwb. Indien hij dit niet doet, leidt dit immers tot een langere aflossingstermijn en daarmee benadeling van het college. In deze situatie is het niet relevant of brutering voorkomen had kunnen worden indien het ontvangen bedrag was gereserveerd voor aflossing. Reden is dat ook wanneer loonbelasting en premies niet meer verrekend kunnen worden het college wordt benadeeld, omdat een langere aflossingstermijn leidt tot renteverlies aan de zijde van het college en extra uitvoeringskosten (verwerking en monitoring van de aflossingen) in verband met een langere aflossingstermijn. Het is ook niet noodzakelijk dat er reeds een terugvorderingsbeschikking is afgegeven op het moment dat belanghebbende de middelen ontvangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien belanghebbende redelijkerwijs had kunnen weten dat ontvangst van die middelen zou betekenen dat hij bijstand moet terugbetalen aan het college, wordt hij geacht die middelen te reserveren en aan te wenden voor de aflossing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4:84 Awb kan uiteraard worden afgeweken van de bepalingen in dit artikel, indien dat voor belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het artikel te dienen doelen.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.2: Verhaal</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.1</span><span class=\"lf-art-t\">Gebruikmaking van de verhaalsbevoegdheid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 13 van de Invoeringswet van de Wwb verklaarde de artikelen 92 tot en met 105 van de Abw nog van toepassing. Dit was bedoeld als tijdelijke maatregel in afwachting van inwerkingtreding van het nieuwe kinderalimentatiestelsel. Dit nieuwe stelsel is er niet gekomen en derhalve is het overzichtelijker om de verhaalsbepalingen op te nemen in een nieuwe paragraaf van de Wwb. Verhaal kan derhalve plaatsvinden op grond van de artikelen 61 tot en met 62 i van de Wwb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gekozen is niet van alle mogelijkheden die de nieuwe verhaalsparagraaf in de Wwb biedt gebruik te maken. Geen verhaal vindt plaats op ouders van jong-meerderjarigen wanneer bijzondere bijstand is verstrekt (artikel 62 aanhef en onder c van de Wwb). Voordat bijzondere bijstand wordt verstrekt, wordt de mogelijkheid van de ouders om bij te dragen al onderzocht. Uit jurisprudentie blijkt dat de ouders vaak al geacht worden het maximaal haalbare te hebben bijgedragen (hierbij wordt de historie in acht genomen), waardoor verhaal niet meer mogelijk is. Om te voorkomen dat eerst een verhaalsonderzoek plaats moet vinden, op grond waarvan vervolgens om dringende redenen wordt afgezien van verhaal, is de bepaling opgenomen dat in situaties als bedoeld in artikel 62 aanhef en onder c van de Wwb geen verhaal (en dus ook geen verhaalsonderzoek) plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhaal bij schenking vindt slechts plaats, voor zover de schenker meer dan € 1000 heeft weggegeven in de laatste 12 maanden (veelal voorafgaand aan de bijstandsperiode). Dit voorkomt dat een verhaalsonderzoek moet worden gestart voor kleine bedragen die niet of nauwelijks leiden tot verminderde uitkeringsverstrekking. Het bedrag van € 1000 is grofweg gerelateerd aan een maand netto bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verhaal op nalatenschap is alleen zinvol wanneer in de nalatenschap een bepaald vermogen beschikbaar is. Bij personen op wie het college een vordering heeft op grond van de Wwb, blijkt dit vermogen veelal niet aanwezig. Uitzondering hierop vormt de situatie waarbij vermogen in een woning (of woonwagen/woonschip) aanwezig kan zijn. Derhalve is ervoor gekozen alleen een verhaalsonderzoek te starten indien de persoon voor zijn overlijden een woning, woonwagen of woonschip (gedeeltelijk) in eigendom had.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.2</span><span class=\"lf-art-t\">Afzien van verhaal</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het afzien van een verhaalsonderzoek wegens dringende redenen heeft veelal te maken met een mogelijk gevaar voor de bijstandsgerechtigde of diens kinderen. Een dergelijke situatie zal wel objectief aannemelijk gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld door een verklaring van een vertrouwenspersoon, aangiftes of meldingen bij de politie of een verblijf op een geheim adres. Andere dringende redenen, bijvoorbeeld gelegen bij de degene op wie wordt verhaald, kunnen vanwege het individuele karakter ervan niet worden toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet efficiënt om kleine verhaalsbijdragen te moeten incasseren. Daarom worden in het tweede lid minimale bedragen vastgesteld waaronder geen verhaalsbijdrage wordt opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanaf het derde lid:De opeisbare bedragen betreffen de vastgestelde