{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Indien er sprake is van een in de branche toepasselijke algemeen verbindend verklaarde cao, past de zorgaanbieder deze toe;</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien er geen sprake is van een in de branche toepasselijke algemeen verbindend verklaarde cao dan sluit de zorgaanbieder zoveel mogelijk aan bij de in de betreffende branche gebruikelijke cao of sluit een daarmee gelijkwaardig arbeidsvoorwaardenpakket af.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorgaanbieder voldoet aan de Wet Normering Topinkomens (WNT);</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorgaanbieder voldoet aan de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp;</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorgaanbieder geeft invulling aan het begrip ‘good governance’. Hiertoe hanteert de zorgaanbieder de (meest recente) Governancecode zorg (In 2010 is een zorgbrede Governancecode ingevoerd voor de zorgsector door ActiZ, GGZ Nederland, NFU, NVZ en VGN. Hieronder vallen ook jeugd-LVB en jeugd-GGZ die deel uitmaken van de jeugdhulp. Onderdeel van de code vormen drie taken van de Raad van Toezicht: het houden van intern toezicht, het regelen van extern toezicht en het maatschappelijk verantwoorden) of, indien deze niet past bij de organisatorische kenmerken van de zorgaanbieder, een eigen Governancecode.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorgaanbieder die de Governancecode zorg hanteert en die conform de Wet Toelating Zorginstellingen winst mag uitkeren, houdt bij de uitkering van winst rekening met de maatschappelijke doelstelling, positie en belangen (op de korte- en lange termijn) van de zorgorganisatie;</p>\n<p class=\"lf-p\">De zorgaanbieder stelt personeel dat wordt ingehuurd als payroll- of uitzendkracht gelijk wat betreft de beloning. Daarmee hebben deze inhuurkrachten recht op de eindejaarsuitkering en de levensloopbijdrage, naast de andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de uitzend-cao (ABU).</p>\n<p class=\"lf-p\">PERSONEEL 47 Personeel (niet van toepassing op beschermd wonen) 47.1 De gemeente hecht veel belang aan toegankelijkheid en effectiviteit van de zorg voor alle doelgroepen en een personeelsbeleid dat hierop aansluit. De zorgaanbieder waarborgt toegankelijkheid en effectiviteit van de zorg voor cliënten van alle etnische/culturele achtergronden (cultuursensitief werken).</p>\n<p class=\"lf-p\">47.2 De gemeente hecht veel belang aan continuïteit in de ondersteuning. De zorgaanbieder streeft naar een gezonde verhouding tussen vast- en flexibel personeel. Hiertoe wordt een gezond personeelsbestand opgebouwd waarin er wordt gewerkt met vast en flexibel personeel op basis van structureel benodigde zorguren. Het aantal contracturen wordt in overeenstemming gebracht met het benodigd aantal structureel te verlenen (zorg)uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">47.3 De zorgaanbieder zorgt voor een vertrouwde en stabiele relatie tussen cliënten en professionals. Personele wisselingen worden zoveel mogelijk beperkt om dit te realiseren. De zorgaanbieder zet zoveel mogelijk dezelfde professionals in bij een cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">47.4 De organisatie zoekt naar een optimale balans tussen de inzet van professionals, ervaringsdeskundigen en vrijwilligers.</p>\n<p class=\"lf-p\">47.5 De zorgaanbieder beschikt over aantoonbaar bekwaam en gekwalificeerd personeel (betaald en onbetaald) voor het uitvoeren van de dienstverlening. De benodigde deskundigheid is vastgesteld per ondersteuningsvorm. De zorgaanbieder voldoet aan deze aanvullende kwalificatie-eisen. De zorgaanbieder moet dit kunnen aantonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">48 Minimumeisen personeel Wmo (niet van toepassing op beschermd wonen) 48.1 De voorziening Dagbesteding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Voor het opstellen van het hulpverleningsplan en het realiseren en monitoren van de resultaten die in dit plan opgenomen zijn, dient een professional ingezet te worden met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 4 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.2 De voorziening Reguliere Begeleiding (in een groep) wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Voor het opstellen van het begeleidingsplan en het realiseren en monitoren van de resultaten die in dit plan opgenomen zijn, dient een professional ingezet te worden met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 4 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.3 De voorziening Specialistische Begeleiding (in een groep) wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.4 Het toezicht tijdens het Kortdurend Verblijf wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">48.5 De voorziening Persoonlijke Verzorging wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Wanneer de cliënt de behoefte heeft aan begeleiding bij persoonlijke verzorging of gebaat is bij een combinatie van beide producten, dan valt de begeleiding onder de bouwsteen ‘begeleiding’. Hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional. Indien deze voorziening wordt uitgevoerd in combinatie met reguliere/specialistische begeleiding, door dezelfde professional, gelden de minimum personeelseisen genoemd bij reguliere/specialistische begeleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Minimumeisen personeel jeugd (algemeen) (niet van toepassing op beschermd wonen) 49.1 Het in te zetten hbo en wo geschoold personeel van de zorgaanbieder, die beroepsmatig in contact kan komen met jeugdigen of verzorgers aan wie jeugdhulp is geboden, is geregistreerd in het ´Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ)´ of ´Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG)´ register. Het in te zetten ondersteunend mbo-geschoold personeel werkt altijd onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional. Het in te zetten personeel van de zorgaanbieder dat de mogelijkheid heeft om zich te registeren in het BIG- of SKJ-register, registreert zich zo snel mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">LET OP: Vanaf 1 januari 2018 (naar verwachting) is een vooraanmelding in het SKJ-register niet langer gelijk aan een registratie in het SKJ-register. De professionals die vooraangemeld zijn kunnen dan niet langer worden ingezet als geregistreerde professionals. Uiterlijk 1 januari 2018 (naar verwachting) is voor een groot deel van de professionals die zich nu enkel kunnen vooraanmelden volwaardige registratie in het SKJ mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.2 De zorgaanbieder die professionals wil inzetten die op het moment van inschrijving enkel vooraangemeld kunnen zijn in het SKJ-register, meldt de zorgaanbieder na bekendmaking van de eisen voor registratie zo spoedig mogelijk aan de gemeente of deze professionals wel of niet in aanmerking komen voor registratie in het SKJ-register en meldt wanneer deze registratie naar verwachting is geregeld. De zorgaanbieder is verplicht deze registratie binnen redelijke termijn tot stand te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.3 De voorzieningen Ambulante (groepsgerichte) Behandeling J&amp;O, J-LVG en vaktherapie en Dagbehandeling kunnen alleen worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Onder regiebehandelaar verstaat de gemeente (conform de brieven van Schippers respectievelijk van 2 juli en 2 september 2013 met kenmerk 129353-106301-CZ / 134895-107364-CZ):</p>\n<p class=\"lf-p\">Psychiater Klinisch psycholoog Klinisch neuropsycholoog Psychotherapeut Verslavingsarts in profielregister KNMG Verpleegkundig specialist GGZ Gz-psycholoog Kinder- en jeugdpsycholoog NIP (alleen in de GBGGZ) Orthopedagoog-generalist NVO (alleen in de GBGZZ) De regiebehandelaar is een zorgverlener die bij de patiënt de diagnose stelt en door wie of onder wiens verantwoordelijkheid de behandeling plaatsvindt. Dit houdt in dat de regiebehandelaar verantwoordelijk is voor alle acties die in het kader van de behandeling van een patiënt gedurende het traject plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regiebehandelaar heeft een afgeronde ggz-specifieke opleiding en is, met uitzondering van de orthopedagoog-generalist en kinder- en jeugdpsycholoog, BIG-geregistreerd. De orthopedagoog generalist is ingeschreven in het SKJ- en ´Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO)´-register. De kinder- en jeugdpsycholoog is ingeschreven in het register van het SKJ en ´Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)´-register. Er wordt van de beroepsgroepen kinder- en jeugdpsycholoog NIP en orthopedagoog-generalist NVO verwacht dat zij zich registreren in het BIG, zodra de mogelijkheid hiertoe ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.4 De regiebehandelaar is in ieder geval aanwezig bij de diagnostiek, het maken van de behandelovereenkomst en de evaluatiegesprekken met de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">49.5 De regiebehandelaar kan ondersteund worden door medebehandelaars. De medebehandelaar verricht, in het kader van een behandeltraject, zorgactiviteiten onder verantwoordelijkheid van de regiebehandelaar. De medebehandelaar is geregistreerd in het BIG en/of in het SKJ-register.</p>\n<p class=\"lf-p\">50 Minimumeisen personeel jeugd Reguliere Begeleiding (in een groep) (niet van toepassing op beschermd wonen) De voorziening Reguliere Begeleiding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Voor het opstellen van het ondersteuningsplan en het realiseren en monitoren van de resultaten die in dit plan opgenomen zijn, dient een SKJ-geregistreerde professional ingezet te worden met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">51 Minimumeisen personeel jeugd Specialistische Begeleiding (in een groep) (niet van toepassing op beschermd wonen) De voorziening Specialistische Begeleiding wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">52 Minimumeisen personeel jeugd Dagbesteding (niet van toepassing op beschermd wonen) De voorziening Dagbesteding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Minimumeisen personeel jeugd Dagbehandeling (niet van toepassing op beschermd wonen) De voorziening Dagbehandeling wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. Deze voorziening wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een BIG-geregistreerde regiebehandelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 Minimumeisen personeel jeugd Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling J&amp;O, J-LVG en vaktherapie (niet van toepassing op beschermd wonen) De voorziening Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling J&amp;O, J-LVG wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een de BIG-geregistreerde Gezondheidspsycholoog (GZ) of Arts Verstandelijke Gehandicapte (AVG) (conform beleidsregels NZA, richtlijnen NJI).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorziening Ambulante (Groepsgerichte) Behandeling vaktherapie wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een BIG/NVO/NIP-geregistreerde regiebehandelaar of, in die gevallen waarin er sprake is van J&amp;O of LVG-problematiek en geen sprake is van een psychische stoornis, een BIG-geregistreerde Arts Verstandelijke Gehandicapte.</p>\n<p class=\"lf-p\">55 Minimumeisen personeel jeugd Verzorging en Begeleiding (niet van toepassing op beschermd wonen) De voorziening Verzorging en Begeleiding wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">56 Minimumeisen personeel jeugd Kortdurend Verblijf (niet van toepassing op beschermd wonen) Het toezicht tijdens het Kortdurend Verblijf wordt uitgevoerd door een professional met een afgeronde zorggerelateerde mbo-opleiding op niveau 3 gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied. De voorziening wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">57 Minimumeisen vervoer van/naar Dagbesteding (Wmo en jeugd), Kortdurend Verblijf (Wmo en jeugd) en Dagbehandeling (jeugd) (niet van toepassing op beschermd wonen) 57.1 Voor de voertuigen die worden ingezet voor het Vervoer gelden de volgende eisen: dienen te voldoen aan alle relevante bepalingen en door de Rijksdienst door het Wegverkeer te zijn goedgekeurd voor taxivervoer; dienen te zijn voorzien van een verbandtrommel, brandblusser, noodhamer en gordelsnijder; zijn dusdanig ingericht dat de chauffeur vanuit zijn/haar zitplaats altijd alle inzittenden tijdens de rit kan zien; dienen elke klant zicht naar buiten te bieden; zijn voorzien van een kinderslot; alle zitplaatsen zijn voorzien van veiligheidsgordels die geschikt zijn voor alle reizigersgroepen waaronder ook kinderen; zijn rookvrij; bij rolstoelplaatsen: zijn voorzien van een voor alle rolstoeltypen veilige bevestiging van de rolstoel en zijn voorzien van een voor alle rolstoeltypen veilige bevestiging van de reiziger.</p>\n<p class=\"lf-p\">57.2 Voor de chauffeurs die worden ingezet voor het Vervoer gelden de volgende kwaliteitseisen: heeft kennis van en affiniteit met de doelgroep; herkent en kan omgaan met de diverse beperkingen en ziektebeelden van de doelgroep; is verantwoordelijk voor veilig vervoer en past de rijstijl aan de weersomstandigheden aan; heeft een servicegerichte en reizigersvriendelijke instelling; past goede sociale vaardigheden toe; is vakkundig, klantvriendelijk, servicegericht, behulpzaam en heeft correcte omgangsvormen gebruikt geen verbaal of fysiek geweld tegen reizigers om welke reden dan ook; verwijdert geen reizigers uit het voertuig tijdens de rit om welke reden dan ook met uitzondering van situaties waarin de veiligheid van chauffeur en/of medereizigers in gevaar is; is in bezit van een EHBO-certificaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien van belang voor de Cliëntmoet de vervoerder daarnaast voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: het bieden van vastigheid (chauffeurs en route) aan de cliënt; de chauffeur moet in bezit zijn van een certificaat voor omgaan met epilepsie de chauffeur moet weten om te gaan met Cliënten met gedragsproblemen Voor iedere chauffeur die ingezet wordt voor het vervoer van rolstoelafhankelijke reizigers gelden de volgende aanvullende eisen; heeft ervaring in de omgang met de doelgroep en haar beperkingen bezit praktische vaardigheden betreffende het vervoeren van rolstoelreizigers; beheerst de zit- en til-technieken ten behoeve van passagiers met een fysieke beperking.</p>\n<p class=\"lf-p\">57.3 Voor de ritten die worden gemaakt in het kader van het Vervoer gelden de volgende eisen: de maximale duur van de rit voor een cliënt, van thuissituatie naar de voorziening, bedraagt één uur; het op tijd vertrekken van het voertuig en het op tijd aankomen op de bestemming: maximaal een half uur voor afgesproken vertrektijd en half uur na afgesproken aankomsttijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">58 Minimumeisen casemanagement (niet van toepassing op beschermd wonen) De voorziening casemanagement wordt uitgevoerd door een SKJ-geregistreerde Professional met een afgeronde zorggerelateerde hbo-opleiding gekoppeld aan het gevraagde deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">COMMUNICATIE, CONTROLE EN HANDHAVING 59 Medewerking aan onderzoek 59.1 De zorgaanbieder verleent volledige medewerking aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door de gemeente (of door ons daartoe aangewezen derden) op de naleving van de contracteisen, inhoudelijke kwaliteit en op presentie- en financiële administratie waaronder begrepen: formele- en materiële onderzoeken, kwaliteitsonderzoeken, rechtmatigheid- en doelmatigheid onderzoeken, onderzoeken n.a.v. calamiteiten/geweldsincidenten, detailcontroles, fysieke controles op locatie en fraudeonderzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">59.2 Voor zover bij een controle of onderzoek op persoonsniveau een voorafgaande toestemmingverklaring is vereist, is de zorgaanbieder gehouden om deze te vragen aan de betreffende cliënten.</p>\n<p class=\"lf-p\">60 Meldplicht 60.1 De zorgaanbieder is bekend met en handelt conform de vigerende calamiteitenprotocollen van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg. Dit betekent in ieder geval dat de zorgaanbieder calamiteiten en geweldsincidenten zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen drie werkdagen) meldt bij de Inspectie Jeugdzorg of Inspectie voor de Gezondheidszorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.2 De zorgaanbieder is bekend met en handelt conform de Leidraad Meldingen van de Wmo-toezichthouder GGD Gelderland-Zuid. Dit betekent in ieder geval dat de zorgaanbieder calamiteiten en geweldsincidenten die plaatsvinden bij de verstrekking van een voorziening in het kader van de Wmo 2015 zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen drie werkdagen) meldt aan aangewezen toezichthouder Wmo GGD Gelderland-Zuid.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.3 De zorgaanbieder is bekend en handelt, wanneer er sprake is van (dreigende) maatschappelijke onrust en/of (verwachte) media-aandacht, conform het ‘Sociaal Calamiteitenprotocol Regio Nijmegen 2015’. Maatschappelijke onrust staat hierbij voor ‘het verschijnsel waarbij één of enkele incidenten plaatsvinden die leiden tot subjectieve en/of objectieve problemen op het gebied van openbare orde en veiligheid’.</p>\n<p class=\"lf-p\">60.4 De gemeenten zijn verantwoordelijk en aanspreekbaar voor de kwaliteit van de zorg. Daarom, doet de zorgaanbieder, aanvullend op de wettelijke meldingsplicht aan de met toezicht belaste ambtenaren en de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Jeugdzorg, zo spoedig mogelijk melding aan de gemeente van:</p>\n<p class=\"lf-p\">Iedere calamiteit en ieder ernstig incident (met grote impact op de maatschappij, de cliënt, zijn/haar omgeving en/of andere betrokkenen);</p>\n<p class=\"lf-p\">Ieder geweldsincident dat plaatsvindt bij de verstrekking van een voorziening;</p>\n<p class=\"lf-p\">Elke melding aan of verscherpt toezicht door de Inspectie Jeugdzorg en Inspectie voor de Gezondheidszorg;</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk onderzoek dat door een gemeente, Justitie, de Inspectie Jeugdzorg, de Inspectie voor de Gezondheidszorg of de Inspectie SZW wordt gestart;</p>\n<p class=\"lf-p\">Elk definitief rapport dat door een gemeente, Justitie, de Inspectie Jeugdzorg, de Inspectie voor de Gezondheidszorg of de Inspectie SZW is uitgebracht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Feiten en omstandigheden die tot een afwijking van de bepalingen uit de Raamovereenkomst of tot (gedeeltelijke) niet nakoming van de Raamovereenkomst zouden kunnen leiden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Fraude of oneigenlijk gebruik van voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">62 Communicatie naar personeel 62.1 De zorgaanbieder informeert zijn personeel over het Regionaal Meldpunt Signalen Zorg (htttps://robregionijmegen.nl/wordpress/contact/meldpunt-signalen-zorg-in-het-sociaal-domein), een regionaal initiatief van de gemeente in het kader van kwaliteitsmonitoring. Bij het Regionaal Meldpunt Signalen Zorg worden alle signalen rondom de zorgverlening verzameld. Ook worden er, in samenwerking met alle partijen die betrokken zijn bij kwaliteit, toezicht en handhaving, waar nodig vervolgstappen genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Meldpunt is toegankelijk voor cliënten en hun sociale netwerk, verwijzers en toeleiders (inclusief de Gemeentelijke Toegang), en zorgaanbieders. Onder andere vermoedens van fraude, onrechtmatigheid, onheuse bejegening, onvoldoende kwaliteit, onvoldoende samenwerking en niet kantelingsgericht werken, kunnen (anoniem) bij dit Meldpunt worden gemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">OVERIGE EISEN 63 Woonplaatsbeginsel (niet van toepassing op beschermd wonen) 63.1 De gemeente verwacht van de zorgaanbieder te werken met de definitie in de Jeugdwet of deze verordening en zich tijdig aan te sluiten bij wijzigingen (Factsheet Woonplaatsbeginsel).</p>\n<p class=\"lf-p\">63.2 De zorgaanbieder schat voor aanvang van zorg het woonplaatsbeginsel in en communiceert deze inschatting aan de gemeente. De gemeente stelt vast bij welke gemeente het woonplaatsbeginsel rust.</p>\n<p class=\"lf-p\">63.3 Bij verhuizing van de gezagsdrager of een jeugdige onder voogdij naar een gemeente, vertegenwoordigd door de gemeente, waarbij jeugdige en gezagsdrager de dienstverlening door de zorgaanbieder willen continueren, honoreert de gemeente de oorspronkelijk afgegeven beslissing, beschikking of toewijzing van zorg voor de duur waarvoor deze is afgegeven, met een maximum van één jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">63.4 De gezagsdrager bepaalt in bovengenoemde situatie of de hulp bij de zorgaanbieder wordt gecontinueerd, of dat een nieuwe hulpverlener wordt gezocht. Alleen in het geval dat de gezagsdrager dit wenst wordt de behandeling bij de zorgaanbieder binnen redelijke termijn stopgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage4Verordening in gewone taal Dit document heet een ‘verordening’. In een verordening staan regels die de gemeente moet of mag bepalen. De regels die in deze verordening staan, gaan over hulp aan volwassenen en hulp aan jeugdigen. Iedereen die jonger is dan 18 jaar, noemen we een ‘jeugdige’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze bijlage leggen we ‘in gewone taal’ uit wat er in de verordening staat. Om het begrijpelijk te houden is deze tekst niet zo compleet als de verordening zelf (U kunt aan deze verordening geen rechten ontlenen). Wilt u meer (juridische) uitleg, dan kunt u de uitgebreide toelichting lezen. De uitgebreide toelichting is te vinden achter deze uitleg in gewone taal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wmo 2015 Als we het hebben over hulp aan volwassenen, dan zult u vaak de woorden ‘Wmo 2015’ tegenkomen. Hiermee bedoelen we de wet waarin staat dat de gemeente hulp aan volwassenen moet bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jeugdwet Als we het hebben over hulp aan jeugdigen, dan zult u vaak het woord ‘Jeugdwet’ tegenkomen. Hiermee bedoelen we de wet waarin staat dat de gemeente hulp aan jeugdigen moet bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe kom ik aan hulp?</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft iemand hulp nodig, dan kan hij contact zoeken met de gemeente. Het Sociaal Team komt dan op gesprek. Samen wordt bekeken welke hulp nodig is. Het Sociaal Team besluit uiteindelijk welke hulp er nodig is. Dit geldt voor hulp aan volwassenen en voor hulp aan jeugdigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook een aantal anderen mogen hulp aan jeugdigen toekennen: huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten. Heeft een jeugdige hele zware hulp nodig (bijvoorbeeld dat hij gedwongen bepaalde hulp moet ontvangen of dat hij op een gesloten afdeling opgenomen moet worden), dan mag alleen de kinderrechter dat besluit nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per artikel: wat staat er?</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Van een aantal woorden is het belangrijk om precies te begrijpen wat ze betekenen. Die woorden worden in dit artikel beschreven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Melding hulpvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Heeft u hulp nodig, dan kunt u dit aan de gemeente vragen. De hulp die u vraagt, noemen we de ‘hulpvraag’. Dat u hulp vraagt aan de gemeente, noemen we de ‘melding’. De gemeente laat dan schriftelijk (per brief of per mail) weten dat we de vraag ontvangen hebben. Binnen zes weken nadat u om hulp gevraagd heeft, onderzoeken we wélke hulp u nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt ook een melding doen namens degene die hulp nodig heeft. Bijvoorbeeld omdat u zijn vertegenwoordiger, mantelzorger, familie, partner, buurman of op een andere manier betrokken bent.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Weet u niet zo goed hoe u om hulp moet vragen, of ziet u erg op tegen een gesprek met de gemeente? Dan kunt u hulp krijgen om samen te bespreken wat uw vraag precies is en bij wie u moet zijn met uw vraag. Die hulp is gratis en heet ‘onafhankelijke cliëntondersteuning’. U kunt de hulp aanvragen bij MEE Gelderse Poort, via telefoonnummer 088 - 633 00 00 of per e-mail via info@meegeldersepoort.nl Heeft u vragen, problemen of klachten over de hulp die u ontvangt? Dan kunt u hulp krijgen om die vragen, problemen of klachten duidelijk te verwoorden en te bespreken met de gemeente of zorgaanbieder. Die hulp is gratis en heet ‘vertrouwenspersoon’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Vooronderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Heeft u hulp gevraagd aan de gemeente, dan komt iemand van ons Sociaal Team bij u op gesprek. Om dit gesprek zo goed mogelijk met u te voeren, zorgt diegene voor een goede voorbereiding. Heeft hij daarvoor meer informatie van u nodig, dan kan hij u daarom vragen. U zult sowieso een identificatiebewijs moeten laten zien aan de gemeente. Zo weten we zeker dat u hulp aanvraagt voor u zelf en niet voor iemand anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Weet u zelf heel goed welke hulp u nodig heeft? Dan kunt u dit opschrijven en aan het Sociaal Team laten weten. Geef daarbij ook aan waarom die hulp een oplossing is voor uw probleem.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Gesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om een zo goed mogelijk beeld van uw situatie te krijgen, komt iemand van het Sociaal Team bij u op gesprek. Het liefst voeren we dit gesprek bij u thuis. We bespreken met u wat uw vraag is. Ook bespreken we wat u zelf kunt doen om de vraag op te lossen. En of uw netwerk daarbij kan helpen. Is uw vraag daarna nog niet (helemaal) opgelost, dan bespreken we welke hulp u van de gemeente nodig heeft. U mag natuurlijk iemand meenemen naar het gesprek, bijvoorbeeld iemand die u op dit moment soms al helpt. Dit kan heel handig zijn. Diegene kan dan direct met u en ons meedenken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We maken een verslag van wat er in het gesprek met u besproken is. In dat verslag staat ook welke hulp u van de gemeente krijgt. Vindt u dat het verslag niet goed is of dat er iets mist, dan kunt u dat tegen ons zeggen. Wij zetten dat dan in het verslag. Bent u het niet eens met de hulp die in het verslag staat, dan mag u dat op het verslag schrijven.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Om te zorgen dat u de hulp krijgt, hebben we een handtekening van u nodig. Bijvoorbeeld doordat u het verslag ondertekent. Met die handtekening geeft u aan dat u graag gebruik wilt maken van de hulp die wij u aanbieden. Dat heet dan de ‘aanvraag’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als wij uw handtekening (de aanvraag) ontvangen hebben, dan sturen we nog een officiële brief waarin staat welke hulp u krijgt en tot wanneer u die hulp krijgt. Dit document heet de ‘beschikking’. Daarmee is alles definitief.