verhaalsbedragen voor zover er een betalingsachterstand is (bij schenking en nalatenschap betreft het totale vastgestelde bedrag, niet de maandelijkse aflossingstermijnen) Ingeval van verhaal dient te worden meegewerkt aan een minnelijk schuldbemiddelingstraject, aangezien de ontstaansgeschiedenis van de onderhoudsplicht vrijwel nooit te maken heeft met frauduleus gedrag van de onderhoudsplichtige. Ook zijn voor de onderhoudsplichtige de consequenties van gedrag van hemzelf of een ander, dat heeft geleid tot verhaal, niet altijd te overzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij komt de overweging dat een minnelijk traject over het algemeen meer geld oplevert dan een wettelijk traject. Dit is de reden waarom geen onderscheid wordt gemaakt (zoals bij terugvordering) maar in alle gevallen kan worden meegewerkt aan een minnelijk schuldhulptraject (mits uitgevoerd door een erkende organisatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer bij de vaststelling van de noodzakelijke uitgaven, bij het opstellen van een schuldbemiddelingstraject, geen rekening kan/mag worden gehouden met de betaling van onderhoudsbijdrage, wordt de draagkracht op nihil gesteld. Dit speelt bijvoorbeeld op het moment dat de onderhoudsbijdrage wordt berekend tijdens een lopend schuldhulptraject. In de gevallen waarin de onderhoudsplicht reeds eerder was opgelegd dan het schuldhulptraject van start gaat, is de onderhoudsbijdrage een noodzakelijke uitgave. Pas wanneer er wegens dringende redenen een beroep wordt gedaan op het verminderen of op nihil stellen van de onderhoudsbijdrage, kan hier gemotiveerd gehoor aan worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de onderhoudsplichtige is overleden en ook onderzoek bij het Centraal Testamentenregister levert geen mogelijkheid tot invordering van tegoeden op kan worden afgezien van verder onderzoek.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.3</span><span class=\"lf-art-t\">Verhaal inzake onderhoudsplicht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Kosten van bijstand kunnen op de ex-partner worden verhaald. Deze ex-partner zal hiermee rekening moeten houden door slechts noodzakelijke financiële verplichtingen aan te gaan, ook al heeft de gemeente nog niet kenbaar gemaakt dat verhaal zal plaatsvinden. Na een bepaalde periode kan echter niet meer van de ex-partner worden verlangd dat hij zijn leven blijft schikken naar de mogelijkheid dat het college nog overgaat tot verhaal. Daarom is bepaald dat na het verstrijken van 24 maanden na aanvang van de bijstandsuitkering in de gemeente Spijkenisse, er geen verhaal van bijstand plaatsvindt, indien de eerste aanschrijving van de ex-partner nog niet heeft plaatsgevonden. Met de eerste aanschrijving wordt bedoeld dat het college kenbaar maakt dat er wellicht verhaalsplicht bestaat (het onderzoek volgt daarna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovenstaande is niet van toepassing als het uitblijven van de eerste aanschrijving niet aan het college te wijten valt. Dit is het geval wanneer de ex-partner in het buitenland verblijft of als er geen adres bekend is. Uiteraard heeft het college een (beperkte) onderzoeksplicht om het adres te achterhalen. Mocht hieruit geen correct adres naar voren komen, dan is eerste aanschrijving ook na 24 maanden nog mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 juli 2009 zijn de al lang aangekondigde wijzigingen voor de vaststelling van kinderalimentatie in het zgn. Tremarapport opgenomen. Deze wijzigingen komen er in het kort op neer dat bij de vaststelling van kinderalimentatie strenger (conform richtlijnen) moet worden gerekend en als gevolg daarvan hogere bijdragen kunnen worden opgelegd dan in het verleden het geval was. De landelijke Werkgroep Alimentatienormen, beveelt aan om deze nieuwe richtlijnen toe te passen en niet een maximale bijdrage te hanteren Het verhalen van kinderalimentatie is derhalve niet gebonden aan een maximumbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door zich op het standpunt te stellen dat de onderhoudsplichtige bij periodiek verhaal kennelijk in staat is en bereid is de volledige bijstandskosten te voldoen, blijft enerzijds het niet voldoen aan de inlichtingenplicht niet ongesanctioneerd en blijft anderzijds de mogelijkheid voor de onderhoudsplichtige open staan alsnog aan de verplichting te gaan voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wetsartikel 62c van de Wwb regelt uitsluitend de mogelijkheid tot overgang van de titel van de vertrekgemeente naar de ontvanggemeente. Ter wille van de rechtszekerheid van de onderhoudsplichtige is een aparte verhaalsbeslissing nodig. Overname is echter niet altijd wenselijk, of soms is men niet op de hoogte van de verhaalsacties van een andere gemeente. Derhalve is het wenselijk expliciet te kiezen voor het overnemen van een verhaalsbeslissing, in