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor een maatwerkvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De hulp die u van ons krijgt noemen we een ‘maatwerkvoorziening’. Dit betekent dat u hulp krijgt die bij u past. We vinden het wel belangrijk dat u alleen hulp ontvangt die u écht nodig heeft. Daarom bespreken we eerst wat u zelf kunt doen en wat uw netwerk kan doen om u te helpen. Ook kijken we of er andere manieren zijn om u te helpen. Alleen als u dan nog steeds niet genoeg geholpen bent, krijgt u hulp van de gemeente.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijzingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan zijn dat u hulp aan ons vraagt en dat wij u die hulp niet geven. Dat is dan bijvoorbeeld omdat u die hulp kunt krijgen van de zorgverzekeraar. Of omdat uw netwerk al zoveel hulp biedt, dat u geen hulp via ons meer nodig heeft. Ook kan het zijn dat u niet in onze gemeente woont. Of dat u zelf had kunnen meewerken om het probleem op te lossen, maar dat u niet wilde meewerken.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud beschikking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 7 werd al gezegd dat u een officieel document van ons krijgt, als we besluiten dat u hulp van ons krijgt. In dat document staat onder andere welke hulp u krijgt en ook op welke manier u die hulp krijgt. U mag namelijk zelf kiezen hoe u de hulp wilt ontvangen:</p>\n<p class=\"lf-p\">U kunt ervoor kiezen dat de gemeente alles voor u regelt. Dit heet ‘Zorg in Natura’. Afgekort noemen we dat ‘ZIN’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of u kunt ervoor kiezen dat u zelf een aanbieder uitzoekt en een contract met hem afsluit. Dit heet ‘persoonsgebonden budget’. Afgekort noemen we dat ‘pgb’.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">U mag alleen voor een persoonsgebonden budget kiezen als u 18 jaar of ouder bent. Kiest u voor een persoonsgebonden budget, dan is het belangrijk dat u goed om kunt gaan met verantwoordelijkheden. U wordt dan namelijk zelf werkgever van de zorgaanbieder. Dit betekent dat u een aanbieder moet zoeken die de juiste hulp levert en die daar het juiste tarief voor vraagt. U bent ook zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de hulp en voor het betalen van de aanbieder. Dit betekent dat u ook een administratie bij moet houden. Om zeker te weten dat dit alles u lukt, moet u opschrijven hoe u hiervoor gaat zorgen. U kunt bijvoorbeeld opschrijven dat u iemand anders inschakelt om de administratie voor u bij te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">U mag het persoonsgebonden budget alleen gebruiken voor de hulp die wij aan u toegekend hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb’s die ingezet worden bij professionals</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De aanbieder die u vanuit het persoonsgebonden budget inhuurt, moet goede hulp leveren. De aanbieder moet daarom aan allerlei eisen voldoen. U hoeft de meeste eisen niet zelf te controleren, dat doet de gemeente voor u. Wel moet u zelf controleren dat de aanbieder een Verklaring Omtrent Gedrag heeft. Dit hoeft alleen als in uw gezin een jeugdige aanwezig is. Met de Verklaring Omtrent Gedrag bewijst de hulpverlener dat zijn gedrag in het verleden geen belemmering is om in contact te zijn met een jeugdige.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb sociaal netwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vanuit het persoonsgebonden budget kunt u ook iemand uit uw netwerk betalen om de hulp aan u te leveren. U moet wel een goede reden hebben om niet een zorgaanbieder te vragen maar in plaats daarvan iemand uit uw netwerk te betalen. De hulp moet bijvoorbeeld beter en efficiënter zijn. Of hulp vanuit uw netwerk de beste oplossing is, hangt af van de hulp die u nodig heeft en wat het netwerk u daarin kan bieden. Als het gaat om hulp waar een diploma voor nodig is, dan zal diegene uit uw netwerk dat diploma moeten hebben. Ook moet duidelijk zijn waarom diegene betaald moet worden voor de hulp die hij/zij biedt. U kunt dit aangeven bij het Sociaal Team. Zij kijken dan met u of dit de beste oplossing is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb-beheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lukt het u niet om zelf alles rondom het persoonsgebonden budget te regelen, dan kunt u iemand uit uw netwerk vragen om dat van u over te nemen. Dit mag alleen als het voor die persoon niet tot overbelasting leidt. Ook kunt u iemand inhuren om alles voor u te regelen. U zult die persoon zelf moeten betalen. U mag die persoon niet vanuit het persoonsgebonden budget betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen geldt dat u wel zelf in staat moet zijn om op te komen voor uw belangen. U moet zelf de zorgverleners kunnen aansturen. Kunt u dit niet, dan mag een familielid uit de eerste graad of tweede graad dit van u overnemen. Is dit niet mogelijk, dan ontvangt u geen pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">We vinden het belangrijk dat degene die voor u alles regelt rondom het persoonsgebonden budget, iedere maand contact heeft met u en de zorgaanbieder. Hij/zij moet u ondersteunen en opkomen voor wat u belangrijk vindt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Controle</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ontvangt u hulp vanuit de gemeente, dan kan de gemeente controleren of de hulp ook echt door u wordt gebruikt. De hulp kan bijvoorbeeld ook zijn dat u een scootmobiel of traplift ontvangen heeft. De gemeente kan dan controleren of de scootmobiel/traplift op de juiste manier wordt gebruikt. Zo is het bijvoorbeeld niet de bedoeling dat u de traplift gebruikt om een kast naar boven te tillen. Of dat u een aanhangwagentje achter uw scootmobiel hangt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Bijdrage in de kosten</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het kan zijn dat u moet meebetalen aan de hulp die u ontvangt. Dit heet de ‘bijdrage in de kosten’, of ook wel ‘eigen bijdrage’. Bent u volwassen, dan moet u meestal wel meebetalen. Bent u volwassen maar is de hulp bedoeld voor uw kind, dan hoeft u meestal niet mee te betalen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Zorgaanbieders moeten goede zorg leveren. Dit betekent bijvoorbeeld dat ze de goede diploma’s hebben en dat ze goed met u communiceren. Ook moeten ze goed communiceren met anderen waar u hulp van krijgt. Om te controleren of zorgaanbieders dit goed doen, doet de gemeente ieder jaar een onderzoek. In dat onderzoek vragen we u wat u van de hulp vindt en ook wat u van de zorgaanbieder vindt. Op die manier weten we wat uw ervaringen zijn en waar verbetering nodig is.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsregeling calamiteiten en geweld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Als u of uw hulpverlener te maken krijgt met geweld tijdens het ontvangen van de hulp, dan wordt er onderzoek gedaan naar wat er gebeurd is. Dit geldt ook voor andere ‘incidenten’ of ‘calamiteiten’ die gebeuren tijdens het ontvangen van de hulp. Vermoedt het Sociaal Team dat u of een gezinslid te maken heeft met geweld, dan wordt ook daar onderzoek naar gedaan.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Verandert er iets in uw situatie waardoor u geen hulp meer nodig heeft? Of waardoor u andere hulp nodig heeft? Dan moet u dit melden bij het Sociaal Team. Iemand uit het Sociaal Team gaat dan opnieuw met u kijken welke hulp nodig is en past bij uw situatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkt dat u bewust belangrijke informatie niet aan ons heeft verteld? Dan kan het Sociaal Team de hulp stoppen en dan kan het zijn dat u moet betalen voor de hulp die u onterecht gekregen heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse waardering mantelzorgers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Mantelzorgers doen belangrijk en zwaar werk. Mantelzorgers die bij ons geregistreerd zijn krijgen daarom jaarlijks een bedankje voor hun werk. Een mantelzorger kan op de website van de gemeente een formulier vinden om zichzelf te registreren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 21</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk dat we aanbieders genoeg betalen voor de hulp die zij leveren, ook als het gaat om materiële hulp (bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-22-49\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 22</span><span class=\"lf-art-t\">Verhouding prijs en kwaliteit levering diensten door derden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Het is belangrijk dat we aanbieders genoeg betalen voor de hulp die zij leveren, ook als het gaat om diensten (bijvoorbeeld huishoudelijke hulp of begeleiding).</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-23-50\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtenregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Vindt u dat er niet goed is omgegaan met u en uw vraag om hulp? Dan kunt u een klacht indienen bij de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vindt u dat de zorgaanbieder niet goed is omgegaan met u en uw vraag om hulp? Dan kunt u een klacht indienen bij de aanbieder.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-24-51\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">We vinden het belangrijk dat aanbieders bij belangrijke beslissingen ervoor zorgen dat er mensen meedenken die ervaring hebben met het krijgen van die hulp.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-25-52\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Betrekken van ingezetenen bij het beleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor de gemeente geldt dat we bij het maken van regels zorgen dat er mensen meedenken die ervaring hebben met het krijgen van die hulp. Iedereen kan ooit hulp nodig hebben. Daarom denken niet alleen mensen mee die op dit moment hulp ontvangen, of in het verleden hulp ontvangen hebben. Ook mensen die (nog) geen hulp ontvangen worden gevraagd mee te denken. Daarom wordt deze verordening eerst een tijd neergelegd zodat inwoners erop kunnen reageren. Na die periode worden eventuele opmerkingen beoordeeld en verwerkt. Daarna wordt de verordening pas vastgesteld.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-26-53\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordening en overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening komt in plaats van de vorige verordening. Krijgt u op dit moment hulp van de gemeente dan verandert daar niets aan. Pas als uw indicatie afloopt en u opnieuw hulp nodig heeft dan gelden de nieuwe regels ook voor u. Ook als u in de tussentijd andere hulp nodig heeft, gelden de nieuwe regels voor u.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-27-54\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels en hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Heeft u dringend andere hulp nodig dan in deze verordening geregeld wordt? Of zorgt uw situatie ervoor dat het niet past bij deze verordening en is er geen andere oplossing mogelijk? Dan kunnen de burgemeester en wethouders bij hoge uitzondering besluiten om af te wijken van de regels die in deze verordening staan. Dit om ervoor te zorgen dat u toch de hulp krijgt die u nodig heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening staan regels die nog niet heel concreet en praktisch zijn. De gemeente mag daarom aanvullende regels maken als zij dat wil.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-29\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 29</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding en citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Hier staat vanaf wanneer de verordening geldig is. En hoe de verordening heet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Mook en Middelaar 2020 Algemeen Voor een uitleg ‘in gewone taal’ van deze verordening, zie bijlage 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze verordening staan de regels die de gemeente volgens de Wmo 2015 en de Jeugdwet moet of mag bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 2015 zijn de taken van de gemeente uitgebreid met een aantal nieuwe ondersteuningsvormen onder de Wmo en veel nieuwe ondersteuningsvormen onder de Jeugdwet. Bij al deze taken staat centraal dat er eerst bekeken wordt wat er mag en kan worden verwacht van de cliënt en zijn sociaal netwerk. Als het nodig is kan het college de cliënt de mogelijkheid bieden om gebruik te maken van een algemene voorziening. Volstaat dat niet, dan kan het college een maatwerkvoorziening toekennen. Dit met als doel dat de cliënt beter in staat is om deel te nemen aan de maatschappij en hierin zelfstandig te functioneren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toegankelijkheid ondersteuning Ondersteuning vanuit de Wmo en de Jeugdwet kan ‘vrij-toegankelijk’ of ‘niet vrij-toegankelijk’ zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor vrij-toegankelijke ondersteuning is geen verwijzing of besluit van het college nodig. Cliënten zijn vrij om hier gebruik van te maken en kunnen rechtstreeks contact opnemen met de aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor niet vrij-toegankelijke ondersteuning is wel een verwijzing of besluit van het college nodig. Er wordt dan onderzoek gedaan naar de situatie van de aanvrager, onder andere door een gesprek met hem te voeren. Er wordt dan ook beoordeeld of een vrij-toegankelijke ondersteuning past bij de situatie van de cliënt. Zo ja, dan wordt eerst verkend of de vrij-toegankelijke ondersteuning de hulpvraag van de cliënt voldoende wegneemt. Als het college besluit dat niet vrij-toegankelijke ondersteuning noodzakelijk is dan volgt er een formeel besluit. Daarna kan de cliënt van deze ondersteuning gebruik maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toeleiding naar niet vrij-toegankelijke ondersteuning Ondersteuning vanuit de Wmo wordt door het college toegekend aan de cliënt. Het college neemt een besluit en verwijst de cliënt naar de aangewezen aanbieder. Voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet geldt dit ook, maar is het college niet de enige toeleider. Naast het college kunnen ook de volgende partijen doorverwijzen naar ondersteuning vanuit de Jeugdwet:</p>\n<p class=\"lf-p\">Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verwijzers kunnen bepalen dát de cliënt ondersteuning nodig heeft en verwijzen naar een aanbieder (die door de gemeente is gecontracteerd). Deze verwijzers bepalen echter niet wélke ondersteuning de cliënt nodig heeft. Het is dan vaak de aanbieder die bepaalt welke voorziening nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). De aanbieder moet zich houden aan de afspraken die hij hierover gemaakt heeft met de gemeente. Deze afspraken gaan vooral over afstemming met elkaar zodat het principe van ‘één gezin, één regisseur, één plan’ wordt geborgd. Ook moet de aanbieder rekening houden met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld. De gemeente speelt geen nadrukkelijke rol in de toeleiding door huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten. Wel legt de gemeente de verwijzing van deze verwijzers vast in een beschikking (artikel 2 lid 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gecertificeerde instellingen (GI’s), kinderrechters, Openbaar Ministerie (OM) en de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting:</p>\n<p class=\"lf-p\">Kinderrechters kunnen kinderbeschermingsmaatregelen en maatregelen tot jeugdreclassering nemen. De GI’s voeren dit vervolgens uit, maar moeten hierover verplicht overleg voeren met de gemeente. De gemeente moet de jeugdhulp inzetten die de GI’s nodig vinden om de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering uit te voeren. Het gaat immers om een besluit dat door de rechter genomen is. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, dan wijst hij in de beschikking aan welke GI die maatregel moet uitvoeren. De rechter kan dit omdat de Raad van de Kinderbescherming hierover adviseert, na overleg te hebben gevoerd met de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegang door deze verwijzers is geregeld in de Jeugdwet en komt daarom verder niet terug in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK):</p>\n<p class=\"lf-p\">Het AMHK heeft inmiddels de naam Veilig Thuis gekregen. Veilig Thuis geeft advies als er sprake is van huiselijk geweld en kindermishandeling en ook als hier slechts vermoedens van zijn. Als het nodig is dan onderzoekt Veilig Thuis na een melding of er sprake is van kindermishandeling. Willen ouders niet dat er jeugdhulp ingezet wordt, dan kan Veilig Thuis een rol spelen in het motiveren van deze ouders. Ook legt Veilig Thuis contacten met de hulpverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze vorm van verwijzing is al geregeld in de Jeugdwet en komt verder niet terug in deze verordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mandatering De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal vaak namens het college gedaan worden. Namelijk door deskundige consulenten, ambtenaren of aanbieders die hiervoor mandaat gekregen hebben van het college. Waar in deze verordening en in de wet dus ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren aan ondergeschikten en niet-ondergeschikten (op grond van de Awb). Een niet-ondergeschikte mag alleen rechten en plichten van cliënten vaststellen als het een aanbieder is die hiervoor mandaat heeft gekregen (artikel 2.6.3 Wmo 2015 en artikel 2.11 lid 1 Jeugdwet). Voor ondergeschikten geldt dat het mandaat om rechten en plichten van cliënten vast te stellen niet alleen beperkt is tot aanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke kaders Hierna volgt een hele opsomming van artikelen in de Wmo 2015 en Jeugdwet die bepalen wat we als gemeente in de verordening op moeten nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente moet in de verordening regels vaststellen omwille van de uitvoering van het beleidsplan inzake ondersteuning vanuit de Wmo (artikel 2.1.3 lid 1 Wmo 2015). In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden: op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; op welke wijze ingezetenen, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.4a, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015: bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn; de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn partner; bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK worden vastgesteld en geïnd; bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent; bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht; bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen; met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning van, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening; over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet; over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 van de Jeugdwet bieden verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015, en de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van ingezetenen en de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelsgewijze toelichting</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 1</span><span class=\"lf-art-t\">Begripsbepalingen</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Niet ieder begrip heeft een toelichting nodig. Hieronder worden een aantal minder eenduidige begrippen wel nader toegelicht. c: algemeen gebruikelijke voorziening Met deze term worden voorzieningen bedoeld die voor inwoners beschikbaar zijn, ook als de inwoner geen beperkingen heeft. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt die de cliënt (rekening houdend met zijn omstandigheden) zelf had kunnen kopen of gebruiken. Toch moet het college wel onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor deze specifieke cliënt: had hij over de voorzieningen kunnen beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad? f. bijdrage in de kosten Het college mag de cliënt vragen om een bijdrage te leveren in de kosten (artikel 2.1.4 en 2.1.4a Wmo 2015). De cliënt moet dit dan betalen. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaalt welke ruimte het college (bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage in de kosten worden gevraagd (behalve voor cliëntondersteuning). Deze bijdrage kan niet inkomensafhankelijk zijn. h. gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp In de Wmo 2015 is gebruikelijke hulp gedefinieerd, wat inhoudt dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als die ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost. Omdat het begrip in de Jeugdwet niet voorkomt, is het in deze verordening opgenomen. Er is geen reden waarom deze logica niet ook zou opgaan voor jeugdhulp. i. gesprek Met gesprek bedoelen we hier dat het college contact opneemt met degene die ondersteuning aanvraagt. Samen wordt de situatie geïnventariseerd: wat kan iemand op eigen kracht, met mantelzorg of met hulp van anderen uit zijn sociaal netwerk? Welke algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen zijn er om de hulpvraag te verminderen of weg te nemen? Welke maatwerkvoorziening is nodig? j. hulpvraag Als iemand ondersteuning aanvraagt bij het college (of een andere organisatie), dan moet eerst duidelijk worden wat zijn hulpvraag precies is. Meldt de betrokkene zich voor het eerst dan is vaak namelijk nog niet duidelijk of en op welke manier het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek is nodig. k. ingezetene Voor ondersteuning vanuit de Wmo 2015 geldt dat de cliënt ingezetene van de gemeente moet zijn om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening (artikel 1.2.1 Wmo). Met ‘wonen’ wordt de feitelijke verblijfplaats van de cliënt bedoeld. De Basisregistratie personen (Brp) is hier een belangrijke aanwijzing voor, maar is niet doorslaggevend (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 Wmo). Er moet gekeken worden naar concrete feiten en omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze term is relevant voor ondersteuning die vanuit de Wmo 2015 geboden wordt. De Jeugdwet kent zijn eigen woonplaatsbeginsel. n. melding Iedereen kan zich met een hulpvraag bij zijn gemeente melden. Na deze melding stelt het college (in overleg met de cliënt) zo snel mogelijk een onderzoek in. Vraagt iemand alleen om informatie (bijvoorbeeld over de beschikbaarheid van een algemene voorziening) of geeft hij aan dat hij gebruik wil maken van een algemene voorziening, dan is er geen reden om een onderzoek in te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 2</span><span class=\"lf-art-t\">Melding hulpvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is opgenomen om ervoor te zorgen dat de procedure rondom een melding zorgvuldig verloopt. Ook staat in dit artikel op welke manier een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.3 Wmo 2015 en artikel 2.9 Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De melding kan door de cliënt zelf gedaan worden maar ook door een ‘naaste’, bijvoorbeeld zijn vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding is vormvrij en kan schriftelijk, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In de praktijk zal het college de procedure (melding, onderzoek en verslag) laten uitvoeren door deskundigen. Ook op andere plaatsen waar in deze verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college besluiten om dit door anderen uit te laten voeren (de bevoegdheid wordt dan gemandateerd op basis van de Algemene wet bestuursrecht).</p>\n<p class=\"lf-p\">In gemeente Mook en Middelaar kan de melding worden gedaan bij het Sociaal Team.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Denk bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De wet bepaalt dat het college een elektronisch ingediende vraag moet bevestigen (4:3a Awb) en dat dit schriftelijk moet (artikel 2.3.2 Wmo 2015). Vaak zal het college dit elektronisch doen (per e-mail).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Dat het college onderzoek moet doen nadat een cliënt een melding doet is al wettelijk bepaald (artikel 2.3.2 Wmo 2015 en artikel 2.3 Jeugdwet). De Wmo 2015 bepaalt dat het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (artikel 2.3.2). De Jeugdwet geeft hier geen termijn voor. We vinden het gewenst om ook voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet hetzelfde werkproces en dezelfde termijnen te hanteren. Daarom wordt in dit lid de termijn van 6 weken genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Als een situatie zo zorgelijk is dat er sprake is van spoed, dan hoeft de procedure niet eerst volledig doorlopen te zijn. Er wordt dan al een passende (tijdelijke) maatwerkvoorziening toegekend voordat het onderzoek afgerond is (artikel 2.3.3 Wmo 2015, 2.6 Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het college is niet de enige verwijzer naar ondersteuning vanuit de Jeugdwet. Ook de huisarts, medisch specialist en jeugdarts mogen daar naar verwijzen (artikel 2.6 Jeugdwet). De cliënt mag met deze verwijzing rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder is vaak degene die (na de verwijzing) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. In overleg met de jeugdige of ouder(s) bepaalt hij wat de concrete inhoud, vorm en duur van de benodigde jeugdhulp is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Het college legt het toekennen (of afwijzen) van de maatwerkvoorziening in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige en/of zijn ouders. Ook als de verwijzing gedaan is door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 3</span><span class=\"lf-art-t\">Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het college moet ervoor zorgen dat cliënten gebruik kunnen maken van cliëntondersteuning (artikel 2.2.4 Wmo 2015). Cliënten kunnen daar gratis informatie krijgen, advies vragen en hulp ontvangen als ze een aanvraag in willen dienen voor ondersteuning vanuit de gemeente. De cliëntondersteuning kan bijvoorbeeld helpen om de vraag van de cliënt duidelijk te krijgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het college moet ervoor zorgen dat er een vertrouwenspersoon is waar jeugdigen en hun (pleeg)ouder(s) gebruik van kunnen maken (artikel 2.6, lid 1f Jeugdwet). De vertrouwenspersoon moet onafhankelijk, beschikbaar en toegankelijk zijn. Cliënten kunnen bij de vertrouwenspersoon terecht met vragen en/of klachten over jeugdhulp. In onze gemeente bieden het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) en de Zorgbelangorganisaties een vertrouwenspersoon aan. In paragraaf 4.1 van Besluit Jeugdwet staan de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Na de melding van een hulpvraag moet het college de cliënt vertellen over de mogelijkheid van cliëntondersteuning (artikel 2.3.2, lid 3 Wmo 2015). Gaat de hulpvraag over jeugdhulp dan wijst het college ook op de mogelijkheid van een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 4</span><span class=\"lf-art-t\">Vooronderzoek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit artikel is opgenomen om ervoor te zorgen dat de procedure rondom een melding zorgvuldig verloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Tijdens de voorbereiding op het gesprek wordt (in overleg met de cliënt) in kaart gebracht welke gegevens van de cliënt al bekend zijn. Dit zodat de cliënt niet onnodig belast wordt met vragen over zaken die al bij ons bekend zijn. Het hangt van de melding af hoe uitgebreid dit vooronderzoek is. Vervolgens wordt samen met de cliënt een datum, tijd en plaats afgesproken voor het gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor lid 1 en lid 2 geldt dat de privacy van de cliënt beschermd moet worden (Wmo 2015, Jeugdwet en privacywetgeving).