plaats van deze per definitie over te nemen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.4</span><span class=\"lf-art-t\">Financieel onderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Een financieel onderzoek wordt gedaan om te bepalen hoeveel een derde op wie wordt verhaald maandelijks kan betalen aan onderhoudsplicht of aan aflossing van het opgelegde verhaalsbedrag, Verschil wordt gemaakt tussen de onderhoudsplichtige op grond van Boek 1 van het BW en anderen op wie wordt verhaald. Onderhoudsplicht heeft betrekking op een bijdrage in (over het algemeen) maandelijkse kosten die worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Draagkracht kan afwezig worden geacht, conform het tweede lid, omdat: een onderhoudsplichtige die in detentie verkeert geen inkomen of uitkering heeft de eigen bijdrage AWBZ naar draagkracht is berekend en in de praktijk leidt tot een besteedbaar inkomen gelijk aan de norm zak- en kleedgeld in de Wwb de berekening volgens de Trema-normen in ieder geval een inkomen op bijstandsniveau vrij laat aan de onderhoudsplichtige, met daarop nog een percentage. Tevens wordt volgens het minimabeleid in Spijkenisse geen draagkracht aanwezig geacht tot 110% van de bijstandsnorm De in het vierde lid onder a genoemde vergoedingen betreffen bijvoorbeeld douchegeld of kledinggeld. Het is nauwelijks objectief vast te stellen wat de daadwerkelijke kosten zijn. Aangezien het gebruikelijke vergoedingen zijn, is het aannemelijk dat deze kosten ook daadwerkelijk worden gemaakt. Het afsluiten van verzekeringen, als genoemd onder b, geeft blijk van verantwoordelijkheid en voorkomt een beroep op publieke middelen. Verzekeringen worden geacht uit de bijstandsnorm te kunnen worden voldaan. Echter, de situatie van een onderhoudsplichtige is vaak niet te vergelijken met de situatie van een bijstandsgerechtigde. De te verzekeren risico’s zijn vaak hoger en daardoor zijn de kosten van verzekering ook hoger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom dient een extra bedrag ten behoeve van verzekeringen als noodzakelijke kosten te worden opgenomen. Voor een extra bedrag van € 40 per maand zijn de gebruikelijke verzekeringen af te sluiten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.2.5</span><span class=\"lf-art-t\">Invordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Degene op wie wordt verhaald moet bij beschikking op de hoogte worden gebracht van het verschuldigde (maand)bedrag en de wijze waarop dit betaald moet worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde lid geeft aan dat de achterstand in betaling van de onderhoudsbijdrage of aflossingen (ingeval van verhaal bij schenking of nalatenschap) volledig dient te worden ingelopen binnen 24 maanden. Indien mogelijk zal aflossing sneller plaatsvinden, aangezien de officiële betalingstermijnen reeds zijn verstreken. Het aflossen van de betalingsachterstand is aanvullend op de maandelijks te betalen onderhoudsbijdrage. Uitzondering hierop vormt de situatie dat uit het draagkrachtonderzoek blijkt dat die ruimte er in het geheel niet is. In dat geval wordt een individuele afspraak gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde lid vermeldt overdracht aan een deurwaarder indien na twee betalingsherinneringen nog niet aan de betalingsverplichting is voldaan en ook geen contact is opgenomen voor een (andere) betalingsregeling. Wanneer een debiteur weigert te betalen (zonder daarvoor legitieme redenen aan te voeren), wordt de gemeentelijke organisatie gedwongen extra kosten te maken ter uitvoering van het invorderingsproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten opzichte van (overige) inwoners van de gemeente, is het niet te rechtvaardigen dat hiervoor publieke middelen worden gebruikt. Indien de debiteur zonder legitieme reden weigert te betalen, of niet reageert op betalingsverzoeken, behoort hij hiervoor zelf de financiële lasten te dragen. Dit gebeurt bij uitbesteding van het invorderingsproces aan de deurwaarder; deze rekent de inningskosten immers door aan de debiteur.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien gedurende vijf aaneengesloten jaren in het geheel niet aan de betalingsverplichting is voldaan (ingeval van onderhoudsbijdrage betreft de betalingsverplichting de maandelijkse onderhoudsbijdrage en/of de aflossing van de achterstand) is de kans dat alsnog aan de betalingsverplichting wordt voldaan erg klein. Dit weegt niet op tegen de kosten die een periodiek onderzoek naar inningsmogelijkheden met zich meebrengt. Als in de toekomst geen mogelijkheden tot inning aanwezig lijken, wordt daarom afgezien van (verdere) invordering.