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Aan de cliënt kan gevraagd worden om informatie aan te leveren (artikel 2.3.2, lid 7 Wmo 2015 en artikel 8.1.2, lid 3 Jeugdwet). De gemeente is in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen (artikel 2.3.4 Wmo 2015). De cliënt moet daarom altijd een identificatiedocument laten zien. Alleen als het gaat om spoed en de cliënt op dat moment geen identificatiedocument kan laten zien kan er een uitzondering worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Als er al genoeg over de cliënt bekend is dan kan het college in overleg met de cliënt besluiten om geen vooronderzoek te doen. Dit om te voorkomen dat er onnodig werk gedaan wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Een cliënt die ondersteuning vanuit de Wmo 2015 wil, mag een persoonlijk plan of een familieplan opstellen. In dat plan kan hij beschrijven welke mogelijkheden hij zelf ziet om de problemen op te lossen. Het college moet cliënten ervan op de hoogte brengen dat zij zo’n plan op mogen stellen (artikel 2.3.2, lid 2 Wmo 2015). Vanuit de Jeugdwet geldt deze verplichting niet, maar met lid 4 in de verordening bieden we cliënten en ouder(s) wel de mogelijkheid om ook een plan op te stellen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 5</span><span class=\"lf-art-t\">Gesprek</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel staan regels die ervoor zorgen dat het college uiteindelijk een goed en onderbouwd besluit kan nemen (artikel 2.1.3, lid 1 en 2 Wmo 2015 en artikel 2.9 Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Na het vooronderzoek gaat het college in gesprek met degene die de melding heeft gedaan (artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015). Het college laat dit gesprek voeren door een deskundige. Als er mantelzorgers bij de cliënt betrokken zijn dan is het wenselijk dat zij ook bij het gesprek aanwezig zijn. Er mogen ook nog anderen bij het gesprek aanwezig zijn als de cliënt dat wenst of als dit nodig is volgens het college. Als het kan dan vindt het gesprek bij de cliënt thuis plaats. Vooral als het gaat om een woningaanpassing, dan is het belangrijk om bij de cliënt thuis te komen zodat naar een goede oplossing gezocht kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Voor sommige cliënten is het spannend om een gesprek met de gemeente te voeren. Het is daarom goed als de cliënt weet wat hij van het gesprek kan verwachten en wat er na het gesprek verder gebeurt. Het college informeert de cliënt hierover en over de rechten en plichten die de cliënt heeft. Zoals eerder aangegeven wordt de cliënt er ook op gewezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van cliëntondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een goed gesprek is belangrijk om helder te krijgen wat precies de hulpvraag van de cliënt is en wat zijn behoeften en de gewenste resultaten zijn. Tijdens het gesprek wordt achterhaald wat de cliënt kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Hierbij wordt gekeken naar wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van zijn sociaal netwerk of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen. Op die manier wordt verkend of met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is. Ook wordt bekeken of er sprake is van een voorliggende voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt. De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen deze toegangsprocedure vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder de ‘oude’ Wmo bestond het recht op compensatie. Dat is met de Wmo 2015 komen te vervallen, maar wel heeft de cliënt recht op een zorgvuldig proces. Ook in de Jeugdwet is deze omslag gemaakt. Het doel blijft echter overeind: cliënten krijgen de hulp die nodig is en die passend is bij hun situatie. Deze ondersteuning moet ervoor zorgen dat de eigen kracht van de cliënt versterkt wordt. En als het om een jeugdige gaat dan is ook het doel dat het gezin beter in staat wordt om voor de jeugdige te zorgen en problemen op te lossen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om achteraf te bepalen of de ondersteuning effectief is geweest, wordt vooral gekeken of de cliënt zelf vindt dat hij dankzij de ondersteuning nu meer zelfredzaam is en beter kan participeren in de maatschappij (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Als de cliënt besloten heeft om inderdaad een persoonlijk plan op te stellen dan moet het college dat plan betrekken bij het onderzoek (artikel 2.3.2, lid 5 Wmo 2015). Deze verplichting geldt niet voor de Jeugdwet, maar door het hier als lid op te nemen leggen we onszelf die verplichting wel op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het gesprek hoeft natuurlijk niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij het college en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 6</span><span class=\"lf-art-t\">Verslag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel is opgenomen om ervoor te zorgen dat dossiers zorgvuldig opgesteld worden en de cliënt op de hoogte is van de uitkomsten van het onderzoek (artikel 2.3.2, lid 8 Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Er moet altijd een schriftelijk verslag worden gemaakt van het onderzoek, inclusief wat besproken is tijdens het gesprek. Als de cliënt een persoonlijk plan heeft ingediend dan wordt dat ook opgenomen in het verslag. Een goed verslag maakt het voor de gemeente mogelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag. Daarnaast is het verslag een handige manier om met de cliënt te checken of we het gesprek hetzelfde ervaren hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afhankelijk van de complexiteit en de uitkomst van het gesprek kan het verslag heel kort zijn of juist langer. Het verslag kan functioneren als een plan waarin afspraken en verplichtingen staan en waarover de cliënt en het college overeenstemming hebben bereikt. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Na het gesprek moet de cliënt dit verslag zo snel mogelijk ontvangen zodat hij het verslag kan gebruiken om een maatwerkvoorziening aan te vragen (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Als de cliënt opmerkingen of aanvullingen heeft op het verslag dan worden die eraan toegevoegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 7</span><span class=\"lf-art-t\">Aanvraag</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De cliënt kan zelf een aanvraag indienen of hij kan iemand machtigen. Diegene kan dan de aanvraag namens de cliënt indienen. Is de cliënt niet in staat om op te komen voor zijn eigen belangen dan kan zijn vertegenwoordiger de aanvraag indienen. Dit is dus minder ruim dan de personen die een melding namens de cliënt mogen doen. De reden hiervoor is dat het gaat om een formele aanvraag met rechtsgevolgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cliënt kan in onze gemeente de aanvraag ook elektronisch (bijvoorbeeld per e-mail) doen (artikel 2:15 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het gespreksverslag kan gezien worden als aanvraag, maar dan moet dat verslag wel ondertekend zijn. Als er echter teveel tijd zit tussen de ondertekening van het verslag en de aanvraagdatum, dan kan het college besluiten dat het verslag niet meer actueel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een aanvraag voor ondersteuning kan pas worden ingediend nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd (artikel 2.3.2 Wmo 2015). Tenzij besloten is om van het onderzoek af te zien. Of tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Binnen twee weken nadat het college de aanvraag ontvangen heeft, moet de beschikking worden afgegeven. Voor hulp vanuit de Wmo is dit verplicht (artikel 2.3.5, tweede lid Wmo 2015), voor hulp vanuit de Jeugdwet niet. We hebben echter besloten om één lijn te trekken en deze termijn dus ook toe te passen op hulp vanuit de Jeugdwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Voor gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader (dit betekent dat het met instemming van de ouders is) gelden andere regels. Jeugdigen kunnen alleen in gesloten setting geplaatst worden via de kinderrechter (artikel 6.1 Jeugdwet)</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 8</span><span class=\"lf-art-t\">Criteria voor een maatwerkvoorziening</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In dit artikel staat welke afwegingen gemaakt worden voordat het college besluit of een maatwerkvoorziening toegekend wordt (artikel 2.1.3 lid 2a Wmo 2015 en artikel 2.9 a Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het eerder genoemde verslag dat gemaakt wordt na het vooronderzoek en gesprek, is de basis waarop het college besluit om ondersteuning vanuit de Wmo of Jeugdwet toe te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 en 3 Eerst wordt gekeken wat een cliënt op eigen kracht of met behulp van zijn netwerk kan. Ook worden voorliggende voorzieningen verkend. Pas als duidelijk is dat dit de hulpvraag niet genoeg wegneemt, wordt verkend of er ondersteuning vanuit de Jeugdwet of Wmo nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondersteuning vanuit de Wmo en Jeugdwet wordt altijd toegekend op basis van maatwerk (memorie van toelichting Wmo: TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134 en memorie van toelichting Jeugdwet: TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, blz. 3 en 7). Dit betekent dat mensen met een vergelijkbare hulpvraag toch verschillende ondersteuning toegekend kunnen krijgen, bijvoorbeeld omdat de situaties van deze personen van elkaar verschillen. Er wordt dan gezocht naar de ondersteuning die het beste past bij deze persoon en situatie. Ook tussen gemeenten zullen verschillen zijn: de behoeften van inwoners kunnen per gemeente verschillen, net als de sociale en fysieke infrastructuur van de gemeente. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om zoveel mogelijk sprake te laten zijn van maatwerk is het niet mogelijk en wenselijk om in de verordening alles dicht te timmeren. Wel moeten we afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening krijgt en dat is gedaan in lid 2 en 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met langdurig (lid 3c) bedoelen we dat de cliënt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de voorziening. Iemand die tijdelijk beperkt is (bijvoorbeeld door een ongeluk) en waarvan al bekend is dat die beperkingen niet blijvend zijn, zal dus geen voorziening vanuit de Wmo ontvangen. Diegene kan een voorziening ontvangen vanuit de Zorgverzekeringswet. Er is één uitzondering, namelijk kortdurende huishoudelijke hulp. Kortdurende huishoudelijke hulp (bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname) valt wel onder de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 In dit lid gaat het om materiële voorzieningen die verstrekt worden vanuit de Wmo. Er wordt beschreven wanneer het college ervoor zorgt dat een voorziening vervangen wordt door een vergelijkbare voorziening. We verwachten van cliënten dat ze zorgvuldig omgaan met de voorziening die ze ontvangen hebben.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 9</span><span class=\"lf-art-t\">Afwijzingsgronden</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Afwijzingsgronden staan in de verordening zodat cliënten weten in welke gevallen de gemeente geen ondersteuning vanuit de Wmo of Jeugdwet biedt. Daarnaast zijn we wettelijk verplicht om dit vast te leggen (artikel 2.1.3, lid 2a Wmo 2015 en artikel 2.9 a Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 In de Jeugdwet wordt afgebakend dat andere wetten voorliggend zijn op de Jeugdwet (artikel 1.2 lid 1 Jeugdwet). In de Wmo 2015 staat dit niet en daarom is dit lid opgenomen. Ook voor ondersteuning vanuit de Wmo geldt dat andere wetten voorliggend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een herhaling van wat al in de wet staat (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015 en artikel 2.3 Jeugdwet). Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals al eerder genoemd gaat een algemene voorziening voor op een maatwerkvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt die de cliënt (rekening houdend met zijn omstandigheden) zelf had kunnen kopen of gebruiken. Toch moet het college wel onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor deze specifieke cliënt: had hij over de voorzieningen kunnen beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad? Bij die beoordeling kunnen de volgende criteria een rol spelen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is de voorziening gewoon te koop?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?</div>\n<p class=\"lf-p\">Om in aanmerking te komen voor ondersteuning moet de cliënt ingezetene zijn van de gemeente of (als het om een jeugdige gaat) volgens het woonplaatsbeginsel onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen (artikel 1.2.1 Wmo 2015 en artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ingezetene wordt de feitelijke verblijfplaats van de cliënt bedoeld. De Basisregistratie personen (Brp) is hier een belangrijke aanwijzing voor, maar is niet doorslaggevend (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 Wmo). Er moet gekeken worden naar concrete feiten en omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor beschermd wonen en opvang gelden andere regels. Om daarvoor in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet per se van de gemeente waar hij de aanvraag indient.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt de situatie bedoeld dat de cliënt na de melding (en voor de beschikking) zelf een maatwerkvoorziening heeft gekocht of ingezet. Dit is niet de bedoeling omdat het college dan nog niet akkoord is. Het kan zijn dat de ingekochte/ingezette voorziening uiteindelijk niet overeenstemt met wat het college besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit lid is opgenomen om te voorkomen dat een hulpvraag dubbel wordt opgelost. Het kan natuurlijk zijn dat voor één hulpvraag meerdere voorzieningen nodig zijn. Maar als de hulpvraag al voldoende geholpen is met (een) bepaalde voorziening(en) dan is het niet de bedoeling dat er nog extra voorzieningen verstrekt worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">We verwachten van cliënten dat ze eerst eigen oplossingen inzetten of hulp vragen in het netwerk. Op deze manier blijven cliënten in hun eigen kracht staan en draagt dit bij aan zelfredzaamheid en participatie. Bij het compenseren van beperkingen houden we dus rekening met de keuzes die de cliënt maakt in het leven, waarbij we rekening houden met de situatie van de cliënt. Met ‘geschikte keuzes’ bedoelen we dat de cliënt keuzes maakt die de zelfredzaamheid en participatie bevorderen en niet doen afnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de beperkingen van de cliënt er niet voor zorgen dat de cliënt daardoor meer uitgaven heeft, dan vindt daarvoor geen compensatie plaats. Misschien zal de cliënt zijn uitgaven aan andere dingen besteden dan voorheen, maar het gaat erom dat de totale uitgaven niet aanzienlijk meer zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente mag volstaan met de goedkoopst adequate voorziening (naar objectieve maatstaven gemeten). Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, komen in principe dus niet voor vergoeding in aanmerking. Soms gaat een duurder product langer mee en is dus uiteindelijk goedkoper. Er moet dan ook bij een verantwoord niveau worden aangesloten (maar ook niet meer dan dat). Het is wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, maar alleen als de cliënt bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In dit lid staan afwijzingsgronden voor woonvoorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de cliënt beperkingen ervaart door materialen die gebruikt zijn in de woning, dan moet de cliënt die materialen zelf vervangen. Denk bijvoorbeeld aan vloerbedekking waardoor de cliënt last heeft van zware allergie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De compensatie vanuit de Wmo is bedoeld voor woonhuizen, waar de cliënt intensief en langdurig zal verblijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten vallen in principe niet onder de Wmo 2015.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is een woongebouw gericht op personen met een beperking of ouderen maar zijn er voorzieningen nodig, dan wordt eerst gekeken of deze voorzieningen mee kunnen worden genomen bij (nieuw)bouw of renovatie. Levert dat weinig meerkosten op, dan verstrekt de gemeente geen woonvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is er een geschikte woning beschikbaar voor de cliënt en hij besluit daar niet naartoe te verhuizen, dan verstrekt de gemeente geen woonvoorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Beschermd wonen is bedoeld voor mensen met complexe en meervoudige problematiek. Is een cliënt uitsluitend dakloos of uitsluitend slachtoffer van huiselijk geweld, dan is er geen sprake van meervoudige problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de financiële bijlage is meer opgenomen over de regels bij beschermd wonen (bijlage 2, artikel 9 lid 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Het is belangrijk dat de opvang een veilige plek blijft voor iedereen die daar komt. Daarom worden de eisen in dit lid gesteld. Geweld en agressief gedrag wordt niet getolereerd. Is er sprake van bijvoorbeeld een ernstige verslaving of acute psychische problematiek waarvoor behandeling met opname in een instelling of kliniek noodzakelijk is, dan is opvang vanuit de Wmo ook niet passend.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de financiële bijlage is meer opgenomen over de regels bij maatschappelijke opvang (bijlage 2, artikel 9 lid 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 De gemeente beoordeelt of een cliënt voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb. Artikelen 11 t/m 14 geven de voorwaarden. Voldoet een cliënt hier niet aan dan krijgt hij geen pgb toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Het komt voor dat huurcontracten gekoppeld zijn aan zorgafname. Dit betekent dat een cliënt moet verhuizen als hij/zij wil overstappen naar een andere zorgaanbieder. Daarnaast is het dan niet duidelijk uit welke gelden de huur betaald wordt. Dit vinden we een ongewenste gang van zaken. Door wonen en zorg contractueel samen te brengen, vertroebelt het toezicht op de kwaliteit van ondersteuning. Daarnaast leidt dit tot oneigenlijke dubbele financiële belangen. Daarom is het voortaan alleen toegestaan dat een huurcontract gekoppeld is aan zorgafname als de zorg en het wonen onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Denk hierbij aan beschermd wonen.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 10</span><span class=\"lf-art-t\">Inhoud beschikking</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor wat er in een beschikking moet staan. Dat is overzichtelijk opgenomen in dit artikel. Een cliënt kan in bezwaar gaan tegen een beschikking. Bijvoorbeeld omdat hij van mening is dat het college ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie. Is de cliënt het ook niet eens met de beslissing die genomen wordt na zijn bezwaar? Dan kan hij daartegen in beroep gaan. De rechter toetst dan of de gemeente zich gehouden heeft aan de voorgeschreven procedures, of het onderzoek naar de omstandigheden van de cliënt op adequate wijze is verricht en of de toegekende ondersteuning passend is. Het uiteindelijke doel is dat de cliënt zoveel mogelijk zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren. Dit zodat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven en gezond en veilig (op) kan groeien, richting zelfstandigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lid 1d staat dat ook de eventuele bijdrage in de kosten vermeld wordt. Dit gaat alleen om informatie; het college neemt niet de exacte hoogte van de eigen bijdrage op in de beschikking. Dat loopt immers via het CAK (artikel 16 en 2.1.4 lid 6 Wmo 2015). Ook bezwaar en beroep tegen de hoogte van de eigen bijdrage gaat via het CAK.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 11</span><span class=\"lf-art-t\">Algemene regels voor pgb</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Cliënten kunnen kiezen om de voorziening in de vorm van een pgb te ontvangen (artikel 2.3.6 Wmo 2015 en artikel 8.1.1 Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Er wordt niet met terugwerkende kracht een pgb gegeven voor kosten die de cliënt vóór de aanvraag al heeft gemaakt en waarvan niet na te gaan is of die voorziening ook echt noodzakelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 Een pgb wordt alleen verstrekt als de cliënt redenen kan aangeven waarom hij een pgb wil. Op die manier weten we zeker dat het de eigen beslissing van de aanvrager is (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). De cliënt moet dan ook verplicht een plan opstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor jeugdhulp geldt bovendien dat een cliënt alleen een pgb krijgt als hij kan aantonen dat de voorziening die door een aanbieder geleverd wordt niet passend is (artikel 8.1.1, lid 2b Jeugdwet). Uit zijn onderbouwing moet duidelijk worden dat de cliënt zich voldoende georiënteerd heeft op de voorziening in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het plan van de cliënt moet ook staan hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de voorziening die hij met het pgb wil aanschaffen/inzetten van goede kwaliteit is. Daarbij is in elk geval belangrijk dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Voor degene die de diensten verleent en in contact kan komen met een kind dat jonger is dan achttien jaar, geldt dat diegene (voor aanvang van de hulpverlening) over een actuele Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een VOG draagt bij aan de veiligheid van het kind. De Jeugdwet stelt deze eis aan alle medewerkers van een jeugdhulpaanbieder, inclusief vrijwilligers. De gemeente stelt deze eis ook aan degene die diensten verleent in het kader van een pgb. Op het moment dat de hulpverlening van start gaat moet de cliënt de VOG kunnen overleggen aan de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 Krijgt een cliënt een hulpmiddel toegekend dan komen hier logischerwijs ook kosten uit voort voor onderhoud en reparaties. Het pgb kan voor deze kosten worden opgehoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 en lid 6 Het college moet in de verordening vastleggen hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.1.3, lid 2b Wmo 2015 en artikel 2.9 c Jeugdwet). De hoogte van het pgb moet voldoende zijn om de voorziening te kunnen bekostigen. Een pgb is (gemiddeld) goedkoper dan zorg in natura, omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden als de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, lid 5a Wmo 2015 en artikel 8.1.1, lid 4a Jeugdwet). Dit verschil in kosten kan bijvoorbeeld komen doordat de gemeente de voorziening op grotere schaal inkoopt en daardoor tegen een lager bedrag kan inkopen. Wil een cliënt toch de duurdere voorziening (middels een pgb) dan kan hij er voor kiezen om zelf bij te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor lid 6 f. geldt dat er in de financiële bijlage een maximum aantal kilometers is opgenomen voor vraagafhankelijk vervoer in het kader van de Wmo (bijlage 2, artikel 9). Om het aantal kilometers te bepalen is gekeken wat vanuit de jurisprudentie naar voren kwam als een redelijk aantal. We zijn daarbij op het maximum gaan zitten, omdat veel van onze inwoners georiënteerd zijn op Nijmegen en gemeente Mook en Middelaar relatief ver van centrum Nijmegen vandaan ligt. Op deze manier hebben onze inwoners toch de mogelijkheid om regelmatig naar Nijmegen te reizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 Een aantal uitgaven mag de cliënt niet vanuit het pgb doen. De reden hiervoor is dat geld dat bestemd is voor ondersteuning ook zoveel mogelijk naar die ondersteuning moet gaan. En niet naar allerlei zaken daar omheen, zoals administratie en huur. Met kosten voor bemiddeling bedoelen we onder andere dat de cliënt iemand betaalt om hem te ondersteunen bij het aanvragen van een (her)indicatie, het vinden van een geschikte zorgverlener of het opzetten van de administratie. Dit mag niet uit het pgb betaald worden. De cliënt kan wel gratis gebruik maken van cliëntondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 8 Een jeugdige, die jonger is dan achttien jaar, mag niet zelf een pgb beheren. Aan een pgb kleven veel verantwoordelijkheden en handelingen. We vinden het niet wenselijk dat minderjarigen deze verantwoordelijkheden dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 9 Om te voorkomen dat een persoonsgebonden budget oneindig geldig is, stellen we de regel dat het pgb binnen zes maanden na toekenning aangewend moet zijn. Deze periode zou ruim voldoende moeten zijn om het pgb te besteden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 10 Het beheren van een pgb brengt veel verantwoordelijkheden met zich mee. Daarom is het belangrijk om een pgb te beëindigen of niet toe te kennen als blijkt dat de cliënt deze verantwoordelijkheden niet kan dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 11 Jaarlijks worden de tarieven van de voorzieningen opnieuw vastgesteld. Dit gebeurt door het college, binnen de kaders die de gemeenteraad in de verordening heeft vastgelegd.