</p>\n<h3 class=\"lf-part\">Paragraaf 4.3: Boeten</h3>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4.3.1</span><span class=\"lf-art-t\">Bestuurlijke boete</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft in artikel 18a, vierde lid van de wet, bepaald dat het college kan besluiten om af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete, in het geval de belanghebbende niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet. Dit kan het college alleen doen, als er geen ten onrechte of te veel bijstand is verstrekt. Er is dus geen sprake van een benadelingsbedrag. In dit artikel is geregeld dat in die gevallen het college aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om de zogenaamde “nulfraude”. Het is essentieel dat het moet gaan om inlichtingen die, als ze wel tijdig zouden zijn verstrekt, geen consequenties hebben voor het recht op bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel is zowel van toepassing op informatie die niet binnen de door het college gestelde termijn is verstrekt als op informatie die de belanghebbende heeft verzwegen, en die het college zelf heeft achterhaald. Het kan bijvoorbeeld gaan om het niet tijdig inleveren van het Inkomstenformulier of het verzwijgen van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. Indien sprake is van recidive, wordt een bestuurlijke boete opgelegd van 30% van het de bijstandsnorm gedurende één maand. Op grond van artikel 18a, derde lid van de wet, mag de bestuurlijke boete, indien er niet sprake is van een benadelingsbedrag, niet meer bedragen dan het bedrag als bedoeld in de tweede categorie, artikel 23, vierde lid van het wetboek van strafrecht (peildatum 01-01-2012: € 3.900,-). De bestuurlijke boete van30% van de bijstandsnorm ligt onder het voornoemde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 Overige onderwerpen</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5.1.1</span><span class=\"lf-art-t\">Aanpassing bedragen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te voorkomen dat kleine aanpassingen aan genoemde bedragen door het college moeten worden gedaan, is opgenomen dat het hoofd van de afdeling WMI deze bevoegdheid heeft. Het betreft aanpassingen vanwege bijvoorbeeld indexering, inflatie, maatschappelijke ontwikkelingen, etc. Aanpassing van bedragen die direct invloed hebben op beleidsinhoudelijke keuzes blijft voorbehouden aan het college.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage1 Begripsbepaling uit verordeningen Algemeen: de wet: de Wet werk en bijstand (Wwb);</p>\n<p class=\"lf-p\">BW: Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Participatieverordening 2012:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening verstaat onder: belanghebbende: de persoon als omschreven in artikel 3; bijstandsgerechtigde: degene die een periodieke uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de Wwb; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse; deelnemer: persoon die behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 3 van deze verordening en deelneemt aan een traject; doelgroep: personen omschreven in artikel 3 van deze verordening; inburgeringspichtige: de persoon die inburgeringsplichtig is op grond van artikel 3;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; niet-uitkeringsgerechtigde: een persoon als bedoeld in artikel 6 onder a van de Wwb; participatie: het deelnemen aan de samenleving door middel van betaald werk (in dienstverband of als zelfstandige) of, indien dit niet mogelijk is, door middel van vrijwilligerswerk, mantelzorg of andere maatschappelijk nuttige activiteiten; participatievoorziening: re-integratievoorzieningen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a van de Wwb, inburgerings- en taalkennisvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 19 tweede lid van de Wi, volwasseneneducatie zoals bedoeld in artikel 7.3.1 van de WEB, dan wel een combinatie hiervan; potentieel uitkeringsgerechtigde: een persoon die een aantoonbare kans heeft binnen afzienbare tijd een beroep te moeten doen op een uitkering voor levensonderhoud in het kader van de Wwb, Ioaw of Ioaz; de raad: de gemeenteraad van de gemeente Spijkenisse; reguliere arbeid: algemeen geaccepteerde arbeid, waarvoor loon wordt ontvangen, niet zijnde gesubsidieerde arbeid en niet zijnde een voorziening als bedoeld in artikel 15, 16, 17, 20 en 21 van deze verordening; re-integratie: het proces dat moet leiden tot participatie; re-integratie praktijkvergoeding: een vergoeding aan de deelnemer waarbij een werkleersituatie van toepassing is en de werkzaamheden gericht zijn op de uitbreiding van de eigen kennis en het opdoen van ervaring; startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs; traject: in een plan vastgelegde bundeling van activiteiten gericht op re-integratie; uitkeringsgerechtigde: degene die een periodieke uitkering voor levensonderhoud ontvangt op grond van de Wwb, de Ioaw of de Ioaz dan wel een participatievoorziening ontvangt met een re-integratie praktijkvergoeding; voormalig uitkeringsgerechtigde: een persoon van wie het recht op algemene bijstand minder dan 6 maanden geleden is geëindigd vanwege inschakeling in de arbeid;</p>\n<p class=\"lf-p\">WEB: de Wet Educatie en Beroepsonderwijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wi: de Wet inburgering;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij: de Wet investeren in jongeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">WPB: de Wet ParticipatieBudget;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wsw: de Wet sociale werkvoorziening WW: de Werkloosheidswet;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wwb: de Wet werk en bijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeslagen en verlagingenverordening Wwb 2012:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening verstaat onder: de wet: de Wet werk en bijstand (Wwb); het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse; woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond, het bedrag dat voor het gebruik van de woning wordt afgedragen aan de verhuurder; indien een eigen woning wordt bewoond, de lasten die het gevolg zijn van hypothecaire verplichtingen, alsmede de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten; kamerhuurder: de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin, die zijn hoofdverblijf heeft bij een ander en die met die ander een overeenkomst is aangegaan voor het zelfstandig gebruik van een deel van de woning, al dan niet met maaltijdvoorziening, welke overeenkomst voldoet aan door het college vast te stellen vereisten; kamerverhuurder: de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin die over zelfstandige huisvesting beschikt en een of meer anderen heeft inwonen, met wie voor het zelfstandig gebruik van een deel van de woning, al dan niet met maaltijdvoorziening, een overeenkomst is aangegaan, welke overeenkomst voldoet aan door het college vast te stellen vereisten; mantelzorg : zorg die voldoet aan artikel 4, vijfde lid van de wet; mantelzorgbehoevende: de alleenstaande, de alleenstaande ouder of één van de gezinsleden die mantelzorg ontvangt; mantelzorggevende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of een gezinslid, die mantelzorg geeft Verordening handhaving en maatregelen Wwb 2012:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening verstaat onder: arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Bbz: het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; belanghebbende: onder belanghebbende wordt mede verstaan het gezin en de ten laste komende kinderen van de alleenstaande ouder; benadelingsbedrag: het bedrag dat door schending inlichtingenplicht of overige gedragingen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aan netto bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de wet; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse; de wet: de Wet werk en bijstand; inlichtingenplicht: de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de wet, artikel 38 tweede lid van het Bbz en artikel 30c tweede of derde lid van de wet Suwi; maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet; medewerkingsplicht: de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de wet; nadere verplichting: de op grond van artikel 55 van de wet individueel bij beschikking opgelegde verplichting; overige gedragingen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid: gedragingen als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, niet zijnde de gedragingen die vallen onder schending van de verplichtingen onder F, H, I of J van dit artikel, waardoor eerder of een hoger beroep op de bijstand wordt gedaan; plan van aanpak: een door of namens het college opgesteld document als bedoeld in artikel 44a Wwb waarin de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven daarvan zijn opgenomen; plicht tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie: de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de wet; tegenprestatie: het naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt; voorziening: een re-integratievoorziening als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de wet, een inburgerings- of taalkennisvoorziening als bedoeld in de artikelen 19, derde lid en 24a, derde lid van de Wet inburgering alsmede een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet Suwi: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij: Wet investeren in jongeren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Wwb; Wet werk en bijstand zeer ernstige gedragingen: het op een dusdanige wijze bejegenen van het college, dan wel personen die in diens opdracht de wet uitvoeren, dat deze zich op een fysieke en/of psychische wijze bedreigd voelen. Dit is krachtens artikel 18, tweede lid, een bijzondere vorm van het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 2 Modelovereenkomst kamerhuur De ondergetekende ..............................................................................., hierna genoemd de 'verhuurder', verklaart te hebben verhuurd aan de mede-ondergetekende (naam) .............................................................................., hierna genoemd de 'huurder', die verklaart te hebben gehuurd de hierna omschreven woonruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de ........................