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 12</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb-professional</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Dit artikel gaat over pgb’s waarmee ondersteuning wordt ingekocht bij zorgaanbieders. Zorgaanbieders kunnen met onderaannemers werken. In dat geval is dit artikel ook op hen van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 en 3 Het is belangrijk dat het pgb op een juiste manier ingezet wordt. Daarom is het belangrijk om te weten of met de ondersteuning ook echt de gestelde doelen behaald worden. Daar hangt mee samen dat de zorgaanbieder de geleverde uren zorg ook kan verantwoorden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 We vinden het erg belangrijk dat de aanbieder samenwerkt met andere professionals en het netwerk van de cliënt. We streven naar ‘één huishouden, één plan’. Er moet een optimale samenhang zijn tussen zorg en welzijn door professionals enerzijds en zorg en ondersteuning door het netwerk anderzijds. Toch is dit lastig te toetsen, want wanneer is het ‘goed’ genoeg? Een objectieve maatstaf ontbreekt, maar het benadrukt wel dat wij de samenwerking en afstemming erg belangrijk vinden. We hebben daarin hoge verwachtingen van de zorgaanbieders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Ook via de pgb-constructie is het belangrijk dat de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning ontvangt. We willen daarom dat ook zorgaanbieders die via een pgb ondersteuning leveren, voldoen aan kwaliteitseisen. Dit zijn dezelfde eisen die we stellen aan aanbieders die zorg in natura leveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Voldoet een aanbieder niet aan de kwaliteitseisen of levert hij wanprestaties, dan kan het college een waarschuwing geven. Of zelfs besluiten om niet (langer) te accepteren dat deze zorgaanbieder de ondersteuning vanuit een pgb levert.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 13</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb sociaal netwerk</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Met ‘sociaal netwerk’ bedoelen we personen uit de huiselijke kring van de cliënt en andere personen met wie de cliënt een sociale relatie heeft. Denk bijvoorbeeld aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, of aan buren, vrienden, kennissen, etc. Ook mantelzorgers kunnen hieronder vallen (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34). Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk geboden wordt en daarom gaat het voor op een maatwerkvoorziening. Is afgesproken dat iemand uit het eigen netwerk onbetaald ondersteuning wil bieden, dan is het niet logisch om deze ondersteuning vervolgens met een pgb te betalen. Uitzonderingen hierop zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een pgb. Het blijft altijd om maatwerk gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het sociaal netwerk kan vanuit het pgb betaald worden, maar dan moet de ondersteuning die eruit voortkomt wel duidelijk de gebruikelijke hulp overstijgen. Daarnaast moet het aantoonbaar leiden tot betere en effectievere ondersteuning die ook nog eens doelmatiger is. In het plan dat de cliënt maakt moet hij dit onderbouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaak zal de ondersteuning vanuit het sociaal netwerk gegeven worden in de vorm van een dienst. Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen zijn minder goed denkbaar. Wordt ook hiervoor een pgb aangevraagd, dan moet in ieder geval duidelijk zijn dat de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 en 4 Het blijft een lastige discussie welke zorg uit het sociaal netwerk onbetaald verwacht mag worden en welke inzet wel betaald wordt. Het CIZ heeft hier het protocol ‘gebruikelijke zorg’ voor ontworpen, wat als handleiding gebruikt kan worden. In lid 3 en 4 staat welke aspecten in ieder geval een rol spelen bij het wel of niet toekennen van een pgb. Lid 3 gaat vooral over de inhoud van de ondersteuning: wat wordt er verwacht? Lid 4 gaat over de randvoorwaarden: welke deskundigheid vraagt dit?</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder lid 3 staat dat een pgb niet binnen het sociaal netwerk ingezet kan worden voor behandeling. Het gaat hier om behandeling jeugd-ggz. Behandeling is een vorm van jeugdhulp die alleen door professionals kan worden geboden. Er moet gewerkt worden volgens bepaalde methoden en het is belangrijk dat de professional objectief en onafhankelijk handelt. Een persoonlijke relatie met de jeugdige staat het objectieve oordeelsvermogen in de weg en maakt het lastiger om patronen te doorbreken. In beroepscodes voor psychologen staat dan ook dat professionele en niet-professionele rollen niet zozeer vermengd mogen zijn dat de professional niet meer in staat is om een professionele afstand tot de betrokkene te bewaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Voor de tarieven hebben we zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de tarieven die vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) gehanteerd worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 14</span><span class=\"lf-art-t\">Regels voor pgb-beheer</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Besluit een cliënt dat hij de ondersteuning graag met een pgb wil ontvangen en kan hij dit onderbouwen, dan wordt vervolgens gekeken wie het pgb gaat beheren. Diegene draagt de verantwoordelijkheden die vastzitten aan het beheer van een pgb. Daarover gaat dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 en 2 Soms wil een cliënt graag een pgb maar kan of wil hij dit niet zelf beheren. In dat geval kan hij iemand uit zijn sociaal netwerk dit laten beheren of hij kan dit laten doen door een professional. Voor begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen moet de cliënt wel zelf regie blijven voeren. Dit betekent dat hij op kan komen voor zijn eigen belangen en de zorgverlener aan kan sturen. Kan de cliënt dit niet, dan mag een familielid uit de eerste of tweede graad dit van hem overnemen. Is dit niet mogelijk, dan ontvangt de cliënt geen pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit artikel 2.3.6 lid 2 sub a van de Wmo 2015 blijkt dat een pgb-beheerder de cliënt kan ondersteunen, maar niet in de plaats van cliënten mag treden. Dit blijkt uit de woorden ‘met hulp uit’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 en 4 Om pgb-beheerder te mogen zijn moet diegene in staat zijn om te bedenken wat voor de cliënt belangrijk en wenselijk is. Er mag dan ook geen sprake zijn van belangenverstrengeling. Dit betekent onder andere dat de pgb-beheerder niet de zorgaanbieder van de cliënt mag zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 en 7 De pgb-beheerder moet de cliënt tijdens het pgb-traject ondersteunen en beschermen. Daarnaast is hij aanspreekpunt voor alles omtrent het pgb. Om dit goed te kunnen doen moet hij minimaal één keer per maand contact hebben met de cliënt en zorgverlener. Dit is minimaal nodig om goed de aansluiting te kunnen houden en om te controleren of de gefactureerde zorg ook daadwerkelijk geleverd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Een bewindvoerder mag ook de pgb-zaken regelen voor de cliënt. Hij moet dan wel over zorginhoudelijke kennis beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 8 Vaak zal iemand uit het sociaal netwerk degene zijn die het pgb-beheer op zich neemt. Er komt echter veel bij kijken en het sociaal netwerk is vaak al zwaar belast. Het is in niemands belang als het netwerk over de kop gaat. Daarom stellen we de regel dat iemand alleen pgb-beheerder mag worden als hij aan kan geven dat dit niet tot overbelasting leidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 9 De ondersteuning en vertegenwoordiging die de cliënt ontvangt bij het beheren van een pgb mag niet worden betaald uit het pgb. Ook eventuele materialen die nodig zijn om het pgb te beheren mogen niet uit het pgb betaald worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 15</span><span class=\"lf-art-t\">Controle</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening moeten we regels stellen waarmee we misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s voorkomen (artikel 2.3.6, lid 4 Wmo 2015 en artikel 2.9 d Jeugdwet). Dit doen we door steekproefsgewijs te controleren of verstrekte voorzieningen inderdaad besteed zijn ten behoeve van het doel waarvoor ze bedoeld waren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 16</span><span class=\"lf-art-t\">Bijdrage in de kosten (Wmo 2015)</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Voor de ondersteuning vanuit de Wmo mag de gemeente een bijdrage in de kosten vragen van de cliënt. Dit mag niet voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet. Daarom is heel artikel 16 alleen van toepassing op ondersteuning vanuit de Wmo.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eigen bijdrage kan gevraagd worden voor zowel algemene voorzieningen als voor maatwerkvoorzieningen. Bij een algemene voorziening bepaalt de gemeente of zorgaanbieder de hoogte van de eigen bijdrage. Bij een maatwerkvoorziening int het CAK de eigen bijdrage, maar kan de gemeente de eigen bijdrage maximeren. In de financiële bijlage wordt een aantal maatwerkvoorzieningen genoemd waarvoor we geen bijdrage in de kosten vragen (bijlage 2, artikel 2). We vragen voor gezinsondersteuning, thuisbegeleiding en Sociaal Medische Indicatie geen eigen bijdrage omdat deze vormen van ondersteuning een grote rol spelen in het voorkomen van ergere situaties bij een kind en binnen een gezin. We willen daarom de drempel verlagen om gebruik te maken van deze ondersteuning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliëntondersteuning is gratis. Daar wordt geen eigen bijdrage voor gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 De bijdrage die een cliënt betaalt mag niet de kostprijs van de voorziening overstijgen. De gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. Om dit te borgen hebben we een maximale termijn bepaald waarover cliënten een bijdrage betalen (bijlage 2, artikel 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 en 4 In deze regels wordt beschreven hoe de kostprijs van een voorziening berekend wordt. In lid 3 wordt dit gedaan voor een voorziening die verstrekt is als zorg in natura. In lid 4 wordt dit gedaan voor een voorziening die verstrekt is als pgb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Hier verwijzen we naar het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Daar staan in hoofdstuk 3 de kaders voor de eigen bijdrage.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Volgens de wet moeten we in de verordening beschrijven welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening voor opvang vaststelt en int (artikel 2.1.4, lid 7 Wmo 2015). Wij geven hier aan dat we die bevoegdheid kunnen mandateren aan de zorgaanbieder van de opvang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 en 8 Voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet mag geen eigen bijdrage gevraagd worden. Soms heeft een jeugdige echter ondersteuning vanuit de Wmo nodig, zoals een woningaanpassing. Dan mag er wel een eigen bijdrage gevraagd worden. De ouder(s) en/of gezaghebbende van de jeugdige betaalt/betalen dan die bijdrage in de kosten (artikel 2.1.5 Wmo 2015). Ouders die van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of uit de ouderlijke macht zijn ontzet, hoeven geen bijdrage te betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 9 Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de bijdrage in de kosten.