-kamerwoning gelegen aan het adres ..................................................................................................... te Spijkenisse wordt gehuurd het aantal van .............................kamer[s], bestemd voor gebruik als woon- en/of slaapkamer, met het medegebruik van toilet en/of badkamer en (eventueel) ............................................................................................................ ............................................................................................................ ............................................................................................................</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuurder verzorgt wel/niet* de hoofdmaaltijd voor de huurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overeenkomst gaat in op ...................................................................</p>\n<p class=\"lf-p\">Het einde van de overeenkomst is niet bepaald*/bepaald op .......................................................................................................</p>\n<p class=\"lf-p\">De huurder zal de huur betalen door overschrijving van een post-/bankrekening op zijn naam naar een post-/bankrekening ten name van de verhuurder.</p>\n<p class=\"lf-p\">De huur bedraagt € ............................... per maand. Bij dit bedrag zijn de kosten van een eventuele hoofdmaaltijd inbegrepen. De huur is inclusief verbruik van water, gas, elektriciteit en gebruik van voorzieningen en apparatuur die de huurder mag gebruiken. De huurprijs omvat mede de betaling voor de volgende voorzieningen welke hierboven nog niet zijn vermeld: ................................................................................................ .......................................................................................................... ......................................................................................................... .........................................................................................................</p>\n<p class=\"lf-p\">Ruimte voor aanvulling met bijzondere bepalingen welke overeengekomen zijn: .......................................................................................................... .......................................................................................................... .......................................................................................................... ..........................................................................................................</p>\n<p class=\"lf-p\">De huurder verklaart de gehuurde ruimte(n) te bewonen of z.s.m. te gaan bewonen en tevens wijzingen m.b.t. de huur en/of de bewoning onmiddellijk te melden aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuurder verklaart zijn hoofdadres te hebben in deze woning en is en blijft gebruiker van andere woonruimten in deze woning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Datum: ................................... Plaats: ...................................................</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhuurder, De huurder, * doorhalen wat niet van toepassing is Bijlage 3 Afkortingenlijst Abw Algemene bijstandswet Anw Algemene nabestaandenwet AOW Algemene Ouderdomswet Awb Algemene wet bestuursrecht CAZV Collectieve Aanvullende Ziektekostenverzekering CRvB Centrale Raad van Beroep GBA Gemeentelijke Basisadministratie GGD Gemeentelijke Gezondheidsdienst GWS geautomatiseerd uitkeringsadministratiesysteem IBG Informatie Beheer Groep ID Instroom-doorstroom-regeling (gesubsidieerde banen) Ioaw wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Ioaz wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ISR Intergemeentelijke Sociale Recherche LBIO Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen Nug niet-uitkeringsgerechtigden OM Openbaar Ministerie Suwi wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen UWV WERKBEDRIJF Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen WAO Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering WI Wet inburgering Wij Wet investeren in jongeren WIW Wet Inschakeling Werkzoekenden (gesubsidieerde banen) WK Wet kinderopvang Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning WSNP Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen WW Werkloosheidswet Wwb Wet werk en bijstand ZW Ziektewet</p></div>", "next": 0}