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 17</span><span class=\"lf-art-t\">Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel geldt alleen voor de zorgaanbieders die ondersteuning vanuit de Wmo leveren. Voor ondersteuning vanuit de jeugdhulp zijn kwaliteitseisen opgenomen in de wet (paragraaf 4.1 Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 t/m 5 Volgens de wet moeten we in de verordening opnemen welke eisen we stellen aan de kwaliteit van de voorzieningen, zoals de deskundigheid van de beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2c Wmo 2015). De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van Wmo-voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Uitgangspunt hierbij zijn de kwaliteitseisen die de regering zelf al heeft opgesteld (artikel 3.1 Wmo 2015). In lid 1 t/m 5 zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Het college mag aanvullende kwaliteitseisen stellen. Zo kan het college vragen dat ook hulpverleners die ondersteuning leveren vanuit de Wmo een actuele Verklaring Omtrent Gedrag aanleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 De gemeente moet jaarlijks verplicht een cliëntervaringsonderzoek uitvoeren (artikel 2.5.1, lid 1 Wmo 2015 en artikel 2.10 Jeugdwet). Daarnaast vinden er contractmanagementgesprekken plaats met de aanbieders. In die gesprekken wordt besproken wat er goed gaat en wat er verbeterd kan worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 18</span><span class=\"lf-art-t\">Meldingsregeling calamiteiten en geweld</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het college moet personen aanwijzen die er toezicht op houden of de wet wordt nageleefd (artikel 6.1 Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Organisaties in de sectoren onderwijs, gezondheidszorg, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, sport, jeugdzorg en justitie moeten een meldcode hebben en moeten het gebruik van deze meldcode bevorderen (Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling). In de meldcode staat hoe de medewerker om moet gaan met het signaleren en melden van (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college heeft een aandachtsfunctionaris aangesteld die een adviserende rol heeft richting beleidsontwikkeling en een coördinerende rol heeft bij vermoedens van kindermishandeling, ouderenmishandeling of huiselijk geweld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 en 4 Als er sprake is van een calamiteit of geweldsincident op het moment dat de voorziening verstrekt wordt aan de cliënt, dan moet de aanbieder dit melden bij de toezichthoudend ambtenaar (artikel 3.4, lid 1 Wmo 2015). De toezichthoudend ambtenaar onderzoekt deze meldingen en adviseert het college hoe verdere calamiteiten voorkomen kunnen worden en hoe geweld bestreden kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De melding van calamiteiten en geweld in de jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering is geregeld in de Jeugdwet. Als toezichthouder is de inspectie jeugdzorg aangewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 Het college heeft een regeling opgesteld over het doen van meldingen. Daarnaast heeft het college een ambtenaar van de gemeente aangewezen bij wie aanbieders ook melding moeten maken van calamiteiten en geweldsincidenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 6 Het college kan nadere regels stellen over welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 19</span><span class=\"lf-art-t\">Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Als cliënten een maatwerkvoorziening ontvangen dan is het goed dat ze op de hoogte zijn van de rechten en plichten die daaraan verbonden zijn. Niet alleen als de cliënt voor een pgb kiest, maar ook als het gaat om zorg in natura. Het college legt daarom aan cliënten uit wat er van hen verwacht wordt en wat zij van ons mogen verwachten (artikel 2.3.8 Wmo 2015 en artikel 8.1.2 lid 1 Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Het kan zijn dat de situatie van een cliënt verandert, waardoor de toegekende maatwerkvoorziening niet meer passend is. Bijvoorbeeld omdat de voorziening niet meer nodig is. Of omdat een andere voorziening geschikter is in de nieuwe situatie. Cliënten moeten zulke veranderingen in hun situatie melden bij het college. Dit is voor ondersteuning vanuit de Wmo al verplicht in de wet (artikel 2.3.10 Wmo 2015). Voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet is dit niet bij wet geregeld, maar we willen hier één lijn in trekken. Daarom is dit lid van toepassing op beide vormen van ondersteuning. De wet verplicht ons om regels te stellen waarmee we voorkomen dat cliënten onterecht een maatwerkvoorziening ontvangen (artikel 2.1.3, lid 4 Wmo en artikel 2.9 d Jeugdwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 In de verordening moeten we ook regels stellen om misbruik of oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening tegen te gaan (artikel 2.1.3, lid 4 Wmo en artikel 2.9 d Jeugdwet). De inhoud van lid 3 staat al in de Wmo (artikel 2.4.1 Wmo 2015), maar nog niet in de Jeugdwet. We vinden het belangrijk om deze regels ook toe te passen op ondersteuning vanuit de Jeugdwet en daarom is het hier opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 4 In de wet staat wanneer het college een beslissing kan wijzigen of intrekken (artikel 8.1.4 Jeugdwet en artikel 2.3.10 Wmo 2015). Voor de Jeugdwet is dit alleen vastgelegd inzake pgb’s. Door dit lid in de verordening op te nemen geldt het (net als bij zorg vanuit de Wmo) ook voor zorg in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 5 en 6 Besluit het college om een pgb te wijzigen of in te trekken, dan mag het college een verstrekt pgb-bedrag terugvorderen (artikel 8.1.4, lid 3 Jeugdwet). In de wet staat daarnaast dat het college dit ook mag doen als het gaat om een voorziening die als zorg in natura is verstrekt vanuit de Wmo (artikel 2.4.1 Wmo 2015). We willen hierin één lijn trekken en door dit lid op te nemen mag het college ook bij ondersteuning vanuit de Jeugdwet geld terugvorderen als het gaat om zorg in natura.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een terugvordering van zorg in natura wordt het bedrag bepaald op basis van de waarde van de voorziening die de cliënt ontvangen heeft (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 7 Een terugvordering op basis van de Wmo mag alleen verrekend worden met een budget dat vanuit de Wmo verstrekt is/wordt en hetzelfde geldt voor een terugvordering op basis van de Jeugdwet: die terugvordering mag alleen verrekend worden met een budget dat vanuit de Jeugdwet verstrekt is/wordt (CRvB 26-08-2015 nr. 12/5710 Wmo).</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 20</span><span class=\"lf-art-t\">Jaarlijkse waardering mantelzorgers</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De gemeente moet in de verordening aangeven hoe we mantelzorgers van onze cliënten ieder jaar een blijk van waardering geven (artikel 2.1.6 Wmo 2015). Deze waardering is bedoeld voor mantelzorgers van cliënten die ingezetene zijn van onze gemeente (bij volwassenen) of die volgens het woonplaatsbeginsel onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen (als de cliënt een jeugdige is). De mantelzorger zelf hoeft niet in onze gemeente te wonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een brede groep van mantelzorgers komt in aanmerking voor de jaarlijkse waardering. Niet alleen mantelzorgers van cliënten die van de gemeente een algemene voorziening of maatwerkvoorziening ontvangen. Ook mantelzorgers van cliënten die bij ons hulp hebben gevraagd maar geen voorziening toegekend gekregen hebben, ontvangen de jaarlijkse waardering. Tot slot kan iemand mantelzorger zijn van een cliënt geen hulp bij ons heeft aangevraagd. Ook deze mantelzorger komt in aanmerking voor de jaarlijkse waardering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 21 en 22 Het college kan besluiten om delen van de wet uit te laten voeren door zorgaanbieders (artikel 2.6.4, lid 1 Wmo). Het is dan wenselijk dat in de verordening regels staan om een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit te borgen en te voorkomen dat bijvoorbeeld alleen gekeken wordt naar de laagste prijs (artikel 2.6.6 lid 1 Wmo). In dit artikel wordt toegelicht hoe we een goede prijs-kwaliteitverhouding borgen. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Meer hierover staat ook in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Om bij de inkoop enige flexibiliteit te houden, is niet te gedetailleerd uiteengezet welke kostencomponenten een rol moeten spelen. Reizen, opleidingen en administratieve verplichtingen (waaronder rapporteren) vallen onder de noemer overhead.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 23</span><span class=\"lf-art-t\">Klachtregeling</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 De gemeente moet mondelinge en schriftelijke klachten op een ‘behoorlijke’ manier behandelen (hoofdstuk 9 Awb). Cliënten mogen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich behandeld voelen (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58). De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de manier waarop een gesprek is gevoerd of omdat de cliënt van mening is dat die ambtenaar niet deskundig genoeg is. Cliënten kunnen ook klachten indienen over bestuurders van de gemeente en anderen die onder verantwoordelijkheid van de gemeente werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Degene die de klacht heeft ingediend kan na afhandeling van de klacht een verzoek indienen bij de bevoegde ombudsman om een onderzoek in te stellen. De regels hiervoor staan allemaal in de Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 Iedere zorgaanbieder die ondersteuning levert aan onze cliënten is verplicht om een klachtenregeling te hebben (artikel 3.2 lid 1a Wmo 2015, artikel 2.1.3 lid 2e Wmo 2015 en paragraaf 4.2a Jeugdwet). Een cliënt kan bijvoorbeeld klagen over het gedrag van de aanbieder of over de kwaliteit van de geleverde ondersteuning. Dit kan gaan om de deskundigheid van de medewerker, maar ook om een bepaalde houding, uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cliënten moeten een klacht over de aanbieder eerst bij die aanbieder indienen. Ze moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel behandelt en ook snel afhandelt. Gebeurt dit niet naar wens dan kan de cliënt naar de gemeente komen om daar de klacht in te dienen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 3 De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van voorzieningen (artikel 2.1.1 lid 2 Wmo 2015). We moeten er op toe zien dat aanbieders voldoen aan de kwaliteitseisen die we stellen. Daarom zien we er ook op toe dat aanbieders een klachtenregeling hanteren. Vanuit de wet heeft de gemeente geen toezichthoudende functie voor de klachtenregelingen van jeugdhulpaanbieders.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 24</span><span class=\"lf-art-t\">Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen is in de Jeugdwet geregeld (zie paragraaf 4.2.b). Voor medezeggenschap bij aanbieders die ondersteuning vanuit de Wmo bieden moeten regels opgesteld worden in deze verordening (artikel 2.1.3, lid 2f Wmo 2015). Het gaat hierbij om medezeggenschap van cliënten over besluiten die de aanbieder wil nemen en die van belang zijn voor de cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Het college schrijft met dit lid voor dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap moeten vaststellen. Deze regeling moet in ieder geval gelden voor de voorzieningen die de aanbieder levert en die in de verordening worden genoemd (artikel 3.2, lid 1b Wmo 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 In dit lid wordt beschreven hoe het college ervoor wil zorgen dat aanbieders de verplichting tot medezeggenschap goed uitvoeren.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 25</span><span class=\"lf-art-t\">Betrekken van ingezetenen bij het beleid</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">In de verordening moeten we opnemen hoe we onze ingezetenen betrekken bij het beleid (artikel 2.1.3 lid 3 Wmo 2015 en artikel 2.10 Jeugdwet). We verwijzen hierbij naar de inspraakverordening die we vastgesteld hebben (krachtens artikel 150 Gemeentewet). Op deze manier zorgen we voor één lijn binnen de gemeente: dezelfde inspraakprocedure geldt voor Wmo- en jeugdbeleid en ook op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners, dus niet alleen voor inwoners die al ondersteuning ontvangen. Dit omdat iedereen op een bepaald moment ondersteuning nodig kan hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het college vult in hoe de medezeggenschap precies vorm krijgt.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 26</span><span class=\"lf-art-t\">Intrekking oude verordening en overgangsrecht</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die destijds vanuit de AWBZ zijn overgegaan naar de Wmo (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de Wmo 2015) en voor cliënten die vanuit de Wet op de Jeugdzorg, de AWBZ en de Zorgverzekeringswet over zijn gaan naar de Jeugdwet (zie hoofdstuk 10 van de Jeugdwet). In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen totdat er een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid staat dat aanvragen en aanmeldingen die bij het college in behandeling zijn op het moment dat deze verordening in gaat, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Tenzij dit nadelige gevolgen heeft voor de aanvrager, dan geldt de verordening die geldig was op het moment dat de aanvraag werd ingediend.</p>\n<h4 class=\"lf-art\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 27</span><span class=\"lf-art-t\">Nadere regels en hardheidsclausule</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 Iedere situatie is anders. Het kan daarom zijn dat we met deze verordening niet een antwoord hebben gegeven op een situatie die op dat moment geldt voor een cliënt. In dat geval kan het college besluiten over wat wenselijk is in die specifieke situatie en voor die cliënt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 2 en 3 Maatwerk is erg belangrijk als het gaat om ondersteuning vanuit de Wmo en Jeugdwet. Een voorziening wordt dan ook pas toegekend als er een zorgvuldige en persoonlijke afweging is gemaakt. Om te zorgen dat er transparantie en duidelijkheid is over de werkwijze kan het college nadere regels en beleidsregels opstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het college van mening is dat de regels uit de verordening leiden tot een oneerlijke situatie voor de cliënt, dan kan het college besluiten om af te wijken van de verordening. De cliënt kan het college vragen om dit te doen. Blijkt het college op een bepaald punt vaker van de verordening af te moeten wijken, dan zullen we opnieuw beoordelen of het beleid op dat punt aangepast moet worden.</p>\n<h4 class=\"lf-art\" id=\"a-28-56\"><span class=\"lf-art-num\">Artikel 28</span><span class=\"lf-art-t\">Inwerkingtreding en citeertitel</span></h4>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikel bepaalt wanneer deze verordening in werking treedt en hoe naar de verordening moet worden verwezen.</p></div>", "next": 0}